Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-VII nr. 67

33 750 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2014

Nr. 67 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juli 2014

Door de decentralisatie van taken op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg en (arbeids)participatie krijgen gemeenten per 1 januari 2015 te maken met een aanzienlijke uitbreiding van hun verantwoordelijkheden. Daarbij is de inzet de dienstverlening zo dicht mogelijk bij de burger te brengen en gemeenten in staat te stellen integraal en samenhangend beleid te voeren. Hiermee kan worden voorkomen dat hulpverleners langs elkaar heen werken en kan een bijdrage geleverd worden aan een efficiëntere en effectievere overheid.

De gemeenten worden de eerstverantwoordelijke overheid voor het realiseren van deze doelstellingen. In dit kader hebben gemeenten behoefte aan informatie waarmee zij inzicht kunnen krijgen in de ontwikkeling van het sociaal domein in de praktijk. Colleges van Burgemeesters en Wethouders gebruiken deze informatie om, indien nodig, bij te kunnen sturen en om verantwoording af te leggen aan hun gemeenteraad. Ook het Rijk heeft behoefte aan informatie in verband met de systeemverantwoordelijkheden van de betrokken Ministers van VWS, VenJ, SZW en BZK en het afleggen van verantwoording daarover aan de Tweede Kamer. Deze systeemverantwoordelijkheid betreft de verantwoordelijkheid voor de inrichting en de werking van het systeem als geheel. Het gaat daarbij om de vraag of de te behalen doelstellingen binnen het systeem worden gerealiseerd en of het systeem de juiste voorwaarden kent om de gewenste maatschappelijke effecten te bereiken.

De gemeenten, de VNG en het Rijk hebben in de context van het bovenstaande gezamenlijk gewerkt aan de inrichting van de informatievoorziening van het gedecentraliseerde sociaal domein zoals die er vanaf 1 januari 2015 uit moet gaan zien. Daarbij is afgesproken dat voor het uitvragen van de relevante gegevens de «spelregels interbestuurlijke informatievoorziening» van toepassing zijn.1 Er is voorts ingezet op het creëren van één gegevensverzamelpunt. Het voorstel voor de voorziene inrichting van de informatievoorziening sociaal domein heeft voorgelegen op de regietafel van 11 juni jl. en is daar door de bij de decentralisaties betrokken bewindspersonen, de aanwezige vertegenwoordiging van de gemeenten en de VNG bekrachtigd.

Uitgangspunten inrichting informatievoorziening sociaal domein

In de inrichting van de informatievoorziening is aangesloten bij de aandachtspunten van de Algemene Rekenkamer.2 Dit heeft geresulteerd in de volgende uitgangspunten:

  • Gezamenlijke aanpak: de gemeenten, de VNG en het Rijk trekken gezamenlijk op bij de inrichting van de informatievoorziening, passend bij de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling die het gevolg is van de decentralisaties.

  • Scheiding van monitoring en toezicht: het Rijk maakt monitoringsrapportages op basis van de gegevens uit het gegevensverzamelpunt. Daarmee wordt een macrobeeld gegeven over het functioneren van het systeem van het sociaal domein. Dat beeld wordt gebruikt om de werking van het systeem te kunnen duiden en niet om een oordeel te kunnen vellen over het functioneren van individuele gemeenten of instellingen.

  • Enkelvoudige uitvraag en meervoudig gebruik van informatie: doordat in de informatievoorziening wordt ingezet op één gegevensverzamelpunt, kunnen data die worden verzameld door instellingen en gemeenten eenvoudig aan elkaar worden gekoppeld en zowel worden gebruikt door gemeenten als door het Rijk. Informatie die door meerdere partijen wordt gebruikt hoeft dus slechts één keer te worden uitgevraagd.

  • Slank en slim: specifieke, aanvullende uitvragen die het Rijk doet (ten opzichte van de uitvraag van de gemeenten en ten opzichte van de reeds bestaande uitvraag) zijn zeer beperkt, worden getoetst aan de spelregels interbestuurlijke informatie en maken waar mogelijk gebruik van de huidige technische mogelijkheden.

  • Inzicht in de effecten op kwetsbare groepen: in het sociaal domein gaat het veelal om kwetsbare groepen mensen en is inzicht nodig in de invloed die decentralisaties hebben op deze groepen. Hiervoor is expliciet aandacht in de inrichting van de informatievoorziening sociaal domein.

  • Inzet op een ontwikkelingsmodel: de inrichting van de informatievoorziening sociaal domein zal door de gemeenten, de VNG en het Rijk gezamenlijk worden doorontwikkeld. Daarbij zal er aandacht zijn voor de relatie met die beleidsterreinen die grenzen aan de decentralisaties in het sociaal domein. Inzet is dat door het Rijk in drie jaar wordt toegewerkt naar één monitor en het geheel laten samenvallen van de indicatorenset van de gemeenten en die van het Rijk.

Opzet inrichting informatievoorziening sociaal domein

Voor gemeenten wordt informatie door de VNG en KING ontsloten per gemeente middels de «gemeentelijke monitor sociaal domein» via waarstaatjegemeente.nl. Tijdens de ALV van de VNG van 18 juni is de gegevensset vastgesteld die daarvoor wordt gebruikt. Hierbij gaat het om gegevens gerelateerd aan (1) early warning items, (2) het wijkprofiel, (3) het gebruik van sociale voorzieningen en (4) cliëntervaring en toegankelijkheid.

De betrokken departementen van VWS, VenJ, SZW en BZK informeren de Tweede Kamer op basis van de vanuit het gegevensverzamelpunt gegenereerde monitoring en de resultaten van bijbehorend verdiepend onderzoek. Het kabinet zet hierbij in op één moment van rapportage aan de Kamer. Voor wat betreft het verdiepend onderzoek geldt eveneens dat wordt ingezet op het afstemmen tussen de gemeenten en het Rijk, opdat ook daarin gezamenlijk wordt opgetrokken.

Om uw Kamer een beeld te kunnen geven van de ontwikkelingen die zich voordoen in het gedecentraliseerde sociaal domein als geheel is de «overall monitor sociaal domein» ontwikkeld. De overall monitor brengt de uitkomsten van de monitoring gerelateerd aan de drie decentralisatiewetten samenvattend bij elkaar en voegt daar de uitkomsten van de bestuurlijke monitoring en de zogenaamde «sociaal domein index», waarin centraal staat wat de effecten van de decentralisaties zijn voor (kwetsbare) burgers, aan toe. Met behulp van de overall monitor sociaal domein wordt inzicht gegeven in het functioneren van het systeem van het gedecentraliseerde sociaal domein op onderdelen en als geheel (zie bijlage3 voor een visuele samenvatting van de inrichting van de informatievoorziening sociaal domein en een meer uitgebreide beschrijving van de opzet van de overall monitor sociaal domein).

De overall monitor sociaal domein zal vanaf 2016 jaarlijks rond verantwoordingsdag door de Minister van BZK, mede namens de betrokken bewindspersonen, aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De Minister van BZK zal op basis van de overall monitor met de Tweede Kamer het gesprek aangaan over het functioneren van het systeem van het sociaal domein als geheel en over de rol die gemeenten in het gedecentraliseerde stelsel vervullen. De afzonderlijke betrokken bewindspersonen van VWS, VenJ en SZW blijven hierbij verantwoordelijk voor het functioneren van de stelsels gerelateerd aan de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet. Deze bewindspersonen zullen daarover dan ook zelf verantwoording afleggen aan de Tweede Kamer. Het voornemen is dat de Tweede Kamer in principe tot 2020, wanneer ook de laatste wetsevaluatie (van de Participatiewet) wordt opgeleverd, wordt geïnformeerd middels de overall monitor sociaal domein. In de periode tussen 2015 en 2020 wordt, zoals eerder in deze brief is gesteld, de informatievoorziening sociaal domein gezamenlijk door gemeenten, VNG en Rijk doorontwikkeld. Dat houdt in dat deze stapsgewijs verder wordt geïntegreerd en aangescherpt en waar mogelijk vereenvoudigd. Dit is een continu proces. Daarenboven wordt de inrichting van de informatievoorziening sociaal domein na drie jaar geëvalueerd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Zie Kamerstuk 29 362, nr. 193.

X Noot
2

Zie Kamerstuk 33 942, nr. 1.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl