Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431066 nr. 202

31 066 Belastingdienst

17 050 Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies

Nr. 202 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juni 2014

Hierbij informeer ik uw Kamer over de actualiteit rond één bankrekeningnummer en de terugvordering van de onterecht uitgekeerde toeslagen, en beantwoord ik de vragen van de Kamer over deze onderwerpen. Tegelijkertijd beantwoord ik de vragen uit het Algemeen Overleg van 15 mei 2014 over de Belastingdienst.

A. Stand van zaken één bankrekeningnummer

In de bijlage treft u de antwoorden (Kamerstuk 31 066, nr. 203) aan op de vragen die uw Kamer heeft gesteld naar aanleiding van mijn brief van 3 maart 2014 over de stand van zaken rond de maatregel één bankrekeningnummer.1 Hierover wil ik het volgende opmerken.

De Belastingdienst heeft de afgelopen maanden met man en macht gewerkt om de problemen die begin van dit jaar optraden te reduceren. Dit heeft ertoe geleid dat de groep burgers en bedrijven die eind januari een uitbetaling miste is afgenomen van ca. 32.000 tot ca. 4.150. Daarnaast heeft de inspanning van de Belastingdienst ervoor gezorgd dat het huidige reguliere verificatieproces in het kader van één bankrekeningnummer geen grote verstoringen kent. Wel geldt dat een wijziging van het rekeningnummer in 30% van de gevallen niet automatisch kan worden geverifieerd en dat aanvullende handelingen nodig zijn. De situatie is daarmee te omschrijven als beheersbaar, maar tegelijkertijd ook nog steeds op onderdelen fragiel. Dit komt vooral door de complexiteit van de ICT-systemen binnen de Belastingdienst, zoals ik ook heb beschreven in mijn brief van 19 mei 2014 aan uw Kamer. Het ICT-systeem voor de verificatie kenmerkt zich door een groot aantal LOA’s (lokaal ontwikkelde applicaties) en een relatief hoge ouderdom van de centrale systemen die de verschillende applicaties met elkaar moeten verbinden. Concreet betekent dit dat iedere ad hoc aanpassing om het verificatiegemak voor burgers en bedrijven te vergroten, de complexiteit en daarmee kwetsbaarheid van de huidige systemen vergroot. Dit geldt ook voor de systemen waarop de bestuurlijke informatie draait.

Gelet op deze situatie ben ik van plan om in het kader van één bankrekeningnummer een tweetal maatregelen door te voeren die er toe moeten bijdragen dat de uitbetaling aan burgers en bedrijven niet opnieuw in de knel komt, zonder daarbij overigens concessies te doen aan een fraudebestendig uitbetalingsbeleid:

  • 1. de verlenging van het overgangsrecht tot 1 juli 2015: gedurende het overgangsrecht betaalt de Belastingdienst nog uit op het bekende oude rekeningnummer voor die burgers en bedrijven waarvoor de Belastingdienst nog geen geverifieerd rekeningnummer tot haar beschikking heeft. De reden hiervan is dat ik het in het licht van de huidige stand van zaken van de ICT-systemen binnen de Belastingdienst niet verantwoord vind op korte termijn systeemaanpassingen door te voeren om het verificatieproces van deze groep burgers en bedrijven nog voor 1 juli 2014 af te ronden;

  • 2. uitsluiting van de omzetbelasting van de tenaamstellingsverplichting die geldt op basis van de wet één bankrekeningnummer.

Ad 1 Verlenging transitieperiode

Het is duidelijk dat de urgentie om fraude aan te pakken van doorslaggevende betekenis is geweest bij de vormgeving van de maatregel inzake het éénbankrekeningnummer, inclusief het bijbehorende tijdpad. De les die we bij de uitwerking hiervan hebben moeten trekken is dat, wanneer we hetzelfde tempo hanteren als in het afgelopen half jaar, de kans groot is dat opnieuw een grote groep goedwillende burgers gedupeerd zal worden. Daarom ben ik voornemens het overgangsrecht met een jaar te verlengen tot 1 juli 2015. Op basis van dit overgangsrecht mag de Belastingdienst nog uit betalen op een bekend oud rekeningnummer voor die burgers en bedrijven waarvoor de Belastingdienst nog geen geverifieerd rekeningnummer tot haar beschikking heeft.

Ad 2 Vervallen tenaamstellingsverplichting bij teruggave omzetbelasting

Ook het (automatisch) valideren van de tenaamstelling voor de omzetbelasting is een proces waarbij veel aanvullende handelingen nodig zijn. Noch het bedrijfsleven (administratieve lasten), noch de Belastingdienst (uitvoeringskosten) is hier bij gebaat. Tegelijkertijd blijkt dat het risico op identiteitsfraude bij de omzetbelasting beperkt is en dat dit risico door andere (minder zware) maatregelen in het proces afgedekt kan worden, dan wel reeds afgedicht wordt. In de antwoorden op de vragen van uw Kamer die hierbij gaan, licht ik dit nader toe. Daarom ben ik voornemens om de wet op dit punt aanpassen. Een voorstel daartoe kunt u in het kader van het Belastingplan 2015 verwachten.

Ten aanzien van de tenaamstellingverplichting bij burgers zal het verificatieproces binnen de huidige opzet worden aangepast, zodat het soepeler verloopt voor zowel burgers als de Belastingdienst. Deze aanpassingen zullen begin 2015 gerealiseerd zijn. Met de invoering van het eID-stelsel kan het proces vervolgens verder geoptimaliseerd worden. Desondanks is het inherent aan een fraudebestendiger systeem dat vooraf gegevens moeten worden geverifieerd, alvorens de Belastingdienst een uitbetaling doet. Dit kan in de praktijk blijven betekenen dat een groep mensen één of meerdere uitbetalingen mist omdat de Belastingdienst over onvoldoende (geverifieerde) informatie beschikt om tot uitbetaling over te kunnen gaan.

B. Rapportage over toeslagen

In de bijlagen treft u de antwoorden (Kamerstuk 17 050, nr. 479) aan op de vragen van uw Kamer naar aanleiding van mijn rapportage van 3 maart 2014.2 Met het oog op de laatste ontwikkelingen licht ik hieronder eerst de huidige stand van zaken toe.

Daarbij moet er continu onderscheid worden gemaakt tussen de personen die een bestuurlijke boete hebben gekregen of zullen krijgen en de personen die in de rechtszaken betrokken zijn.

Bestuurlijke boeten

Zoals aangegeven ging het in de rapportage van 3 maart 2014 om 805 Bulgaren die vanwege nalatigheid bij informatieverstrekking een bestuurlijke boete hebben gekregen. Bij deze groep is geen misbruik of oneigenlijk gebruik vastgesteld. Het gaat hier bijvoorbeeld om de volgende situatie. Ten behoeve van het definitief toekennen verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen na afloop van het toeslagjaar aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag om een jaaropgaaf van de kinderopvanginstelling te overleggen. Bij het achterwege blijven van deze informatie wordt de toeslag teruggevorderd en een boete opgelegd. Nadat de aanvrager de gevraagde informatie alsnog heeft verstrekt, wordt de terugvordering teruggedraaid. De boete voor het niet verstrekken van de informatie blijft echter staan, waardoor een vordering op de toeslagontvanger ontstaat.

Strafrechtzaken

In april 2013 zijn twee strafrechtelijke onderzoeken gestart die hebben geleid tot een rechtszaak. Vanwege het feit dat deze zaken nog maar kort onder de rechter waren, konden destijds daarover geen nadere mededelingen worden gedaan. Mijn voorganger heeft dit uw Kamer bij gelegenheid gemeld. In één rechtszaak is inmiddels uitspraak gedaan, terwijl de andere rechtszaak in een zodanig vergevorderd stadium is waardoor ik nu aan uw Kamer het aantal betrokkenen en het vermoedelijke fraudebedrag kan melden.

De Rechtbank Den Haag heeft uitspraak gedaan in één van deze fraudezaken. Eén verdachte die voor zeker 271 personen toeslagen heeft aangevraagd is daarbij veroordeeld. De veroordeelde heeft voor ongeveer € 0,7 miljoen gefraudeerd.

Daarnaast loopt nog een tweede rechtszaak tegen in totaal zes verdachten die vermoedelijk betrokken waren bij de Bulgarenfraude. Vier personen worden ervan verdacht op grote schaal (onrechtmatig) toeslagen te hebben aangevraagd voor 1.051 personen en twee personen hebben in Bulgarije vermoedelijk mensen geronseld om met hun gegevens toeslagen aan te vragen. Het Openbaar Ministerie (OM) geeft aan dat het vermoedelijke fraudebedrag in deze zaak ongeveer € 3,4 miljoen bedraagt.

Individuele beoordeling betrokken toeslagaanvragen

In deze twee rechtszaken zijn 1.322 personen betrokken waarvoor de verdachten toeslagen hebben aangevraagd. Deze 1.322 personen zijn geen verdachten in de rechtszaak, maar zullen bestuurlijk worden beboet als – mede op basis van de gerechtelijke uitspraak – blijkt dat zij verwijtbaar hebben gehandeld bij de aanvragen die namens hen zijn ingediend. Dit zal individueel worden beoordeeld. Uit de beoordeling kan ook blijken dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen van de betreffende persoon. Er kan blijken dat er rechtmatig een toeslag is aangevraagd of dat de betreffende persoon een slachtoffer blijkt te zijn. Dan zal geen boete worden opgelegd. Overigens is het ook mogelijk om alsnog strafrechtelijke vervolging van individuele aanvragers in te stellen.

Ten aanzien van de 271 personen uit de eerste rechtszaak is Belastingdienst/ Toeslagen momenteel bezig om de aanvragen die zijn gedaan individueel te beoordelen. Indien uit deze beoordeling blijkt dat die personen een betrokkenheid hebben gehad bij de onjuiste aanvraag en daar profijt van hebben gehad, zal de Belastingdienst/Toeslagen – afhankelijk van de ernst van het verwijt en aan de hand van de uitspraak van de Rechtbank – een vergrijp- of verzuimboete opleggen. Ten aanzien van de 1.051 personen uit de nog lopende rechtszaak geldt dat nadat de rechter uitspraak heeft gedaan eveneens een dergelijke beoordeling zal plaatsvinden.

Invordering

Eerder heb ik de Bulgaarse Ministers van Financiën en Sociale Zaken gesproken over de bijstand die Nederland vraagt voor de invordering van de openstaande toeslagbedragen en boetes. Op mijn verzoek heeft de Nederlandse ambassade in Bulgarije de Bulgaarse autoriteiten inmiddels geïnformeerd over het feit dat binnenkort in het kader van de (terug-)vordering informatie- en bijstandsverzoeken worden gedaan aan de Bulgaarse autoriteiten. De Bulgaarse autoriteiten hebben ook nu weer hun volledige medewerking toegezegd binnen de bestaande juridische kaders.

Tegelijkertijd zijn er op dit dossier allerlei belemmerende factoren. Terugvorderingen in het buitenland zijn langdurig van aard. Bovendien zijn er Europese regels en afspraken over bijvoorbeeld minimumbedragen voor de bijstand en de juridische basis voor het bijstandsverzoek (in het geval van de huurtoeslagschulden het ontbreken daarvan). Tevens moet de schuldenaar door de autoriteiten ook daadwerkelijk gevonden worden (er kan sprake zijn van verhuizing, de status Vertrokken onbekend waarheen (VOW) of overlijden) en moet een verhaalsmogelijkheid zijn bij die schuldenaar in de vorm van bijvoorbeeld vermogen of loon waarop beslag kan worden gelegd. Ook de civielrechtelijke procedures waarop in de beantwoording van de Kamervragen nader wordt ingegaan bieden geen garantie vanwege het omslachtige en tijdrovende karakter ervan.

Daarom is mijn optimisme over de opbrengst van de terugvordering niet zo groot. Desondanks blijft mijn inzet om zoveel mogelijk van de openstaande bedragen terug te halen. In de eerstvolgende halfjaarsrapportage Belastingdienst zal ik proberen een realistische inschatting te geven van de verwachte opbrengst.

C. Algemeen overleg Belastingdienst 15 mei 2014

In het algemeen overleg over de Belastingdienst van 15 mei 2014 heb ik toegezegd om op de volgende onderwerpen schriftelijk terug te komen:

  • de stand van zaken van de fraudemaatregelen en de samenwerking tussen de overheidsorganisaties om fraude te bestrijden;

  • het verzoek van de stichting Vluchtelingenwerk;

  • het zoveel als mogelijk voorkomen van het terugvorderen van toeslagen;

  • de effecten van de aanpassing van het partnerbegrip in de kinderopvangtoeslag;

  • de behandeling van isolatiemateriaal in de BTW;

  • de buitenlandse kentekens.

Over de wijze van rapporteren over procesverstoringen kom ik terug in de eerstvolgende halfjaarsrapportage.

Stand van zaken fraudeaanpak

Het lid Neppérus heeft in het algemeen overleg gevraagd naar de stand van zaken rond de fraudemaatregelen zoals die in de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit zijn opgenomen en dan met name de maatregelen die bij amendement en nota van wijziging in de wet zijn opgenomen. Verder vroeg zij naar de samenwerking tussen de diverse overheidsorganisaties in het kader van fraudebestrijding op nationaal en internationaal niveau.

Fraudemaatregelen

De Belastingdienst/Toeslagen heeft per 1 januari 2014 een aantal mogelijkheden gekregen om fraude met toeslagen beter te bestrijden. Zo is de beslistermijn verlengd naar 13 weken. Deze termijn kan met nog eens 13 weken worden verlengd als sprake is van een risicovolle aanvraag. Deze risicovolle aanvragen worden gedetecteerd aan de hand van risicoselectie. Ik kan u melden dat inmiddels voor ongeveer 3.200 aanvragen uit de periode april-mei 2014 meer tijd wordt genomen om deze nader te onderzoeken. Verder past de Belastingdienst/Toeslagen de maatregel toe dat een aanvrager bekend moet zijn bij de Belastingdienst. Is de aanvrager onbekend, dan krijgt hij geen voorschot. Meent hij daar wel recht op te hebben dan zal hij zich moeten melden bij een van de balies van de Belastingdienst.3 Met name deze twee maatregelen, een langere beslistermijn en geen voorschot als iemand onbekend is, werpen een reële drempel op tegen fraude.

Door het amendement Neppérus is het Besluit bestuurlijke boeten van de Belastingdienst uitgebreid met de begrippen «de doen pleger, uitlokker en medeplichtige».4 Deze zijn met ingang van 1 januari 2014 toegevoegd aan het boetebesluit. Het beboetbare feit moet na die datum plaats hebben gevonden. Op dit moment zijn er nog geen boetes opgelegd naar aanleiding van deze aanpassing. Wel speelt bij Toeslagen momenteel een casus waar dit aan de orde zou kunnen komen.

In de derde nota van wijziging is bepaald dat een goedwillende belastingplichtige niet door de strafbaarstelling van het niet betalen van de verschuldigde belasting wordt getroffen.5 Niet strafbaar is degene die de ontvanger bijtijds heeft verzocht om uitstel van betaling te verlenen of die de ontvanger schriftelijk en onverwijld een melding van betalingsonmacht heeft verzonden. Deze maatregel wordt gemonitord door alle gevallen aan de boetefraudecoördinatoren te laten melden. Tot nu toe is er nog geen melding geweest.

Nog niet in werking getreden/toegepaste maatregelen

In de tweede nota van wijziging is onder meer bepaald dat een voorschot op een toeslag kan worden ingetrokken als een burger zijn aangifte inkomstenbelasting niet indient.6 Ook is de bepaling opgenomen dat als aan de partner van een burger een strafrechtelijke sanctie of vergrijpboete is opgelegd, hij niet in aanmerking komt voor de verlening van een toeslagvoorschot. Ten aanzien van beide maatregelen geldt dat ze in werking kunnen treden op het moment dat de systemen van de Belastingdienst zijn aangepast. Momenteel wordt hiervoor een impactanalyse uitgevoerd, waaruit moet blijken per wanneer en tegen welke kosten deze maatregelen kunnen worden ingevoerd.

Tenslotte wordt de maatregel waarbij het toeslagvoorschot wordt stopgezet als er twijfel is over het adres nog niet toegepast. Voorkomen moet worden dat als gevolg van deze maatregel goedwillende burgers tussen wal en schip vallen. Daarom analyseert de Belastingdienst samen met het agentschap BPR momenteel hoe het proces moet worden ingericht. De verwachting is dat de Belastingdienst in de tweede helft van 2014 deze maatregel gaat uitvoeren.

Samenwerking tussen overheidsorganisaties

De bestrijding van fraude is een speerpunt van dit kabinet. De Belastingdienst en FIOD werken met vele organisaties samen om fraude te voorkomen en te bestrijden.

In regionaal verband werken de Belastingdienst en de FIOD samen in de bestaande anti-fraudestructuren van de Regionale informatie en expertisecentra (RIEC) en de Landelijke stuurgroep interventieteams (LSI). In RIEC-verband werken onder andere de politie, het OM, gemeenten en de Belastingdienst samen om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden. In Brabant is de Taskforce B5 bezig met het afpakken van crimineel vermogen. De Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor dit project. De RIEC's kunnen zelf regionale speerpunten benoemen om aan te pakken. In de Regionale Coördinatiepunten Fraudebestrijding (RCF), die onder de vlag van het LSI vallen, werken de Inspectie SZW, UWV, gemeenten, de Belastingdienst, de politie en het OM samen met als doel het aanpakken van fraude met uitkeringen, belastingen en premies en illegale tewerkstelling. Adresfraude is een van de thema's waar de LSI in 2014 op inzet.

In RCF-verband kunnen regionaal projecten worden gestart die desgewenst door andere regio's kunnen worden geadopteerd.

Daarnaast zijn er diverse andere initiatieven. De Belastingdienst/Toeslagen voert met de gemeenten Utrecht, Rotterdam en Amsterdam pilots uit rond de zogenoemde verwonderadressen. Tevens heeft het kabinet goede contacten met het Amsterdamse burgerinitiatief «1 Overheid» en de gemeente Amsterdam. Onder leiding van deze gemeente is een drietal projecten opgestart om fraude te bestrijden: BRP-fraude, risicoadressen en faillissementsfraude. Ook wordt er samengewerkt tussen het Combinatieteam aanpak facilitators (CAF) van de Belastingdienst en de IND om gefingeerde dienstbetrekkingen in het kader van gezinsherenigingen aan te pakken.

Naast deze specifieke initiatieven en samenwerkingsverbanden is het kabinet van mening dat er meer mogelijk moet zijn om fraude te bestrijden. Daarom is de Ministeriële Commissie Fraudebestrijding ingesteld om de rijksbrede aanpak van fraude op een hoger plan te brengen. De Minister van Veiligheid en Justitie coördineert deze rijksbrede aanpak. De Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 20 december 2013.7 Zoals in de brief is aangegeven zijn er verschillende onderwerpen die worden opgepakt en moeten leiden tot een stevige fraudeaanpak. De verschillende departementen en betrokken uitvoeringsorganisaties werken nauw samen in verschillende deelprojecten. In de Ministeriële Commissie Fraudebestrijding wordt de aanpak van departementoverstijgende fraudeonderwerpen besproken en de voortgang ervan bewaakt. In het debat met uw Kamer van 15 mei 2014 over de rijksbrede aanpak van fraude heeft de Minister van Veiligheid en Justitie aangegeven dat het kabinet jaarlijks zal rapporteren over de voortgang van deze aanpak. De eerste rapportage in dit verband zal uw Kamer voor het einde van dit jaar ontvangen.

Samenwerking met buitenlandse belastingdiensten

De Belastingdienst, Douane en de FIOD werken op diverse wijzen samen met belastingdiensten van andere landen. Zo wordt in internationale controles of (bij betrokkenheid van meer dan twee landen) multilaterale controles gezamenlijk opgetrokken op het terrein van directe belastingen, omzetbelasting en accijns. Deze internationale controleactiviteiten vinden veelal plaats met andere EU-lidstaten. Zeer intensieve samenwerking is er onder andere op terrein van de inlichtingenuitwisselingen tussen de belastingdiensten van Nederland, België en Duitsland. Met beide landen zijn afspraken gemaakt over directe grensoverschrijdende samenwerking tussen belastingkantoren aan beide zijden van de grens. Met de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Beieren loopt er momenteel een pilot rond de belastingaangifte van een aantal grote ondernemingen.

De Douane opereert in wereldwijde samenwerking met andere douanediensten. Daarbij gaat het om samenwerking op het terrein van de inlichtingenuitwisseling en de controle ten behoeve van de heffing en invordering van belastingen en douanerechten, het douanetoezicht en controle van goederen.

Een van de bijzondere aandachtsgebieden van de internationale samenwerking van de FIOD en de Belastingdienst is de aanpak van BTW-carrouselfraude. Op grond van de EU-verordening 904/2010 wisselt de FIOD namens Nederland inlichtingen uit met andere belastingdiensten over mogelijke BTW-carrouselfraudezaken. Eens in de drie maanden is er overleg met België en Luxemburg. Hier worden best practices uitgewisseld en afspraken gemaakt over uit te wisselen data. In EU- verband is Eurofisc het platform waarlangs lidstaten fraudesignalen, nieuwe trends en fenomenen over btw-carrouselfraude uitwisselen. Daarnaast wordt er door de FIOD en de Belastingdienst deelgenomen aan verschillende werkgroepen onder de noemer EU Forum, waarin onder andere wordt gekeken naar de samenwerking tussen bedrijfsleven en Belastingdiensten voor de bestrijding van de fraude.

In het kader van de aanpak van onbekend buitenlands vermogen is er eveneens contact met buitenlandse belastingdiensten. Via het Central Liaison Office (CLO) van de Belastingdienst in Almelo worden informatie en invorderingsverzoeken van de Belastingdienst en Belastingdienst/Toeslagen aan buitenlandse overheidsinstanties gedaan.

Verzoek Vluchtelingenwerk

In het algemeen overleg vroeg het lid Merkies aandacht voor de brief van de Stichting Vluchtelingenwerk Nederland. De stichting geeft aan dat vluchtelingen hinder ondervinden van de anti-fraudemaatregelen als zij een toeslag aanvragen. Ondanks dat vluchtelingen worden onderzocht door de IND zullen zij veelal onbekend zijn voor de Belastingdienst, waardoor zij geen voorschot krijgen. Om toch in aanmerking te komen voor een voorschot moeten zij naar een van de balies van de Belastingdienst toe. Daar blijkt dan dat de vluchteling inderdaad recht heeft op een toeslag. In mijn brief van 24 april 2014 aan de stichting heb ik aangegeven dat wordt onderzocht welke mogelijkheden er binnen de wet zijn om dit probleem op te lossen. Een afschrift van deze brief heb ik ook aan uw Kamer gezonden.

Inmiddels zijn er door de diverse regio’s van de stichting Vluchtelingenwerk dossiers voor analyse aangeleverd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er vindt momenteel overleg plaats tussen de Belastingdienst/Toeslagen en de Stichting Vluchtelingenwerk Nederland over mogelijke oplossingen. Ik zal uw Kamer daarover in de volgende halfjaarsrapportage informeren.

Terugvorderen toeslagen

Het lid Nijboer heeft gevraagd om een schriftelijke reactie op zijn motie waarin wordt verzocht om de toekenning van toeslagen zo vorm te geven dat het aantal terugbetalingen substantieel wordt verminderd.8

In het algemeen kan worden gezegd dat op termijn terugvorderingen kunnen verminderen, omdat de Belastingdienst/Toeslagen steeds meer in de actualiteit werkt. Zo worden wijzigingen in huishoudsamenstellingen sneller verwerkt in vergelijking met de oude toeslagensystemen. Daarnaast worden voorschotten gestopt die worden verstrekt aan burgers die twee jaar achter elkaar de gehele toeslag moeten terugbetalen. Burgers die een groot deel moeten terugbetalen, worden via een brief erop geattendeerd dat zij hun toeslag moeten wijzigen. Doen zij dit niet, dan kunnen zij het jaar daarop een boete krijgen. Bij de aanpak van deze slechte schatters wordt, naast de gegevens die de Belastingdienst zelf heeft, ook gebruik gemaakt van de gegevens in de polisadministratie van het lopende jaar.

Dit laat onverlet dat er nog andere mogelijkheden zijn. Er zijn bij andere overheidsinstanties gegevens bekend die gebruikt kunnen worden om de voorschotten nauwkeuriger vast te stellen. Zo kunnen terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag worden voorkomen als duidelijk is dat een kind naar de basisschool gaat. Ouders vergeten in die gevallen nog wel eens de kinderopvangtoeslag om te zetten van dagopvang naar buitenschoolse opvang. Dit kan tot aanzienlijke terugvorderingen leiden, terwijl er normaal gesproken geen opzet in het spel is. De mogelijkheden worden onderzocht om door middel van gegevensuitwisseling tussen diverse overheidsinstanties tot een verdere vermindering van terugvorderingen te komen.

Verder onderzoekt de Belastingdienst, zoals al eerder aan uw Kamer is gemeld, hoe de polisadministratie kan worden ingezet om burgers te helpen bij het beter schatten van hun inkomen. Deze verkenning is nog niet afgerond. De suggestie van de heer Nijboer tijdens het algemeen overleg om ook bij andere organisaties te rade te gaan die te maken hebben met schattingen door burgers zoals energiebedrijven, zal worden onderzocht. De voorbereiding en aanpak daarvan vragen echter de nodige tijd. Uitwerking daarvan zal daarom niet in de eerst genoemde verkenning kunnen worden opgenomen.

Ten slotte wil ik opmerken dat terugvorderingen inherent zijn en blijven in een systematiek waarbij burgers zelf, vooraf, de grondslagen moeten schatten. Het is steeds de inzet van de Belastingdienst om, daar waar het kan, het aantal en het bedrag aan terugvorderingen zoveel mogelijk te verminderen.

Partnerbegrip kinderopvangtoeslag

De heer Omtzigt heeft gevraagd of de Belastingdienst aanvragers van kinderopvangtoeslag heeft geïnformeerd over de recente wetswijziging ten aanzien van ouders die bij hen inwonen.

De informatie in de communicatiekanalen van de Belastingdienst/Toeslagen (website, BelastingTelefoon, intermediaire partijen) over de voorwaarden voor het aanvragen van een kinderopvangtoeslag is naar aanleiding van de recente wetswijziging inzake inwonende ouders (wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2014, verder: OFM 2014) aangepast voor zowel de toeslagjaren 2013 als 2014.9

Indien er in 2013 sprake was van een voorschot kinderopvangtoeslag en een inwonende ouder, is de belanghebbende in het voorjaar 2013 persoonlijk per brief er op gewezen dat als gevolg van de uitbreiding van het partnerbegrip de inwonende ouder geldt als toeslagpartner en dat als gevolg daarvan diens inkomen mee gaat tellen voor de bepaling van de draagkracht van het huishouden. Deze voorschotten zijn echter in 2013 niet stopgezet of gewijzigd door Belastingdienst/Toeslagen in geval de inwonende ouder geen arbeid verrichtte. Bij het definitief toekennen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 toetst de Belastingdienst/Toeslagen of de belanghebbende en de toeslagpartner arbeid verrichten. Dan zal ook rekening worden gehouden met de uitzondering op het criterium arbeid zoals opgenomen in de wetswijziging OFM 2014.

De groep burgers die in 2013 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en als gevolg van de wetswijziging OFM 2014 alsnog in aanmerking komt voor deze toeslag, kent de Belastingdienst niet. De betrokkenen kunnen echter een kinderopvangtoeslag aanvragen tot 1 september 2014.

BTW op isolatiematerialen

De heer Koolmees heeft verzocht of alsnog een overgangsregeling kan worden getroffen voor de btw-afdracht over isolatiematerialen voor bedrijven die isolatiewerkzaamheden uitvoeren op basis van offertes die voor 1 januari 2014 zijn geaccepteerd waarin nog is uitgegaan van 6% in plaats van 21% btw op de isolatiematerialen. Over dit onderwerp wordt mede op verzoek van de stichting «Spaar het klimaat» eerst nog overlegd met de betrokken sector. Ik zal de besluitvorming over dit onderwerp in ieder geval zo spoedig mogelijk afronden zodat snel duidelijkheid kan worden geboden aan de betrokken ondernemers en klanten van deze ondernemers en uw Kamer nader informeren.

Buitenlandse kentekens

De heer Omtzigt heeft gevraagd naar het effect van het toezicht op buitenlandse kentekens. Voor de uitvoering is het project buitenlandse kentekens ingericht dat inmiddels volop aan de slag is. Het project kent drie onderdelen.

Ten eerste voorlichting. Mensen die zich vanaf 1 januari 2014 inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) krijgen van de Belastingdienst een brief met de vraag of ze een auto hebben meegenomen uit het buitenland. Over de maand januari 2014 zijn er 6.845 brieven verzonden. Inmiddels zijn er bijna 3.000 reacties ontvangen. Hiervan geeft ongeveer 10% aan dat ze een auto hebben meegenomen. De helft hiervan betreft Nederlanders die remigreren. De genoemde 10% ontvangt een informatiepakket voor het doen van aangifte. De brieven over de maand februari 2014 zijn half april verzonden. Brieven die onbestelbaar retour terugkomen, worden geregistreerd door de afdeling Klantregistratie van de Belastingdienst waardoor bijvoorbeeld toeslagen meteen worden stopgezet. Ook wordt dit teruggemeld aan gemeenten. Het proces wordt nauwgezet gevolgd. Daarbij viel onder meer op dat een substantieel aantal personen de auto al op een Nederlands kenteken heeft gezet. Met een viertal pilotgemeentes (Amsterdam, Rotterdam, Westland, Eindhoven) wordt op dit punt op het gebied van voorlichting samengewerkt.

Het tweede deel van het project betreft personen die zich al vóór 1 januari 2014 in de BRP (toen nog GBA) hebben ingeschreven. Deze zullen op vergelijkbare wijze als de eerste groep worden benaderd.

Onderdeel drie ziet op personen die hier wonen maar zich niet hebben ingeschreven. Dit is een lastig traceerbare groep. De Belastingdienst heeft samen met andere overheidsinstanties acties op touw gezet, waaronder de inzet van de zogenoemde ANPR-auto’s.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstuk 31 066, nr. 192

X Noot
2

Kamerstuk 17 050, nr. 465

X Noot
3

Dit kan vervolgens problemen opleveren voor bepaalde groepen. Zie hierna het verzoek van de Stichting Vluchtelingenwerk

X Noot
4

Kamerstuk 33 754, nr. 13

X Noot
5

Kamerstuk 33 754, nr. 14

X Noot
6

Kamerstuk 33 754, nr. 9

X Noot
7

Kamerstuk 17 050, nr. 450

X Noot
8

Kamerstuk 17 050, nr. 454

X Noot
9

Kamerstuk 33 753