Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-IX nr. 25

33 750 IX Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2014

Nr. 25 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 april 2014

In relatie met uw Kamer zijn er diverse openstaande moties en toezeggingen op mijn beleidsterrein. Met deze brief geef ik graag aan hoe verschillende moties zijn uitgevoerd en geef ik gevolg aan diverse toezeggingen. Ook wordt de stand van zaken met betrekking tot diverse moties en toezeggingen aangegeven. Daarnaast geef ik in deze brief een planning van de moties en toezeggingen die naar verwachting het komende half jaar worden afgedaan.

I Afgedane moties en toezeggingen

De onderstaande moties en toezeggingen beschouw ik als afgehandeld.

Betalingsplicht fraudeurs die Nederland verlaten

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 12 november 2013 toegezegd terug te komen op het idee van mevrouw Neppérus (VVD) om fraudeurs die Nederland verlaten belastingplichtig te houden totdat uit een verklaring blijkt dat zij bekend zijn bij een buitenlandse belastingdienst.1 Mevrouw Neppérus kwam hier in het debat over belastingnomaden van 13 maart 2014 op terug. Ik heb deze toezegging vervolgens mondeling afgedaan.2

Geefwet/giftenaftrek

De motie Van der Staaij (SGP) verzoekt de regering in kaart te brengen op welke wijze bedrijven en particulieren extra gestimuleerd kunnen worden tot geefgedrag om een hogere eigen financiële inbreng van maatschappelijke organisaties mogelijk te maken en hierbij ook de mogelijkheden van de Geefwet te betrekken.3 De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft in de begrotingsbehandeling van 28 november 2013 in reactie op deze motie aangegeven geen mogelijkheden te zien om het geefgedrag met behulp van fiscale maatregelen (dus via de zogenoemde multiplier) te stimuleren.4

Verdragen

Tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 12 november 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd uw Kamer periodiek op de hoogte te houden van de voortgang van de aanpassing van de verdragen met ontwikkelingslanden.5 Op 30 augustus 2013 heeft het kabinet in zijn reactie op de rapporten van SEO Economisch Onderzoek en het International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD)6 aangegeven dat met 23 ontwikkelingslanden contact zal worden opgenomen over het opnemen van anti-misbruikbepalingen in de met die landen gesloten of te sluiten belastingverdragen. Het gaat om verschillende categorieën verdragen; verdragen die integraal heronderhandeld moeten worden en verdragen waarbij een beperkt wijzigingsprotocol met anti-misbruikbepalingen volstaat. Daarnaast zijn er landen waarmee nu al wordt onderhandeld over een nieuw verdrag/wijzigingsprotocol. Ethiopië, Indonesië, Kenia, Malawi en Zambia zijn inmiddels benaderd en ik streef ernaar alle overige landen in 2014 te benaderen. De vijf aangeschreven landen hebben, met uitzondering van Indonesië, positief gereageerd. Met Malawi en Ethiopië is inmiddels op ambtelijk niveau overeenstemming bereikt. Voor het hele project geldt uiteraard dat het antwoord op de vraag of, en zo ja wanneer, de inspanningen van Nederland zullen leiden tot een concreet resultaat, voor een belangrijk deel afhankelijk is van de medewerking van de desbetreffende ontwikkelingslanden. Er zullen landen zijn die niet reageren of de gelegenheid aangrijpen andere wensen in te brengen. Bij de volgende verzameltoezeggingenbrief, op Prinsjesdag 2014, zal ik u opnieuw informeren over de stand van zaken.

Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens het algemeen overleg Ecofin op 7 februari 2013 toegezegd uw Kamer op de hoogte te houden van de vorderingen van onderhandelingen over een belastingverdrag met Cyprus en Mongolië.7 In juli 2013 heeft een onderhandelingsronde met Cyprus plaatsgevonden over een nieuw belastingverdrag. Sindsdien werken beide delegaties aan oplossingen voor de nog openstaande punten. Beide delegaties richten zich op een spoedige afronding. Wat betreft Mongolië heb ik vernomen dat het Ministerie van Financiën in Mongolië de hervormingen van de nationale belastingwetgeving en de ontwikkeling van het verdragsmodel nog niet heeft afgerond. Er is regelmatig contact met het Ministerie van Financiën in Mongolië en de ontwikkelingen worden nauwlettend gevolgd. Het Ministerie van Financiën in Mongolië is tot op heden nog niet in staat en ook nog niet bereid de onderhandelingen voor een nieuw belastingverdrag te starten. Dat ministerie is op de hoogte van onze bereidheid de onderhandelingen op te starten zodra Mongolië de noodzakelijke wijzigingen heeft afgerond.

Mijn ambtsvoorganger heeft ook toegezegd een brief te sturen over het vervolgproces van de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA).8 Ik ben voornemens op korte termijn – na advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State – het wetvoorstel met de intergouvernementele FATCA-overeenkomst aan uw Kamer aan te bieden. Bij het opstellen van deze overeenkomst is nauw contact geweest met de vertegenwoordigers van de financiële sector. Nog in 2014 wordt de FATCA-overeenkosmt geïmplementeerd. Ook dit gebeurt in goed overleg met de vertegenwoordigers van de financiële sector.

Vrijstelling schenkbelasting en boeterente banken

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Frans Weekers, heeft bij de heropening van het plenaire debat over het Belastingplanpakket 2014 op 19 november 2013, toegezegd andermaal in overleg te treden met een aantal grootbanken over de boeterente die in voorkomende gevallen in rekening gebracht kan worden bij aflossing van een eigenwoningschuld met een schenking die is verkregen onder de tijdelijk verruimde eenmalig verhoogde vrijstelling van schenkbelasting met betrekking tot de eigen woning. Deze gesprekken, die hebben plaatsgevonden met ABN en ING, hebben niet geleid tot een heroverweging van het beleid van deze banken op dit terrein. Zij zijn van mening dat zij met hun beleid invulling hebben gegeven aan de oproep van het kabinet om terughoudend te zijn met het in rekening brengen van boeterente. ABN en ING hebben het immers mogelijk gemaakt om in 2014 boetevrij extra af te lossen voor mensen met een eigenwoningschuld die hoger is dan de waarde van de woning, dus voor de meest kwetsbare groep. Ik onderschrijf de opvatting dat deze grootbanken hiermee, net als de andere grootbanken, op passende wijze invulling hebben gegeven aan de oproep van het kabinet. Hierbij speelt mee dat boeterente een enigszins misleidende term is: feitelijk gaat het hierbij over een vergoeding voor de banken van de toekomstige rente die zij zullen mislopen doordat vroegtijdig wordt afgelost. Door deze systematiek is het mogelijk om relatief lange rentevaste periodes aan te bieden. Overigens heb ik tot op heden geen signalen ontvangen dat de boeterente leidt tot een rem op het gebruik van de genoemde vrijstelling.

Wetsvoorstel openbaarheid belastingrechtspraak

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft op 13 januari 2011 tijdens een AO Belastingdienst toegezegd om een wetsvoorstel in te dienen waarmee de belastingrechtspraak openbaar wordt.9 Deze toezegging heeft hij tijdens het AO over de belastingplicht van overheidsbedrijven op 17 april 2013 herhaald.10 Ik heb de argumenten voor en tegen het indienen van een wetsvoorstel Openbaarheid belastingrechtspraak opnieuw gewogen. Ik deel uw Kamer bij deze mee een dergelijk wetsvoorstel niet in te zullen dienen. Van 14 april tot 26 mei 2011 is een conceptwetsvoorstel op internet ter consultatie aangeboden. De rapportage met een weergave van de reacties op het conceptwetsvoorstel wordt op www.internetconsultatie.nl gepubliceerd. Daarnaast is deze rapportage als bijlage11 bij deze brief gevoegd. Kort gezegd was van de 41 reacties op de internetconsultatie het merendeel kritisch. Tegenstanders wijzen vooral op de inbreuk op de privacy. Een openbare behandeling zou een drempel opwerpen voor belastingplichtigen om zich tot de rechter te wenden. Tevens kwam de vraag naar voren, in hoeverre het wetsvoorstel een bestaand probleem oplost. Dit zijn ook voor mij zwaarwegende argumenten. Daarnaast constateer ik dat op het terrein van de openbaarheid van de belastingrechtspraak in de praktijk reeds enkele belangrijke stappen zijn gezet. De rechtspraak heeft het beleid inzake publicatie van uitspraken aangepast, waardoor nu ook in uitspraken in fiscale zaken de namen van publiekrechtelijke rechtspersonen niet langer worden geanonimiseerd. Ook spant de Belastingdienst zich in om ervoor te zorgen dat belangrijke uitspraken gepubliceerd worden, zodat wordt tegemoetgekomen aan het gevoel dat de Belastingdienst een betere informatiepositie heeft. Daarom kies ik ervoor om mijn aandacht en capaciteit te richten op andere dossiers.

Exitheffingen

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet Uitstel van betaling exitheffingen heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, een toezegging gedaan met betrekking tot de beperking in de tijd van het uitstel van betaling bij exitheffingen.12 Toegezegd is om een dergelijke beperking in de wetgeving op te nemen zodra de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU hiertoe in de toekomst de mogelijkheid biedt en om de beide Kamers over de ontwikkelingen op dit gebied te informeren. In dit kader wijs ik op de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de EU in de zaak DMC.13 In dit arrest zie ik geen aanleiding om de Nederlandse wetgeving op het punt van het uitstel van betaling aan te passen.

Huidige Nederlandse systeem van exitheffingen in de winstsfeer

Nederland kent na invoering van de Wet uitstel van betaling exitheffingen een systeem van exitheffingen waarbij de belastingschuldige het recht heeft om uitstel van betaling te krijgen. Dit betalingsuitstel is van toepassing op het deel van de belastingaanslag dat betrekking heeft op stille reserves in de vermogensbestanddelen die vanuit Nederland naar een lidstaat van de EU of EERworden gebracht. Deze belastingschuld zou immers niet in een belastingaanslag zijn begrepen ingeval die vermogensbestanddelen niet naar die lidstaat van de EU of EER zou zijn overgebracht. Er kan uitstel van betaling worden verleend tot het moment van realisatie van de stille reserves. De belastingschuldige wordt tevens de mogelijkheid geboden om te betalen in tien gelijke jaarlijkse termijnen. In beide gevallen is de belastingschuldige over het bedrag waarvoor uitstel van betaling wordt verleend invorderingsrente verschuldigd. Daarnaast dient de belastingschuldige zekerheden te verstrekken om de invordering van de belastingschuld zeker te stellen. Ten slotte kan belastingschuldige ervoor kiezen direct af te rekenen op het moment dat de vermogensbestanddelen worden overgebracht naar die andere lidstaat van de EU of EER. Het Nederlandse systeem is gebaseerd op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, met name het arrest in de zaak National Grid Indus.14

Arrest DMC

Het Duitse systeem van exitheffingen verschilt van het Nederlandse systeem. In het Duitse systeem wordt de belastingplichtige de keuze geboden tussen onmiddellijke invordering of spreiding van betaling over vijf jaarlijkse termijnen (zonder dat rente in rekening wordt gebracht). Het moment van realisatie van de meerwaarden is dus niet van belang, terwijl dat in Nederland wel het geval is. Daarnaast wordt in de Duitse regeling – in tegenstelling tot de Nederlandse regeling – geen rente berekend zodat het niet goed mogelijk is om beide systemen met elkaar te vergelijken vanuit een oogpunt van proportionaliteit.

In het recente arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak DMC heeft het Hof een oordeel gegeven over het Duitse systeem. Het Hof van Justitie van de EU heeft in deze zaak geoordeeld dat de spreiding van de betaling van de verschuldigde belasting over de latente meerwaarden over vijf jaarlijkse termijnen in deze context een geschikte en proportionele maatregel is ter verwezenlijking van de doelstelling. Die doelstelling bestaat erin de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te verzekeren. Het arrest in de zaak DMC ziet echter op een specifieke situatie. Een situatie waarin sprake is van belastingheffing bij overdracht van aandelen van een personenvennootschap naar een kapitaalvennootschap door een niet-ingezetene. Er zijn naar mijn mening dan ook vooralsnog geen algemene conclusies aan te verbinden wat betreft het Nederlandse systeem van exitheffingen. Dit arrest vormt voor mij dan ook geen aanleiding om de periode waarvoor uitstel van betaling van de exitheffingen kan worden verkregen, te limiteren tot bijvoorbeeld vijf jaar.

Bedrijfsopvolgingsregeling Successiewet 1956

De volgende toezeggingen van mijn ambtsvoorgangers, Staatssecretarissen Weekers en De Jager, hebben betrekking op de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (BOR). Op dit moment vindt overigens in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken een evaluatie plaats van de verschillende bedrijfsopvolgingsregelingen. De BOR wordt daarin ook meegenomen.

De BOR heeft zich vanaf de introductie in 1984 ontwikkeld van een specifiek voor bedrijfsopvolgingen in het MKB bedoelde faciliteit voor betaling in termijnen bij het ontbreken van liquide middelen om de belasting te voldoen tot de huidige regeling die neerkomt op een (vrijwel) volledige voorwaardelijke vrijstelling van erf- of schenkbelasting. Bij de opeenvolgende wijzigingen sinds 1984 is een duidelijke rode draad waarneembaar. Deze rode draad is het belang dat wordt toegekend aan de onbelemmerde voortzetting van de onderneming in opvolgingssituaties. Met ingang van 2002 heeft de BOR de vorm gekregen van een gedeeltelijke voorwaardelijke vrijstelling. Voor het resterende deel van de belastingschuld kon onveranderd rentedragend uitstel worden gevraagd. De faciliteit is in de jaren daarna verder verruimd, waarbij met ingang van 2010 een volledige voorwaardelijke vrijstelling geldt over de eerste € 1.045.611 (cijfer 2014) van de waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming en een vrijstelling van 83% over het meerdere. Ook is de regeling aangescherpt in die zin dat alleen reële bedrijfsopvolgingen worden gefaciliteerd. De vrijstelling wordt uitsluitend verleend voor de verkrijging van écht ondernemingsvermogen. Voor mede-erfgenamen die een onderbedelingsvordering samenhangend met het ondernemingsvermogen verkrijgen, geldt een faciliteit in de vorm van de mogelijkheid tot rentedragend uitstel van betaling.

Vrijstelling op het niveau van de nalatenschap

De eerste toezegging die ik hier bespreek is gedaan aan uw Kamer door mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager, naar aanleiding van een motie die is ingediend door de heer Cramer tijdens de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Successiewet 1956 in 2009.15 De heer Cramer verzocht de mogelijkheden te onderzoeken om de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR te verlenen op het niveau van de nalatenschap, waarbij erfgenamen die een onderbedelingsvordering verkrijgen ook voor hun deel van de nalatenschap dat samenhangt met het ondernemingsvermogen in de faciliteit delen. In het bijzonder wees de heer Cramer op de standaardsituatie waarin iemand overlijdt met achterlating van een partner en kinderen en de langstlevende partner krachtens (wettelijke) verdeling het gehele ondernemingsvermogen verkrijgt. De kinderen krijgen daarbij een onderbedelingsvordering op de langstlevende partner, die afhankelijk van de samenstelling van de nalatenschap geheel of gedeeltelijk samenhangt met het ondernemingsvermogen. Op deze onderbedelingsvorderingen is de BOR niet van toepassing. De heer Cramer veronderstelde dat de BOR hiermee onvoldoende uitwerkt overeenkomstig haar ratio, te weten het bevorderen van de continuïteit van ondernemingen. Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft toegezegd hiernaar onderzoek te doen, waarna de motie is ingetrokken.

In de standaardsituatie die de motie beschrijft, te weten die van de wettelijke verdeling, gaat het om vorderingen die in beginsel niet-opeisbaar zijn. De wettelijke verdeling volgens het civiele erfrecht houdt kort gezegd in dat de langstlevende alle vermogensbestanddelen van de nalatenschap verkrijgt en dat de kinderen een vordering verkrijgen op de langstlevende ouder ter waarde van hun aandeel in de nalatenschap. Die vordering is – zoals aangegeven – niet-opeisbaar. De continuïteit van de onderneming wordt in deze situatie niet in gevaar gebracht door het opeisen van de onderbedelingsvordering. Indien de erflater bij testament heeft voorzien in een andere verdeling dan de wettelijke, kan de erflater de continuïteit van de onderneming waarborgen door in zijn testament op te nemen dat de onderbedelingsvorderingen van de erfgenamen die de onderneming niet voortzetten niet opeisbaar zijn. De langstlevende ouder moet volgens de regels van het civiele recht weliswaar de erfbelasting van de kinderen voorschieten, maar kan daarvoor gebruikmaken van de geldende faciliteit van uitstel van betaling voor een periode van 10 jaar. Dit biedt mijns inziens voldoende soelaas om eventuele liquiditeitsproblemen op te lossen en daarmee de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Onderbedelingsvorderingen die zijn ontstaan in verband met de vererving van een onderneming zijn te karakteriseren als vorderingen op een mede-erfgenaam die de onderneming voortzet. Deze vorderingen staan slechts zeer indirect bloot aan ondernemingsrisico. Dat is niet anders bij een lening aan een persoon die een onderneming drijft of een vordering die ontstaat bij de overdracht van een onderneming op de opvolger. Er is in die gevallen geen sprake van ondernemingsvermogen, zoals dat bij de wijziging van de Successiewet 1956 in 2010 is gedefinieerd. Een wijziging van de faciliteit ten faveure van de verkrijgers van de onderbedelingsvorderingen waar de motie Cramer betrekking op had, doet daarmee afbreuk aan de expliciete keuze om per 1 januari 2010 de vrijstelling alleen te verlenen voor de verkrijging van écht ondernemingsvermogen. Een budgettair neutrale wijziging in de BOR ten gunste van de verkrijgers van de onderbedelingsvorderingen zou overigens als noodzakelijke consequentie ten nadele van de verkrijgende voortzettende ondernemer zijn.16

De gedifferentieerde vrijstelling

De tweede toezegging die ik hier bespreek is gedaan aan de Eerste Kamer door mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager. Hij heeft toegezegd17 te evalueren of de gedifferentieerde vrijstelling die is ingevoerd bij amendement Cramer c.s.18, problemen oplevert ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van het kabinet. Bij een waarde van de totale objectieve onderneming beneden de grens van in 2014 € 1.045.611, is het verkregen ondernemingsvermogen geheel vrijgesteld van schenk- of erfbelasting. Bij een hogere waarde going concern van de objectieve onderneming houdt de gedifferentieerde vrijstelling in dat de 100%-vrijstelling wordt toegepast naar evenredigheid van het gedeelte van de objectieve onderneming dat wordt verkregen. Het overige deel van het verkregen ondernemingsvermogen is voor 83% vrijgesteld. Het oorspronkelijke voorstel voorzag in een ongedifferentieerde vrijstelling van 90% voor het verkregen ondernemingsvermogen.

De gedifferentieerde vrijstelling pakt gunstiger uit bij schenking of vererving van kleine ondernemingen en de MKB-familiebedrijven, zoals door het amendement is beoogd. Deze ondernemingen zijn namelijk in veel gevallen vrijgesteld voor 100%, terwijl bij een ongedifferentieerd tarief van 90% logischerwijs slechts een vrijstelling van 90% zou gelden. Wel leidt de gedifferentieerde vrijstelling tot een complexere berekening van de hoogte van de vrijstelling en daardoor tot meer uitvoeringslasten. Door de differentiatie in de vrijstelling is het namelijk noodzakelijk de waarde van de totale objectieve onderneming vast te stellen, inclusief eventuele buitenvennootschappelijke onroerende zaken van alle medevennoten, ook indien die onroerende zaken niet tot de nalatenschap behoren. Bij ondernemingsvermogen in de vorm van een aanmerkelijk belang, moeten de ter beschikking gestelde onroerende zaken van alle medeaandeelhouders in aanmerking worden genomen. De berekening inzake de objectieve onderneming kan vooral ingewikkeld zijn bij verkrijgingen van een aanmerkelijk belang in bv’s die tot een concern behoren en dan met name als een bv onderlangs wordt geschonken. Deze complexe berekening als gevolg van de gedifferentieerde vrijstelling leidt voor de Belastingdienst niet tot onoverkomelijke problemen. Naast de complexere berekening brengt de gedifferentieerde faciliteit ook mee dat de verschuldigde belasting kan variëren bij verkrijgingen van een gelijke waarde aan ondernemingsvermogen, afhankelijk van het aandeel in en/of gedeelte van de objectieve onderneming dat wordt verkregen.Bij een ongedifferentieerde vrijstelling zijn gelijke verkrijgingen gelijk belast.

Ik merk op dat het bovendien zo is dat voor de uitvoering van de BOR een derde van de capaciteit wordt ingezet die er bij de Belastingdienst is voor de schenk- en erfbelasting. Er is bijvoorbeeld veel behoefte aan vooroverleg over de te volgen procedure van bedrijfsoverdracht om ten volle gebruik te kunnen maken van de faciliteit, zeker bij gefaseerde overdrachten.

Arresten Hoge Raad inzake de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956

De derde toezegging heeft betrekking op de conclusies van de Hoge Raad inzake de BOR. Tijdens de Algemene financiële beschouwingen in uw Kamer op 17 oktober 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd in te gaan op de conclusies van de Hoge Raad over de vraag of de BOR in strijd is met het verbod op discriminatie dat in internationale verdragen is neergelegd. Zoals hiervoor reeds beschreven, houdt de BOR kort gezegd in dat bij het vererven of schenken van ondernemingsvermogen een vrijstelling geldt van 83% tot 100% voor de schenk- en erfbelasting. Voor de verkrijging van ander vermogen geldt deze vrijstelling niet. Op 13 juli 2012 heeft de Rechtbank Breda geoordeeld dat het onderscheid dat de BOR maakt tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Na deze uitspraak kwamen bij de Belastingdienst duizenden bezwaarschriften binnen tegen aanslagen schenk- en erfbelasting en verwacht werd dat nog tienduizenden zouden volgen. Als reactie daarop heeft de Belastingdienst de zogenoemde regeling voor massaal bezwaar toegepast. In het kader daarvan zijn bezwaarschriften geselecteerd voor proefprocedures over de vraag of de BOR ook naar het oordeel van de Hoge Raad in strijd is met het discriminatieverbod. Ik verwijs in dit verband naar de brief van mijn ambtsvoorganger van 25 oktober 2012.19

Op 22 november 2013 heeft de Hoge Raad vijf arresten gewezen in de desbetreffende proefprocedures en geoordeeld dat de BOR niet in strijd is met het discriminatieverbod.20 Hieraan lagen de volgende rechtsoverwegingen ten grondslag. Van discriminatie is sprake als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. De wetgever heeft daarbij op fiscaal gebied in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient de keuze van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij de keuze evident van redelijke grond ontbloot is. De doelstellingen van de wetgever om liquiditeitsproblemen bij een overdracht weg te nemen en continuïteit van ondernemingen te stimuleren, acht de Hoge Raad gerechtvaardigde doelstellingen. De wetgever mag zich hierbij baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits deze veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Het is volgens de Hoge Raad niet noodzakelijk om de effectiviteit van de regeling empirisch te onderbouwen.

Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst op 4 december 2013 als onderdeel van de procedure voor massaal bezwaar collectief uitspraak op bezwaar gedaan. Deze uitspraak is op diezelfde datum gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en in de Staatscourant.21

Ondanks het feit dat de Hoge Raad niet tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid, heb ik het voornemen te bezien of volstaan kan worden met een lager vrijstellingspercentage of met een betalingsregeling. Dit mede omdat uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in 70% van de gevallen de te betalen erfbelasting – in het geval geen sprake was geweest van een vrijstelling – uit de nalatenschap betaald had kunnen worden.

II Planning te behandelen moties en toezeggingen

In het kader van mijn streven om het aantal openstaande moties en toezeggingen beperkt te houden, geef ik in de hierna volgende passage een planning met betrekking tot de moties en toezeggingen die in het komende half jaar zullen worden afgedaan. Dit kan zijn in een brief specifiek over het betreffende onderwerp, of anders uiterlijk in de volgende verzameltoezeggingenbrief die op Prinsjesdag 2014 aan uw Kamer wordt gestuurd.

Evaluatie Wet belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager, heeft toegezegd uw Kamer in te lichten over eventuele knelpunten in de uitvoering van de Wet belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen, en het beleid aan te passen als de uitvoering tot grote problemen leidt.22 Deze toezegging wordt meegenomen in de evaluatie van deze wet, die is aangekondigd voor 2014.23 Deze evaluatie zal ik in het derde kwartaal 2014 naar uw Kamer sturen.

Kansspelbelasting

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager, heeft toegezegd om uw Kamer nader te informeren over voornemens tot een eventuele stelselwijziging van de kansspelbelasting (heffen over de inleg in plaats van heffen over de prijs).24 Ook heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om in de overwegingen voor een dergelijke stelselwijziging de (verminderde) relevantie van het buitenkansbeginsel te betrekken.25 Deze toezeggingen zullen worden afgedaan in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat regels gaat stellen omtrent kansspelen op afstand. Naar verwachting wordt dit wetsvoorstel in het tweede kwartaal van 2014 bij uw Kamer ingediend.

Mobiliteit

Voor het bepalen van de hoogte van de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) bij import van gebruikte auto’s kan worden gekozen voor afschrijving op basis van de wettelijke forfaitaire tabel, een koerslijst of een taxatierapport. Teneinde fraude bij de toepassing van taxatierapporten te bestrijden is in de motie Van Vliet (PVV) gevraagd taxatie bij import van gebruikte auto's alleen toe te staan door gecertificeerde taxateurs, bijvoorbeeld door koppeling aan de RDW-keuring.26 De Belastingdienst heeft deze motie opgepakt. In samenwerking met de BOVAG en de verenigingen van geregistreerde taxateurs wordt bezien welke mogelijkheden tot verbetering er zijn. Zo is er gezamenlijk gewerkt aan een modeltaxatie. De verwachting is dat op korte termijn overeenstemming wordt bereikt, zodat de modeltaxatie kan worden opgenomen in de regelgeving en daarmee verplicht wordt gesteld bij elke taxatie. Hierover wordt uw Kamer nog afzonderlijk geïnformeerd. In de komende Autobrief zal nader worden ingegaan op de parallelimport en de tweedehandsmarkt. Bij de behandeling van het Belastingplan 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd om in 2014 een nieuwe Autobrief voor de periode 2016 tot en met 2019 naar de Kamer te sturen.27 Ik verwacht, zoals mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd bij de behandeling van het Belastingplan 2014, de Autobrief in de loop van 2014 af te ronden.28

Slechte schatters toeslagen

Over de slechte schatters zijn toezeggingen gedaan in het Algemeen Overleg van 20 november 2013 en het debat van 15 januari 2014. Tevens heeft uw Kamer hierover een motie aangenomen van de leden Nijboer en Neppérus.29 Er worden momenteel verschillende scenario’s uitgewerkt om burgers te helpen bij het beter schatten van hun inkomen, onder andere door te onderzoeken hoe de polisadministratie daarvoor kan worden gebruikt. In de eerstvolgende halfjaarrapportage Belastingdienst die in het najaar van 2014 naar uw Kamer wordt gestuurd, zullen de resultaten van de verschillende scenario’s worden weergegeven.

Btw-gap

In het vragenuurtje op 24 september 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd de analyse van de btw-gap die de Belastingdienst momenteel samen met het CBS maakt, met uw Kamer te delen zodra deze beschikbaar is.30 Uw Kamer kan deze analyse vóór het zomerreces tegemoet zien.

Fraude met toeslagen

In het debat over het feitenrelaas fraude met toeslagen op 14 mei 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd uw Kamer te informeren zodra de strafzaak tegen de Bulgaren is afgerond en er informatie beschikbaar is die gedeeld kan worden met uw Kamer.31 In de rapportage over toeslagen, uw Kamer toegezonden bij brief van 3 maart 201432, is de stand van zaken weergegeven van de strafrechtelijke vervolging van verdachten, zoals door het Ministerie van Veiligheid en Justitie is aangegeven. Inmiddels heb ik drie gesprekken gehad met leden van het Bulgaarse kabinet over hulp van de Bulgaarse overheid bij het terugvorderen van onterecht toegekende toeslagen.

Over het verdere verloop zal ik uw Kamer informeren.

Btw en zzp-zorg

In het algemeen overleg over diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd dat zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de zaak zzp zorg en btw, ik uw Kamer hierover zal informeren.33 De rechter heeft nog geen uitspraak gedaan. Zodra er uitspraak is gedaan, zal ik uw Kamer daarvan op de hoogte stellen.

Motie loskoppelen BSN en btw-nummer

In de motie Van der Linde (VVD)/Oosenbrug (PVDA) wordt de regering verzocht voor nieuwe zzp’ers een btw-identificatienummer te gebruiken dat niet gekoppeld is aan het burgerservicenummer.34 Ik zal uw Kamer in het voorjaar informeren over dit onderwerp in het kader van een brief over het onderzoek naar massale processen van de Belastingdienst. Bedoelde brief is aangekondigd in mijn brief van 3 maart 2014 over de stand van zaken invoering één bankrekeningnummer.35

Verklaring Arbeidsrelatie (VAR)

In de motie Mei Li Vos (PvdA)/Neppérus (VVD)36 wordt de regering verzocht de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek naar de arbeidsmarkteffecten, de administratieve lasten en de nalevingskosten van de invoering van de VAR webmodule naar uw Kamer te zenden, Actal advies te vragen over de administratieve lasten die hieraan verbonden zijn en de Kamer hierover verslag uit te brengen. Het onderzoek door Actal naar de administratieve lasten en nalevingskosten heb ik op 23 april 2014 naar uw Kamer gestuurd.37 Ik zal uw Kamer binnenkort van een meer uitgebreide reactie voorzien. Het onderzoek naar de arbeidsmarkteffecten is in volle gang. Een onderzoek naar toekomstige effecten van nog niet in werking getreden beleid vraagt grondige voorbereiding. Daarom is het onderzoek later gestart dan gepland. Het onderzoek zal in de zomer van 2014 worden afgerond en voor Prinsjesdag 2014 aan uw Kamer worden gestuurd.

Gedragscode salarissen bestuurders ANBI’s en advies commissie De Jong

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft uw Kamer toegezegd om de gedragscode van de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) over salarissen van bestuurders van Algemene Nut Beogende Instellingen (ANBI's) naar uw Kamer te sturen zodra deze beschikbaar is38. Bovendien is een reactie toegezegd op het advies van de Commissie De Jong inzake het validatiestelsel voor ANBI’s zodra dat mogelijk is.39 De SBF heeft aangegeven te wachten met de vaststelling van het validatiestelsel filantropie totdat er meer duidelijkheid is over de uitvoering van het advies. Dat advies ziet in het bijzonder op de wijze waarop het validatiestelsel verplicht kan worden gemaakt voor alle charitatieve ANBI’s en hoe het beheer van het validatiestelsel belegd kan worden. Het advies van de commissie De Jong is op 14 februari 2014 door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens mij, ter informatie aan uw Kamer gezonden.40 In de begeleidende brief is erop gewezen dat het advies aanzienlijke consequenties heeft voor de sector filantropie en de rol van de rijksoverheid. Waar het uitgangspunt tot nu toe zelfregulering was, adviseert de commissie De Jong namelijk een zwaardere rol voor de rijksoverheid met betrekking tot het toezicht op fondsenwerving. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en ik zijn thans in overleg met de SBF over dit advies. De verwachting is dat uw Kamer in het tweede kwartaal van 2014 een kabinetsreactie op het advies van de commissie De Jong zal ontvangen.

Winstbox en kabinetsreactie commissie Van Dijkhuizen

Zoals ik uw Kamer heb toegezegd zal ik de kabinetsreactie op het advies van de commissie Van Dijkhuizen voor de zomer naar uw Kamer sturen.41 Het is mijn bedoeling om de integrale analyse van de winstbox een onderdeel te laten vormen van de kabinetsreactie op het advies van de commissie Van Dijkhuizen. Daarbij schenk ik ook aandacht aan de reeds gedane toezeggingen die gekoppeld zijn aan die kabinetsreactie en de winstbox.

Daarnaast heb ik, zoals mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft toegezegd aan de heer Dijkgraaf (SGP)42, het Centraal Plan Bureau (CPB) gevraagd om van een aantal beleidsvarianten van belastingmaatregelen de effecten op arbeidsparticipatie inzichtelijk te maken. Het CPB heeft aangegeven te verwachten dit najaar een technische beschrijving van de opvolger van MIMIC, het arbeidsmarktmodel van het CPB, gereed te hebben inclusief een serie beleidsvarianten. Tot die tijd verwijst het CPB naar het artikel «Werkgelegenheidseffecten van lastenverzwaringen en bezuinigingen».43 Dit artikel geeft een overzicht van de werkgelegenheidseffecten van lastenverzwaringen en bezuinigingen in het belasting- en uitkeringenstelsel. De effecten zijn bepaald met een geactualiseerd arbeidsmarktmodel.

Vestigingsklimaat Nederland

In de motie Van Vliet44 wordt de regering verzocht alert te zijn op fiscale ontwikkelingen in andere landen en, waar mogelijk, fiscale innovatie als uitgangspunt te hanteren bij fiscaal beleid om Nederland aantrekkelijk te laten blijven als vestigingsland in vergelijking tot die landen. Het kabinet hecht grote waarde aan de instandhouding van een fiscaal aantrekkelijk vestigingsklimaat. De ontwikkelingen op belastinggebied in vergelijkbare Europese landen worden op de voet gevolgd.

Bezwaarschriften Wet waardering onroerende zaken (WOZ)

Tijdens het algemeen overleg op 27 november 2013 inzake de uitvoering van de Wet WOZ door gemeenten heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, aan uw Kamer toegezegd een onderzoek door de Waarderingskamer te laten uitvoeren naar de overschrijding van de jaargrens bij de afhandeling van bezwaarschriften.45 De verwachting is dat de resultaten van dit onderzoek voor Prinsjesdag 2014 aan uw Kamer kunnen worden gestuurd.

Vennootschapsbelastingplicht overheidsbedrijven

In het kader van de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht (Vpb-plicht) voor overheidsbedrijven is in de motie Van Vliet de regering verzocht maatregelen te nemen om agressieve belastingplanning in de nieuwe situatie door overheden te voorkomen opdat niet via constructies alsnog oneerlijke concurrentie gaat plaatsvinden, bijvoorbeeld door het niet afzonderen van concurrerende activiteiten.46 Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, tijdens het AO diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013 toegezegd om met belanghebbenden, waaronder de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, provincies en Unie van Waterschappen, in contact te blijven over de voorgenomen modernisering belastingplicht voor overheidsbedrijven.47

Naar aanleiding van de bevindingen uit een inventarisatie naar de verschillende activiteiten van overheden is de afgelopen maanden gestart met het opstellen van een conceptwetsvoorstel voor de modernisering van de vpb-plicht voor overheidsondernemingen. Met het wetsvoorstel wordt beoogd om vanuit vennootschapsbelastingperspectief een gelijk speelveld te bereiken voor particuliere ondernemingen en overheidsbedrijven. Het kabinet streeft ernaar om op Prinsjesdag 2014, in het kader van het Belastingplan 2015, een wetsvoorstel aan de Kamer aan te bieden. Hieraan voorafgaand zullen diverse belanghebbenden geconsulteerd worden over het conceptwetsvoorstel en vindt momenteel een openbare consultatie plaats door middel van een internetconsultatie.

Herziening fiscale aftrek specifieke zorgkosten

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft bij de behandeling van het Belastingplan 2014 toegezegd voor de zomer van 2014 uw Kamer een brief te sturen over een mogelijk fundamentelere herziening van de fiscale regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.48 De achtergrond van deze mogelijke herziening is dat – ondanks de in 2014 doorgevoerde wijzigingen – de regeling nog steeds niet optimaal gericht is op de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten en de regeling ook mensen compenseert voor ziektekosten die dat niet nodig hebben. Mijn insteek is om deze regeling eenvoudiger, begrijpelijker en fraudebestendiger te maken.

Ik ga er inmiddels van uit dat 2015 te vroeg is voor een fundamentelere herziening van de fiscale regeling specifieke zorgkosten. In de eerste plaats omdat er nog onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over het gebruik van de fiscale regeling door de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten. Samen met onder andere Ieder(in), de organisatie waarin de CG-Raad en Platvorm VG zijn gefuseerd, wordt geprobeerd die gegevens boven tafel te krijgen. In de tweede plaats omdat er nu nog geen inzicht bestaat hoe gemeenten invulling gaan geven aan het maatwerk voor de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten waarvoor een een aanvullend bedrag beschikbaar is van structureel € 268 miljoen. Dat maakt het lastig om de (landelijke) fiscale regeling en het gemeentelijk maatwerk nu reeds op elkaar af te stemmen. Zodra er meer zicht bestaat op het gebruik van de fiscale regeling specifieke zorgkosten door de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten en de vormgeving van het maatwerk door gemeenten, kom ik met voorstellen voor herziening van de fiscale regeling met als doel de regeling gerichter, eenvoudiger, begrijpelijker en fraudebestendiger te maken.

Analyse terugloop inkomsten vennootschapsbelasting

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft tijdens het VAO over het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen op 18 december 2013 toegezegd voor het meireces een brief aan uw Kamer te sturen over de vraag wat de sterke daling van overheidsinkomsten uit de vennootschapsbelasting veroorzaakt.49 De analyse van de terugloop van de vpb-inkomsten is op dit moment nog niet gereed. Voor Prinsjesdag 2014 zal ik deze brief naar uw Kamer sturen.

Monitoren weglekeffecten accijnsverhoging

Bij verschillende gelegenheden hebben zowel mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, als ik uw Kamer toegezegd de weglekeffecten met betrekking tot de accijnsverhoging op diesel en LPG te zullen monitoren.50 In de tweede helft van mei zal ik uw Kamer deze monitor sturen in de vorm van een evaluatie van de gegevens over een periode van de eerste drie maanden van dit jaar.51

Successiewet 1956

Op de toezegging van mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, aan beide Kamers over de Successiewet52 kom ik terug in de kabinetsreactie op de commissie Van Dijkhuizen.

Deelname kortingsregeling lokaal duurzaam opgewerkte energie

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, heeft tijdens het wetgevingsoverleg inzake het Belastingplan 2014 op 4 november 2013 toegezegd53 om in 2014 een onderzoek te doen naar de mogelijkheden om ook kleine ondernemers aan de kortingsregeling voor lokaal duurzaam opgewekte energie te laten deelnemen. Daarnaast is tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 12 november 2013 toegezegd54 om uw Kamer te informeren als er vanuit Brussel meer duidelijkheid is over de mogelijkheden om de regeling ook open te stellen voor kleine ondernemers. Deze vraagstukken maken deel uit van het in het SER-energieakkoord aangekondigde onderzoek of het nodig en mogelijk is de regeling uit te breiden naar zakelijke kleinverbruikers en de huursector. Uw Kamer wordt na afronding van dit onderzoek, naar verwachting medio 2014, over de resultaten geïnformeerd.

Stroomlijning invordering toeslagen en belastingen

Tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 12 en 13 november 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd om zijn visie op de aanscherping van de invordering op het gebied van verrekening en kwijtschelding in het voorjaar van 2014 met de Kamer te delen.55 Aanleiding voor deze toezegging was de wens van mevrouw Neppérus (VVD) om verrekening van belastingschulden met toeslagen mogelijk te maken en om fraudeurs uit te sluiten van kwijtschelding. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 24 maart 201456 streef ik naar het robuuster maken van de werkprocessen van de Belastingdienst. De stroomlijning van de invordering van belastingen en toeslagen zal in samenhang daarmee worden bezien.

Onderzoeken leidingwaterbelasting en afvalstoffenbelasting

Tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 12 november 2013 heeft mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers, toegezegd57 om in 2014 te bezien of de gekozen variant voor de leidingwaterbelasting de gewenste structuur heeft of moet worden aangepast en bij dit onderzoek ook de zwemsector te betrekken. Hiernaar vindt onderzoek plaats in overleg met – en aan de hand van inbreng door – de betreffende sectoren en de Ministeries van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu. Over de resultaten van het onderzoek zal ik uw Kamer naar verwachting medio 2014 informeren. De eventueel daaruit voortvloeiende wetswijzigingen kunnen worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2015.

Mijn ambtsvoorganger heeft in de brief van 31 oktober 201358 en tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 op 13 november 201359 toegezegd om onderzoek te doen naar de optimalisering van de afvalstoffenbelasting en daarbij ook de mogelijkheden en effecten van gedifferentieerde tarieven mee te nemen. Hierover loopt inmiddels een onderzoek, in nauw overleg met de betreffende sector alsmede met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ik ben voornemens om conform de toezegging van mijn ambtsvoorganger uw Kamer vóór het zomerreces 2014 over de resultaten van dit onderzoek te informeren. Mede naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zal de afvalstoffenbelasting naar verwachting in het Belastingplan 2015 worden aangepast.

Ik hoop met deze brief diverse toezeggingen naar tevredenheid van uw Kamer af te hebben kunnen doen. Vanzelfsprekend ben ik graag bereid om – indien uw Kamer dit wenst – van gedachten te wisselen over de inhoud van deze brief.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Handelingen II 2013/14, nr. 22, item 29.

X Noot
2

Staatssecretaris tijdens het dertigledendebat over Belastingnomaden op 13 maart 2014. Handelingen nog niet beschikbaar.

X Noot
3

Kamerstuk 33 400 V, nr. 79.

X Noot
4

Handelingen II 2013/14, nr. 30, item 6.

X Noot
5

Handelingen II 2013/14, nr. 23, item 8, blz 14.

X Noot
6

Kamerstukken II 2013/14, 25 086, nr. 60.

X Noot
7

Handelingen II 2013/14, nr. 38, item 7.

X Noot
8

Idem.

X Noot
9

Kamerstuk 31 066, nr. 100, blz. 28.

X Noot
10

Kamerstuk 31 213, nr. 12, blz. 17.

X Noot
11

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
12

Kamerstuk 33 262, nr. 10, blz. 5 Handelingen II 2012/13, nr. 27, blz. 17–48 en Handelingen I 2012/13, nr. 25, item 6, blz. 10.

X Noot
13

Hof van Justitie van de Europese Unie 23 januari 2014, zaak C-164/12 (DMC Beteiligungsgesellschaft mbH).

X Noot
14

HvJ EU van 29 november 2011, zaak C-371/10, (National Grid Indus).

X Noot
15

Kamerstuk 31 930, nr. 71.

X Noot
16

Zie het rapport «De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, een vrijstelling voor de verkrijger of voor de boedel?», BDO, april 2012.

X Noot
17

Handelingen I 2009/10, nr. 13, p. 478.

X Noot
18

Kamerstukken II 2009/10, nr. 79.

X Noot
19

Kamerstuk 33 457, nr. 1.

X Noot
20

Hoge Raad 22 november 2013, zaaknrs. 13/01 154, V-N 2013/59.21; 13/01 160, V-N 2013/59.23.29; 13/01 161, V-N 2013/59.23.30; 13/01 622, V-N 2013/59.23.31; 13/02 453, V-N 2013/59.23.32.

X Noot
21

Stcrt. 2013, 34 331.

X Noot
22

Handelingen II 2007/08, nr. 107, blz. 7875.

X Noot
23

Kamerstuk 33 402, nr. 52.

X Noot
24

Handelingen II 2006/07, nr. 83, blz. 4549.

X Noot
25

Handelingen II 2006/07, nr. 83, blz. 4550.

X Noot
26

Kamerstuk 31 213, nr. 18.

X Noot
27

Kamerstuk 33 402, nr. 46, blz. 81.

X Noot
28

Schriftelijke antwoorden op een deel van de vragen die zijn gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 28 oktober jl. over het pakket Belastingplan 2014, Kamerstuk 33 752, nr. 16, blz. 15.

X Noot
29

Kamerstuk 17 050, nr. 454.

X Noot
30

Handelingen II 2013/14, nr. 4, item 5, blz. 1.

X Noot
31

Handelingen II 2012/13, nr. 81, blz. 71.

X Noot
32

Kamerstuk 17 050, nr. 465.

X Noot
33

Kamerstuk 31 213, nr. 21, blz. 14.

X Noot
34

Kamerstuk 33 750 VII, nr. 23.

X Noot
35

Kamerstuk 31 066, nr. 192.

X Noot
36

Kamerstuk 31 213, nr. 19.

X Noot
37

Zie de bijlage bij de brief «Aanpak schijnzelfstandigheid» van 23 april 2014 met kenmerk DB/2014/193 U. Kamerstuknummer nog niet beschikbaar.

X Noot
38

Kamerstuk 33 402, nr. 46, blz. 69.

X Noot
39

Kamerstuk 31 213, nr. 21, blz. 22.

X Noot
40

Kamerstuk 32 740 nr. 17.

X Noot
41

Kamerstuk 33 447, nr. 4.

X Noot
42

Kamerstuk 33 752, nr. 22.

X Noot
44

Kamerstuk 25 087, nr. 69.

X Noot
45

Kamerstuk 33 462, nr. 9, blz. 27.

X Noot
46

Kamerstuk 31 213, nr. 10.

X Noot
47

Kamerstuk 31 213, nr. 21, blz. 12.

X Noot
48

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 8.

X Noot
49

Kamerstuk 25 087, nr. 73.

X Noot
50

Onder meer Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 18.

X Noot
51

Onder meer Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 1231.

X Noot
52

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 76.

X Noot
53

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 35.

X Noot
54

Handelingen II 2013/14, 33 752, nr. 23, item 8.

X Noot
55

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 55.

X Noot
56

Kamerstuk 33 750 IX, nr. 23.

X Noot
57

Handelingen II 2013/14, 33 752 nr. 23, item 8.

X Noot
58

Kamerstuk 33 752, nr. 16.

X Noot
59

Handelingen II 2013/14, 33 752 nr. 23, item 8.