34 000 IX Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2015

Nr. 2 HERDRUK* MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoud

   

Pag.

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

2

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

3

1.

LEESWIJZER

3

2.

DE BELEIDSAGENDA

6

3.

DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

40

 

Artikel 1: Belastingen

40

 

Artikel 2: Financiële Markten

58

 

Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

62

 

Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

69

 

Artikel 5: Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

75

 

Artikel 6: Btw- compensatiefonds

80

 

Artikel 7: Beheer Materiële Activa

84

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

86

 

Artikel 8: Centraal Apparaat Kerndepartement

86

 

Artikel 9: Algemeen

89

 

Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

90

5.

DE BELEIDSARTIKELEN (Nationale Schuld)

91

 

Artikel 11: Financiering staatsschuld

91

 

Artikel 12: Kasbeheer

96

6.

BIJLAGEN

99

6.1

RWT’s en ZBO’s

99

6.2

Subsidieoverzicht

103

6.3

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

105

6.4

Verdiepingshoofdstukken

108

6.5

Begrippenlijst

121

6.6

Lijst met afkortingen

124

6.7

Moties en Toezeggingen

127

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën voor het jaar 2015 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2015. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2015.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen worden de uitgaven, de verplichtingen en de ontvangsten van de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) en van de begrotingstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2015 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1 LEESWIJZER

De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen met uiteenlopende beleidsterreinen en drie niet-beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 1. Belastingen

  • 2. Financiële markten

  • 3. Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4. Internationale financiële betrekkingen

  • 5. Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

  • 6. Btw-compensatiefonds

  • 7. Beheer materiële activa

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 8. Centraal apparaat kerndepartement

  • 9. Algemeen

  • 10. Nominaal en onvoorzien

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn

  • 11. Financiering staatsschuld (transactiebasis)

  • 12. Kasbeheer (transactiebasis)

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsagenda, de beleidsprioriteiten en de begroting op hoofdlijnen. Ook wordt in hoofdstuk 2 op de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen ingegaan. De budgettaire mutaties worden per artikel toegelicht in het verdiepingshoofdstuk. Het overzicht van ZBO's en RWT's en de lijsten met afkortingen en begrippen zijn als bijlagen opgenomen. Het begrotingsbeleid en algemeen financieel-economisch beleid worden toegelicht in de Miljoenennota en komen beknopt aan de orde in de beleidsagenda. In de begroting voor 2015 is de paragraaf inzake het agentschap Domeinen Roerende Zaken (DRZ) opgeheven, vanwege de omschakeling naar een kas-verplichtingenstelsel, en wordt over DRZ verantwoord in artikelen 7 en 8.

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (Kamerstukken II, 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel budgettaire gevolgen van beleid.

Financiële instrumenten

Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de Minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiële instrumenten. Het Ministerie van Financiën maakt naast de standaard financiële instrumenten, bijvoorbeeld opdrachten, subsidies en garanties, ook gebruik van een drietal eigen instrumenten.

De eigen instrumenten zijn rente, rekening-courant en deposito’s en financiering. Het instrument rente komt ondermeer terug op de artikelen 11 en 12 met betrekking tot de financiering van de staatsschuld en het kasbeheer. Bij artikelen 11 en 12 wordt daarnaast gebruik gemaakt van het instrument leningen. In tegenstelling tot de meeste leningen op de Rijksbegroting gaat het om leningen die aan de Staat verstrekt worden ten behoeve van de financiering van de staatsschuld. Op artikel 12 is ook het instrument rekening-courant en deposito’s opgenomen. Het gaat hier om de mutaties op de bankrekeningen van andere overheden, de sociale fondsen en andere aan de rijksoverheid gelieerde instellingen.

Het instrument financiering wordt gebruikt op artikel 3 bij onder meer kapitaalinjecties in staatsdeelnemingen. De definitie van financiering is als volgt: van een financiering wordt gesproken, indien een financiële bijdrage aan een wederpartij wordt verstrekt als kapitaalverschaffing voor een investeringsgoed of als algemene vermogensverschaffing voor die wederpartij (een instelling, bedrijf of onderneming). Als een financiële bijdrage wordt verstrekt in de exploitatiesfeer, wordt gesproken van bekostiging. Bij een financiering voert de organisatie die de financiering ontvangt, de kapitaalverstrekking als kapitaalontvangst op de balans op.

Motie Schouw

Motie Schouw 1 zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling (bij het onderwerp houdbare overheidsfinanciën).

Financiering staatsschuld en kasbeheer

Sinds 2013 behandelt deze begroting tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het Ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in het artikel financiering staatsschuld behandeld (artikel 11). Het geïntegreerd middelen beheer wordt behandeld in het artikel kasbeheer (artikel 12). Beide artikelen worden middels een aparte begrotingstaat vastgesteld.

De begroting van Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen die zijn vastgelegd in de Comptabiliteitswet (CW). De eerste eigenschap is dat beide artikelen geen verplichting kennen om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

De tweede eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten van artikel 11 en artikel 12 in deze begroting niet op kasbasis (zoals voor andere onderdelen voor de rijksbegroting is besloten in artikel 3, eerste lid van de CW), maar op transactiebasis worden verantwoord. Er wordt dus niet gekeken naar de geldelijke betalingen en ontvangsten in het jaar, maar naar de rentekosten en renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend. Hiermee wordt voldaan aan de Europese voorschriften van het ESR 1995 (Europees Stelsel van Rekeningen).

Interventies ten behoeve van de financiële sector en maatregelen financiële stabiliteit Europa

Als gevolg van de kredietcrisis is door de Minister van Financiën een aantal maatregelen getroffen om het vertrouwen in de financiële sector en de reële economie te herstellen. In paragraaf 2.2.2 wordt dieper ingegaan op het beleidsterrein financiële markten. Het beleid met betrekking tot de staatsdeelnemingen ABN AMRO, ASR en SNS REAAL wordt toegelicht in paragraaf 2.2.3. In paragraaf 2.2.4 zijn de verstrekte garanties voor het stabiliteitsmechanisme verwerkt en de lening aan Griekenland. De effecten van de kredietcrisis maatregelen op de staatsschuld zijn verwerkt in artikel 11.

Groeiparagraaf

Bij het maken van de begroting is veel aandacht besteed aan kengetallen en indicatoren. Sinds de invoering van de begrotingssystematiek van Verantwoord Begroten in 2013 is gestaag het aantal kengetallen en indicatoren verminderd doordat deze vaak waren verbonden aan operationele doelstellingen. Door deze aandacht zijn bij de meeste artikelen nieuwe kengetallen en indicatoren opgenomen. Hierdoor is het inzicht in de beleidsdoelstellingen en de realisatie hiervan bij de meeste artikelen vergroot.

Bij de begroting 2015 is voor het eerst een paragraaf toegevoegd waarin de garanties van het Ministerie van Financiën op een rijtje zijn gezet. Deze paragraaf is op basis van een toezegging van de Minister van Financiën geschreven in reactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen (CRR). De toelichting op de garantieregelingen staat onder de beleidsagenda en het overzicht beleidsdoorlichtingen.

2 DE BELEIDSAGENDA

2.1 Het werkterrein van het Ministerie van Financiën op hoofdlijnen

De Minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a) het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;

  • b) het begrotingsbeleid en doelmatig beheer van ’s-Rijks financiën;

  • c) het financieringsbeleid;

  • d) het fiscale beleid;

  • e) het heffen, controleren en innen van de belastingen;

  • f) het beheer van roerende materiële activa van het Rijk.

Het begrotingsbeleid en het algemeen financieel-economisch beleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota en komen slechts beknopt aan orde in deze beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden voornamelijk toegelicht in de Miljoenennota.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

2.2 Beleidsagenda 2015

In de beleidsagenda wordt ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de beleidsartikelen wordt de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

1. Houdbare overheidsfinanciën

Het op orde brengen van de schatkist is één van de drie pijlers van het beleid van het huidige kabinet. De afgelopen jaren heeft het kabinet zich sterk gemaakt voor het terugdringen van het begrotingstekort. Sinds het begin van de kredietcrisis zag de Nederlandse overheid zich geconfronteerd met jaarlijkse begrotingstekorten. Na deze langdurige crisisperiode lijkt vorig jaar het kantelpunt te zijn bereikt en zet het economische herstel in.

Desondanks wordt voor 2015 nog altijd een tekort op de begroting verwacht van 2,2% van het bbp. Dit betekent dat € 15 mld. meer wordt uitgegeven dan het totaal dat aan inkomsten binnenkomt; iedere dag geeft de overheid dus € 41 mln. meer uit dan binnenkomt. Hierdoor loopt de EMU-schuld op naar € 467 mld. (70% van het bbp).

Het kabinet heeft de ambitie om de overheidsfinanciën structureel op orde te brengen en streeft daarom naar de middellange-termijndoelstelling, in lijn met de Europese begrotingsafspraken. Hiermee wordt voldaan aan de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie ten aanzien van de begroting.

2. Herijking risicomanagement Staatsschuld

De doelstelling voor het financieren van de staatsschuld is om dit te doen tegen zo laag mogelijke rentekosten, maar onder acceptabel risico voor de begroting. Om deze doelstelling te realiseren, wordt sinds 2008 als benchmark een (fictieve) gecentreerde 7-jaars portefeuille gehanteerd. De feitelijke financiering wijkt af van de benchmark, omdat in praktijk leningen van verschillende looptijden worden uitgegeven. Met behulp van renteswaps wordt het renterisico naar 7 jaar gebracht. In het Financieel Jaarverslag wordt vastgesteld hoe de werkelijke rentekosten en het renterisico zich verhouden tot de benchmark.

Het risicokader wordt elke vier jaar geëvalueerd. De laatste evaluatie is uit 2011. In 2015 wordt daarom een nieuwe evaluatie van het risicokader uitgevoerd. Op basis van deze evaluatie zal vastgesteld worden of een benchmarkportefeuille de wenselijke stuurvariabele is voor het renterisico. Als blijvend gebruik wordt gemaakt van een benchmarkportefeuille, dient te worden vastgesteld of de 7-jaars gecentreerde portefeuille de gewenste benchmark is en of de huidige benadering van de benchmark met renteswaps nog steeds de meest efficiënte is. Op basis hiervan zal een risicokader voor 2016–2019 worden voorgesteld.

3. Effectieve Europese economische beleidscoördinatie

Als handelsland profiteert Nederland van stabiliteit en groei in de Europese Unie. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken over economische beleidscoördinatie. In 2015 zal de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een belangrijke rol krijgen op de politieke agenda. Het is van groot belang voor de financiële stabiliteit in de Eurozone dat lidstaten zich blijven inspannen voor solide overheidsfinanciën.

Op Europees niveau en bij lidstaten zelf kunnen belangrijke stappen worden gezet voor het creëren van groei en banen. Structurele hervormingen zijn nodig om de economische groei te bevorderen. Er valt winst te behalen door deze hervormingen gezamenlijk door te voeren. Beleidscoördinatie moet echter niet afgedwongen worden vanuit Brussel, maar lidstaten moeten elkaar hier op aanspreken en elkaar stimuleren tot het overnemen van best practices. Slechts in die situaties waarbij lidstaten onvoldoende actie ondernemen om hun uit de hand lopende overheidsfinanciën en/of ernstige macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren kan dit uiteindelijk leiden tot sancties. In de komende jaren is het van groot belang om de gemaakte afspraken te blijven implementeren. Nederland zal deze boodschap blijven uitdragen op Europees niveau. Het kabinet maakt versterking van de interne markt en prikkels bij lidstaten om structurele hervormingen door te voeren tot prioriteit richting de nieuwe Europese Commissie en in het eigen voorzitterschap in 2016.

4. Financieel beheer interventies financiële sector

Het beleid is gericht op een op termijn afgewogen, bedrijfseconomisch verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO en SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De Tweede Kamer is per brief geïnformeerd over de exit van ASR en REAAL 2. Ultimo 2014 zal het kabinet, op basis van advies van NLFI, voor ABN AMRO bezien of de sector voldoende stabiel is, of ABN AMRO klaar is voor een verkoop en of er voldoende interesse is in de markt. Voor de SNS Bank zal NLFI een advies uitbrengen over de verschillende verkoopopties. De Minister van Financiën zal op basis van deze adviezen de Tweede Kamer informeren over de beste wijze waarop de financiële instellingen terug naar de markt kunnen worden gebracht.

Na goedkeuring door de Tweede Kamer is de verwachting dat NLFI, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Financiën, de exit strategie van de verschillende financiële instellingen zal uitvoeren.

ING lost in 2015 het laatste nog openstaande deel van de kapitaalinjectie van core tier 1 securities uit 2008 af, inclusief rente en aflospremie.

5. Verdere vormgeving bankenunie met beter afwikkelbare banken

Het kabinet streeft naar effectief en onafhankelijk Europees bankentoezicht op basis van geharmoniseerde en strenge toezicht- en kapitaaleisen. Hiermee worden (grensoverschrijdende) systeemrisico's en verwevenheden tussen banken en overheden verkleind en wordt het gelijke speelveld tussen Europese banken bevorderd. Het kabinet heeft zich ingespannen voor de totstandkoming van de Bankenunie in Europa. De Bankenunie omvat drie pijlers waarover in 2013 en 2014 vergaande afspraken zijn gemaakt.

De eerste pijler is geharmoniseerde toezichtregelgeving voor banken (single rulebook). Het single rulebook bestaat uit Europese regelgeving voor toezicht- en kapitaaleisen aan banken, interventie- en resolutie-instrumenten voor toezichthouders en resolutieautoriteiten, en het depositogarantiestelsel. Met dit single rulebook gelden dezelfde regels voor alle banken in Europa en beschikken toezichthouders en resolutieautoriteiten over een gelijkwaardig instrumentarium. De consequenties van het single rulebook worden in 2014 en 2015 in nationale regelgeving verwerkt.

De tweede pijler betreft Europees toezicht. De Europese Centrale Bank zal hoogstwaarschijnlijk eind 2014 het prudentieel toezicht op de 128 grootste Europese (waaronder Nederlandse) banken overnemen van de nationale toezichthouders. Met het oog op de overgang van het toezicht naar de ECB wordt wetgeving aangepast. Voorafgaand aan deze overgang wordt een zogeheten comprehensive assessment gehouden waarbij de bankbalansen worden doorgelicht en aan een stresstest onderworpen. Waar nodig moeten banken op basis daarvan hun financiële positie in 2015 versterken.

De derde pijler betreft een Europees resolutiemechanisme (single resolution mechanism: SRM). Dit voorziet in een Europese resolutieautoriteit en een Europees resolutiefonds om falende banken daadkrachtig op Europees niveau af te wikkelen. Door middel van zogeheten resolutieplannen wordt vastgelegd hoe een bank in geval van onoverkomelijke problemen kan worden afgewikkeld. De financiële consequenties van resolutie worden eerst en vooral gedragen door de falende bank en diens vermogensverschaffers. Belangrijk hierbij is dat de activiteiten die essentieel zijn voor het algemeen belang behouden blijven.

In 2015 zal het SRM operationeel van start gaan en worden de voorbereidingen getroffen voor de volledige inwerkingtreding van het SRM in 2016. Daartoe zal in 2015 ook op nationaal terrein gewerkt worden aan de institutionele vormgeving van het resolutiemechanisme, in het bijzonder de verhouding en samenwerking tussen de nationale resolutieautoriteit en de Europese resolutieautoriteit.

6. Brede agenda Belastingdienst

In zijn brief van 19 mei 2014 heeft de Staatssecretaris van Financiën zijn «Brede agenda Belastingdienst» aan de Tweede Kamer gepresenteerd. 3 Deze bevat een samenhangende verbeterprogramma dat een aantal sporen bevat: verminderen van complexiteit (spoor A), robuuster maken van de werkprocessen (spoor B), helder stellen van verwachtingen en rapporteren van de (beoogde en geleverde) prestaties (spoor C) en een spoor om de veranderingen als gevolg van de andere sporen in de organisatie te borgen (spoor X). Op basis van deze agenda zijn er voor 2015 vier speerpunten: uitvoeringstoets nieuwe stijl (spoor A), ICT-ontwikkelagenda (spoor B) en normatiek (spoor C).

Op grond van de ervaringen uit 2014 met het Belastingplan 2015 wordt de uitvoeringstoets nieuwe stijl op nieuwe wetgeving verder ontwikkeld. De uitvoeringstoets nieuwe stijl kenmerkt zich door integraliteit (maakbaarheid van de benodigde systemen, inpasbaarheid in het bredere stelsel, begrijpelijkheid voor burgers en bedrijven, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid, impact op dienstverleningskanalen, gevolgen in de keten en kosten), door openbaarheid en door een beter inzicht in de uitvoeringskosten.

Vanaf 1 oktober 2014 bepaalt de ICT-ontwikkelagenda de aanpak van de ICT die de massale processen van de Belastingdienst ondersteunt. Vanuit de huidige situatie van kwetsbare massale processen wordt stapsgewijs en gecontroleerd gewerkt aan het robuust maken van deze processen. De agenda bevat concrete maatregelen voor de korte termijn. Doordat externe ontwikkelingen invloed hebben op de inhoud en het tempo van de activiteiten en het inzicht continu wordt aangescherpt zal de ICT-ontwikkelagenda een voortrollend karakter kennen. Prioriteit in 2015 ligt bij de stap-voor-stapverbetering van de meest kwetsbare processen. Daarnaast worden in 2015 forse stappen gezet op het gebied van rationalisatie (opschonen), waardoor ruimte voor vernieuwing van massale processen ontstaat. Het onderzoek, in samenwerking met externe deskundigen, naar een andere aanpak van de massale processen van de Belastingdienst wordt in 2015 afgerond.

In 2014 zijn nieuwe instrumenten ingevoerd op het gebied van de verbetering van de communicatie binnen de Belastingdienst zelf, maar ook in relatie tot burgers en bedrijven. Op basis van de resultaten hiervan wordt in 2015 de communicatiefunctie binnen de Belastingdienst definitief ingericht. Daarbij gaat het onder andere om uitbreiding van de Fiscale Monitor, om het communicatiekanaal binnen de dienst om signalen van medewerkers sneller naar boven te krijgen en om de inzet van social media.

Vanaf het najaar van 2014 wordt een nieuwe set prestatienormen voor de Belastingdienst beproefd. Deze moeten tot uitdrukking brengen wat vanuit de optiek van burgers en bedrijven belangrijk is om te weten over het presteren van de dienst. De set prestatienormen wordt in 2015 definitief vastgesteld. De Belastingdienst komt met een webpagina die voor burgers en bedrijven relevante informatie bevat over de actuele stand van een proces of over te verwachten ontwikkelingen in een proces.

7. Fiscale voornemens

De fiscale beleidsagenda wordt in algemene zin gevormd door het regeerakkoord en de verschillende akkoorden die tijdens een kabinetsperiode worden gesloten (zoals de Begrotingsafspraken 2014). De fiscale beleidsagenda voor 2015 zal grotendeels vorm krijgen door de bredere beschouwing op het belasting- en toeslagenstelsel. Na de zomer van 2014 zal een brief met deze bredere beschouwing naar het parlement gestuurd worden. In deze brief zal de gedachtevorming over wenselijke en mogelijke aanpassingen van het belasting- en toeslagenstelsel geschetst worden. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn het stimuleren van werkgelegenheid en het verminderen van de complexiteit van wet- en regelgeving.

2.3 De begroting op hoofdlijnen

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven op begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld). In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven van de (niet-) beleidsartikelen 1 tot 10 en de beleidsartikelen 11 en 12. Eerst worden de belangrijkste mutaties ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2014 toegelicht. Daarna wordt er door middel van grafieken meer inzicht in de uitgaven en ontvangsten gegeven.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

Overzicht belangrijkste mutaties (uitgaven)
 

Art. Nr.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

9.261.668

8.402.468

8.041.225

7.616.679

7.338.535

 

Mutaties nota van wijziging IABF

 

3.748.000

– 1.575.000

– 1.342.000

– 1.153.000

– 929.000

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

– 2.501.718

46.550

47.595

42.796

101.778

 
               

Belangrijkste mutaties

             

Overboeking P-Direkt

1

 

– 18.120

– 17.805

– 17.499

– 17.106

 

IDA betaalschema

4

– 26.340

– 63.659

45.000

46.778

   

Schade-uitgaven EKV

5

– 11.900

– 30.000

– 30.000

– 30.000

– 30.000

 

DRZ omsleuteling naar kasverplichtingenstelsel

5

 

28.462

24.454

26.553

24.553

 

Bijstelling btw-compensatiefonds

6

80.885

84.458

84.636

84.755

84.755

 

Stelpost begroting IX

10

 

50.000

50.000

50.000

50.000

 

Overige mutaties incl. extrapolatie

 

9.326

– 2.446

– 2.896

– 1.759

– 1.759

6.512.315

               

Stand ontwerpbegroting 2015

 

10.559.921

6.922.713

6.900.209

6.665.303

6.621.756

6.512.315

Toelichting

Overboeking P-Direkt

Per 1 januari 2015 wordt voor het shared service center P-Direkt gewerkt met centrale bekostiging, waardoor het totale budget identificeerbaar op de begroting van het Ministerie van BZK komt te staan. De structurele budgettaire reeks van het Ministerie van Financiën wordt daartoe overgeheveld naar BZK.

IDA Betaalschema

Het IDA betaalschema is aangepast ten behoeve van het HGIS tekort. Door zo te schuiven met IDA betalingen kan er in de kalenderjaren 2014 en 2015 € 90 mln. worden vrijgespeeld. Dit bedrag zal in de twee daarop volgende jaren als extra betaling worden verricht. Dit betekent wel dat Nederland in 2017 nog een extra betaling van € 1,8 mln. moet doen om de zogeheten netto contante waarde van de overeengekomen bijdrage aan IDA-16 in stand te houden, alsmede verwatering van het Nederlandse aandeel te voorkomen. Dit bedrag zal ten laste komen aan de HGIS-begroting.

Schade-uitkering EKV

De schaderaming is aangepast aan de nieuwe systematiek van de vanaf 2015 op te richten begrotingsreserve. De schade-uitgaven laten een volatiel verloop zien, daarom is een begrotingsreserve geschikt bij deze garantieregeling. Daarnaast hebben zich in 2014 tot op heden minder schades voorgedaan dan geraamd, waardoor de raming naar beneden is bijgesteld.

Bijstelling btw-compensatiefonds

De raming van het fonds is aangepast op basis van de jaarbeschikking over 2013, (geraamde) voorschotten en voorgenomen beleidsmutaties.

DRZ omsleuteling naar kasverplichtingenstelsel

Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft vanaf 1 januari 2015 geen status als agentschap meer. DRZ gaat over van het batenlastenstelsel naar het kasverplichtingenstelsel op begroting IX. De mutaties, aan zowel uitgaven- als ontvangstenkant, vormen de omzetting van baten/lasten naar kas/verplichtingen. De mutaties zijn budgettair neutraal verwerkt.

Stelpost begroting IX

Er is een stelpost opgenomen voor problematiek binnen de Financiën begroting. Deze middelen zijn onder andere voor de ICT-capaciteit bij de Belastingdienst.

Overzicht belangrijkste mutaties (niet-belastingontvangsten)
 

Art. nr.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

6.066.909

5.607.007

4.111.693

3.857.323

3.566.493

 

Mutaties nota van wijziging IABF

 

3.747.000

– 1.576.000

– 1.342.000

– 1.152.000

– 928.000

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

– 931.329

– 8.456

144.382

168.864

193.864

 
               

Belangrijkste mutaties

             

Verkoop vordering Landsbanki/IceSave

2

623.000

         

Overboeking dividend financiële instellingen

3

 

400.000

       

Superdividend Urenco

3

 

20.000

95.000

65.000

55.000

 

Dividend Staatsdeelnemingen

3

110.000

         

Afdrachten Holland Casino

3

 

– 10.000

– 10.000

     

Winstafdracht DNB

3

 

75.000

– 134.000

– 145.000

– 153.000

 

Rentebijstelling Griekenland

4

– 7.961

– 31.757

       

Premieontvangsten EKV

5

25.858

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Schaderestituties EKV

5

22.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

DRZ omsleuteling naar kasverplichtingenstelsel

8

 

28.462

24.454

26.553

24.553

 

Overboeking dividend financiële instellingen

10

 

– 400.000

       

Overige mutaties incl. extrapolatie

 

2.726

502

– 198

– 198

– 198

2.717.979

               

Stand ontwerpbegroting 2015

 

9.608.203

4.124.758

2.909.331

2.840.542

2.778.712

2.717.979

Toelichting

Verkoop vordering Landsbanki/IceSave

In 2008/2009 heeft De Nederlandsche Bank na het faillissement van Landsbanki een bedrag uitgekeerd van € 1,6 mld. aan de depositohouders. Hiervan namen de Nederlandse banken € 208 mln. voor hun rekening en de Nederlandse Staat € 1,4 mln. Door boedeluitkeringen is tot op heden € 811 mln. geïncasseerd. Aan hoofdsom staat derhalve, voor zover het de Nederlandse staat betreft, nog € 617 mln. open. De resterende vordering is verkocht en voorziet in een opbrengst voor de Nederlandse Staat van circa € 623 mln. 4

Overboeking dividend financiële instellingen

De stelpost op artikel 10 in verband met de moeilijk te ramen dividenden van financiële instellingen is voor 2015 overgeboekt naar artikel 3.

Superdividend Urenco

De verwachte dividendontvangsten zijn aangepast aan het businessplan van Urenco. Het is de verwachting dat Urenco tijdelijk meer dan 100% van de winst als dividend zal uitkeren. Het deel dat boven de 100% komt, wordt aangemerkt als superdividend. Superdividend telt niet mee in het EMU-saldo en is daarom niet relevant voor het uitgavenkader.

Dividend staatsdeelnemingen

De dividendontvangsten hebben zich in 2014 beter ontwikkeld dan geraamd, hierdoor kan de raming worden bijgesteld.

Afdrachten Holland Casino

Holland Casino voert een herstructurering door om zo een financieel solide basis te creëren om zelfstandig in een gemoderniseerde kansspelmarkt te opereren. Waarschijnlijk wordt er tot en met 2016 geen winst afgedragen.

Winstafdracht DNB

Dit betreft een bijstelling van de raming van de winstafdracht DNB door de lagere rente en de versnelde afname van de ECB-crisismaatregelen.

Rentebijstelling Griekenland

Dit betreft een bijstelling van de raming van de rente op de lening aan Griekenland naar aanleiding van een nieuwe rekenrente van het CPB.

Premieontvangsten EKV

Door een aantal grote transacties zijn er dit jaar meer premieontvangsten dan geraamd. Er zijn in 2014 tot op heden drie relatief grote verzekeringspolissen uitgereikt, waarbij de maximale schadevergoeding € 200 mln. of hoger bedroeg, op debiteuren in Indonesië, Nederland en Brazilië. Het gaat om exporttransacties in de scheepsbouwsector. Meer specifieke informatie over de afgegeven polissen in 2014, kan worden teruggevonden op de website van Atradius DSB 5.

Schaderestituties EKV

De schaderestituties zijn boven verwachting, daarnaast zijn er meer schaderestituties ontvangen op regelingen buiten de Club van Parijs en is er sprake van een koersrisicopolis met een positief resultaat. De eerste terugbetaling van Argentinië naar aanleiding van het schuldenakkoord is hierin nog niet verwerkt.

DRZ omsleuteling naar kasverplichtingenstelsel

Domeinen Roerende Zaken verliest per 1 januari 2015 zijn status als agentschap en gaat over van het batenlastenstelsel naar het kasverplichtingenstelsel van het Ministerie van Financiën. De mutaties, aan zowel uitgaven- als ontvangstenkant, vormen de omzetting van baten/lasten naar kas/verplichtingen. De mutaties zijn budgettair neutraal verwerkt.

Beleidsartikelen Nationale Schuld

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2014 weergegeven.

Belangrijke mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting 2014 (x € 1 mln.)
 

artnr.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

8.739

8.832

9.531

10.178

10.932

 

Mutaties:

11

           

Renteswaps

11

– 214

– 231

– 153

– 318

– 359

 

Bijstelling kassaldo

11

– 1

– 83

– 201

– 280

– 383

 

Bijstelling rekenrente

11

– 166

– 975

– 1.009

– 974

– 932

 

Effect van schulduitgifte

11

– 178

– 644

– 612

– 453

– 231

 

Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

12

61

188

440

752

1.040

 

Extrapolatie

           

10.949

Stand ontwerpbegroting 2015

 

8.239

7.086

7.996

8.905

10.066

10.949

De rentekosten voor de staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkelingen en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Mutaties in de raming worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps die afgesloten zijn in de periode na het verschijnen van de vorige begroting. In de tweede plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming, stijgen de rentekosten. Als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de derde plaats leiden bijstellingen in de rekenrente (bron: CPB) tot mutaties in de rentekosten. Ten vierde ontstaan mutaties als gevolg van nieuwe uitgiftes. Als de rente op de uitgiftes afwijkt van de rekenrente wordt de raming aagepast.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

De totale uitgaven op de artikelen 1 tot en met 10 bedragen in 2015 € 6,9 mld. Hiervan is € 3,0 mld. apparaat, zie grafiek 1). De overige uitgaven zijn programma-uitgaven (€ 3,8 mld., zie grafiek 2). De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst worden in artikel 1 toegelicht, de apparaatsuitgaven van het kerndepartement in artikel 8. Domeinen Roerende Zaken (DRZ) gaat per 1 januari 2015 over van het baten-lastenstelsel van een agentschap naar het kas-verplichtingenstelsel. De agentschapstatus vervalt en DRZ wordt een dienstonderdeel van het departement. De apparaatsuitgaven van DRZ worden verantwoord op artikel 8 bij de apparaatsuitgaven van het kerndepartement.

Grafiek 1: apparaat (x € 1.000)

Grafiek 1: apparaat (x € 1.000)

Grafiek 2: programma-uitgaven (x € 1.000)

Grafiek 2: programma-uitgaven (x € 1.000)

De programma-uitgaven worden per artikel nader toegelicht. De grootste programma-uitgaven zijn: btw-compensatiefonds (€ 2,8 mld., artikel 6), uitgaven aan de belasting- en invorderingsrente (€ 379,8 mln., artikel 3) en de algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (€ 339,0 mln., artikel 4)

Grafiek 3: niet-belastingontvangsten (x € 1.000)

Grafiek 3: niet-belastingontvangsten 					 (x € 1.000)

In grafiek 3 wordt een overzicht gegeven van de niet-belastingontvangsten op de departementale begroting van Financiën. De grootste programmaontvangsten zijn de winstafdracht DNB (€ 789 mln., artikel 3), de ontvangsten aflossingen en couponbetaling op de kapitaalverstrekkingen aan financiële instellingen (€ 1,0 mld., artikel 3) en de ontvangsten uit de belasting- en invorderingsrente (€ 546,0 mln., artikel 1).

Grafiek 4: verleende garanties (x € 1 mln.)

Grafiek 4: verleende garanties (x € 1 mln.)

In grafiek 4 wordt een overzicht gegeven van de verleende garanties op de begroting van Financiën. De grootste garanties zijn verleend aan het EFSF (€ 49,6 mld., artikel 4), DNB – deelneming in kapitaal IMF (€ 45,3 mld., artikel 4) en het ESM (€ 35,4 mld., artikel 4). Voor een uitgebreide toelichting op de verschillende garantieregelingen wordt verwezen naar de paragraaf 2.1.5 Overzicht garanties en achterborgstellingen.

Grafiek 5: overzicht uitgaven en ontvangsten (in € mld.)

Grafiek 5: overzicht uitgaven en ontvangsten (in € 					 mld.)

Grafiek 5 geeft een overzicht van de uitgaven en ontvangsten op de departementale begroting van het Ministerie van Financiën. De ontvangsten zijn uitgesplitst naar belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten. In 2013 waren de uitgaven voornamelijk hoger vanwege de nationalisatie van SNS REAAL.

Beleidsartikelen Nationale Schuld

In deze paragraaf wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Het betreft de staatsschuld. De schuldtoerekening als gevolg van de EFSF (European Financial Stability Facility) is niet meegenomen. Deze wordt verantwoord in artikel 3.

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11 (in €  mld.)

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 					 11 (in €  mld.)

De omvang van de staatsschuld (artikel 11) ultimo 2015 bedraagt naar verwachting circa € 393 mld. De raming voor de rentekosten in 2015 bedraagt € 7,4 mld. De onderstaande tabel geeft ook de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen weer, zoals decentrale overheden, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), Sociale Fondsen en Agentschappen.

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (in mld. euro's)
 

2013

2014

2015

EMU-schuld

441

454

467

Staatsschuld 1

368

382

394

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 3,8

– 3,6

– 3,4

Interne schuldverhouding (artikel 12)

– 21,3

– 25,2

– 27,2

Rentekosten staatsschuld

9,6

8,7

7,5

Rentekosten schuldverhouding ABNAMRO

– 0,1

– 0,1

– 0,1

Rentekosten staatsschuld (artikel 11)

9,5

8,6

7,4

Rentekosten interne schuldverhouding (artikel 12)

– 0,4

– 0,3

– 0,3

Rentekosten Totaal (artikel 11 en 12)

9,0

8,2

7,1

X Noot
1

Exclusief de schuldtoerekening vanwege de IABF (Illiquid Assets Back-up Facility met ING) en EFSF (European Financial Stability Facility). Deze worden verantwoord in artikel 3.

2.4 Beleidsdoorlichtingen

Beleidsdoorlichtingen:
 

(Realisatie)

(planning)

Artikel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Financiën

             

1 Belastingen

             

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen ervoor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

   

       

2 Financiële Markten

             

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

       

   

3 Financieringsactiviteiten publieke-private sector

             

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de staat.

   

     

4 Internationale Financiële Betrekkingen

             

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

   

     

5 Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

             

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

 

 

     

6 Btw-compensatiefonds

             

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

     

     

7 Beheer Materiële Activa

             

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

     

   

Overig

             

Financieel en Economisch beleid van de overheid

     

     
               

Nationale schuld

             

11 Financiering Staatsschuld

             

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting

   

     

12 Kasbeheer

             

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

 

     

 

Toelichting

In de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar zijn en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens de RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De bovenstaande meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen voor het Ministerie van Financiën is dekkend en voldoet aan de RPE voorschriften.

Voor 2015 staat een drietal beleidsdoorlichtingen gepland. De beleidsdoorlichting voor het artikel Financiering Staatschuld heeft betrekking op het risicokader van de staatsschuld en de daarbij behorende benchmark.

2.5 Overzicht garanties en achterborgstellingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Categorie

Uitstaande garanties 2013

Geraamd te verlenen 2014

Geraamd te vervallen 2014

Uitstaande garanties 2014

Garantie- plafond 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Garantie- plafond 2015

Totaal plafond

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

RR

551

400

400

551

400

400

400

551

400

 

2

Financiële Markten

Garantie interbancaire leningen

CR/AR

9.892.984

 

9.892.984

             

3

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

AR (was RR)

50.000

   

50.000

     

50.000

 

50.000

4

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

RR

14.023.000

   

14.023.000

   

2.723.000

11.300.000

 

11.300.000

5

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

RR

210

11

 

221

   

2

219

 

219

6

Financiële Markten

NBM

RR

2.500

   

2.500

     

2.500

 

2.500

7

Financiële Markten

Waarborgfonds motorverkeer

RR

2.500

   

2.500

     

2.500

 

2.500

8

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

CR

5.700.000

   

5.700.000

     

5.700.000

 

5.700.000

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie SNS

CR

4.166.410

   

4.166.410

     

4.166.410

 

4.166.410

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop van deelnemingen

RR/AR

954.842

   

954.842

     

954.842

 

954.842

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Deelneming ABN AMRO

CR/AR

950.000

   

950.000

     

950.000

 

950.000

12

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB kredietverlening BIS

AR (was IR)

 

113.445

113.445

             

13

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

IR/CR

49.640.411

   

49.640.411

     

49.640.411

 

49.640.411

14

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

IR/CR

2.790.000

   

2.790.000

     

2.790.000

 

2.790.000

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB – kredietverlening i.k.v. overeenk. Lomé/Cotonou

IR

84.895

   

84.895

     

84.895

 

84.895

16

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

IR/CR

35.445.400

   

35.445.400

     

35.445.400

 

35.445.400

17

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten

IR

2.325.000

   

2.325.000

     

2.325.000

 

2.325.000

18

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

IR

24.309

   

24.309

     

24.309

 

24.309

19

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

IR

589.100

   

589.100

     

589.100

 

589.100

20

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

IR

9.895.547

   

9.895.547

     

9.895.547

 

9.895.547

21

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

IR

3.255.054

178.510

 

3.433.564

 

178.510

 

3.612.074

 

3.612.074

22

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

IR/CR

45.344.976

   

45.344.976

     

45.344.976

 

45.344.976

23

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

RR

226.475

453.780

453.780

226.475

453.780

453.780

453.780

226.475

453.780

 

24

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA-herverzekeren

RR

 

150.000

150.000

 

150.000

150.000

150.000

 

150.000

 

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

RR

20.858.069

10.000.000

10.000.000

20.858.069

10.000.000

10.000.000

10.000.000

20.858.069

10.000.000

 
 

Totaal

   

206.222.233

10.896.146

20.610.609

196.507.770

10.604.180

10.782.690

13.327.182

193.963.278

10.604.180

172.878.183

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Nr

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2013

Ontvangsten 2013

Saldo 2013

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

259

 

– 259

245

 

– 245

245

 

– 245

2

Financiële Markten

Garantie interbancaire leningen

 

164.792

164.792

 

99.636

99.636

     

3

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

 

1.500

1.500

 

1.275

1.275

 

1.275

1.275

4

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

 

68

68

 

569

569

 

569

569

5

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

                 

6

Financiële Markten

NBM

                 

7

Financiële Markten

Waarborgfonds motorverkeer

                 

8

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

                 

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

garantie SNS

                 

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop van deelnemingen

5.375

4.800

– 575

4.800

4.800

 

4.800

4.800

 

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Deelneming ABN AMRO

 

25.555

25.555

 

25.555

25.555

 

6.441

6.441

12

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB kredietverlening BIS

                 

13

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

                 

14

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

                 

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB – kredietverlening i.k.v. overeenk. Lomé/Cotonou

38

 

– 38

           

16

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

                 

17

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten

                 

18

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

                 

19

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

                 

20

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

                 

21

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

                 

22

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

                 

23

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

 

675

675

500

1.250

750

500

1.250

750

24

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA-herverzekeren

                 

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

91.157

167.008

75.851

85.000

121.000

36.000

74.900

88.000

13.100

 

Totaal

 

96.829

364.398

267.569

90.545

254.085

163.540

80.445

102.335

21.890

Toetsing risicoregelingen aan garantiekader

In lijn met de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen 6 zijn de bestaande risicoregelingen getoetst en waar mogelijk in lijn gebracht met het aangescherpte garantiekader. Hierdoor worden de risico’s voor de overheidsfinanciën verminderd. Het maximale risico wordt teruggebracht tot een doelmatiger niveau en er wordt een horizonbepaling geïntroduceerd. De internationale garantieregelingen, de garantieregelingen in verband met de financiële crisis en aflopende garantieregelingen zijn bij deze toetsing buiten beschouwing gelaten. Echter, in de onderstaande paragraaf worden deze garanties en de beheersing van de risico’s uitvoerig beschreven. Voor aanvullende financiële informatie over de Europese noodfondsen en Internationale Financiële instellingen wordt verwezen naar artikel 4. Gezien de veelheid aan risicoregelingen zijn – omwille van begrijpelijke verantwoording -in de bovenstaande tabel de regelingen gecategoriseerd naar de aard van de regeling zodat duidelijk is welke garantieregelingen getoetst zijn (de reguliere regelingen (RR)). Naast reguliere regelingen zijn er ook internationale regelingen (IR), crisisregelingen (CR) en aflopende regelingen (AR). Hieronder worden de regelingen van het Ministerie van Financiën voor een aantal van de toetspunten uit het garantiekader toegelicht, de overige toetspunten komen in de toelichting per garantieregelingen aan de orde.

Horizonbepaling garantieregelingen

Alle reguliere garantieregelingen worden in de periodieke beleidsdoorlichtingen getoetst op nut en noodzaak. Voor de planning van deze periodieke evaluatie wordt verwezen naar het overzicht bij de beleidsagenda en de bijlage evaluatie en onderzoeksoverzicht.

Aanpassing regelingen

Naar aanleiding van de toetsing aan het verscherpte garantiekader zijn/worden een aantal regelingen aangepast:

  • de garantie aan DNB in verband met de BIS is afgeschaft;

  • de garantie aan de NHT wordt na 2018 afgeschaft;

  • de garantie aan curatoren voor procesrisico’s bij faillissementen wordt gezamenlijk met het Ministerie van Veiligheid en Justitie onderzocht;

  • het jaarlijks plafond van de EKV-faciliteit is aangepast van een netto plafond naar een bruto plafond. In voorgaande jaren was er sprake van een netto plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen). Vanaf begroting 2015 wordt gewerkt met een bruto plafond, er zal niet meer worden gecorrigeerd voor vervallen verplichtingen.

Begrotingsreserve garantieregelingen

Naar aanleiding van de toetsing aan het aangescherpte garantiekader:

  • zal er voor de exportkredietverzekering (EKV) een begrotingsreserve worden opgericht;

  • voor de garantie procesrisico’s worden de resultaten van het onderzoek afgewacht om te beoordelen of een begrotingsreserve doeltreffend en doelmatig is;

  • voor de WAKO (kernongevallen) wordt vanwege de relatief hoge garantie ten opzichte van de jaarlijks te innen premie van € 500 dzd. geen begrotingsreserve opgericht. Met de ontvangen premie is het niet mogelijk om op redelijke termijn een begrotingsreserve te creëren die het risico afdekt;

  • voor de Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer wordt geen begrotingsreserve opgericht. Gezien de beperkte omvang van de garantie (€ 200 dzd.) is afgezien van een begrotingsreserve.

Voor de garantie aan de Stichting Beheer Doelgelden (TenneT) en de aflopende SENO-Gom-regeling (onderdeel van de EKV) waren reeds begrotingsreserves opgericht.

Toelichting per risicoregelingen

Garanties groter dan € 5 mln. worden toegelicht, mits deze niet voor 2015 aflopen of vallen onder de algemene faciliteit voor het schatkistbankieren.

2. Garantie interbancaire leningen

De Staat heeft in 2008 een garantiefaciliteit gecreëerd van € 200 mld. waaruit garanties kunnen worden afgegeven voor interbancaire leningen. In 2014 zal de garantieregeling voor interbancaire leningen aflopen, daarom vervallen de uitstaande garantieverplichtingen in de tabel overzicht verstrekte garanties.

3. Terrorisme Schade (NHT)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat herverzekeraars en verzekeraars waren begonnen terrorismerisico’s uit te sluiten in hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 mld. per jaar. De Staat heeft een garantie afgegeven voor de laatste € 50 mln. van deze dekkingscapaciteit. De Staat en de NHT zijn overeengekomen om de participatie van de Staat na 2018 te beëindigen.

Beheersing risico’s en versobering

De Staat en de NHT zijn overeengekomen om de participatie van de Staat na 2018 te beëindigen. Daarnaast zijn de risico’s voor de Staat beperkt doordat de verzekeraars en herverzekeraars de eerste € 950 mln. van de dekkingscapaciteit garanderen, daarna kan pas de garantie van de Staat worden aangesproken.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premie is (ten minste) marktconform en sluit aan bij de premie die herverzekeraars ontvangen. De garantie van de Staat kan pas ingeroepen worden nadat de garantie van de verzekeraars en herverzekeraars is uitgeput. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

4. WAKO (Kernongevallen)

Doel en werking garantieregeling

De Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is namelijk verantwoordelijk voor schade bij kernongevallen. De exploitant moet deze aansprakelijkheid verzekeren tot een maximumbedrag van € 1,2 mld. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Het doel van deze risicoregeling is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen. De Staat der Nederlanden staat voor 7 installaties garant tot een bedrag van € 2,3 mld. dan wel € 1,5 mld. per ongeval. Het totaalrisico voor deze installaties bedraagt € 11,3 mld.

Beheersing risico’s en versobering

Kerncentrales moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kerncentrale in Borssele is ook bestand tegen omstandigheden van buitenaf. Bijvoorbeeld een aardbeving of overstroming. Uit onderzoek (onder andere. de Europese stresstest) blijkt dat Borssele ruim voldoet aan de bestaande veiligheidseisen.

Kerncentrales staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. Dit ligt vast in de Nederlandse wet en in internationale verdragen. Daarnaast staan in de vergunning talrijke eisen aan een kerncentrale. Bijvoorbeeld eisen om internationale contacten tussen kerncentrales te onderhouden om kennis en ervaringen uit te wisselen.

Wettelijk toezicht in Nederland valt onder het Ministerie van Economische Zaken. Het toezicht wordt uitgevoerd door de Kernfysische Dienst (KFD). Dit is een onderdeel van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

De KFD ziet er op toe dat alle nucleaire installaties in Nederland veilig zijn. Ook zorgt de KFD dat veiligheids- en beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Er zijn bijna dagelijks contacten tussen de kerncentrale en de KFD. Inspecteurs houden vaak ter plekke toezicht en controles. Zij kijken of de vergunningen worden nageleefd, of technische specificaties en de werkwijzen kloppen en of wijzigingen aan installaties mogen worden uitgevoerd.

In 2014 is een nota van wijziging op de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen aangenomen waarmee de garantie van de Staat wordt ingeperkt. Het bedrag dat door de Staat beschikbaar wordt gesteld in geval van een ongeval wordt voor kerninstallaties met ingang van 1 januari 2015 verlaagd van € 2,3 mld. naar € 1,5 mld. Het gaat daarbij om een ongeval die beperktere gevolgen heeft (het verdragsrechtelijk bepaalde minimumbedrag waarvoor de Staat garant moet staan).

Premiestelling en kostendekkendheid

De doelstelling is dat het rendement voor de overheid (in de zin van premieontvangsten) een weerspiegeling is van de risico’s voor de overheid (in de zin van impact en kans). Voor de berekeningssystematiek wordt aangesloten bij de premieberekening die de markt hanteert voor kernongevalschadeverzekeringen. Door de relatieve hoge garantie ten opzichte van de premie is het onmogelijk om op een redelijke termijn een begrotingsreserve te creëren die het risico afdekt. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

8. Garantie DNB-winstafdracht

Doel en werking garantieregeling

Een deel van de winst die De Nederlandsche Bank maakt vloeit – via een vooraf bepaalde verdeelsleutel – in de staatskas. De winsten die worden gemaakt met crisisgerelateerde transacties vallen ook onder de winstafdracht. DNB heeft hierdoor tijdelijk grotere risico’s op haar balans staan. Het Ministerie van Financiën en DNB hebben in samenspraak besloten om de bestaande praktijk te handhaven onder afgifte van een garantie die de toegenomen risico’s voor DNB mitigeert.

Beheersing risico’s en versobering

In 2017 wordt beoordeeld of DNB nog risico loopt op de crisisgerelateerde transacties. De garantieovereenkomst zal worden verlengd indien 5 jaar na inwerkingtreding nog sprake is van zowel (i) een risico ten aanzien van de gekwalificeerde activa als (ii) een buffertekort bij DNB. In dit geval zal een nieuw maximumbedrag worden vastgesteld. Wanneer DNB geen risico meer loopt op de gegarandeerde activa vervalt de garantie. DNB informeert periodiek over het onderliggende risico en het buffertekort. Bij het verstrekken van de garantie bedroeg het risico voor DNB € 13,5 mld. Op basis de laatste informatie kan gemeld worden dat de risico's zijn gedaald tot € 9,6 mld. In de Miljoenennota en het Financieel Jaarverslag Rijk wordt over de onderliggende risico’s van de garantie gerapporteerd.

Door de financiële en Europese schuldencrisis en de door het Eurosysteem genomen maatregelen om deze crisis te beheersen, zijn de financiële risico’s voor DNB veranderd. Vanwege het hoge risicoprofiel voortkomend uit de monetaire beleidstaken heeft DNB bij de eigen beleggingen vastgehouden aan een zeer laag risicoprofiel. Het renterisico van de beleggingen wordt door DNB beheerst door de omvang en gemiddelde looptijd van de vastrentende portefeuilles te begrenzen. Ter beheersing van het debiteurenrisico op de beleggingen past DNB een strikt limietenraamwerk toe voor overheden, emittenten en banken. Daarbij zijn alle bancaire uitzettingen gedekt door onderpand van hoge kwaliteit 7.

Premiestelling en kostendekkendheid

Er wordt geen premie betaald door DNB. Als gevolg van de garantie kan DNB meer winst afdragen aan het Ministerie van Financiën. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling, waardoor de regeling op dit moment meer dan kostendekkend is.

9. Garantie SNS propertize

Doel en werking garantieregeling

Bij de nationalisatie van SNS REAAL is reeds aangekondigd dat Propertize (voorheen: «Property Finance») zal worden afgesplitst van de rest van SNS REAAL en in een vastgoedbeheerorganisatie zal worden ondergebracht. Eind 2013 is de afsplitsing gerealiseerd. De vastgoedbeheerorganisatie heeft tot doel om de vastgoedportefeuille op de middellange termijn zo kostenefficiënt en rendabel mogelijk af te wikkelen. De Staat heeft een garantie verstrekt op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Het gaat hierbij om een garantie van circa € 4,2 mld.

Beheersing risico’s en versobering

Propertize heeft tot doel om de vastgoedportefeuille op de middellange termijn zo kostenefficiënt en rendabel mogelijk af te wikkelen. Zonder garantie van de Staat is het niet mogelijk voor Propertize om financiering aan te trekken in de markt. Deze regeling is noodzakelijk als gevolg van de financiële crisis en kan daarom niet worden versoberd.

Voor de beheersing van het risico is een eindtermijn en maximum bedrag opgenomen. Een verlenging van de garantie dient periodiek te worden goedgekeurd door de Staat.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor de garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie zal de Staat een garantiepremie van 30 basispunten (+ 0,3%) ontvangen. De hoogte van deze premie is bepaald op basis van drie referentiepunten: (1) de garantiepremie die vergelijkbare Europese afwikkelentiteiten met overheidsgarantie betalen, (2) een inschatting van de financieringslasten bij ontbreken van overheidsgarantie en (3) het effect van de garantiepremie op winstgevendheid van de vastgoedbeheerorganisatie.

10. Garantie en vrijwaring staatsdeelnemingen

Doel en werking garantieregeling

De Staat heeft een aantal garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende deelnemingen die volgen uit verplichtingen uit de verkoop van deelnemingen. Dit is het geval geweest bij de verkoop van SDU, Connexxion en WesterSchelde Tunnel. Bij de verkoop van een belang kan het voorkomen dat de koper bepaalde garanties vraagt voor niet in de balans verwerkte posten. Dit is gebruikelijk bij fusies en overnames. Op deze manier wordt het risico van de acquisitie voor de koper verminderd, waardoor voorkomen wordt dat er een overeenkomst gesloten wordt tegen een lagere prijs.

Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen NS en TenneT mogelijk te maken. Het Ministerie van Financiën heeft als aandeelhouder aan TenneT Holding een garantie afgegeven ten gunste van de Stichting Beheer Doelgelden. De middelen uit deze Stichting dienen altijd direct beschikbaar te zijn, bijvoorbeeld indien er een investering in interconnectiecapaciteit dient te worden gedaan. Daarnaast garandeert de Staat leningen die NS heeft afgesloten via Eurofima. Eurofima is een multilaterale bank, opgericht op basis van een Europees verdrag, die zich specialiseert in de financiering van rollend materieel. Alle nationale Europese spoorvervoerders kunnen hier financiering aantrekken onder garantie van het land van herkomst.

Beheersing risico’s en versobering

Voor de beheersing van het risico is een eindtermijn en maximum bedrag opgenomen. De garanties en vrijwaringen lopen de komende jaren af, het laatste deel in 2020.

De premieontvangsten van TenneT worden afgestort in een begrotingsreserve, ultimo 2013 was de buffer in de begrotingsreserve € 16,0 mln.

Premiestelling en kostendekkendheid

Er worden een premies betaald over de garanties die zijn afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen mogelijk te maken. Voor de garantie van TenneT ontvangt de Staat een premie van € 4,8 mln. op jaarbasis. NS heeft in totaal € 450 mln. geleend bij Eurofima, de Staat ontvangt hiervoor een garantiefee van NS. De onderliggende leningen zijn op verschillende momenten afgesloten en de garantiefee is daarmee verschillend. De berekening van de fee is als volgt:

  • Over € 65,7 mln. een fee van 15 basispunten.

  • Over € 355,5 mln. sinds half december 2011 een fee van 23 basispunten.

  • Over de rest (€ 28,8 mln.) geen fee.

Voor leningen die voor 1995 zijn afgesloten (verzelfstandiging NS) is geen garantiefee afgesproken. Bij garanties en vrijwaringen die worden afgegeven bij de verkoop van een staatsdeelneming loopt de vergoeding voor het risico via een hogere verkoopopbrengst.

11. Deelneming ABN AMRO

Doel en werking garantieregeling

Er zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de Staat afgegeven.

Beheersing risico’s en versobering

Voor de beheersing van het risico is een eindtermijn en maximum bedrag opgenomen. Jaarlijks moet ABN AMRO aantonen dat de instelling geen verzekering in de markt kan kopen voor een realistische prijs om in aanmerking te komen voor de vrijwaring. De garantie loopt in het voorjaar van 2015 af.

Premiestelling en kostendekkendheid

Jaarlijks ontvangt de Staat een premie van 269 basispunten over het risico van € 950 mln. (circa € 25,6 mln.).

12. Garantie aan DNB inzake Bank voor Internationale Betalingen (BIS)

Deze garantieovereenkomsten tussen de Staat en DNB ziet op het Nederlandse aandeel in de via de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. Als verplichtingenraming (stelpost) wordt jaarlijks een garantieplafond van € 113 mln. in de ontwerpbegroting opgenomen. De laatste jaren is er geen gebruik gemaakt van deze regeling daarom wordt de garantieverplichting niet meer opgenomen. In de tabel overzicht verstrekte garanties is de stelpost in 2014 en het verwachte verval opgenomen.

13., 14. en 16. EFSF, EFSM en ESM

Doel en werking garantieregeling

In 2010 is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen EFSM en EFSF en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, European Stability Mechanism (ESM). Dit vindt plaats naar aanleiding van ernstige onrust op de Europese kapitaalmarkten die de financiële stabiliteit in het eurogebied bedreigde. De noodmechanismen kunnen steun verstrekken aan landen in nood onder strikte beleidscondities. Op dit moment staat Nederland voor € 49,6 mld. garant voor het EFSF, € 2,8 mld. voor het EFSM en € 35,4 mld voor het ESM. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen.

Beheersing risico’s en versobering

Financiële steun aan een land met een programma wordt door het EFSF, EFSM en ESM in tranches uitgekeerd, na een positief oordeel van de Troika over de voortgang van het programma. Het leningenprogramma is erop gericht dat het land dat steun ontvangt zo spoedig mogelijk weer een houdbare financieel-economische positie heeft en weer toegang krijgt tot de financiële markten.

Op het moment dat een lidstaat, die steun uit het EFSF ontvangt, niet aan de betalingsverplichtingen van het EFSF kan voldoen en als gevolg daarvan het EFSF haar schuldeisers niet meer kan betalen, zal Nederland naar rato haar aandeel in de garantie moeten bijdragen aan het EFSF. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het EFSF te kunnen voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het EFSF garanties inroept heeft dit effect op het EMU-saldo.

Het ESM kent een andere kapitaalstructuur, waardoor de risico’s voor landen die garanties verstrekken zijn ingeperkt. De risico’s worden daarnaast beheerst doordat het ESM een preferente schuldeiser status (preferred creditor) kan claimen over leningen van andere crediteuren (behalve die van het IMF). Indien lidstaten die steun hebben ontvangen uit het ESM niet in staat zijn om aan de betalingsverplichtingen van het ESM te voldoen en als gevolg daarvan het ESM haar schuldeisers niet meer kan betalen, dan zal het ESM deze verliezen moeten opvangen. Het ESM zal dan eerst putten uit het reservefonds, daarna uit het volgestort kapitaal en als laatste optie pas het oproepbaar kapitaal oproepen. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het ESM te kunnen voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het ESM garanties inroept, betekent dit een effect op de Nederlandse schuld en het EMU-saldo.

Premiestelling en kostendekkendheid

ESM/EFSF

De rente die de verschillende programmalanden momenteel betalen aan het ESM en EFSF is afhankelijk van de rente waarvoor het ESM/EFSF op de geld- en kapitaalmarkt leent (zogenaamde cost of funding). Het verschuldigde rentepercentage is een samenstelling van de rente die het ESM/EFSF betaalt voor uitgiftes met verschillende looptijden. Op basis van de op de markt aangetrokken middelen berekent het ESM/EFSF op dagbasis de gemiddelde financieringskosten, welke worden doorberekend aan de programmalanden. Daarnaast betalen lidstaten die steun ontvangen van het ESM/EFSF aan het ESM/EFSF bij ontvangst van een lening een service fee van 50 basispunten, jaarlijks een service fee van 0,5 basispunten en een commitment fee. Lidstaten betalen aan het ESM ook nog een renteopslag, waar de hoogte hiervan afhangt van het gekozen instrument. De exacte opslagen zijn vastgelegd in de beprijzingsrichtsnoer van het ESM. De renteopslag van het EFSF is vastgesteld op nul.

EFSM

De prijsstelling van het EFSM kent als uitgangspunt dat deze direct worden doorgegeven aan de specifieke programmalanden tegen dezelfde rente als waarvoor de Europese Commissie inleent. Dit zijn de financieringskosten. De renteopslag op de EFSM-leningen is vastgesteld op nul.

15. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

Doel en werking garantieregeling

De Europese Investeringsbank (EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP – landen), alsmede Europese Overzeese Gebieden (OCT – landen). De projecten richten zich op economische ontwikkeling van deze landen via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd met een revolverend fonds dat gefinancierd wordt door het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook met eigen middelen, hierop hebben de lidstaten een garantie afgegeven voor het politieke risico.

Beheersing risico’s en versobering

Om inspraak van de lidstaten in financieringsbesluiten, gefinancierd uit zowel EDF als eigen middelen, te waarborgen is er een Committee opgericht waar alle lidstaten in vertegenwoordigd zijn. Dit Committee licht alle investeringsvoorstellen inhoudelijk door en brengt advies uit aan de EIB Board inzake eventuele goedkeuring. Tevens heeft het beheer van de portefeuille dezelfde waarborgen als de EIB portefeuille binnen de EU. De regeling valt onder de internationale garantieregelingen en komt daarom niet in aanmerking voor versobering.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. Door de aandeelhouders wordt geen dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij de garantie zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten in de ACP- en OCT-landen hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

17. Kredieten EU-betalingsbalanssteun

Doel en werking garantieregeling

De Europese Betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden met betrekking tot de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het verstrekken van leningen via de Betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de Betalingsbalansfaciliteit. Om de financiële ondersteuning te kunnen financieren is de Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting. Uit de betalingsbalansfaciliteit kan voor een maximum aan € 50 mld. aan leningen worden verstrekt. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is circa € 2,3 mld.

Beheersing risico’s en versobering

Het verstrekken van leningen gaat altijd gepaard met een risico. Het doel van de Betalingsbalansfaciliteit is juist om de financiële stabiliteit van de gehele EU te waarborgen opdat risico’s voor de Nederlandse economie, financiële sector en begroting niet escaleren. Doordat de Europese Commissie op grond van een impliciete garantie van de EU-begroting leningen kan verstrekken hoeven de EU-lidstaten geen kosten te maken voor het verstrekken van deze leningen. Het uitstaande risico komt als pro-memoria in de EU-begroting. De eventuele rentemarge (verschil tussen rente bij in- en uitlenen) wordt verrekend in de afdrachten van de lidstaten (inkomstenkant van de EU-begroting). Deze garantie wordt niet versoberd wegens het internationale karakter.

Premiestelling en kostendekkendheid

De rente die steunontvangende landen betalen voor financiële steun van de Betalingsbalansfaciliteit is gelijk aan de financieringskosten die de Commissie maakt. In de periode 2008–2011 is een totaalbedrag van € 13,4 mld. aan leningen verstrekt aan Hongarije, Letland en Roemenië. Van deze programma’s zijn alle tranches uitgekeerd en Hongarije en Letland zijn reeds begonnen met terugbetalen van de leningen. Het openstaande bedrag van de faciliteit aan deze drie landen is circa € 10,4 mld. (stand juli 2014). Roemenië heeft tevens tot 2015 toegang tot een preventieve kredietlijn met een omvang van € 2 mld. Tot op heden heeft Roemenië nog geen gebruik hoeven te maken van deze preventieve kredietlijn.

18. en 21. Wereldbank Groep

Doel en werking garantieregeling

De Multilateral Investment Guarantee Agency is een onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA wordt gefinancierd door aandelenkapitaal (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Een ander onderdeel van de Wereldbank Groep is de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD). IBRD functioneert als een soort coöperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd aandeelkapitaal en garanties, leent IBRD in op kapitaalmarkten en worden leningen verstrekt. De Staat verhoogt de garantie aan de Wereldbank in 2014 en 2015 met € 178 mln., deze mutatie is opgenomen in de tabel overzicht verstrekte garanties.

Beheersing risico’s en versobering

De garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de IBRD op het moment dat de IBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als zeer klein aangemerkt. De IBRD voert namelijk een prudent beleid met als expliciet doel het risico op een call on capital te minimaliseren en het liquiditeit- en risicobeleid van de IBRD is conservatief. De leenportfolio van de IBRD functioneert ondanks de crisisjaren goed. Dit komt mede doordat de Wereldbank mondiaal opereert waardoor de portefeuille goed gediversifieerd is. De bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status (stabiel) die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. Tevens heeft de Bank heeft een zogenaamde Preferred Creditor Status. Dit houdt in dat lenende landen de IBRD voorrang verschaffen bij betaling indien zij moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. Deze garantie wordt niet versoberd wegens het internationale karakter.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. De financiële voordelen van de garantie worden door de IBRD middels betere leenvoorwaarden doorberekend aan de klantlanden, waarmee het bijdraagt aan de realisatie van de door IBRD opgelegde beleidsdoelstellingen. Het instellen van een premie zou de bijdrage van de IBRD aan het maatschappelijke doel verminderen.

19. EBRD 8

Doel en werking garantieregeling

De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele Noord-Afrikaanse landen. Het mandaat van de Bank is specifiek gericht op de transitie van (ex-communistische) economieën naar markteconomieën en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door aandelenkapitaal, waarvan zo’n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Beheersing risico’s en versobering

De garantie kan alleen worden ingeroepen door de EBRD wanneer de Bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en de bank dus failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als klein aangemerkt. De EBRD voert een prudent beleid. Het liquiditeit- en risicobeleid zijn conservatief. De leenportfolio van de EBRD doet het historisch gezien goed en de bank maakt winst. Mede daardoor heeft de EBRD een sterke kapitaalpositie met een gezonde verhouding tussen de portfolio en de capaciteit om risico in de portfolio te dragen. Het beleid is erop gericht dat kapitaalgaranties nooit ingeroepen hoeven te worden. De EBRD wordt door alle kredietbeoordelingsbureau’s dan ook als betrouwbaar aangemerkt (AAA, stable outlook). De bank heeft een Preferred Creditor Status.

Tevens heeft de Board van de Bank een Audit Committee dat de risico’s van de Bank nauwgezet monitort. Er is een Internal Audit Committee dat toeziet op de kwaliteit van procedures en processen (deze rapporteert aan de President). Jaarverslagen worden door een externe auditor van een opinie voorzien. Deze garantie wordt niet versoberd wegens het internationale karakter.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, het is immers de wijze waarop het ingelegd kapitaal wordt gefinancierd. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EBRD hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EBRD, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

20. De Europese Investeringsbank (EIB)

Doel en werking garantieregeling

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector.

Beheersing risico’s en versobering

Garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de EIB op het moment dat de Bank niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt wordt echter als klein aangemerkt, omdat de EIB een zeer prudent risicobeleid voert dat als doel heeft kapitaalgaranties nooit te hoeven inroepen. De leenportfolio van de EIB functioneert historisch gezien goed en de bank maakt winst. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P and Fitch) geven de EIB een AAA/Aaa rating. Deze sterke rating is een reflectie van de kwalitatief hoogwaardige portefeuille van de EIB en de sterke steun van een aantal kredietwaardige aandeelhouders (met name Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland). De Bank heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. De bank heeft een Preferred Creditor Status. De instemming tot een kapitaalverhoging van ingelegd kapitaal is een illustratie van deze steun.

Tevens heeft de Board van de Bank een «risk committee» dat de risico’s van de Bank nauwgezet monitort en is er een onafhankelijk «Audit Committee» (bestaande uit financiële experts, toezichthouders en auditors) dat rechtstreeks rapporteert aan de Gouverneurs van de EIB (Ministers van Financiën) en onder andere toeziet op naleving van de regels voor toereikendheid van kapitaal en liquiditeit van de EU (CRD-Directives) en Bazel, waarbij de bank overigens conform haar eigen beleid ver boven de daarin vastgelegde minima uitsteekt. Deze garantie wordt niet versoberd wegens het internationale karakter.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen. Noch voor het inbetaalde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/Lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Zou de EIB ooit worden opgeheven dan zou dit kapitaal terugstromen naar de aandeelhouders (overigens is er wel éénmaal in het bestaan van de EIB dividend verstrekt aan de aandeelhouders toen het kapitaal van de Bank uitzonderlijk hoog was in verhouding tot de behoefte).

22. DNB- Deelneming in kapitaal IMF

Doel en werking garantieregeling

Bij het IMF gaat het om een garantie die de Nederlandse Staat aan DNB verleent om het risico te dekken indien het Fonds in gebreke blijft. De garantieverstrekking is daarmee dus in feite een nationale aangelegenheid. Deze garantie staat wel op de begroting, maar wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB.

Deze garantie wordt niet versoberd wegens het internationale karakter. Wel is een deel van de garantie tijdelijk en/of afhankelijk van ratificatie door de deelnemers van het IMF. Hierdoor kan de garantie dalen.

Beheersing risico’s en versobering

De kans dat Nederland de garantie moet inroepen is zeer klein. De kredietverlening van het IMF is revolverend, wat betekent dat landen na een bepaalde periode het Fonds weer terug moeten betalen. Het komt nauwelijks voor dat landen achterstanden hebben bij het IMF, mede dankzij het prudente beleid dat het Fonds voert. Een belangrijk element hierin vormt het toegangsbeleid, waarbij de analyse van schuldhoudbaarheid en richtlijnen voor limieten van leningen centraal staan. Daarnaast zijn de vormgeving van het programma en de gestelde conditionaliteiten belangrijke waarborgen voor terugbetaling. Hiermee dwingt het Fonds economische aanpassingen af die lidstaten in staat stellen hun betalingsbalansproblemen op orde te krijgen en tijdig de lening terug te betalen. Daar komt bij dat het IMF een Preferred Creditor is (crediteur die voorrang krijgt boven andere crediteuren) en dat achterstanden bij het IMF slecht zijn voor de reputatie op financiële markten en bij andere internationale instellingen. In het geval van achterstallige betalingen kan het IMF terugvallen op de reservebuffer, de zogenaamde precautionary balances. Het IMF houdt voor deze reserves een doelstelling aan van SDR 9 20 mld. waarbij SDR 10 mld. als een minimum wordt gehanteerd.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor afgegeven garanties wordt geen premie ontvangen van het IMF. De Staat verstrekt immers de garantie aan DNB en niet aan het IMF. Het IMF vraagt wel premie aan landen die financiële steun krijgen en betaalt een premie aan landen waar zij op trekken. De premie komt via de DNB weer terug in de schatkist.

De premie die landen moeten betalen is gebonden aan de IMF marktgerelateerde rente, die weer gerelateerd is aan de SDR-rente. Het IMF rekent een extra opslag (vergoeding voor gelopen risico’s) voor programma’s die groot van omvang zijn (boven de 300% quota van een land uitkomen). Als het bedrag aan financiële steun na 3 jaar nog steeds boven de 300% quota uitkomt, wordt daar bovenop een extra opslag gevraagd om groot en langdurig gebruik van IMF middelen te ontmoedigen. Een uitzondering wordt gemaakt voor lage inkomenslanden: zij betalen een veel lagere premie. Daarnaast rekent het IMF een zogeheten commitment fee voor een aantal faciliteiten, die wordt teruggestort wanneer een land daadwerkelijk geld trekt onder die faciliteit. Ook rekent het IMF een vergoeding om de uitvoeringskosten van een programma te dekken.

Het IMF betaalt ook premies, namelijk aan landen waar zij op trekken. Dit geldt ook voor Nederland. Op het moment dat het IMF gebruik wenst te maken van een verstrekt leenarrangement, dan moet DNB dit geld financieren op de kapitaalmarkt. Hiervoor ontvangt DNB een vergoeding; de SDR-rente. Via de winstafdracht van DNB ontvangt de Nederlandse Staat een deel van de premie.

23. Regeling Investeringen

Doel en werking garantieregeling

De Staat kan jaarlijks voor maximaal € 453 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het buitenland. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 453 mln., een verwachte afloop van € 453 mln. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend.

Beheersing risico’s en versobering

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille (inclusief RIV en MIGA) en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader.

Voor de RIV is in de begroting een bedrag van € 453,8 mln. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen (netto plafond)). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling

x € 1.000

2010

2011

2012

2013

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

22.340

0

13.789

62.194

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

71.559

19.752

34.262

9.275

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

– 49.219

– 19.752

– 20.473

52.919

Premiestelling en kostendekkendheid

Bij de investeringsverzekeringen gelden net zoals bij exportkredietverzekeringen internationale afspraken ten aanzien van kostendekkendheid en minimum premies.

24. MIGA-herverzekering

Doel en werking garantieregeling

Herverzekering MIGA betreft de herverzekering van investeringsverzekeringen afgesloten door Nederlandse exporteurs onder de MIGA-faciliteit van de Wereldbank. Om deze herverzekeringscapaciteit af te bakenen is een separaat garantieplafond opgesteld. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 150 mln., een verwachte afloop van € 150 mln. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend.

Beheersing risico’s en versobering

Er is een maximale jaarlijkse herverzekeringslimiet van € 150 mln. vastgelegd.

Voor de MIGA-herverzekering is in de begroting een bedrag van € 150 mln. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen (netto plafond)). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling

x € 1.000

2010

2011

2012

2013

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

0

0

0

0

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

0

0

0

0

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

0

0

0

0

Premiestelling en kostendekkendheid

Conform de overeenkomst met de Wereldbank wordt de premiestelling van MIGA overgenomen. De Wereldbank is eveneens gebonden aan de internationaal afgesproken minimum premies.

25. Exportkredietverzekering

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de EKV-faciliteit omvat momenteel onder andere: de exporteurspolis, financieringspolis, koersrisicoverzekering, werkkapitaaldekking en verzekering van garanties. In de tabel overzicht verstrekte garanties wordt naast het verplichtingenplafond van € 10 mld., een verwachte afloop van € 10 mld. opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen zijn pas na afloop van een begrotingsjaar bekend.

Beheersing risico’s en versobering

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille (incl. RIV en MIGA) en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader.

In de begroting 2012 is het jaarlijkse garantieplafond naar beneden bijgesteld van € 11,3 mld. naar € 10 mld. Een herijking van de cijfers zal daarnaast in 2015 leiden tot lagere uitstaande garanties.

Voor de EKV is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen (netto plafond)). Het gebruik van de regeling wordt in onderstaande tabel weergegeven.

Benutting garantieregeling

x € 1.000

2010

2011

2012

2013

Aangegane garantieverplichtingen (bruto)

4.616.849

6.823.709

12.644.489

12.901.909

Vervallen garantieverplichtingen (incl. schade-uitkeringen)

3.418.210

5.705.565

9.701.607

9.378.339

Aangegane garantieverplichtingen (netto)

1.198.639

1.118.144

2.942.882

3.523.570

Premiestelling en kostendekkendheid

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premieinkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. Om deze reden zijn de OESO minimum premies opgesteld. Nederland houdt zich aan deze minimum premies en monitort de kostendekkendheid door een speciaal hiervoor ontwikkeld model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB).

3 DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

3.1 Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • het te voeren fiscale beleid;

  • het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;

  • het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van:

  • de heffing en inning van de rijksbelastingen en douanerechten;

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen;

  • de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;

  • de controle op VGEM-aspecten (veiligheid, gezondheid, economie en milieu) bij invoer, doorvoer en uitvoer van goederen;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir) voert Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op grond van de Algemene Douane Wet voert de Douane de controle op VGEM-aspecten uit. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de FIOD de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

C. Beleidswijzigingen

Voor de voorgestelde wijzigingen op fiscaal terrein wordt verwezen naar het Belastingplan 2015.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

De Belastingdienst wordt beschouwd als een grote uitvoeringsorganisatie vanwege het budget (€ 3,2 mld. in 2015) en het aantal medewerkers, daarnaast is er veel politieke en maatschappelijk aandacht voor de werkzaamheden van de Belastingdienst. Via een eigen begrotingsartikel is het mogelijk inzicht te geven in de verschillende werkzaamheden, uitgaven en ontvangsten van de Belastingdienst.

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

3.273.683

3.374.278

3.222.131

3.145.770

3.045.293

3.008.763

3.010.021

waarvan garantieverplichtingen

             

Garantie procesrisico's

33

400

400

400

400

400

400

               

Uitgaven (1) + (2)

3.187.000

3.374.278

3.222.131

3.145.770

3.045.293

3.008.763

3.010.021

(1) Programma-uitgaven

241.861

401.614

392.664

396.304

361.304

361.304

362.304

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

236.375

395.700

379.750

383.390

350.390

350.390

351.390

Rentevergoeding depotstelsel

   

7.000

7.000

5.000

5.000

5.000

               

Bekostiging

             

Proceskosten

3.749

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

Overige programma-uitgaven

1.737

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.945.139

2.972.664

2.829.467

2.749.466

2.683.989

2.647.459

2.647.717

waarvan uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

21.477

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

waarvan

             

Personele uitgaven

2.105.757

2.204.819

2.102.492

2.036.727

1.997.948

1.975.355

1.975.155

waarvan Eigen personeel

1.875.697

1.990.164

1.961.505

1.919.436

1.889.157

1.872.564

1.872.364

waarvan Inhuur externen

230.060

214.655

140.987

117.291

108.791

102.791

102.791

               

Materiële uitgaven

839.382

767.845

726.975

712.739

686.041

672.104

672.562

waarvan ICT

247.976

218.505

212.880

202.502

197.509

192.295

192.416

waarvan Bijdrage SSO's

228.255

230.236

208.640

198.973

189.279

184.672

185.009

               

Ontvangsten (3) + (4)

108.151.202

116.266.492

115.547.130

115.412.328

121.492.629

124.848.310

128.111.934

(3) Programma-ontvangsten

108.124.386

116.240.870

115.521.508

115.386.706

121.467.007

124.822.688

128.086.312

               

Belastingontvangsten

107.503.003

115.366.152

114.549.910

114.370.953

120.417.254

123.742.935

126.970.559

               

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

255.029

468.000

546.000

591.000

625.000

655.000

691.000

               

Boetes en schikkingen

             

Ontvangsten boetes en schikkingen

167.381

199.442

218.322

217.477

217.477

217.477

217.477

               

Bekostiging

             

Kosten vervolging

198.973

207.276

207.276

207.276

207.276

207.276

207.276

               

(4) Apparaatsontvangsten

26.816

25.622

25.622

25.622

25.622

25.622

25.622

D2. Budgetflexibiliteit

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De rente-uitgaven komen voort uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 en zijn voor 100% juridisch verplicht. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht. Verder valt onder dit budget een bijdrage aan de Waarderingskamer die 100% juridisch verplicht is op basis van Wet waardering onroerende zaken. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

E. Toelichting op de instrumenten

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De post rentevergoeding depotstelsel betreft tegoeden die in het kader van de Wet Keten Aansprakelijkheid worden afgedragen aan de Belastingdienst door onderaannemers ter verzekering dat belasting en sociale premies worden afgedragen. De opgebouwde rente in het depot moet worden vergoed aan de betreffende partij.

Bekostiging

Uitgaven: belastingplichtigen komen in aanmerking voor een proceskostenvergoeding, indien zij in het gelijk worden gesteld bij een bezwaar- of beroepsprocedure.

De overige programma-uitgaven bestaan onder andere uit een bijdrage aan de Waarderingskamer en de Douaneraad.

Ontvangsten: aan belastingschuldigen worden de kosten doorberekend van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van schikkingen.

De in de tabel budgettaire gevolgen opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto-ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het gemeentefonds en het provinciefonds op grond van de Financiële verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het btw-compensatiefonds en het BES-fonds.

In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2015 met het hoofdstuk IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Tabel aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2015 met begroting IX (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totale belastingontvangsten

129.796.709

138.318.161

145.707.872

145.463.482

150.985.108

154.004.810

157.084.906

Afdracht Gemeentefonds

– 17.989.155

– 18.741.505

– 27.272.721

– 27.036.042

– 26.507.998

– 26.317.719

– 26.174.831

Afdracht Provinciefonds

– 1.553.052

– 1.277.416

– 952.181

– 1.123.435

– 1.126.863

– 1.011.072

– 1.006.072

Afdracht BTW-Compensatiefonds

– 2.715.812

– 2.901.122

– 2.901.122

– 2.901.122

– 2.901.122

– 2.901.122

– 2.901.122

Afdracht BES- fonds

– 35.688

– 31.966

– 31.938

– 31.930

– 31.871

– 31.962

– 32.322

               

Belastingontvangsten IXB

107.503.003

115.366.152

114.549.910

114.370.953

120.417.254

123.742.935

126.970.559

Belastinguitgaven

Conform de conclusie van het kabinet naar aanleiding van de «beleidsdoorlichting evaluatie belastinguitgaven» (Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 6), worden de belastinguitgaven die onder verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Financiën in deze begroting weergegeven. Het zijn vooral fiscale faciliteiten die geen directe relatie hebben met een specifiek beleidsterrein van andere departementen.

Belastinguitgaven
 

Budgettair belang (mln. euro) in 2015

Doorschuiven inkomen aanmerkelijk belang bij aandelenfusie

97

Ouderentoeslag forfaitair rendement

97

Vrijstelling rechten op kapitaaluitkering bij overlijden forfaitair rendement

23

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaaluitkeringen

926

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

451

Giftenaftrek

385

Faciliteiten successiewet algemeen nut beogende instellingen (ANBI)

203

Omzetbelasting vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen en kerken

145

Omzetbelasting vrijstelling fondsenwerving

180

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting motorrijtuigen ouder dan 25 jaar

74

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting reinigingsdiensten

1

Apparaatsbudgetten

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst betreffen personeel (circa € 2,1 mld.) en materieel (circa € 0,7 mld.). Het apparaatsbudget betreft de uitvoeringskosten voor het primaire proces binnen de Belastingdienst en de ondersteuning daarvan. Het primaire proces omvat de bedrijfsonderdelen: Belastingen, Douane, Toeslagen, FIOD, BelastingTelefoon, Centrale Administratie en het Directoraat-Generaal Belastingdienst. De ondersteuning betreft: Centrum voor Kennis en Communicatie, Centrum voor Facilitaire Dienstverlening, het Centrum voor Applicatieontwikkeling en Onderhoud en het Centrum voor Infrastructuur en Exploitatie.

Onderstaand cirkeldiagram geeft een verdeling op hoofdlijnen (in %) van de inzet van personele capaciteit op de instrumenten dienstverlening, toezicht en opsporing en massale processen. De verdeling is op basis van de gerealiseerde formatie van de Belastingdienst in 2013.

Inzet capaciteit in %

Inzet capaciteit in %

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten ad € 25,3 mln. bestaan onder andere uit ontvangsten in verband met werkzaamheden die de Belastingdienst voor andere overheidsorganisaties uitvoert.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

In het wetsvoorstel Belastingplan 2015 zijn de belangrijkste fiscale wijzigingen neergelegd voor het komende begrotingsjaar. Voor een deel zijn dit de nog resterende fiscale maatregelen die voortvloeien uit het regeerakkoord en de zogenoemde Begrotingsafspraken 2014 10. Voorts wordt in het Belastingplan 2015 voorzien in een (forse) verhoging van de afbouwgrens van de arbeidskorting, een maatregel met een budgettair beslag van € 500 mln. die eraan bijdraagt dat werken meer loont. Daarnaast zijn daarin opgenomen een aantal maatregelen die bijdragen aan het streven om vereenvoudiging van het fiscale stelsel te bewerkstelligen, een en ander in lijn met de zogenoemde Brede agenda Belastingdienst 11, bijvoorbeeld de aanpassing van de belasting op leidingwater.

In het Energieakkoord is toegezegd om onderzoek te doen naar de vraag of het nodig en mogelijk is dat onder andere zakelijke kleinverbruikers ook gebruik kunnen maken van het verlaagd energiebelastingtarief voor lokale opwekking van duurzame energie of een vergelijkbare regeling. Daarnaast is tijdens de behandeling van het Belastingplan 2014 toegezegd om te komen met opties voor een afvalstoffenbelasting en om de knelpunten ten aanzien van de belasting op leidingwater in kaart te brengen. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke aanpassingen zijn onderdeel van het Belastingplan 2015.

In 2013 is de evaluatie van de Wet uitwerking Autobrief gestart die onderdeel zal uitmaken van Autobrief II. In deze brief zal, op basis van een analyse van de feitelijke ontwikkelingen voor de komende jaren, tevens een fiscale doorkijk worden gegeven voor de autogerelateerde belastingen voor de periode 2016 tot en met 2019. Eind 2014 zal een start worden gemaakt met het wetgevingstraject ter aanpassing van de verschillende autobelastingen; de inzet is om het parlementaire traject in 2015 af te ronden.

Ook in 2015 zal worden onderhandeld over nieuwe belastingverdragen en zullen bestaande verdragen worden heronderhandeld.

F2. Belastingdienst

De Belastingdienst streeft na het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat een optimaal effect wordt bereikt op de compliance, het bereidwillig naleven door belastingplichtigen van de fiscale regels. Het uitgangspunt daarbij is dat elke burger en elk bedrijf de behandeling krijgt die hij verdient.

In lijn met de voornemens van de Brede agenda 12 is de Belastingdienst gestart met een herziening van het totaal aan prestatie-indicatoren, met als doel beter zicht te geven op de prestaties van de Belastingdienst en verantwoording af te leggen. Hiertoe is een commissie ingesteld onder leiding van een externe voorzitter.

Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Passende dienstverlening zorgt ervoor dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten kunnen verwezenlijken. De Belastingdienst streeft er naar te voldoen aan de verwachtingen van burgers en bedrijven ten aanzien van snelle en klantgerichte dienstverlening. Hiervoor worden voortdurend nieuwe maatregelen en nieuwe technologie ingezet:

Uitbreiding vooringevulde aangifte en online aangifte voorziening

Steeds meer belastingplichtigen kiezen voor de digitale aangifte. Voor ondernemers is de score nagenoeg 100%, voor particulieren steeg deze van 95% in 2012 naar 96% in 2013. Eén van de maatregelen om de aangifte makkelijker te maken is de vooringevulde aangifte (VIA) waarmee burgers gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn elektronisch bij de Belastingdienst ophalen. Zij hoeven de gegevens alleen nog te controleren. Het aantal mensen dat gebruik maakt van deze service steeg van 4,1 miljoen in 2012 naar 6,2 miljoen in 2014. Dit heeft geleid tot een sterke daling van het aantal aangiften op papier.

VIA downloads

VIA downloads

Het streven is om in 2015 aan de vooringevulde aangifte 2014 de gegevens van kapitaalverzekering box 3 en waardedepots box 3 toe te voegen. Voor burgers wordt naast de huidige manier van aangifte doen (via het downloaden van een aangifteprogramma op de eigen pc van de burger) een online aangifte ontwikkeld. Met de online aangifte kan de belastingplichtige plaats- en tijdonafhankelijk zijn aangifte invullen.

Mijnbelastingdienst.nl

In 2015 wordt de mogelijkheid gebruik te maken van het digitale kanaal uitgebreid met het nieuwe webportal MijnBelastingdienst. Daarmee wordt burgers geleidelijk steeds meer inzicht gegeven in de stand van hun aangiften, aanvragen, betalingen etc. Het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen wordt vanaf eind 2014 gepubliceerd op MijnOverheid.

Uitbreiding Standard Business Reporting

In 2015 en 2016 vindt uitbreiding plaats van Standard Business Reporting (SBR) 13 naar alle inkomende en uitgaande informatiestromen tussen fiscaal dienstverleners en (grote) ondernemingen en de Belastingdienst.

Berichtenbox

Eind 2014 wordt ook begonnen met elektronische aanslagen Inkomensheffing, eerst ook nog op papier, maar in de loop van 2015 alleen elektronisch. Een wettelijke regeling voor verplicht elektronisch verkeer is in behandeling in de Tweede Kamer.

Verdere digitalisering maakt het mogelijk op wat langere termijn de taak van de Belastingtelefoon te veranderen: wanneer het antwoord op statusvragen steeds vaker kan worden gevonden in de portalen (mijntoeslagen, mijnbelastingdienst) komt er bij de Belastingtelefoon capaciteit vrij zodat het van call center naar een servicecenter ontwikkelt. De activiteiten zullen dan meer gericht kunnen zijn op de individuele burger of het individuele bedrijf met een specifieke vraag om informatie in plaats van algemene statusvragen. De Belastingtelefoon zal ook telefonisch contact op gaan nemen met belastingplichtigen.

Meetbare gegevens 14

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012 (%)

Waarde 2013 (%)

Streefwaarde 2014 (%)

Streefwaarde 2015 (%)

Bereikbaarheid Belastingtelefoon

82

79

80–85

80–85

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen Belastingtelefoon (extern gemeten)

86

86

80–85

80–85

Afgehandelde bezwaren binnen AWB-termijn

94

94

95–100

90–95

Afgehandelde klachten binnen AWB-termijn

95

96

98–100

90–95

Klanttevredenheid

       
 

Internet

90

90

80–90

80–90

 

Balie

89

76

80–90

80–90

 

Telefonie

       
   

– Algemeen

81

82

70–80

70–80

   

– Intermediairs

87

82

80–90

80–90

Toelichting

  • Bereikbaarheid.

    Bij de Belastingtelefoon wordt continu gemeten welke activiteiten nodig zijn om de doelstellingen op het gebied van bereikbaarheid en kwaliteit te realiseren binnen de daarvoor beschikbare middelen. Zodra de afhandeling van bijvoorbeeld eerstelijnsgesprekken (voor statusvragen etc.) achterblijven bij de norm worden tweedelijns medewerkers ingezet om eerstelijnsgesprekken af te handelen, mits hiervoor capaciteit beschikbaar is binnen de tweedelijn. De bereikbaarheidsnorm geeft het percentage weer van het aantal bellers dat verbinding heeft gekregen met de BelastingTelefoon. De doelstelling van 80–85% geldt als gemiddelde jaardoelstelling.

  • Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BelastingTelefoon.

    Externe bureaus meten of de fiscaal juiste antwoorden worden gegeven. Een klein deel van de vragen heeft het karakter van individuele belastingadviezen. De BelastingTelefoon zal dat soort vragen niet meer beantwoorden. Betrokkenen krijgen voortaan het advies zich tot een fiscaal dienstverlener te wenden.

  • Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn.

    Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen daartegen bezwaar maken door een bezwaarschrift in te dienen bij de Belastingdienst. Na centrale registratie worden de bezwaarschriften aan de belastingkantoren overgedragen. Daar worden de bezwaarschriften door gespecialiseerde medewerkers op zwaarte beoordeeld. De bezwaren worden ingedeeld in categorieën:

    • het bezwaar kan worden gevolgd;

    • er moeten enkele eenvoudige aspecten worden bekeken;

    • er dient intensieve beoordeling plaats te vinden.

    Bezwaarschriften moeten worden behandeld binnen 6 weken, de termijn van de AWB. Als niet binnen zes weken uitspraak kan worden gedaan, kan de Belastingdienst de termijn met hoogstens zes weken verdagen. In overleg met de belastingplichtige is verder uitstel mogelijk als deze daarmee instemt. Mocht de belanghebbende niet instemmen met een langere afhandelingstermijn, dan zal uitspraak gedaan moeten worden op het bezwaarschrift. Voor de streefwaarde van de prestatie-indicator is gekozen is voor een marge die lager ligt dan in voorgaande begrotingen. Gelet op de omvang van het aantal bezwaarschriften en het gegeven dat steeds vaker massaal bezwaar wordt ingediend is de norm van voorgaande jaren (95–100%) in de praktijk niet haalbaar. Het bezwarenproces van Belastingen kent de nodige piekmomenten gedurende het jaar. Het bezwaarproces wordt geconcentreerd op een aantal locaties in het land om de bezwaren beter en sneller af te handelen.

  • Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn.

    Burgers en bedrijven kunnen bij de Belastingdienst een klacht indienen over gedragingen van belastingdienstmedewerkers. Voor klachten gelden dezelfde zeswekelijkse termijnen voor afdoening als voor bezwaren. Ook voor klachten blijkt dat het in de praktijk veel inspanning vraagt om de norm te halen. Om die reden wordt, net als bij bezwaren, de norm neerwaarts bijgesteld.

  • Klanttevredenheid.

    De klanttevredenheid over het internet, de balie en de telefonie wordt gemeten onder ondernemers, particuliere belastingplichtigen, toeslaggerechtigden en douaneklanten die de laatste 12 maanden gebruik hebben gemaakt van deze voorzieningen. Jaarlijks worden de uitkomsten voor alle dienstverleningskanalen gepubliceerd in de Fiscale Monitor.

Handhaving

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Belastingen

De Belastingdienst streeft na het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat een optimaal effect wordt bereikt op de compliance, het bereidwillig naleven door belastingplichtigen van de fiscale regels. Op basis van kennis over het gedrag van belastingplichtigen, zet de Belastingdienst de handhavingsinstrumenten in die het meest bijdragen aan de compliance. Dit wordt handhavingsregie genoemd.

Index volume belastingplichtigen vs. bezetting (jaar 2000 = 100)

Index volume belastingplichtigen vs. bezetting (jaar 2000 					 = 100)

Elk jaar verwerkt de Belastingdienst tientallen miljoenen aangiften met een bezetting die de afgelopen 15 jaar is gedaald. Tegelijkertijd zijn het aantal belastingplichtige particulieren en ondernemers fors gestegen. Deze toename is opgevangen door efficiencyslagen en ontwikkelingen in de ICT. In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling van de volumina afgezet tegen de bezetting van de Belastingdienst en de apparaatsuitgaven.

Intensivering toezicht

De Belastingdienst intensiveert het toezicht en de invordering met speciaal daarvoor gekregen extra middelen. Bij brief van 10 december 2012 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Kamer 15 zijn maatregelen aangekondigd om het verticaal toezicht te intensiveren. Deze maatregelen betreffen onder meer de versnelling van de aanslagregeling particulieren, het doen van meer boekenonderzoeken, uitvoering van meer controles voor de omzetbelasting en het realiseren van extra invorderingen. De investering leidt tot extra in te zetten capaciteit van structureel 1.700 fte.

Meeropbrengsten, uitvoeringskosten en personele inzet (bedragen x € 1 mln.)
 

2013 (realisatie)

2014

2015

2016

2017

Structureel

Investering

88

169

157

157

157

157

Opbrengsten

250

533

533

566

623

663

Bron: regeerakkoord kabinet Rutte II

Segmenten

Voor de handhaving verdeelt de Belastingdienst belastingplichtigen op basis van hun karakteristieken in drie segmenten: Particulieren, Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en Grote Ondernemingen. De Belastingdienst maakt verder onderscheid in individuele en groepsgewijze klantbehandeling. In het segment Grote Ondernemingen vindt individuele klantbehandeling plaats. Voor de segmenten Particulieren en MKB is gegeven de omvang van deze segmenten sprake van groepsgewijze klantbehandeling.

Particulieren

Voor Particulieren zet de Belastingdienst in op het voorkomen van nalevingstekorten in plaats van het corrigeren daarvan. Zo wordt handhavingscommunicatie steeds meer ingezet, om belastingplichtigen vooraf te attenderen op voor hen fiscale relevante informatie, met als doel dat een steeds groter deel van de aangiften in één keer correct wordt gedaan én daarmee het nalevingstekort vermindert. Waar mogelijk krijgt een belastingplichtige enkele weken na indienen van zijn aangifte een definitieve aanslag.

Het merendeel van de belastingplichtigen is in staat zelf aangifte te doen. Er is echter ook een categorie die niet zelfredzaam is. De Belastingdienst biedt ondersteuning voor deze groep door middel van hulp bij aangifte en door facilitaire ondersteuning van vak- en ouderenbonden en sociaal intermediairs, die op hun beurt de belastingplichtigen kunnen helpen.

MKB

In de afgelopen periode is de samenstelling van het MKB-bestand van 1,6 miljoen ondernemers geanalyseerd en ingedeeld naar rato van fiscaal belang en fiscaal risico. Dit heeft geleid tot een opdeling van het segment in twee subsegmenten, namelijk «Middenbedrijf» en «Kleinbedrijf». Bij het Middenbedrijf zal steeds meer sprake zijn van een integrale aanpak, gericht op meerdere belastingmiddelen (inkomensheffing, loonheffingen, omzetbelasting, vennootschapsbelasting) en meerdere processen (heffing, controle en inning). In het Kleinbedrijf wordt de handhavingscapaciteit vanwege het meer massale karakter benut voor service via internet, monitoring met behulp van intelligence en een stevige aanpak van malafide ondernemers. Goedwillende en compliante bedrijven zullen hierdoor minder of ander toezicht ervaren dan de minder compliante bedrijven.

Grote ondernemingen

De Belastingdienst wil de mate waarin grote organisaties vrijwillig hun verplichtingen nakomen, vergroten door versterking van de eigen verantwoordelijkheid o.a. door een goede fiscale beheersing, transparantie en fiscale strategie. De handhavingsstrategie van het segment Grote Ondernemingen kenmerkt zich door individuele klantbehandeling. Per organisatie wordt een strategisch behandelplan (SBP) gemaakt. Vertrouwen in de grote organisaties dat gerechtvaardigd is gebleken, leidt tot minder (intensief) toezicht. Wanneer vertrouwen wordt geschonden, scherpt de Belastingdienst het toezicht aan.

Meetbare gegevens 16

Prestatie-indicator
 

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht met een individueel convenant 1

n.v.t.

3.000 – 3.500

1.750 – 2.000

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

89.000

75.000–100.000

75.000–100.000

Aantallen behandelde aangiften Vpb

n.v.t.

29.000 – 37.000

29.000 – 37.000

Aantallen boekenonderzoeken

n.v.t.

35.750 – 38.750

35.750 – 38.750

X Noot
1

De prestatie-indicator is ten opzichte van de begroting 2014 gewijzigd om aansluiting te behouden met de vernieuwde leidraad toezicht voor Grote Ondernemingen. Hierbij is de samenwerking met een onderneming gericht op het afsluiten van een individueel convenant. Voorheen werden bij de prestatie-indicator ook de ondernemingen meegeteld die de eerste stappen van het horizontaal toezichtstraject doorliepen.

Toelichting

Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal met een individueel convenant.

De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling in het segment Grote Ondernemingen op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten middels horizontaal toezicht. Met organisaties die participeren in horizontaal toezicht, worden afspraken gemaakt over wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie. Die afspraken worden vastgelegd in een convenant. In het convenant verbinden beide partijen zich om te werken op basis van begrip, transparantie en vertrouwen. De streefwaarde voor de prestatie-indicator is ten opzichte van 2014 lager omdat het in 2015 gaat om de groep ondernemingen die alle stappen van het horizontaal toezichtstraject doorlopen hebben, waarna een convenant wordt afgesloten.

Het HT-traject begint met een interne klantoriëntatie door de Belastingdienst, gevolgd door het HT-gesprek, de zogeheten complianceverkenning, en de stappen analyse respectievelijk versterking fiscale beheersing en monitoring. Het uitvoeren van de bij de verschillende stappen behorende werkzaamheden levert de Belastingdienst actuele informatie op over de fiscale strategie, de fiscale beheersing en de transparantie van organisaties. Deze kennis stelt de Belastingdienst in staat zijn toezicht aan te passen en alleen die activiteiten uit te voeren die nodig zijn om de horizontalisering te valideren.

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

De Belastingdienst richt zich bij groepsgewijze klantbehandeling in het segment MKB onder meer op de klantbehandeling via intermediairs. Dit zijn fiscale dienstverleners als belastingadviseurs en administratiekantoren. Het doel is om horizontaal toezicht zo vorm te geven dat de samenwerking met fiscale dienstverleners leidt tot een aanvaardbare aangifte en meer zekerheid voor de ondernemer. In de convenanten met fiscale dienstverleners worden afspraken gemaakt over de kwaliteitsborging door de fiscale dienstverlener van de aangiften van hun klanten.

Aantallen behandelde aangiften inkomensheffing, vennootschapsbelasting en boekenonderzoeken

De Belastingdienst hanteert een werkwijze van aangiftebehandeling en boekenonderzoeken waarbij het financiële belang van de risico’s een belangrijk uitgangspunt is. Dit betekent dat van jaar tot jaar bezien wordt op welke (risicovolle) posten en met welke intensiteit de Belastingdienst zijn capaciteit inzet. Het toezicht op het volledig en juist doen van aangifte uit zich in de aangiftebehandeling. Jaarlijks wordt een set van selectieregels vastgesteld met behulp waarvan geautomatiseerd aangiften worden uitgeworpen, waarop toezicht plaatsvindt. Boekenonderzoeken zijn specifiek gericht op de controle van aangiften om de juistheid van gegevens zo snel en zo actueel mogelijk vast te stellen.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Tijdigheid aangiften:

       

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

69%

70%

50–60%

50–60%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

90%

93%

90–95%

90–95%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

74%

77%

65–75%

65–75%

Toelichting

Tijdigheid aangifte.

Een gedeelte van de burgers en bedrijven doet niet of niet altijd tijdig hun aangifte. In 2015 continueert de Belastingdienst het beleid gericht op het tijdig ontvangen van deze aangiften door zo snel mogelijk contact op te nemen met de belastingplichtigen die in gebreke blijven. De Belastingdienst legt ambtshalve aanslagen en/of boetes op aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

Handhaving Toeslagen

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het correct, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van het juiste bedrag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen. Streven is dienstverlening en toezicht steeds beter te differentiëren op grond van het gedrag van individuele toeslagaanvragers. Toeslaggerechtigden die nog niet bij de dienst bekend zijn, zullen vaker langer moeten wachten op hun voorschot. Zij moeten eerst aanvullende informatie verschaffen waaruit hun recht blijkt.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Rechtmatige toekenning van toeslagen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau

Het aantal terug te betalen bedragen onder € 500 1 als percentage van het totale aantal terugbetalingen in een gegeven toeslagjaar

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

91%

X Noot
1

Voor kinderopvangtoeslag wordt een grens van € 1.000,– aangehouden. Bij de toekenningen van kinderopvangtoeslag gaat het veelal om hogere bedragen dan bij andere toeslagen.

Toelichting

Rechtmatige toekenning van toeslagen

Deze nieuwe prestatie-indicator vervangt de prestatie-indicator «toezicht op toeslagen wordt volgens plan uitgevoerd» uit de begroting 2014. Belastingdienst Toeslagen streeft naar een rechtmatige toekenning van toeslagen. Voor het rapporteren van fouten en onzekerheden gelden kwantitatieve rapportagegrenzen op artikelniveau die jaarlijks in de Rijksbegrotingsvoorschriften worden vastgelegd. Het streven is dat de score van fouten en onzekerheden onder deze grenzen ligt. Voor de intensivering van het toezicht op toeslagen heeft de Belastingdienst per 1 januari 2014 structureel € 25 mln. extra ontvangen om met ICT-aanpassingen en met 205 extra fte’s onrechtmatige toeslaguitgaven te verminderen.

Terug te betalen bedragen zoveel mogelijk beperken

De Belastingdienst streeft er naar het ontstaan van terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen zoveel mogelijk te beperken tot bedragen die inherent zijn aan de systematiek van de inkomensafhankelijke regelingen. Als kwantitatieve indicator wordt gebruikt: het aantal terug te betalen bedragen ≤ € 500 bij definitief toekennen (kinderopvangtoeslag: ≤ € 1.000 17), als percentage van de totale hoeveelheid definitief toekennen. Als startjaar voor de meting wordt het toeslagjaar 2009 aangehouden omdat voor dat jaar het proces van definitief toekennen zo goed als klaar is (kinderopvangtoeslag 94%, huurtoeslag 82%, zorgtoeslag 94%, kindgebonden budget 87%). 18

Handhaving Douane

Het toezicht bij de Douane is gericht op goederen die via Nederland de Europese Unie (EU) binnenkomen of verlaten. Hiermee draagt de Douane bij aan een veilig en gezond Europa. Gelijktijdig worden ook Europese (en Nederlandse) fiscale en economische belangen bewaakt. Daarbij wordt zoveel mogelijk samengewerkt met het bedrijfsleven en andere handhavingspartners, al dan niet in internationaal verband. Bij het toezicht hanteert de Douane een risicogerichte aanpak en wordt op basis daarvan de meest passende toezichtsvorm of mix van toezichtsvormen gekozen. De Douane zet daarbij verschillende – technologische – hulpmiddelen in, waaronder scan- en detectieapparatuur. De toezichtsvormen verschillen naar aard en intensiteit. Zo kent de Douane:

  • toezicht op (grensoverschrijdende) vervoersstromen, waarbij gebruik wordt gemaakt van aangiften, leidend tot risicogerichte selectie en controle van zendingen, vervoermiddelen, containers, etc.;

  • toezicht op gebieden, langs de buitengrens (lucht en zee), waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van radarbeelden, surveillance en cameratoezicht;

  • systeemtoezicht bij vergunninghouders en gecertificeerde bedrijven, waarbij het gaat om controles, gericht op het functioneren van bedrijfseigen controlemechanismen en kwaliteit- en veiligheidsystemen.

Het beleid van de Douane is erop gericht het overgrote deel van de goederenstroom met deze vormen van toezicht af te dekken. Om de efficiëntie van de logistieke keten te vergroten wordt er samen met de andere inspectiediensten toegewerkt naar één controlemoment.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Controles op de goederenstroom

352.000

338.300

295.000- 365.000

295.000–365.000

Gecertificeerde goederenstromen

85%

91%

> 85%

> 85%

Controles op passagiersvluchten

13.100

13.600

12.000 – 15.000

12.000–15.000

Toelichting

Controles op de goederenstromen 19

De Douane voert controles uit op de reguliere goederenstroom (vracht en post). Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles.

Gecertificeerde goederenstromen

De prestatie-indicator geeft aan welk deel van de reguliere goederenstroom (in- en uitvoer) betrekking heeft op Authorised Economic Operators (AEO).

Controles op passagiersvluchten

De Douane gaat bij de controle van passagiersvluchten uit van een gradatie in risico’s op vluchtniveau, met bijbehorende controledichtheid en inzet van handhavingsmiddelen. Die controledichtheid varieert van 100% (de hoog-risicovluchten) tot 5% (de laag-risicovluchten). Bij de hierbij ingezette handhavingsmiddelen moet gedacht worden aan profiling, fysieke controles op passagiers, inzet van speurhonden en security-scans.

Handhaving FIOD

De FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegengaan van fiscale, financiële en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en in- en export), witwasbestrijding, het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en de bestrijding van de financiële georganiseerde criminaliteit.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie (%)

84%

85%

82–85%

82–85%

Toelichting

De Belastingdienst geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken die zowel financieel als anderszins maatschappelijk van voldoende gewicht zijn. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

Inning

Inning is de laatste schakel in het fiscale proces. In 2013 inde de Belastingdienst 98,1% van de verschuldigde belastingen zonder inzet van dwangmaatregelen.

Invordering

Een gedeelte van de belastingontvangsten (1,9% wordt niet of niet tijdig ontvangen. De Belastingdienst neemt invorderingsmaatregelen om achterstallige vorderingen alsnog te innen. Het beleid van invordering is er op gericht zo actueel mogelijk te zijn om te voorkomen dat vorderingen oud worden en dwangmaatregelen moeten worden getroffen. Niet-compliante ondernemers en particulieren krijgen te maken met intensieve invorderingsmaatregelen wanneer zij volharden in het niet betalen van schulden. Een klein deel van de vorderingen (0,8%) blijkt uiteindelijk oninbaar te zijn. Dit percentage is al jaren stabiel.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Achterstand invordering

2%

2%

2,5%–3,0%

2,5%–3,0%

Toelichting

Achterstand invordering

De stand invordering is het bedrag van de betalingsachterstand (de openstaande vorderingen waarvan de betalingstermijn is verstreken en waartegen geen bezwaar is ingediend) uitgedrukt in een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten en betreft de belastingmiddelen inkomensheffing/Zorgverzekeringswet, loonheffingen, motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Het is een kengetal voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt een grens van maximaal 3% aan de betalingsachterstand bij invordering om te bewaken dat tijdig maatregelen in gang worden gezet als de achterstand oploopt.

Versterking invordering

In het Regeerakkoord Rutte-Asscher heeft het kabinet middelen vrijgespeeld om de het toezicht en de invordering door de Belastingdienst te intensiveren. 20 Specifiek op het gebied van de invordering zijn de volgende maatregelen aangekondigd ter intensivering:

  • Ruim 100 extra medewerkers voor de complexe en arbeidsintensieve invordering.

  • Ook de kleine, relatief eenvoudig te innen vorderingen extra aandacht geven.

Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

De Belastingdienst zorgt dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden de juiste berichten ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit.

Prestatie-indicator
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Postzendingen zonder fouten

100%

99%

>99%

>99%

Toelichting

Postzendingen zonder fouten

De indicator betreft het percentage poststukken dat zonder (inhoudelijke) fouten is verzonden. 100% foutloos is voor een organisatie die veelvuldig communiceert met ruim tien miljoen onderling zeer verschillende burgers en bedrijven praktisch onhaalbaar. De aandacht van de Belastingdienst is gericht op opsporing van kwetsbaarheden, vroegtijdige signalering van fouten en herstel van fouten, en een goede communicatie daarover.

ICT vernieuwing

De Belastingdienst maakt bij zijn werkzaamheden veel gebruik van ICT toepassingen, waarmee de verschillende bedrijfsprocessen op een snelle en efficiënte wijze worden uitgevoerd. Voor burgers en bedrijven betekent dit dat zij sneller zekerheid krijgen over hun fiscale positie. In de brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecretaris van Financiën van 19 mei 2014 21 is aangekondigd dat de Belastingdienst zijn massale processen robuuster gaat maken.

3.2 Artikel 2: Financiële Markten

A. Algemene doelstelling

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, waarin financiële instellingen betrouwbare diensten verlenen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De Minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten, de institutionele structuur van het toezicht, en voor de besluitvorming over eventuele besteding van publieke middelen bij een crisis. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het gaat hierbij om (het toezicht op) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C. Beleidswijzigingen

De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat een hervorming van de wet- en regelgeving in de financiële sector noodzakelijk is. In de G20, het Bazels Comité voor bankentoezicht en in Europa zijn hiertoe een grote hoeveelheid voorstellen gedaan, die grotendeels door middel van richtlijnen in nationale regelgeving zijn en worden geïmplementeerd. In de beleidsagenda is aangegeven hoe de Europese Bankenunie, met beter afwikkelbare banken, wordt vormgegeven. De hervormingen van de financiële sector moeten leiden tot een robuuste financiële sector die solide, verantwoordelijk en transparant is. Via een jaarlijks te sturen brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het verloop van de hervormingen en de veranderingen die op het terrein van wet- en regelgeving zijn te verwachten.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

– 7.291.534

– 8.316.172

21.500

20.604

18.859

18.856

18.858

waarvan garantieverplichtingen

             

Garantieregeling bancaire leningen

– 7.349.358

– 8.381.164

         
               

Uitgaven

60.866

64.992

21.500

20.605

18.858

18.855

18.858

waarvan juridisch verplicht

   

60%

       
               

Subsidies

             

Geldmuseum

1.500

           

CDFD

1.370

7.809

4.642

3.724

3.207

3.204

3.207

               

Bekostiging

             

Rechtspraak Financiële Markten

1.092

1.072

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Muntcirculatie

10.895

12.385

12.385

12.385

11.185

11.185

11.185

Afname munten in circulatie

             

Overig

216

50

140

140

140

140

140

               

Opdrachten

             

Wijzer in geldzaken

1.212

1.760

270

270

270

270

270

               

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

             

Bijdrage toezicht AFM

20.500

20.652

400

400

400

400

400

Waarvan BES en FEC

 

400

400

400

400

400

400

Bijdrage toezicht DNB

23.701

20.864

2.013

2.036

2.006

2.006

2.006

Waarvan BES en FEC

 

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

             

Caribean Financial Action Taskforce

 

20

20

20

20

20

20

IASB

380

380

380

380

380

380

380

               

Ontvangsten

362.270

738.044

12.515

10.678

10.071

9.891

8.691

               

Garanties

             

feeopbrengsten gar. banc. leningen

164.972

99.636

         
               

Leningen

             

Ontvangsten IJsland

77.107

623.000

         
               

Bekostiging

             

ontvangsten muntwezen

12.647

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

toename munten in circulatie

62.804

           
               

Overig

44.740

10.224

7.331

5.494

4.887

4.707

3.507

D2. Budgetflexibiliteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is beperkt. Een aanzienlijk deel van de uitgaven bestond uit de bijdragen van het Ministerie van Financiën aan de AFM en DNB voor de kosten van het toezicht. Deze bijdragen worden per 1 januari 2015 afgeschaft. De afschaffing van de overheidsbijdrage is verwerkt in het voorstel tot wijziging van de Wet bekostiging financieel toezicht.

Van de resterende uitgaven betreft een groot deel de muntcirculatie. De muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de productie van munten en een vergoeding van de kosten gemaakt door het Nationaal Analysecentrum voor Munten. Deze uitgaven zijn juridisch verplicht. De overige uitgaven zijn beleidsmatig gereserveerd en zijn nodig voor de aankoop van metaal voor reguliere circulatiemunten en bijzondere munten, alsmede het ontwerp.

E. Toelichting op de instrumenten

Subsidies

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) ondersteunt en adviseert de Minister van Financiën over de uitvoering van de regels met betrekking tot vakbekwaamheid van financiële dienstverleners zoals deze zijn neergelegd in de Wet financieel toezicht (Wft) en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Het CDFD heeft onder andere als taak het adviseren van de Minister bij het vaststellen van toets- en eindtermen en het erkennen van exameninstituten. Voor de uitvoering van deze taken ontvangt het CDFD subsidie. De subsidie wordt echter formeel verleend aan de stichting Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) en wordt door het CAOP doorbetaald aan het CDFD.

Bekostiging

Rechtspraak Financiële Markten (accountantskamer)

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Aldus wordt bijgedragen aan het (herstel van) vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening van accountants.

Muntcirculatie

Muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de muntproductie en de vergoeding van de kosten van het Nationaal Analysecentrum voor Munten. De muntproductie in de jaren 2015 en verder is afhankelijk van de ontwikkelingen in de muntvraag.

Afname munten in circulatie

Het in omloop brengen van reguliere euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Wanneer er meer munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, neemt het aantal munten in circulatie toe. Deze toename leidt tot een netto ontvangst omdat de nominale waarde van de munten wordt ontvangen door de Staat. Wanneer er minder munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, leidt dit tot een afname van munten in circulatie en tot een netto uitgave, omdat de nominale waarde wordt terugbetaald. De realisaties van voorgaande jaren laten een wisselend beeld zien met zowel positieve als negatieve resultaten. Om deze reden wordt een stelpost van nul opgenomen voor zowel de ontvangsten als de uitgaven aan munten in circulatie.

Overig

Deze post is een verzameling van kleine instrumenten. In 2015 worden er middelen ingezet voor de Commissie verzekeraars. Deze commissie zal onderzoeken hoe de verzekeringssector zijn maatschappelijke rol toekomstbestendig kan vervullen. Deze rol bestaat onder meer uit het spreiden en beheersbaar maken van risico’s en het verzorgen van langetermijninvesteringen in de economie.

Opdrachten

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken zet zich in voor het bevorderen van verantwoord financieel gedrag in Nederland. Uitgangspunt voor de begroting van Wijzer in geldzaken is dat het Ministerie van Financiën samen met een aantal partijen uit de sector het platform financiert.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Bijdrage AFM en DNB

De bijdrage toezicht AFM en DNB komt per 2015 te vervallen; alleen een bijdrage voor toezicht op de BES-eilanden en het FEC resteert.

Bijdrage internationale organisaties

Hieronder vallen de jaarlijkse contributie aan de International Accounting Standards Board, alsmede de bijdrage in de kosten van de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF). De CFATF is een regionale organisatie in het Caribische gebied die witwassen en het financieren van terrorisme bestrijdt.

Ontvangsten

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de uitgifte van bijzondere euromunten, de afdracht van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Staat van de totale nominale waarde van uitgegeven muntsets, de bijzondere euromunten en van royalty's. Royalty's zijn vergoedingen die de Staat ontvangt voor dukaten die KNM produceert en verkoopt. De ontvangsten muntwezen hebben tevens betrekking op verkocht metaalschroot.

3.3 Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, politiek belangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek- private investeringen in Nederland. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten van politiek belang die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn Design-Build-Finance-Maintain-(Operate) [DBFM(O)] projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O) beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • zwaarwegende en/of principiële beslissingen (o.a. exit strategie en beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI).

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code voor zijn rol als aandeelhouder in staatsdeelnemingen;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van businesscases, sourcing en risicomanagement;

  • kennis van financieringsmarkten en -instrumenten ten behoeve van vernieuwende financieringsvormen zoals fondsen en publiek-private investeringsprojecten;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van Financiën;

  • PPS-code: de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten. Deze beheercode is nader uitgewerkt in een aantal specifieke toezichtsafspraken op het gebied van huisvesting en infrastructuur;

  • wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

C. Beleidswijzigingen

NLFI zal in 2015, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Financiën, de exit strategie voor de verschillende financiële instellingen (ASR, ABN AMRO en SNS REAAL) verder uitvoeren. Een nadere toelichting op dit onderdeel is beschreven in de beleidsagenda.

In 2015 staat de verdere «uitrol» van het nieuwe beleid uit de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 op de agenda. In de Nota is onder meer uiteengezet welke toegevoegde waarde het kabinet ziet in het staatsaandeelhouderschap bij de borging van publieke belangen. Daarnaast wordt beschreven op welke wijze de Staat als aandeelhouder zijn rol invult op het gebied van strategie, doelmatigheid en rendement, vermogenspositie, investeringen, benoemingen en beloningsbeleid. In 2014 is al met de uitrol van het nieuwe beleid begonnen. In 2015 wordt een verdere invulling aan het nader uitwerken en vastleggen van dit beleid in samenwerking met de deelnemingen gegeven. Het kabinet vindt het wenselijk om periodiek te evalueren of het aandeelhouderschap als aanvullend borgingsinstrument, naast wet- en regelgeving en toezicht, nog steeds toegevoegde waarde heeft en daarmee wenselijk is. Jaarlijks worden een aantal deelnemingen onderworpen aan een evaluatie zodat alle deelnemingen iedere zeven jaar ten minste eenmaal zijn geëvalueerd.

Op het gebied van DBFM(O) zal de Minister van Financiën in het licht van de aanbevelingen van de Rekenkamer 22 meer aandacht geven aan de performance van projecten in de exploitatiefase. Dit zal gebeuren door middel van het verbeteren van het contractmanagement.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

13.595.835

86.098

19.314

19.315

19.315

19.315

19.315

waarvan garantieverplichting:

             

Garanties en vrijwaringen Staatsdeelnemingen

– 387

           

Regeling BF

– 13.025

           

Garantie SNS

4.166.410

           

Garantie DNB

5.700.000

           
               

Uitgaven

8.674.220

2.808.109

19.314

19.315

19.315

19.315

19.315

waarvan juridisch verplicht

   

97%

       
               

Financiering

             

Kapitaalinjectie SNS

2.200.000

           

Kapitaalinjectie SNS Property Finance

500.000

           
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI

5.250

17.100

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Lening

             

Uitgaven IABF

4.853.378

2.778.475

         

Overbruggingskrediet SNS

1.100.000

           
               

Garantie

             

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Overig

581

50

100

100

100

100

100

               

Opdrachten

             

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

10.211

7.684

4.414

4.415

4.415

4.415

4.415

               

Ontvangsten

9.603.301

7.773.171

2.929.491

1.230.050

1.110.050

1.033.050

949.050

               

Vermogensonttrekking

             

Dividend staatsdeelnemingen

606.876

645.000

530.000

640.000

635.000

650.000

640.000

Winstafdracht DNB

1.974.773

1.118.638

864.000

486.000

361.000

269.000

195.000

waarvan Griekse inkomsten ANFA

43.882

34.623

44.000

44.000

44.000

33.000

0

Waarvan Griekse inkomsten SMP

163.852

134.897

104.000

74.000

59.000

50.000

41.000

Afdrachten Holland Casino

0

0

0

0

10.000

10.000

10.000

Afdrachten Staatsloterij

82.910

90.000

90.000

90.000

90.000

90.000

90.000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

131.965

           

Dividend financiële instellingen

488.400

400.000

400.000

       

Rijksbijdrage Landwinning Havenbedrijf Rotterdam

295.482

           
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI

4.134

15.409

9.250

9.250

9.250

9.250

9.250

               

Leningen

             

Ontvangsten IABF

4.853.378

4.232.925

         

Rente SNS krediet

6.898

6.669

         

Coupon SNS krediet

 

61.318

484

       

Aflossing kapitaalversterkingen ING, Aegon en SNS Reaal

750.000

816.667

683.333

       

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

375.000

347.015

341.183

       
               

Garantie

             

Regeling BF

278

           

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Premie-inkomsten counter indemnity

25.555

25.555

6.441

       
               

Opdrachten

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

2.852

9.175

         

D2. Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan RWT

Betreft een bijdrage aan NLFI, dit is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door de Minister van Financiën goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. De begroting NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Garantie

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met TenneT. De verplichting loopt door tot 2020.

Opdrachten

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze advieskosten worden ieder jaar geraamd op basis van de verwachte inhuur. Een deel van de contracten wordt in de loop van het begrotingsjaar gesloten waardoor op voorhand geen exacte inschatting is te maken van de mate waarin het budget juridisch verplicht is of wordt.

E. Toelichting op de instrumenten

Bijdrage aan RWT

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI) – een rechtspersoon met een wettelijke taak – is in juli 2011 opgericht. De nettokosten om uitvoering te geven aan deze wettelijke taak zijn € 0,75 mln. over 2015 (€ 10 mln. uitgaven minus € 9,25 mln. ontvangsten).

Vermogensonttrekking

De geraamde bedragen zijn dividenden en winstafdrachten die zien op de reguliere staatsdeelnemingen zoals Holland Casino, de NS, Schiphol en de tijdelijke financiële deelnemingen (ABN AMRO, ASR, RFS en SNS REAAL).

Leningen

Kapitaalversterking

In 2015 betaalt ING € 1,025 mld. Daarmee wordt het laatste nog openstaande deel van de kapitaalinjectie van € 10 mld. uit 2008 afgelost, inclusief rente en aflospremie.

Overbruggingskrediet SNS

Om de liquiditeitsbehoefte van de holding van SNS REAAL op te kunnen vangen heeft de Staat een overbruggingskrediet van € 1,1 mld. verstrekt. Dit krediet wordt gebruikt om senior schuld en interne leningen af te lossen. Deze lening zal worden terugbetaald indien de verzekeraar is verkocht of zoveel eerder als dat SNS REAAL in staat is gebleken zelf in de financiering te kunnen voorzien. Over het overbruggingskrediet ontvangt de Staat een rente van euribor +110 basispunten (+1,1%). Deze vergoeding is marktconform en ligt hoger dan de rentekosten waartegen de Staat zelf leent.

Garanties

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet tegen een marktconforme vergoeding 23. Hierdoor kon de Stichting de overname financieren van TenneT Holding van Transpower. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt, wordt afgestort in een begrotingsreserve.

Door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd zijn er wederzijdse aansprakelijkheden tussen HBU en RBS N.V. ontstaan. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de Staat afgegeven. Voor deze garantie ontvangt de Staat een premie van € 25,6 mln. op jaarbasis.

Zoals in de Kamerbrief 24 over de nationalisatie van SNS REAAL is opgenomen zal de Staat een garantie verstrekken op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Het gaat hierbij om een garantie van maximaal € 5 mld. Voor de garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie zal de Staat een garantiepremie van 30 basispunten (+0,3%) ontvangen. De hoogte van deze premie is bepaald op basis van drie referentiepunten: (1) de garantiepremie die vergelijkbare Europese afwikkelentiteiten met overheidsgarantie betalen, (2) een inschatting van de financieringslasten bij ontbreken van overheidsgarantie en (3) het effect van de garantiepremie op winstgevendheid van de vastgoedbeheerorganisatie. De Staat ontvangt een marktconforme premie over de aan SNS REAAL afgegeven garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie.

Meetbare gegevens staatsdeelnemingen

De Staat is aandeelhouder vanwege de met haar deelnemingen gemoeide publieke belangen. De publieke belangen dienen dan ook centraal te staan in de strategie en de investeringen van deze ondernemingen. De Staat stuurt als aandeelhouder haar deelnemingen op zakelijke wijze aan, opdat de ondernemingen financieel zelfstandig kunnen blijven en eigenstandig de voor het publieke belang noodzakelijke investeringen kunnen doen.

De publieke belangen die samenhangen met de staatsdeelnemingen zijn veelal geborgd via wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid voor borging van die belangen ligt bij het vakdepartement, dat doorgaans ook de instrumenten heeft om die publieke belangen te toetsen dan wel af te dwingen, zoals concessies en vergunningen. De onderstaande kengetallen zien op aspecten van financieel belang en liggen daarom binnen de directe invloedssfeer van de Staat als aandeelhouder.

Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de Minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Thales en KLM zijn hierbij buiten beschouwing gelaten vanwege de zeer geringe zeggenschap.

Kengetallen
 

Realisatie 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2016

Streefwaarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Percentage van deelnemingen met dividend pay-out ratio 1 van ten minste 40%

46% (n=13)

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Percentage van deelnemingen waar de specifieke minimum rendementseis (RoE) wordt gehaald

46% (n=13)

80%

80%

80%

80%

80%

80%

X Noot
1

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

In de begroting van de afgelopen jaren was op deze plaats tevens een indicator opgenomen met betrekking tot het gebruik van de Publiek Private Comparator (PPC). Het gebruik hiervan bij projecten op het gebied van rijkshuisvesting en infrastructuur wordt gezien als maatstaf voor in hoeverre word gekozen voor de meest optimale uitvoeringsvorm. De regels met betrekking tot de toepassing van de PPC worden inmiddels standaard opgevolgd. Hierdoor is het niet meer relevant om een indicator te hanteren om de toepassing te monitoren. Momenteel wordt gewerkt aan de ontwikkeling van indicatoren die inzicht bieden in de prestaties van DBFM(O) contracten. Naar verwachting zal volgend jaar deze indicator in de begroting worden opgenomen.

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de staatsdeelnemingen. Van twintig deelnemingen is het aandeelhouderschap gecentraliseerd bij het Ministerie van Financiën, waarvan vier deelnemingen in afbeheer zijn. In enkele gevallen is een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt en is het beheer van een staatsdeelneming niet expliciet gescheiden van de beleidsrol. In die situatie voert het betreffende beleidsdepartement ook het aandeelhouderschap. In dat geval wordt gesproken van «beleidsdeelnemingen». In totaal zijn er twaalf beleidsdeelnemingen. Met de oprichting van NLFI op 1 juli 2011 is hier nog een variant bijgekomen, namelijk de uitvoering van het staatsaandeelhouderschap door een op afstand staande stichting. NLFI beheert in totaal zes staatsdeelnemingen.

Overzicht staatsdeelnemingen

Operationele deelnemingen in beheer bij Financiën

%-belang

Categorie

BNG

50%

Permanent

COVRA

100%

Permanent

DNB

100%

 

FMO

51%

Permanent

Gasunie

100%

Permanent

Havenbedrijf Rotterdam

29%

Permanent

Holland Casino

Stichting

Niet-permanent

KLM

6%

Permanent

Koninklijke Nederlandse Munt

100%

Permanent

NS

100%

Permanent

NWB Bank

17%

Permanent

Schiphol

70%

Permanent

Staatsloterij

Stichting

Niet-permanent

TenneT

100%

Permanent

Thales

1%

Permanent

UCN

100%

Niet-permanent

Operationele deelnemingen in beheer bij het beleidsdepartement

%-belang

 

BOM

57%

 

Energie Beheer Nederland

100%

 

Gasterra

10%

 

LIOF

94%

 

Meerstad

10%

 

NAATC

8%

 

Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij

100%

 

Ontwikkelingsmaatschappij Oost Nederland

58%

 

Prorail

100%

 

Saba Bank

8%

 

Winair

8%

 

Deelneming in afbeheer

%-belang

 

ALTMAA

35%

 

K.G. Holding

100%

 

NIO

100%

 

Twinning Holding

100%

 

Tijdelijke financiële deelnemingen

%-belang

Categorie

ABN AMRO Group N.V.

100%

Tijdelijk

ASR Nederland N.V.

100%

Tijdelijk

SNS REAAL N.V.

100%

Tijdelijk

Propertize BV

100%

Tijdelijk

NLFI Financial investments

100%

Tijdelijk

RFS Holding BV

100%

Tijdelijk

3.4 Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen waaronder ontwikkelingen in de lidstaten van de Europese Unie. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een directe weerslag op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is. De Minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol in Nederland en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit neemt de Minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere Ecofin Raad en Eurogroep) ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro economische omgeving in de eurozone. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een nieuw verdrag voor begrotingsdiscipline tussen lidstaten van de EU en een procedure voor macro economische onevenwichtigheden.

Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU-begroting uit. De Minister ziet er op toe dat deze EU-begroting volgens de afspraken van het Meerjarig Financieel Kader (2014–2020) wordt vormgegeven.

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel economische crisissen en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit in de eurozone. In de tabel in paragraaf E is het Nederlandse aandeel in deze instellingen te zien.

Op 21 januari 2013 is de Minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, door de collega’s uit de Eurogroep benoemd als voorzitter van de Eurogroep voor een periode van 2,5 jaar. De rol als voorzitter van de Eurogroep biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden economische ontwikkelingen, als gevolg van hun rol bij het financieel-economische beleidstoezicht en als financieel vangnet in geval van een crisis. Het beleid van deze instellingen draagt bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De Minister houdt als aandeelhouder toezicht op deze Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. In de tabel in paragraaf E wordt een overzicht gegeven van het Nederlandse aandeel in de verschillende instellingen. Daarnaast levert de inbreng van de Minister een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, verschillende OESO werkgroepen en commissies en discussies bij het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s.

C. Beleidswijzigingen

Komende jaren zal er aandacht zijn voor de lopende steunprogramma’s voor Griekenland en Cyprus. De Minister van Financiën neemt namens Nederland deel aan discussies en besluitvorming op ministerieel niveau in Eurogroep en Ecofin verband en in de Raad van gouverneurs van het ESM over deze onderwerpen. Zo wordt in de Eurogroep op dit terrein gesproken over de voortgang van de leningenprogramma’s en worden besluiten genomen over het uitkeren van tranches. Eurogroep en Ecofin vergaderingen vinden in beginsel iedere maand plaats (met uitzondering van augustus).

Op Europees vlak zal er in 2015 substantiële aandacht zijn voor een verder herstel van de financiële stabiliteit van de eurozone. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Verstandig economisch en budgettair beleid wordt via het Europees Semester gestimuleerd. Lidstaten dienen bij het opstellen van hun nationale begrotingen rekening te houden met de aanbevelingen die de Ecofin-Raad in juni vaststelt. De aanbevelingen zijn geen beleidsvoorschriften, lidstaten hebben de ruimte om de aanbevelingen op maatregelniveau verder in te vullen.

In het komende jaar zal in de EU de discussie worden voortgezet hoe structurele hervormingen in lidstaten verder kunnen worden bevorderd. Op de (middel)lange termijn dragen structurele hervormingen bij aan hogere potentiële groei, houdbare overheidsfinanciën van lidstaten en wordt het concurrentievermogen van de EU verbeterd. Het kabinet is van mening dat de verantwoordelijkheid voor structurele hervormingen primair bij de lidstaten zelf moet liggen. Slechts in die situaties waarbij lidstaten onvoldoende actie ondernemen om hun uit de hand lopende overheidsfinanciën en/of ernstige macro economische onevenwichtigheden te corrigeren kan dit uiteindelijk leiden tot sancties. In dat geval zal dit via de buitensporigtekortprocedure lopen of via de buitensporige macro economische onevenwichtigheden procedure.

Op dit moment is de planning dat in het najaar van 2014 door de Europese Commissie een eerste evaluatie zal worden gepresenteerd ten aanzien van de werking van de versterkte economische en budgettaire beleidscoördinatie binnen de Europese Unie. Eventuele concrete voorstellen voor wijzigingen van beleid volgen dan hoogstwaarschijnlijk in het voorjaar van 2015. Directe risico’s voor financiële stabiliteit zijn afgenomen, wat onder meer zichtbaar is in de rente die lidstaten in de EU betalen op hun schuldpapier. Verder blijkt dit uit de economie van de eurozone, die langzaam uit het dal klimt. De Europese Commissie raamt een groei van 1,2% in 2014 oplopend tot 1,7% in 2015. Het gemiddelde werkloosheidsniveau daalt tot 11,8% in 2014 en 11,4% in 2015. Voor alle landen die financiële steun hebben ontvangen voorspelt de Europese Commissie groei in 2015: Ierland groeit naar verwachting met 3%, Griekenland met 2,9%, Spanje met 2,1%, Portugal met 1,5% en Cyprus met 0,9%. Dit is een sterke indicatie dat de strategie van groeivriendelijke bezuinigingen in de eurozone lijkt te slagen. Om structureel hogere groeicijfers te laten zien, zijn echter verdere hervormingen nodig.

Nederland voldoet sinds 2013 weer aan de eisen van de correctieve arm en is zodoende ontslagen uit de buitensporigtekortprocedure. Dit betekent dat Nederland stappen in de juiste richting heeft gezet om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. De Nederlandse overheid geeft echter nog steeds meer uit dan er binnenkomt en de overheidsschuld groeit. Met het ontslag uit de buitensporigtekortprocedure komt Nederland terecht in de preventieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact. In de preventieve arm wordt getoetst of het structureel saldo in lijn is met de landenspecifieke midellangetermijndoelstelling (MTO) of dat voldoende verbetering zichtbaar is totdat de MTO is bereikt. Parallel aan het pad naar de MTO dienen lidstaten zich te houden aan de uitgavenbenchmark. De uitgavengroei (gecorrigeerd voor o.a. werkloosheidsuitgaven en rentelasten) moet achterblijven bij de potentiële groei van het bbp, totdat de MTO is bereikt. Voor Nederland geldt hierin een middellange termijn doelstelling van -0,5% bbp. Zolang deze doelstelling nog niet bereikt is, moet het Nederlandse structurele tekort voldoende snel in de richting van deze doelstelling bewegen en de uitgaven niet te hard laten stijgen.

Vanaf 1 januari 2016 heeft Nederland voor zes maanden het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. Het jaar 2015 zal voor een belangrijk deel in het teken staan van de voorbereidingen van dit voorzitterschap.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

– 49.193.450

970.911

290.606

268.606

981.417

58.153

49.153

Waarvan garantieverplichtingen

             

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

– 1.372.237

170.319

169.907

169.907

194.953

   

EFSF

– 48.141.770

           
               

Uitgaven

2.599.623

1.094.263

384.077

445.510

317.007

313.691

304.692

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Bijdrage aan internationale organisaties

             

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

182.961

53.002

275.312

358.745

254.427

271.691

271.692

ESM

1.829.440

914.720

         

EIB

448.222

           

Uitkering aan Griekenland

139.000

125.041

107.265

85.265

62.580

42.000

33.000

               

Opdrachten

             

Technische assistentie aan kiesgroeplanden

 

1.500

1.500

1.500

     
               

Ontvangsten

34.336

17.113

24.579

72.133

87.848

87.848

87.848

               

Bijdrage aan internationale organisaties

             

Ontvangsten IFI's

8.630

4.418

665

672

655

655

655

               

Rente

             

Rente ontvangsten lening Griekenland

25.706

12.695

23.914

71.461

87.193

87.193

87.193

D2. Budgetflexibiteit

Deelname aan internationale instellingen

Dit budget betreft grotendeels bijdragen aan de International Development Association (IDA) van de Wereldbank. Deze bijdragen zijn direct na ondertekening meerjarig en onvoorwaardelijk verschuldigd. Voor een deel van de verplichtingen- en uitgavenramingen geldt dat door wisselkoersinvloeden de realisaties kunnen afwijken van de ramingen; dit deel van de realisaties is daarmee niet beleidsmatig te beïnvloeden. Voor de eerste jaren is voor IDA 17 al de verplichting aangegaan, daarom is dit programma 100% juridisch verplicht.

Uitkering inkomsten obligaties

De uitkering van de inkomsten op de Griekse obligaties zijn 100% juridisch verplicht vanwege internationale overeenkomsten. De verplichting loopt door tot ten minste 2026. In de periode 2026–2038 gaat het echter om een relatief klein bedrag, dat in een keer in 2026 zal worden uitgekeerd.

Technische assistentie aan landen kiesgroep

Deze middelen zijn nog niet juridisch verplicht.

E. Toelichting op de instrumenten

Deelname aan internationale instellingen

Het overige deel van de raming voor garantieverplichtingen heeft betrekking op het zogenaamde garantiekapitaal van de internationale financiële instellingen (het deel van de verplichting dat waarschijnlijk niet tot betaling komt, het «callable capital»).

Daarnaast draagt Nederland via algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen bij aan ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel dat hiervan op de Financiën begroting staat betreft IDA, het onderdeel van de Wereldbank Groep dat concessionele leningen – en in beperkte mate schenkingen – verstrekt aan de armste landen in de wereld.

Bijdrage uit inkomen Griekse obligaties

Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone zijn verschillende maatregelen genomen, waaronder de steunprogramma’s voor Griekenland, Ierland, Portugal, Cyprus en het programma gericht op de herstructurering van de financiële sector in Spanje. Onderdeel van de afspraken van de Eurogroep van februari en november 2012 is dat de inkomsten van de nationale centrale banken uit de Griekse staatsobligaties die niet zijn meegenomen in de obligatieomruil van februari 2012 worden doorgegeven aan Griekenland.

Opdrachten Technische Assistentie Kiesgroeplanden

Voor 3 jaar is budget gereserveerd voor technische assistentie voor landen in de Nederlandse IMF/WB kiesgroep. De assistentie is vooral gericht om de landen te ondersteunen in hun financieel-economische beleid, daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse expertise.

Meetbare gegevens

Overzicht Internationale Financiële Instellingen en Fondsen (x € 1 miljard)
   

MIGA 1

IBRD1

EIB 2

EBRD2

IMF 3

ESM

EFSF

EFSM

BoP

Financiële relatie Nederland

                 

1)

Garantie/oproepbaar bedrag

0,2

4,5

9,9

0,6

45,4 4

35,4

49,6

2,8

2,4

2)

Deelneming in kapitaal

0,1

0,3

1

0,2

 

4,6

     

3)

Deelneming in %

2,2%

2,1%

4,5%

2,5%

2,2%

5,7%

6,1%

4,7%

4,7%

4)

Schade voor Nederland

                 

Financieel profiel Instelling of Fonds

                 

5)

Uitstaande bedragen

9,1

112,8

428,1

26,4

90,9

44,5 5

185,5

46,8 6

10,4 7

6)

Toegezegd-niet uitgekeerd

Nvt

42,8

93,3

11,4

126,9

4,3

1,9

0

2 8

7)

Totaal toegezegde bedragen

9,07

155,6

521,5

37,8

217,8

50,4

187,4

46,8

12,4

8)

Totale uitleencapaciteit

11,1

190,4

698,8

38,7

514,0 9

500,0

240 10

60

50

X Noot
1

Cijfers 30 juni 2014, omgerekend van USD naar EUR o.b.v. wisselkoers 30 juni 2014.

X Noot
2

Cijfers per 31 december 2013.

X Noot
3

Cijfers 30 april 2014, SDR bedragen omgerekend naar EUR o.b.v. wisselkoers 30 april 2014.

X Noot
4

Dit betreft het totaalbedrag in EUR van de garanties in EUR (13.61 miljard) en SDR (28.4 miljard).

X Noot
5

Spanje heeft in juli 2014 vervroegd € 1,6 mld. euro afgelost. Hierdoor tellen het uitstaande bedrag en toegezegd-niet uitgekeerd niet op tot het totaal aan toegezegde bedragen.

X Noot
6

Portugal heeft afgezien van de laatste tranche uit het EFSM van € 1,7 mld. euro. Hierdoor is het totale toegezegde bedrag uit het EFSM lager dan oorspronkelijk was voorzien.

X Noot
7

Cijfers 30 juli 2014.

X Noot
8

Preventieve kredietlijn voor Roemenië.

X Noot
9

Dit bedrag is niet vastgepind en fluctueert.

X Noot
10

Omdat het EFSF vanaf juli 2013 in principe geen neiuwe leningen meer zal verstrekken is de totale uitleencapaciteit naar beneden bijgesteld van € 440 mld. naar € 2140 mld.

De bovenstaande tabel geeft een aantal kengetallen van Internationale Financiële Fondsen en Instellingen waarin Nederland deelneemt. Per fonds of instelling is de financiële binding weergeven. Hierbij wordt de omvang van de garantie en het gestorte kapitaal weergeven. Verder wordt van de versterkte bedragen en de maximale capaciteit een financieel profiel gemaakt van het fonds of instelling. Meer informatie over de instelling is te vinden in de garantiebijlage.

3.5 Artikel 5: Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur van de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder de uitvoerder van de faciliteit verzekeringen mag afgeven. De Staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. voert de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen en beide Ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de EKV-faciliteit) kunnen Nederlandse bedrijven meer grote en op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de concurrentiekracht en werkgelegenheid in Nederland.

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een uitgebreid risicokader.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de Staat risico’s in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de risicodracht opgezet. In de risicodracht staat vermeld op welke risico’s (landen, looptijd en omvang) de Staat potentieel dekking aanbiedt. Voor de overige risico’s gaat de Staat er in principe vanuit dat deze door de markt zelf in dekking kunnen worden genomen. De risicodracht wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

De Minister heeft een stimulerende rol ten aanzien van het bevorderen van een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid. De OESO voert een actieve dialoog met de opkomende economieën die geen deel uitmaken van de OESO om mogelijke verstoringen van het speelveld zoveel mogelijk te beperken.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen krijgt internationaal, maar ook nationaal steeds meer aandacht. De Nederlandse Staat heeft hierin een voorbeeldfunctie. Dat geldt ook voor de instrumenten waarmee zij bedrijven ondersteunt, zoals de exportkredietverzekering. Er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.

C. Beleidswijzigingen

Er blijft ook in 2015 aandacht voor verbetering van het bestaande productenaanbod, om voldoende te kunnen aansluiten bij de marktontwikkelingen. Hierbij heeft het MKB de speciale aandacht. Het doel hierbij is om het Nederlandse exporterende bedrijfsleven betere toegang tot financiering te bieden en een gelijker speelveld te creëren ten opzichte van concurrenten in het buitenland. Het kabinet komt met voorstellen voor aanpassing van het bestaande instrumentarium van exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

3.590.788

10.616.446

10.616.438

10.616.436

10.616.438

10.616.435

10.616.437

waarvan garantieverplichtingen:

             

Reguliere EKV

3.523.570

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

Investeringsverzekeringen

52.919

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

MIGA

 

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

               

Uitgaven

103.647

98.166

88.058

88.056

88.058

88.055

88.057

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Garanties

             

Schade-uitkering EKV

89.348

85.000

74.900

74.900

74.900

74.900

74.900

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

 

500

500

500

500

500

500

Uitgaven Seno-Gom

1.809

           
               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.490

12.666

12.658

12.656

12.658

12.655

12.657

               

Ontvangsten

202.684

188.799

103.250

101.750

101.750

89.250

77.717

               

Premies EKV

86.471

71.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Premies investeringsverzekeringen

675

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Schaderestituties EKV

80.287

50.000

38.000

38.000

38.000

38.000

26.467

Schaderestituties Seno-Gom

251

           

Ontvangsten Seno-Gom

34.500

66.049

14.000

12.500

12.500

   

Overige ontvangsten

500

500

         

D2. Budgetflexibiliteit

Garanties

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van door exporteurs en exportfinanciers (banken) afgesloten exportkredietverzekeringen indien de verzekerde risico’s zich materialiseren en aan alle verzekeringsvoorwaarden is voldaan.

Opdrachten

Dit budget is juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met Atradius DSB. Deze overeenkomst loopt door tot en met 2019.

E. Toelichting op de instrumenten

Garanties

Voor de exportkredietverzekering is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan (bruto plafond). In voorgaande jaren was er sprake van een plafond voor het saldo van nieuwe verplichtingen (nieuwe verplichtingen minus de vervallen verplichtingen (netto plafond)).

Via de exportkredietverzekeringen worden Nederlandse exporteurs en hun financiers gedekt tegen het politieke en commerciële risico dat zij lopen bij middellange en langlopende exportcontracten naar landen met een (ver)hoog(d) risico en/of buitenlandse afnemers met een relatief hoog risicoprofiel. Dit instrument vergroot dus de mogelijkheden voor Nederlandse export. Voor zowel de ontvangsten als de schade-uitkeringen, behorende bij dit instrument, geldt dat deze worden beïnvloed door externe factoren, zoals de vraag naar exportkredietverzekeringen door exporteurs en het betaalgedrag van debiteuren in het buitenland.

Tevens kan de Staat jaarlijks voor maximaal € 453 mln. aan nieuwe verplichtingen aangaan voor investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het betreffende land.

Naar aanleiding van het nieuwe garantiekader voor risicoregelingen wordt er een begrotingsreserve opgebouwd.

Opdracht

Atradius Dutch State Business (ADSB) is de uitvoerder van de EKV-faciliteit. ADSB geeft in naam en voor rekening van de Staat der Nederlanden exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen af. Voor de uitvoering en het beheer van de portefeuille ontvangt ADSB jaarlijks een vergoeding.

Meetbare gegevens

Binnen de EKV-faciliteit worden twee kengetallen gebruikt om inzicht te krijgen in hoeverre de doelstelling wordt behaald. Beide kengetallen, de benchmark en het model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB), bieden informatie over het internationaal gelijkwaardige speelveld. Er wordt gestreefd naar een best of class notering (A rating) in de jaarlijkse benchmark op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden. De benchmark is een vergelijkend onderzoek tussen de Nederlandse faciliteit en faciliteiten in een aantal voor de export relevante concurrerende landen. Een best of class resultaat betekent dat de Nederlandse faciliteiten vergelijkbaar zijn met de landen die het beste scoren op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden.

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De kostendekkendheid van de Nederlandse faciliteit wordt gemeten door BERB. Daaruit blijkt dat de Nederlandse EKV-faciliteit over de periode 1999 t/m 2013 een positief resultaat van € 231 mln. heeft geboekt. Op kasbasis is het resultaat aanzienlijk positiever. Bij de kostendekkendheidsberekening wordt echter ook rekening gehouden met voorzieningen voor het nog lopende risico en rentekosten op uitgekeerde schade. De omvang van het huidige cumulatieve positieve resultaat is, gegeven de verplichtingen over diezelfde periode, dusdanig beperkt dat dit geen aanleiding is om het huidige acceptatiebeleid aan te passen. Recuperaties spelen een belangrijke rol bij het behalen van een kostendekkend resultaat. De afgelopen jaren zijn de premies en schades ruwweg in evenwicht geweest. Momenteel is van de uitgekeerde schade over de polissen afgegeven per 1999 reeds 54% gerecupereerd.

Kengetallen
 

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2016

Streefwaarde 2017

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

BERB

231 mln.

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

Benchmark

A

A

A

A

A

A

A

Uitstaande verplichtingen EKV (x € mld.)

Uitstaande verplichtingen EKV 					 (x € mld.)

Er zijn zowel definitieve als voorlopige verplichtingen in de portefeuille. Omdat het voor een exporteur soms nog onzeker is of de opdracht wordt gegund, maar er voor een offerte wel al financiering geregeld moet zijn, kan er een dekkingstoezegging worden afgegeven. Dit is nog geen polis, maar kan bij gunning van een opdracht worden omgezet naar een polis. Ongeveer de helft van de dekkingstoezeggingen wordt daadwerkelijk een polis. Er kan echter uitsluitend onder een polis schade worden uitgekeerd. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het risico sterk is verslechterd is de Staat niet verplicht om een dekkingstoezegging in een polis om te zetten. Ultimo 2013 stond er voor ruim € 7 miljard uit aan definitieve verplichtingen.

Wanneer zich onder een polis een schade voordoet dan zal de Staat bij schade-uitkering het betalingsschema van de debiteur volgen. Dit betekent dat het bedrag niet in één keer wordt uitgekeerd, maar gespreid over de resterende looptijd van de verzekering (doorgaans twee betalingen per jaar). Op basis van de portefeuille ultimo 2013 betekent dit in het meest extreme geval (alle polissen resulteren in de maximale schade) € 2,4 mld. aan schade-uitkeringen in 2014.

Niet alle polissen in de portefeuille hebben evenveel risico op schade. Het belangrijkste risico binnen de EKV-portefeuille betreft het landenrisico. De OESO bepaalt, op basis van het landenrisico, de landenklasse voor de verschillende landen. Een hogere landenklasse betekent een hoger landenrisico. De landenklasse wordt onder andere gebruikt in de premieberekening. Ter illustratie Zuid-Afrika valt bijvoorbeeld in landenklasse 3 en Ghana valt in landenklasse 5. Het grootste deel van de portefeuille, circa 85%, betreft polissen op landen in de 5 beste landenklassen (0 t/m 4).

Uitstaande verplichtingen EKV per landenklasse in mld. €

Uitstaande verplichtingen EKV per landenklasse in mld. 					 €

3.6 Artikel 6: BTW-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Het btw-compensatiefonds (BCF) is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. De factor btw wordt weggenomen door het btw-compensatiefonds waaruit decentrale overheden de betaalde btw kunnen terugvragen. De betaalde btw moet daarvoor aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het onderhoud aan gebouwen, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • beheer van het BCF.

C. Beleidswijzigingen

Conform afspraken in het financieel akkoord 25 uit 2013 tussen het Rijk en decentrale overheden, wordt het BCF vanaf 2015 geplafonneerd. Dit in plaats van het eerdere voornemen van het kabinet het BCF per 2015 af te schaffen. Onderdeel van de afspraak is dat de door het Rijk ingeboekte korting gehandhaafd blijft en op het gemeentefonds en provinciefonds wordt toegepast.

Het plafond wordt gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname wordt over het gemeentefonds en provinciefonds verdeeld conform de aandelen van de gezamenlijke gemeenten en gezamenlijke provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

2.715.812

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

               

Uitgaven

2.715.812

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Bijdrage aan medeoverheden

             

w.v. bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.413.355

2.565.154

2.565.154

2.565.154

2.565.154

2.565.154

2.565.154

w.v. bijdragen aan provincies

302.457

335.968

335.968

335.968

335.968

335.968

335.968

               

Ontvangsten

2.715.812

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

D2. Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage ter compensatie van de door decentrale overheden betaalde btw is opgenomen in de Wet op het btw-compensatiefonds. De Wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het BCF. Het BCF was in die zin een openeinderegeling. Met ingang van 2015 wordt de omvang het het BCF geplafonneerd. De voorwaarden voor het BCF veranderen niet. Het Gemeentefonds en het Provinciefonds fungeren als het ware als ventiel bij zowel onderschrijdingen als overschrijdingen van het BCF.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BCF dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies; de begroting van alle gemeenten tezamen is namelijk veel groter dan alle provinciale begrotingen tezamen. In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BCF. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, hetgeen een uitgavencategorie is die veelal voor compensatie van btw in aanmerking komt.

De raming van de uitgaven uit het BCF voor het lopende jaar wordt geëxtrapoleerd voor de jaren daarna. Uitgangspunt voor de raming van het lopende jaar is de beschikking van het afgelopen jaar die in het lopende jaar wordt uitbetaald, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar. Aangezien het voorschot in het eerste kwartaal van 2014 lager is dan de voorschotten voor de eerste drie kwartalen van 2013 vallen de geraamde uitgaven voor 2014 lager uit dan in 2013.

Tabel plafond BCF (x € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

Geraamd plafond

3.029.366

3.032.829

3.088.800

3.118.465

3.132.789

Geraamde ruimte onder plafond

128.244

131.707

187.678

217.343

231.667

Voor 2015 wordt € 128 mln. ruimte tussen het plafond en de BCF-raming voor 2015 verwacht. Dit betekent een verwachte storting van € 128 mln. in het Gemeentefonds en Provinciefonds in 2015.

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controlebeleid

De controle op de toepassing van de Wet op het BCF is belegd bij de Belastingdienst. De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van naleving van de regels door belastingplichtigen. Om dat te bereiken zet de Belastingdienst meerdere toezichtinstrumenten in. Een van die instrumenten is het horizontaal toezicht, waarbij de relatie is gebaseerd op vertrouwen en transparantie. De vorm en intensiteit van het horizontaal toezicht wordt daarbij aangepast aan de kwaliteit van de interne organisatie van de gemeenten en provincies. Het traject van horizontaal toezicht (HT) begint met een interne klantoriëntatie door de Belastingdienst, gevolgd door een HT-gesprek, de zogeheten complianceverkenning, en de stappen «analyse» respectievelijk «versterking fiscale beheersing en monitoring». Het uitvoeren van de werkzaamheden die bij de verschillende stappen behoren, levert de Belastingdienst voorinformatie op. De voorinformatie wordt gebruikt om het toezicht al gedurende het traject aan te passen. Periodiek wordt getoetst of de organisaties onder horizontaal toezicht fiscaal in control zijn.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator
 

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Streefwaarde 2015

Aantallen gemeenten en provincies onder horizontaal toezicht met een individueel convenant 1

n.v.t.

n.v.t.

140 – 180

X Noot
1

De prestatie-indicator is ten opzichte van de begroting 2014 gewijzigd om beter aansluiting te behouden bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij artikel 1 Belastingen.

De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling van provincies en gemeenten op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten.

De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert provincies en gemeenten om de kwaliteit van de aangifte te versterken. De Belastingdienst bespreekt met provincies en gemeenten hoe zij hun verantwoordelijkheid invullen met betrekking tot de aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe deze omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De provincie/gemeente beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

3.7 Artikel 7: Beheer Materiële Activa

A. Algemene doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Rijk bezit materiële activa die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. Volgens de Comptabiliteitswet heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol ten aanzien van het (privaatrechtelijk) beheer van de roerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de Wet bij een of meer andere ministers is gelegd. De Minister van Financiën heeft de uitvoering van deze taak belegd bij Domeinen Roerende Zaken (Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006). Daarnaast wordt in het Wetboek van Strafvordering (artikel 118 e.v.) en het Besluit Inbeslaggenomen Voorwerpen (artikel 1) Domeinen Roerende Zaken aangewezen als bewaarder van inbeslaggenomen voorwerpen (uitgezonderd geld, dieren, wapens).

Ook draagt Domeinen Roerende Zaken zorg voor de verwerking van digitale datadragers van het Rijk.

Domeinen Roerende Zaken is daarmee verantwoordelijk voor het vervoeren, bewaren, vernietigen en verkopen van overtollige en in beslaggenomen roerende zaken voor het Rijk.

C. Beleidswijzigingen

Naar aanleiding van de doorlichting die in 2013 heeft plaatsgevonden, is besloten dat Domeinen Roerende Zaken (DRZ) per 1 januari 2015 overgaat van het batenlasten-stelsel van een agentschap naar het kas-verplichtingenstelsel. De agentschapstatus vervalt en DRZ wordt een dienstonderdeel van het departement. De batenlastenparagraaf uit begroting IX zal dientengevolge worden opgeheven. De apparaatsbudgetten van DRZ zijn geïntegreerd in artikel 8 van Begroting IX. Voor artikel 7 heeft de stelselwijziging geen gevolgen aangezien artikel 7 betrekking heeft op programmagelden.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

– 1.550

138

306

306

306

306

306

               

Uitgaven

334

138

306

306

306

306

306

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       
               

Bekostiging

             

Beheerskosten DRZ

334

138

306

306

306

306

306

               

Ontvangsten

2.278

2.300

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

               

Vervreemding DRZ

2.278

2.300

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

D2. Budgetflexibiliteit

De beheerskosten ad € 0,3 mln. zijn niet juridisch verplicht en worden gemaakt om ontvangsten te kunnen realiseren.

E. Toelichting op de instrumenten

Vervreemding DRZ

De verkoop van roerende zaken brengt jaarlijks € 1,8 mln. op. Het gaat in de praktijk om de verkoopopbrengsten van inbeslaggenomen goederen. De kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen jaarlijks circa € 0,3 mln.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De Minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) roerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) roerende zaken van andere ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een Minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze Minister verantwoord op zijn eigen begroting.

4 NIET-BELEIDSARTIKELEN

4.1 Artikel 8: Centraal Apparaat

A. Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1). Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel inclusief personele exploitatie, inhuur externen en materieel (inclusief ICT) voor het kerndepartement. Per 1 januari 2015 verliest Domeinen Roerende Zaken de agentschapsstatus en gaat het over van het baten-lastenstelsel naar het kas-verplichtingenstelsel. Dientengevolge zijn de apparaatsmiddelen van Domeinen geïntegreerd in die van het kerndepartement en verantwoord op artikel 8.

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

198.523

214.914

236.162

228.103

225.064

221.369

221.380

               

Uitgaven

198.490

214.914

236.162

228.103

225.064

221.369

221.380

               

Personeel Kerndepartement

136.284

142.576

145.996

142.578

139.730

138.287

138.288

– waarvan eigen personeel

126.960

133.169

142.206

138.880

136.272

134.844

134.844

– waarvan inhuur externen

9.127

7.691

2.981

2.897

2.897

2.897

2.897

– waarvan overig personeel

197

1.716

809

801

561

546

547

               

Materieel Kerndepartement

62.206

72.338

90.166

85.525

85.334

83.082

83.092

– waarvan ICT

9.756

10.359

13.168

10.035

10.039

9.565

9.567

– waarvan bijdrage aan SSO's

30.699

38.099

36.285

32.053

32.053

31.801

31.807

– waarvan overig materieel

21.751

23.880

40.713

43.437

43.242

41.716

41.718

               

Ontvangsten

36.211

38.436

55.903

51.545

53.648

51.498

51.498

Toelichting

Personeel Kerndepartement

Dit betreft alle personeelsuitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. De inhuur is beperkt. Inhuur externen in verband met de kredietcrisis is op artikel 3 bij de uitvoeringskosten staatsdeelnemingen ondergebracht.

Materieel Kerndepartement

Dit betreft de materieeluitgaven van het kerndepartement en omvat onder andere zaken aangaande diensten, middelen en communicatie. ICT bevat voornamelijk uitgaven voor projecten. De structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties zijn overgedragen aan de SSC-ICT per oktober 2013. De bijdrage aan Shared Service Organisaties betreft onder andere Digitale Werkomgeving Rijk (DWR), ICT, chauffeursdiensten en de Rijksgebouwendienst.

Verdeling apparaat (bedragen x € 1.000)

Verdeling apparaat (bedragen x € 					 1.000)

De verhoging van de apparaatuitgaven wordt grotendeels verklaard door twee zaken. Domeinen Roerende Zaken verliest per 1 januari 2015 zijn status als agentschap en gaat over van het baten-lastenstelsel naar het kasverplichtingen-stelsel van het kerndepartement. De mutaties, aan zowel uitgaven- als ontvangstenkant, vormen de omzetting van «baten-lasten» naar «kas-verplichtingen». Daarnaast zijn de apparaatuitgaven gestegen door de komst van de accountants van Defensie naar de Auditdienst Rijk per 1 april 2014. Beide mutaties zijn budgettair neutraal verwerkt. Vanwege bezuinigingen als gevolg van Rutte II op onder andere personele uitgaven is vanaf 2015 de reeks apparaatuitgaven dalend.

B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten incl. BLD en ZBO's/RWT's

Voor de AFM, Waarderingskamer en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat. De onderstaande tabel geeft de totale apparaatuitgaven voor Financiën weer, inclusief ZBO’s en RWT’s.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal apparaatuitgaven Financiën

3.143.629

3.187.578

3.065.629

2.977.569

2.909.053

2.868.828

2.869.097

– Kerndepartement

198.490

214.914

236.162

228.103

225.064

221.369

221.380

– Belastingdienst

2.945.139

2.972.664

2.829.467

2.749.466

2.683.989

2.647.459

2.647.717

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal apparaatkosten BLD's en ZBO's/RWT's

71.449

80.645

13.663

13.695

13.652

13.656

13.652

               

Baten-Lastendienst

20.775

20.790

         

– Domeinen Roerende Zaken

20.775

20.790

         
               

ZBO's en RWT's

50.674

59.855

13.663

13.695

13.652

13.656

13.652

– AFM

20.500

20.652

400

400

400

400

400

– DNB

23.701

20.864

2.013

2.036

2.006

2.006

2.006

– Waarderingskamer 1

1.223

1.239

1.250

1.259

1.246

1.250

1.246

– NLFI

5.250

17.100

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

X Noot
1

Dit betreft de bijdrage van het Ministerie van Financiën. De bijdrage van gemeenten en waterschappen aan de Waarderingskamer wordt vanwege een definitie wijziging niet meer in deze tabel inzichtelijk gemaakt.

C. Apparaatsuitgaven per Directoraat-Generaal

(Bedragen x € 1.000)
 

2015

Kerndepartement

236.162

Generale Thesaurie

22.553

DG Rijksbegroting

20.481

SG-cluster

179.549

DG Fiscale Zaken

13.579

In bovenstaande tabel zijn de Auditdienst Rijk en het voormalige agentschap Domeinen Roerende Zaken ondergebracht bij het SG-cluster.

D. Invulling taakstelling

(Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

Struc.

Departementale taakstelling (totaal)

50

112

136

136

         

Kerndepartement

3,5

7,7

9,4

9,4

Belastingdienst

46,2

103,5

125,7

125,7

Totaal Agentschappen

0

0

0

0

Totaal ZBO's

0

0

0

0

         

Nog in te vullen

0

0

0

0

4.2 Artikel 9: Algemeen

Niet in gebruik.

4.3 Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

A. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

3.939

50.043

51.422

50.280

50.280

51.977

               

Uitgaven

 

3.939

50.043

51.422

50.280

50.280

51.977

               

Onvoorzien

 

3.889

50.000

51.382

50.239

50.239

51.936

Loonbijstelling

 

16

16

16

16

16

16

Prijsbijstelling

 

34

27

24

25

25

25

               

Ontvangsten

     

400.000

400.000

400.000

400.000

Toelichting

Vanuit dit artikel wordt de loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen overgeboekt. Dit artikel is bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen op de begroting IX op te vangen. Daarnaast zijn er twee stelposten opgenomen voor de opbrengsten van de kredietcrisisinterventies en middelen (€ 50 mln. op Onvoorzien) voor o.a. de ICT-capaciteit bij de Belastingdienst. Deze worden nog verdeeld binnen begroting IX.

5 BELEIDSARTIKELEN (Nationale Schuld)

5.1 Artikel 11: Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft een uitvoerende rol bij de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke rentekosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 26.

Het risico voor de begroting is laag wanneer de rente op leningen zo lang mogelijk vast wordt gezet. Op deze manier zijn de rentekosten immers zo stabiel en zeker mogelijk. Als de rente langer vastgezet wordt, gaat dit echter over het algemeen gepaard met hogere kosten. Er is daarom een balans gezocht tussen kosten en risico. Mede op basis van onderzoek in 2007 wordt de balans tussen kosten en risico optimaal geacht als de rente steeds voor 7 jaar wordt vastgezet 27. Daarom werkt het Agentschap van de Generale Thesaurie sinds 2008 met een renterisico voor de staatsschuld dat gelijk is aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. In een 7-jaars gecentreerde portefeuille worden alleen leningen met een looptijd van 7 jaar uitgegeven. Uit modelanalyses blijkt dat een dergelijke financiering efficiënt is in de zin dat er geen portefeuille is met een gelijk risico maar lagere kosten, of gelijke kosten maar een lager risico.

In de praktijk is de schuldportefeuille van de Nederlandse Staat geen 7-jaars gecentreerde portefeuille, maar is deze samengesteld uit leningen met verschillende looptijden, variërend van enkele dagen tot meer dan 30 jaar. Om toch het gewenste risicoprofiel te bereiken worden twee typen renteswaps gebruikt: receiverswaps en payerswaps. Bij een receiverswap ontvangt de Staat een vaste rente van een derde partij en betaalt aan deze in ruil daarvoor een variabele rente 28. Door bij de uitgifte van een DSL een receiverswap af te sluiten, wordt de vaste rente die de Staat op deze DSL betaalt als het ware omgezet in een variabele rente. Met payerswaps, waarbij een vaste rente betaald en een variabele rente ontvangen wordt, wordt deze variabele rente vervolgens omgezet naar een 7-jaarsrente. Het voordeel van renteswaps is dat met het gebruik ervan het renterisico en het uitgiftebeleid losgekoppeld kunnen worden.

Sinds 2012 is het onder voorwaarden mogelijk om van het beschreven risicokader af te wijken en de rente op een kapitaalmarktuitgifte niet met renteswaps om te zetten naar de 7-jaarsrente. De voorwaarden zijn dat afwijkingen niet mogen leiden tot meer risico voor de begroting en inpasbaar zijn binnen de begroting. De eerste voorwaarde impliceert dat alleen afwijkingen die de portefeuille verlengen toegestaan zijn. De portefeuille wordt verlengd als leningen met een looptijd langer dan 7 jaar niet naar de 7-jaarsrente geswapt worden. Deze afwijkingen zijn bevorderlijk voor de stabiliteit van de begroting omdat ze zorgen voor minder risico. De tweede voorwaarde zorgt ervoor dat als gevolg van bewuste afwijkingen de begroting niet overschreden wordt.

Om te meten hoe goed de 7-jaars gecentreerde portefeuille wordt benaderd, wordt sinds 2008 gewerkt met een benchmark. De benchmark is een theoretische financiering van de staatsschuld waarbij elke dag een deel van financieringsbehoefte wordt gefinancierd met de uitgifte van een 7-jaars lening. Ieder jaar wordt in het jaarverslag gerapporteerd in hoeverre de benchmark benaderd is. De benchmark maakt het mogelijk om de gevolgen van bewuste afwijkingen van het renterisicokader te rapporteren. Het gaat dan om zowel de kosten als het risico van de feitelijke portefeuille ten opzichte van de benchmark.

Kengetallen staatsschuldfinanciering 2009–2013
 

2009

2010

2011

2012

2013

Staatsschuld ultimo jaar (mld.)

286

308

330

356

368

Rentelasten (mld.)

9,7

9,8

10,0

10,3

9,6

Rentelasten %

3,4%

3,2%

3,0%

2,9%

2,6%

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen wijzigingen van het beleid voorzien. In 2015 vindt wel een doorlichting van het risicokader plaats op basis waarvan vastgesteld wordt of de huidige benchmarksystematiek voortgezet zal worden

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Uitgaven

46.230

47.997

50.474

40.415

57.070

43.046

42.508

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Rente

             

Rentelasten vaste schuld

9.520

8.728

8.638

9.335

10.174

11.152

11.917

Rentelasten vlottende schuld

55

97

55

936

1.198

1.126

1.126

Uitgaven voortijdige beëindiging

8

168

         
               

Leningen

             

Aflossing vaste schuld

28.687

38.982

41.762

30.126

45.678

30.748

29.445

Mutatie vlottende schuld

7.943

           
               

Opdrachten

             

Overige kosten

16

22

19

19

19

19

19

               

Ontvangsten

51.869

53.364

55.364

45.725

61.780

43.696

45.103

               

Rente

             

Rentebaten vaste schuld

0

307

1.169

1.879

2.021

1.783

1.549

Rentebaten vlottende schuld

104

108

107

102

99

57

57

Ontvangsten voortijdige beëindiging

             
               

Leningen

             

Uitgifte vaste schuld

51.765

50.000

54.087

43.744

59.660

41.855

43.497

Mutatie vlottende schuld

 

2.950

         
               

Opdrachten

             

Overige baten

0

           

D2. Budgetflexibiliteit

De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de algemene doelstelling bestaan uit renteontvangsten en -betalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld is de budgetflexibiliteit voor dit artikel zeer gering. De uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken.

Aangezien de (betalings)verplichtingen van de aangegane staatsschuld voortvloeien uit beleids- en bedrijfsvoeringsuitgaven die ten laste van andere begrotingen komen, heeft een verplichtingenbenadering (als begrotingsstelsel) voor de begroting van Nationale Schuld noch uit het oogpunt van budgettaire beheersing, noch uit het oogpunt van budgetrecht meerwaarde ten opzichte van het kasstelsel. Om die reden is in de Comptabiliteitswet 2001 bepaald dat voor de uitgaven ten laste van de begroting van Nationale Schuld de verplichtingen in een jaar gelijk gesteld mogen worden aan de uitgaven in dat jaar.

E. Toelichting

De totale uitgaven en ontvangsten van dit artikel zijn opgebouwd uit:

  • rente;

  • aflossing en uitgifte van schuld;

  • overige kosten.

Rente

Rentelasten en -baten vaste schuld

De rentelasten op de vaste schuld vormen veruit de grootste post binnen de totale rentelasten. Onder vaste schuld wordt schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar verstaan. De vaste schuld bestaat voornamelijk uit DSL’s (Dutch State Loans). De rentekosten over vaste schuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Als gevolg van renteswaps wordt zowel rente ontvangen als rente betaald. Wanneer er per saldo rente betaald respectievelijk ontvangen wordt, wordt dit tot de rentelasten respectievelijk rentebaten vaste schuld gerekend. Vanaf 2015 zijn voor de renteswaps rentebaten voorzien.

Vanaf september 2014 wordt de Europese accountingssystematiek ESR 95 vervangen door ESR 2010. Een van de gevolgen hiervan is dat rentelasten en -baten als gevolg van renteswaps niet meer mee worden gewogen in het EMU-saldo.

Rentelasten en -baten vlottende schuld

De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates, afgekort als DTC’s), Commercial Paper (CP’s) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. Ook eventuele rentelasten vanwege eoniaswaps maken onderdeel uit van de rentelasten vlottende schuld. Eoniaswaps worden afgesloten om het renterisico van de korte financiering (geldmarkt) op daggeldtarief («overnight») te brengen. Het streven is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief. De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Via het afsluiten van een eoniaswap wordt het rentetarief (en renterisico) teruggebracht op 1 dag.

De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo en uit eventuele rentebaten vanwege eoniaswaps. Ook de rentebaten over de overgenomen schulden van ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) vallen onder deze rubriek.

Uitgaven en ontvangsten voortijdige beëindiging

Uit cashmanagementoverwegingen kunnen DSL’s deels vroegtijdig afgelost worden. Het gaat hier alleen om DSL’s die oorspronkelijk in het lopende of volgende jaar aflossen. Het verschil tussen het nominale bedrag dat afgelost wordt en het bedrag dat daarvoor wordt betaald wordt tot de rentelasten of rentebaten gerekend.

Leningen

Aflossing vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt. Daarnaast kan vanuit cashmanagementoverwegingen besloten worden DSL’s deels vervroegd af te lossen.

Uitgifte vaste schuld en mutatie geldmarkt

De raming van de uitgifte van vaste schuld is gebaseerd op de jaarlijkse financieringsbehoefte. Deze bestaat uit de omvang van de af te lossen vaste schuld en de raming voor het tekort op kasbasis. In principe wordt verondersteld dat de gehele financieringsbehoefte door de uitgifte van DSL’s wordt gefinancierd. In deze veronderstelling muteert de geldmarkt niet, maar blijft gelijk. In de praktijk zal een deel van de financieringsbehoefte echter wel op de geldmarkt gefinancierd worden. Welk deel in 2015 op de geldmarkt en welk deel op de kapitaalmarkt wordt gefinancierd wordt, is pas bekend wanneer het financieringsplan staatsschuld 2015 wordt gepubliceerd (december 2014).

Opdrachten

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten voor de Primary Dealers. De Nederlandse Staat maakt gebruik van een stelsel van momenteel 15 banken (de Primary Dealers) voor de distributie en promotie van Nederlandse Staatsleningen. De Primary Dealers verplichten zich onder andere om DSL’s af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen horen ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten op de secundaire markt en het quoteren van DSL’s en DTC’s.

5.2 Artikel 12: Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is dat publieke middelen doelmatig worden beheerd en financiële risico’s worden voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 29 (voor rechtspersonen met een wettelijke taak), de Wet financiering decentrale overheden 30 (voor decentrale overheden), de Wet financiering sociale verzekeringen en de Zorgverzekeringswet 31(voor sociale fondsen) en de Regeling agentschappen 32 (voor agentschappen).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij schatkistbankieren heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën (de schatkist). Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen sommige categorieën deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van Financiën treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

Kengetallen schatkistbankieren ultimo 2013 (x € miljard)
 

Aantal deelnemers

Middelen in rekening-courant en deposito

Verstrekte leningen

Agentschappen

40

1,7

7,3

RWT's en derden

200

4,6

5,1

Sociale fondsen

10

– 21,8

 

Decentrale overheden

700

6,6

 

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor 2015 geen beleidswijzigingen voorzien.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Uitgaven

8.368

7.918

4.359

4.870

5.937

4.269

5.958

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Rente

             

Rentelasten

36

71

53

260

364

388

392

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

3

           
               

Leningen

             

Verstrekte leningen

1.605

2.057

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's 1

             

Agentschappen

144

           

RWT’s en derden

121

           

Sociale fondsen

6.459

5.790

3.055

3.360

4.323

2.631

4.316

Decentrale Overheden

             
               

Ontvangsten

8.840

4.332

2.732

3.576

3.181

3.204

3.261

               

Rente

             

Rentebaten

483

410

383

553

712

760

881

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging

5

           
               

Leningen

             

Ontvangen aflossingen

2.717

2.821

1.249

1.923

1.369

1.344

1.280

               

Mutaties in rekening-courant en deposito's1

             

Agentschappen

             

RWT’s en derden

             

Sociale fondsen

             

Decentrale Overheden

5.635

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

X Noot
1

Vanaf deze begroting worden de mutaties in rekening-courant en deposito’s niet langer gesaldeerd, maar voor elke groep deelnemers apart weergegeven. Hierdoor staat een deel van de mutaties nu aan de ontvangstenkant van het artikel. Het totaal van de utigaven en ht totaal van de ontvangsten wijkt voor 2013 daardoor af van de bedragen in het jaarverslag 2013, waar uitgaven en ontvangsten nog wel werden gesaldeerd.

D2. Budgetflexibiliteit

De ontvangsten en uitgaven op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito's en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

E: Toelichting op de instrumenten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: rente, leningen en mutaties in rekening-courant en deposito.

Rente

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen van het Rijk aan de deelnemers aan schatkistbankieren. Deelnemers ontvangen rente over een positief saldo op hun rekening-courant en op de deposito’s die ze bij de schatkist hebben geplaatst. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers aan het Rijk betaalde rente op leningen en op roodstanden in de rekening-courant. De verwachte rentebaten zijn hoger dan de verwachte rentelasten. Dit komt doordat er in totaal meer middelen zijn uitgeleend (in de vorm van leningen en roodstand op de rekening-courant) dan dat er in de schatkist wordt aangehouden. Een van de oorzaken hiervan is de roodstand bij de sociale fondsen, maar ook voor Agentschappen en RWT’s is het bedrag aan leningen hoger dan de aangehouden middelen. Daarnaast zijn de rentebaten groter dan de rentelasten omdat het gemiddelde rentetarief dat op leningen wordt ontvangen hoger is dan het rentetarief dat gemiddeld op rekening-courant en deposito’s wordt betaald. Dit is een gevolg van de gemiddeld langere looptijd van de leningen.

Mutaties in rekening-courant en deposito

De posten toename en afname saldi in rekening-courant en deposito geven het bedrag weer dat naar verwachting door alle deelnemers in de schatkist wordt gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). Voor 2015 wordt een uitstroom van middelen, en dus een uitgave voor het Rijk, van € 2,0 mld. geraamd. Deze uitstroom wordt veroorzaakt doordat de sociale fondsen meer uitgeven dan ze aan inkomsten hebben. Hun roodstand neemt daardoor naar verwachting toe met € 3,1 mld. Daar tegenover staat een verwachte instroom van middelen van decentrale overheden van € 1,1 mld, vanwege beleggingen uit het verleden die, zodra ze vrijvallen, in de schatkist moeten worden aangehouden.

Leningen

De post verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geeft de geraamde uitgifte van nieuwe leningen (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk). Als leningen voortijdig worden beëindigd dan worden deze afgelost tegen de marktwaarde van de lening op dat moment. Hierdoor kan gedurende het jaar een extra uitave of ontvangst voor het Rijk ontstaan. Deze worden geboekt als uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging.

6. BIJLAGEN

6.1 RWT’s en ZBO’s

Overzicht RWT's en ZBO's

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1.000)

verwijzing naar (URL-link) website RWT/ZBO

Waarderingskamer

X

X

De Waarderingskamer heeft als belangrijkste taak het houden van toezicht op de waardering van onroerende zaken door de gemeenten in het kader van de Wet WOZ. De Wet WOZ is gericht op een uniforme waardering van onroerende zaken ten behoeve van de belastingheffing door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen. De apparaatskosten worden door de Waarderingskamer in rekening gebracht bij het Rijk (25%), de gemeenten (50%) en de waterschappen (25%).

Art. 1

1.250

www.waarderingskamer.nl

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

X

X

Op grond van de artikel 1 1:25 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is de AFM belast met de uitoefening van het gedragstoezicht. AFM beslist over de toelating van de financiële ondernemingen tot de financiële markten. In 2014 is een wetsvoorstel ingediend ter afschaffing van de overheidsbijdrage. Bij aanname van het voorstel zal de AFM met ingang van het jaar 2015 enkel nog een overheidsbijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden ontvangen. Het toezicht in Nederland zal dan worden gefinancierd vanuit de heffingen die de AFM aan onder toezicht staande instellingen oplegt.

Art. 2

400

www.afm.nl

Nederlands Bureau der Motorrijtuig-verzekeraars

X

 

Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars is verantwoordelijk voor het regelen van schaden door buitenlandse motorrijtuigen in Nederland en staat garant voor betaling van schade als onverzekerde Nederlandse motorvoertuigen in andere bij het groenekaartsysteem aangesloten landen schade veroorzaken. Daarnaast is het Nederlands Bureau op grond van artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) aangewezen als Informatiecentrum waarbij personen die schade hebben geleden die is veroorzaakt door een motorrijtuig uit een EU-lidstaat, informatie kunnen verkrijgen die hen in staat kan stellen een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekeraars oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

Art. 2

0

www.nlbureau.nl

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

X

 

Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt overeenkomstig artikel 26 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) schade aan benadeelden in gevallen, genoemd in artikel 25 Wam. Het betreft onder andere gevallen waarbij de veroorzaker onbekend is gebleven of deze niet verzekerd is. Daarnaast is het Waarborgfonds Motorverkeer ingevolge artikel 27k Wam aangewezen als Schadevergoedingsorgaan. In die hoedanigheid treedt het in specifieke gevallen op bij schaden die in het buitenland zijn veroorzaakt door buitenlandse motorrijtuigen. Het Waarborgfonds Motorverkeer oefent geen openbaar gezag uit en is daarom geen ZBO.

Art. 2

0

www.wbf.nl

Commissie Eindtermen Accountants-opleiding (CEA)

X

X

De Commissie Eindtermen Accountantsopleiding heeft de volgende wettelijke taken:

• Het vaststellen van de eindtermen met inachtneming van de vakgebieden als bedoeld in de beroepsprofielen van de NBA (RA en AA).

• Het aanwijzen van de opleidingen die het theoretisch deel van de accountantsopleiding geheel of gedeeltelijk verzorgen, met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkstage, voor zover deze opleidingen niet zijn geaccrediteerd overeenkomstig artikel 5a.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

• Het toetsen van de praktijkstage aan de mate waarin wordt voldaan aan de eindtermen.

• De afgifte van de verklaring van vakbekwaamheid: toelating tot het accountantsberoep van buitenlandse accountants.

Art. 2

0

www.ceaweb.nl

De Nederlandsche Bank (DNB)

X

X

Op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) oefent DNB het prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit (art. 1.24 Wft). DNB beslist over de toelating van de financiële ondernemingen tot de financiële markten. In 2014 is een wetsvoorstel ingediend ter afschaffing van de overheidsbijdrage. Bij aanname van het voorstel zal DNB met ingang van het jaar 2015 enkel nog een overheidsbijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden ontvangen. Het toezicht in Nederland zal dan worden gefinancierd vanuit de heffingen die DNB aan onder toezicht staande instellingen oplegt. Verder vervult DNB een intermediaire rol voor het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is voor haar financiering in belangrijke mate aangewezen op een overheidsbijdrage. Deze bijdrage wordt door tussenkomst van DNB verstrekt.

Art 2

2.013

www.dnb.nl

Stichting Administratie Kantoor financiële Instellingen (NLFI)

X

 

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI) is op 1 juli 2011 opgericht op grond van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. NLFI voert het privaatrechtelijke beheer over de deelnemingen van de Staat der Nederlanden in de vennootschappen ABN AMRO Group N.V, ASR Nederland N.V., RFS Holdings B.V., SNS REAAL N.V., Propertize B.V. en NLFI Financial Investment B.V. Het Rijk vergoedt de kosten die NLFI maakt. De Minister van Financiën brengt een groot deel van deze kosten in rekening bij de vennootschappen waarvan aandelen door de stichting worden beheerd, op grond van het besluit houdende regels inzake doorberekening van kosten van de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen.

Art 3

17.100

ww.nlfi.nl

Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO)

 

X

De Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO, voorheen Stichting Maror-gelden Overheid) is belast met de afwikkeling van onder het publiekrechtelijke regime afgegeven beschikkingen en is een ZBO. De Minister houdt toezicht op SAMO, dit is vastgelegd in de statuten. Ter dekking van de uitvoeringskosten is in 2005 een eenmalige subsidie van € 1,7 mln. aan SAMO verstrekt, voor de resterende doorlooptijd van SAMO. De Algemene Rekenkamer houdt bevoegdheden bij de SAMO. In 2013 is SAMO opgeheven.

Art. 8

0

www.maror.nl

6.2 Subsidieoverzicht

Tabel subsidies (bedragen x € 1.000)

Artikel

Subsidie

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Aantal verleningen 2015

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (Jaartal)

Einddatum subsidie(regeling) (jaartal)

Artikel 2

CDFD (www.cdfd.nl)

1.383

1.280

1.499

1.497

1.500

1.497

1.499

1

2013

2018

Niet van toepassing

Artikel 2

Geldmuseum (www.geldmuseum.nl)

1.500

           

0

 

Niet van toepassing

2013

Artikel 4

Technische assistentie kiesgroeplanden

 

68

         

0

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Totaal subsidieregelingen

2.883

1.280

1.499

1.497

1.500

1.497

1.499

       

* vanaf 2014 wordt er geen subsidie meer aan het Geldmuseum verstrekt (zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 640 IX, nr. 2)

Overzicht subsidies

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de subsidies van het Ministerie van Financiën. Binnen deze bijlage wordt de subsidiedefinitie van de Algemene wet bestuursrecht gebruikt. De Algemene wet bestuursrecht definieert een subsidie als volgt (artikel 4.21 Awb):

«De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

6.3 Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Artikel

Start

Afronding

Vindplaats

1. Onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

         

1a. Beleidsdoorlichting

         
 

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

art. 1

2015

2015

 
 

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beherenv an de financiële en materiële activa van de Staat.

art. 3

2012

2012

www.rijksoverheid.nl/

ministeries/fin

/documenten-en-publicaties/

kamerstukken/

2013/03/01/bijlage-ibo-staatsdeelnemingen.html

 

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven

art. 2

2017

2017

 
 

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beherenv an de financiële en materiële activa van de Staat.

art. 3

2016

2016

 
 

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

art. 4

2015

2015

 
 

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

art. 4

2019

2019

 
 

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van Exportkredietverzekeringsfaciliteit.

art. 5

2014

2014

 
 

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van Exportkredietverzekeringsfaciliteit.

art. 5

2018

2018

 
 

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

art. 6

2016

2016

 
 

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

art. 7

2011

2013

Kamerstukken 2013/2014, 31 935, nr. 12

 

Financieel en economisch beleid van de overheid

art. 8

2016

2016

 
 

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

art. 11

2015

2015

 
 

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

art. 11

2019

2019

 
 

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

art. 12

2014

2014

 
 

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

art. 12

2018

2018

 
           
           

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en/of doelmatigheid

         
 

Effect uitvoering toezicht MGO/ZGO op doelstelling compliance

art. 1

2011

2012

http://www.rijksoverheid.nl/documenten_en_ publicaties/ rapporten/2012/06/20/ rapport_van_de_commissie_ stevens_over_ horizontaal_toezicht_ bij_de_belastingdienst.html

 

Effect uitvoering toezicht Toeslagen op doelstelling compliance.

art. 1

2011

2014

 
 

Effect uitvoering toezicht Douane op doelstelling compliance.

art. 1

2012

2013

 
 

Giftenaftrek

art. 1

2016

2016

 
 

Faciliteiten successiewet algemeen nut beogende instellingen

art. 1

2014

2014

 
 

Doorschuiving inkomen uit aanmerkelijk belang

art. 1

2014

2014

 
 

Vrijstelling oldtimers

art. 1

2019

2019

 
           

2. Overige onderzoek

         
 

Fiscale Monitor

art. 1

jaarlijks

jaarlijks

www.belastingdienst.nl

 

Evaluatie toezicht accountants

art. 2

2013

2013

 
 

Rapportage DBFMO (op verzoek van TK)

art. 3

2012

2012

www.rijksoverheid.nl

/ministeries/fin

/documenten-en-publicaties/brieven

/2012/12/18/

Voortgangsrapportage

– dbfm-o-2012.html

 

FATF-evaluatie

art. 2

2010

2011

www.imf.org/

external/np/ms/

2010/121410.htm

 

Onderzoek ARK naar DBFMO

art. 3

2012

2013

www.rekenkamer.nl

/Publicaties

/Onderzoeksrapporten

/Introducties/2013/06

/Contractmanagement

_bij_DBFMO_projecten

 

DBFMO voortgangsrapportage 2013/2014

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Gasrotonde: nut, noodzaak en risico’s

art. 3

2010

2012

Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk 33 292, nr. 1

 

Onderzoek ARK naar Tennet en Beheer landelijk electriciteitsnet

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Visie op staatsdeelnemingen

art. 3

2013

2014

 
 

Onderzoek ARK naar Monitoring maatregelen kredietcrisis

art. 2 en 3

Doorlopend

   
 

PPS voortgangsrapportage 2009–2010

art. 3

2013

2014

 
 

jaarlijkse beoordeling Nederlands Stabiliteitsprogramma door EFC/Ecofin

art. 8

jaarlijks

jaarlijks

www.europa-nu.nl/id/vj11473teazf/

aanbeveling_van_de_

raad_over_het

 

Jaarlijkse IMF-artikel IV consultatie

art. 8

jaarlijks

jaarlijks

www.rijksoverheid.nl/

ministeries/fin

/documenten-en-publicaties

/kamerstukken/

2013/03/19

/concluding-statement- imf.html

6.4 Verdiepingshoofdstukken

Artikel 1 Belastingen
Opbouw uitgaven artikel 1 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

74.200

28.391

28.946

26.096

25.916

 
             

Nieuwe mutaties

           

Loonbijstelling

 

3.901

3.816

3.757

3.724

 

Overboeking P-Direkt

 

– 18.120

– 17.805

– 17.499

– 17.106

 

Overig

2.639

– 821

– 1.033

– 1.026

– 1.240

 

Extrapolatie

         

3.010.021

             

Stand ontwerpbegroting 2015

3.374.278

3.222.131

3.145.770

3.045.293

3.008.763

3.010.021

Opbouw ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

115.246.411

121.794.539

128.361.154

135.584.598

140.684.097

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

– 6.895.121

31.000

129.000

174.000

208.000

 
             

Nieuwe mutaties

           

Belastingontvangsten

7.915.202

– 6.278.409

– 13.077.826

– 14.265.969

– 16.043.787

 

Extrapolatie

         

128.111.934

             

Stand ontwerpbegroting 2015

116.266.492

115.547.130

115.412.328

121.492.629

124.848.310

128.111.934

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Loonbijstelling

Dit betreft de toegekende loonbijstelling tranche 2015.

Overboeking P-Direkt

Per 1 januari 2015 wordt voor het shared service center P-Direkt gewerkt met centrale bekostiging, waardoor het totale budget identificeerbaar op de begroting van het Ministerie van BZK komt te staan. De structurele budgettaire reeks van het Ministerie van Financiën wordt daartoe overgeheveld naar BZK.

Ontvangsten

Belastingontvangsten

Zie de Miljoenennota voor een toelichting op de belastingontvangsten.

Artikel 2 Financiële markten
Opbouw uitgaven artikel 2 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

7.994

3.613

2.696

2.178

2.178

 
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

– 6

– 312

– 923

71

68

 

Extrapolatie

         

18.858

             

Stand ontwerpbegroting 2015

64.992

21.500

20.605

18.858

18.855

18.858

Opbouw ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

162.931

7.597

7.377

7.288

7.108

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

– 48.384

3.918

3.001

2.483

2.483

 
             

Nieuwe mutaties

           

Verkoop vordering Landsbanki/IceSave

623.000

         

Overig

497

1.000

300

300

300

 

Extrapolatie

         

8.691

             

Stand ontwerpbegroting 2015

738.044

12.515

10.678

10.071

9.891

8.691

Verkoop vordering Landsbanki/IceSave

In 2008/2009 heeft De Nederlandsche Bank na het faillissement van Landsbanki een bedrag uitgekeerd van € 1,6 mld. aan de depositohouders. Hiervan namen de Nederlandse banken € 208 mln. voor hun rekening en de Nederlandse Staat € 1,4 mln. Door boedeluitkeringen is tot op heden € 811 mln. geïncasseerd. Aan hoofdsom staat derhalve, voor zover het de Nederlandse staat betreft, nog € 617 mln. open. De resterende vordering is verkocht en voorziet in een opbrengst voor de Nederlandse Staat van circa € 623 mln.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector
Opbouw uitgaven artikel 3 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

1.652.866

1.589.366

1.356.367

1.167.367

943.367

 

Mutatie NvW 2014

3.748.000

– 1.575.000

– 1.342.000

– 1.153.000

– 929.000

 

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

– 2.592.707

4.948

4.948

4.948

4.948

 
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

– 50

         

Extrapolatie

         

19.315

             

Stand ontwerpbegroting 2015

2.808.109

19.314

19.315

19.315

19.315

19.315

Opbouw ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

4.864.748

4.050.438

2.496.397

2.192.397

1.884.397

 

Mutatie NvW 2014

3.747.000

– 1.576.000

– 1.342.000

– 1.152.000

– 928.000

 

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

– 942.650

– 29.949

124.651

149.651

174.651

 
             

Nieuwe mutaties

           

Superdividend Urenco

 

20.000

95.000

65.000

55.000

 

Dividend Staatsdeelnemingen

110.000

         

Afdrachten Holland Casino

 

– 10.000

– 10.000

     

Afdrachten Staatsloterij

– 6.000

         

Dividend Financiële Instellingen

 

400.000

       

Winstafdracht DNB

 

75.000

– 134.000

– 145.000

– 153.000

 

Overig

73

2

2

2

2

 

Extrapolatie

         

949.050

             

Stand ontwerpbegroting 2015

7.753.171

2.929.491

1.230.050

1.110.050

1.033.050

949.050

Toelichting belangrijkste mutaties

Ontvangsten

Superdividend Urenco

De verwachte dividendontvangsten zijn aangepast aan het businessplan van Urenco. Het is de verwachting dat Urenco tijdelijk meer dan 100% van de winst als dividend zal uitkeren. Het deel dat boven de 100% komt, wordt aangemerkt als superdividend. Superdividend telt niet mee in het EMU-saldo en is daarom niet relevant voor het uitgavenkader.

Dividend Staatsdeelnemingen

Op portefeuilleniveau wordt rekening gehouden met de risico’s bij de verschillende staatsdeelnemingen. De dividendontvangsten hebben zich in 2014 ontwikkeld zoals verwacht, hierdoor kan de raming worden bijgesteld.

Afdrachten Holland Casino

Holland Casino voert een herstructurering door om zo een financieel solide basis te creëren om zelfstandig in een gemoderniseerde kansspelmarkt te opereren. Waarschijnlijk wordt er tot en met 2017 geen winst afgedragen.

Afdrachten Staatsloterij

De afdrachten van SENS blijven onder druk staan als gevolg van de dalende vraag naar de producten die de Staatsloterij aanbiedt. De financiële gevolgen van een mogelijke fusie met de Lotto zijn niet verwerkt.

Dividend Financiële Instellingen

De stelpost op artikel 10 in verband met de moeilijk te ramen dividenden van financiële instellingen is voor 2015 overgeboekt naar artikel 3.

Winstafdracht DNB

Dit betreft een bijstelling van de raming van de winstafdracht DNB door de lagere rente en de versnelde afname van de ECB-crisismaatregelen.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen
Opbouw uitgaven artikel 4 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

1.119.514

447.187

399.010

270.229

254.438

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

1.089

549

1.500

 

59.253

 
             

Nieuwe mutaties

           

IDA Betaalschema

– 26.340

– 63.659

45.000

46.778

   

Extrapolatie

         

304.692

             

Stand ontwerpbegroting 2015

1.094.263

384.077

445.510

317.007

313.691

304.692

Opbouw ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

29.970

56.336

72.133

87.848

87.848

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

– 4.896

         
             

Nieuwe mutaties

           

Rentebijstelling Griekenland

– 7.961

– 31.757

       

Extrapolatie

         

87.848

             

Stand ontwerpbegroting 2015

17.113

24.579

72.133

87.848

87.848

87.848

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

IDA Betaalschema

Het IDA betaalschema is aangepast ten behoeve van het HGIS tekort. Door zo te schuiven met IDA betalingen kan er in de kalenderjaren 2014 en 2015 € 90 mln. worden vrijgespeeld. Dit bedrag zal in de twee daarop volgende jaren als extra betaling worden verricht. Dit betekent wel dat Nederland in 2017 nog een extra betaling van € 1,8 mln. moet doen om de zogeheten netto contante waarde van de overeengekomen bijdrage aan IDA-16 in stand te houden, alsmede verwatering van het Nederlandse aandeel te voorkomen. Dit bedrag zal ten laste komen aan de HGIS-begroting.

Ontvangsten

Rente bijstelling Griekenland

Dit betreft een bijstelling van de raming van de rente op de lening aan Griekenland naar aanleiding van een nieuwe rekenrente van het CPB.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen,-garanties en investeringsverzekeringen
Opbouw uitgaven artikel 5 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

110.006

118.006

118.006

118.006

118.006

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

           
             

Nieuwe mutaties

           

Schade-uitgaven EKV

– 11.900

– 30.000

– 30.000

– 30.000

– 30.000

 

Overig

60

52

50

52

49

 

Extrapolatie

         

88.057

             

Stand ontwerpbegroting 2015

98.166

88.058

88.056

88.058

88.055

88.057

Opbouw ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

99.500

83.750

82.250

82.250

69.750

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

41.441

         
             

Nieuwe mutaties

           

Premieontvangsten EKV

25.858

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Schaderestituties EKV

22.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Overig

 

– 500

– 500

– 500

– 500

 

Extrapolaties

         

77.717

             

Stand ontwerpbegroting 2015

188.799

103.250

101.750

101.750

89.250

77.717

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Schade-uitgaven EKV

De schaderaming is aangepast aan de nieuwe systematiek van de vanaf 2015 op te richten begrotingsreserve. De schade-uitgaven laten een volatiel verloop zien, daarom is een begrotingsreserve geschikt bij deze garantieregeling. Daarnaast hebben zich in 2014 tot op heden minder schades voorgedaan dan geraamd, waardoor de raming naar beneden is bijgesteld.

Ontvangsten

Premieontvangsten EKV

Door een aantal grote transacties zijn er dit jaar meer premieontvangsten dan geraamd. Er zijn in 2014 tot op heden drie relatief grote verzekeringspolissen uitgereikt, waarbij de maximale schadevergoeding € 200 mln. of hoger bedroeg, op debiteuren in Indonesië, Nederland en Brazilië. Het gaat om exporttransacties in de scheepsbouwsector. Meer specifieke informatie over de afgegeven polissen in 2014, kan worden teruggevonden op de website van Atradius DSB 33.

Schaderestituties EKV

De schaderestituties zijn boven verwachting, daarnaast zijn er meer schaderestituties ontvangen op regelingen buiten de Club van Parijs en is er sprake van een koersrisicopolis met een positief resultaat. De eerste terugbetaling van Argentinië naar aanleiding van het schuldenakkoord met de Club van Parijs is hierin nog niet verwerkt, deze zal worden verwerkt in de tweede suppletoire begroting en de Najaarsnota van 2014.

Artikel 6 BTW-Compensatiefonds
Opbouw uitgaven Artikel 6 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

971

         
             

Nieuwe mutaties

           

RSP Zuiderzeelijn

2.846

         

Bijstelling Btw-Compensatiefonds

80.885

84.458

84.636

84.755

84.755

 

Overig

           

Extrapolatie

         

2.901.122

             

Stand ontwerpbegroting 2015

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

Opbouw ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

971

         
             

Nieuwe mutaties

           

RSP Zuiderzeelijn

2.846

         

Bijstelling Btw-Compensatiefonds

80.885

84.458

84.636

84.755

84.755

 

Overig

           

Extrapolatie

         

2.901.122

             

Stand ontwerpbegroting 2015

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

2.901.122

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven en ontvangsten

Bijstelling btw-compensatiefonds

De raming van het fonds is aangepast op basis van de jaarbeschikking over 2013, (geraamde) voorschotten en voorgenomen beleidsmutaties.

RSP Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

In 2014 wordt aan het gemeentefonds € 56,9 mln. toegevoegd ten gunste van de gemeente Assen voor het project FlorijnAs in verband met RegioSpecifiekPakket (RSP) Zuiderzeelijn. Het aandeel compensabele btw in dit bedrag wordt – ter voorkoming van dubbele compensatie – overgeheveld naar het btw-compensatiefonds (BCF).

Artikel 7 Beheer materiële activa
Opbouw uitgaven Artikel 7 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

306

306

306

306

306

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

           
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

– 168

         

Extrapolatie

         

306

             

Stand ontwerpbegroting 2015

138

306

306

306

306

306

Opbouw ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

           
             

Nieuwe mutaties

           

Overig

500

         

Extrapolatie

         

1.800

             

Stand ontwerpbegroting 2015

2.300

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

Artikel 8 Centraal Apparaat
Opbouw uitgaven Artikel 8 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

4.118

6.915

6.847

6.850

6.850

 
             

Nieuwe mutaties

           

DRZ Kasverplichtingenstelsel

 

28.462

24.454

26.553

24.553

 

Desaldering externe inhuur ADR

4.000

         

Overig

2.108

– 227

– 202

– 197

– 215

 

Extrapolatie

         

221.380

             

Stand ontwerpbegroting 2015

214.914

236.162

228.103

225.064

221.369

221.380

Opbouw ontvangsten Artikel 8 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

30.385

31.511

31.161

31.165

31.015

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

395

– 4.070

– 4.070

– 4.070

– 4.070

 
             

Nieuwe mutaties

           

DRZ Kasverplichtingenstelsel

 

28.462

24.454

26.553

24.553

 

Desaldering externe inhuur ADR

4.000

         

Overig

3.656

         

Extrapolatie

         

51.498

             

Stand ontwerpbegroting 2015

38.436

55.903

51.545

53.648

51.498

51.498

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven en ontvangsten

DRZ Kasverplichtingenstelsel

Domeinen Roerende Zaken (DRZ) verliest per 1 januari 2015 zijn status als agentschap en gaat over van het baten-lastenstelsel naar het kas-verplichtingenstelsel van het moederdepartement. De mutaties, aan zowel uitgaven- als ontvangstenkant, vormen de omzetting van baten/lasten naar kas/verplichtingen. De mutaties zijn budgettair neutraal verwerkt.

Desaldering externe inhuur ADR

Bij de ADR zijn de verwachte uitgaven € 4 mln. hoger dan begroot. Hier staan ook € 4 mln. extra ontvangsten tegenover. Dit heeft te maken met controle van Europese middelen. Er wordt extra capaciteit ingehuurd bij externe bureaus waarvan de extra uitgaven een op een doorbelast worden aan de verantwoordelijke ministeries.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien
Opbouw uitgaven Artikel 10 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

2.617

2.134

2.658

2.724

2.633

 
             

Nieuwe mutaties

           

Reservering ICT problematiek BD

 

50.000

50.000

50.000

50.000

 

Verdelen loonbijstelling

– 4.337

– 4.157

– 4.067

– 3.995

– 3.959

 

Overig

2.234

– 882

– 537

– 421

– 186

 

Extrapolatie

         

51.977

             

Stand ontwerpbegroting 2015

3.939

50.043

51.422

50.280

50.280

51.977

Opbouw ontvangsten Artikel 10 (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

400.000

400.000

400.000

400.000

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

           
             

Nieuwe mutaties

           

Overboeking dividend financiële instellingen

 

– 400.000

       

Extrapolatie

         

400.000

             

Stand ontwerpbegroting 2015

   

400.000

400.000

400.000

400.000

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Stelpost begroting IX

Er is een stelpost opgenomen voor problematiek binnen de Financiën begroting. Deze middelen zijn o.a. voor de ICT-capaciteit bij de belastingdienst.

Ontvangsten

Overboeking dividend financiële instellingen

De stelpost op artikel 10 in verband met de moeilijk te ramen dividenden van financiële instellingen is voor 2015 overgeboekt naar artikel 3.

Loonbijstelling

De jaarlijkse loonbijstelling is verdeeld binnen de begroting.

Artikel 11 Financiering staatsschuld
Opbouw uitgaven Artikel 11 (x € 1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

41.563

59.093

35.631

46.185

44.423

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting

5.017

– 4.042

– 907

4.978

– 706

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rente Vaste Schuld

– 117

– 508

– 786

– 794

– 752

 

Rente Vlottende Schuld

– 53

– 77

69

75

80

 

Uitgaven voortijdige beeindiging

47

         

Aflossing vaste schuld

2.688

– 3.993

6.408

6.626

   

Mutatie vlottende schuld

– 1.147

         

Extrapolatie

         

42.508

             

Stand ontwerpbegroting 2015

47.997

50.474

40.415

57.070

43.046

42.508

Opbouw ontvangsten Artikel 11 (x €1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting

1.835

– 2.845

165

6.059

296

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rentebaten vaste schuld

50

152

184

224

231

 

Rentebaten vlottende schuld

1

0

1

1

2

 

Uitgifte vaste schuld

 

– 6.469

4.162

5.024

– 3.439

 

Mutatie vlottende schuld

2.950

         

Extrapolatie

         

45.103

             

Stand ontwerpbegroting 2015

53.364

55.364

45.725

61.780

43.696

45.103

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Uitgaven en ontvangsten

Door een nieuw kastekort en realisaties zijn de ramingen voor rente en uitgifte schuld bijgesteld.

Artikel 12 Kasbeheer
Opbouw uitgaven Artikel 12 (x €1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting

– 1.573

– 4.122

– 4.842

– 5.285

– 5.367

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rentelasten

13

– 15

14

19

18

 

Verstrekte leningen

– 123

– 250

– 250

– 250

– 250

 

Mutatie in rekening-courant en deposito

2.423

2.174

– 25

– 1.364

– 4.156

 

Extrapolatie

         

5.958

             

Stand ontwerpbegroting 2015

7.918

4.359

4.870

5.937

4.269

5.958

Opbouw ontvangsten Artikel 12 (x € 1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

 

Mutatie NvW 2014

           

Mutatie amendement 2014

           

Mutatie 1e suppletoire begroting

129

– 164

245

– 338

– 322

 
             

Nieuwe mutaties

           

Rentebaten

– 7

– 21

– 15

– 73

– 199

 

Aflossingen op leningen

– 10

– 16

1

– 35

– 241

 

Mutatie in rekening-courant en deposito

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

 

Extrapolatie

         

3.261

             

Stand ontwerpbegroting 2015

4.332

2.732

3.576

3.181

3.204

3.261

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Verstrekte leningen

Met name door RWT's worden minder leenaanvragen gedaan dan in het verleden. De raming voor de verstrekte leningen is daarom naar beneden bijgesteld.

Mutatie in rekening-courant en deposito

De mutatie van de verwachte afname van rekening-courantsaldi wordt veroorzaakt door ontwikkelingen bij sociale fondsen.

Ontvangsten

Rentebaten

De raming van de te ontvangen rente is naar beneden bijgesteld omdat er naar verwachting minder leningen worden verstrekt en omdat het geraamde rentepercentage op de te verstrekken leningen is gedaald.

Mutatie in rekening-courant en deposito

De mutatie van de verwachte toename van rekening-courantsaldi wordt veroorzaakt door de deelname van decentrale overheden aan schatkistbankieren. Het geleidelijk afbouwen van bestaande beleggingen zorgt de komende jaren voor een instroom van middelen in de schatkist.

6.5 Begrippenlijst

Agentschap / Baten-lastendienst

Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de Minister van Financiën.

Bazels Comité

Het Basel Committee on Banking Supervision is een internationaal comitee voor toezichthouders op banken

Callable capital

Dat is kapitaal dat door een internationale organisatie kan worden ingeroepen, als deze niet kan voldoen aan zijn financiële verplichtingen. In het geval van IFI’s gaat het vooral om garantiekapitaal wat door deelnemende leden is afgegeven.

Commercial Paper (CP)

Schuldbewijzen met een korte looptijd die kunnen worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. Bovendien bestaat de mogelijkheid uit te geven in vreemde valuta. CP is een aanvulling op het DTC programma voor wat betreft de kortere looptijden.

Compliance

Het onderhouden en versterken van de bereidheid van belastingplichtigen tot nakoming van de wettelijke verplichtingen.

Comptabiliteitswet 2001

In de Comptabiliteitswet 2001 is het beheer van de financiën van het Rijk vastgesteld. De diverse hoofdstukken in deze wet gaan in op onder andere de begroting, het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het Rijk, het toezicht van de ministers en de verantwoording van het Rijk.

Corporate governance

Het besturen van een onderneming, het afleggen van verantwoording daarover en de verdeling van de verschillende daarvoor relevante bevoegdheden over de organen van de onderneming.

Deposito

Het deposito is geld dat door een belegger voor een bepaalde rentevaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een bank of – in het geval van geïntegreerd middelenbeheer – bij de schatkist van de rijksoverheid. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot meerdere jaren.

Dutch State Loans (DSL’s)

Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.

Dutch Treasury Certificates (DTC's)

Engelse benaming voor Nederlands schatkistpapier. Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC's worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. DTC wordt uitgegeven in looptijden van 3 tot en met 12 maanden op vooraf vastgestelde data.

Fiscale monitor

Enquêtes die jaarlijks onder de belastingplichtigen worden gehouden over de kwaliteit van de dienstverlening door de Belastingdienst.

Kassaldo

Het verschil tussen de ontvangsten en uitgaven op kasbasis van het Rijk (inclusief deelnemers schatkistbankieren).

EMU-schuld

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.

Gecentreerde portefeuille

Een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven.

Geïntegreerd middelenbeheer

Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).

Liquiditeit

In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote aan- en verkooporders verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.

Nationale schuld

Vaste en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.

NLFI

NLFI is de enig aandeelhouder in ABN AMRO Group N.V., ASR Nederland N.V. en NLFI Financial Investments B.V. (voorheen ABN AMRO Preferred Investments B.V.). De aandelen in deze vennootschappen zijn in 2011 overgedragen door de Staat der Nederlanden.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publiek geld, welk geld is verkregen bij of krachtens de wet ingestelde heffing.

Rekening-courant

Een rekening waarover in de regel giraal betalingsverkeer wordt afgewikkeld en waaruit (een deel van) de onderlinge financiële verhouding is op te maken tussen de houder van de rekening en de instelling alwaar de rekening wordt aangehouden.

Rekenrente

Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers (bron CPB).

Renteswap

Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).

Senior schuld

Senior schuld geniet bij de uitbetaling prioriteit op achtergestelde (junior) schulden.

Seno-Gom

Stichting Economische samenwerking Nederland – Oost Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten

Staatsschuld

Het totaal van de uitstaande geldelijke leningen van de Staat (vaste en vlottende schuld) is de bruto staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar vormen de vaste (gevestigde) staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar vormen de vlottende staatsschuld. Soms wordt een ruimere definitie gebruikt voor de vlottende staatsschuld, namelijk bestaande uit leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal twee jaar. De staatsschuld is niet gelijk aan de EMU-schuld, die een breder begrip meet.

Vaste schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt ook wel gevestigde schuld genoemd.

Vlottende schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar.

6.6 Lijst met afkortingen

A

 

ADR

Auditdienst Rijk

ADSB

Atradius Dutch State Business

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AR

Aflopende regelingen

Awb

Algemene Wet Bestuursrecht

Awir

Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen

Awr

Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

   

B

 

BBP

Bruto Binnenlands Product

BCF

btw-compensatiefonds

BERB

Bedrijfseconomische Resultaatsbepaling

BGFO

Besluit Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen

BIS

Bank for International Settlements

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

   

C

 

CAOP

Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel

CDFD

College Deskundigheid Financiële Dienstverlening

CP

Commercial Paper

CFATF

Caribbean Financial Action Task Force

CR

Crisisregelingen

CRR

Commissie Risicoregelingen

   

D

 

DBFMO

Design, Build, Finance, Maintain, Operate

DNB

De Nederlandsche Bank

DRZ

Domeinen Roerende Zaken

DSL

Dutch State Loan

DTC

Dutch Treasury Certificate

   

E

 

EBRD

European Bank for Reconstruction and Development

ECOFIN

Economic and Financial Affairs Council

EDF

European Development Fund

EFSF

European Financial Stability Facility

EFSM

European Financial Stabilisation Mechanism

EIB

European Investment Bank

EKG

Exportkredietgarantiefaciliteit

EKV

Exportkredietverzekering

EMU

Europese Monetaire Unie

Eonia

European Overnight Index Average

ERM-II

Exchange Rate Mechanism

ESM

Europese stabiliteitsmechanisme

EU

Europese Unie

   

F

 

FATF

Financial Action Task Force on money laundering

FIOD

Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst

FJR

Financieel Jaarverslag van het Rijk

   

G

 

G20

De G20 (Groep van 20) is een groep bestaande uit 19 landen en de Europese Unie.

H

 

HT

Horizontaal Toezicht

   

I

 

IABF

Illiquid Assets Back-up Facility

IASB

International Accounting Standards Board

IBRD

International Bank for Reconstruction and Development

IDA

International Development Association

IFI

Internationale Financiële Instelling

IMF

Internationaal Monetair Fonds

IR

Internationale regelingen

IV

Informatievoorziening

   

K

 

KFD

Kernfysische Dienst

   

M

 

MCN

Mandatory Convertible Note

MGO

Middelgrote ondernemingen

MIGA

Multilateral Investment Guarantee Agency

MJN

Miljoenennota

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MTO

Middellangetermijndoelstelling

   

N

 

NHT

Nationale Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden

NLFI

NL Financial Investments

   

O

 

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

   

P

 

PPC

Publiek Private Comparator

PPI

Publiek-Private Investering

PPS

Publiek-private samenwerking

   

R

 

RGD

Rijksgebouwendienst

RIV

Regeling Investeringen

RR

Reguliere regelingen

RSP

RegioSpecifiekPakket

RVOB

Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf

RVR

Raad voor Vastgoed Rijksoverheid

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

   

S

 

SAMO

Stichting Afwikkeling Maror-gelden

SBP

Strategisch Behandelplan

SBR

Standard Business Reporting

SDR

Special Drawing Rights

SENO-GOM

Stichting Economische Samenwerking Nederland Oost- Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten

SG

Secretaris-generaal

SRM

Single Resolution Mechanism

SSO

Shared Service Organisaties

STAK

Wet Stichting Administratiekantoor financiële instellingen

   

T

 

TK

Tweede Kamer

   

V

 

VGEM

Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu

VIA

Vooringevulde Aangifte

   

W

 

WAKO

Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen

Wft

Wet op het financieel toezicht

WOZ

Wet Waardering Onroerende Zaken

Wwft

Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme

   

Z

 

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZGO

Zeer Grote Ondernemingen

ZZP

Zelfstandigen Zonder Personeel

6.7 Moties en toezeggingen

Deze bijlage bevat de stand van zaken van alle nieuwe moties en toezeggingen sinds de vorige begroting, de nog openstaande moties en toezeggingen uit voorgaande jaren en de moties en toezeggingen die sinds de vorige begroting zijn afgehandeld. De bijlage bestaat uit twee delen een fiscaal deel en een niet-fiscaal deel.

FISCAAL

Onderdeel A.1 Moties waarvan de uitvoering is afgerond

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2011–2012

Braakhuis verzoekt de regering bij de winstbox afschaffing van het urencriterium te betrekken.

Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 79

Aangenomen 17 november 2011

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 447, nr. 6

2.

2011–2012

Van Gent c.s. verzoekt de regering bij het onderzoek naar het afschaffen van het urencriterium ook de aanvraag van kinderopvangtoeslag te betrekken.

Kamerstukken II 2011/12, 31 322, nr. 149

Aangenomen 13 december 2011

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 447, nr. 6

3.

2012–2013

Van der Staaij c.s. verzoekt de regering in kaart te brengen op welke wijze bedrijven en particulieren extra gestimuleerd kunnen worden tot geefgedrag om een hogere eigen financiële inbreng van maatschappelijke organisaties mogelijk te maken en hierbij ook de mogelijkheden van de Geefwet te betrekken.

Kamerstukken II 2012/13, 33 400 V, nr. 79

Aangenomen 20 december 2012

Afgerond door Minister Ploumen bij de behandeling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelings-samenwerking (XVII) voor het jaar 2014 op 28 november 2013. Kamerstuk nog niet beschikbaar.

4.

2013–2014

Van Vliet verzoekt de regering bij toekomstige wetgevingstrajecten de financiële gevolgen voor burgers beter uit te leggen en niet alleen maar te baseren op puntenwolken. Voorbeeld Wet uniformering loonbegrip.

Kamerstukken II 2013/14, 33 682, nr. 8

Aangenomen 19 november 2013

Afgerond bij brief van de Minister van SZW van 20 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 682, nr. 12

5.

2013–2014

Groot verzoekt de regering lessen te trekken en bij nieuwe wetgeving te voorzien van een duidelijk plan van communicatie en een toets op de effecten op loonstrookjes en de Kamer hierover per brief te rapporteren.

Kamerstukken II 2013/14, 33 682, nr. 11

Aangenomen 19 november 2013

Afgerond bij brief van de Minister van SZW van 20 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 32 131, nr. 12

6.

2013–2014

Ojik verzoekt de regering de Kamer nog in 2013 te informeren in welke gevallen een bedrijf de verplichting heeft om uiterlijk 13 maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar te maken en hoeveel bedrijven dit de afgelopen vijf jaar hebben verzuimd.

Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 56

Aangenomen 19 november 2013

Afgerond voor het Ministerie van Financiën. Eerst verantwoordelijke is Minister van EZ.

7.

2013–2014

Vos c.s verzoekt de regering de vrijstelling van energiebelasting van toepassing te laten zijn zoals nu verwoord in artikel 50, vijfde lid, onderdeel a, en niet de voorwaarde op te leggen dat de opwekking voor eigen rekening en risico van de verbruiker moet plaatsvinden om voor vrijstelling van energiebelasting in aanmerking te komen.

Kamerstukken I 2013/14, 33 493, F

Aangenomen 17 december 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken I 2013/14, 33 752, N

8.

2013–2014

Merkies verzoekt de regering om op korte termijn een verzoek te doen voor het verlenen van invorderingsbijstand van huurtoeslagschulden bij de Bulgaarse autoriteiten en de Kamer hier binnen zes weken over te informeren.

Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 452

Aangenomen 21 januari 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

9.

2013–2014

Koolmees c.s. verzoekt de regering zich maximaal in te zetten op het innen van onterecht uitgekeerde toeslagen en opgelegde boetes en iedere twee maanden een rapportage aan de Kamer te sturen over de voortgang en de inzet van de Staatssecretaris op dit punt.

Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 456

Aangenomen 21 januari 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

10.

2013–2014

Heerma verzoekt de regering om de Raad voor de rechtspraak te vragen om te komen tot een standaardrekenregel tot aanpassing van de hoogte van kinderalimentatie.

Kamerstukken II 2013/14, 33 716, nr. 23

Aangenomen 11 maart 2014

Afgerond voor het Ministerie van Financiën. Eerst verantwoordelijke is de Minister van V&J.

11.

2013–2014

Oosenbrug en van der Linde verzoeken de regering voor nieuwe zzp-ers een btw-identificatienummer te gebruiken dat niet gekoppeld is aan het burgerservicenummer en bestaande zzp-ers de mogelijkheid te bieden een nieuw btw-identificatienummer aan te vragen.

Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VII, nr. 23

Aangenomen 3 december 2013

Afgerond bij brief van deStaatssecretaris van Financiën van 9 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 210

12.

2012–2013

Van Veldhoven verzoekt de regering de landgoederenregeling te evalueren en voorstellen te ontwikkelen om deze meer te richten op het bevorderen van het beschermen en openstellen van echte landgoederen en de beschikkingen van bestaande landgoederen te herkeuren.

Kamerstukken II 2012/13, 33 400 XIII, nr. 90

Aangenomen 29 januari 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

13.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering, maatregelen te nemen om agressieve taksplanning in de nieuwe situatie (Vpb-plicht) door overheden te voorkomen opdat niet via constructies alsnog oneerlijke concurrentie gaat plaatsvinden, bijvoorbeeld door het niet afzonderen van concurrerende activiteiten.

Kamerstukken II 2012/2013, 31 213, nr. 10

Aangenomen 25 april 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

14.

2012–2013

Van Vliet verzoekt de regering de taxatie bij import van gebruikte auto's alleen toe te staan door gecertificeerde taxateurs, bijvoorbeeld door koppeling aan de RDW-keuring.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

15.

2012–2013

Mei Li Vos en Neppérus verzoeken de regering de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek naar de arbeidsmarkteffecten, de administratieve lasten en de nalevingskosten naar de Kamer te zenden en Actal advies te vragen over de administratieve lasten van invoering van de VAR webmodule en de Kamer hierover verslag uit te brengen.

Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 19

Aangenomen 4 juli 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

16.

2013–2014

Van Vliet verzoekt de regering om, alert te zijn op fiscale ontwikkelingen in andere landen en, waar mogelijk, fiscale innovatie als uitgangspunt te hanteren bij fiscaal beleid om Nederland aantrekkelijk te laten blijven als vestigingsland in vergelijking tot die landen.

Kamerstukken II 2013/14, 25 087, nr. 69

Aangenomen 19 december 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

17.

2013–2014

Van Vliet verzoekt de regering, bij eventuele heronderling over belastingverdragen met derde staten het behoud van de Nederlandse fiscale positie als uitgangspunt te hanteren.

Kamerstukken II 2013/14, 25 087, nr. 70

Aangenomen 19 december 2013

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

18.

2013–2014

Van Weyenberg en Tellegen verzoeken de regering, in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Van Dijkhuizen, concrete voorstellen te doen die erop gericht zijn om meer uren werken voor de ministverdienende partner veel meer lonend te maken.

Kamerstukken II 2013/14, 33 716, nr. 27

Aangenomen 11 maart 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

19.

2013–2014

Dik-Faber verzoekt de regering om supermarkten (CBL) en voedselbanken duidelijkheid te verschaffen over het fiscaal aantrekkelijk doneren van voedsel.

Kamerstukken II 2013/14, 31 532, nr. 127

Aangenomen 11 maart 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

20.

2013–2014

Van Weyenberg c.s. verzoekt de regering om, met maximale haast het onderzoek van de pilot zzp-ers volledig af te ronden, zodat zo snel mogelijk een structurele oplossing wordt gevonden en geïmplementeerd.

Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 111

Aangenomen 27 mei 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

21.

2013–2014

Van Weyenberg c.s. verzoekt de regering het voorstel voor medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de juistheid van de VAR-aanvraag, als zelfstandig wetsvoorstel in te dienen.

Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 112

Aangenomen 27 mei 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

22.

2013–2014

Mei Li Vos c.s. verzoekt de regering om voor 30 juni voor zowel opdrachtgevers als zelfstandigen duidelijke en eenduidige informatie ter beschikking te stellen over de wijze waarop zelfstandigen in de zorg, als zzp-er aan het werk kunnen en verzoekt de regering in het najaar de Kamer te rapporteren hoeveel van de 1.200 mensen die nu een VAR-loon hebben gekregen met een VAR-wuo deelneemt aan de zorgpilot.

Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 114

Aangenomen 27 mei 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

23.

2013–2014

Mei Li Vos en Neppérus verzoekt de regering het Interdepartementaal Beleidsonderzoek zo breed als mogelijk in te steken en onder meer te kijken naar de relatie tot de fiscale en sociale wet- en regelgeving enz.

Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 115

Aangenomen 27 mei 2014

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

Onderdeel A.2 Moties waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2011–2012

Van Vliet verzoekt de regering na twee jaar te evalueren of het gelukt is dat de Nederlandse ondernemers een aantoonbare administratieve lastenvermindering krijgen en de Kamer hierover te informeren.

Kamerstukken II 2011/12, 32 877, nr. 8

Aangenomen 16 februari 2012

Planning afronding in 2015 (2 jaar na inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met nieuwe factureringsregels (implementatie richtlijn factureringsregels), de wet is per 1 januari 2013 in werking getreden).

2.

2013–2014

Essers en Bröcker c.s verzoekt de regering beleid te ontwikkelen om het aantal belastinguitgaven substantieel terug te dringen; nieuwe belastinguitgaven pas in te voeren nadat doel en noodzaak daarvan is aangetoond in combinatie met een ex ante evaluatie, enz.

Kamerstukken I 2013/14, 33 492, L

Aangenomen 17 december 2013

In voorbereiding

3.

2013–2014

Klaver verzoekt de regering in kaart te brengen hoe de sterke daling van overheidsinkomsten uit de vennootschapsbelasting wordt veroorzaakt, en de Kamer hierover uiterlijk vóór het meireces 2014 te informeren.

Kamerstukken II 2013/14, 25 087, nr. 73

Aangenomen 19 december 2013

In voorbereiding

4.

2013–2014

Neppérus en Nijboer verzoeken de regering, in de nadere uitwerking en wettelijke verankering van het nieuwe stelsel aan toeslagen ervoor te zorgen dat het stelsel meer waarborgen biedt ter voorkoming van fraude dan het huidige stelsel.

Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 451

Aangenomen 21 januari 2014

In voorbereiding

5.

2013–2014

Nijboer en Neppérus verzoeken de regering de toekenning van toeslagen zo vorm te geven dat het aantal terugbetalingen substantieel wordt verminderd.

Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 454

Aangenomen 21 januari 2014

In voorbereiding

6.

2013–2014

Van Weyenberg verzoekt de regering om de handhaving in het onderwijs niet te wijzigen voordat de TK is geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg tussen Belastingdienst en onderwijssector.

Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 113

Aangenomen 27 mei 2014

In voorbereiding

Onderdeel B.1 Toezeggingen waarvan de uitvoering is afgerond

Door bewindslieden gedane toezeggingen
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2006–2007

Toegezegd om de Kamer te informeren over een eventuele stelselwijziging, mede in het kader van de toegezegde wijziging van de Wet op de kansspelbelasting naar aanleiding van de Kamervragen over de Zeeuwse milieuprijs.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet op 20 juni 2007. Handelingen II 2006/07, TK nr. 83, blz. 4549

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

2.

2006–2007

Toegezegd om belastingheffing op basis van het buitenkansbeginsel te betrekken bij de eventuele stelselwijziging.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet op 20 juni 2007. Handelingen II 2006/07, TK nr. 83, blz. 4550

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

3.

2009–2010

Toegezegd om uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de verdragen met Qatar en Bahrein, de werking van de anti-misbruikbepalingen in de verdragen te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de TK van twee wetsvoorstellen mbt verdragen met Bahrein en Qatar ter voorkoming van dubbele belasting op 15 oktober 2009. . Handelingen II 2009/10, TK nr. 15, blz. 1115

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 16 oktober 2013. Kamerstukken II 2013/14, 25 087, nr. 61

4.

2009–2010

Toegezegd het onderzoek naar de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als boedelfaciliteit, waarnaar in de motie Cramer wordt gevraagd, uit te voeren en de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de TK van de wijziging van de Successiewet 1956 op 29 oktober 2009. Handelingen II 2009/10, TK nr. 18, blz. 1432

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

5.

2009–2010

Toegezegd om bij de evaluatie van de BOR mee te nemen of het amendement Cramer c.s. (omvang van voorwaardelijke vrijstelling voor de verkrijging van ondernemingsvermogen, (kamerstuk 31 930, nr. 79) problemen oplevert ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van het kabinet.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op 15 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 13, blz. 478

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

6.

2010–2011

Toegezegd om over drie jaar een terugkoppeling vanuit een kwalitatieve invalshoek te geven van de ervaringen die dan zijn opgedaan met de «corporate tie breaker».

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk op 3 november 2010. Handelingen II 2010/11, TK nr. 17, blz. 49

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

7.

2010–2011

Toegezegd om eerder dan de reeds toegezegde evaluatie in 2012, terug te komen op de aangepaste bedrijfsopvolgingsregeling.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2011 op 21 december 2010 in de EK. Handelingen I 2010/11, EK nr. 13, blz. 6

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken I 2013/14, 33 750 IX, N

8.

2010–2011

Toegezegd in de loop van 2011 een wetsvoorstel in te dienen dat het mogelijk maakt dat belastingrechtspraak openbaar is.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 13 januari 2011. Kamerstukken II 2010/11, 31 066, nr. 100, blz. 28

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

9.

2010–2011

Toegezegd bereid te zijn om als blijkt dat er lacunes in de Notitie Verdragsbeleid zitten, deze aan te vullen, aan te passen.

Staatssecretaris tijdens het mondeling overleg op 5 april 2011 in de Eerste Kamer over de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid. Kamerstukken I 2010/11, 25 087, A, blz. 6

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

10.

2011–2012

Toegezegd om bij het onderzoek naar de winstbox, waarover in 2012 wordt gerapporteerd, ook informatie te verstrekken over verschillen tussen het bruto-nettotraject van ondernemers en werknemers.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–105

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 447, nr. 6

11.

2011–2012

Toegezegd bij de verkenning van de winstbox ook de vraag van het lid Groot mee te nemen over integrale vergelijking belasting ondernemers-werknemers.

Staatssecretaris tijdens het AO Fiscale agenda op 15 februari 2012. Kamerstukken II 2011/12, 32 740, nr. 12, blz.39

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 447, nr. 6

12.

2011–2012

Toegezegd bereid te zijn een evaluatie te ondernemen mbt het effect van de verhoging/verlaging van de btw op podiumkunsten.

Toegezegd in de brief van 26 oktober 2012. Kamerstukken I 2012/13, 33 400 IX, C

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 april 2014. Kamerstukken I 2013/14, 33 752, M

13.

2012–2013

Toegezegd de gedragscode SBF over salarissen van bestuurders van ANBI's aan de Kamer toe te zenden zodra deze beschikbaar is.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 69

Afgerond bij brief van deStaatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

14.

2012–2013

Toegezegd in het voorjaar van 2013 de Kamer te informeren over het BBB en het boetebeleid zoals dat geldt bij toeslagen.

Staatssecretaris in de nota nav het verslag op het wetsvoorstel OFM 2013 van 13 november 2012. Kamerstukken II 2012/13, 33 403, nr. 8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 74

15.

2012–2013

Toegezegd vóór de zomer van 2013 een brief met een uitwerking van de winstbox naar de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–103

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 447, nr. 6

16.

2012–2013

Toegezegd om de maatregel bodem(voor)recht te evalueren bij het Belastingplan 2014.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–104

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 181

17.

2012–2013

Toegezegd om als er signalen komen uit de Belastingdienst dat op grote schaal een beroep wordt gedaan op de uitstelregeling, de Kamer daarover wordt geïnformeerd.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–44

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

18.

2012–2013

Toegezegd dat als de infractieprocedure tot een bepaalde uitkomst leidt en er zicht is op wat andere landen doen en als blijkt dat er naar aanleiding van die uitkomst mogelijkheden zijn om de termijn van invorderen in te perken, dan zal de Kamer hierover worden ingelicht.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de TK van het wetsvoorstel exitheffingen op 27 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 27, blz. 17–48

Deze toezegging heeft de Staatssecretaris ook gedaan in de EK tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel op 23 april 2013. Handelingen I 2012/13, EK nr. 25, blz. 25-6-10

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

19.

2012–2013

Toegezegd de brief met betrekking tot de winstbox ook aan de EK toe te sturen.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–96

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2014. Kamerstukken I 2013/14, 33 402, Q

20.

2012–2013

Toegezegd te kijken óf er mogelijkheden zijn om de gevolgen van het huidige onderscheid tussen commerciële en fiscale waarderingsregels bij pensioen in eigen beheer te mitigeren.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–97

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 6 december 2013. Kamerstukken I 2013/14, 33 752, E

21.

2012–2013

Toegezegd op enig moment te rapporteren over de vorderingen m.b.t. de onderhandelingen over een belastingverdrag met Cyprus.

Toegezegd tijdens het AO Ecofin op 7 februari 2013. Kamerstukken II 2012/13, 21 501-07, nr. 1017, blz. 25

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

22.

2012–2013

Toegezegd het wetsvoorstel openbaarheid belastingrechtspraak in het voorjaar van 2014 in te dienen.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 17

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

23.

2012–2013

Toegezegd om mbt tax gap een brief te sturen nadat door het CPB de omvang van de problematiek in kaart is gebracht.

Staatssecretaris tijdens het AO over belastingplicht overheidsbedrijven op 17 april 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 12, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 211

24.

2012–2013

Toegezegd om in enige halfjaarsrapportage Belastingdienst iets op te nemen over het terugvorderen van ten onrechte uitgekeerde toeslagen.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 73

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

25.

2012–2013

Toegezegd om een overzicht aan de Kamer te verstrekken van de verschillende besprekingen met en voorstellen van EU-landen in het kader van de harmonisering van het vennootschapsbelastingtarief en de CCCTB én de visie van het kabinet daarop. Indien dit aan de orde is vóór de volgende Europese top.

Staatssecretaris het debat over de Europese top op 22 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 88–8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 5

26.

2012–2013

Toegezegd de ontwikkelingen van het aantal kwalitatief goede zaken die worden aangedragen scherp in de gaten te houden, zodat, wanneer nodig, er een businesscase kan worden opgesteld om de capaciteit bij de FIOD uit te breiden.

Staatssecretaris tijdens het debat over de zorgfraude op 23 mei 2013. Kamerstukken II 2012/13, TK nr. 86–8, blz. 51

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

27.

2012–2013

Toegezegd om indien de waterschappen een probleem hebben met de belastingplicht voor overheidsbedrijven, met de waterschappen in contact te treden.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 12

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

28.

2012–2013

Toegezegd zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de zaak zzp-zorg en btw, de Kamer hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 9 julii 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 210

29.

2012–2013

Toegezegd om mbt Commissie de Jong en ANBI's bij het Belastingplan 2014 hierop een reactie te geven en anders aan te geven wanneer dat wel haalbaar is.

Staatssecretaris tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013. Kamerstukken II 2012/13, 31 213, nr. 21, blz. 22

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

30.

2013–2014

Toegezegd de grenseffectenrapportage alcohol en tabak als bijlage bij de Prinsjesdagstukken op te nemen en naar de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Fiscale verzamelwet 2013 op 11 september 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 109, blz. 3–7

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 september 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 7

31.

2013–2014

Toegezegd contact op te nemen met het NOC-NSF om te vragen of de brief die de Staatssecretaris van Financiën van hen heeft ontvangen, ook naar de Kamer gestuurd kan worden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Fiscale verzamelwet 2013 op 11 september 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 109, blz. 3–8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 september 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 637, nr. 12

32.

2013–2014

Toegezegd de drempelvrijstelling btw in het kader van de kantineregeling te gaan monitoren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Fiscale verzamelwet 2013 op 11 september 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 109, blz. 3–11

Afgerond. Bij besluit van 18 december 2013 heeft de Staatssecretaris het beleid verruimd. Stcrt. 23 december 2013, nr. 35894

33.

2013–2014

Toegezegd om de analyse die de staassecretaris van het CBS heeft gevraagd mbt het rapport over de VAT-gap, met de Kamer te delen zodra deze beschikbaar is.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje op 24 september 2013 over het mislopen van btw door de EU. Handelingen II 2013/14, TK nr. 4, blz. 5–1

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 211

34.

2013–2014

Toegezegd een update te sturen mbt de door de Rekenkamer eerder gesignaleerde problemen en aangedragen aanbevelingen mbt de btw.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje op 24 september 2013 over het mislopen van btw door de EU. Handelingen II 2013/14, TK nr. 4

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 11 oktober 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 880, nr. 8

35.

2013–2014

Toegezegd om de eerder aan de Kamer verstrekte gegevens mbt de import van oldtimers te actualiseren zodra de gegevens beschikbaar zijn.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje op 1 oktober 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 7, blz. 4–1

Afgedaan bij de nota nav het verslag bij het Belastingplan 2014 (bijlage). Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 11

36.

2013–2014

Toegezegd nog vóór eind 2013, in het kader van een aan de EK gedane toezegging over pensioen in eigen beheer, te bezien of er mogelijkheden zijn flexibeler om te gaan met pensioenvoorzieningen voor ondernemers.

Staatssecretaris tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 15, blz. 7–5

De Staatssecretaris heeft de toezegging herhaald tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 6 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 75

37.

2013–2014

Toegezegd zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan over de BOR in de Successiewet, een brief aan de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op de conclusies van de Hoge Raad.

Staatssecretaris tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 15, blz. 7–5

De Staatssecretaris heeft de toezegging herhaald tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

38.

2013–2014

Toegezegd in de eerste helft van 2014 een brief aan de TK te sturen waarin wordt ingegaan op mogelijkheden om investeringen in het MKB te stimuleren mits ideeën daarvoor tijdens de behandeling van het BP 2014 concreter worden gemaakt.

Staatssecretaris tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II, TK nr. 15, blz. 7–2

Afgerond. Er zijn geen ideeën tijdens de behandeling van het BP 2014 aangedragen.

39.

2013–2014

Toegezegd dat als uit concrete signalen zou blijken dat de Belastingdienst op het punt van de BOR de wet enger interpreteert dan de bedoeling van de wetgever is, de uitvoeringsregeling zal worden aangepast.

Staatssecretaris tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II, TK nr. 15, blz. 7–6

Afgerond. Er zijn geen concrete signalen ontvangen.

40.

2013–2014

Toegezegd de weglekeffecten met betrekking tot de accijnsopbrengsten te gaan monitoren.

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 93

41.

2013–2014

Toegezegd in het 2e kwartaal van 2014 de Kamer bouwstenen aan te reiken voor een mogelijke (brede) herziening van de Successiewet. Bouwstenen zonder oordeel, met budgettair belang).

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 76

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

42.

2013–2014

Toegezegd om in 2014 een onderzoek te doen naar mogelijkheden om ook kleine ondernemers aan de kortingsregeling voor lokaal duurzaan opgewekte energie te laten deelnemen.

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 35

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

43.

2013–2014

Toegezegd bij stroomlijning van de termijnen invordering toeslagen en belastingen, ook de onderlinge verrekening van toeslagen en belastingen mee te nemen.

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 55

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

44.

2013–2014

Toegezegd in de aan de EK toegezegde brief over pensioenen in Eigen Beheer, ook de vraag mee te nemen of de vrijstelling van revisierente voor kleine lijfrenteregelingen kan worden verhoogd. Deze brief zal ook de TK worden gestuurd.

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 74

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 75

45.

2013–2014

Toegezegd aan mw Schouten te reageren op een voorbeeld van een ex-ANBI waarvan de status is ingetrokken.

Staatssecretaris tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 49

Afgerond. Mw. Schouten heeft geen voorbeeld aangereikt.

46.

2013–2014

Toegezegd een brief te schrijven mbt de invoering van de Wet uniformering loonbegrip en welke lessen er getrokken kunnen worden mbt de communicatie rondom de invoering van een enorm vereenvoudigingsvoorstel.

Staatssecretaris tijdens het VAO evaluatie Wet uniformering loonbegrip op 12 november 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 22, blz. 28–7

Afgerond bij brief van de Minister van SZW van 20 december 2013. Kamerstukken II 2013/14, 32 131, nr. 12

47.

2013–2014

Toegezegd om in 2014 te bezien of de gekozen variant voor de leidingwaterbelasting de gewenste structuur heeft of moet worden aangepast.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–5

Tijdens de AFB in de Eerste Kamer op 19 november 2013 heeft de Staatssecretaris toegezegd de belasting op leidingwater ook op milieu impact te beoordelen.

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 95

48.

2013–2014

Toegezegd om in het eerder toegezegde onderzoek m.b.t. lokaal duurzaam opgewekte energie, ook de vraag mee nemen m.b.t. huur of operational lease.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

49.

2013–2014

Toegezegd dat als er meer duidelijkheid is vanuit Brussel m.b.t. de mogelijkheden om de regeling voor lokaal opgewekte energie ook open te stellen voor kleine ondernemers, de Kamer dit mee te delen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

50.

2013–2014

Toegezegd om de procedure voor belastingbetalers die willen weten óf en welke fiscale informatie over hen verstrekt is aan het buitenland, op de website van de Belastingdienst te zetten.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–13

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

51.

2013–2014

Toegezegd om op de website van de Belastingdienst en de Belastingdienstpensioensite informatie te zetten over veelgestelde vragen m.b.t. pensioen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–9

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

52.

2013–2014

Toegezegd om aan het CPB te vragen om een doorrekening van het effect van de belastingmaatregelen op arbeidsparticipatie.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

53.

2013–2014

Toegezegd in het kader van de reactie van het kabinet op het rapport van de commissie Van Dijkhuizen, ook alternatieven van de Kamer door het CBP te laten doorrekenen op werkgelegenheidseffecten.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

54.

2012–2013

Toegezegd om de Kamer door middel van periodieke rapportages op de hoogte te houden van de voortgang over de aanpassing van de verdragen met ontwikkelingslanden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

55.

2013–2014

Toegezegd terug te komen op het idee van mw. Neppérus om fraudeurs die Nederland verlaten belastingplichtig te houden totdat uit een verklaring blijkt dat zij bekend zijn bij een buitenlandse belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

56.

2013–2014

Toegezegd terug te komen op de aanscherping van de invordering op het gebied van verrekening en kwijtschelding n.a.v. vragen van mw. Neppérus.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–17

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

57.

2013–2014

Toegezegd om in het reeds eerder toegezegde onderzoek naar optimalisering van de afvalstoffenbelasting, ook mogelijkheden en effecten van differentiatie van tarieven mee te nemen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2014. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–19

Tijdens de AFB in de Eerste Kamer op 19 november 2013 heeft de Staatssecretaris toegezegd het onderzoek ook aan de EK te sturen.

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 109

58.

2013–2014

Toegezegd om achteraf te rapporteren over aantallen belastingbetalers die niet binnen 13 weken een toeslagbeschikking krijgen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 2013. Handelingen II, 2013/14, TK nr. 23, blz. 8–33

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 202

59.

2013–2014

Toegezegd om in het reeds eerder toegezegde onderzoek naar de leidingwaterbelasting ook de zwemsector te betrekken.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 19 november 2013 (heropening debat voorafgaand aan de stemmingen). Handelingen II 2013/14, TK nr. 25, blz. 8–4

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 95

60.

2013–2014

Toegezegd wederom met de banken in overleg te treden om hen te vragen geen boeterente te heffen in het ene jaar dat de verruimde vrijstelling schenkbelasting geldt.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 19 november 2013 (heropening debat voorafgaand aan de stemmingen). Handelingen II 2013/14, TK nr. 25, blz. 8–5

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

61.

2013–2014

Toegezegd om te kijken naar het bedrag van 512 euro, vrijgesteld van box 3, en hierop terug te komen bij de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Dijkhuizen.

Staatssecretaris tijdens de AFB in de EK op 19 november 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 9, blz. 9-11-98

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

62.

2013–2014

Toegezegd informatie over de terugvordering van te hoge voorschotten toeslagen in de volgende halfjaarsrapportage op te nemen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

63.

2013–2014

Toegezegd informatie over het terugvorderen van te hoge voorlopige teruggaven in de volgende halfjaarsrapportage op te nemen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

64.

2013–2014

Toegezegd het punt van de wederzijdse relatie tussen de om niet-verklaring en de aangifte inkomstenbelasting, aan te kaarten bij de miniser van SZW en hem vragen de Kamer te informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

65.

2013–2014

Toegezegd de wijze van rapporteren door kleine ANBI's aan te kaarten in het overleg met de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF).

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 23

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

66.

2013–2014

Toegezegd de Kamer informatie te verstrekken over het tipgeversbeleid.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 29

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

67.

2013–2014

Toegezegd de Staatssecretaris van Financiën van Griekenland te vragen wat de Griekse autoriteiten hebben gedaan met de door Nederland aangeleverde informatie over Griekse jachten.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 29

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

68.

2013–2014

Toegezegd bij de Bulgaarse autoriteiten aan te dringen op concrete actie op verzoeken van Nederland om terugvordering en boetebetaling in de Bulgaarse fraudezaak. De Kamer zal over de resultaten worden geïnformeerd in de volgende halfjaarsrapportage.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 29

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

69.

2013–2014

Toegezegd om de Waarderingskamer te vragen om het punt van overschrijding van de jaargrens bij de afhandeling van bezwaarschriften nader te onderzoeken en de Kamer over de uitkomst nader te berichten.

Staatssecretaris tijdens het AO Wet WOZ op 27 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 462, nr. 9, blz. 27

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

70.

2013–2014

Toegezegd aan het Ministerie van EZ door te geven om ook economische en ecologische aspecten mee te nemen in de evaluatie van de regeling verlaagd energiebelastingtarief (waaronder de postcoderoos).

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 17 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 12

Afgerond. Op 9 januari 2014 doorgegeven aan het Ministerie van EZ.

71.

2013–2014

Toegezegd de uitkomsten van de monitoring van de weglekeffecten accijnzen ook aan de Eerste Kamer toe te zenden.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 13

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 93 (Kamerstuknr. EK niet bekend)

72.

2013–2014

Toegezegd om de bouwstenennotitie Successiewet ook aan de Eerste Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 15

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

73.

2013–2014

Toegezegd om te reageren op de 7 mogelijkheden voor dekking van de verlaging van de belastingdruk op arbeid. Meenemen in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Dijkhuizen.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 7

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

74.

2013–2014

Toegezegd een nota met een visie op fiscaliteit en vergroening aan de Eerste Kamer te sturen. Streven is om deze in de loop van 2014 te sturen. Daarbij zal het tweede deel van de studie naar fiscale vergroening van het Planbureau voor de Leefomgeving en de motie Esser/Bröcker (Kamerstukken I 2013/14, 33 752, L) worden betrokken.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 10

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

75.

2013–2014

Toegezegd om de 3 opties toekomstperspectief met betrekking tot pensioen in eigen beheer, nader uit te werken en opties te verkennen om belemmeringen weg te nemen.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 17 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 19

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

76.

2013–2014

Toegezegd om in de reeds toegezegde brief met betrekking tot de winstbox ook in te gaan op schijnzelfstandigheid werknemers-ondernemers.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

77.

2013–2014

Toegezegd een brief over vermogensongelijkheid aan de Eerste Kamer te sturen en daarbij ingaan op literatuur daarover (genoemd door mw. Sent)

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het Belastingplan op 18 december 2013. Handelingen I 2013/14, EK nr. 14, blz. 27

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

78.

2013–2014

Toegezegd begin 2014 de Kamer te informeren over de status van het belastingverdrag met Mongolië in verband met aanstaande wetswijzigingen in de belastingwetgeving in Mongolië.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–19

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

79.

2013–2014

Toegezegd een brief aan de Kamer te sturen over het vervolgproces FATCA (na advisering door de RvS) en eventueel ook ingaan op in hoerverre overleg met de sector plaatsvindt.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–29

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 25

80.

2013–2014

Toegezegd om in overleg te treden met Vecozo om de bruikbaarheid van hun bestanden te toetsen voor controles op de Zorgtoeslag (nadat mailwisseling van de heer Omtzigt met vecozo is verkregen)

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–11

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

81.

2013–2014

Toegezegd de Kamer te informeren over de vormgeving van de reeds bestaande nadere samenwerking om uitbetaling van de Zorgtoeslag aan verkeerde personen te voorkomen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–13

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2014 waarbij de 13e halfjaarsrapportage Belastingdienst is aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 198

82.

2013–2014

Toegezegd om een vóór 1 maart 2014 een brief te sturen waarin over alle nog openstaande punten wordt gerapporteerd.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

83.

2013–2014

Toegezegd om de reeds toegezegde brief ook cijfers mee te nemen die tijdens het debat niet voorhanden waren.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–19

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

84.

2013–2014

Toegezegd om proefprocedures op te starten om via het civiele recht onterecht uitbetaalde huurtoeslagen in Bulgarije terug te vorderen. Over de voortgang zal in de 2 maandsrapportage worden gerapporteerd.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–13

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

85.

2013–2014

Toegezegd de (on)mogelijkheden te onderzoeken om de EU Verordening zodanig aan te passen dat deze ook bijstandsverzoeken voor de huurtoeslag plaats kunnen vinden.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen Ii 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–14

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

86.

2013–2014

Toegezegd de motie van Bontes over het onder de EU Verordening brengen van de huurtoeslag, door te geleiden naar de Minister van SZW met het verzoek deze motie per brief van een reactie te laten voorzien.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

87.

2013–2014

Toegezegd op korte termijn contact op te nemen met Bulgaarse ambtsgenoot om de problemen mbt de toeslagen te bespreken.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–15

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

88.

2013–2014

Toegezegd om per 2 maanden te rapporteren over de voortgang rond de terugvordering van de boetes en de openstaande vorderingen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–25

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

89.

2013–2014

Toegezegd om de tijdlijn in de brief aan te vullen met een nader overzicht van overige acties die zijn ondernomen om de informatie-uitwisseling met Bulgarije te bespoedigen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–25

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

90.

2013–2014

Toegezegd om in de brief ook informatie op te nemen die de Minister van VenJ kan vrijgeven over de nationaliteit van de 4 verdachten die nu in het lopende strafrechtelijke onderzoek zijn betrokken.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–27

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

91.

2013–2014

Toegezegd om de vraag waarom de verdachten niet binnen 110 dagen zijn opgepakt, door te geleiden aan de Minister van VenJ.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 6–27

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2014 waarbij de 2 maandsrapportage Toeslagen wordt aangeboden. Kamerstukken II 2013/14, 17 050, nr. 465

92.

2013–2014

Toegezegd een brief te sturen met nadere uitleg over het standpunt van de regering over het voorstel van de EC tot aanpassing van de Europese Moeder-Dochterrichtlijn én een vergelijking tussen de fiscale elementen van het vestigingsklimaat in Nederland en het VK.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de EK van de notitie Fiscaal verdragsbeleid op 21 januari 2014. Handelingen I 2013/14, EK nr. 16, blz. 4–26

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 27 januari 2014. Kamerstukken I 2013/14, 25 087, I

93.

2013–2014

Toegezegd een impactanalyse mbt het één rekeningnummer te verstrekken.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–47

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

94.

2013–2014

Toegezegd op korte termijn een brief te sturen met de voorgenomen hervormingen mbt de uitbetaling van toeslagen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–47

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

95.

2013–2014

Toegezegd wekelijks een overzicht te sturen over de uitbetalingen toeslagen en nog uit te betalen toeslagen en met na afloop een controle.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–44

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

96.

2013–2014

Toegezegd de Kamer inzicht te geven hoeveel huishoudens nog wachten op een toeslag en de groep die nog geen toeslag heeft ontvangen te benaderen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–39

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

97.

2013–2014

Toegezegd kaders op te zetten voor een onderzoek naar massale productie-processen van de Belastingdienst en voorstellen tot verbetering te doen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–38

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

98.

2013–2014

Toegezegd brieven te sturen naar toeslaggerechtigden in overgangsrecht en in de brief aan te geven wat het gevolg is van niet reageren.

Staatssecretaris tijdens het debat over de problemen met toeslagen op 29 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 47, blz. 9–36

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192

99.

2013–2014

Toegezegd vóór 2 april 2014 een brief te sturen waarin wordt ingegaan op de wens van de Kamer om ook nettolijfrente onder te brengen in de tweede pijler, op de sanctiebepaling bij afkoop van de nettolijfrente én op de vraag in welk wetsvoorstel dit wordt geregeld.

Staatssecretaris tijdens het WGO wetsvoorstel pensioenen (33 847) op 3 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 24, blz. 41

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 28 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 25

100.

2013–2014

Toegezegd een blauwe brief te sturen naar collega-bewindspersonen van grote lidstaten om er op aan te dringen dat zij hun kritische houding ten aanzien van fiches behouden.

Staatssecretaris tijdens het AO fiches Douane op 5 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 22 112, nr. 1833, blz. 8

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

101.

2013–2014

Toegezegd om uit te zoeken wanneer in maart cijfers m.b.t. de accijnzen beschikbaar komen voor de Kamer. In deze brief wordt ook bericht of het mogelijk is het onderzoek naar alcoholaccijnzen ook in de evaluatie van mei mee te nemen.

Staatssecretaris tijdens het dertigledendebat over de belasting-nomaden op 13 maart 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 63, blz. 4–18

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 maart 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 80

102.

2013–2014

Toegezegd om een brief te sturen over een concrete casus om meer inzicht te geven over de resultaten van de technische assistentie aan de Belastingdienst in Griekenland.

Minister tijdens de AO Ecofin op 24 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 21 501-07, nr. 1159, blz. 13

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 11 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 21 501–07, nr. 1157

103.

2013–2014

Toegezegd om samen met de Belastingdienst en ZZP-Nederland te bezien of er andere constructies m.b.t. de VAR-mogelijk zijn die wettelijk zijn toegestaan.

Staatssecretaris tijdens het AO VAR-verklaringen ZZP-ers op 23 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 129, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

104.

2013–2014

Toegezegd om samen met de Minister van SZW en de Staatssecretaris van VWS de mogelijkheden te bespreken om de wetgeving rondom de VAR-verklaringen aan te passen. Zodra duidelijk is dat er een voornemen is om de wet te veranderen, dan zullen nieuwe afwegingen gemaakt worden over de manier waarop de handhaving plaatsvindt, eventueel via een beleidsbesluit.

Staatssecretaris tijdens het AO VAR-verklaringen ZZP-ers op 23 april 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 129, blz. 35

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

105.

2013–2014

Toegezegd om aan de 1200 ZZP-ers in de zorg een brief te sturen en mee te delen wat er mis is en waarom zij de VAR-verklaring niet hebben gekregen.

Staatssecretaris tijdens het AO VAR-verklaringen ZZP-ers op 13 mei 2014. Kamerstuknr. nog niet beschikbaar.

Afgerond. De brief is op 21 mei 2014 aan de ZZP-ers gestuurd. Dit is meegedeeld aan de TK bij brief van 26 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 311, nr. 123

106.

2013–2014

Toegezegd dat zal worden ingegaan op de situatie waarin een opa of oma in het huishouden kwam wonen en er daardoor -voor de reparatiewetgeving- geen recht meer bestond op de KOT. Toegezegd is aan te geven wat de Belastingdienst heeft gedaan om burgers hierover te informeren.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 202

107.

2013–2014

Toegezegd dat zal worden gerapporteerd aan de Kamer over het effect van het toezicht op buitenlandse kentekens.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 202

108.

2013–2014

Toegezegd dat zal worden gekeken naar de situatie waarin ondernemers die vóór 24 december 2013 tegen 6% hebben geoffreerd, op grond van de gewijzigde wet 21% moeten betalen over isolatiemateriaal.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 9 julii 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 210

109.

2013–2014

Toegezegd dat zal worden gerapporteerd over de uitvoering van de anti-fraudemaatregelen en in het bijzonder het amendement van het lid Neppérus over uitbreiding van het overtredersbegrip in de fiscaliteit en de nota's van wijzigingen van het kabinet.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 202

110.

2013–2014

Toegezegd dat nader zal worden bezien op welke wijze de Kamer het beste kan worden geïnformeerd over de samenwerking met gemeenten en buitenlandse belastingdiensten op het gebied van fraudebestrijding.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 202

111.

2013–2014

Toegezegd voor de Kamer op schrift te zetten de gevolgen voor het partnerpensioen van de voorgestelde aftopping van het pensioengevend loon op € 100.000.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de EK van de wetsvoorstellen pensioenen op 20 mei 2014. Handelingen I 2013/14, EK nr. 30, blz. 30-11-6

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën van 23 mei 2014. Kamerstukken I 2013/14, 33 847, M

112.

2013–2014

Toegezegd om op de casus «Buurtzuster», die de heer Omtzigt zal aanreiken, te reageren

Staatssecretaris tijdens het VAO VAR-verklaringen ZZP-ers op 21 mei 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 85, blz. 5–4

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

113.

2013–2014

Toegezegd bij de Belastingdienst te checken of bekend is voor welk totaalbedrag belastingvrij is geschonken in het kader van de woning, wat de gemiddelde schenkingsbedragen zijn en waar de schenkingen aan zijn besteed (aflossen huis of aankopen huis).

Minister Blok tijdens het AO koopsector op 11 juni 2014. Kamerstuknr. nog niet beschikbaar.

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van 1 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 31

114.

2013–2014

Toegezegd naar aanleiding van vragen van het CDA over het artikel in de WPNR 2014 nr. 7015 over «De turboverdeling in de inkomstenbelasting» op deze materie terug te komen in de verzamelbrief toezeggingen die op Prinsjesdag 2014 naar de Kamer zal gaan.

Staatssecretaris in de nota nav het verslag van de Fiscale verzamelwet 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 950, nr. 6, blz. 3

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

115.

2013–2014

Toegezegd om een overzicht te verstrekken van alle toekomstige wetswijzigingen die nog in werking moeten treden.

Staatssecretaris tijdens het AO over onder andere het eigenwoningforfait op 16 januari 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 21, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

116.

2013–2014

Toegezegd de Kamer een inventarisatie te sturen van de effecten, indexeringen en significante wijzigingen van reeds genomen besluiten die effect zullen hebben op het komende jaar.

Staatssecretaris tijdens het AO over onder andere het eigenwoningforfait op 16 januari 2014. Kamerstukken II 2013/14, 33 750 IX, nr. 21, blz. 20

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

117.

2013–2014

Toegezegd aan de heren Bröcker en Van Boxtel om in de kabinetsreactie op het rapport Van Dijkhuizen, in te gaan op de relatie tussen de digitale economie en de fiscaliteit.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de EK van de notitie Fiscaal verdragsbeleid op 21 januari 2014. Handelingen I 2013/14, EK nr. 16, blz. 16-4-24

Afgerond bij brief van de Staatssecretaris van Financiën die op Prinsjesdag 2014 aan de Eerste Kamer is aangeboden. Kamerstuknr. nog niet bekend.

Onderdeel B.2 Toezeggingen waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

Door bewindslieden gedane toezeggingen
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2008–2009

Toegezegd om als er problemen zijn die niet in de normale uitvoeringspraktijk opgelost kunnen worden, en die dus echt tot knelpunten leiden, de Kamer hierover in te lichten.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel excessieve beloningsbestanddelen (31 459) op 3 september 2008. Handelingen II 2007/08, TK nr. 107, blz. 7875

Wordt meegenomen in de evaluatie die in 2014 wordt gehouden, zoals meegedeeld in de brief van de Staatssecretaris van 20 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

2.

2008–2009

Toegezegd bereid te zijn de wet aan te passen indien de Belastingdienst aanloopt tegen situaties waarin grensverkennend een bepaalde maatregel wordt ontweken wat tot ongewenst gedrag leidt.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel excessieve beloningsbestanddelen (31 459) op 3 september 2008. Handelingen II 2007/08, TK nr. 107, blz. 7878

Wordt meegenomen in de evaluatie die in 2014 wordt gehouden, zoals meegedeeld in de brief van de Staatssecretaris van 20 maart 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 52

3.

2009–2010

Toegezegd om de regeling voor ANBI’s en SBBI’s na een aantal jaren te evalueren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van de Wijziging van de Successiewet in de EK op 15 december 2009. Handelingen I 2009/10, EK nr. 13, blz. 456, 456

Planning afronding in 2016.

4.

2010–2011

Toegezegd om wanneer de komende vier jaar blijkt dat de onderhavige wet en de middelen die de ontvanger ter beschikking staan onvoldoende verhinderen dat kwaadwillende belastingplichtigen door vertragingstechnieken middelen aan het zicht van de fiscus onttrekken of zelfs vertrekken, de regering onmiddellijk zal ingrijpen en de Kamers hierover zal informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK van het wetsvoorstel Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone houdende wijziging van de Awr ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij controlehandelingen van de fiscus op 12 april 2011. Handelingen I 2010/11, nr. 24, blz. 3

Terugkoppeling aan de beide Kamers is pas aan de orde als zich situaties voordoen zoals in de toezegging omschreven.

5.

2010–2011

Toegezegd om bij eventuele overheveling van de regeling gehandicapten MRB naar de WMO (in het kader van heroverweging vrijstellingen / bijzondere regelingen autobelastingen) in overleg met VWS ook de inkomenseffecten in kaart te brengen en de Kamer hiervan op de hoogte te brengen.

Staatssecretaris tijdens het AO Autobrief en Fiscale Agenda op 30 juni 2011. Kamerstukken II 2010/11, 32 800, nr. 21, blz. 26

In voorbereiding. Implicaties van overheveling worden momenteel in kaart gebracht. Resultaten worden t.z.t. meegenomen met het onderzoek naar bijzondere regelingen in de autobelastingen.

6.

2011–2012

Toegezegd om de verzilvering van de RDA mee te nemen in de evaluatie van de WBSO.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–75

Voorzien voor 2017.De verzilvering van de Research & Development Aftrek zal worden betrokken in de evaluatie van de RDA. Zoals ls aangegeven bij de behandeling van het Belastingplan 2012 zal de RDA in 2017 worden geëvalueerd.

7.

2011–2012

Toegezegd om in 2014 bij de evaluatie van de giftenaftrek zoveel mogelijk informatie over de werking van de geefwet bij de evaluatie te betrekken. Toegezegd de regeling mbt ANBI’s te monitoren en indien er aanleiding bestaat om de definitie aan te scherpen, hierop terug te komen en de Kamer hierover de informeren.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan op 16 november 2011. Handelingen II 2011/12, TK nr. 24, blz. 9–92 en blz. 9–98

Voorzien voor 4e kwartaal 2014.

8.

2011–2012

Toegezegd te kijken naar de indirecte CO²-uitstoot en het directe en indirecte energieverbruik bij de productie van auto’s, in het bijzonder van elektrische auto’s bij de aangekondigde evaluatie.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan in de EK op 13 december 2011. Handelingen I 2011/12, EK nr. 12, blz. 8–45

Voorzien voor 2014 (autobrief)

9.

2011–2012

Toegezegd na 3 jaar de bankenbelasting op zeker moment te evalueren en te bezien of de bankenbelasting de goede prikkels geeft en zorgt voor de bijdrage die van de banken wordt gevraagd.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel bankenbelasting op 18 april 2012. Handelingen II 2011/12, TK nr. 78–6, blz.67

Na oktober 2015

10.

2011–2012

Toegezegd dat als er aanleiding voor is om te constateren dat er ontwijkgedrag bij de banken optreedt, de Kamer hierover zal worden ingelicht.

Staatssecretaris tijdens de behandeling van het wetsvoorstel bankenbelasting op 18 april 2012. Handelingen II 2011/12, TK nr. 78–6

Indien ontwijkgedrag bij banken wordt geconstateerd.

11.

2011–2012

Toegezegd dat de kredietverlening permanent zal worden gemonitord en dat er na 3 jaar een evaluatie van de werking van de bankenbelasting plaats zal vinden.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK op 3 juli 2012 over de Wet bankenbelasting. Handelingen I 2011/12, EK nr. 36, blz. 8–78

Voorzien voor 2015.

12.

2011–2012

Toegezegd om ervaringen uit de praktijk met de term «operationele activiteiten» in het kader van de wijziging van de Wet op de vnootschapsbelasting 1969 te publiceren en in overweging nemen of een omstandighedencatalogus een goede methode is om helderheid te verschaffen.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de EK op 9 juli 2012 van de Wet uitwerking fiscale maatregelen begrotingsakkoord. Handelingen I 2011/12, nr. 37, blz. 7

In voorbereiding

13.

2012–2013

Toegezegd eind 2014 een nieuwe autobrief naar de Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens het wetgevingsoverleg op 9 november 2012 bij de behandeling van het BP 2013. Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 46, blz. 81

Voorzien voor 2014 (autobrief)

14.

2012–2013

Toegezegd om de diverse maatregelen waarmee de bancaire sector wordt geconfronteerd, te monitoren voor de kredietverlening.

Staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling van het BP en andere wetsvoorstellen op 15 november 2012. Handelingen II 2012/13, TK nr. 23, blz. 14–104

Voorzien voor 2015.

15.

2012–2013

Toegezegd dat als Minister Blok met een aantal plannen en ideeën komt rondom de woningbouwcorporaties, waarbij in takkstelling misschien zaken veranderen of waarbij enkele andere aspecten die het karakter van staatssteun hebben fors worden afgebouwd, de discussie aan te gaan over vpb-vrijstelling.

Toegezegd tijdens de plenaire behandeling in de EK van het Belastingplan en andere wetten op 18 december 2012. Handelingen I 2012/13, EK nr. 12, blz. 18–124

Afhankelijk van plannen van Minister Blok in de novelle op de herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting.

16.

2012–2013

Toegezegd om als de strafzaak tegen de Bulgaren is afgerond en er informatie beschikbaar is die gedeeld kan worden met de Kamer, de Kamer zal worden geïnformeerd.

Staatssecretaris tijdens het debat feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013. Handelingen II 2012/13, TK nr. 81, blz. 71

In voorbereiding

17.

2013–2014

Toegezegd de resultaten van een snel reactiemechanisme mbt de carrouselfraude btw, met de Kamer te delen zodra deze beschikbaar zijn.

Staatssecretaris tijdens het vragenuurtje op 24 september 2013 over het mislopen van btw door de EU. Handelingen II 2013/14, TK nr. 4, blz. 5–1

In voorbereiding

18.

2013–2014

Toegezegd in het voorjaar 2014 of wanneer meer inzicht bestaat in de gemeentelijke maatwerkvoorziening Wmo, dat de fiscale regeling voor chronisch zieken en gehandicapten verder zal worden vereenvoudigd en in samenspraak met VWS tegen het licht worden gehouden.

Staatssecretaris tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 15, blz. 7–2

De Staatssecretaris heeft de toezegging herhaald tijdens het WGO Belastingplan op 4 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 78, blz. 8

Zodra er meer zicht bestaat op het gebruik van de fiscale regeling specifieke zorgkosten.

19.

2013–2014

Toegezegd aan de heer Dijkgraaf een brief te sturen mbt het toetsinkomen op de toeslagen en de vraag wat het effect is op het hanteren van het bruto-inkomen voor toeslagen.

Minister tijdens de Algemene financiële beschouwingen op 17 oktober 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 15, blz. 4–7

In voorbereiding

20.

2013–2014

Toegezegd de Kamer een rapportage te sturen over de evaluatie van de pilot uitbesteding incasso kleine vorderingen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 13

Najaar 2014

21.

2013–2014

Toegezegd de mogelijkheid te bekijken om burgers te helpen bij het schatten van hun inkomens door middel van een bestandvergelijking met de polisadministratie.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 20

In voorbereiding

22.

2013–2014

Toegezegd in de volgende halfjaarsrapportage de stand van zaken van de opvolging van de aanbevelingen van de Commissie Stevens op te nemen.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 20 november 2013. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 188, blz. 32

In voorbereiding

23.

2013–2014

Toegezegd te onderzoeken in hoeverre de transparantie over gevolgen APA's en ATR's richting parlement verbeterd kan worden om te bekijken wat het effect is van wetten die we met elkaar maken.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–15

In voorbereiding

24.

2013–2014

Toegezegd te onderzoeken hoeveel investeringen door Nederland worden gedaan in ontwikkelingslanden en waar mogelijk onderscheid maken tussen investeringen door Nederlandse bedrijven en bedrijven die via nederland investeren.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–18

In voorbereiding

25.

2013–2014

Toegezegd bij de bespreking van de uitkomsten van de OESO/BEPS-discussie, de kwalitatieve observaties mee te nemen over nationale antimisbruik bepalingen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–27

In voorbereiding

26.

2013–2014

Toegezegd vóór het meireces een brief aan de Kamer te sturen waarom de sterke daling van overheidsinkomsten uit de vennootschapsbelasting wordt veroorzaakt.

Staatssecretaris tijdens het debat over de uitkomsten van het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen in het algemeen op 18 december 2013. Handelingen II 2013/14, TK nr. 38, blz. 7–26

In voorbereiding

27.

2013–2014

Toegezegd om in de toegezegde brief ook in te gaan op acties zoals slechte schatters verder aan te scherpen zodat hoge terugvordering na afloop van het jaar kan worden voorkomen.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 41-6-28

In voorbereiding

28.

2013–2014

Toegezegd om het verzoek voor het vergroten van de fraudebestendigheid van de Huishoudentoeslag, door te geleiden naar het Kabinet.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 41-6-27

In voorbereiding

29.

2013–2014

Toegezegd om de suggestie voor het invoeren van de systematiek van 1 rekeningnummer ook op andere beleidsterreinen door te voeren, door te geleiden naar het Kabinet.

Staatssecretaris tijdens het debat over de toeslagenfraude op 15 januari 2014. Handelingen II 2013/14, TK nr. 41, blz. 41-6-28

In voorbereiding

30.

2013–2014

Toegezegd in de volgende halfjaarsrapportage Belastingdienst een update te geven over het antiwitwasprogramma.

Staatssecretaris tijdens het AO Ecofin op 23 januari 2014. Kamerstukken II 2013/14, 21 501-07, nr. 113– 

In voorbereiding

31.

2013–2014

Toegezegd dat de Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van het overleg met Vluchtelingenwerk over de toekenning van toeslagen. Daarbij zal worden ingegaan op de mogelijke dubbele check op gegevens door COA en de Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208, blz. 7

In voorbereiding

32.

2013–2014

Toegezegd dat zal worden gekeken naar een zinvolle wijze van rapportage over procesverstoringen bij de Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208, blz. 8

In voorbereiding

33.

2013–2014

Toegezegd dat er zal worden gerapporteerd over de acties om het aantal terugbetalingen van toeslagen te verminderen (motie Nijboer en Neppérus)

Staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst op 15 mei 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 208, blz. 8

In voorbereiding

34.

2013–2014

Toegezegd dat wanneer een volgende novelle wordt ingediend, een geconsolideerde wettekst zal worden gemaakt. De Staatssecretaris overhandigde een denkbeeldige voucher die dan kan worden ingeleverd door de Kamer.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de EK van de wetsvoorstellen pensioenen op 20 mei 2014. Handelingen I 2013/14, EK nr. 30, blz. 30-11-6

In voorbereiding

35.

2013–2014

Toegezegd dat als blijkt dat de capaciteit bij de Belastingdienst niet voldoende is om de pensioenwetten uit te voeren, bijvoorbeeld als blijkt dat de uitvoering met een factor 10 tegenvalt, er meer capaciteit zal worden ingezet.

Staatssecretaris tijdens de behandeling in de EK van de wetsvoorstellen pensioenen op 20 mei 2014. Handelingen I 2013/14, EK nr. 30, blz. 30-11-7

Na afloop van de transitieperiode van invoering bij de Belastingdienst.

36.

2013–2014

Toegezegd de Kamer te informeren of er in Griekenland een blijvend commitment bestaat aan de belastingdiensthervormingen en de consequenties voor de voortzetting van de assistentie door de Nederlandse Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO Ecofin op 12 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 501–07, nr. 1168, blz. 12

In voorbereiding

37.

2013–2014

Toegezegd direct na het zomerreces fouten van de Belastingdienst te melden op de website van de Belastingdienst, inclusief instructie voor de burger wat te doen.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

In voorbereiding

38.

2013–2014

Toegezegd de ICT ontwikkelkalender (gereed 1 oktober) naar de Tweede Kamer te sturen inclusief een voorstel voor monitoring.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

Afronding na 1 oktober 2014

39.

2013–2014

Toegezegd een externe klankbordgroep in te stellen die in september 2014 zal starten.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

Afronding september 2014

40.

2013–2014

Toegezegd een medewerkerspanel in te stellen voor signalen uit de organisatie van de Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

Afronding najaar 2014

41.

2013–2014

Toegezegd een opgefriste set met prestatie-indicatoren op te stellen en naar de Tweede Kamer te sturen.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

Afronding 1e kwartaal 2015

42.

2013–2014

Toegezegd bij het Belastingplan 2015 een eerste proef te doen met het openbaar maken van de uitvoeringstoets bij enkele onderdelen.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

In voorbereiding

43.

2013–2014

Toegezegd bij de eerstvolgende halfjaarsrapportage een voorstel te doen voor de aanpak rapportage brede agenda Belastingdienst.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

In voorbereiding

44.

2013–2014

Toegezegd in rapportages regelmatig aandacht te besteden aan de samenwerking tussen overheden op het gebied van fraudebestrijding.

Staatssecretaris tijdens het AO over de brief brede agenda van de Belastingdienst van 25 juni 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 212

In voorbereiding

NIET-FISCAAL

Onderdeel A.1 Moties waarvan de uitvoering is afgerond

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2010–2011

Motie Huizinga, verzoekt de Kamer te informeren indien de naleving van de beloningsbepalingen uit de Code Banken onvoldoende is en de toezichthouders niet hebben ingegrepen.

Kamerstukken II 2010–2011, 31 980, nr. 22,

De NVB werkt aan een nieuwe Code Banken. Momenteel is geen sprake van een Monitoring Commissie. De beloningsnormen in de huidige Code Banken zijn (in strengere vorm) opgenomen in het Wetsvoorstel beloningsbeleid financiële ondernemingen. De motie wordt hiermee als uitgevoerd beschouwd.

2.

2010–2011

Motie Groot/Bashir, vraagt het kabinet behalve een beursgang ook andere opties te onderzoeken voor een toekomstige eigendomsstructuur, waaronder een meerderheidsbelang of een controlerende minderheidsbelang, dan wel beschermingsconstructies tegen vijandige overnames.

Kamerstukken II 2010–2011, 28 165, nr. 127.

Afgerond. Deze motie is meegenomen in brief aan de Tweede Kamer van 23 augustus 2013 inzake Toekomst financiële sector (Kamerstuk 32 013, nr. 36).

3.

2010–2011

Motie Blanksma/Van den Heuvel, vraagt het kabinet na te denken over de corporate governance van ABN AMRO ná de exit.

Kamerstukken II 2010–2011, 28 165, nr. 128.

Afgerond. Deze motie is meegenomen in brief aan de Tweede Kamer van 23 augustus 2012 inzake Toekomst financiële sector (Kamerstuk 32 013, nr. 36).

4.

2012–2013

Staatsdeelnemingen: beloningsbeleid NS.

Motie Merkies over uitvoering van de Motie Irrgang (28 165, nr. 122) inzake beloningsbeleid NS; het indelen in de categorie publiek-markt met de verhoudingen 75–25.

Kamerstukken II, 28 165, nr. 157.

Afgehandeld. De Minister heeft de Tweede Kamer in kennis gesteld dat de motie niet exact naar de letter, maar wel naar de geest is uitgevoerd.

5.

2012–2013

Staatsdeelnemingen: kwantificeren risico’s investeringen buitenland.

Motie Koolmees over (regulerings- en politieke-) risico’s investeren in het buitenland (Tennet en andere staatsdeelnemingen) in kaart brengen en kwantificeren.

Kamerstukken II, 28 165, nr. 154.

Afgerond. Dit is meegenomen in het Jaarverslag staatsdeelnemingen 2012 (Kamerstuk 28 165, nr. 169).

6.

2012–2013

Nationalisatie SNS Reaal.

Motie Hijum, Nijboer over een onderzoek naar de governancestructuur van banken.

Kamerstukken II, 33 532, nr. 17.

Afgerond. De Tweede Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd over de opties (Kamerstuk 32 013, nr. 36).

7.

2012–2013

Nationalisatie SNS Reaal.

Motie Koolmees/Harbers verzoekt de regering de Kamer voor de zomer van 2013 voorstellen aan de Kamer te doen om de concurrentie in de bankensector te vergroten;

Kamerstukken II, 33 532, nr. 14.

Afgerond. Zie brief Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (Kamerstuk 32 013, nr. 35).

8.

2012–2013

Motie Omtzigt-Klaver verzoekt een overzicht van de vennootschapsstructuren van staatsdeelnemingen (zijnde meer dan 50% in handen van de overheid) aan de Kamer te doen toekomen, samen met een schatting van hoeveel belasting Nederland misloopt door deze constructies.

Kamerstukken II, 2012–2013, 25 087 nr. 54.

Afgehandeld. De Tweede Kamer is geïnformeerd middels brief d.d. 5 november 2013 (Kamerstuk 28 165, nr. 166).

9.

2013–2014

Motie Koolmees inzake onderzoek kruissubsidie

Kamerstukken 28 165, nr. 167.

Afgehandeld. Onderzoeksrapport is op 9 juli 2014 aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 28 165, nr. 178).

10.

2013–2014

Motie Harbers roept de regering op om samen met andere EU-lidstaten die bezwaren hebben tegen het gebruik van artikel 114 VWEU als juridische basis voor een Europees resolutiemechanisme, een andere juridische basis te onderzoeken.

Kamerstuk 21 501-07 nr. 1089.

Afgerond. Akkoord bereikt over Single Resolution Mechanism verordening (SRM).

11.

2013–2014

Motie Harbers: verzoekt de regering, bij de besprekingen over de vormgeving van het SRM de volgende uitgangspunten in acht te nemen:

– dat dezelfde bail-inregels zoals overeengekomen in de BRRD-richtlijn zoals die thans is voorgesteld, worden opgenomen in het SRM-mechanisme;

– dat diepe bail-in ook van toepassing zal zijn bij eventueel noodzakelijke herkapitalisatie als gevolg van de asset quality review die de ECB uitvoert;

– dat er wordt toegewerkt naar een stelsel met nationaal afgebakende fondsen die hooguit aan elkaar kunnen lenen met een garantie vanuit de desbetreffende lidstaat als waarborg;

– dat het voorgaande uitgangspunt impliceert dat er ook geen nieuwe achtervang (public backstop) vanuit het ESM hoeft te worden gecreëerd;

– dat Nederland onder alle omstandigheden zeggenschap houdt over wijzigingen van de institutionele vormgeving van het SRM en de premiegrondslag voor financiële instellingen;

– dat de informatiepositie van en verantwoording aan het Nederlandse parlement met betrekking tot de afwikkeling van problemen bij banken, voor zover deze financiële risico’s met zich meebrengen voor de Nederlandse belastingbetaler, gegarandeerd zijn,

Kamerstuk 21 501-07 nr. 1100

Afgerond. Akkoord bereikt over het Europees resolutiemechanisme(Single Resolution Mechanism, SRM).

12.

2013–2014

Motie Klaver: verzoekt de regering, ervoor te ijveren dat de Europese Rekenkamer, het Europees Hof van Justitie en het Europees Parlement hun controlerende taak ten aanzien van het resolutiefonds kunnen vervullen.

Kamerstuk 21 501-07 nr. 1106

Afgerond met antwoord op Kamervraag: (kv-tk-2014Z02028).

13.

2012–2013

Raad voor Economische en Financiële Zaken

Motie Nijboer, Merkies over incorporatie van signaalwaardes in het kernkapitaal van banken.

Kamerstukken II, 21 501-07, nr. 1003.

Afgerond. De nieuwe Europese kapitaaleisen-raamwerk CRD-IV is in werking getreden.

Ook de bankherstel en afwikkelingsrichtlijn (BRRD) is in juli 2014 in werking getreden en moet 1 januari 2015 in nationale wetgeving zijn geïmplementeerd.

14.

2012–2013

Motie van de leden Thieme en Verhoeven, verzoekt de regering om 1) human rights due diligence expliciet op te nemen in de aanvraagprocedure van exportkredietverzekeringen en tijdens de uitvoering van goedgekeurde projecten, 2) ervoor te zorgen dat Atradius voorwaarden verbindt aan projecten met potentieel negatieve effecten voor duurzaamheid, mensenrechten en dierenwelzijn, toeziet op naleving van deze voorwaarden en hier openbaar over rapporteert.

Gewijzigde motie: verzoekt de regering om 1) de uitvoering van human rights due diligence expliciet op te nemen in de aanvraagprocedure van exportkredietverzekeringen, 2) verzoekt de regering tevens om ervoor te zorgen dat Atradius alleen transacties verzekert die per saldo geen onaanvaardbare negatieve effecten hebben op duurzaamheid, mensenrechten en dierenwelzijn, en voor zover daarin is voorzien in de common approaches projecten monitort.

Kamerstukken, vaststelling begroting Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) en begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelings-samenwerking (XVII) voor het jaar 2013, 2012–2013, 33 400, nr.119.

De Kamer is 02-04-2013 door Minister Ploumen geïnformeerd in Kamerbrief 26 485, nr. 162. De gewijzigde motie is op 02-04-2013 door Ouwehand namens Thieme aangehouden en wordt nu als afgerond beschouwd.

15.

2012–2013

Europese Raad.

Haersma Buma/Bisschop – verzoekt de regering om niet akkoord te gaan met directe herkapitalisatie van banken uit het ESM indien niet aan de strikte Nederlandse voorwaarden wordt voldaan.

Kamerstuk 21 501-20, nr. 803.

Afgerond. Op 13 juni 2014 heeft het kabinet het resultaat van de onderhandelingen over een ESM-instrument voor directe herkapitalisatie van banken aan beide Kamers voorgelegd. Dit resultaat voldoet aan de Nederlandse inzet zoals eerder aan de Kamer uiteengezet (Kamerstuk 21 501-07 nr. 1008).

16.

2012–2013

Europese Raad.

Motie Verheijen, Servaes over het oprichten van een effectief bankentoezicht en toetsing hiervan, gekoppeld aan een review van banken en het afronden van een single rule book in samenhang met het ontwerpen van een resolutiemechanisme en pas daarna het opzetten van een gezamenlijk depositogarantiestelsel.

Kamerstukken II, 21 501-20, nr. 725.

Afgerond. Inwerkingtreding van de Single Supervisory Mechanism Europees bankentoezicht, dat vooraf zal worden gegaan door een doorlichting van bankbalansen, de richtlijn met regels voor resolutie van banken (BRRD), het akkoord voor een gemeenschappelijke resolutiemechanisme (SRM), de nieuwe kapitaaleisen-richtlijn en -verordening (CRD IV / CRR) en de richtlijn deposito-garantiestelsel.

17.

2012–2013

Motie Van Hijum/Nijboer verzoekt de regering te onderzoeken hoe de governance structuur van banken na een exit van de Staat het beste kan worden ingericht, en de Kamer hierover te informeren.

Kamerstukken II, 2013–2013, 33 532, nr. 17.

Afgerond. Zie Kamerstukken 32.013, nr. 36 en nr. 40.

18.

2012–2013

Europese Raad.

Motie Klaver over het terugkeren van het «common deposit guarantee mechanism».

Kamerstukken II, 21 501-20, nr. 723.

Afgerond. De bankenunie is inmiddels opgericht. Daarin is echter geen risicodeling via een Europees DGS opgenomen.

19.

2012–2013

Decentrale overheden (debat «Overheden over bezuinigingen»).

Motie Schouten over onderzoek naar de financiële risico’s en uitvoeringsrisico’s van de decentralisaties.

Kamerstukken II, 33 400 B, nr. 13.

In september 2013 (Kamerstuk 33.400 B, nr. 22) is het eerste rapport van het CPB inzake de financiële kansen en risico’s van de decentralisaties in het sociaal domein aangeboden aan de Tweede Kamer. Op 11 juli 2014 is de tweede en finale CPB rapportage aangeboden aan de Tweede Kamer. (Kamerstuk 33 650 B, nr. 19)

20.

2012–2013

Motie Koolmees/Van Hijum over het hoofdbesluitvormingsmoment voor de begroting.

Kamerstuk 33 640, nr. 4.

De motie is betrokken bij het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar van 2014.

21.

2013–2014

De motie-Nijboer c.s. over de normen van DNB voor het veiligheidsniveau.

Kamerstuk 27 863, nr. 46.

Afgerond. Zie Kamerstuk 27 863 nr. 52.

22.

2013–2014

De motie-Nijboer/Merkies over vergoedingsnormen voor schade bij online fraude.

Kamerstuk 27 863, nr. 47.

Afgerond. Zie Kamerstuk 27 863 nr. 52.

23.

2013–2014

De motie-Nijboer c.s. over een schaderegeling voor langdurige uitval van het girale betalingsverkeer.

Kamerstuk 27 863, nr. 48.

Afgerond. Zie Kamerstuk 27 863 nr. 52.

24.

2013–2014

Motie-Tony van Dijck over met kracht afstand nemen van elke vorm van Europese belastingen en/of uitgifte van Europees schuldpapier.

Debat 14 mei 2014 over Visie toekomst Economische en Monetaire Unie, Kamerstukken 21 501-20, nr. 858.

Aan voldaan, het regeringsstandpunt hierover is helder en meermaals gecommuniceerd, ondermeer in de brief van 30 april 2014 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 854) en de brief van 29 november 2012 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 704).

25.

2013–2014

De motie-Schouten/Dijkgraaf over Brussel als enige vergaderplaats van het Europees Parlement.

Debat 14 mei 2014 over Visie toekomst Economische en Monetaire Unie, Kamerstukken 21 501-20, nr. 860.

Aan voldaan, het regeringsstandpunt hierover is helder en meermaals gecommuniceerd. Zie o.a. kabinetsreactie op het AIV advies «Naar een gedragen Europese samenwerken aan vertrouwen» van 13 juni 2014 (Kamerstuk 33 750-V, nr. I).

26.

2013–2014

De motie-Omtzigt over concrete voorstellen voor de invoering van een rode kaart voor nieuwe en bestaande regelgeving.

Debat 14 mei 2014 over Visie toekomst Economische en Monetaire Unie, Kamerstukken 21 501-20, nr. 861.

Aan voldaan bij brief van 20 mei 2014 (kenmerk MINBUZA-2014.243712).

Onderdeel A.2 Moties waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

Door de Staten-Generaal aanvaarde moties
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken/Planning

1.

2010–2011

Motie Van Vliet, vraagt het kabinet geen onomkeerbare stappen; in de privatisering van ABN AMRO te zetten zonder de Kamer in te lichten.

Kamerstukken II 2010–2011, 28 165, nr. 125.

De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 (Kamerstuk 32 013, nr. 36) geïnformeerd over de te nemen stappen en zal nog nadere informatie ontvangen voordat een verkoop aanvangt.

2.

2010–2011

Motie nr. 28. Zorgen dat nummerportabiliteit zo snel mogelijk wordt ingevoerd en de Kamer voor het zomerreces informeren over de stappen die hiertoe worden genomen.

N.a.v. Kamerstukken II, 31 980, nr. 46.

Middels de brief van 7 maart 2012 is de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van de kabinetsreactie t.a.v. het groenboek van de EC getiteld

«Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 22 112, nr. 1375). Hierin heeft Nederland nogmaals een oproep gedaan aan de Europese Commissie om te bekijken welke mogelijkheden op termijn bestaan voor de invoering van nummer-portabiliteit. Nederland heeft in ambtelijke Europese overleggen meerdere keren gepleit voor een onderzoek naar Europese nummerportabiliteit. Daarnaast zal de Europese Commissie – mede op verzoek van Nederland – vijf jaar na inwerkingtreding van de richtlijn betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties, een rapport uitbrengen aan de Raad en het parlement. Hierin zullen onder andere de kosten en baten van nummerportabiliteit binnen de EU worden onderzocht.

3.

2011–2012

Motie Harbers/Plasterk Blanksma-van den Heuvel/Koolmees/Braakhuis- verzoekt de regering, bij voorgenomen verhoging of wijziging van het maatschappelijk kapitaal van het ESM deze verhoging of wijziging vooraf door instemming aan de Tweede Kamer voor te leggen middels een wijzigingsverdrag en eventueel vereiste suppletoire begroting; verzoekt de regering tevens bij een opvraging van het Nederlandse niet-gestorte kapitaal door enig orgaan binnen de ESM deze opvraging voor te leggen aan de Tweede Kamer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012,

33 221, nr. 11.

Dit is tot nu toe niet aan de orde geweest.

4.

2011–2012

Motie Van Vliet over een wettelijke regeling vergelijkbaar met Volcker Rule.

Kamerstukken II, 2011–2012, 31 980, nr. 64.

In zijn visie op de toekomst van de bankensector van 23 augustus 2013 heeft het Kabinet aangegeven een verbod op handel voor eigen rekening (de essentie van de Volcker rule) te steunen (vergaderjaar 2012–2013 Kamerstuk 32 013–35).

Op dit moment wordt in EU verband onderhandeld over een verordening waarvan een verbod op handel voor eigen rekening deel uitmaakt (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014PC0043&from=EN). Hierover is op 7 maart 2014 een BNC fiche naar de Kamer gezonden.

5.

2011–2012

Motie Huizing over de nutsfuncties van banken.

Kamerstukken II, 2011–2012, 31 980, nr. 65.

De Nederlandsche Bank is in samenwerking met de betrokken banken doende om afwikkel-plannen op te stellen voor de drie grootste Nederlandse systeembanken. Daarbij zal ook worden bezien in hoeverre wijziging van de structuur van banken nodig is om continuïteit van de nutsfuncties te waarborgen. De voltooiing van de afwikkelplannen staat gepland voor najaar 2014.

In EU-verband is inmiddels een richtlijn vastgesteld met een geharmoniseerd raamwerk voor herstel- en resolutieplannen.

6.

2011–2012

Motie Blanksma-van den Heuvel c.s. over niet investeren in risicovolle beleggingscategorieën.

Kamerstukken II, 2011–2012, 31 980, nr. 67.

Op dit moment wordt in EU verband onderhandeld over een verordening waarvan restricties aan risicovolle beleggingen door banken deel uitmaken (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014PC0043&from=EN). Hierover is op 7 maart 2014 een BNC fiche naar de Kamer gezonden.

7.

2012–2013

Parlementaire Enquête Financieel Stelsel.

Motie Merkies over onderzoeken of van vertrouwelijke briefings voortaan verslag kan worden gelegd.

Kamerstukken II, 31 980, nr. 79.

In behandeling. Financiën is hierover in contact getreden met de griffier van de Vaste Kamercommissie.

8.

2012–2013

De Kamer te informeren over de toekomstplannen voor ABN AMRO en SNS bank.

Kamerstukken II, 33 532, nr. 14.

In behandeling. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 (Kamerstuk 32.013, nr. 36) geïnformeerd over de toekomstplannen voor ABN AMRO en zal na de Comprehensive Assesment van de ECB en de verkoop van Reaal worden geïnformeerd over de plannen voor SNS Bank.

9.

2012–2013

Oprichting Stichting Depositogarantiefonds.

Motie Graus over een risicolabel voor banken.

Kamerstukken II, 33 227, nr. 9.

In behandeling. DNB verkent in overleg met de sector de mogelijkheden om een uniforme set van kerngegevens over banken op de website van DNB te publiceren. Mocht dit mogelijk zijn, dan zal dit consumenten, professionele marktpartijen, analisten en academici beter in staat stellen om banken te vergelijken.

10.

2012–2013

Motie Koolmees, Hijum over het tijdelijk verlagen van de kwartaalbedragen indien blijkt dat de cumulatie van maatregelen de kredietverlening negatief beïnvloedt.

Kamerstukken II, 33 227, nr. 10.

Met het oog op de voorgenomen resolutieheffing naar aanleiding van de redding van SNS is besloten om de ex-ante DGS-bijdrage, die op 1 juli 2013 van kracht zou worden, met 2 jaar uit te stellen om banken niet onevenredig te belasten en mede met het oog op de kredietverlening. Daarmee geeft de motie op dit moment geen aanleiding tot verdere maatregelen.

11.

2012–2013

Europese Raad.

Motie Servaes, Pechtold, Verheijen, Van Haersma Buma, Klaver over concrete voorstellen ter versterking van de democratische legitimering en verantwoording.

Kamerstukken II, 21 501-20, nr. 724.

In behandeling.

12.

2012–2013

Europese Raad.

Motie Slob, Van Haersma Buma over het opstellen van exit-condities.

Kamerstukken II, 21 501-20, nr. 721.

De motie wordt beschouwd als ondersteuning van beleid en komt aan de orde ten tijde van een verdragswijziging.

13.

2012–2013

Raad voor Economische en Financiële Zaken.

Motie Hijum, Klaver, Dijkgraaf, Merkies, Krol, Koolmees, Harbers, Nijboer over een effectieve aanpak van belastingontduiking als één van de harde voorwaarden te hanteren bij het beoordelen van de inspanningen van Griekenland en de besluitvorming over mogelijk aanvullende maatregelen.

Kamerstukken II, 21 501-07, nr. 965.

In de Kamerbrieven over de voortgangsmissies van het Griekse steunprogramma is aandacht besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van belastingontduiking.

Op 11 juni 2014 jl. is er een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over de stand van zaken van de hervormingen bij de Griekse Belastingdienst (Kamerstuk 21 507-07, nr. 1157).

Bij de terugkerende evaluatie van het steunprogramma van Griekenland zal een effectieve aanpak van belastingontduiking worden meegenomen in de beoordeling van de inspan-

ningen van Griekenland en de besluitvorming over mogelijk aanvullende maatregelen.

14.

2012–2013

Europese Raad.

Verheijen over de extra claim op Nederland en andere landen vanwege de tweede aanvullende begroting.

Kamerstuk 21 501-20, nr. 790.

Bij de onderhandelingen over het MFK 2014–2020 met het Europees Parlement (EP) is ook de aanvullende begroting 2013 aan de orde geweest. Dit heeft, ondanks Nederlandse inspanningen, echter niet tot een gewijzigde aanvullende begroting geleid. Nederland heeft bij de formele stemming over de twee aanvullende begrotingen van respectievelijk € 7,3 mld. en € 3,9 mld. tegengestemd. Er was rekening mee gehouden dat het heel moeilijk zou zijn deze aanvullende begrotingen tegen te houden. Er was daarom in de afdrachtenraming alvast rekening mee gehouden. Hervorming van de begrotingssystematiek is een onderwerp dat bij de mid-term review van het MFK in 2016 aan de orde kan worden gebracht.

15.

2012–2013

Raad voor Economische en Financiële Zaken.

Nijboer/Klaver – roept de regering op de Trojka te verzoeken bij de terugkerende evaluatie van het leningenprogramma voor Cyprus te rapporteren over de sociaaleconomische situatie.

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1039.

Bij de terugkerende evaluatie van het steunprogramma van Cyprus zal de stand van zaken wat betreft de maatregelen op sociaaleconomisch vlak worden geëvalueerd. De uitkomst hiervan wordt betrokken bij de evaluaties.

16.

2013–2014

Motie Van Hijum en Nijboer verzoekt de regering om te onderzoeken op welke wijze het nutskarakter van SNS het beste kan worden geborgd.

Kamerstuk 2013–2014, 32 013, nr. 45.

In behandeling. De Minister zal; terugkomen bij de Kamer met zijn plannen voor SNS Bank.

17.

2013–2014

Motie Nijboer verzoekt de regering schriftelijk nader te onderbouwen hoe de publieke belangen van ABN AMRO kunnen worden geborgd, t.a.v. de stabiliteit en continuïteit van de dienstverlening.

Kamerstuk 2013–2014, 32 013, nr. 46.

In behandeling. De Minister zal hier de eerste helft van 2015 op terugkomen.

18.

2013–2014

Motie Nijboer verzoekt de regering in overweging te nemen ook een beschermingsconstructie voor ASR in het leven te roepen ten behoeve van de stabiliteit van ASR (de Minister heeft in het VAO toegelicht dat hij het zal overwegen, maar niet om een overname tegen te gaan).

Kamerstuk 2013–2014, 32 013, nr. 47.

In behandeling. De Minister zal hierop terugkomen wanneer bij de Kamer informeert over de verkoop van ASR.

19.

2013–2014

Verzoek om de termijn voor verplichte kantoorroulatie zo snel mogelijk in de Nederlandse wetgeving vast te stellen op tien jaar (in combinatie met een termijn voor partnerroulatie na vijf jaar en een afkoelingsperiode van vier jaar).

Kamerstukken II, 2013–2014, 32 681, nr. 5

De Minister heeft in het VAO Accountancy van 20 mei 2014 aangegeven dit een verstandige motie te vinden.

N.B. In de nog naar de Tweede Kamer te sturen nota n.a.v. het verslag W5 geven we hierover het volgende aan:

«De in artikel 68 onder Ba van de Wet op het accountantsberoep opgenomen verplichte acht-jaarlijkse kantoorroulatie treedt officieel in werking per 1 januari 2016. De regering zorgt er voor dat uiterlijk op 1 januari 2016 de in het betreffende artikel opgenomen periode van acht jaar is aangepast naar tien jaar.»

20.

2013–2014

Verzoek om zo snel mogelijk tot een grotere toepassing van huidige initiatieven te komen en deze aan te vullen met meer aandacht in de accountantsverklaring voor de gekozen methodiek van de controle.

Kamerstukken II, 2013–2014, 32 681, nr. 8.

Aan de opdracht die in deze motie besloten ligt, wordt gewerkt. In internationaal verband en in Europese regelgeving worden ook nieuwe eisen aan de accountants-verklaring gesteld. Vooruitlopend daarop heeft de NBA zelf al een uitgebreider model van de accountantsverklaring ter hand genomen. We verwachten dat dit over het boekjaar 2014 voor alle beursgenoteerde ondernemingen zal worden toegepast.

21.

2013–2014

Verzoek om met de accountancysector in gesprek te gaan met als doel om deze tegelijk met de rapportage van de AFM in september met voorstellen te laten komen en de Tweede Kamer daarover te informeren.

Kamerstukken II, 2013–2014, 32 681, nr. 9.

De sector komt naar verwachting in september met verdergaande initiatieven voor verbetering op de punten governance, de aansturing en het verdienmodel wat betreft kwaliteit en onafhankelijkheid. De Minister heeft in het VAO Accountancy van 20 mei 2014 aangegeven dat de rapportage van de AFM in september, de evaluatie van de Wta en de initiatieven van de sector bij elkaar te brengen, zodat we in het najaar 2014 het debat daarover kunnen vervolgen en daarover knopen kunnen doorhakken.

22.

2013–2014

Motie Nijboer c.s. over het verzoek aan de regering zich hard te maken in Europa voor het meewegen van de risico’s van staatsobligaties in de kapitaaleisen.

Kamerstukken II, 33 849, nr. 8.

Waar mogelijk zal het kabinet dit onderwerp in Europa onder de aandacht brengen. Op korte termijn zijn over dit onderwerp in Europa echter geen onderhandelingen voorzien. Het kabinet zal tevens met de toezichthouder (De Nederlandsche Bank) in gesprek gaan hoe zij dit onderwerp in Europese en internationale toezichtsfora naar voren kunnen brengen.

23.

2013–2014

Motie Nijboer/Koolmees over het betrachten van terughoudendheid bij dividenduitkeringen van banken in Staatshanden.

Kamerstukken II, 32 013, nr. 63.

Conform de tekst van de motie zal het kabinet de Kamer hier na de zomer over informeren, bij de Miljoenennota 2015.

24.

2013–2014

Motie Nijboer c.s. die zich uitspreekt over het feit dat de leverage ratio van 4% als backstop voor Europese systeemrelevante banken als beginpunt en niet als eindpunt van de discussie moet worden gezien.

Kamerstukken II, 32 013, nr. 62.

De kabinetsvisie stelt dat de leverage ratio minimaal 4% dient te zijn voor tenminste de systeemrelevante banken. Dit zal in Nederland worden geïmplementeerd en de Kamer zal over de voortgang hierbij worden geïnformeerd zodra hierover meer bekend is.

Het kabinet zal de kabinetsvisie daarnaast ook uitdragen zodra over de leverage ratio in Europa besprekingen/onderhandelingen plaatsvinden (uiterlijk in 2016).

25.

2013–2014

Motie van Dijck welke de regering verzoekt er op toe te zien dat banken hun kredietverlening op peil te houden en hun kapitaalpositie alleen mogen versterken door kostenreductie, winstinhouding en aandelenemissies.

Kamerstukken II, 32 013, nr. 73.

Het kabinet houdt de bancaire kredietverlening nauwlettend in de gaten. Totnogtoe is er geen reden aan te nemen dat banken hun kapitaalpositie versterken ten koste van de kredietverlening: volgens DNB voldoen de Nederlandse banken goed aan de kapitaalvereisten en kunnen banken bij de huidige economische vooruitzichten voldoen aan de vereiste kapitaalversterkingen zonder dat dit de groei van de kredietverlening hoeft te belemmeren.

26.

2013–2014

Motie Klaver over sneller terugdringen van de particuliere schuldenberg met verzoek uiterlijk september 2014 aan de Kamer te rapporteren.

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1141.

Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om de hoge schulden en daaraan

gekoppelde risico’s voor huishoudens en banken te beperken en zal hierover rapporteren.

27.

2013–2014

Motie-Nijboer over een onderzoek regelgeving voor de verzekeringssector.

Kamerstuk 33 760, nr. 28 (AFB).

Commissie Verzekeraars is ingesteld, komt eind 2014 met rapport.

Onderdeel B.1 Toezeggingen waarvan de uitvoering is afgerond.

Door bewindslieden gedane toezeggingen
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/planning

1.

2009–2010

In het debat is toegezegd na drie jaar een evaluatie te doen over de ervaringen met de PPI’s.

Plenair debat van 30 juni 2010.

Afgerond. De uitkomsten van het onderzoek naar het functioneren van de PPI zijn op 23 mei 2014 met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 32 043, nr. 215).

2.

2010–2011

De Minister meldt de Kamer dat hij de Algemene Rekenkamer heeft toegezegd een overzicht te geven van de bestemming van het geld dat in de financiële instellingen ABN AMRO, ASR en RFS is gestopt.

Kamerstukken II, 2010–2011, 29 165, nr. 130.

Afgerond. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd.

3.

2010–2011

Het kapitaalplan van 2009 kan worden afgezet tegen de werkelijk gemaakte kosten, zodat ten minste een globaal overzicht ontstaat van mee- en tegenvallers. Hierover zal ik een brief sturen aan de Tweede Kamer na afronding van het boekjaar 2011, in de verwachting dat de integratie dan grotendeels is voltooid.

Kamerstukken II, 2010–2011, 37 710, nr. 2.

Afgerond. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd.

4.

2010–2011

De exit-strategie voor de financiële instellingen zal t.z.t. aan de Kamer worden voorgelegd, daarbij zullen o.a. de mogelijkheden zijn onderzocht om te borgen dat ABN AMRO een Nederlands bedrijf blijft.

AO van 8 juni 2011.

Afgerond. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd over de opties.

5.

2011–2012

Toezegging om verzoek van het lid Blanksma-Van den Heuvel over de signaalmarge mee te nemen bij de uitwerking van de Wet Hof.

Plenair debat van 5 oktober 2011.

De Wet Hof is per 15 december 2013 in werking getreden.

6.

2011–2012

Toezegging om precies na te gaan of de Wet Hof voldoet aan de Europese afspraken.

AO van 15 december 2011.

De Wet Hof is per 15 december 2013 in werking getreden.

7.

2011–2012

Toezegging tot het doen van een analyse omtrent stilvallen van de hypotheekmarkt.

AO van 21 december 2011.

Afgerond. In de Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (23 augustus 2013; Kamerstuk 32 013, nr. 35) is ingegaan op enkele aanbevelingen van De Commissie Structuur Nederlandse banken, waaronder het verlagen van de Loan-to-value (LTV) ratio. In juni 2014 heeft ACM onderzoek gedaan naar toetredingsbarrières in de Nederlandse bancaire sector, waaronder de hypotheekmarkt.

8.

2011–2012

Toezegging om een brief te sturen over de minderheidsprivatisering van Tennet.

AO Staatsdeelnemingen van 10 april 2012.

Afgerond. Opgenomen in Nota Deelnemingsbeleid Rijksoverheid Vergaderjaar 2013–2014 (Kamerstuk 28 165, nr. 165).

9.

2011–2012

Toezegging om aandacht te besteden in de Miljoenennota over de opmerking van het lid Irrgang over dat bezuinigen leidt tot lagere economische groei.

Debat over Voorjaarsnota, 5 juli 2012.

In de Miljoenennota 2014 is in box 2.4 stilgestaan bij de economische effecten van bezuinigen.

10.

2011–2012

Toezegging om mogelijkheid tot sanctioneren van beleidsmatige mutaties die niet zijn gemeld aan de Kamer in te bouwen in begrotingsregels meegeven aan de informateur.

Debat over Voorjaarsnota, 5 juli 2012.

Afgehandeld gedurende de formatie kabinet Rutte II.

11.

2011–2012

De Staatssecretaris zal in overleg met Staatssecretaris Teeven werken aan een visie op de kansspelmarkt.

Kamerstukken II, 2011–2012, 28 165, nr. 133.

Afgerond. Kamerstukken II, 2013–2014, 32 264, nr. F.

12.

2011–2012

De Minister zal over twee jaar een nieuw beoordelingskader voor het beloningsbeleid van staatsdeelnemingen opstellen en daarbij meenemen de mogelijkheid van een maximum van 10% variabele beloning.

Kamerstukken II, 2011–2012, 28 165, nr. 133.

Afgerond. Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 (Kamerstuk 26 165, nr. 165).

13.

2012–2013 (EK)

Toezegging om in samenwerking met BZK te overleggen met gemeenten over de snelle stijging van de OZB.

AFB EK 19 en 20 november 2012.

Afgerond. Overleg met VNG heeft plaatsgevonden in bestuurlijk overleg financiële verhoudingen.

14.

2012–2013 (EK)

Toezegging financiering van infrastructuur door pensioenfondsen met een aan de inflatie gebonden financieringsinstrument.

Kamerstuk 33 400.

De evaluatie van de pilot N33 is medio 2013 afgerond. Naar aanleiding hiervan heeft het Rijk besloten om niet verder te gaan met vergoeding van inflatie specifiek bij vreemd vermogen financiering van DBFM projecten. Zie hiervoor de brieven van de ministers van Financiën en IenM aan de Tweede Kamer van 12 juli 2013 (Kamerstuk 28 753, nr. 31, vergaderjaar 2012–2013) en van 7 juni 2013 (Kamerstuk 28 753, nr. 29, vergaderjaar 2012–2013).

15.

2012–2013 (EK)

Toezegging Ontwikkelingen met betrekking tot de garantie die aan DNB is verstrekt op nemen in de jaarlijkse update van de risicoanalyse in de Miljoenennota.

Handelingen I 2012–2013, nr. 6 – blz. 42.

Afgerond. Aan deze toezegging is voldaan in de Miljoenennota 2014. Ook in de Miljoenennota 2015 loopt de garantie DNB Winstafdracht weer mee in de risico-analyse en het garantieoverzicht.

16.

2012–2013 (EK)

Toezegging Aangaan gesprek met DNB over aanpassing van het garantieplafond bij positieve of negatieve ontwikkeling van crisisgerelateerde risico’s.

Handelingen I 2012–2013, nr. 8 – blz. 75.

Om flexibiliteit te behouden wordt aanpassing van het garantieplafond besproken bij een behoorlijke verlaging van het door DNB te lopen risico. Van een dergelijke verlaging is nog geen sprake. Over de ontwikkeling van het risico wordt gerapporteerd in de Miljoenennota en het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

17.

2012–2013

De Kamer op de hoogte houden over het oordeel van de ACM over de voorgenomen overdracht aan NLFI.

2012–2013, 33 532, nr. 9

Afgerond. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 5 februari 2014 (Kamerstuk 33 532, nr. 33).

18.

2012–2013

Kamer op de hoogte houden over de voorgenomen overdracht aan NLFI en oordeel NMa.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Afgerond. De Kamer is hier over geïnformeerd met de brief van 5 februari 2014 (Kamerstuk 33 532, nr. 33).

19.

2012–2013

Beloningssystematiek meenemen in Nota Staatsdeelnemingen.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Afgerond. Opgenomen in Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid Vergaderjaar 2013–2014. Kamerstuk 28 165 nr. 165.

20.

2012–2013

Evaluatie van de interventiewet (en daarbij de casus SNS REAAL).

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

De evaluatie van de Interventiewet is inmiddels afgerond. De evaluatie is aan de Tweede Kamer toegezonden, en wel samen met de evaluatie van de nationalisatie van SNS REAAL (zie hierna). Zie Kamerstukken II 2013–2014, 33 532, nr. 32.

21.

2012–2013

Evaluatie van het proces binnen DNB t.a.v. SNS REAAL.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

De evaluatie van het handelen van en de samenwerking tussen het Ministerie van Financiën en DNB inzake SNS REAAL is inmiddels afgerond. De evaluatie is aan de Tweede Kamer toegezonden, en wel samen met de evaluatie van de Interventiewet (zie hiervoor). Zie Kamerstukken II 2013–2014, 33 532, nr. 32.

22.

2012–2013

Algemene Rekenkamer verdergaande bevoegdheden geven bij DNB.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Afgerond. De wet waarmee het mogelijk wordt dat de Algemene Rekenkamer toegang krijgt tot toezichtvertrouwelijke informatie bij de toezichthouders is op 15 mei 2014 in werking getreden (Stb. 2014, nr. 179).

23.

2012–2013

Een rapportage of brief over de risico’s bij de bankensector en het pad eruit.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Afgerond. Zie brief Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (Kamerstukken II 2012–2013 33 013, nr. 35).

24.

2012–2013

De toezegging dat de Minister nog eens gaat bekijken of de audit van het ESM ook toegepast kan worden op de EFSF.

AO van 7 februari 2013, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1017.

Onderzoek heeft uitgewezen dat het niet mogelijk is de publieke externe controle op het EFSF te laten verrichten door het auditcomité van het ESM; het EFSF kan als private onderneming onder Luxemburgs recht niet worden gecontroleerd door een gremium dat niet bestaat uit leden van de raad van bewindvoerders. Op 17 december 2013 heeft de raad van bewindvoerders van het EFSF besloten tot instelling van een EFSF-auditcomité, bestaande uit een aantal leden van de raad van bewindvoerders van het EFSF.

25.

2012–2013

«Wet beloningen banken».

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

Afgerond. Wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2013/14, 33 964, nr. 2 en 3.).

26.

2012–2013

Bij evaluatie interventiewet ook kijken naar bindend raamwerk voor interventie.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009, 14 februari 2013.

Afgerond. Het aspect van een bindend raamwerk voor interventies is meegenomen in de evaluatie van de Interventiewet. Zie Kamerstukken II 2013–14, 33 532, nr. 32.

27.

2012–2013

Bij discussie over SNS met EC prijsleiderschapsbeperkingen aan de orde stellen; ook huidige prijsleiderschapsbeperking van ABN Amro hierbij betrekken.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

Afgerond. De kamer is per brief van 19 december 2013 geïnformeerd over de maatregelen van de EC.

28.

2012–2013

Noodwet/juridisch vehikel naar TK met oog op toezichtvertrouwelijke info aan AR

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009, 14 februari 2013.

Afgerond. De wet waarmee het mogelijk wordt dat de Algemene Rekenkamer toegang krijgt tot toezichtvertrouwelijke informatie bij de toezichthouders is op 15 mei 2014 in werking getreden (Stb. 2014, nr. 179).

29.

2012–2013

Opname in brief ABN – korte en lange termijn aandeelhouderschap.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009, 14 februari 2013.

Afgerond. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 32 013, nr. 36).

30.

2012–2013

De beleidsagenda naar de Tweede Kamer sturen.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009, 14 februari 2013.

Afgerond. Zie brief Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (Kamerstukken I 2012–2013 32 013, nr. 35).

31.

2012–2013

Klaver (GL) vraagt om een brief over de kwaliteit van de overheidsuitgaven in Nederland, naar aanleiding van het rapport «The quality of public expenditures in the EU» dat in de ECOFIN op de agenda staat. De Minister stelt voor om dit mee te nemen in de Miljoenennota. De inleiding daarvan wordt altijd gebruikt om enkele wat grotere thema’s te benoemen. Ik stel voor dat ik op dit thema terugkom in het inleidende hoofdstuk van de Miljoenennota

AO van 28 februari 2013 -Kamerstukken 21 501-07,nr. 1027 (p. 24 van het verslag van de het algemeen overleg).

Afgerond. Aan deze toezegging wordt voldaan in de Miljoenennota 2014 in paragraaf 2.4 op pagina 58.

32.

2012–2013

Bestuurders van ABN AMRO vragen te kijken naar een salarisvermindering in het middelmanagement, zijnde niet CAO-personeel en in overleg te treden met de vakbonden over een versobering van de CAO afspraken.

PM Kamerstuk handelingen (alleen nog maar stenogram beschikbaar).

Afgerond. Er is een brief aan het bestuur van NLFI verzonden met dit verzoek.

33.

2012–2013

Toezegging dat Nederland in de Eurogroep zal vragen naar de vormgeving van het Cypriotische onderzoek naar het weglekken van geld bij Cypriotische banken voorafgaand aan en tijdens de instelling van de restrictive measures. Hierbij zal ook gevraagd worden naar de betrokkenheid van de Trojka.

AO van 4 april 2013, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1056.

Aan voldaan bij brief van 22 april 2013 (Kamerstukken 21 501-07, nr. 1047).

34.

2012–2013

Het kabinet zal zich de komende weken en maanden met Kamerfracties verstaan om te bezien of het mogelijk is om te komen tot overleg om een breder draagvlak te krijgen voor (onderdelen van) de begroting 2014. Het kabinet zal daarbij vasthouden aan het uitgangspunt om het begrotingstekort in 2014 onder de 3% te krijgen en bij aanvullende maatregelen een verdeling van een derde / twee derde te hanteren tussen lastenverzwaringen en uitgavenbeperkingen. Het kabinet geeft er de voorkeur aan om waar mogelijk het aandeel lastenverzwaringen verder te verlagen.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Dit is afgerond met de publicatie van de Miljoenennota 2014.

35.

2012–2013

Toelichten wanneer het wenselijk is dat staatdeelnemingen buitenlandse investeringen doen

AO Staatsdeelnemingen van 29 mei 2013. Kamerstukken II, 2012–2013, 28 165 nr. 162, pag. 30.

Afgerond. Het beleid met betrekking tot wanneer buitenlandse investeringen wenselijk zijn is verwerkt in de nota deelnemingenbeleid. Vergaderjaar 2013–2014 Kamerstuk 28 165 nr. 165.

36.

2012–2013

NS; onderzoek naar kruissubsidie bij NS middels externe audit (opdracht aan Kamer melden).

AO Staatsdeelnemingen van 29 mei 2013. Kamerstukken II, 2012–2013, 28 165 nr. 162, pag. 30.

Afgerond. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de opdrachtverlening. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 28 165, nr. 177.)

37.

2012–2013

In de risicoparagraaf van de Miljoenennota 2014 zal expliciet worden ingegaan op het risico van rentestijging.

Voorjaarsnotadebat 3 juli 2013.

In de Miljoenennota 2014 is expliciet ingegaan op renterisico (paragraaf 4.8), net als in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2013 (paragraaf 3.2).

38.

2013–2014

Schriftelijk terugkomen op het bericht dat het verbod op huisuitzettingen in Griekenland zou worden opgeheven.

AO 11 september 2013, Kamerstukken 21 501-07 nr. 1087.

Aan voldaan in het verslag van de Eurogroep en informele Ecofin-Raad van 13 en 14 september te Vilnius (Kamerstuk 21 507-07, nr. 1084).

39.

2013–2014

De regering zal de Tweede Kamer, voor en na bijeenkomsten van de Ecofin-Raad en de eurogroep, informeren over de voortgang van de besprekingen omtrent de bankenunie.

AO 3 oktober 2013, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1096.

Gedurende de onderhandelingen is de Tweede Kamer middels geannoteerde agenda’s en verslagen van de Eurogroep en Ecofin-Raad geïnformeerd over de voortgang op het terrein van de bankenunie.

40.

2013–2014

In de eerstvolgende rapportage waarin Griekenland aan de orde komt, zal ook worden ingegaan op de belastinginning en het oordeel van de OESO. Voorts zal het verminderen van het aantal ambtenaren met cijfers worden benoemd.

AO 4 december 2013, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1120.

Aan voldaan bij brief van 7 april 2014 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1135) en brief van 11 juni 2014 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1157).

41.

2013–2014

De Kamer wordt toegezegd dat er in de huidige onderhandelingen over de Bankenunie geen backstop zal zijn vanuit het ESM. Dit zou een verdragswijziging vergen van het ESM-verdrag, en in die zin wordt dit uitgesloten.

AO 4 december 2013, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1120.

In de huidige onderhandelingen heef het ESM heeft geen rol als backstop gekregen in het SRM-akkoord.

42.

2012–2013

Het kabinet zal zich de komende weken en maanden met Kamerfracties verstaan om te bezien of het mogelijk is om te komen tot overleg om een breder draagvlak te krijgen voor (onderdelen van) de begroting 2014. Het kabinet zal daarbij vasthouden aan het uitgangspunt om het begrotingstekort in 2014 onder de 3% te krijgen en bij aanvullende maatregelen een verdeling van een derde / twee derde te hanteren tussen lastenverzwaringen en uitgavenbeperkingen. Het kabinet geeft er d voorkeur aan om waar mogelijk het aandeel lastenverzwaringen verder te verlagen.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Dit is afgerond met de publicatie van de Miljoenennota 2014.

43.

2012–2013

Het kabinet zal in de Verantwoordingsbrief 2013 systematischer ingaan op het signaleren en aanpakken van frauderisico’s. Daarbij zal worden betrokken de vraag naar de mogelijkheid tot het monitoren van aandachtspunten die de ARK in eerdere rapporten naar voren heeft gebracht.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Afgerond. In de Verantwoordingsbrief 2013 (Kamerstukken 33 941, nr. 1) was fraude één van de twee focusonderwerpen. In de brief is aandacht besteed aan genoemde onderwerpen.

44.

2012–2013

Het kabinet stuurt na de zomer, maar voor Prinsjesdag, een brief met nadere regels voor de inzet van derivaten in de semipublieke sector en andere financiële instrumenten, waarin tevens wordt aangegeven wat dit voor de verschillende sectoren kan betekenen. Ook wordt een passage over monitoring van financiële risico’s opgenomen.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Is afgehandeld met de brief d.d. 17 september 2013 «Beleidskader inzake het gebruik van financiële derivaten door (semi)publieke instellingen» (Kamerstuk 33 489, nr. 14).

45.

2012–2013

Het kabinet brengt een stroomlijning aan in het financieel toezicht vanuit de rijksoverheid op de verschillende semipublieke sectoren. De verantwoordelijkheid van de betreffende Minister wordt veel helderder en scherper geformuleerd. Daarnaast zullen voorstellen voor doelmatigheidseisen aan het financieel beheer en de verantwoording per sector door het kabinet worden uitgewerkt.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Afgerond. Het kabinet heeft een normenkader vastgesteld voor financieel beheer, verantwoording en toezicht bij instellingen die een publiek belang dienen en de Tweede Kamer daarover per brief geïnformeerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 822, nr. 1). Deze brief is in een Algemeen Overleg van 26 juni 2014 besproken.

46.

2012–2013

Departementen zullen in hun bedrijfsvoering- paragrafen van de jaarverslagen expliciet aandacht geven aan onderkende frauderisico’s en de maatregelen die daarop zijn ingezet. Risico’s voor de privacy en de uitvoering van grote, lopende ICT-projecten bij de overheid worden hierbij betrokken. Daarnaast wordt in het «risico-overzicht» de vraag meegenomen of er is voorzien in een risicopremie en in welke omvang.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Afgerond. In de Rijksbegrotingsvoorschriften 2014 zijn bepalingen voor de bedrijfsvoeringsparagrafen in de departementale jaarverslagen zodanig aangepast dat expliciet aandacht moet worden besteed aan de onderkende frauderisico’s en de maatregelen die zijn of worden ingezet om deze risico’s te beheersen, evenals risico’s voor de privacy en de uitvoering van grote, lopende ICT-projecten bij de overheid. De departementen hebben hier gehoor aan gegeven bij het schrijven van hun jaarverslagen en genoemde punten verwerkt in de bedrijfsvoerings-paragrafen.

47.

2012–2013

Het kabinet zal bezien of in het wetgevingsoverzicht specifiekere informatie kan worden opgenomen over de voortgang van wetgevingstrajecten zodat inzichtelijk wordt of vertraging dreigt. Het overzicht zal in elk geval laten zien wat de status is van de maatregelen (zodoende zullen gerealiseerde maatregelen niet wegvallen).

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Afgerond. De gevraagde informatie is te vinden in het wetgevingsoverzicht dat op Prinsjesdag aan de Staten-Generaal is verzonden door de Minister van V&J. Aanvullend hierop wordt binnen het reguliere budgettaire proces aandacht besteed aan de voortgang van aangekondigde maatregelen in onder andere Miljoenennota en FJR.

48.

2012–2013

Het kabinet zal de Kamer en de ARK regelmatig informeren over de voortgang van de verbeteringen rond het financiële beheerssysteem Leonardo van het Ministerie van V&J.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

De ARK is periodiek geïnformeerd over de voortgang van het financieel beheer door maandelijkse gesprekken en voortgangsrapportages. De Tweede Kamer is op 15 november 2013 per kamerbrief (Kamerstuk 33 750 VI, nr. 86) en via de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag 2013 (33 930 VI, nr. 1) geïnformeerd over de voortgang.

49.

2012–2013

De Minister heeft toegezegd de staande afspraak te bewaken dat de beleidsmatige mutaties na de Najaarsnota expliciet per brief aan de Tweede Kamer worden voorgelegd om goedkeuring te krijgen.

Verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Afgerond. Binnen het kabinet is scherpe aandacht geweest voor het melden van beleidsmatige mutaties na Najaarsnota. Ook komend jaar zal deze praktijk worden voortgezet. Om de Tweede Kamer goed inzicht te bieden, zijn in bijlage 2 van het FJR de beleidsmatige mutaties na Najaarsnota opgenomen (met een ondergrens van 2 mln.).

50.

2012–2013

Het kabinet gaat een nieuwe stresstest op de overheidsfinanciën uitvoeren. In de Miljoenennota 2014 zal het kabinet aangeven wanneer de test wordt uitgevoerd en wanneer de resultaten openbaar worden gemaakt.

Verantwoordingsdebat16 mei 2013.

De Miljoenennota 2014 kondigt een nieuwe Schokproef Overheidsfinanciën aan in de Miljoenennota 2015.

51.

2013–2014

Toezegging Relatie begrotingsbeleid 2014 en houdbaarheidstekort in de Miljoenennota.

Kamerstukken 21 501-20, B en C.

Afgerond. Dit is behandeld in hoofdstuk 4 van de Miljoenennota 2014 (Kamerstukken II 2013–2014, 33 750, nr. 1).

52.

2013–2014 (EK)

Toezegging Ontwikkeling zorgkosten in Miljoenennota en begroting VWS.

Europese Raad. Kamerstukken 21 501, B en C.

Afgerond. Dit is opgepakt in de begroting van WVS (Kamerstukken II 2013–2014, 33 750 XVI, nr. 2), daarin stond een uitgebreide analyse van de zorguitgaven (het Financieel Beeld Zorg). In de Miljoenennota 2014 (Kamervragen II 2013–2014, 33 750, nr. 1) is een verwijzing opgenomen in hoofdstuk 3 (pagina 94) naar de begroting van VWS.

53.

2013–2014 (EK)

Toezegging Hypothecaire leningen verstrekt door de Nederlandsche Bank aan eigen personeel.

Handelingen I 2013–2014, nr. 10 en 13 (33 540).

Aan deze toezegging is voldaan middels beantwoording van de gestelde vragen door de Minister van Financiën. Zie brief 18 juni 2014 aan de EK.

54.

2013–2014

De Minister zal bezien of er bezwaren zijn tegen consolidatie in de verzekeringssector

Kamerstuk 2013–2014, 32 013, nr. 49.

Afgerond. Geen bezwaren. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 6 juni 2014.

55.

2012–2013

Bij de Miljoenennota 2014 zal worden ingegaan op de beheersbaarheid en het geleidelijk afbouwen van garanties. Ook zal ingegaan worden op de vraag of de premiestelling nog actueel is.

Voorjaarsnotadebat 3 juli 2013.

De Miljoenennota 2014 heeft het garantiekader van het kabinet aangekondigd.

56.

2012–2013

In de Miljoenennota 2014 zal worden gereageerd op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer omtrent de effectiviteit van beleid (in het kader van «better spending»).

Voorjaarsnotadebat 3 juli 2013.

Afgerond. In de Miljoenennota 2014 (Kamerstuk 33.750, nr. 1) is op pagina 58–59 een reactie gegeven op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer.

57.

2013–2014

Het gesprek aangaan met de fracties die voorstellen hebben gedaan over de begroting.

Handelingen Algemene politieke beschouwingen Tweede Kamer, 25 en 26 september 2013.

Afgerond. Na de Algemene Politieke Beschouwingen hebben uitgebreide gesprekken plaatsgevonden met de fracties die hebben geleid tot een begrotingsakkoord.

58.

2013–2014

Het kabinet overlegt met de Kamer over de invulling van een pakket van 6 miljard euro.

Handelingen Algemene politieke beschouwingen Tweede Kamer, 25 en 26 september 2013.

Afgerond. Na de Algemene Politieke Beschouwingen is een Begrotingsakkoord tot stand gekomen. In dit akkoord is invulling gegeven aan een budgettair pakket van 6 miljard euro.

59.

2013–2014

Het kabinet is bereid in gesprek te gaan over de effecten van het beleid voor de inkomens van gezinnen (i.h.b. eenverdienersgezinnen).

Handelingen Algemene politieke beschouwingen Tweede Kamer, 25 en 26 september 2013.

Afgerond. In het Begrotingsakkoord hebben wijzigingen plaatsgevonden ten opzichte van de eerdere begroting die gevolgen hebben voor de inkomens van gezinnen en op termijn banen opleveren.

60.

2013–2014

De Minister van Sociale Zaken stuurt voor het einde van het jaar (2013) een hoofdlijnennotitie over de huishoudenstoeslag naar de Kamer.

Algemene Financiële Beschouwingen, 16-17 oktober 2013.

Op 14 april 2014 is een Kamerbrief gestuurd, met daarin de melding dat invoering in 2015 niet gaat lukken en dat voor de periode na 2015 een alternatieve vormgeving wordt verkend. (Kamerstuk 31 066, nr. 199).

61.

2013–2014

De Minister van Financiën informeert de Kamer voor het einde van het jaar over de uitkomsten van gesprekken met ING over de Alt-A-hypotheekportefeuille.

Algemene Financiën Beschouwingen, 16-17 oktober 2013.

Afgerond. De Tweede Kamer is geïnformeerd over het beëindigen van de Illiquid Assets Backup Facility (IABF) en de verkoop van de Alt-A portefeuille (TK 2013–2014, 31 371, nr. 380).

62.

2013–2014

De basis voor de Overheidsbalans wordt in de CW opgenomen.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Afgerond. De basis voor de overheidsbalans zal niet in de wettekst van de CW worden opgenomen. In de memorie van toelichting bij de te verschijnen wet zal hier wel op in worden gegaan.

63.

2013–2014

De Minister zal in de regelgeving rondom beleidsdoorlichting opnemen dat bij een beleidsdoorlichting ook de mogelijkheden om 20% te bezuinigen op het artikel dienen te worden besproken. Dit wordt zo spoedig mogelijk doorgevoerd. De Minister laat weten aan de Kamer wanneer en hoe dit wordt aangepast.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Is gerealiseerd. Aangepaste regelgeving RPE is vastgesteld en wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

64.

2013–2014

Alle beleidsdoorlichtingen worden online gepresenteerd.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Dit is gerealiseerd, via rijksbegroting.nl en via hyperlinks in alle begrotingen naar afgeronde beleidsdoorlichtingen. Agentschappen worden doorgelicht op basis van de Regeling agentschappen. De Minister waaronder het agentschap valt, maakt het doorlichtingsrapport openbaar. Zie ook: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/rijksoveroverheid/agentschappen.

65.

2013–2014

De Minister stuurt de Tweede Kamer een brief over hoe en wanneer de gasopbrengsten naar verwachting aflopen.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Minister Dijsselbloem heeft de Kamer op 5 februari 2014 geïnformeerd. Kamerstuk 33 529, nr. 32.

66.

2013–2014

De Minister vraagt de Studiegroep Begrotingsruimte om te kijken naar een andere aanwending van de gasbaten.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Dit onderwerp staat op de lijst met aandachtspunten voor de volgende Studiegroep Begrotingsruimte.

67.

2013–2014

De Minister informeert de Tweede Kamer voor Verantwoordingsdag over de afspraken tussen de Algemene Rekenkamer en het ministerie om meer open data beschikbaar te maken.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Afgerond. Een stand van zaken over de ontwikkeling van open data is opgenomen in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2013 (Kamerstuk 33 930, nr. 1). In de Miljoenennota 2015 zal hier ook aandacht aan worden besteed.

68.

2013–2014

De Minister stuurt de Tweede Kamer een brief over de schuldenverlichting voor Soedan.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

Afgerond. Brief is verzonden (Kamerstuk 33 670, nr. 10) in reactie op motie-Van Hijum.

69.

2013–2014

Een brief aan de Tweede Kamer sturen over de leverage ratio en liquiditeitseisen die voor banken gaan gelden.

AO 23 januari 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1130.

Op 3 februari 2014 aan voldaan (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1122).

70.

2013–2014 (EK)

Toezegging om schriftelijk terug te komen op een vraag over het verstrekken van hypothecaire leningen door DNB aan zijn personeel.

Handelingen EK 2013/2014, nr. 10, item 13 blz. 66–80.

Afgerond, zie brief aan Eerste Kamer EK 33 416 / 33 540, H.

71.

2013–2014

Verzoek lid Klaver (GL) om Kamerbrief over recente ontwikkelingen in de banken CAO’s, stavaza t.a.v. afspraken loonontwikkeling, incl. bonussen.

Kamerstukken II 2013–2014, 32 013, nr. 57, p. 31.

Voltooid. Zie Kamerstukken II, 2013–2014, 32 013, nr. 53.

72.

2013–2014

Het fiche over het EC voorstel inzake een verordening over structuurhervormingen ter verbetering van de weerbaarheid van de Europese banken, wordt aangevuld met informatie over welke Nederlandse banken onder de scheidingsverplichting zouden kunnen vallen en meer algemeen of het grote of kleine banken betreft, over marketmaking, en over de inrichting van het toezicht op de scheidingsverplichting.

AO Toekomst financiële sector, 6 februari 2014. Kamerstukken II, 2013–2014, 32 013, nr. 57.

De gevraagde informatie is opgenomen in het BNC-fiche, dat op 7 maart 2014 aan de Kamer is gezonden (Kamerstukken 22 112, nr. 1809 en 1810).

73.

2013–2014

Aan de Tweede Kamer rapporteren over de eerstvolgende review van en eventuele financieringsgaten in het Griekse steunprogramma.

AO 13 februari 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1133.

Aan voldaan met brief van 7 april 2014 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1135).

74.

2013–2014

Informeren van de Tweede Kamer op basis van de voortgangsrapportage Griekenland over de beoordeling van de Griekse banken.

AO van 26 maart 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1151.

Aan voldaan met brief van 7 april 2014 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1135).

75.

2013–2014

Een fiche aan de kamer sturen over de Commissievoorstellen over het rapport-Liikanen en het kabinetsstandpunt.

AO 24 april 2014, Kamerstukken 21 501-07 nr. 1157.

Op 7 maart 2014 aan voldaan. (Kamerstuk 21 507-07, nr. 1084).

76.

2013–2014

In een brief inzichtelijk maken wat er bij de Griekse belastingdienst aan vooruitgang is geboekt op het gebied van wetgeving, implementatie, reorganisatie en effecten.

AO van 24 april 2014, Kamerstukken 21 501-07 nr. 1157.

Aan voldaan met een brief van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 11 juni 2014. (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1157).

77.

2013–2014

Het fiche over Liikanen/Barnier wordt aangevuld met informatie over welke Nederlandse banken onder de scheidingsverplichting zouden vallen en meer algemeen of het grote of kleine banken betreft, over marketmaking, en over de inrichting van het toezicht op de scheidingsverplichting (risico van te decentraal beleggen, alleen nationaal of Europees?).

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (32 013, nr. 35).

Afgerond. Hierover is op 7 maart 2014 een BNC fiche naar de Kamer gezonden.

78.

2013–2014

Kamerbrief inzake maatregelen om invloed bankenlobby terug te dringen. Daarbij eventueel initiatiefwetsvoorstel van lid Bouwmeester betrekken.

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (32 013, nr. 35).

Afgerond door middel van brief van 3 april 2014 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2013/14 32 013, nr. 56) en aansluitend debat (Handelingen II 2013/14, nr. 84).

79.

2013–2014

In een brief duidelijkheid over het proces richting de terugkoppeling van wat banken zullen doen met pinautomaten (n.a.v. het rondetafelgesprek met banken).

Plenair debat Kabinetsvisie Nederlandse bankensector (32 013, nr. 35).

Afgerond brief van 26 mei 2014 (Kamerstuk 32 013, nr. 74).

80.

2013–2014

De Studiegroep Begrotingsruimte wordt gevraagd om aandacht te besteden aan de afbouw van de gasbaten (was reeds toegezegd in Notaoverleg CW, 16 december 2013).

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

Dit onderwerp staat op de lijst met aandachtspunten voor de volgende Studiegroep Begrotingsruimte.

81.

2013–2014

Er wordt een transitiecommissie voor het sociale domein ingesteld, die vinger aan de pols houdt en extra ondersteuning kan bieden aan gemeenten waar het niet goed gaat. Als deze commissie ontdekt dat het, niet bij enkele gemeenten maar in brede zin, niet goed gaat, wordt daar actie op gezet.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De transitiecommissie sociaal domein is ingesteld. Instellingsbesluit is op 4 juli 2014 in Staatscourant gepubliceerd.

82.

2013–2014

De Minister van BZK zal voor de zomer een brief aan de Kamer sturen over de inrichting van de transitiecommissie en de uitwerking die daar in samenspraak met de VNG aan wordt gegeven.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De Kamer is geïnformeerd over de inrichting en uitwerking van de transitiecommissie (brief d.d. 2 juli 2014 Kamerstuk 33 750 VII, nr. 65).

83.

2013–2014

De Minister van BZK kijkt samen met de VNG naar meer gestroomlijnde en gedeelde informatievoorziening over decentralisaties (één informatiestroom die de gemeenteraad bedient, die het mogelijk maakt om tussen gemeentes te vergelijken en die naar Den Haag gaat).

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De Kamer is per brief (d.d. 7 juli 2014 Kamerstuk 33 750 VII, nr. 67) geïnformeerd over de inrichting van de informatievoorziening. Hierin staat hoe aan het uitgangspunt van een gezamenlijke en gestroomlijnde aanpak wordt voldaan.

84.

2013–2014

Binnen twee weken wordt de Kamer geïnformeerd over de controleresultaten co-vergisting en de mogelijkheden voor verbetering van handhaving rond co-vergisting van dierlijke mest.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

Minister Kamp heeft op 10 juni 2014 de Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 125).

85.

2013–2014

Aan de Minister van SZW wordt doorgegeven dat de Kamer graag de tabel over koopkracht (tabel 41.2) terugziet in het jaarverslag.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De koopkrachttabel 2013 is via de beantwoording van Kamervragen over het SZW-jaarverslag verstrekt (Kamerstuk 33 930-XV nr. 5). De koopkrachttabel 2014 zal in het jaarverslag 2014 worden opgenomen.

86.

2013–2014

Aan de Minister van SZW zal worden gevraagd om de instroom van arbeidsgehandicapten ook onder de aandacht te brengen bij andere overheden.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De Staatssecretaris van SZW neemt dit punt mee in overleggen met de ministers van W&R en BZK. Het punt is onder de aandacht van bewindspersonen en beleidsdirecties gebracht.

87.

2013–2014

De Tweede Kamer te informeren of het kabinet gerustgesteld is over de aanleiding en de follow-up betreffende het ontslag van de Griekse secretaris-generaal van de belastingdienst.

AO 12 juni 2014

Aan voldaan in het verslag van de Eurogroep en Ecofin-Raad van 19 en 20 juni 2014 te Luxemburg (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1163), alsmede het AO Eurogroep/Ecofin- Raad van 2 juli 2014.

88.

2013–2014

Een schriftelijke toelichting op de schuldenbenchmark van Italië in de transitieperiode waarin het nu zit.

AO 12 juni 2014.

Voldaan in de Miljoenennota 2015.

89.

2013–2014

De Minister van Financiën stuurt een brief over het voorgestelde amendement (horizonbepaling subsidies) op de 6e wijziging van de CW.

Debat over de Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (33 837), 18 juni 2014.

Afgerond: brief is verstuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33.837, nr. 11).

90.

2013–2014

Minister Asscher en Staatssecretaris Van Rijn zullen binnenkort met een brief komen over het arbeidsmarktbeleid ten aanzien van de zorg.

Voorjaarsdebat, 2 juli 2014.

Deze brief is verstuurd op 7 juli 2014 (Kamerstuk 29 282, nr. 199).

Onderdeel B.2 Toezeggingen waarvan de uitvoering nog niet is afgerond

Door bewindslieden gedane toezeggingen
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken/planning

1.

2008–2009

Toezegging de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving over vier jaar te evalueren. De evaluatie zal de vraag of het wetsvoorstel voldoende mogelijkheden biedt om individuen te beboeten en de vraag of de geëffectueerde boetes tegen het plafond aan zitten meenemen.

Handelingen II 2008–2009, nr. 54, pag. 4357–4369.

Deze evaluatie zal in 2014 worden uitgevoerd.

2.

2009–2010

In het debat over het rapport Scheltema is toegezegd periodieke rapportages over de cultuuromslag bij DNB aan de Kamer te doen toekomen.

Het hoofdlijnendebat van 1 juli 2010.

In januari 2011 is de Tweede Kamer gerapporteerd over de aanpak van het Plan van Aanpak Cultuurverandering van DNB (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 648, nr. 1 (bijlage)). Bij gelegenheid van de derde voortgangsrapportage inzake de aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (Kamerstukken II 2011/12, 32 545, nr. 10) is aan de Kamer gemeld dat – indien zich relevante ontwikkelingen voordoen – daarvan aan de Kamer melding zal worden gemaakt.

3.

2010–2011 (EK)

De staatsecretaris zegt toe dat de wet uniformering loonbegrip na invoering specifiek zal worden geëvalueerd op de loonkosten.

Handelingen I 2010 – 2011, nr. 28 item 13, blz. 57.

Niet eerder voorzien dan na 2013. De wet uniformering loonbegrip is per 1 januari 2013 ingevoerd.

4.

2010–2011

De Minister heeft toegezegd jaarlijks de Kamer te informeren over zijn voornemens ten aanzien van wet- en regelgeving op het terrein van de financiële markten.

In de aanbiedingsbrief bij het rapport van de commissie Scheltema (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 432 nr. 1).

De wetgevingsbrief voor 2014 is op15 juli 2014 verstuurd naar de Tweede Kamer (Kamerstuk 32 545, nr. 20).

5.

2010–2011

De Minister zal de Tweede Kamer periodiek op de hoogte houden van de voortgang ten aanzien van de exit van de staat uit de financiële deelnemingen en zal de Kamer nader informeren in aanloop naar de exit.

Kamerstukken 2010–2011, 28 165, nr. 130.

In behandeling. De Kamer is per brief van 23 augustus 2013 geïnformeerd over de verkoopopties en zal nadere informatie ontvangen.

6.

2010–2011

Minister zal de Kamer betrekken indien er sprake is van vermogensstortingen bij staatsdeelnemingen.

Plenair wetgevingsdebat van 28 juni 2011.

Indien deze situatie zich voordoet, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.

7.

2011–2012

Toezegging om verzoek van het lid Blanksma-Van den Heuvel over de signaalmarge mee te nemen bij de uitwerking van de Wet Hof.

Plenair debat van 5 oktober 2011.

In behandeling. De Wet Hof is aangenomen in de Tweede Kamer en ligt ter behandeling in de Eerste Kamer, de Eerste Kamer heeft een voorlopig verslag ingediend.

8.

2011–2012

Toezegging tot schrijven van een brief na twee jaar inzake consumentenbescherming op de BES-eilanden.

Wetgevingsoverleg van 24 oktober 2011.

Zoals toegezegd zal de brief medio 2014 (twee jaar na de inwerkingtreding van de wet) aan de Kamer worden gezonden. De brief zal dit najaar aan de Kamer worden gezonden.

9.

2011–2012

Toezegging om de evaluatie van de Wta naar de Kamer te sturen.

AO van 27 oktober 2011.

Bij brief van 15 juli 2013 betreffende «Hervorming van de accountantsmarkt en voortgang Europese onderhandelingen» heeft de Minister de Tweede Kamer aangegeven voornemens te zijn de wettelijke evaluatie van de Wta te laten plaatsvinden in 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 21 501-30, nr. 313). In het AO Accountancy van 14 mei 2014 heeft de Minister aangegeven deze evaluatie naar voren te willen halen, zodat we die kunnen betrekken bij het implementatietraject van de nieuwe Europese regelgeving voor de hervorming van de accountantsmarkt. De Minister heeft aangegeven de evaluatie in september of oktober hoopt klaar te hebben (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 681, nr. 11).

10.

2011–2012

Brief met de Staatssecretaris I&M over Nederlandse inzet in klimaatonderhandelingen na 2012.

AO Ecofin van 7 maart 2012.

In behandeling.

11.

2011–2012

Toezegging om de voor- en nadelen van het introduceren van een Volcker-rule voor het tegengaan van excessieve risico’s met de Kamer te delen.

AO van 28 maart 2012.

In zijn visie op de toekomst van de bankensector van 23 augustus heeft het kabinet aangegeven een verbod op handel voor eigen rekening (de essentie van de Volcker rule) te steunen (Kamerstukken I 2012–2013 32 013, nr. 35). Op dit moment wordt in EU verband onderhandeld over een verordening waarvan een verbod op handel voor eigen rekening deel uitmaakt (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014PC0043&from=EN).

12.

2011–2012

Toezegging om de Kamer te berichten hoe private equity kan worden vormgegeven en wat de consequenties zijn in het onderzoek naar de Volcker-rule.

AO van 28 maart 2012.

Op dit moment wordt in EU-verband onderhandeld over een verordening waarvan restricties aan beleggingen in private equity door banken deel uitmaken, in combinatie met een verbod op handel voor eigen rekening (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52014PC0043&from=EN). Hierover is op 7 maart 2014 een BNC fiche naar de Kamer gezonden.

13.

2011–2012

(EK)

Toezegging aan de Eerste Kamer, gedaan op 22 mei 2012 tijdens de plenaire behandeling van het voorstel van de Wet bekostiging financieel toezicht, om bijvoorbeeld bij de evaluatie van de bonusregeling de boetes naar de schatkist te heroverwegen.

Handelingen I, 2011–2012, nr. 30, item 6.

In voorbereiding. Heroverweging van de bestemming van boeteopbrengsten zal na de voorgenomen afschaffing van de overheidsbijdrage voor het financieel toezicht (2015) plaatsvinden. De evaluatie van de bonusregeling is gepland in 2016.

14.

2011–2012

Toezegging dat de Minister de secretaris-generaal van Financiën en de secretaris-generaal van Algemene Zaken zal verzoeken om ten behoeve van de volgende formatie ambtelijk na te denken over hoe ZBO's kunnen worden meegenomen als er een politieke wens is voor een nullijn, zodat het op een goede manier gedicht kan worden.

Debat over Voorjaarsnota, 5 juli 2012.

In behandeling.

15.

2011–2012

Toezegging om aandacht te besteden in de Miljoenennota over de opmerking van het lid Irrgang over dat bezuinigingen leidt tot lagere economische groei.

Debat over Voorjaarsnota, 5 juli 2012.

In behandeling, wordt in de Miljoenennota opgenomen.

16.

2011–2012

Toezegging om mogelijke wijziging van de begrotingsregels onder de aandacht te brengen van de aanstaande informateur als een wens van in ieder geval een deel van de Kamer.

Debat over Voorjaarsnota, 5 juli 2012.

In behandeling.

17.

2012–2013

(EK)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Reuten (SP), toe dat de regering erop zal toezien dat de termen «beleggen» en «belegger» zo consequent mogelijk zullen worden gehanteerd in relatie tot de Wft, om een onderscheid te maken met de termen «investeren» en «investeerder».

Onderscheid tussen terminologie beleggen en investeren (32 036).

Dit is een doorlopende toezegging.

Per wetsbehandeling zal opnieuw bezien moeten worden welke term het meest passend is om een consistente lijn te bewaren. Zo is er bij memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Kamerstuk 32 014) toegezegd de term «investeerder» te vervangen door de binnen dit wetsvoorstel meer passende term «aandeelhouder», de toezegging zal bij de eerstvolgende gelegenheid worden geëffectueerd ten aanzien van de onderdelen in het wetsvoorstel waarin deze term voorkomt.

Voor het genoemde wetsvoorstel zal iets worden aangeleverd bij de technische nota van wijziging op W4.

18.

2012–2013

(EK)

De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Doek (CDA), toe dat wanneer een wetsvoorstel bepalingen met terugwerkende kracht bevat, de redengeving daarvoor expliciet zal worden toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Expliciete redengeving bij terugwerkende kracht

(32 036).

Dit is een doorlopende toezegging. Bij wetsvoorstellen waaraan (aan onderdelen daarvan) terugwerkende kracht wordt verleend, zal de redengeving daarvoor expliciet worden toegelicht in de memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel.

19.

2012–2013

(EK)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Sent, toe om mogelijkheden aan te grijpen om tot verdere Europese coördinatie van een bankenbelasting te komen en zich hiervoor sterk te maken als dat ook in het belang is van Nederland en de Nederlandse financiële sector.

Nederlandse inzet Europese coördinatie bankenbelasting (33 121).

Mocht in de toekomst een bankenbelasting op basis van coördinatie weer op de agenda verschijnen dan zal de Staatssecretaris van Financiën zich daar sterk voor maken. Een gecoördineerde bankenbelasting staat nu echter niet op de agenda, er wordt momenteel over een FTT gesproken.

20.

2012–2013

(EK)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Reuten, toe in een brief in te gaan op de argumenten met betrekking tot een bankenaandelenheffing.

Brief bankenaandelenheffing (33 121).

Zoals aangegeven door de staatsecretaris van Financiën tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel bankenbelasting in de Eerste Kamer zal het voorstel van de heer Reuten worden meegenomen bij de evaluatie van de bankenbelasting, die plaatsvindt drie jaar na de inwerkingtreding hiervan. (Zie Handelingen I 2011/12, EK nr. 36, item 8, blz. 85).

21.

2012–2013

(EK)

De Staatssecretaris van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Reuten, toe terughoudend te zullen zijn met het overnemen van jargon ten aanzien van bankbalansen dat op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Dit geldt in het bijzonder voor de termen «ongedekte schulden» en «ongedekte passiva».

Vermijden dubbelzinnige termen bankbalansen (33 121).

De Staatssecretaris van Financiën zal terughoudend blijven zijn met het overnemen van jargon ten aanzien van bankbalansen dat op verschillende manieren kan worden uitgelegd.

22.

2012–2013

(EK)

Toezegging gedrags- of integriteitscode als onderdeel van Europees bankentoezicht.

Handelingen I 2012–2013, 33 400, nr. 8 – blz. 54.

De totstandkoming van Europees bankentoezicht is in volle gang. Als dit proces is afgerond, is de inzet om dit in Europees verband te agenderen.

23.

2012–2013

Rapporteren aan de Tweede Kamer over de afspraken t.a.v. beloningen DNB.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Afspraken over beloningen bij DNB worden bezien in het licht van de toepassing van de Wet normering topinkomens (Wnt). Zoals reeds aan de Kamer gemeld zijn er gesprekken gaande. Er zijn echter nog geen afspraken gemaakt. Zodra er duidelijkheid is zal de Kamer worden geïnformeerd.

24.

2012–2013

Aan de orde blijven stellen van betalingen van salarissen in de bankensector.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

Wordt gedaan, onderwerp wordt regelmatig aangesneden in overleggen met sector. Daarnaast zal de Minister met de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen komen. Deze bevat onder meer een bonusplafond van 20%.

25.

2012–2013

Kamer op de hoogte houden van resolutie- en reddingsplannen.

Debat over SNS REAAL, 6 februari 2013.

De Nederlandsche Bank is in samenwerking met de betrokken banken doende om afwikkelplannen op te stellen voor de drie grootste Nederlandse banken. De Kamer heeft op 29 januari 2014 een voortgangsrapportage ontvangen over dit project.

26.

2012–2013

De toezegging dat de Minister nog eens gaat bekijken of de audit van het ESM ook toegepast kan worden op de EFSF.

AO van 7 februari 2013 -

Kamerstukken 21 501-07, nr. 1017.

Voortgaand onderzoek naar opties in samenwerking met ESM.

27.

2012–2013

Brief naar de Tweede Kamer toesturen over vormgeving evaluatie SNS REAAL.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

De onafhankelijke evaluatie van het handelen van en de samenwerking tussen het Ministerie van Financiën en DNB inzake SNS REAAL is uitgevoerd door de heer mr. R.J. Hoekstra en de heer prof. dr. J.M.G. Frijns. Het kader waarbinnen de betreffende evaluatie wordt uitgevoerd is aan de Kamer toegelicht in Kamerstukken II, vergaderjaar 2012–2013. Het rapport is afgerond en verzonden aan de Kamer.

28.

2012–2013

De Tweede Kamer voor het einde van het jaar informeren over plannen voor ontvlechting en risicobeperking (reeds toegezegd in SNS debat).

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

DNB heeft de afgelopen periode samen met de banken belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van de resolutieplannen.

29.

2012–2013

De Tweede Kamer bij voortduring informeren over Europees bankentoezicht, herstel en resolutie.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

De Kamer wordt frequent geïnformeerd over de relevante ontwikkelingen met betrekking tot het Europees toezicht, de harmonisatie van resolutie-instrumentarium en het SRM. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken nummer 21 501-07 nr. 1071.

30.

2012–2013

Inzetten in Europa voor een lager garantiebedrag.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

Op 12-06-2014 is de nieuwe DGS richtlijn gepubliceerd. http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=uriserv:OJ.L_.2014. 173.01.0149.01.ENG Hierin is het garantiebedrag inzake DGS op hetzelfde niveau gebleven.

31

2012–2013

De Tweede Kamer informeren hoe de motie Graus inzake kwaliteit van banken uit wordt gevoerd.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

In behandeling. DNB verkent in overleg met de sector de mogelijkheden om een uniforme set van kerngegevens over banken op de website van DNB te publiceren. Mocht dit mogelijk zijn, dan zal dit consumenten, professionele marktpartijen, analisten en academici beter in staat stellen om banken te vergelijken.

32.

2012–2013

Informatievoorziening aan consumenten (spaarders) over risico’s banken.

Debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie De Wit n.a.v. de crisismaatregelen 2008/2009,14 februari 2013.

In behandeling. DNB verkent momenteel de mogelijkheden om geselecteerde gegevens over banken op de website te publiceren. Mocht dit mogelijk zijn, dan zal dit consumenten, professionele marktpartijen, analisten en academici beter in staat stellen om banken te vergelijken.

33.

2012–2013

De Minister heeft een oproep gedaan aan ABN AMRO, ASR en SNS REAAL om de hoogte en duurzaamheid van de beloningen van het CAO-personeel op de agenda te zetten en te kijken of er aanvullende maatregelen nodig zijn voor het senior management. De Minister heeft dit tevens gemeld aan de bestuursvoorzitter van ING. De Kamer zal over de voortgang van de CAO-afspraken worden geïnformeerd.

Kamerstukken II, 2012–2013, Aanhangselnummer 2722.

In behandeling. Er is een brief aan de Kamer gezonden met een update, (Vergaderjaar 2013–2014, Kamerstukken 32 013 nr. 53). De Kamer wordt nog geïnformeerd over uitkomsten CAO-besprekingen SNS REAAL.

34.

2012–2013

In antwoord op de vraag over de Spaanse bank Bankia die 19 miljard zou hebben geleden (niet bevestigd), heeft de Minister toegezegd om de Kamer te informeren zodra de situatie in de Spaanse bankensector verslechtert.

AO van 28 februari 2013 - Kamerstukken 21 501-07, nr. 1027.

Tot nu toe is de het Spaanse bankenprogramma on track.

35.

2012–2013

Toezegging om zodra er meer informatie is over de Lagarde-lijst de Tweede Kamer hierover geïnformeerd wordt.

AO van 4 april 2013 -

Kamerstukken 21 501-07, nr. 1056, en AO van 24 april 2014 – Kamerstukken 21 501-07, nr. 1157.

In behandeling. Op 22 januari 2014 is een brief aan de Kamer gestuurd over dit onderwerp (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1118) naar aanleiding van vragen van het lid van Dijck. Op 11 juni 2014 is een brief aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1157) over hervorming van de Griekse belastingdienst, waarin ook wordt ingegaan op het tegengaan van fraude en witwassen. Zodra er meer informatie beschikbaar komt over de Lagarde-lijst zal de Kamer geïnformeerd worden.

36.

2012–2013

Toezegging om de Kamer te informeren als er meer informatie is over middelen (bijvoorbeeld van EIB) die actief bijdragen aan economisch herstel in Cyprus.

AO van 4 april 2013 - Kamerstukken 21 501-07, nr. 1056.

De Kamer zal hierover geïnformeerd worden, wanneer dit aan de orde is.

37.

2012–2013

Nederland zal het thema van de Europese begrotingssystematiek tijdens het Nederlandse voorzitterschap in 2016 op de agenda zetten.

Verslag van het verantwoordingsdebat 16 mei 2013.

Nog niet aan de orde.

38.

2012–2013

Uitgebreide brief inzake verkoop Urenco.

AO Staatsdeelnemingen van 29 mei 2013. Kamerstukken II, 2012–2013, 28 165 nr. 162, pag. 21.

In behandeling. Zodra er overeenstemming is tussen de verschillende betrokken partijen over het ontwerp en invulling van de borgingsinstrumenten zal de Kamer worden geïnformeerd. Vergaderjaar 2013–2014

Kamerstuk 28 165 nr. 174.

39.

2012–2013

Toezegging om in volgende Voortgangsrapportage te rapporteren over verdeling van efficiencywinst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.

AO over PPS/DBFMO van 27 juni 2013.

In behandeling.

40.

2013–2014

(EK)

Toezegging Niet inzetten van het sanctie-instrument uit de Wet Hof en indiening apart wetsvoorstel uitwerking amendement-Koolmees.

Handelingen I 2013–2014, nr. 10, item 10 en 13

(33 416, nr. 23).

In behandeling.

41.

2013–2014

(EK)

Toezegging om de Kamer te informeren over een overzicht dat de Cie opstelt in 2014 over de wijze waarop andere lidstaten de Europese begrotingsregels in nationale wetgeving hebben verwerkt, inclusief het gebruik van dwingende macro-normen en referentiewaarden voor decentrale overheden.

Handelingen I 2013–2014, nr. 10, item 10 en 13

(33 416).

In afwachting van overzicht Commissie.

42.

2013–2014

De Minister zal onderzoeken hoe de kosten voor een beursgang laag te houden zijn.

Kamerstuk 2013–2014, 32 013, nr. 49.

In behandeling.

43.

2013–2014

De Minister van Financiën zal waar mogelijk standaardproducten in de financiële sector stimuleren en samen met de stakeholders onderzoeken aan welke criteria een standaardproduct moet voldoen.

Algemene Financiële Beschouwingen, 16-17 oktober 2013.

In de kamerbrief over standaardproducten (d.d. 4 juli 2014 Kamerstuk 32 013, nr. 79) is nader onderzoek aangekondigd en een pilot toegezegd. ACM gaat nader onderzoek doen naar kansen en risico´s voor de marktwerking van standaardproducten in de verschillende financiële deelmarkten. De AFM gaat nader onderzoeken hoe standaardproducten kunnen bijdragen aan goede keuzes door consumenten met betrekking tot financiële producten. Op basis van de input van AFM en ACM zal tegen het eind van het jaar worden bezien in welke deelmarkt de effecten van standaardisatie het meest zinvol lijken en hoe de pilot het beste kan worden vormgegeven.

44.

2013–2014

Brief waarin MINFIN heel feitelijk laat zien hoe de verantwoordelijkheden zijn belegd tussen MINFIN, MINI&M en NS. Naar aanleiding van verzoek lid Beertema (PVV) om te laten zien dat specifieke expertise op het gebied van projectmanagement aanwezig is bij MINFIN, MIN I&M en NS

De Vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft op 4 november 2013 overleg gevoerd met Staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu en Minister Dijsselbloem van Financiën.

In behandeling.

45.

2013–2014

Wanneer de lidstaten die werken aan een financiële transactiebelasting een concreet voorstel presenteren, de Tweede Kamer hierover informeren en de nog openstaande vragen beantwoorden

AO 7 november 2013, Kamerstukken 21 501-07 nr. 1115.

Aangezien er nog geen concreet voorstel ligt is dit nog niet aan de orde.

46.

2013–2014

De Tweede Kamer op de hoogte houden van de initiatieven vanuit de Europese Commissie en andere instanties t.a.v. schaduwbankieren.

AO 7 november 2013 Kamerstukken 21 501-07 nr. 1115.

Nog in behandeling, te zijner tijd zal een brief naar de Kamer worden gestuurd.

47.

2013–2014

In de nieuwe CW wordt een bepaling opgenomen over het evalueren van deze wet.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

In behandeling. Dit wordt in het wetsvoorstel opgenomen.

48.

2013–2014

In de CW wordt opgenomen dat jaarlijks het Stabiliteitsprogramma en Hervormingsprogramma, die aan Brussel moeten worden gestuurd, aan de TK (en EK) worden toegezonden.

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

In behandeling. Dit wordt in het wetsvoorstel opgenomen.

49.

2013–2014

De Minister stuurt de Tweede Kamer een brief over de uitkomsten van overleg met de Rekenkamer over staatsdeelnemingen (toegang tot volledige dochters).

Notaoverleg modernisering Comptabiliteitswet, 16 december 2013.

In behandeling.

50.

2013–2014

De Minister zal in zijn coördinerende verantwoordelijkheid in het Financieel Jaarverslag van het Rijk aandacht geven aan het traject van effectuering en handhaving van het normenkader door de verantwoordelijke ministers. Als ondersteuning voor de uitvoering zal de Minister een handreiking voor sober en ordentelijk financieel beheer opstellen en beschikbaar stellen. Deze handreiking en het normenkader zullen worden opgenomen in het door het Ministerie van Financiën uitgegeven Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid.

Financieel beheer en financieel toezicht bij instellingen die een publiek belang dienen (Kamerstuk 33 822-1).

In behandeling.

51.

2013–2014

Toezegging om in oktober de Kamer te informeren over de ervaringen met het nieuwe vakbekwaamheidbouwwerk, de centrale examinering en de slagingspercentages.

Kamerstuk 32 545, nr. 19.

In behandeling.

52.

2013–2014

Toezegging om de Wet verplicht schatkistbankieren binnen vijf jaar te evalueren.

Handelingen TK 2012/2013, nr. 103, item 15, blz. 1–15

De Wet verplicht schatkistbankieren is in december 2013 in werking getreden en zal binnen vijf jaar worden geëvalueerd.

53.

2013–2014

In de beantwoording van de Kamervragen van de leden Lucas en Aukje de Vries (25 april 2014) is een onderzoek toegezegd waarin het huidige toezichtkader voor crowdfunding onder de loep zal worden genomen en wordt bekeken of de huidige regelgeving nog beter op crowdfunding kan worden toegesneden.

Aanhangselnummer 1843.

Onderzoek wordt naar verwachting najaar 2014 afgerond.

54.

2013–2014

Toezegging van de Minister van Financiën inzake opstellen van een handreiking voor sober en ordentelijk financieel beheer en het ter beschikking stellen van deze handreiking, samen met het normenkader voor financieel beheer, verantwoording en intern toezicht.

Brief aan de Tweede Kamer d.d. 23 januari 2014 met kenmerk BZ/2014/2U.

In behandeling.

55.

2013–2014

Waarborgen afscheidbaarheid vitale publieke functies van banken.

AO Toekomst financiële sector, Kamerstukken II, 2013–2014, 32 013, nr. 57.

De continuïteit van vitale publieke functies van een bank, is een van de centrale doelstellingen van de afwikkelplannen die DNB momenteel opstelt voor de grootste drie banken. Waar nodig zullen als onderdeel van de afwikkelplannen ook ingrepen in de structuur van banken worden opgenomen. Volgens de huidige plannen zullen de afwikkelplannen in het najaar van 2014 gereed zijn.

Daarnaast wordt in EU-verband onderhandeld over een verordening om de essentiële functies van banken af te schermen van risicovolle activiteiten. Hierover is op 7 maart 2014 een BNC fiche naar de Kamer gezonden.

56.

2013–2014

Kamerbrief over verzoek DNB als onderdeel van haar macro-prudentiële toezichtstaak zou moeten toezien of een bank niet te veel investeringen heeft in projecten die niet kunnen worden uitgevoerd zonder het milieu ernstig te beschadigen. DNB moet daarnaast over dit systeemrisico gaan rapporteren in het Overzicht Financiële Stabiliteit.

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector d.d. 6 februari 2014 (32 013, nr. 35).

In behandeling.

57.

2013–2014

Onderzoek met medewerking van de sector naar (de gevolgen van) regeldruk voor de financiële sector.

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector d.d. 6 februari 2014 (32 013, nr. 35).

In behandeling.

58.

2013–2014

Toezegging door de Minister van Financiën aan de heer Koolmees om een brief te sturen over de procedure, over het moment waarop de evaluatie van de Antonvenerichtlijn zal plaatsvinden en de invalshoek daarbij.

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector d.d. 6 februari 2014 (32 013, nr. 35)

In behandeling.

59.

2013–2014

Op de hoogte houden van ontwikkelingen rond de aanpassingen van de Antonvenetarichtlijn richting een meer expliciete macrotoets in het kader van de vvgb-verlening voor overnames/deelnemingen.

AO Kabinetsvisie Nederlandse bankensector d.d. 6 februari 2014 (32 013, nr. 35).

In behandeling, wordt betrokken bij een andere toezegging aan de heer Koolmees (D66) omtrent de Antonvenetarichtlijn.

60.

2013–2014

De Tweede Kamer informeren over het precieze aandeel van de Nederlands banken in de bankenheffing, zodra de regering daar zelf over is geïnformeerd.

AO 26 maart 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1151.

De Europese Commissie bereidt momenteel een gedelegeerde handeling voor. Naar verwachting zal deze in het najaar 2014 bekend worden gemaakt.

61.

2013–2014

De Tweede Kamer informeren over het onderhandelingsresultaat van de IGA zodra de teksten zijn afgerond en de Europese Raad hier ook over heeft kunnen spreken.

AO 26 maart 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1151.

De Tweede Kamer zal over het onderhandelingsresultaat worden geïnformeerd in het kader van de goedkeuringsprocedure van de IGA.

62.

2013–2014

Het informeren van de Tweede Kamer zodra de regering inzicht heeft in het totaal aan lasten die op de banken afkomen (resolutiefonds, bankenheffing, kapitaaleisen). Hierbij moet ook beoordeeld worden of dit niet de kredietverlening in gevaar brengt.

AO 26 maart 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1151.

De Tweede Kamer zal zodra meer duidelijkheid is over de heffingen die op de banken afkomen per brief geïnformeerd worden over de effecten daarvan op de kredietverlening.

63.

2013–2014

De Tweede Kamer informeren over concrete voorstellen van het FSB voor een internationaal gecoördineerde aanpak van schaduwbankieren.

AO 26 maart 2014, Kamerstukken 21 501-07, nr. 1151.

Nog in behandeling, te zijner tijd zal een brief naar de Kamer worden gestuurd.

64.

2013–2014

In de Miljoenennota 2015 wordt ingegaan op trendmatig begrotingsbeleid.

Debat Stabiliteitsprogramma, 23 april 2014.

In behandeling.

65.

2013–2014

Toezegging van de Minister om zich in te zetten voor het stroomlijnen van de interpretatie inzake de bevoegdheden van een accountantskantoor om te adviseren indien dat ook accountantsdiensten verleent.

VAO Accountancy van 20 mei 2014 (Handelingen Tweede Kamer 2013–2014, 84).

De Minister heeft tijdens het VAO Accountancy van 20 mei 2014 op een vraag van het lid De Vries aangegeven dat Nederland een in zijn ogen helderder benadering heeft gekozen. Zij heeft namelijk gekozen voor een positieve lijst en Europa voor een negatieve lijst. De verwachting is dat er nog veel discussie komt over wat er al op staat en wat erbij zou moeten komen.

66.

2013–2014

Toezegging van de Minister om de verjaringstermijn van het tuchtrecht te verlengen.

VAO Accountancy van 20 mei 2014 (Handelingen Tweede Kamer 2013–2014, 84).

De Minister heeft tijdens het VAO Accountancy van 20 mei 2014 op een vraag van het lid De Vries aangegeven te proberen om dit in ieder geval voor 1 januari 2016 geregeld te hebben en te kijken naar mogelijkheden om het nog sneller in wetgeving mee te nemen.

67.

2013–2014

Toezegging om de motie van Van Vliet over de niet uit de balans blijkende verplichtingen onder de aandacht te brengen van de Minister van V en J.

VAO Accountancy van 20 mei 2014 (Handelingen Tweede Kamer 2013–2014, 84).

De aangehouden motie Van Vliet over de niet uit de balans blijkende verplichtingen (32 681, nr. 7) is op ambtelijk niveau onder de aandacht gebracht van het Ministerie van V en J. Ambtelijk V en J heeft aangegeven voor eind 2014 een schriftelijke reactie aan de Tweede Kamer te sturen.

68.

2013–2014

Toezegging om de motie van de leden Van Hijum en De Vries over het in kaart brengen van de voor- en nadelen van het verhogen van de vrijstellingsgrens voor de verplichte controle van de jaarrekening door te geleiden naar zijn collega van V en J en hem te vragen daarop schriftelijk te reageren.

VAO Accountancy van 20 mei 2014 (Handelingen Tweede Kamer 2013–2014, 84).

De aangehouden motie van de leden Van Hijum en De Vries over het in kaart brengen van de voor- en nadelen van het verhogen van de vrijstellingsgrens voor de verplichte controle van de jaarrekening (Kamerstuk 32 681, nr. 10) is op ambtelijk niveau onder de aandacht gebracht van het Ministerie van V en J. Ambtelijk V en J heeft aangegeven voor eind 2014 een schriftelijke reactie aan de Tweede Kamer te sturen.

69.

2013–2014

Onderdeel van de Schokproef overheidsfinanciën, die opgenomen wordt in de Miljoenennota 2015, zijn meerdere scenario’s over het effect van een hogere rente op de staatsschuld.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In behandeling. Dit wordt meegenomen in de Miljoenennota 2015.

70.

2013–2014

In de Miljoenennota 2015 zal aandacht worden besteed aan schulden van overheid en burgers en aan de vermogenspositie van het mkb.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In behandeling. Dit wordt meegenomen in de Miljoenennota 2015.

71.

2013–2014

In de Miljoenennota 2015 zal een stand van zaken worden gegeven over de mogelijkheden en de concrete stappen die wij willen zetten in open data, het ontsluiten van informatie, ook informatie die is verbonden met de begroting.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In behandeling, hierop wordt teruggekomen in de Miljoenennota 2015.

72.

2013–2014

De informatie over subsidieontvangers wordt jaarlijks openbaar gemaakt op rijksbegroting.nl, daarbij rekening houdend met de privacy en bedrijfsvertrouwelijke gegevens.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In behandeling. De Rijksbegrotingvoorschriften worden aangepast zodat deze verplichting vanaf volgend jaar geldig is.

73.

2013–2014

Het is ook de intentie om meer verantwoordingsinformatie te ontsluiten. Dat gaat dan niet alleen om het ontsluiten van de rapportage maar ook de onderliggende data zodat mensen daar zelf in kunnen grasduinen, onderzoeken, et cetera.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In behandeling, in de Miljoenennota 2015 wordt de aanpak beschreven.

74.

2013–2014

De Minister van EZ zal reageren op vragen over de SDE+-heffing: welke praktisch hanteerbare evaluatiecriteria kunnen gehanteerd worden om de effectiviteit te monitoren. Ook wordt de Kamer geïnformeerd over de toetsing van de SDE-plusregeling aan de rijksregels en voorwaarden voor subsidieverstrekking, de fraudegevoeligheid en de wijze waarop de effectiviteit wordt beoordeeld.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

Minister Kamp zal hierop ingaan in de SDE+-brief die in het najaar naar de Kamer gaat.

75.

2013–2014

In de «geschilbeslechtingsdelta» van het WODC wordt de vraag naar het onterechte niet-gebruik van gesubsidieerde rechtsbijstand opgenomen.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

In het lopende Geschilbeslechtingsdelta-onderzoek van het WODC naar het gedrag van burgers en bedrijven die worden geconfronteerd met (potentieel) juridische geschillen, wordt de vraag naar het onterechte niet-gebruik van gesubsidieerde rechtsbijstand opgenomen. Het onderzoek zal medio 2015 beschikbaar worden gesteld.

76.

2013–2014

Bewindslieden zullen in het vervolg, als een beleidsdoorlichting vertraging oploopt, dit per brief melden aan de Kamer met de reden waarom er vertraging is en een toelichting op de stand van zaken.

Verantwoordingsdebat, 28 mei 2014.

De Minister van Financiën heeft in de MR aan de orde gesteld dat departementen een brief sturen zodra duidelijk is dat de programmering niet gehaald zal worden. Daarnaast is dit ook ambtelijk bij de departementen onder de aandacht gebracht.

77.

2013–2014

Het onderzoek naar Crowdfunding dat door de AFM wordt uitgevoerd zal in het najaar van 2014 gereed zijn.

AO 12 juni 2014.

Nog in behandeling.

78.

2013–2014

Er gaat een brief naar de Kamer waarin de systematiek rondom beleidsdoorlichtingen wordt toegelicht, inclusief de wijze waarop de planning verloopt en de afspraken die wij nu hebben gemaakt naar aanleiding van toezeggingen aan de Kamer dat departementen het ook tussentijds melden als zaken vertragen.

Wetgevingsoverleg Verantwoording Ministerie van Financiën over 2013, 18 juni 2014.

In behandeling, deze brief wordt in september verstuurd.

79.

2013–2014

De Minister van Financiën stuurt het informatieprotocol naar de Kamer, voordat de nieuwe CW naar de Kamer gaat.

Debat over de Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (33.837), 18 juni 2014.

In behandeling.

80.

2013–2014

Open data: eerder is al toegezegd dat hierop wordt teruggekomen in de Miljoenennota 2015. Aan deze toezegging voegt de Minister nu toe dat er expliciet ingegaan zal worden op SZW en VWS, omdat zorg en sociale zekerheid de grootste uitgaven zijn.

AO Verantwoording, 26 juni 2014.

In behandeling, hierop wordt teruggekomen in de Miljoenennota 2015.

81.

2013–2014

Er komt een analyse van kleine subsidies (< 25.000 euro). Hierin wordt ingegaan op vragen zoals: Zijn er veel regelingen waarbij het om kleine bedragen gaat? Wat is het karakter van deze regelingen? Op basis van welk criterium vinden we dat het toch een landelijke regeling zou moeten zijn?

AO Verantwoording, 26 juni 2014.

In behandeling. De analyse zal de komende paar maanden plaatsvinden. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd.

82.

2013–2014

Er gaat een brief naar de Kamer over de nieuwe bevoegdheden én het gebruik daarvan door de Europese Commissie over fouten bij EU-fondsen. In deze brief wordt ook opgenomen:

– Hoe staat het met vermoedens van fraude?

– Vervolgens, welk deel van de vermoedens wordt onderzocht?

– Vervolgens, welke onderzoeken leiden tot vervolging?

– Wat zijn de oorzaken die ervoor zorgen dat veel fouten worden gemaakt?

AO Verantwoording, 26 juni 2014.

In behandeling. In het najaar 2014 wordt de Tweede Kamer per brief nader geïnformeerd.

83.

2013–2014

De Minister van V&J stuurt een brief naar de CRU, waarin hij de CRU informeert over hoe de Wet Bibob wordt toegepast binnen de rijksoverheid.

AO Verantwoording, 26 juni 2014.

In het najaar van 2014 zal er een brief aan de TK gestuurd worden door VenJ over Bibob waarin de TK geïnformeerd wordt over hoe de Wet Bibob wordt toegepast binnen de (Rijks)overheid.

84.

2013–2014

Er wordt een brief gestuurd over de besluitvorming over de huurtoeslag.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

In behandeling.

85.

2013–2014

In de Miljoenennota wordt aandacht besteed aan gerichte maatregelen om de arbeidsmarkt verder te stimuleren en de werkgelegenheid te helpen aanjagen.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

In de Miljoenennota 2015 wordt hier aandacht aan besteed.

86.

2013–2014

Het SCP-onderzoek naar kinderopvang komt deze zomer

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

Het onderzoek van het SCP naar de kinderopvang wordt 1 september 2015 verwacht. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in de beleidsdoorlichting.

87.

2013–2014

Bij de Miljoenennota 2015 zal de Kamer worden geïnformeerd over de inzet van de reservering van 0,6 miljard euro.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

In behandeling.

88.

2013–2014

De aangepaste regeling periodiek Evaluatieonderzoek zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

Deze regeling wordt in het najaar van 2014 gepubliceerd in de Staatscourant en gaat in per 2015.

89.

2013–2014

Bij de toetsing van de begrotingen in de zomer zal extra aandacht worden besteed aan de vraag of alle juridische verplichtingen echt verplicht zijn.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014.

In behandeling.

90.

2013–2014

Het SZA-kader wordt verlaagd.

Voorjaarsnotadebat, 2 juli 2014

In behandeling.

91.

2013–2014

De Tweede Kamer stap voor stap informeren over de voortgang omtrent de coördinatie van structurele hervormingen op Europees niveau.

AO 2 juli 2014.

Nog niet aan voldaan, omdat het proces nog bezig is.

92.

2013–2014

De Minister zal de implementatie van maatregelen in de gezondheidszorg in het Cypriotische steunprogramma op de voet volgen.

AO 2 juli 2014.

Hier zal op worden teruggekomen in de volgende voortgangsrapportage.

93.

2013–2014

Toezegging om een analyse te maken van het cumulatieve effect van de verschillende heffingen op de financiële sector en de kredietverlening, op het moment dat van al deze heffingen de hoogte en vorm bekend is (naar verwachting eind 2014).

Handelingen I TK 2013–2014, nr. 11, item 4: verslag behandeling «Invoering van een tijdelijke heffing voor de bankensector», nr. 33 653.

In behandeling.


X Noot
*

I.v.m. abusievelijk opnemen van interne opmerking in de bijlage.

X Noot
1

TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537

X Noot
2

TK, vergaderjaar 2013–2014, 33 532, nr. 36

X Noot
3

Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 201

X Noot
4

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 31 371, nr. 381

X Noot
6

Kamerstukken II 2013–2014, 33 750, nr. 13

X Noot
7

Voor een uitgebreidere toelichting op de risicobeheersing door DNB wordt verwezen naar het jaarverslag van DNB over 2013.

X Noot
8

De garantie aan het EBRD valt onder HGIS non-ODA middelen.

X Noot
9

Special Drawing Rights: de speciale trekkingsrechten zijn gebaseerd op de Amerikaanse dollar, de euro, de Japanse yen en het Brits pond sterling.

X Noot
10

Kamerstukken II 2013/14, 33 750, nr. 19.

X Noot
11

Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 201.

X Noot
12

Kamerstukken II 2013–24, 31 066, nr. 201

X Noot
13

SBR is een open standaard voor het uitwisselen van financiële informatie.

X Noot
14

De streefwaarden van de Belastingdienst worden voor zover mogelijk weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

X Noot
15

Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

X Noot
16

De prestatie-indicator «contacten met starters» uit de begroting 2014 is in de begroting 2015 niet meer opgenomen. De reden is dat startersbezoeken en klantgesprekken alleen nog plaats vinden als starters zelf aangeven dat hier behoefte aan is en dat Belastingen de behoefte van starters slechts in beperkte mate kan beïnvloeden.

X Noot
17

Omdat de toekenning voor de kinderopvangtoeslag hoger kan zijn dan die van andere toeslagen is inherent aan het systeem dat terug te betalen bedragen kunnen ontstaan die groter zijn dan € 500. Dit leidt tot de keuze van een hogere grenswaarde voor de kinderopvangtoeslag.

X Noot
18

Dit percentage kan voor een bepaald toeslagjaar in de loop van de tijd fluctueren. Onder meer doordat aanvragen met terugwerkende kracht niet of tot minder terug te betalen bedragen leiden, en doordat complexe gevallen met een mogelijk hoog terug te betalen bedrag later in de tijd afgerond worden. Een betrouwbare vergelijking over de jaren heen is daarom eerst na verloop van enkele jaren mogelijk. Getoonde percentages stand eind juni 2014.

X Noot
19

Bij goederenstromen en passagiersvluchten gaat het om alle ingaande en uitgaande stromen/vluchten.

X Noot
20

Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 10 december 2012, Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149

X Noot
21

Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 120

X Noot
22

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 639, nr. 2

X Noot
23

Kamerstukken II 2009/2010, 28 165, nr. 104

X Noot
24

Kamerstukken II 2012/2013, 33 532, nr. 1

X Noot
25

Tweede Kamer, 2012–2013, 33 400 B, nr. 7

X Noot
26

Kamerstukken II 2001/02, 28 035, nr.A.

X Noot
27

Voor achtergronden wordt verwezen naar het rapport Risicomanagement van de Staatsschuld, evaluatie van het beleid 2008–2011 & beleid 2012–2015, Agentschap, Ministerie van Financiën, 2011 en de aanbiedingsbrief aan de Tweede Kamer, 32 000 IXA, nr.5, vergaderjaar 2011–2012.

X Noot
28

De variabele rente die de Staat betaalt uit hoofde van receiverswaps is de 6-maands Euriborrente. Deze rente wordt ieder half jaar opnieuw vastgesteld. De vaste rente die ontvangen wordt verandert gedurende de hele looptijd van de swap niet.

X Noot
29

Kamerstukken 2001/02, 28 035, nr. A

X Noot
30

Kamerstukken 2013/14, 33 416, nr. G

X Noot
31

Kamerstukken 2012/13, 33 675, nr. 2

X Noot
32

Kamerstukken 2012, 20 668

Naar boven