Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2012
Nr. 20668

Gepubliceerd op 15 oktober 2012 09:00



Regeling van de Minister van Financiën van 28 september 2012 over instelling, opzet en werking van agentschappen (Regeling agentschappen)

De Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 18, eerste en derde lid, 38, eerste lid en 65, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001 en op artikel 8 van de Wet van 18 september 2012 tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2013;

Na overleg met de Algemene Rekenkamer (brief van 17 juli 2012, kenmerk 12003412 R);

Besluit:

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. agentschap:

intern verzelfstandigd in de uitvoering werkzaam dienstonderdeel van een ministerie dat een eigen sturingsmodel en financiële administratie heeft;

b. verplichtingen-kasagentschap:

agentschap dat een verplichtingen-kasstelsel hanteert, waaraan regels met betrekking tot het beheer zijn gesteld op basis van de artikelen 38, eerste lid, en 65, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001;

c. baten-lastenagentschap:

agentschap dat een baten-lastenstelsel hanteert, zijnde een baten-lastendienst als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001;

d. lening:

geldbedrag dat tegen een rentevergoeding gedurende een bepaalde looptijd beschikbaar wordt gesteld aan een baten-lastenagentschap vanuit de centrale kas van ’s Rijks schatkist op een leningrekening;

e. initiële lening:

lening die wordt afgesloten ten behoeve van de financiering van over te nemen vaste activa van een ministerie;

f. termijndeposito:

geldbedrag dat tegen een rentevergoeding gedurende een bepaalde looptijd in de centrale kas van ’s Rijks schatkist wordt aangehouden op een depositorekening;

g. Rijkshoofdboekhouding:

afdeling van het Ministerie van Financiën die belast is met de bankierstaken voor de agentschappen ten behoeve van de centrale kas van ’s Rijks schatkist;

h. jaarrekening (verplichtingen-kasagentschap):

verantwoordingsstaat en saldibalans per 31 december met inbegrip van de toelichting daarop;

i. jaarrekening (baten-lastenagentschap):

balans, staat van baten en lasten en kasstroomoverzicht per 31 december met inbegrip van de toelichtingen daarop, als bedoeld in artikel 361, eerste lid van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

j. doelmatigheid:

verhouding tussen de ingezette middelen en de geleverde prestaties (in kwaliteit en kwantiteit);

k. risicoafspraken:

de afspraken over de wijze waarop de financiële gevolgen van onverwachte gebeurtenissen worden toebedeeld aan eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer;

l. kasreserve:

een reserve die door een verplichtingen-kasagentschap wordt aangehouden om jaarlijkse fluctuaties in de exploitatie op te vangen;

m. eigenaar:

de binnen het betrokken ministerie aangewezen verantwoordelijke voor het toezicht op het beleid van de opdrachtnemer en op de algemene gang van zaken in het agentschap;

n. opdrachtgever:

degene binnen een ministerie die het agentschap opdracht geeft tot het leveren van producten of diensten en daarvoor een bijdrage toekent;

o. opdrachtnemer:

de eindverantwoordelijke binnen het agentschap.

Paragraaf 2: Instellen en opheffen agentschap

Artikel 2 Aankondiging

Het betrokken ministerie doet van zijn voornemen om een in de uitvoering werkzaam dienstonderdeel te verzelfstandigen of om diensten te laten fuseren tot één agentschap mededeling aan de directeur-generaal der Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën.

Artikel 3 Voorwaarde voor aanvraag

De betrokken minister dient op een zelfgekozen tijdstip een aanvraag in bij de Minister van Financiën voor de toekenning van de status van agentschap aan een te verzelfstandigen dienstonderdeel, mits de betrokken minister en de Minister van Financiën op grond van de jaarlijkse rapportages van de auditdienst in gezamenlijkheid constateren dat er in het gevoerde financieel beheer over het voorafgaande jaar bij het toekomstig agentschap en bij de bestaande agentschappen waarvoor de betrokken minister verantwoordelijk is, geen relevante onvolkomenheden zijn geconstateerd. Tussen de aankondiging als bedoeld in artikel 2 en de aanvraag liggen tenminste zes weken.

Artikel 4 Instellingsvoorwaarden

  • 1. Bij de in artikel 3 bedoelde aanvraag worden stukken overgelegd waaruit blijkt dat het te verzelfstandigen dienstonderdeel als toekomstig agentschap voldoet aan de instellingsvoorwaarden, inhoudende dat het:

    • a. een verwachte omzet of verwachte ontvangsten heeft van meer dan € 50 miljoen op jaarbasis;

    • b. een resultaatgericht sturingsmodel heeft als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13;

    • c. doelmatiger gaat werken dan als dienstonderdeel van het betrokken ministerie en aangeeft hoe de dienst als agentschap de doelmatigheid tenminste gedurende de vijf daarna volgende jaren verder zal ontwikkelen;

    • d. een zodanig verband kan leggen tussen uitgaven en prestaties, dat bekostiging op basis van prestaties mogelijk is;

    • e. een voldoende kwaliteitsniveau van de financiële functie en het financieel beheer kan waarborgen.

  • 2. De Minister van Financiën stelt met betrekking tot de aanvraag vast op welke gebieden bedoeld in het eerste lid nog nadere invulling dient plaats te vinden en aan welke zonodig aanvullende voorwaarden op het gebied van de doelmatige bedrijfsvoering nog dient te worden voldaan.

  • 3. Indien naar het oordeel van de Minister van Financiën is gebleken dat aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid is voldaan, overlegt de betrokken minister een door de onderscheidenlijk in artikel 10, 11 en 12 bedoelde eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer ondertekend convenant waaruit de opzet en het verwachte functioneren, overeenkomstig het eerste en tweede lid, van het toekomstig agentschap blijkt.

  • 4. Na ontvangst van het convenant zoals bedoeld in het derde lid legt de betrokken minister, mede namens de Minister van Financiën, het voorgenomen besluit tot instelling van het agentschap voor aan de ministerraad.

Artikel 5 Aanvullende instellingsvoorwaarde baten-lastenagentschap

Voor de instelling van een baten-lastenagentschap geldt de aanvullende voorwaarde dat de voorziene gemiddelde afschrijvingskosten per jaar meer dan 5% van de totale lasten bedragen, berekend over een periode van drie jaar.

Artikel 6 Instelling

  • 1. Indien de ministerraad instemt met de instelling van het agentschap brengt de betrokken minister het voorgenomen besluit hiertoe ter kennis van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 2. Indien de Tweede Kamer zich niet uitspreekt tegen het voorgenomen besluit overeenkomstig de procedure vastgelegd in de leden 3 tot en met 5 van artikel 10 van de Comptabiliteitswet 2001, wordt het besluit tot instelling van het agentschap ondertekend door de betrokken minister en de Minister van Financiën.

  • 3. De instelling gaat in op de datum die in het instellingsbesluit wordt genoemd, welke niet ligt vóór de datum waarop het instellingsbesluit is genomen.

  • 4. Het instellingsbesluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 5. De betrokken minister zendt een kopie van het instellingsbesluit aan de Algemene Rekenkamer.

Artikel 7 Doorlichtingen

De betrokken minister en de Minister van Financiën beoordelen gezamenlijk tenminste eens in de vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van een agentschap. De betrokken minister maakt het hieruit volgend rapport openbaar.

Artikel 8 Opheffing van een agentschap

  • 1. De opheffing van een agentschap vindt plaats door een gemotiveerd besluit van de betrokken minister, mede ondertekend door de Minister van Financiën.

  • 2. Voordat een agentschap kan worden opgeheven moet binnen een termijn van zes maanden na balansdatum aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

    • a. de saldibalans danwel slotbalans is voorzien van een controleverklaring van de auditdienst;

    • b. bij overgang van de taken van een verplichtingen-kasagentschap naar een ander agentschap zijn alle in de saldibalans opgenomen financiële saldi overgenomen door het andere agentschap;

    • c. bij overgang van de taken van een baten-lastenagentschap naar een ander agentschap zijn de in de slotbalans opgenomen activa en passiva alsmede de niet in de balans opgenomen verplichtingen overgenomen door het andere agentschap;

    • d. in alle andere gevallen zijn alle schulden, bezittingen en aangegane verplichtingen van het agentschap verrekend met de rechthebbenden.

  • 3. De Tweede Kamer wordt over het besluit tot opheffing separaat geïnformeerd.

  • 4. Het besluit tot opheffing wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 5. De betrokken minister zendt een kopie van het besluit tot opheffing aan de Algemene Rekenkamer.

Paragraaf 3: Resultaatgericht sturingsmodel

Artikel 9 Sturingsmodel

  • 1. Een agentschap heeft een sturingsmodel waarin drie rollen worden onderscheiden, te weten die van eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer. Deze rollen worden niet functioneel gecombineerd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de rollen van opdrachtgever en eigenaar gecombineerd worden wanneer er uitsluitend sprake is van dienstverlening binnen het eigen ministerie, mits gemotiveerd en mits checks and balances tussen de spelers voldoende zijn geborgd.

Artikel 10 Verantwoordelijkheden van de eigenaar

De eigenaar, die verantwoordelijk is voor het toezicht op het beleid van de opdrachtnemer en op de algemene gang van zaken in het agentschap, draagt zorg voor:

  • a. het inrichten van het sturingsmodel op zodanige wijze, dat wordt voldaan aan de vereisten van deze regeling;

  • b. de continuïteit van het agentschap op de lange termijn;

  • c. het toetsen en goedkeuren van de begroting, de tarieven, het jaarplan, de leenaanvragen, de jaarrekening, en de afspraken over de wijze waarop de financiële gevolgen van onvoorziene ontwikkelingen worden toebedeeld aan de eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer;

  • d. het zorgdragen dat uiterlijk per eerste suppletoire begrotingswet een eventuele negatieve kasreserve bij verplichtingen-kasagentschappen, dan wel een eventueel negatief eigen vermogen bij baten-lastenagentschappen, wordt aangevuld tot een saldo dan wel een vermogen van minimaal nihil (overeenkomstig de artikelen 22, derde lid, respectievelijk 25, tweede lid).

Artikel 11 Verantwoordelijkheden van de opdrachtgever

De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor:

  • a. een goede opdrachtformulering, met een zo concreet mogelijke omschrijving van het gewenste resultaat;

  • b. het tijdig betrekken van de opdrachtnemer bij onvoorziene ontwikkelingen die van invloed zijn op de uitvoering van de opdracht;

  • c. het, in afstemming met de opdrachtnemer, opstellen van prestatie-indicatoren en rapportageafspraken zodat de uitvoering van de opdracht gemonitord kan worden.

Artikel 12 Verantwoordelijkheden van de opdrachtnemer

De opdrachtnemer draagt de verantwoordelijkheid voor:

  • a. de bestendigheid van de interne organisatie;

  • b. het doelmatig, rechtmatig en professioneel uitvoeren van de afspraken zoals gemaakt met de opdrachtgever(s) en eigenaar en het afleggen van verantwoording daarover;

  • c. het tijdig betrekken van de opdrachtgever(s) bij onvoorziene ontwikkelingen die van invloed zijn op de uitvoering van de opdracht;

  • d. het financieel en materieel beheer, inclusief de begrotingsuitvoering en het afleggen van verantwoording hierover.

Artikel 13 Jaarplan

In het jaarplan van het agentschap of een daarmee vergelijkbaar document neemt de opdrachtnemer voor het komende jaar tenminste een overzicht op van:

  • a. de financiële kaders van het agentschap en de wijze van financiering zoals afgesproken met de opdrachtgever(s);

  • b. de te leveren prestaties op hoofdlijnen en de daarbij behorende wijze van bekostiging;

  • c. de rapportageafspraken met de opdrachtgever(s) en eigenaar;

  • d. de afspraken over de wijze waarop de financiële gevolgen van onvoorziene ontwikkelingen worden toegedeeld aan de eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer.

Paragraaf 4: Financiering en bekostiging

Artikel 14 Bekostiging

Agentschappen ontvangen bijdragen voor de door hen geleverde producten en diensten. Deze bijdragen worden bepaald op basis van de met de opdrachtgever(s) van het agentschap gemaakte hoeveelheids-, kwaliteits- en prijsafspraken. Hiermee zijn de te ontvangen bijdragen gekoppeld aan prestaties.

Artikel 15 Bevoorschotting

Bij het bevoorschotten van een agentschap wordt een zodanige frequentie en hoogte aangehouden dat aangesloten wordt bij de noodzakelijke liquiditeitsbehoefte van het agentschap, analoog aan de bepalingen in de Regeling verlening voorschotten 2007.

Artikel 16 Rekening-courant en deposito

  • 1. Het aanhouden van liquide middelen door een agentschap geschiedt in ’s Rijks schatkist in de vorm van een rekening-courant. Aan een rekening-courant kan een depositorekening worden gekoppeld.

  • 2. De Minister van Financiën bepaalt de van toepassing zijnde rentepercentages voor debet- en creditsaldi op de rekening-courant en termijndeposito’s. Artikel 3, eerste, tweede, vierde en zesde lid van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De renteverrekening tussen het Ministerie van Financiën en het betrokken agentschap over de saldi op de rekening-courant vindt eenmaal per jaar plaats met als rentevervaldatum 31 december.

  • 4. Een agentschap kan beschikken over een krediet in de vorm van een debetstand op de rekening-courant, ter voorziening in een liquiditeitsbehoefte voor het doen van lopende uitgaven.

  • 5. Het rekening-courantkrediet bij ’s Rijks schatkist bedraagt voor een agentschap per 31 december maximaal € 0,5 miljoen.

Artikel 17 Depositoprocedure en -voorwaarden

  • 1. Een termijndeposito wordt niet met terugwerkende kracht afgesloten.

  • 2. Een termijndeposito wordt alleen afgesloten indien de rekening-courant van het agentschap een toereikend creditsaldo heeft.

  • 3. De Rijkshoofdboekhouding int een in rekening te brengen afsluitprovisie zelfstandig ten laste van de rekening-courant van het agentschap.

  • 4. De te ontvangen rente over het termijndeposito wordt verrekend op de voor het termijndeposito geldende rentevervaldatum. Bij termijndeposito’s met een looptijd van langer dan twaalf maanden schrijft de Rijkshoofdboekhouding de te ontvangen rente jaarlijks automatisch bij op de rekening-courant van het agentschap. De rente wordt berekend vanaf de ingangsdatum van het termijndeposito.

  • 5. Het vervroegd opnemen van een termijndeposito geschiedt door een tijdig verzoek van het agentschap aan de Rijkshoofdboekhouding.

  • 6. Bij vervroegde opname is het agentschap een boete verschuldigd. De Rijkshoofdboekhouding int de boete op de opnamedatum zelfstandig ten laste van de rekening-courant van het agentschap.

  • 7. De Minister van Financiën bepaalt de van toepassing zijnde afsluitprovisies en boetes bij vervroegd opnemen en kan tevens minimumbedragen vaststellen voor deposito’s.

Paragraaf 5: Algemene bepalingen administratie en verslaglegging

Artikel 18 Uitgangspunten administratie en verslaglegging

  • 1. Voor agentschappen geldt de regelgeving omtrent financieel beheer en verantwoording zoals opgenomen in de Comptabiliteitswet 2001 en de daaruit voortvloeiende comptabele regelgeving.

  • 2. Voor de presentatie van de jaarrekening en de agentschapsparagraaf in het jaarverslag van het betrokken ministerie zijn de modellen en de toelichtingen daarop van toepassing zoals opgenomen in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften.

Artikel 19 Procedure openings(saldi)balans

  • 1. De indicatieve openings(saldi)balans wordt opgenomen in de agentschapsparagraaf van de eerstvolgende begrotingswet van het betrokken ministerie overeenkomstig de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften.

  • 2. Nadat de Tweede Kamer de begrotingswet, bedoeld in het eerste lid, heeft vastgesteld, stelt de betrokken minister in overeenstemming met de Minister van Financiën de definitieve openings(saldi)balans vast.

  • 3. De definitieve openings(saldi)balans dient voorzien te worden van een controleverklaring van de auditdienst.

  • 4. Na ontvangst van deze controleverklaring wordt de definitieve openings(saldi)balans opgenomen in de agentschapsparagraaf van de eerste daaropvolgende begrotingswet van het betrokken ministerie in het jaar van instelling.

Artikel 20 Publicitair jaarverslag

Indien een agentschap een publicitair jaarverslag uitbrengt, maakt het agentschap in dit jaarverslag melding van de bijzondere status van dit verslag.

Paragraaf 6: Specifieke bepalingen verplichtingen-kasagentschappen

Artikel 21 Vereisten openings-saldibalans

  • 1. De openings-saldibalans geeft de financiële saldi van het agentschap per instellingsdatum weer.

  • 2. In de openingsbalans kan een kasreserve worden opgenomen die maximaal 3% van de verwachte jaarontvangsten bedraagt zoals bedoeld in het vijfde lid van artikel 22.

Artikel 22 Kasreserve

  • 1. De kasreserve van een verplichtingen-kasagentschap is gebonden aan een maximumomvang van 3% van de gemiddelde jaarontvangsten berekend over de laatste drie jaar. Indien het agentschap nog geen drie jaar bestaat worden de gemiddelde jaarontvangsten berekend over deze kortere periode.

  • 2. De kasreserve is gebonden aan een minimumomvang per 31 december van nihil.

  • 3. Wanneer de in het eerste en tweede lid vermelde grenzen worden overschreden, dan wordt uiterlijk bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet aangegeven hoe dit is hersteld.

  • 4. Financiële transacties die zuiver gericht zijn op het voorkomen van overschrijdingen van de in het eerste en tweede lid vermelde grenzen zijn niet toegestaan.

  • 5. De in het eerste lid bedoelde jaarontvangsten van een verplichtingen-kasagentschap bestaan uit de bijdragen van het betrokken ministerie, bijdragen van overige ministeries en bijdragen van derden.

  • 6. Het gerealiseerde exploitatieresultaat per 31 december wordt in zijn geheel toegevoegd aan de kasreserve van het verplichtingen-kasagentschap.

Paragraaf 7: Specifieke bepalingen baten-lastenagentschappen

Artikel 23 Uitgangspunten openingsbalans

  • 1. In de openingsbalans met de daarbij behorende toelichting worden de activa, passiva, rechten en verplichtingen opgenomen die door het betrokken ministerie en door andere ministeries aan een agentschap in economisch beheer worden overgedragen.

  • 2. Tegenover de langlopende bezittingen wordt in de openingsbalans een initiële lening opgenomen: een langlopende schuld aan het Ministerie van Financiën in de vorm van een beroep op de leenfaciliteit. De omvang van de initiële lening kan worden verminderd met het langlopende deel van de voorzieningen. De uit de verstrekte lening ontvangen gelden worden door het betrokken baten-lastenagentschap betaald aan het (vak)ministerie ter vergoeding van de overgenomen vermogensbestanddelen.

  • 3. In de openingsbalans wordt het saldo van enerzijds de kortlopende bezittingen en anderzijds de kortlopende schulden en het kortlopende deel van de voorzieningen opgenomen als passivum in de post ‘Nog te betalen’ indien dit saldo positief is, en opgenomen als activum in de post ‘Nog te ontvangen’ indien dit saldo negatief is.

  • 4. In de openingsbalans kan slechts een exploitatiereserve als vorm van eigen vermogen worden opgenomen, welke maximaal 5% van de verwachte omzet bedraagt zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 27, onder d.

Artikel 24 Rentecompensatie bij openingsbalans

Indien de kostprijs van een product of een dienst van een baten-lastenagentschap stijgt als gevolg van de rente die een baten-lastenagentschap verschuldigd is over de initiële lening en indien die gestegen kostprijs aantoonbaar in rekening wordt gebracht aan een ander dienstonderdeel van het Rijk, staat de Minister van Financiën aan die andere dienst toe ten laste van de algemene middelen een aanvullend budget ter grootte van de kostenstijging in de departementale begroting op te nemen totdat de initiële lening is afgelost.

Artikel 25 Mutaties in het eigen vermogen

  • 1. Bijdragen aan baten-lastenagentschappen anders dan de in artikel 14 genoemde bijdragen, zijn directe vermogensmutaties en worden door het baten-lastenagentschap verantwoord onder de exploitatiereserve.

  • 2. Indien er volgens de jaarrekening sprake is van een overschrijding van de in artikel 27 vierde lid genoemde grenzen, wordt uiterlijk bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet aangegeven hoe dit is hersteld.

  • 3. Financiële transacties die zuiver gericht zijn op het voorkomen van overschrijdingen van de in artikel 27 vierde lid vermelde grenzen zijn niet toegestaan.

Artikel 26 Uitgangspunten administratie en verslaggeving

Onverminderd artikel 27 zijn bij het opstellen van de jaarrekening van baten-lastenagentschappen en de daarop gebaseerde agentschapsparagraaf in het departementaal jaarverslag de artikelen 361 tot en met 390, uitgezonderd artikel 365, tweede lid, artikel 383 en de artikelen 383a t/m artikel 383e van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27 Nadere bepalingen voor de verslaggeving

  • 1. Onder het begrip ‘derden’ in de zin van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt in het kader van deze regeling ook verstaan iedere organisatie of ieder organisatieonderdeel van de rijksoverheid anders dan het baten-lastenagentschap waarop de verslaggeving betrekking heeft.

  • 2. Bij materiële en immateriële activa gelden de volgende bepalingen:

    • a. de waardering geschiedt tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs, onder aftrek van cumulatieve afschrijvingen en eventuele opgetreden waardeverminderingen;

    • b. afschrijving geschiedt volgens de lineaire methode, op basis van de economische levensduur van de vaste activa;

    • c. bij het bepalen van de afschrijvingstermijnen worden in beginsel de termijnen gehanteerd zoals opgenomen in de artikelsgewijze toelichting. Afwijkingen worden toegelicht in de jaarrekening.

    • d. in afwijking van het Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 365, tweede lid wordt bij de activering van immateriële vaste activa geen wettelijke reserve in de jaarrekening opgenomen.

  • 3. Een baten-lastenagentschap bezit geen financiële vaste activa.

  • 4. Ten aanzien van het eigen vermogen gelden de volgende bepalingen:

    • a. in de balans van een baten-lastenagentschap, niet zijnde de openingsbalans, worden onder de post eigen vermogen slechts opgenomen:

      • een exploitatiereserve;

      • het onverdeeld resultaat, zijnde het exploitatieresultaat over het verslagjaar.

    • b. het onverdeeld resultaat wordt, na vaststelling van de jaarrekening, in zijn geheel toegevoegd aan de exploitatiereserve van een baten-lastenagentschap;

    • c. het eigen vermogen van een baten-lastenagentschap is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar. Indien een baten-lastenagentschap korter dan drie jaar bestaat, wordt de gemiddelde jaaromzet berekend over deze kortere periode;

    • d. onder de omzet van een baten-lastenagentschap wordt verstaan: bijdragen van het betrokken ministerie, bijdragen van overige ministeries en bijdragen van derden;

    • e. het eigen vermogen van een baten-lastenagentschap is gebonden aan een minimumomvang van nihil;

    • f. wanneer de in lid 4c en 4e vermelde grenzen worden overschreden, dan wordt dit overeenkomstig het tweede lid van artikel 25 hersteld.

  • 5. Langlopend vreemd vermogen bestaat uitsluitend uit leningen van het Ministerie van Financiën, zoals bedoeld in artikel 28.

  • 6. Voorzieningen worden in beginsel opgenomen overeenkomstig Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Indien de aldaar genoemde voorzieningen niet worden opgenomen, wordt de reden daarvoor toegelicht in de jaarrekening. Dotatie, onttrekking en vrijval van voorzieningen worden vermeld en afzonderlijk toegelicht in de jaarrekening.

  • 7. Vorderingen op en schulden aan het betrokken ministerie en aan andere ministeries worden gespecificeerd en toegelicht bij de toelichting op de afzonderlijke posten in de balans van de jaarrekening.

  • 8. Overeenkomstig de uitgangspunten van het Rijkshuisvestingsstelsel activeert de Rijksgebouwendienst alle panden die onderdeel zijn van het Rijkshuisvestingsstelsel, ook indien het Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 vereist dat een pand geactiveerd wordt bij het baten-lastenagentschap dat het pand in gebruik heeft.

Artikel 28 Leenfaciliteit en leenplafonds

  • 1. Ter dekking van een financieringsbehoefte voor een investering in vaste activa kan een baten-lastenagentschap beschikken over een leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

  • 2. De looptijd van iedere lening wordt gekoppeld aan de economische levensduur van de onderliggende vaste activa.

  • 3. De Minister van Financiën bepaalt de van toepassing zijnde rentepercentages voor leningen. Artikel 3, derde en zesde lid van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de variabele rentevaste periode.

  • 4. De leenfaciliteit is begrensd door middel van leenplafonds, die per baten-lastenagentschap en per looptijd op aanvraag worden toegekend. De toegekende leenplafonds worden niet overschreden.

  • 5. De Minister van Financiën bepaalt de procedure voor het aanvragen en toekennen van een leenplafond.

Artikel 29 Leenprocedure en -voorwaarden

  • 1. Bij het aangaan van een lening opent de Minister van Financiën op naam van het baten-lastenagentschap in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist een leningrekening.

  • 2. Door middel van overboeking naar de rekening-courant bij ’s Rijks schatkist kan een baten-lastenagentschap beschikken over de gelden op een leningrekening. De overboeking vindt plaats op de overeengekomen opnamedatum.

  • 3. De in het tweede lid genoemde data liggen niet in het verleden. De datum van de initiële lening is de enige uitzondering hierop.

  • 4. De Rijkshoofdboekhouding int zelfstandig een in rekening te brengen afsluitprovisie op de ingangsdatum van de betrokken lening ten laste van de rekening-courant van het baten-lastenagentschap.

  • 5. De Rijkshoofdboekhouding int zelfstandig de jaarlijkse aflossing van de lening op de overeengekomen aflossingsdatum ten laste van de rekening-courant en boekt deze af van de leningrekening van het baten-lastenagentschap.

  • 6. De Rijkshoofdboekhouding int jaarlijks zelfstandig de over een lening verschuldigde rente ten laste van de rekening-courant van het baten-lastenagentschap. De rente is verschuldigd vanaf de opnamedatum.

  • 7. Het geheel of gedeeltelijk vervroegd aflossen van de lening geschiedt door een tijdig verzoek aan de Rijkshoofdboekhouding.

  • 8. Bij vervroegd aflossen is het baten-lastenagentschap een boete verschuldigd. De Rijkshoofdboekhouding int de boete zelfstandig ten laste van de rekening-courant van het baten-lastenagentschap.

  • 9. In afwijking van het achtste lid is vervroegd aflossen boetevrij toegestaan bij verkoop of bij verlies door brand, diefstal of vernietiging van de vaste activa waarvoor de lening was afgesloten, en bij het overeenkomstig de verslaggevingvoorschriften van artikelen 26 en 27 afwaarderen van de vaste activa waarvoor de lening was afgesloten.

  • 10. De Rijkshoofdboekhouding int het bedrag van de vervroegde aflossing zelfstandig ten laste van de rekening-courant en boekt dit af op de leningrekening van het baten-lastenagentschap.

  • 11. De Minister van Financiën bepaalt de van toepassing zijnde afsluitprovisies en boetes bij vervroegd aflossen en kan tevens minimumbedragen vaststellen voor leningen.

Paragraaf 8: Toezicht en systeemverantwoordelijkheid

Artikel 30 Toezicht

De directie Financieel-Economische Zaken van het betrokken ministerie oefent toezicht uit op een agentschap overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, artikel 10 en artikel 12, eerste lid van het Besluit Taak FEZ.

Artikel 31 Systeemverantwoordelijkheid

De Minister van Financiën oefent toezicht uit op de inrichting van de agentschappen en de uitvoering van de begrotingen.

Paragraaf 9: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 32 Overgangsbepaling

Wanneer een agentschap dat vóór de inwerkingtreding van deze regeling reeds is ingesteld overgaat van baten-lastenagentschap naar verplichtingen-kasagentschap geldt dat – in afwijking van artikel 22, eerste lid – de kasreserve een maximumomvang krijgt van 5% van de gemiddelde jaarontvangsten berekend over de laatste drie jaar.

Artikel 33 Afwijking

In bijzondere gevallen kan met voorafgaande schriftelijke instemming van de Minister van Financiën worden afgeweken van deze regeling, door middel van een gemotiveerd verzoek van de betrokken minister.

Artikel 34 Evaluatie

Deze regeling wordt in 2017 geëvalueerd.

Artikel 35 Intrekking

De Regeling baten-lastendiensten 2011 wordt ingetrokken.

Artikel 36 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Artikel 37 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling agentschappen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, J.C. de Jager.

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Achtergrond

Agentschappen zijn uitvoerende dienstonderdelen van een ministerie waarbij via een speciaal sturingsmodel de mogelijkheden tot een doelmatiger bedrijfsvoering worden gestimuleerd, zonder dat de macrodoelstellingen van normering, allocatie en beheersing van uitgaven in gevaar komen. Agentschappen worden gekenmerkt door een eigen administratie en een resultaatgericht sturingsmodel. Het agentschapsmodel is een vorm van interne verzelfstandiging waarbij de ministeriële verantwoordelijkheid voor de agentschappen volledig gehandhaafd blijft.

Het agentschapsmodel is geïntroduceerd in 1991 in het rapport ‘Verder bouwen aan beheer’ van de heroverwegingsgroep beheersregels (Tweede Kamer 1991-1992, 22 300, nr. 1, p. 65). In het rapport ‘Uitwerking Verder bouwen aan beheer’ (Tweede Kamer 1991-1992, 22 300, nr. 39) is dit model verder uitgewerkt. De zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 1976, Stb 1995, 375 (later overgenomen in de Comptabiliteitswet 2001, hierna: CW 2001) heeft het model geformaliseerd. Artikel 10 CW 2001 regelt de instelling van diensten met een baten-lastenstelsel en de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer. Tevens is de inrichting van de begroting en verantwoording van diensten met een baten-lastenstelsel geregeld in artikel 11 respectievelijk artikel 52 CW 2001. Het derde lid van artikel 18 CW 2001 bepaalt dat de Minister van Financiën zo nodig nadere regels kan stellen aan diensten met een baten-lastenstelsel. Deze nadere regels zijn uitgewerkt in de Regeling baten-lastendiensten 2007 (Staatscourant 28 februari 2007, nr. 42), later vervangen door de Regeling baten-lastendiensten 2011 (Staatscourant 17 februari 2011, nr. 2807).

Evaluatie Regeling baten-lastendiensten

In 2010–2011 heeft een evaluatie plaatsgevonden van de Regeling baten-lastendiensten 20071 (Tweede Kamer 2010–2011, 28 737 nr. 21). Uit deze evaluatie kwam naar voren dat de interne verzelfstandiging van uitvoerende diensten een positief effect heeft gehad op het kostenbewustzijn en de efficiëntie. Wat echter lastig bleek is het aantoonbaar maken van de doelmatigheid van de agentschappen. De huidige indicatoren zijn weliswaar nuttig om de performance van een agentschap te bepalen en te monitoren, maar blijken onvoldoende geschikt om op een harde cijfermatige manier doelmatigheid aan te tonen. Daarom zal het vraagstuk wat de beste wijze is om op doelmatigheid te sturen opnieuw onderzocht moeten worden. Ook kwam naar voren dat het baten-lastendienstmodel op verschillende onderdelen niet ingevuld wordt zoals in de regeling bedoeld is. Er bleek onder meer veel diversiteit te bestaan in de manier waarop invulling wordt gegeven aan het sturingsmodel. Bovendien bleken outputfinanciering en integrale kostprijzen niet altijd toegepast te worden, en voorts bleken de specifieke financiële faciliteiten slechts in beperkte mate te worden gebruikt.

De belangrijkste voorstellen uit het evaluatierapport luidden als volgt:

  • ‘Voor de start van het nieuwe begrotingsjaar wordt eenmaal per jaar een integraal intern memorandum opgesteld waarin het agentschap, de eigenaar en de opdrachtgever(s) hun afspraken over de budgettaire kaders, de te leveren prestaties en de risicoverdeling vastleggen.’

  • ‘De rollen worden beter verankerd door in de regeling duidelijk de verschillende rollen binnen het sturingsmodel (opdrachtgever, opdrachtnemer en eigenaar, maar ook FEZ en Financiën) en de daarvoor vereiste competenties te beschrijven. Tevens wordt beschreven welke verantwoordelijkheden tot de rollen behoren, waarbij belangencongruentie en gelijkwaardigheid als uitgangspunten gelden.’

  • ‘De kennis over het functioneren van agentschappen en de invulling van de rollen wordt versterkt door op reguliere basis onder andere masterclasses en ronde-tafelbijeenkomsten te organiseren voor zowel de rolhouders zelf als voor hun adviseurs en toezichthouders.’

  • ‘De kwaliteit van het toezicht en de controle op agentschappen moet versterkt worden, zowel in de eerste lijn (directies FEZ) als in de tweede lijn (Financiën /DGRB). Indien nodig door herschikking van de beschikbare capaciteit.’

  • ‘Financiën gaat horizontale benchmarks uitvoeren en zal tevens de agentschappen samen met FEZ periodiek doorlichten (ten minste iedere vijf jaar, indien mogelijk aansluitend bij reguliere beleidsdoorlichtingen die door het betrokken ministerie worden uitgevoerd).’

  • ‘De agentschapsstatus wordt enkel toegestaan als er sprake is van een bepaalde minimum omzet, met een richtbedrag van EUR 50 mln op jaarbasis.’

  • ‘Er worden twee soorten agentschappen ingesteld:

    • agentschappen met een baten-lastenadministratie (als afwijking op het reguliere administratieve systeem van verplichtingen-kas binnen het Rijk).

    • én agentschappen met een verplichtingen-kasadministratie. Het agentschap met een verplichtingen-kasadministratie is van toepassing wanneer de gemiddelde afschrijvingskosten per jaar minder zijn dan 5% van de totale lasten. Deze agentschappen krijgen een specifieke kasreserve.’

Over het evaluatierapport met de hierin opgenomen voorstellen heeft met de Tweede Kamer een schriftelijk overleg plaatsgevonden (Tweede Kamer, 2010–2011, 28 737 nr. 22). De Kamer heeft naar aanleiding hiervan kennisgenomen van het rapport en daarmee aangegeven dat de Minister van Financiën door kan gaan met de aangekondigde plannen.

Wijzigingen ten opzichte van de oude regeling

De voorliggende regeling is een aanpassing van de Regeling baten-lastendiensten 2011. Ten opzichte van de Regeling baten-lastendiensten 2011 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • De naamgeving van baten-lastendiensten is gewijzigd in agentschappen, om zodoende onderscheid te kunnen maken in verplichtingen-kasagentschappen en baten-lastenagentschappen.

  • De in de Regeling baten-lastendiensten 2011 bestaande tijdelijke status van baten-lastendienst is komen te vervallen. De status van agentschap kan alleen worden verkregen wanneer aan alle gestelde instellingsvoorwaarden is voldaan. Daar tegenover staat dat formele instelling van een nieuw agentschap niet langer gebonden is aan bepaalde instellingsdata, met het oog op een zo groot mogelijke flexibiliteit in het instellingstraject.

  • Het instellingstraject voor nieuwe agentschappen is vereenvoudigd in die zin dat er niet langer onderscheid gemaakt wordt tussen de aanvangsdoorlichting en de groen-lichtmeting. Het Ministerie van Financiën voert na de formele aanvraag van toekenning van de agentschapsstatus één toets uit op het voldoen aan de instellingsvoorwaarden en de eventuele overige vereisten. In het traject voorafgaand aan de formele aanvraag adviseert het Ministerie van Financiën het betrokken ministerie en beoordeelt desgevraagd concept-stukken.

  • Het voorstel uit het evaluatierapport ten aanzien van het integraal memorandum heeft in de regeling vorm gekregen in artikel 13, waar bepaalde inhoudsvereisten worden gesteld aan het jaarplan van een agentschap. De bedoeling is dat er op deze wijze een handzame samenstelling ontstaat van alle relevante informatie die de eigenaar nodig heeft bij het uitvoeren van zijn toezichtsrol. Het integraal memorandum is dus geen separaat stuk maar wordt, met het oog op efficiëntie, geïncorporeerd in de reeds aanwezige sturingsdocumenten van het agentschap.

  • De beschrijving van de verschillende rollen en verantwoordelijkheden binnen het sturingsmodel is uitgewerkt in de artikelen 9 t/m 12.

  • Het voorstel uit het evaluatierapport inzake het versterken van de kwaliteit van het toezicht en de controle op agentschappen heeft vorm gekregen in artikelen 30 en 31. Tevens is in artikel 4 een nieuwe instellingsvoorwaarde opgenomen betreffende de kwaliteit van de financiële functie en het financieel beheer.

  • Het voorstel uit het evaluatierapport inzake het periodiek doorlichtingen van alle agentschappen door Financiën, samen met het betrokken ministerie, heeft vorm gekregen in artikel 7.

  • Het voorstel uit het evaluatierapport inzake de introductie van een minimumomvang voor zelfstandige agentschappen heeft vorm gekregen als een nieuwe instellingsvoorwaarde in artikel 4.

  • Het voorstel uit het evaluatierapport inzake het instellen van twee soorten agentschappen (agentschappen met een verplichtingen-kasadministratie én agentschappen met een baten-lastenadministratie) heeft vorm gekregen in artikelen 4 en 5. Deze twee soorten agentschappen zijn ingesteld omdat uit de evaluatie is gebleken dat niet altijd alle financiële faciliteiten van een baten-lastenadministratie gebruikt worden (ondermeer overlopende posten, leenfaciliteit, afschrijvingen). Met dit voorstel wordt bereikt dat daar waar een baten-lastenadministratie onvoldoende voordelen oplevert, geen extra kosten gemaakt hoeven te worden voor het voeren van een baten-lastenadministratie.

  • Voor agentschappen is het renteregime gaan gelden zoals vastgelegd in de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Staatscourant 2007, 97). Dit naar aanleiding van de beleidsdoorlichting schatkistbankieren (Tweede Kamer, 2009-2010, 31 935, nr. 3) waarin werd geconstateerd dat het wenselijk zou zijn om voor alle instellingen die onderdeel uitmaken van de centrale treasury van de publieke sector dezelfde tarieven te laten gelden voor rekening-courantsaldi, deposito’s en leningen. De Minister van Financiën heeft destijds de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting overgenomen en de Tweede Kamer heeft hiervoor – na een schriftelijk overleg – zijn steun uitgesproken (Tweede Kamer, 2009–2010, 31 935, nr. 4).

Hierna wordt allereerst ingegaan op de zelfstandigheid van de agentschappen. Vervolgens worden de instellingsvoorwaarden één voor één toegelicht en wordt het administratief stelsel besproken. Tenslotte wordt ingegaan op de doorlichtingen, op het instellings- en opheffingstraject en op het overgangsregime.

Zelfstandigheid

Het belangrijkste kenmerk van agentschappen is de hogere mate van zelfstandigheid die zij hebben ten opzichte van gewone dienstonderdelen van een departement. Deze zelfstandigheid krijgt vorm doordat agentschappen werken met een specifiek sturingsmodel en een eigen financiële administratie. De zelfstandigheid wordt ook benadrukt doordat elk agentschap een eigen rekening-courant heeft, waarmee het direct kan beschikken over kasmiddelen. Het agentschap kan zodoende een goed zicht verkrijgen op de eigen financiën en zo meer kostenbewust worden. Dit kosten- en resultaatsbewustzijn is erg belangrijk omdat agentschappen geacht worden een relatie te leggen tussen de input/het budget en de output/het resultaat. Om dit te kunnen doen is het noodzakelijk goed te weten hoeveel kosten gemaakt worden ten behoeve van de output (producten en diensten). Ter ondersteuning van dit principe wordt een agentschap aangestuurd op basis van een resultaatgericht sturingsmodel.

De zelfstandigheid leidt er tevens toe dat de relaties tussen beleidsmakers (opdrachtgevers) en beleidsuitvoerder (opdrachtnemer) over en weer goed zichtbaar worden en dat de financiële situatie van het agentschap transparant wordt.

Het parlement heeft inzicht in de beleidsuitvoering doordat een agentschap afzonderlijk van de beleidsartikelen is opgenomen in de begroting en verantwoording van het betrokken ministerie middels een eigen agentschapsparagraaf. Het budgetrecht van de Tweede Kamer is daarbij geborgd op de volgende manieren:

  • Via de bijdragen van de opdrachtgevende ministeries: in de begroting van de opdrachtgever staat de bijdrage aan agentschappen op de betreffende beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen vallen onder het budgetrecht van de Tweede Kamer;

  • Via de begrotingsstaat: De totalen aan ontvangsten en uitgaven danwel baten en lasten van de agentschappen worden opgenomen in de begrotingsstaat van het betreffende ministerie. Deze begrotingsstaat valt onder het budgetrecht van de Tweede Kamer.

Instellingsvoorwaarden

Achtergrond instellingsvoorwaarden

De hieronder toegelichte instellingsvoorwaarden zijn tot stand gekomen door vereenvoudiging en aanscherping van de twaalf vaste instellingsvoorwaarden die tot 2007 werden toegepast. Deze vereenvoudiging heeft de Minister van Financiën destijds voorgelegd aan de Tweede Kamer (2005–2006, 28 737, nr. 11). In het algemeen overleg op 18 januari 2006 stemde de Tweede Kamer hiermee in (Tweede Kamer, 2005–2006, 28 737 nr. 15). De instellingsvoorwaarden zijn opnieuw herzien naar aanleiding van de meest recente evaluatie van de Regeling baten-lastendiensten 2007 (Tweede Kamer, 2010–2011, 28 737 nr. 21).

Minimale grootte agentschappen

Zelfstandigheid van een agentschap brengt voordelen met zich mee. Maar ook zijn er, onafhankelijk van de grootte van de dienst, extra kosten verbonden aan de zelfstandige status. Denk daarbij aan transitiekosten, het aanhouden van een eigen staf en aan toegenomen kosten voor toezicht en controle op de verzelfstandigde diensten. Om een doelmatige beleidsuitvoering te borgen is er daarom een minimumomvang bepaald voor agentschappen. Deze minimumomvang is gesteld op een verwachte omzet of verwachte ontvangsten van € 50 miljoen per jaar.

Resultaatgericht sturingsmodel

Een agentschap levert producten of diensten aan burgers, bedrijven of ministeries. Het agentschap brengt hiervoor idealiter per product of dienst een bepaald tarief in rekening. De nadruk ligt hierdoor op de resultaten van het uitvoerende agentschap: de producten en diensten. Niet alleen in de relatie met zijn opdrachtgevers maar ook binnen het agentschap zelf zal de aandacht hiernaar uitgaan. Deze vorm van resultaatgericht werken dwingt het agentschap en zijn medewerkers tot het leveren van een goed product dat aansluit bij de wensen (kwantitatief en kwalitatief) van de opdrachtgevers.

De kerngedachte van het resultaatgericht sturingsmodel is dat vooraf tussen de beleidsmatige opdrachtgever(s) en het uitvoerende agentschap afspraken worden gemaakt over prestaties, kwaliteit, kosten en het dragen van risico’s. Gedurende de uitvoering van de opdracht vindt op basis van deze afspraken monitoring plaats en uiteindelijk wordt er afgerekend op basis van de prestaties. De eigenaar houdt hierbij toezicht op de continuïteit van het uitvoerende agentschap en benadrukt het belang van inzicht in de kosten en efficiëntie van de uitvoering. Het resultaatgericht sturingsmodel is zo ingericht dat er voor alle partijen prikkels bestaan die stimuleren tot doelmatig handelen. Om die reden kunnen de verschillende rollen niet in één hand liggen.

De betrokken minister dient, als onderdeel van de aanvraag, een convenant van eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer te overleggen waaruit de opzet en werking van het toekomstige agentschap blijkt. Dit convenant moet gezien worden als een slotdocument aan het einde van het instellingstraject, waarin de uiteindelijke bestuurlijke vormgeving en het verwachte functioneren van het agentschap beschreven worden. Ook later toetredende opdrachtgevers dienen zich aan dit convenant te committeren.

Er worden in het model drie rollen van elkaar onderscheiden: eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer. De rollen worden ingevuld door een aantal specifiek aangewezen ambtenaren. Idealiter wordt de eigenaarsrol ingevuld door de secretaris-generaal en de opdrachtgeversrol door de beleidsverantwoordelijke directeur-generaal. De directeur van het agentschap heeft de rol van opdrachtnemer. Door deze rollen te onderscheiden worden de verschillende verantwoordelijkheden expliciet gemaakt. Deze rollen dienen functioneel gescheiden te worden om belangenverstrengeling te voorkomen. Ten aanzien van de rolinvulling is maatwerk mogelijk wanneer er uitsluitend sprake is van dienstverlening binnen het eigen departement, mits gemotiveerd en mits checks and balances tussen de spelers voldoende zijn geborgd. De verantwoordelijkheden van eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer omvatten in ieder geval het volgende:

  • De eigenaar is verantwoordelijk voor het toezicht op het beleid van de opdrachtnemer en op de algemene gang van zaken in het agentschap. Hij heeft bovendien de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de goede werking van het model in de praktijk. Hij draagt zorg voor kwalitatief goede systemen voor het toezicht op de budgettaire kaders, de continuïteit van het agentschap en de kwaliteit van de producten. Daarnaast stelt de eigenaar jaarlijks de tarieven vast en toetst hij de begrotingen, jaarplannen, leenaanvragen en jaarverslagen. Tenslotte draagt de eigenaar er zorg voor dat de kasreserve bij verplichtingen-kasagentschappen en het eigen vermogen bij baten-lastenagentschappen minimaal nihil bedragen per 31 december. Zodoende ervaart de eigenaar de juiste prikkels om oog te houden voor de lange termijnbelangen van een agentschap.

    Bij de uitvoering van bovengenoemde verantwoordelijkheden, kunnen vier taakaspecten als leidraad dienen voor een eigenaar: die van werkgever, opzichter, klankbord en ambassadeur. Alle taakaspecten zijn in principe van even groot belang maar kunnen wel in verschillende situaties in meer of mindere mate naar voren komen. Bij het taakaspect van ‘werkgever’ gaat het om het feit dat de eigenaar werkgever is van (het management van) het agentschap. Dat impliceert dat een eigenaar taken en verantwoordelijkheden kent met betrekking tot de aanstelling en beoordeling van het management van het agentschap. Voor het taakaspect van ‘opzichter’ geldt dat verwacht mag worden dat de eigenaar kritisch dient te blijven op het (management van het) agentschap en hen dient aan te spreken waar nodig. Kwantitatieve informatie over financiële en niet-financiële indicatoren kan daarbij ondersteunend zijn. Het taakaspect van ‘klankbord’ vraagt een eigenaar die continu in dialoog is met het agentschap, waarbij openlijk gesproken wordt over de ontwikkelingen binnen de organisatie en hoe hierin te handelen. Vertrouwen in de mensen is hierbij van groot belang. De ‘ambassadeur’ is een taakaspect waarbij de eigenaar optreedt als belangenbehartiger en vooruitgeschoven post van het agentschap. Dit om te voorkomen dat er bijvoorbeeld zaken op het agentschap afgeschoven worden die ten koste gaan van de doelmatigheid van de uitvoering.

  • De opdrachtgever is verantwoordelijk voor een goede opdrachtformulering. De opdrachten dienen helder omschreven te worden en het gewenste resultaat moet zo concreet mogelijk gemaakt worden. Afbakening is noodzakelijk zodat de opdrachtnemer weet wat binnen de (budgettaire) kaders valt en hij aan kan geven wanneer hij buiten deze kaders komt. De opdrachtgever moet de opdrachtnemer tijdig betrekken bij voorgenomen beleidswijzigingen zodat deze zich daaraan gezamenlijk met de opdrachtgever kan aanpassen. Met de opdrachtnemer maakt de opdrachtgever concrete rapportageafspraken zodat de opdrachtgever de realisatie van de opdracht kan monitoren op basis van prestatiegegevens. Er dient een duidelijk aanspreekpunt binnen het departement/DG te worden aangewezen zodat de contacten met de opdrachtnemer op gecoördineerde wijze plaatsvinden.

  • De opdrachtnemer zorgt voor een doelmatige, rechtmatige en professionele uitvoering van de opdrachten. Hij is tevens verantwoordelijk voor de bestendige uitvoering van alle PIOFACH-taken binnen het agentschap. Dit houdt in dat de opdrachtnemer in control dient te zijn, overeenkomstig de normen van hoofdstuk II van de CW 2001. De uitvoeringskosten dienen binnen de afgesproken budgettaire kaders te blijven. De opdrachtnemer betrekt de opdrachtgever tijdig bij onvoorziene ontwikkelingen die van invloed zijn op de uitvoering van de opdracht. De opdrachtgever kan met behulp van deze informatie besluiten de opdracht al dan niet aan te passen.

  • De verschillende actoren in het sturingsmodel hebben allen hun eigen verantwoordelijkheden en daarmee ook hun eigen deelbelangen. Het bestaan van verschillende deelbelangen betekent niet dat er geen sprake kan zijn van een gedeeld belang. Juist door het expliciet maken van de deelbelangen is het makkelijker om het overkoepelende, gedeelde belang beter te zien en van daaruit te redeneren. Binnen de rijksoverheid ligt het gedeeld belang altijd in het op doelmatige wijze bereiken van de maatschappelijke doelen / het dienen van de maatschappij.

Doelmatigheid

Het doel van het agentschapsmodel is het stimuleren van de doelmatigheid van de bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid. Hierbij is doelmatigheid gedefinieerd zoals ook de Algemene Rekenkamer doelmatigheid definieert: de verhouding tussen ingezette middelen en de geleverde prestaties, in kwaliteit én kwantiteit. Het gaat bij agentschappen dan ook nadrukkelijk om de doelmatigheid van de uitvoering: ‘doen wij de dingen goed’. De doeltreffendheid (‘wordt het maatschappelijk gewenste effect bereikt’) en maatschappelijke relevantie (‘doen wij de goede dingen’) zijn in eerste instantie vragen voor de beleidsdirecties van een ministerie.

De kwaliteit van de geleverde prestaties is onlosmakelijk verbonden met het streven naar doelmatigheid. Wanneer lagere kosten gepaard gaan met een evenredige daling van kwaliteit is er geen sprake van doelmatigheidswinst maar is er slechts goedkoper geproduceerd. Alleen wanneer de kosten omlaag gaan met behoud of toename van de kwaliteit, of wanneer bij gelijkblijvende kosten de kwaliteit stijgt, is er sprake van doelmatigheidsverbetering.

Om zicht te hebben op de doelmatigheid en de performance dient het agentschap te werken met indicatoren. Belangrijk is dat het agentschap hierbij indicatoren gebruikt die iets zeggen over de prijs (zoals kostprijzen en uurtarieven) maar ook indicatoren die iets zeggen over de kwaliteit (zoals klanttevredenheid, doorlooptijden, uitval etc.). Deze indicatoren dienen regelmatig en in samenhang bekeken te worden zodat de doelmatigheid beoordeeld kan worden. Een goede toelichting op de indicatoren is van groot belang omdat een getal pas meerwaarde en diepgang krijgt als het in perspectief wordt geplaatst.

De instellingsvoorwaarde ten aanzien van doelmatigheid is zo geformuleerd dat een kandidaat-agentschap bij instelling inzichtelijk dient te maken hoe de doelmatigheid ten opzichte van de bestaande situatie zal toenemen wanneer het een agentschap wordt. Dit kan bijvoorbeeld uitgewerkt worden in de vorm van een business case.

Bekostiging op basis van prestaties

Zoals eerder reeds aangegeven dienen agentschappen input en output aan elkaar te koppelen. Alleen dan kan er gestuurd worden op resultaat. Dit is een wezenlijk verschil met de sturing van de kerndepartementen, waarbij uitgaven niet gedekt hoeven te worden door inkomsten uit producten of dienstverlening.

Het koppelen van input en output heeft gevolgen voor de manier waarop een agentschap bekostigd wordt. Het agentschap krijgt betaald om specifieke producten en diensten te leveren en heeft dus geen direct eigen budget. Het agentschap dient zijn inkomsten te verwerven door tarieven in rekening te brengen voor de producten of diensten die het levert. Dit betekent dat het agentschap te allen tijde goed inzicht moet hebben in de kosten: directe en indirecte kosten, vaste en variabele kosten etc. Alleen dan is het voor het agentschap mogelijk om op kosten te sturen.

Wanneer er sprake is van agentschappen die heterogene producten leveren of van specifieke overheidsmonopolies is het inrichten van outputbekostiging niet altijd goed toepasbaar. In die gevallen ligt het daarom voor de hand om andere vormen van bekostiging te kiezen, zoals taakbekostiging, procesbekostiging of inputbekostiging. Daarmee wordt bereikt dat alle agentschappen een passende vorm van aansturing krijgen: er wordt maatwerk toegestaan. Agentschappen met niet-homogene en moeilijk meetbare producten kunnen aangestuurd worden op basis van agentschap-specifieke jaarlijkse afspraken. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan om outputsturing en outputbekostiging toe te passen bij agentschappen waarbij dit wel mogelijk is.

Financieel beheer bij het agentschap

De bovenbeschreven financieringswijze stelt bijzondere eisen aan het financieel beheer en de kwaliteit van de financiële functie van agentschappen. Voor baten-lastenagentschappen maakt het voeren van een baten-lastenadministratie het financieel beheer er niet eenvoudiger op. Daarom is als nieuwe instellingsvoorwaarde aan de regeling toegevoegd dat het kandidaat-agentschap een voldoende kwaliteitsniveau van de financiële functie en het financieel beheer moet blijven kunnen garanderen, ook na het verkrijgen van de agentschapsstatus.

Financieel-administratief stelsel

Twee soorten agentschappen

Het belangrijkste kenmerk van agentschappen is zelfstandigheid; het hebben van eigen bewegingsruimte en vrijheid om beslissingen te kunnen nemen omtrent de uitvoering. Om dit te creëren krijgen álle agentschappen de beschikking over specifieke financiële faciliteiten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen agentschappen met een verplichtingen-kasstelsel en agentschappen met een baten-lastenstelsel, waarbij een baten-lastenagentschap over andere specifieke financiële faciliteiten de beschikking krijgt dan een verplichtingen-kasagentschap.

Het verplichtingen-kasagentschap verschilt van een baten-lastenagentschap alleen ten aanzien van de financiële administratie. De zelfstandigheid, het omvangscriterium, het resultaatgericht sturingsmodel en de financiering zijn voor beide agentschapsvormen hetzelfde. Om die reden worden in de regeling beide agentschapsvormen zo veel mogelijk gelijk behandeld. De vorm van een verplichtingen-kasagentschap is het uitgangspunt.

Depositofaciliteit en rekening-courant

Beide agentschapsvormen hebben de beschikking over een rekening-courant en een depositofaciliteit. Deze depositofaciliteit wordt aangehouden bij het Ministerie van Financiën. Een termijndeposito wordt steeds voor een vaste termijn afgesproken. Bij vervroegde opname zal een boete in rekening gebracht worden. Rentebetaling geschiedt jaarlijks op de rentevervaldatum van het termijndeposito. Om de depositofaciliteit voor het Ministerie van Financiën uitvoerbaar te houden kan een ondergrens worden gesteld.

Over het creditsaldo op de rekening-courant dat een agentschap bij het Ministerie van Financiën aanhoudt wordt rente vergoed.

Verplichtingen-kasstelsel

In principe werken agentschappen met het verplichtingen-kasstelsel, aansluitend bij het stelsel dat de kerndepartementen voeren. Tegelijkertijd beschikt het agentschap over een aantal extra faciliteiten ten opzichte van gewone dienstonderdelen, omdat het agentschap een hogere mate van zelfstandigheid heeft. De extra faciliteiten zijn de eigen rekening-courant (zoals eerder genoemd) en de kasreserve. Deze kasreserve vergroot de mate van zelfstandigheid die het agentschap financieel heeft. De kasreserve dient namelijk als buffer om schommelingen aan het einde van het jaar op te kunnen vangen. Ook kan de kasreserve gebruikt worden om (kleine) investeringen te bekostigen.

De kasreserve is geen onderdeel van het departementaal vermogen en maakt ook geen onderdeel uit van de eindejaarsmarge van het moederdepartement. De kasreserve wordt opgebouwd uit de exploitatieresultaten en de rentebaten. Wanneer de kasreserve per 31 december hoger is dan 3% van de gemiddelde ontvangsten van de afgelopen drie jaar of per 31 december negatief is, moet het betrokken ministerie dit uiterlijk bij de eerste suppletoire begrotingswet herstellen.

Baten-lastenstelsel

In een baten-lastenstelsel worden de baten en lasten toegerekend aan het tijdvak waarin de baten ontstaan, respectievelijk het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt. Hierdoor kunnen de jaarlijkse kosten per product berekend worden zonder dat deze sterk fluctueren. Voor het kasstelsel daarentegen is het moment van betaling leidend waardoor bij een instabiel uitgavenpatroon de kosten per product kunnen fluctueren. Met name wanneer dit instabiele uitgavenpatroon het gevolg is van investeringen is het zinvol om een agentschap te laten werken met het afwijkend regime van het baten-lastenstelsel. Investeringsuitgaven veroorzaken dan geen schommelingen in de prijzen die het agentschap vraagt aan de opdrachtgevers: in plaats van de investeringsuitgaven ten laste te laten komen van één jaar wordt dit door middel van afschrijvingskosten over meerdere jaren verdeeld. Pas bij een percentage afschrijvingskosten van meer dan 5% van de totale lasten wordt het destabiliserende effect van de investeringen op de tarieven van het agentschap zodanig geacht dat deze agentschappen mogen werken met het baten-lastenstelsel.

Leenfaciliteit

Baten-lastenagentschappen krijgen de mogelijkheid om geld te lenen voor het doen van investeringen. Op grond van artikel 33 van de Comptabiliteitswet 2001 is alleen de Minister van Financiën bevoegd om namens de Staat geldleningen te sluiten. Baten-lastenagentschappen krijgen daarom de mogelijkheid om te lenen bij ’s Rijks schatkist. Deze mogelijkheid kunnen zij in twee verschillende situaties aanspreken:

  • Bij de instelling als agentschap met een baten-lastenstelsel: het agentschap neemt dan een aantal vaste activa in economisch beheer over van de opdrachtgever(s). Hiervoor moet door het agentschap worden betaald: dit betekent een initiële investering. Ter financiering hiervan kan het agentschap aanspraak maken op een initiële lening middels de leenfaciliteit.

  • Bij het doen van nieuwe investeringen in vaste activa (bijvoorbeeld bij uitbreiding van de taken of vervanging van activa).

Elke lening is via de looptijd aan de economische levensduur van de activa gekoppeld. Indien een activum eerder dan voorzien zijn nut verliest door bijvoorbeeld verkoop, brand of diefstal dan moet de desbetreffende lening eerder dan voorzien worden afgelost. Voor een overzicht van de economische levensduur van activa wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Rentestelsel

In de beleidsdoorlichting schatkistbankieren uit november 2009 is geconstateerd dat het wenselijk zou zijn om voor alle instellingen die onderdeel uitmaken van de centrale treasury van de publieke sector dezelfde tarieven te laten gelden voor rekening-courantsaldi, deposito’s en leningen. Uniformiteit vergroot namelijk de transparantie en eenduidigheid en maakt de administratieve verwerking van transacties eenvoudiger. Met name voor de bestaande verschillen in rentetarieven is lastig een rechtvaardiging te vinden, anders dan dat tariefverschillen historisch gegroeid zijn (Tweede Kamer, 2009-2010, 31 935, nr. 3). De Minister van Financiën heeft destijds de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting overgenomen en de Tweede Kamer heeft hiervoor – na een schriftelijk overleg – zijn steun uitgesproken (Tweede Kamer, 2009-2010, 31 935, nr. 4).

Ook voor agentschappen gold een rentestelsel dat afweek van het gebruikelijke rentestelsel voor rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s). Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting schatkistbankieren wordt voor agentschappen met de inwerkingtreding van deze regeling het renteregime van kracht zoals vastgelegd in de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Staatscourant 2007, 97). Daarbij geldt de kanttekening dat de leenfaciliteit alleen ter beschikking staat voor baten-lastenagentschappen. Enkele aanvullende bepalingen ten opzichte van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden zijn opgenomen in deze regeling. Het gaat dan met name over de beperking van de leenfaciliteit door leenplafonds, de mogelijkheid tot het bepalen van minimumbedragen voor termijndeposito’s en leningen, en de van toepassing zijnde afsluitprovisies en boetes bij vervroegd opnemen of aflossen van een termijndeposito respectievelijk lening.

Doorlichtingen

De betrokken minister en de Minister van Financiën zullen gezamenlijk tenminste elke vijf jaar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van een agentschap beoordelen. Het hieruit volgend rapport wordt openbaar gemaakt door de betrokken minister. Met de doorlichtingen komt een nieuw instrument voorhanden om op structurele wijze aandacht te besteden aan het functioneren van agentschappen.

Instelling en opheffing van agentschappen

Instellingstraject

De transitie van een organisatieonderdeel van een ministerie tot een volgroeid agentschap is een traject dat veelal enige jaren duurt. Het betreft niet alleen de technische aanpassingen van het financieel beheer, maar ook het inregelen van en wennen aan het werken met een resultaatgericht sturingsmodel, zowel bij het toekomstig agentschap als bij de betrokken ministeries en directies.

Voorafgaande aan een instellingstraject dient de vraag beantwoord te worden of het agentschapsmodel wel de juiste aansturingswijze is voor het door het ministerie gewenste eindbeeld en of een andere organisatie- of aansturingswijze niet meer in de rede ligt. Wanneer deze vraag bevestigend is beantwoord maakt het betrokken ministerie zijn voornemen tot het oprichten van een agentschap kenbaar aan het directoraat-generaal der Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën. Op dat moment start de betrokkenheid van het Ministerie van Financiën bij het verdere instellingstraject. Het Ministerie van Financiën adviseert het betrokken ministerie bij het voorbereiden van de formele aanvraag om een dienstonderdeel te mogen verzelfstandigen en beoordeelt desgevraagd concept-stukken.

Tenminste zes weken na de aankondiging van het voornemen kan de betrokken minister de formele aanvraag indienen bij de Minister van Financiën. Op het moment van de formele aanvraag dienen stukken overlegd te worden waaruit blijkt dat het toekomstige agentschap voldoet aan alle instellingsvoorwaarden. Voorwaarde hiervoor is ondermeer dat de betrokken minister en de Minister van Financiën op grond van de jaarlijkse rapportages van de auditdienst in gezamenlijkheid kunnen constateren dat er in het laatste verslagjaar bij het toekomstig agentschap en bij alle agentschappen waarvoor de betrokken minister verantwoordelijk is, geen relevante onvolkomenheden in het financieel beheer zijn geconstateerd.

Het Ministerie van Financiën zal vervolgens een toets uitvoeren; daarin wordt bepaald of er ten aanzien van de instellingsvoorwaarden nog nadere invulling dient plaats te vinden en aan welke zonodig aanvullende voorwaarden op het gebied van de doelmatige bedrijfsvoering nog dient te worden voldaan, voordat het voornemen tot instelling van het agentschap aan de ministerraad kan worden voorgelegd. Een aanvullende voorwaarde kan zijn dat, afhankelijk van de bevindingen tijdens het toetsingstraject, het toekomstig agentschap in de eerste jaren van zijn bestaan een jaarrekening oplevert die is voorzien van een controleverklaring door de auditdienst.

Indien van toepassing krijgt het betrokken ministerie de mogelijkheid aan te tonen dat ook aan deze vereiste nadere invulling en aan de eventuele aanvullende voorwaarden is voldaan. Wanneer naar het oordeel van de Minister van Financiën aan alle voorwaarden is voldaan, dient de betrokken minister een convenant tussen eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer over te leggen dat door alle partijen ondertekend is en waaruit de opzet en het verwachte functioneren van het toekomstig agentschap blijkt. Dit convenant moet gezien worden als een slotdocument aan het einde van het instellingstraject. Ook later toetredende opdrachtgevers dienen zich aan dit convenant te committeren. Na het verschijnen van dit convenant kan de betrokken minister, mede namens de Minister van Financiën, het voornemen tot instelling van het agentschap voorleggen aan de ministerraad.

De betrokkenheid van de Tweede Kamer

Nadat de ministerraad heeft ingestemd met het voornemen om een dienstonderdeel intern te verzelfstandigen wordt de Tweede Kamer betrokken via de zogenoemde voorhangprocedure zoals beschreven in artikel 10 leden 3 tot en met 5 van de CW 2001. De betrokken minister informeert de Tweede Kamer over zijn voornemen en daarna heeft de Tweede Kamer tenminste 30 dagen de tijd om zich te beraden over het voorgenomen besluit. Hierbij kan zij kennis nemen van de bevindingen in het laatst beschikbare betreffende departementale rapport van de Algemene Rekenkamer en indien nodig nadere inlichtingen vragen. Indien de Tweede Kamer zich niet uitspreekt tegen het voorgenomen besluit gaan de betrokken minister en de Minister van Financiën over tot instelling door het instellingsbesluit te ondertekenen. Het besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

Tijdpad

Formele instelling van een nieuw agentschap is niet gebonden aan bepaalde instellingsdata met het oog op een zo groot mogelijke flexibiliteit in het instellingstraject. Wel is het aan te raden om een nieuw agentschap per 1 januari van enig jaar in te stellen, zodat er geen begrotings-, verantwoordings- en controleproblemen ontstaan met gebroken of overlappende boekjaren. De uiteindelijke afweging in deze is echter aan de betrokken minister. De benodigde aanpassingen in de departementale begroting worden zoveel mogelijk meegenomen bij de normale begrotingsvoorbereiding. De exacte procedure en presentatievorm worden jaarlijks in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften vastgelegd.

Pas na de formele instelling staan de speciale faciliteiten (rekening-courant, deposito- en eventuele leenfaciliteit) ter beschikking van het agentschap. De Rijkshoofdboekhouding activeert hiertoe de verschillende rekeningen op de betreffende instellingsdatum. De instelling kan niet met terugwerkende kracht plaatsvinden.

In het stappenplan zoals opgenomen in de bijlage zijn alle relevante momenten indicatief opgenomen inclusief die in de begrotingscyclus.

Opheffen van agentschappen

Uitgangspunt bij opheffing is dat de toegekende afwijkende status van het financieel beheer volledig wordt teruggedraaid.

Het opheffen van een agentschap behoeft niet opnieuw de procedure te doorlopen via ministerraad en Tweede Kamer. De normale beheersregels van de rijksdienst gaan immers weer gelden. Wel dient het opheffingsbesluit gemotiveerd te zijn door de betrokken minister en de Minister van Financiën en dient de Tweede Kamer hierover buiten het reguliere begrotingsproces om geïnformeerd te worden. Het besluit wordt tevens gepubliceerd in de Staatscourant.

Analoog aan het destijds getekende instellingsbesluit wordt per opheffingsdatum de status van een agentschap ingetrokken. In de departementale jaarverantwoording wordt de slotbalans per opheffingsdatum opgenomen, voorzien van een controleverklaring. Bij de opheffing van een agentschap wordt spiegelbeeldig aan de instelling een conversie uitgevoerd waarbij de vermogensbestanddelen weer terugvloeien naar het betrokken ministerie. De betreffende leningen, deposito’s en rekening-courant bij de Rijkshoofdboekhouding van het Ministerie van Financiën worden opgeheven. Het saldo van deze vermogensbestanddelen wordt tussen het betrokken ministerie en het Ministerie van Financiën verrekend.

Wanneer twee of meer agentschappen met elkaar fuseren worden in principe de totale financiële posities van de agentschappen overgenomen door het resulterende agentschap.

Gerekend vanaf de beoogde opheffingsdatum heeft het betrokken ministerie zes maanden de tijd om de slot(saldi)balans op te stellen en te laten goedkeuren door de auditdienst, en daarna alle bezittingen, schulden en aangegane verplichtingen te laten overnemen c.q. te verrekenen met de rechthebbenden. Deze termijn wordt aangehouden om te voorkomen dat agentschappen in liquidatie langer dan noodzakelijk blijven bestaan. Indien binnen de termijn van zes maanden aan alle voorwaarden voor opheffing is voldaan kan het agentschap met terugwerkende kracht tot de datum van de slot(saldi)balans worden opgeheven. Wanneer niet tijdig aan de voorwaarden voor opheffing is voldaan dient het betrokken ministerie ook voor het agentschap in liquidatie een begroting in te dienen voor het aankomende begrotingsjaar.

Overgangsregime

In principe gelden alle voorstellen zoals opgenomen in het evaluatierapport, en daarmee alle artikelen in voorliggende regeling, voor alle agentschappen. Wel geldt er voor agentschappen opgericht vóór 1 januari 2013 ten aanzien van een aantal voorstellen een overgangsregime. Dit overgangsregime houdt het volgende in:

  • a. Voor agentschappen met een omzet kleiner dan € 50 miljoen zal bij de eerste doorlichting specifiek gekeken worden of een statusverandering zinvol is.

  • b. Voor agentschappen met afschrijvingskosten kleiner dan 5% van de totale lasten zal bij de eerste doorlichting specifiek gekeken worden of een stelselverandering zinvol is.

  • c. Voor agentschappen die gaan werken met een verplichtingen-kasstelsel geldt dat zij een kasreserve van 5% mogen aanhouden.

  • d. Alle verleende uitzonderingen op eerdere regelingen blijven onverminderd van kracht, totdat anders wordt besloten.

Met betrekking tot lid a en b geldt, zoals opgenomen in het evaluatierapport, dat eerst een brede doorlichting zal plaatsvinden door het Ministerie van Financiën in samenspraak met het betrokken ministerie. In deze doorlichting moet blijken of een stelselverandering bijdraagt tot een beter functioneren van de dienst. Als blijkt dat de dienst goed functioneert kan de conclusie ook zijn dat een stelselverandering niet zinvol is, mede gelet op de kosten die een verandering met zich meebrengt.

Artikelsgewijs

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1 Definities

a. Het begrip interne verzelfstandiging, zoals gehanteerd in de definitie van het begrip agentschap, wil zeggen dat een agentschap weliswaar meer zelfstandigheid verkrijgt ten aanzien van de interne organisatie en de bedrijfsvoering, maar desalniettemin onderdeel blijft uitmaken van het ministerie en dus volledig blijft behoren tot de ministeriële verantwoordelijkheid.

Paragraaf 2: Instellen en opheffen agentschap

Artikel 2 Aankondiging

Met dit artikel wordt bereikt dat het Ministerie van Financiën tijdig betrokken is bij het voornemen van een minister om een agentschap in te stellen, zodat goed invulling gegeven kan worden aan de systeemverantwoordelijkheid van eerstgenoemde.

Artikel 3 Voorwaarde voor aanvraag

Dit artikel geeft het zogenoemde moratoriumprincipe weer: het uitgangspunt dat wanneer het financieel beheer (opzet en werking) bij het toekomstige agentschap of bij bestaande agentschappen van hetzelfde ministerie tekortkomingen vertoont, dit tot uitstel van de instelling van het agentschap leidt. Het moratoriumprincipe is geïntroduceerd in antwoord op de aanhoudende aanmerkingen door de (toenmalige) departementale accountantsdiensten op de kwaliteit van het financieel beheer bij de bestaande agentschappen (Tweede Kamer 2002-2003, 28 737 nr. 3). Wanneer er relevante onvolkomenheden worden geconstateerd vindt het uitstel in principe plaats voor de duur van een jaar.

Met de term ‘jaarlijkse rapportages van de auditdienst’ wordt gedoeld op de opmerkingen betreffende het financieel en materieel beheer zoals opgenomen in het rapport van de auditdienst, het eventuele rapport van de auditdienst bij de verantwoording van het agentschap en de uitgebrachte managementletters. Er worden geen aanvullende rapportages van de auditdienst verlangd.

Artikel 4 Instellingsvoorwaarden

Voor onderdelen a en b van het eerste lid geldt dat de verwachte omzet c.q. de verwachte ontvangsten en de verwachte doelmatigheidstoename aannemelijk gemaakt dienen te worden. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een business case.

Voor onderdeel d van het eerste lid geldt dat het afhankelijk is van het primaire proces van het agentschap in kwestie in hoeverre er verband gelegd kan worden tussen kosten en prestaties. Hiertoe staan instrumenten als een kostenverdeelstaat en een kostprijsmodel ter beschikking.

De Minister van Financiën komt tot de vaststelling zoals bedoeld in het tweede lid door onder meer het houden van interviews met alle betrokken partijen bij het nieuw in te stellen agentschap, alsmede door het bestuderen van de overgelegde schriftelijke stukken.

Het convenant als bedoeld in het derde lid moet gezien worden als een slotdocument aan het einde van het instellingstraject, waarin de uiteindelijke bestuurlijke vormgeving en het verwachte functioneren van het agentschap beschreven worden.

Artikel 5 Aanvullende instellingsvoorwaarde baten-lastenagentschap

De gebruikelijke vorm voor nieuwe agentschappen is het verplichtingen-kasagentschap. Alleen indien aan de aanvullende instellingsvoorwaarde uit dit artikel is voldaan, ligt de weg open naar een baten-lastenagentschap. De voorziene afschrijvingskosten moeten berekend worden als ware het te verzelfstandigen dienstonderdeel reeds een baten-lastenagentschap.

Wanneer een nieuw agentschap ontstaat door een fusie van meerdere reeds bestaande agentschappen (die het baten-lastenstelsel voeren) geldt dat een stelselverandering alleen zinvol is als dit bijdraagt tot een beter functioneren van de dienst, mede gelet op de transitiekosten die gemoeid zijn met een eventuele overgang van een baten-lastenadministratie naar een verplichtingen-kasadministratie.

Artikel 7 Doorlichtingen

De doorlichting van een agentschap zal zoveel mogelijk aansluiten op natuurlijke momenten, zoals een taakuitbreiding van een agentschap of fusie, bij de reguliere evaluatie of beleidsdoorlichting die minimaal iedere vijf jaar dient plaats te vinden, of bij stevige budgettaire problematiek.

Artikel 8 Opheffen van een agentschap

Wanneer een baten-lastenagentschap wordt opgeheven en de taken gaan over naar een verplichtingen-kasagentschap, zijn niet langer de termen activa en passiva van toepassing maar worden wel de daarmee aangeduide posten overgenomen. Niet in de balans opgenomen verplichtingen van een baten-lastenagentschap worden in principe overgenomen door een ander agentschap dat de taken van het op te heffen agentschap overneemt, dan wel door het betrokken ministerie. In sommige gevallen kunnen deze niet in de balans opgenomen verplichtingen echter ook afgekocht worden (bijvoorbeeld in het geval van langlopende huurverplichtingen).

Paragraaf 3: Resultaatgericht sturingsmodel

Artikel 13 Jaarplan

Het jaarplan – of een daarmee vergelijkbaar document – is primair een sturingsinstrument voor het agentschap zelf, maar dient tevens een handzame samenstelling te bevatten van alle relevante informatie die de eigenaar nodig heeft bij het uitvoeren van zijn toezichtsrol. Ten aanzien van onderdeel c geldt dat wanneer er met opdrachtgever en eigenaar meerjarige rapportageafspraken zijn gemaakt, hiernaar verwezen mag worden. Eventuele afwijkingen op deze meerjarige afspraken dienen wel opgenomen te worden in het jaarplan.

Paragraaf 4: Financiering en bekostiging

Artikel 15 Bevoorschotting

De in dit artikel aangehaalde Regeling verlening voorschotten 2007 heeft geen betrekking op voorschotverlening binnen het Rijk, dus tussen dienstonderdelen, maar vormt wel de basis voor de zoveel mogelijk analoog vormgegeven bevoorschotting van de bijdragen die een ministerie verstrekt aan een agentschap. De doelmatigheid staat daarbij voorop: door aan te sluiten bij de liquiditeitsbehoefte van het agentschap wordt een te ruime voorschotverlening voorkomen. Een te ruime voorschotverlening leidt tot rentederving (rentebaten van agentschappen komen namelijk ten laste van de begroting van Nationale Schuld), c.q. tot de noodzaak voor de Minister van Financiën om eerder dan noodzakelijk staatsleningen te moeten uitschrijven.

Artikel 16 Rekening-courant en deposito

Voor agentschappen geldt het renteregime zoals vastgelegd in de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Staatscourant 2007, 97). Enkele aanvullende voorwaarden zijn in deze regeling opgenomen.

Artikel 17 Depositoprocedure en -voorwaarden

De Rijkshoofdboekhouding publiceert de van toepassing zijnde afsluitprovisies, minimumbedragen en boetes bij vervroegd opnemen in een aanschrijving.

Paragraaf 5: Algemene bepalingen verslaglegging agentschappen

Artikel 19 Procedure openings(saldi)balans
Eerste lid

Het eerste lid bepaalt dat de openingsbalans inzicht dient te geven in de bezittingen en schulden die in economisch beheer aan de betrokken dienst worden overgedragen. Eigen vermogen wordt in beginsel niet meegegeven.

Het eerste lid spreekt over het overdragen van vermogensbestanddelen in economisch beheer. Van een eigendomsoverdracht in juridische zin kan geen sprake zijn, omdat een agentschap onderdeel uitmaakt van het Rijk en derhalve de Staat der Nederlanden als juridisch eigenaar geldt van alle vermogensbestanddelen van het Rijk; zowel van de vermogensbestanddelen in beheer bij een ministerie als van de vermogensbestanddelen in beheer bij een dienstonderdeel ressorterend onder een ministerie. Overdracht in economisch beheer houdt in dat een agentschap de overgedragen vermogensbestanddelen in zijn boekhouding verantwoordt en dat het over die bestanddelen namens de betrokken minister het feitelijk beheer (beschikkingsmacht) uitoefent.

Tweede lid

De indicatieve openingsbalans kan in principe in iedere begrotingswet aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Het heeft echter de voorkeur om dit te doen in de ontwerpbegroting. De voorschriften bedoeld in het tweede lid zijn vastgelegd in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften.

Derde en vierde lid

Bij de vaststelling van de definitieve openingsbalans kan zo nodig rekening worden gehouden met de opmerkingen en de opvattingen van de Tweede Kamer over de indicatieve balans. Voor de definitieve vaststelling van de openingsbalans is tevens het departementale jaarverslag over het jaar voorafgaand aan het jaar van instelling van belang. De definitieve waarden van een aantal bezittingen en schulden die in economisch beheer worden overgedragen – met name een aantal overlopende posten (transitoria) – zullen pas definitief vaststaan nadat de auditdienst het departementale jaarverslag van het voorafgaande jaar heeft goedgekeurd. Om deze reden mag de openingsbalans alleen worden opgenomen indien de controlerend accountant een verklaring heeft afgegeven over de openingsbalans.

Artikel 20 Publicitair jaarverslag

Het uitbrengen van separate publicitaire jaarverslagen door agentschappen wordt in zijn algemeenheid ontraden, omdat in formele zin de verantwoording van agentschappen deel uitmaakt van het departementale jaarverslag. De Algemene Rekenkamer is de onafhankelijke controleur van deze verantwoording en heeft hierbij derhalve het laatste oordeel. Indien een agentschap toch kiest voor de publicatie van een publicitair jaarverslag, dient de bijzondere status ervan te worden vermeld (te weten dat het publicitaire jaarverslag vooruit loopt op de formele verantwoording door de betrokken minister). De volgende formulering dient daarbij te worden gehanteerd:

‘De in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten maken onderdeel uit van het departementale jaarverslag van het Ministerie van <naam>. De Algemene Rekenkamer, die het departementale jaarverslag jaarlijks onderzoekt, zal op <datum> haar oordeel hierover in een rapport aan de Staten-Generaal aanbieden. In dit rapport kunnen opmerkingen worden gemaakt over de bedrijfsvoering en de in het departementaal jaarverslag opgenomen financiële overzichten van het agentschap.’

Indien het publicitair jaarverslag later wordt uitgebracht dan het tijdstip waarop de Algemene Rekenkamer haar rapport aan de Staten-Generaal aanbiedt, dan dient de bovenstaande passage dienovereenkomstig te worden aangepast.

Door het vermelden van de bijzondere status wordt bij de lezer de indruk voorkomen dat het hier om een jaarverslag gaat zoals dat in het bedrijfsleven gebruikelijk is, dan wel – ingeval van publicatie vóór eind mei – dat het om het officiële jaarverslag gaat. Mits aan deze voorwaarde is voldaan heeft de Algemene Rekenkamer aangegeven geen bezwaar te maken tegen opname in het publicitaire jaarverslag van de controleverklaring van de auditdienst bij de jaarrekening van een agentschap.

Paragraaf 6: Specifieke bepalingen verplichtingen-kasagentschappen

Artikel 22 Kasreserve

De kasreserve voor verplichtingen-kasagentschappen is het equivalent van het eigen vermogen bij baten-lastenagentschappen. Wanneer de maximumomvang wordt overschreden dient het surplus uiterlijk bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet te worden afgedragen aan het betrokken ministerie; wanneer de kasreserve ontoereikend is om een negatief exploitatieresultaat op te vangen dient het betrokken ministerie eveneens uiterlijk bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet het resterende tekort aan te vullen.

De grondslag voor het berekenen van de gemiddelde jaarontvangsten van de laatste drie jaar vormen de bijdragen van het betrokken ministerie, overige ministeries en derden. De renteontvangsten vallen buiten deze grondslag.

Paragraaf 7: Specifieke bepalingen baten-lastenagentschappen

Artikel 23 Uitgangspunten openingsbalans
Eerste lid

Ter financiering van de te betalen netto-overnamesom (langlopende bezittingen minus langlopende voorzieningen voor zover matching van liquiditeitsstromen mogelijk is) wordt door het betrokken agentschap een lening gesloten bij het Ministerie van Financiën. Daartoe dient een beroep te worden gedaan op de leenfaciliteit.

De netto-overnamesom wordt dus beschouwd als een schuld per 31 december aan het betrokken ministerie die op 1 januari wordt omgezet in een lening van het Ministerie van Financiën. Met de lening wordt de schuld aan het betrokken ministerie afgelost. Deze betalingshandelingen, zowel betaling van het leningsbedrag door het Ministerie van Financiën aan het agentschap als de betaling daarmee van de overnamesom door het agentschap aan het betrokken ministerie, worden geacht plaats te vinden na sluiting van het boekjaar (het jaar vóór de instelling van het agentschap) en vóór de opening van het volgende boekjaar (het jaar van de instelling van het agentschap).

De openingsbalans per 1 januari geeft vervolgens de situatie weer na de administratieve verwerking van deze betalingen (die overigens uit doelmatigheidsoverweging plaats dienen te vinden door middel van verrekening en dus niet via overschrijving tussen bankrekeningen). De consequenties van deze betalingen worden in het eerste jaar als agentschap budgettair verwerkt.

Voorzieningen worden niet als schuld aangemerkt. Samen met de schulden (lening bij Ministerie van Financiën) vormen zij het vreemd vermogen van het agentschap.

Het onderscheid in langlopende en kortlopende voorzieningen is van belang voor de wijze waarop deze in de financiering van de overdracht van vermogensbestanddelen worden meegenomen. Langlopende voorzieningen kunnen worden gebruikt als financiering van de vaste activa, indien en voor zover het agentschap de inkomende geldstroom uit hoofde van de afschrijvingsvergoedingen kan matchen met de uitgaande geldstromen uit hoofde van de onttrekkingen aan de desbetreffende voorzieningen.

Tweede lid

Een saldo van kortlopende bezittingen en kortlopend vreemd vermogen (schulden en voorzieningen die niet ter financiering van langlopende bezittingen worden gebruikt) bij de overgang naar het baten-lastenstelsel komt in de openingsbalans tot uitdrukking in de post Nog te betalen, dan wel Nog te ontvangen (van het betrokken ministerie). In het vierde lid van artikel 27 wordt hierop een uitzondering toegestaan voor een saldo dat positief is en niet meer bedraagt dan 5% van de geraamde omzet in het eerste jaar. Het meegeven van een exploitatiereserve in de vorm van liquide middelen op basis van artikel 25 kan alleen worden toegepast nadat de overdracht van de vermogensbestanddelen conform het tweede en derde lid van artikel 23 is vastgesteld.

Derde lid

Dit lid beperkt de vorming van eigen vermogen ten tijde van de openingsbalans tot één toegestane reserve, te weten een exploitatiereserve.

De achterliggende gedachte hierbij is dat agentschappen, evenals andere dienstonderdelen zonder eigen rechtspersoonlijkheid, volledig onderworpen zijn aan de ministeriële verantwoordelijkheid. De allocatie van de beschikbare middelen via het begrotingsproces behoort ook bij deze diensten op de normale wijze onderworpen te zijn aan het budgetrecht van de Staten-Generaal. Vanuit die optiek past het niet dat voor deze diensten de mogelijkheid zou bestaan om via vermogensvorming middelen aan het jaarlijkse begrotingsproces te onttrekken.

Deze bepaling staat dus niet toe dat er bestemmingsreserves in de openingsbalans worden opgenomen met het oogmerk bepaalde toekomstige investeringen te kunnen financieren.

Artikel 24 Rentecompensatie bij openingsbalans

De conversie van kasstelsel naar baten-lastenstelsel leidt ertoe dat de kosten van financiering ook worden meegenomen (integrale kosten). De kosten en daarmee de benodigde betaling voor producten door de beleidsmatige opdrachtgevers stijgen hierdoor. Om dit budgetneutraal te laten verlopen is als slotstuk van de conversie een verhoging van het budget van de opdrachtgevers nodig. Dit geheel verloopt op het niveau van de rijksbegroting budgetneutraal omdat de extra budgettoekenning aan de departementale begroting gelijk is aan de extra rente-inkomsten ten gunste van de begroting van Nationale Schuld.

De hoogte van de rentecompensatie wordt vastgesteld op basis van de rentebetalingen aan de Rijkshoofdboekhouding ten gevolge van de initiële lening. De rentecompensatie stopt wanneer de initiële lening is afgelost.

Artikel 25 Mutaties in het eigen vermogen
Eerste lid

Lange termijn vreemd-vermogenfinanciering is exclusief voorbehouden aan het Ministerie van Financiën. Bijdragen van het betrokken ministerie of van derden anders dan bedoeld voor bekostiging van verleende productieopdrachten mogen niet geboekt worden als een lening maar dienen altijd toegevoegd te worden aan de exploitatiereserve.

Tweede lid

Indien het onverdeelde resultaat leidt tot een negatief eigen vermogen dan dient dit zo snel mogelijk te worden aangevuld tot minimaal nihil. Een positief onverdeeld resultaat kan ten gunste worden gebracht van de exploitatiereserve dan wel uitgekeerd worden aan het betrokken ministerie als eigenaar. Hierbij mag het eigen vermogen niet uitstijgen boven het maximum van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar.

Artikel 26 Uitgangspunten administratie en verslaggeving

Door aan te sluiten bij het stramien voor verslaggeving van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek maken de baten-lastenagentschappen gebruik van een volledig uitgewerkt en algemeen bekend en aanvaard verslaggevingstelsel zonder dat specifieke overheidsrichtlijnen hoeven te worden opgesteld en bijgehouden. De genoemde artikelen 361 tot en met 390 van BW 2 Titel 9 bevatten algemene bepalingen omtrent de jaarrekening, de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichting op deze stukken alsmede voorschriften omtrent de grondslagen van waardering en van bepaling van het resultaat. Het uitgezonderde artikel 365, tweede lid betreft de verplichting tot het aanhouden van een wettelijke reserve immateriële activa. Voor agentschappen wordt van deze verplichting afgeweken in artikel 27, tweede lid onder d. De uitgezonderde artikelen 383 en 383a tot en met 383e bevatten bepalingen omtrent bestuurders en commissarissen van vennootschappen, stichtingen en verenigingen en zijn daarom op agentschappen niet van toepassing.

Artikel 27 Nadere bepalingen voor de verslaggeving
Eerste lid

Een agentschap voert een onderscheiden administratie ten opzichte van overige organisatieonderdelen van het betrokken ministerie. Voor een goede weergave van de relatie over en weer tussen agentschap en ministerie is het zinvol om de overige organisatieonderdelen van het ministerie te beschouwen als derden. Het begrip derden staat in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gedefinieerd als zijnde een andere rechtspersoon. Omdat de rijksoverheid één rechtspersoon is – de Staat der Nederlanden – is het nodig om het begrip derden aan te passen. Derden houden vanuit het gezichtspunt en administratie van het agentschap dus ook in: andere organisatieonderdelen van de rijksoverheid.

Tweede lid onderdeel c

Bij het bepalen van de afschrijvingstermijnen worden in beginsel de volgende termijnen gehanteerd. Afwijkingen worden toegelicht in de jaarrekening:

Activum

Afschrijvingstermijn

grond/terreinen

niet afschrijven

gebouwen

30 à 50 jaar

verbouwingen

5 à 10 jaar

inventaris/installaties

5 à 10 jaar

vervoermiddelen

4 à 5 jaar

computerhardware en -software

3 à 5 jaar

overige materiële vaste activa

2 à 5 jaar

immateriële vaste activa

2 à 5 jaar

Tweede lid onderdeel d

In het bedrijfsleven wordt een wettelijke reserve immateriële vaste activa opgenomen vanuit het oogpunt van kapitaalbescherming van crediteuren. Dit is binnen de context van de rijksoverheid niet aan de orde.

Vierde lid

De grondslag voor het berekenen van de gemiddelde omzet over de laatste drie jaar vormen de bijdragen van het betrokken ministerie, overige ministeries en derden. De renteontvangsten vallen buiten deze grondslag.

Zesde lid

Het uitgangspunt ten aanzien van voorzieningen is dat opname van voorzieningen doelmatig moet zijn: de administratieve last van opname moet opwegen tegen de meerwaarde van de voorziening. Wanneer sprake is van uitgaven met een jaarlijks terugkerend en constant karakter of van risico’s met een geringe materiële impact wordt het opnemen van een voorziening in beginsel niet doelmatig geacht. In afwijking van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is het niet verplicht om voorzieningen op te nemen; anderzijds is het niet toegestaan om voorzieningen op te nemen die BW 2 Titel 9 niet voorschrijft. In de toelichting van de jaarrekening worden eventuele afwijkingen gemeld. Via dit comply or explain-principe wordt maximale duidelijkheid en flexibiliteit gecreëerd.

Achtste lid

Wanneer het economisch eigendom van een bedrijfspand geheel of nagenoeg geheel wordt overgedragen aan de huurder is er sprake van financial lease. Deze situatie kan zich voordoen wanneer het leaseobject dusdanig specifiek is dat het, zonder belangrijke modificaties, alleen geschikt is voor gebruik door de huurder (lessee). Een concreet voorbeeld hiervan zijn gevangenissen. Als er sprake is van financial lease schrijft het Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 voor dat het pand geactiveerd wordt op de balans van het agentschap. In afwijking hiervan echter bepaalt het Rijkshuisvestingsstelsel dat alle panden die onderdeel zijn van het Rijkshuisvestingsstelsel bij de Rijksgebouwendienst geactiveerd moeten worden.

Met dit artikel wordt een reeds bestaande praktijk geformaliseerd. Het artikel heeft geen betrekking op inbouw of aanbouw aan bestaande panden die à fonds perdu door de huurder wordt bekostigd. Tevens is het artikel is niet bedoeld om de verantwoording van constructies voor Publiek Private Samenwerking (PPS-constructies) te regelen. De verantwoordingseisen ten aanzien van PPS-constructies worden individueel beoordeeld.

Artikel 28 Leenfaciliteit en leenplafonds

Voor agentschappen geldt het renteregime zoals vastgelegd in de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden (Staatscourant 2007, 97). Aanvullende voorwaarden zijn in deze regeling opgenomen.

De leenplafonds worden door de betrokken ministeries aangevraagd in de Beleidsbrief. De procedure en de te hanteren formats zijn opgenomen in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften.

Artikel 29 Leenprocedure en -voorwaarden

De Rijkshoofdboekhouding publiceert de van toepassing zijnde afsluitprovisies, minimumbedragen en boetes bij vervroegd aflossen in een aanschrijving.

Paragraaf 8: Toezicht en systeemverantwoordelijkheid

Artikel 30 Toezicht

De in het Besluit Taak FEZ (Staatsblad 1992, 1) aangehaalde artikelen regelen het toezicht dat de directeur FEZ uitoefent op de uitvoering van de begroting (artikel 6), de taak van de directeur FEZ om doelmatigheid te bevorderen (artikel 10) en de zorg van de directeur FEZ voor de organisatie van het kasbeheer (artikel 12 eerste lid) van alle agentschappen die onder het betreffende ministerie vallen.

Artikel 31 Systeemverantwoordelijkheid

In het tweede lid van artikel 41 van de CW 2001 wordt bepaald dat de Minister van Financiën verantwoordelijk is voor het toezicht op de inrichting van de controle die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de begrotingen. Artikel 18 derde lid CW 2001 bepaalt bovendien dat de Minister van Financiën zo nodig nadere regels stelt met betrekking tot agentschappen. In deze regeling hebben bedoelde nadere regels betrekking op de inrichting van agentschappen. Daarmee draagt de Minister van Financiën systeemverantwoordelijkheid.

Paragraaf 9: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 32 Overgangsbepaling

De gemiddelde jaarontvangsten berekend over de laatste drie jaar vormen de grondslag voor de berekening van de maximumomvang van de kasreserve. Het gaat hier niet om de laatste drie jaar dat het agentschap een baten-lastenagentschap was, maar om een voortschrijdend gemiddelde van steeds de laatste drie verslagjaren.

Artikel 33 Afwijking

Uitgangspunt is dat deze regeling zoveel mogelijk eenduidig toegepast wordt bij alle agentschappen. Tegelijkertijd maakt dit artikel het mogelijk om met specifieke situaties om te gaan. Elk verzoek om een afwijking dient vooraf schriftelijk te worden gemotiveerd door de betrokken minister en wordt eveneens schriftelijk gehonoreerd dan wel afgewezen door de Minister van Financiën. Uitgangspunt bij het beoordelen van verzoeken is dat afwijkingen alleen ex ante worden toegestaan en niet voor ondervonden problemen tijdens het uitvoeringsjaar.

Artikel 35 Intrekking

Alle uitzonderingen die door de Minister van Financiën waren verleend op de voorgaande regelingen blijven van toepassing op bijgaande regeling.

De Minister van Financiën, J.C. de Jager.

BIJLAGE: Indicatief stappenplan instellingsproces

uiterlijk week t-6

Betrokken ministerie maakt het voornemen tot oprichten agentschap bekend aan het Ministerie van Financiën

week t

Betrokken minister dient formele aanvraag tot oprichten agentschap in bij de Minister van Financiën

week t tot week t+5

Ministerie van Financiën, DGRB, toetst of aan alle voorwaarden is voldaan

week t+6 tot week t+11

Betrokken minister stelt, in overeenstemming met het Ministerie van Financiën, convenant op

week t+12

Betrokken minister verstuurt concept-aankondigingsbrief naar Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk (ICBR)

week t+14

Behandeling aankondigingsbrief in ICBR

week t+16

Behandeling aankondigingsbrief in de Raad voor Bestuur (onderraad van de ministerraad)

week t+17

Behandeling aankondigingsbrief in de ministerraad

week t+18

Betrokken minister stuurt aankondigingsbrief aan de Tweede Kamer; start voorhangprocedure

week t+22

Indienen van ontwerpbegroting jaar t bij het Ministerie van Financiën met daarin ieder geval de indicatieve openingsbalans

week t+28

Instemming Tweede Kamer

week t+28

Voorbereiden opening van een zelfstandige rekening-courantverhouding in overleg met de Rijkshoofdboekhouding

week t+30

Tekenen door de ministers van het betrokken ministerie en van Financiën van het instellingsbesluit; publicatie in de Staatscourant

week t+31

Formele start van het agentschap

Begrotingswet, eerste suppletoire of tweede suppletoire

Indienen bij het Ministerie van Financiën van de begrote leningaanvragen als onderdeel van de beleidsbrief (alleen voor baten-lastenagentschappen)

Begrotingswet, eerste suppletoire of tweede suppletoire

Opnemen van definitieve openingsbalans

Bovenbeschreven tijdpad is slechts indicatief. Het daadwerkelijk te doorlopen tijdpad is onder meer afhankelijk van het besluitvormingsproces (inclusief agendaprocedure) dat voor ieder individueel gremium van toepassing is, de data waarop de verschillende gremia bijeenkomen, en de termijnen zoals die van toepassing zijn op het begrotingsproces in een bepaald jaar.


X Noot
1

Deze regeling is in 2010 op technische aspecten aangepast en met terugwerkende kracht per 1 januari 2010 vervangen door de Regeling baten-lastendiensten 2011.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl