Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2014
Tijdens het notaoverleg van 16 december 2013 over de Hoofdlijnennotitie Comptabiliteitswet
2001 (Kamerstuk 33 670, nr. 9) is door het lid Van Hijum een – aangehouden – motie ingediend (Kamerstuk 33 670, nr. 7). In deze motie wordt de regering verzocht om de Kamer bij een voornemen tot schuldverlichting
voortaan vooraf te informeren, en het besluit in de betreffende begroting ter autorisatie
voor te leggen. Ik heb de Kamer laten weten dat ik schriftelijk zou reageren op deze
motie. Aan die toezegging kom ik hierbij tegemoet.
In de considerans van de motie wordt door de indiener opgemerkt dat het ongewenst
is, dat de regering zonder autorisatie van de Kamer kan besluiten tot een aanzienlijke
schuldverlichting van landen in het kader van de besteding van HGIS−middelen. In deze
brief zal ik daarom ingaan op de begrotingstechnische aspecten van schuldverlichting,
omdat autorisatie aan de hand van de begroting plaatsvindt.
In de regel ontstaat een vordering op een land op het moment dat schade wordt uitgekeerd
onder de exportkredietverzekering. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als dit land een
verzekerde Nederlandse exporteur ten onrechte niet betaalt voor geleverde diensten
of producten. De Nederlandse Staat stelt de exporteur, die hiervoor een verzekeringspremie
heeft moeten betalen, schadeloos en deze schade heeft op dat moment een kasuitgave
ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën in dat jaar tot gevolg.
Het Ministerie van Financiën neemt de vordering op dit land van de exporteur over.
Vervolgens gaat de Nederlandse Staat over tot recuperatie (inning) van de vordering.
Het innen van een vordering kan jaren duren. De recuperaties worden als ontvangst
geboekt op de begroting van het Ministerie van Financiën in het jaar dat verwacht
wordt dat de terugbetaling wordt ontvangen. Voor een bepaalde groep landen wordt echter
niet tot (volledige) recuperatie overgegaan, en dat zijn met name de landen die deel
uitmaken van het zogenaamde Heavily Indebted Poort Countries (HIPC) initiatief. Gezien
de onhoudbare schuldenlast en de relatief lage economische groei die kenmerkend zijn
of waren voor deze landen, heeft de internationale gemeenschap in de jaren »90 afgesproken
tot aanzienlijke schuldverlichting in ruil voor strenge economische hervormingen onder
leiding van de Wereldbank en het IMF. Voor deze groep landen wordt daarom geen ontvangst
geraamd op de begroting van het Ministerie van Financiën.
De kwijtschelding van een vordering uit hoofde van de exportkredietverzekering voor
deze groep landen leidt dan ook niet tot een mutatie op de begroting van het Ministerie
van Financiën. Dit wil echter niet zeggen dat er geen begrotingseffect is. Immers,
volgens de regels van het «Development Assistance Committee» van de OESO (OESO/DAC)
mogen kwijtscheldingen van overheidsschulden in het kader van de Club van Parijs worden
aangemerkt als ODA (Official Development Assitance). Evenals de meeste andere crediteuren
past Nederland deze regel toe en rekent schuldkwijtschelding in het kader van de Club
van Parijs toe aan ODA. Dit wordt de EKI-toerekening genoemd.
Het toepassen van deze regel heeft tot gevolg dat het totaal aan ODA-uitgaven op de
begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wordt gecorrigeerd
voor het geraamde bedrag van aan ODA toe te rekenen kwijtscheldingen. Voorts wordt
in de HGIS-nota de EKI-toerekening aan ODA toegelicht. De ramingen van de EKI−toerekening
worden vastgesteld op basis van historische trends en verwachtingen op basis van de
uitstaande portefeuille. Wijzigingen in de EKI-toerekening worden via de suppletoire
begrotingen van de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
aan de Kamer ter autorisatie voorgelegd en in het HGIS-jaarverslag toegelicht.
De Kamer wordt dan ook volgens de bestaande begrotingspraktijk vooraf geïnformeerd
bij een voornemen tot schuldverlichting via de (oorspronkelijke of suppletoire) begroting
van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en autoriseert op die wijze (de
gevolgen van) de schuldverlichting. Ten aanzien van de informatievoorziening zal het
kabinet de toelichting in de HGIS−nota verder uitbreiden, zodat de benutting van HGIS−middelen
op het gebied van schuldverlichting op een zo helder mogelijke wijze inzichtelijk
wordt gemaakt.
Ten slotte breng ik hierbij twee belangrijke zaken onder de aandacht. Tijdens het
debat van 16 december werd wellicht de indruk gewekt dat de vordering op Soedan reeds
zou zijn kwijtgescholden. Dit is geenszins het geval. Soedan voldoet zeker nog niet
aan de strenge criteria die aan schuldverlichting worden gesteld. Een tweede observatie
is dat de vorderingenportefeuille van het Ministerie van Financiën op ontwikkelingslanden
in de afgelopen jaren sterk in omvang is afgenomen. Dit betekent dat de effecten van
de EKI−toerekening op middellange termijn steeds kleiner zullen worden.
De Minister van Financiën,
J.R.V.A. Dijsselbloem