Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 november 2013
In de Miljoenennota 2014 is aangegeven dat het kabinet werkt aan een gemeenschappelijk
normenkader voor goed financieel beheer en een kaderstelling voor extern financieel
toezicht bij instellingen die een publiek belang dienen. Met deze brief informeer
ik u over het resultaat van deze uitwerking.
Gezien het belang van de publieke dienstverlening en de bedragen die hierin omgaan,
wil het kabinet kaders stellen waaraan het financieel beheer, verantwoording en intern
toezicht bij instellingen met een publiek belang ten minste zouden moeten voldoen.
Het uitgewerkte kader (opgenomen in bijlage 11) heeft het karakter van een set minimumeisen voor sober en ordentelijk financieel
beheer en geeft eenduidigheid ten behoeve van de borging van checks and balances en
de verantwoording naar stakeholders. Hierdoor wordt het voor de bij die instellingen
betrokken actoren duidelijker waar men elkaar op kan en moet aanspreken. Het kader
bevat een aantal uitgangspunten en principes met betrekking tot de verantwoordelijkheden
van het bestuur en de organisatie voor sober en ordentelijk financieel beheer, voor
verantwoording en voor de naleving van codes. Daarnaast is een aantal kernelementen
van goed financieel beheer opgenomen waardoor de instellingen zelf goed in control kunnen zijn, meer toekomst- en risicogericht kunnen handelen en zich transparant
kunnen verantwoorden.
Concreet bestaat het kader uit elementen voor:
-
• een meer toekomst- en risicogericht perspectief zoals meerjarige begrotingen, aandacht
voor (toekomstige) risico’s, en de verantwoording daarover;
-
• betere financiële «checks and balances» door het versterken van transparantie en het
kritisch vermogen binnen de instellingen;
-
• een meer transparante verantwoording door verplichte rapportage over het «in control
zijn» van het bestuur ten aanzien van het financieel beheer en de naleving van geldende
(sector)codes;
-
• een meer toekomstgerichte advisering van de accountant naast de controlerende taak.
Dit kan bijvoorbeeld door in controleprotocollen de controle van de onderbouwing en
aannames van begrotingen, van risicoanalyses en van de meerjarige strategie van de
instelling op te nemen.
Het kabinet is van mening dat de inhoud van het normenkader tot het normale gedachtegoed
van bestuurders en toezichthouders moet behoren bij instellingen die een publiek belang
dienen. De desbetreffende ministers hebben ruimte in de wijze waarop het kader bij
de onder hen ressorterende sectoren en instellingen kan worden geëffectueerd en gehandhaafd.
Hierdoor kan rekening worden gehouden met de geldende systematiek en ordening in de
desbetreffende sectoren. De rijksdienst en de medeoverheden hebben hun eigen regelgeving
op het terrein van financieel beheer en vallen niet onder dit kader.
Naast de introductie van een normenkader voor financieel beheer, verantwoording en
intern toezicht, zal het kabinet het externe financiële toezicht versterken2. Dit gebeurt onder andere door functies en taken van respectievelijk het financiële
toezicht en het kwaliteitstoezicht te scheiden en gelijkwaardig te beleggen. Vanwege
de samenhang tussen beide vormen van toezicht worden deze wel onder verantwoordelijkheid
van dezelfde minister belegd. Uitgangspunten hierbij zijn onder andere:
-
• de financiële toezichthouder kan zelfstandig afwegingen maken, onderzoek initiëren,
en interventies plegen zoals het opleggen van verscherpt financieel toezicht en/of
sancties;
-
• het externe financieel toezicht krijgt een meer risico- en toekomstgerichte focus
in lijn met de verbeteringen van het financieel beheer;
-
• een sectoroverstijgende samenwerking tussen financiële toezichthouders door het delen
van kennis en ervaringen, en mogelijk ook capaciteit, in de vorm van bindende samenwerking.
In bijlage 23 is uitgewerkt op welke wijze het extern toezicht zal worden versterkt. Er wordt daartoe
een verkenning uitgevoerd naar de organisatie en uitvoering van (de versterking van)
het financieel toezicht. Tevens wordt hierbij gekeken naar de samenwerking over de
inspectiegrenzen heen, bijvoorbeeld op het gebied van kennisdeling voor specialistische
onderwerpen en bij opleidingen.
De Minister van Financiën,
J.R.V.A. Dijsselbloem