Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2014
In de Begrotingsafspraken 2014 is afgesproken dat de afvalstoffenbelasting weer zou
worden ingevoerd met een opbrengst van € 100 miljoen structureel. Dit is vooralsnog
per 1 april 2014 gerealiseerd in de vorm van een belasting op alleen stortafval. Deze
belasting brengt echter niet de beoogde € 100 miljoen op in 2015. Ook draagt deze
belasting weinig bij aan het halen van milieudoelen. Mijn voorganger heeft daarom
toegezegd Uw Kamer te informeren over een verdere invulling van de afvalstoffenbelasting
die per 1 januari 2015 wel € 100 miljoen zou opleveren en een vergroenend effect zou
hebben. In deze brief kom ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en
Milieu, deze toezegging na.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is gevraagd de verschillende mogelijkheden
voor deze afvalstoffenbelasting op een rij te zetten en te analyseren (www.pbl.nl). Bij dit onderzoek zijn ook de verschillende stakeholders betrokken. De voorstellen
in deze brief zijn gebaseerd op de studie van PBL en een analyse van de uitvoeringsaspecten.
Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de grondslag, belastingplichtigen, tarief,
import/export en vrijstellingen.
Grondslag
Op basis van de studie van PBL stel ik voor het afval te belasten dat door Nederlandse
bedrijven of gemeenten wordt aangeboden om te storten of te verbranden. Op deze wijze
worden de lasten van een afvalstoffenbelasting evenwichtig verdeeld over burgers en
bedrijven en is er een brede grondslag, waardoor het tarief relatief laag kan blijven.
Ook draagt het bij aan de doelstellingen van het programma Van Afval Naar Grondstof
(VANG), omdat recycling wordt bevoordeeld ten opzichte van verbranden en storten.
Dit past tevens in de Groene Groei ambitie van het kabinet.
De systematiek van de afvalstoffenbelasting wordt in mijn voorstel als volgt. Het
afval van huishoudens en bedrijven komt – al dan niet via de inzamelaars – terecht
bij sorteerders en recyclebedrijven, die een deel van het afval bestemmen voor recycling
en het overige aanbieden aan verbrandings- en stortinrichtingen. In de verbrandingsinrichtingen
wordt een deel van het aangeboden afval afgescheiden en het overige verbrand. Bij
zowel de verbrandingsinrichtingen als de stortinrichtingen wordt de belasting geheven
over de hoeveelheid die aan de inrichting wordt aangeboden (afval van buitenlandse
bedrijven uitgezonderd). Voor afvalstoffen die de inrichtingen weer verlaten wordt
een belastingvermindering toegepast. Per saldo wordt geheven over de hoeveelheid die
wordt verbrand respectievelijk gestort.
Belastingplichtigen
Gelet op de hiervoor beschreven grondslag stel ik voor de belasting te heffen bij
zowel de verbrandingsinrichtingen als de stortinrichtingen. Eén van de voorgestelde
varianten van PBL gaat uit van heffing bij de inzamelaars van afval. Dit voorstel
heb ik niet overgenomen, omdat het op uitvoeringstechnische bezwaren stuit. Als de
belastingplicht gelegd zou worden op de inzamelaars van afval, zou het aantal belastingplichtigen
aanmerkelijk toenemen. In dat geval zouden ook onevenredige controle-inspanningen
verricht moeten worden om te verzekeren dat de fiscale verplichtingen worden nagekomen.
Omwille van de doelmatigheid van het toezicht en de uitdagingen waar de Belastingdienst
de komende jaren voor staat, wordt daarom de voorkeur gegeven aan het bestaande systeem,
waarin de belasting geheven wordt bij een betrekkelijk gering aantal, bij voorbaat
bekende inrichtingen.
Tarief
Het tarief zal € 13,00 per ton bedragen voor zowel het afval dat wordt aangeboden
om te storten als het afval dat wordt aangeboden om te verbranden. Dit is een relatief
laag tarief. In lijn met de conclusies van de studie van het PBL is daarom besloten
geen verdere vrijstellingen op te nemen. In 2018 zal de afvalstoffenbelasting worden
geëvalueerd op basis van de monitoringsgegevens van het Landelijk Afval Plan.
Import en export van afval
Er zal geen belasting worden geheven op het afval dat door buitenlandse bedrijven
wordt aangeboden. In de voorgestane systematiek valt de export van afval buiten de
heffing, aangezien deze de belasting aanmerkelijk gecompliceerder zou maken en tevens
zou leiden tot handhavingsproblemen. Als uit de monitoringsgegevens van het Landelijk
Afval Plan zou blijken dat er een substantiële stijging is van export van afval naar
het buitenland, kunnen vanaf 1 januari 2016 de tarieven voor het verbranden worden
verlaagd en de tarieven voor het storten worden verhoogd. Uit het oogpunt van eenvoud
wil ik per 1 januari 2015 starten met gelijke tarieven. Op deze wijze wordt tevens
voorkomen dat het automatiseringssysteem van de Belastingdienst moet worden aangepast
alvorens de nieuwe systematiek ingevoerd zou kunnen worden.
Dit voorstel zal ik verder uitwerken in het Belastingplan 2015.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes