Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 33750-XVI nr. 2

Gepubliceerd op 17 september 2013



33 750 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2014

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

Pagina

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

 

Beleidsagenda 2014

8

 

Belangrijke nieuwe beleidsmatige begrotingsmutaties

25

 

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

28

 

Beleidsartikelen

31

 

Artikel 1 Volksgezondheid

31

 

Artikel 2 Curatieve zorg

46

 

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

60

 

Artikel 4 Zorgbreed beleid

75

 

Artikel 5 Jeugd

87

 

Artikel 6 Sport en bewegen

97

 

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II

104

 

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

111

 

Niet-beleidsartikelen

116

 

Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

116

 

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

120

 

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

128

 

Begroting agentschappen

130

 

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

130

 

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

135

 

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

140

 

Almata JeugdzorgPlus

144

 

JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst-Almata

148

     

2.

Financieel Beeld Zorg

153

     

3.

Bijlagen

268

 

ZBO’s en RWT’s

268

 

Verdiepingshoofdstuk Begroting

272

 

Moties en toezeggingen

282

 

Subsidies

311

 

Overzicht evaluaties

315

 

Parlementaire cijfers

319

 

Begrippenlijst

321

 

Lijst met afkortingen

326

 

Trefwoordenregister

330

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de JeugdzorgPlus-instellingen Almata en De Lindenhorst-Almata.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastenagentschappen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2014 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Beleidsagenda;

  • Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;

  • Begroting agentschappen;

  • Financieel Beeld Zorg;

  • Diverse bijlagen.

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel budgettaire gevolgen van beleid. Door de nieuwe indeling kunnen in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid in de (niet-)beleisartikelen geen gegevens per artikelonderdeel en financieel instrument worden opgenomen voor het jaar 2012.

Groeiparagraaf

De VWS-begroting is ten opzichte van vorig jaar op een aantal punten gewijzigd, namelijk:

  • Achter de beleidsagenda is een meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen voor de periode 2012–2018. Hiermee wordt voldaan aan de toezegging om dit jaar een volledig dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen te presenteren.

  • De apparaatsuitgaven van de inspecties, adviesraden en het SCP zijn uitgesplitst in overeenstemming met de Rijksbegrotingsvoorschriften.

  • In het Financieel Beeld Zorg is een aantal verbeteringen doorgevoerd. Dit naar aanleiding van opmerkingen van Kamerleden en de Algemene Rekenkamer.

Invulling motie-Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw (TK 21 501-20, nr. 537) ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor VWS betreft het de volgende aanbeveling: «De geplande hervorming van de langdurige zorg uit te voeren om de kosteneffectiviteit ervan te waarborgen, en deze hervorming, met het oog op de houdbaarheid van het stelsel, aan te vullen met verdere maatregelen ter beteugeling van de kostenstijging».

In de beleidsagenda wordt in hoofdstuk 4 in gegaan op de noodzaak tot hervormen in de langdurige zorg en de maatregelen die daartoe worden getroffen.

Beleidsartikelen

Tabel rol en verantwoordelijkheden

Welke rol speelt de Minister bij het bereiken van het doel? Hier wordt aangegeven waar de Minister verantwoordelijk voor is, wat de belangrijkste instrumenten zijn en welke wet- en regelgeving van toepassing is. Voor de keuze van de rol van de Minister zijn vier typologieën van toepassing. Het gaat om stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren. Aangezien het gaat om typologieën sluit de rol van de Minister in veel gevallen niet geheel één op één aan bij een van de beschreven rollen; de meest van toepassing zijnde rol is bepaald en omschreven.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bij de budgettaire gevolgen van beleid worden per beleidsartikel de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten in één tabel gepresenteerd.

Het verschil tussen totale programma-uitgaven en de juridisch verplichte programma-uitgaven geeft de mate aan waarin de programma-uitgaven nog niet juridisch verplicht zijn. Dit vormt een indicatie voor de mate van de budgetflexibiliteit: de ruimte die budgettair technisch bezien beschikbaar is voor een alternatieve besteding. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de beleidsartikelen is door middel van een percentage aangeven hoeveel procent van de programma-uitgaven juridisch verplicht is. Onder deze tabel is vervolgens per financieel instrument toegelicht welk percentage juridisch verplicht is op 1 januari 2014 en waaruit de juridisch verplichte uitgaven bestaan.

Verschil Budgettair Kader Zorg en de begroting van VWS

Inleiding

In de voorliggende begroting zijn, naast de begrotingsuitgaven van het Ministerie van VWS, ook de collectief gefinancierde zorguitgaven opgenomen. Hieronder wordt het onderscheid tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven toegelicht en wordt de relatie tussen het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en de begroting van VWS verduidelijkt.

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) is een overzicht opgenomen van alle uitgaven die behoren tot het BKZ. Hierin wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de uitgaven behorend tot het BKZ.

Overzicht 1 geeft inzicht in de bruto-BKZ-uitgaven onderverdeeld naar financieringsbron.

Overzicht 1: Bruto-BKZ-uitgaven naar financieringsbron

Overzicht 1: Bruto-BKZ-uitgaven naar 				  financieringsbron

Het Budgettair Kader Zorg (BKZ)

Bij het aantreden van het kabinet worden de uitgavenplafonds vastgesteld. Het Budgettair Kader Zorg is het uitgavenplafond waarin de maximale zorguitgaven zijn vastgelegd, die jaarlijks gedurende de kabinetsperiode mogen worden gedaan. Om de uitgavenkaders mee te laten stijgen met het prijspeil in de rest van de economie worden ze aangepast aan de prijsontwikkelingen van de nationale bestedingen (pNB).

De BKZ-uitgaven bestaan uit de zorguitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Een deel van de begrotingsuitgaven wordt ook toegerekend aan het BKZ. Tot deze categorie hoort een deel van de uitgaven aan de zorgopleidingen, de uitgaven van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord. Verder vallen onder de BKZ-uitgaven middelen die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verder zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën.

Het verplicht eigen risico en de eigen bijdragen worden samen gerekend als niet-belastingontvangsten. De bruto-BKZ-uitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-BKZ-uitgaven. Het Budgettair Kader Zorg is het kader voor de netto-BKZ-uitgaven.

Begroting VWS

De VWS-begroting bevat uitgaven voor onder meer preventie, jeugdzorg en sport. Ook uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening, komen rechtstreeks ten laste van de begroting. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Deze uitgaven worden gerekend tot de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng).

Tabel 1 geeft een overzicht van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten uitgesplitst naar financieringsbron en vindplaats.

Tabel 1 Samenstelling van de bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)

Omschrijving

2014

Vindplaats

Artikel

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2014

72,9

   

Premiegefinancierd

70,7

   

waarvan AWBZ

28,1

FBZ

 

waarvan Zvw

42,6

FBZ

 

Begrotingsgefinancierd

2,2

   

waarvan Wmo

1,7

gemeentefonds/BZK

 

waarvan Zorgopleidingen

0,1

Begroting VWS

4

waarvan Wtcg

0,4

Begroting VWS

4

waarvan zorg Caribisch Nederland

0,1

Begroting VWS

8

waarvan Loon- en prijsbijstelling

0,0

Aanvullende Post 80/81

 

BKZ-ontvangsten standontwerpbegroting 2014

5,1

   

waarvan Eigen bijdrage Zvw

3,1

FBZ

 

waarvan Eigen bijdrage AWBZ

1,9

FBZ

 

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2014

67,8

   

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over de financieringslasten Zvw en AWBZ.

* Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal

Overzicht 2: Bruto-BKZ-uitgaven naar fianncieringsbron

Overzicht 2: Bruto-BKZ-uitgaven naar 				  fianncieringsbron

Overzicht 2 toont eveneens de bruto-BKZ uitgaven naar financieringsbron, maar dan als aandeel in de totale BKZ-uitgaven.

BELEIDSAGENDA 2014

1. Inleiding

Het gaat goed met de volksgezondheid. We worden ouder en kunnen langer werken en participeren in de samenleving. De gezondheidszorg is de afgelopen jaren productiever geworden, waardoor meer zorg voor dezelfde euro premie wordt geleverd. De Nederlandse gezondheidszorg behoort, zeker als het gaat om brede toegankelijkheid en kwaliteit, nog altijd tot de beste van Europa. Met veel betrokkenheid, inzet en liefde verlenen artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, familieleden en vrijwilligers zorg en ondersteuning. Hier zijn we trots op.

Tegelijkertijd staat ons land voor grote uitdagingen in de zorg. Onze verworvenheden zijn, zonder structurele aanpassing, niet langer vanzelfsprekend. De zorgvraag verandert. We leven bijvoorbeeld langer met chronische ziekten, waaraan we vroeger dood gingen. De forse stijging van de zorguitgaven zet de solidariteit, de basis van een goed functionerend stelsel, onder druk. Zeker tegen de achtergrond van de aanhoudende economische crisis en de verslechterende toestand van de overheidsfinanciën. Misstanden, zoals ondoelmatig besteed zorggeld, fraude en vermijdbare medische fouten, ondermijnen de zorg – en daarmee de goed functionerende professionals en instellingen.

Het kabinet heeft de ambitie en de plicht om de zorg kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Nu en in de toekomst. Daarover zijn stevige afspraken vastgelegd in het regeerakkoord. De in 2013 gesloten zorgafspraken met sociale partners en veldpartijen, de Hervormingsagenda Langdurige Zorg (HLZ) en de nieuwe akkoorden die we gaan sluiten in de curatieve zorg – een aanpassing en verdere verdieping van de eerder gesloten hoofdlijnenakkoorden die inmiddels hun vruchten afwerpen – geven richting en invulling aan de verdere uitwerking van de strategische VWS-agenda («Van systemen naar mensen») uit begin 2013.

Voor de thema’s fraude, verspilling en patiëntveiligheid zijn slagvaardige taskforces ingesteld. Om de aanpak van deze thema’s tot een succes te maken is het belangrijk dat veldpartijen betrokken zijn en meedenken. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het zorgveld eerder dit jaar in het televisieprogramma Buitenhof opgeroepen om vóór 1 september 2013 suggesties aan te dragen voor besparingen op het verzekerde pakket. Dat heeft tot nu toe goede gesprekken opgeleverd en ruim 2.000 reacties van burgers, branches, koepels en beroepsverenigingen. Inmiddels is ook het meldpunt verspilling van start gegaan. Dat heeft alleen in de eerste paar maanden al zo’n 17.000 reacties opgeleverd. Wij zijn blij met deze grote betrokkenheid van de maatschappij. Het verbeteren van de betaalbaarheid van de zorg gaat ons immers allemaal aan.

De eerste oogst van de oproep in Buitenhof en het overleg met veldpartijen maken duidelijk dat de bezuiniging op het pakket nu beter op alternatieve wijze kan worden ingevuld dan met de eerder voorgestelde inperking van het pakket aan de hand van lage ziektelastaandoeningen. In de hoofdlijnenakkoorden die door het kabinet gesloten gaan worden, is daarom afgesproken deze beperking van € 1,2 miljard terug te draaien. Met ziekenhuizen, medisch specialisten, huisartsen, de ggz en patiëntenorganisaties is overeengekomen de zorguitgaven langs andere lijnen terug te dringen, onder andere door actief te sturen op kwaliteit en doelmatigheid van de zorg, selectieve inkoop en het tegengaan van fraude, verspilling en onnodige bureaucratie. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over gepaste zorg, door aanscherping van richtlijnen en protocollen. De taakstelling op stringent pakketbeheer (van structureel € 300 miljoen) blijft overeind.

Ten slotte zijn in de akkoorden maatregelen afgesproken om meer dan nu zorg op de juiste plek te verlenen. De zorg zal in de toekomst zo veel mogelijk dicht bij patiënten worden gegeven.

Een sterke, geïntegreerde eerstelijnszorg vormt de spil van een toekomstbestendige gezondheidszorg. Huisartsen krijgen een nog grotere rol. Bovendien zullen streekziekenhuizen, maar ook nieuwe eerstelijnscentra en anderhalvelijnscentra zich richten op de basiszorg en de medisch-specialistische chronische zorg. Om de kwaliteit te verbeteren, wordt de complexe en acute zorg uiteindelijk in minder ziekenhuizen geconcentreerd. We streven naar substitutie van medisch-specialistische zorg naar huisartsenzorg, en van huisartsenzorg naar zelfzorg. De toepassing van ICT en e-health speelt daarbij een belangrijke rol.

Veel winst is verder te behalen met gezondheidsbevordering, het voorkomen van chronische aandoeningen als gevolg van een ongezonde leefstijl en gezonder leven met een chronische aandoening. Tegelijkertijd houden we scherp aandacht voor gezondheidsbedreigingen, zoals de gevaren van antibioticaresistentie.

Waar de curatieve zorg midden in een overgangssituatie zit, die door de hoofdlijnenakkoorden versneld wordt doorgevoerd, staat de ondersteuning en langdurige zorg aan het begin van een nieuwe koers. Ook hier staan cliëntgerichtheid en menselijke maat centraal. Als hulp en ondersteuning nodig zijn, moeten mensen zo goed mogelijk gebruik maken van het eigen sociale netwerk. Wie ook met steun van de omgeving niet meer zelfredzaam is, kan rekenen op zorg in een instelling. Voor hen blijft een «kern-AWBZ» bestaan.

Ouderen, chronisch zieken en gehandicapten hebben vaak met veel verschillende instanties en zorgverleners te maken. Nu meer mensen langer thuis blijven wonen, is het noodzakelijk dat schotten tussen de verschillende domeinen verdwijnen. Betere samenwerking tussen zorgprofessionals, mantelzorgers, zorgverzekeraars, gemeenten en diensten is onmisbaar. Bij verandering van structuren en het leggen van verbindingen krijgen gemeenten een grote rol. Dat geldt ook voor de jeugdzorg die per 1 januari 2015 wordt ondergebracht bij gemeenten.

Alle maatregelen die worden genomen zijn cruciaal om de zorg duurzaam te financieren en de patiënt de beste kwaliteit en aandacht te kunnen geven. Daarnaast levert de zorg met al deze hervormingen een substantiële bijdrage aan het verbeteren van de overheidsfinanciën. Tegelijkertijd hebben ze grote impact. Draagvlak voor ingrijpende maatregelen – politiek en maatschappelijk – is niet vanzelfsprekend. Dit geldt in het bijzonder voor maatregelen die mensen direct voelen, zoals het beperken van de aanspraak op huishoudelijke verzorging. Veel mensen moeten zorg en ondersteuning – die in het verleden collectief werd betaald – nu voor eigen rekening nemen of een beroep doen op de omgeving.

Wij zijn ons ervan bewust dat maatregelen pijnlijk kunnen zijn en veel energie en aanpassing vragen. Er is gekeken of verzachtingen van eerder afgesproken maatregelen mogelijk en wenselijk waren. Dat kan het maatschappelijk draagvlak vergroten, werkgelegenheid bevorderen of procesinnovatie bewerkstelligen. Wij zijn dan ook zeer tevreden over de afspraken die voor 2014 en verder zijn gemaakt met werkgeversorganisaties en het gros van de werknemersorganisaties over verantwoorde hervormingen in de zorg. Zij hebben aangetoond verantwoordelijkheid te nemen om samen een duurzaam zorgstelsel te ontwikkelen.

Deze beleidsagenda geeft onze visie voor 2014 met een doorkijkje naar latere jaren. Sommige onderwerpen en thema’s worden hier niet of slechts kort behandeld, maar komen terug bij de relevante begrotingsartikelen. Dit sluit aan bij de vernieuwde begrotingsopzet: Verantwoord Begroten. Dit maakt op artikelniveau nog beter duidelijk waar het Ministerie van VWS zich sterk voor maakt. Deze beleidsagenda gaat achtereenvolgens in op (2) de VWS-brede thema’s, (3) de curatieve zorg, (4) de ondersteuning en langdurige zorg en (5) jeugdzorg. De afsluitende zesde paragraaf beschrijft het financieel beeld op hoofdlijnen.

2. VWS-brede thema’s

De grens tussen curatieve en langdurige zorg vervaagt. Vaker dan voorheen is een sectoroverstijgende aanpak noodzakelijk. De Minister en Staatssecretaris van VWS werken op die thema’s intensief samen. Zij werken ook aan een nauwe verbinding tussen preventie, curatieve zorg en ondersteuning en langdurige zorg.

Geld voor zorg besteden aan zorg

Om de solidariteit en het draagvlak te bewaken is het cruciaal dat premiegeld goed wordt besteed aan zinnige en zuinige zorg voor mensen die dat nodig hebben. Fraude in de zorg is onacceptabel en het kabinet pakt dit hard aan. In maart 2013 zijn hierover afspraken gemaakt. Het Ministerie van VWS werkt samen met partners als de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie (OM) aan het terugdringen van fraude in de zorg. Ook zal de NZa een onderzoek uitvoeren naar de omvang van fraude in de zorgsector en naar de zwakke plekken in het stelsel. Andere speerpunten richten zich op het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Zvw binnen het project PInCeT en de aanpak van fraude met het persoonsgebonden budget (pgb) in de AWBZ. In september 2013 komt het kabinet met een nieuw aanvalsplan om fraude in de zorg te voorkomen, beter op te sporen en harder aan te pakken. Voor 1 januari 2014 zal de inzet van de extra middelen die het kabinet voor fraudebestrijding beschikbaar heeft gesteld (€ 5 miljoen in 2014 en € 10 miljoen vanaf 2015) nader worden bepaald.

In mei 2013 is het programma Verspilling in de Zorg van start gegaan. Hierin werken overheid en veldpartijen samen. Belangrijk onderdeel van het programma is het meldpunt verspilling (www.verspillingindezorg.nl ). Hier worden meldingen geïnventariseerd van cliënten, patiënten, familieleden, mantelzorgers of zorgverleners. Het is de bedoeling dat alle betrokken partijen daar zo spoedig mogelijk mee aan de slag gaan. Jaarlijks wordt verslag gedaan aan de Tweede Kamer. De aanpak richt zich de komende periode op genees- en hulpmiddelen, de langdurige zorg, de geestelijke gezondheidszorg en de ziekenhuiszorg. In augustus 2013 zijn al ruim 17.000 meldingen binnengekomen. Veel daarvan bevatten concrete ideeën waar de themagroepen in 2014 mee aan de slag gaan.

Ook het terugdringen van administratieve lasten draagt bij aan een doelmatige en efficiënte inzet van zorgmiddelen. De lopende activiteiten om regeldruk te verminderen worden voortgezet en uitgebreid. Het kwaliteitsbeleid in de zorg kan flink verbeteren met een fikse opruiming van niet onderscheidende kwaliteitscriteria en kwaliteitseisen. Het Kwaliteitsinstituut in oprichting gaat zorgaanbieders doorlopend stimuleren om hier de bezem door te halen en indien nodig ook zelf hiervoor voorstellen doen. In de nieuwe hoofdlijnenakkoorden zijn afspraken met alle partijen gemaakt om nu echt werk te maken van het verbeteren van de kwaliteitsindicatoren in de curatieve zorg.

Voor de curatieve zorg ligt het komend jaar de nadruk op de standaardisatie van de eisen die op administratief gebied aan hen worden gesteld. De NZa moet hier een eerste slag in maken. Voor de langdurige zorg bezien we in samenspraak met instellingen en professionals waar regels afgeschaft of vereenvoudigd kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het experiment regelarme zorginstellingen, dat vanaf 2013 loopt. Op de werkvloer wordt maximaal twee jaar bekeken welke aanpak leidt tot lagere administratieve lasten. De eerste ervaringen laten zien dat de zorgaanbieders innovatieve en praktische manieren van zorgverlening ontwikkelen, die aansluiten op de leefwereld van cliënten en de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers. In de kern-AWBZ wordt bijvoorbeeld bespaard op administratieve lasten bij instellingen en zorgkantoren door het standaardiseren van de inkoopvoorwaarden. Er wordt vaker gewerkt met langdurige contracten en er is meer ruimte voor maatwerk. De komende periode zet VWS de deregulering krachtig door. Daarbij is ook een rol weggelegd voor het platform Informatievoorziening Zorg en Ondersteuning (IZO).

Patiëntveiligheid en kwaliteit

Het vergroten van de patiëntveiligheid en kwaliteit van zorg heeft prioriteit. De patiënt moet kunnen rekenen op goede en veilige zorg. Dat is ook in het belang van de zorgverlener.

De positie van de patiënt wordt verbeterd met de invoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze ligt inmiddels voor behandeling voor in de Eerste Kamer. De wet levert een waardevolle bijdrage aan de versterking van de positie van patiënten en het waarborgen van de kwaliteit van de zorg. Dan moeten zorgaanbieders binnen zes weken reageren op een klacht en zijn zij verplicht aangesloten bij een geschilleninstantie. Ook worden de meldplichten uitgebreid en wordt een «verklaring omtrent gedrag» verplicht voor medewerkers in de zorg. Goed bestuur kan eveneens bijdragen aan veiligheid en kwaliteit. Daarom wordt in een apart wetsvoorstel geregeld dat minimaal één bestuurslid er expliciet voor verantwoordelijk is. Nieuwe toetreders in de zorg moeten binnen vier weken na hun start door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) worden gecontroleerd. De wijze waarop zij veilige zorg van voldoende kwaliteit hebben georganiseerd, staat daarbij centraal ((TK 33 497, nr. 9).

Om de klachtenafhandeling in de zorg te professionaliseren wordt een Zorgloket ingericht. Daar kunnen mensen met klachten terecht voor begeleiding en ondersteuning. Bovendien moeten zorgaanbieders en fabrikanten er hun verplichte (calamiteiten)meldingen doen. Het loket deelt informatie met de IGZ, zodat deze gebruikt kan worden voor toezicht en handhaving. Jaarlijks publiceert het Zorgloket een klachtenoverzicht. Iedereen kan dan zien wat voor klachten en meldingen zijn gedaan en hoe de afhandeling daarvan verloopt. Het Zorgloket wordt in 2014 operationeel.

Het Kwaliteitsinstituut stimuleert de verdere verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg en zorgt dat iedereen toegang heeft tot betrouwbare en begrijpelijke informatie. Het is van het grootste belang dat onnodige en nietszeggende kwaliteitseisen en voorschriften worden opgeruimd. Momenteel werkt het Kwaliteitsinstituut aan een meerjarenagenda en aan een toetsingskader. Het wetsvoorstel (TK 33 243) dat zijn taken en bevoegdheden regelt, is door de Eerste Kamer in behandeling genomen. Na goedkeuring kan het Kwaliteitsinstituut officieel beginnen. Het instituut wordt onderdeel van het College voor Zorgverzekeringen, dat vanaf de inwerkingtreding van de wet Zorginstituut Nederland zal heten.

De IGZ speelt een belangrijke rol bij het toezicht op de gezondheidszorg. De versterking van de IGZ wordt met kracht voortgezet. Het kabinet maakt afspraken over verbetering van patiëntveiligheid inclusief de veilige toepassing en het gebruik van medische technologie en geneesmiddelen. Hier is nog veel veiligheidswinst te halen. Om de medicatieveiligheid te vergroten is het van belang dat betere uitwisseling en afstemming van de zorg tussen betrokken zorgverleners plaatsvindt en (behandel)richtlijnen beter worden nageleefd. Standaardisatie, normering en transparantie van onder andere sterftecijfers hebben prioriteit omdat deze cruciaal zijn bij het verbeteren van kwaliteit en veiligheid.

Voedselveiligheid en gezondheidsbescherming

Ook voedselveiligheid is een belangrijke taak van de overheid. Denk aan de bescherming van de consument tegen onveilige producten. De recente affaire met paardenvlees en andere incidenten met levensmiddelen laten zien dat voedselfraude gevolgen heeft voor het consumentenvertrouwen en mogelijk voor de volksgezondheid. Op initiatief van de Minister van VWS en de Staatssecretaris van Economische Zaken is met de vlees- en zuivelsector de Taskforce Voedselvertrouwen ingesteld. Het bedrijfsleven en de overheid hebben een actieplan opgesteld (TK 26 991, nr. 361). Het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige en betrouwbare producten. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit moet op haar beurt goed zijn toegerust om toezicht te houden.

In 2014 werken we aan de verdere invoering van aanpassingen op het gebied van infectiepreventie in de humane gezondheidszorg, goed gebruik van antibiotica in de humane gezondheidszorg, surveillance van Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) en de ontwikkeling van nieuwe antibiotica. Verder zetten wij ons in om samen met Economische Zaken, het gebruik van antibiotica in de veehouderij blijvend te verlagen.

Gezond opgroeien en ouder worden

Een gezonde leefstijl is primair een zaak van mensen zelf. De overheid kan hen daarbij ondersteunen met duidelijke voorlichting en door van de gezonde keus de gemakkelijke keus te maken.

In april 2013 is het «Nationaal Programma Preventie» (NPP) ingesteld (TK 32 793, nr. 70). Dit programma verbindt zorgverzekeraars, gemeenten, werkgevers, scholen, sportverenigingen, de voedingsindustrie, patiëntenverenigingen, gezondheidsfondsen en vele anderen. Samen hebben zij een belangrijke verantwoordelijkheid bij het voorkomen van en het beter leven met ziekte. Ook gezondheidsbescherming is onderdeel van het NPP.

Alcohol en tabak schaden de ontwikkeling en gezondheid van jongeren. De minimumleeftijd waarop aan jongeren alcohol verkocht mag worden, gaat van 16 naar 18 jaar. Onder de 18 jaar mogen jongeren ook geen drank in bezit hebben. Ook ligt er een voorstel in de Tweede Kamer om de minimumleeftijd voor verkoop van tabak te verhogen naar 18 jaar. De beoogde invoering van beide wetten is 1 januari 2014. Met een campagne worden ouders, jongeren, en de alcohol- en tabakverkopers voorgelicht over de nieuwe leeftijdgrens. Het uitgangspunt van de campagne is het veranderen van de sociale norm, namelijk dat je niet rookt of drinkt onder de 18 jaar.

Voor ouderen is het belangrijk dat de ingrijpende gevolgen van dementie en het aanzienlijke zorggebruik bij deze ziekte worden tegengegaan. Het kabinet draagt in de periode 2013–2016 ruim € 32 miljoen bij aan het Deltaplan Dementie. Het plan voorziet in onderzoek, registratie van mensen met dementie en een e-healthportal voor allen die betrokken zijn bij dementie. In het najaar van 2013 komt het kabinet met een brief over de toekomst van de dementiezorg, met daarin een brede visie op het thema.

Moet alles wat kan?

De vraag naar zinnige zorg («Moet alles wat kan?») doet zich op dit moment het duidelijkst voor bij zorg rond het levenseinde. In het licht van steeds grotere medische mogelijkheden is in elke fase van het leven behandelen vaak een vanzelfsprekendheid voor zowel arts als patiënt. Dit hoeft echter voor de kwaliteit van leven niet altijd het beste te zijn. Het kabinet zal dit onderwerp maatschappelijk agenderen en de maatschappelijke discussie erover de komende periode verder brengen.

Sport en Bewegen in de Buurt

Het is belangrijk dat mensen plezier in sport houden en dat ook anderen daarmee kennis maken. Door voldoende te sporten kan iedereen bijdragen aan zijn eigen gezondheid. Ook draagt sporten bij aan de sociale samenhang en daarmee aan veiligheid in buurten en wijken. Sinds 2012 loopt het programma «Sport en Bewegen in de Buurt». Er zijn inmiddels buurtsportcoaches aangesteld in 377 gemeenten. Verspreid over Nederland zijn in twee rondes een kleine 340 sportimpulsprojecten van start gegaan. Vanaf 2014 is er extra geld om kinderen van wie de ouders weinig inkomen hebben gericht te benaderen. Van belang is ook dat iedereen veilig en met plezier moet kunnen sporten zonder last te hebben van intimidatie of geweld. Naast het met kracht doorvoeren van het huidige actieplan «Naar een veiliger sportklimaat», wordt een aantal intensiveringen ingezet die dit actieplan verder versterken. Dit betreft maatregelen als sport en veiligheid op lokaal niveau, de aanpak van excessen, de rol van ouders, sportiviteit en respectvol gedrag op school, het aanpassen van spelregels en verenigingsregels, de inzet van rolmodellen en het strikter optreden tegen agressie.

Verbetering financiële informatievoorziening

Om een goede werking van het zorgstelsel te garanderen is accurate informatie van groot belang. Zorgverzekeraars, zorgaanbieders, patiënten en de overheid hebben allemaal behoefte aan tijdige en volledige informatie. Sinds november 2012 is daarom de stuurgroep Verbetering Informatievoorziening Zorguitgaven actief. De stuurgroep zal periodiek voorstellen doen voor het versnellen van de informatievoorziening, voor het monitoren ervan en voor het verbeteren van de verklarende informatie. Eind 2014 moeten de eerste maatregelen van kracht zijn (TK 29 248, nr. 254).

Versterking kennis- en adviesfunctie en andere VWS-brede projecten

Met de strategische kennisagenda laat VWS zien wat de belangrijkste trends en doelen zijn op het terrein van volksgezondheid, ondersteuning en zorg. Omdat het klassieke onderscheid tussen preventie, zorg en welzijn aan het vervagen is, moet de advisering hierop worden toegesneden.

Een compacte overheid vraagt om een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit. Daarom voegen we de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) samen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor, Participatie en Zorg. Deze samenvoeging is een eerste concrete uitwerking van het project «VWS als concern». Daarmee spelen we in op veranderende beleidsopgaven en de herziening van de verschillende zorgstelsels.

In 2014 komen wij met voorstellen over taakherschikking tussen publieke en private organisaties en/of tussen (semi)publieke organisaties onderling in het VWS-domein. Die kunnen ook leiden tot minder opdrachten voor deze organisaties op het gebied van kennis, advies, uitvoering en voorlichting. En we maken afspraken over een eenduidige bedrijfsvoering.

VWS blijft investeren in de kwaliteit van uitvoeringstaken en dienstverlening. Via het Programma Informatiehuishouding op Orde (PrIO) verkennen we de mogelijkheden om de kwaliteit en het gebruik (zo nodig verplicht) van zorgbrede definities en informatiestandaarden te verbeteren. Zo kunnen we beschikbare gegevens beter benutten.

3. Curatieve zorg

In de curatieve zorg zal slimmer organiseren de komende jaren zijn beslag krijgen: meer zorg dichtbij, complexe zorg meer geconcentreerd in gespecialiseerde centra. De toegang tot de aanspraken wordt aangescherpt. De dokter en de patiënt hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Substitutie van de medisch-specialistische zorg naar de huisartsenzorg en naar zelfzorg moet echt van de grond komen.

a. Versterken zelfredzaamheid en positie burger

Zelfredzaamheid en e-healthtoepassingen

Mensen zijn gezonder dan vroeger. Tegelijkertijd is er echter een trend waarbij mensen steeds sneller een beroep doen op het medisch circuit en daar ook steeds afhankelijker van worden. Die trend willen wij keren. Iedereen is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het bevorderen van zijn eigen gezondheid. Zelfredzaamheid moet meer een vanzelfsprekend uitgangspunt zijn. Mensen moeten de mogelijkheid krijgen de regie en verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen behandeling en zelf keuzes te maken. Het op veel grotere schaal en slimmer toepassen van ICT en e-health moet echt van de grond komen. Het helpt de zorg slimmer te organiseren met meer regie en vrijheid voor de patiënt, draagt bij aan het bestrijden van het dreigende personeelstekort en vermindert de kosten. Het kabinet draagt bij aan de ontwikkeling en het gebruik van (internationale) standaarden en de ontwikkeling van richtlijnen voor onderzoek naar de toepassing van e-health. Ook bieden we ruimte voor e-health in de bekostiging.

Kostenbewustzijn

Een beter inzicht in de kosten draagt bij aan zinnig en zuinig gebruik van zorg en het verhogen van kostenbewustzijn. Het stelt mensen ook in staat mogelijke onjuistheden te signaleren in de declaraties, het eigen risico en ingehouden eigen bijdragen. Daarom moeten mensen in de loop van 2014 een duidelijke zorgnota krijgen. Verder verloopt vanaf 2014 de terugkoppeling van zorgkosten aan de patiënt digitaal. Wij hebben met zorgaanbieders en branchepartijen afgesproken dat zij dit in 2013 en 2014 realiseren.

Kwaliteit en veiligheid

Met het Veiligheidsmanagementsysteem (VMS) kunnen ziekenhuizen continu risico’s signaleren, verbeteringen in de praktijk doorvoeren en beleid vastleggen, evalueren en aanpassen. VWS heeft de afgelopen jaren een programma gefinancierd om een VMS in alle ziekenhuizen te realiseren. Inmiddels hebben 81 van de 93 ziekenhuizen een gecertificeerd VMS. De IGZ zal handhavend optreden tegen ziekenhuizen die dat eind 2013 nog niet hebben. De IGZ betrekt de werking van het VMS bij haar toezichtactiviteiten.

Incidenten met medische hulpmiddelen, zoals PIP-borstimplantaten, hebben geleid tot onder meer een actieplan van de Europese Commissie om op basis van de bestaande wetgeving maatregelen te nemen om dergelijke incidenten zo veel mogelijk te voorkomen. Nederland heeft in het verlengde hiervan besloten tot een implantaten-basisregister. De IGZ draagt in 2014 ook actief bij aan nieuwe en verscherpte regelgeving voor medische hulpmiddelen en in-vitro diagnostica in Europa.

In het najaar van 2013 komen wij met een actieplan voor de cosmetische sector, waarin verschillende maatregelen zijn opgenomen om de risico's in deze sector drastisch te verkleinen. In de afgelopen periode is daartoe een wettelijke analyse uitgevoerd. Daarnaast hebben wij een aanvullend onderzoek naar de belangrijkste cosmetische ingrepen en dienstverleners laten uitvoeren. De uitkomsten van beide onderzoeken vormen de basis voor het actieplan en de maatregelen die daarin worden voorgesteld.

De strijd tegen vervalste geneesmiddelen en andere medische producten is gericht op het voorkomen van gezondheidsschade. Dit gebeurt aan de hand van vier thema’s: bewustwording; het bewaken van de kwaliteit en signalering; omvang en schade; en toezicht en opsporing. In 2014 wordt de richtlijn vervalsingen in de geneesmiddelenwetgeving verder uitgewerkt.

b. Slimmer en beter organiseren van curatieve zorg

Hoofdlijnenakkoorden

In de afgelopen jaren zijn hoofdlijnenakkoorden gesloten voor de medisch specialistische zorg (ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra en medisch-specialisten), huisartsenzorg en geestelijke gezondheidszorg. Deze akkoorden dragen bij aan de beheersbaarheid en inhoudelijke verbetering van het zorgstelsel. Er is veel commitment om de beoogde doelstellingen te realiseren. De uitvoering van de akkoorden is voortvarend ter hand genomen. De eerste successen zijn zichtbaar: kwaliteit speelt een nadrukkelijker rol in de onderhandelingen en zorgaanbieders en verzekeraars onderhandelen stevig met elkaar over prijzen.

In de nieuwe akkoorden die afgesloten gaan worden is afgesproken dat het groeipercentage van de zorguitgaven verder wordt teruggebracht naar 1,5 procent in 2014 en 1 procent per jaar van 2015 tot en met 2017. Voor huisartsen geldt dat ze daarbovenop 1 procent in 2014 en 1,5 procent in 2015–2017 krijgen als zij aantoonbaar zorg uit de tweede lijn opvangen en voorkomen dat mensen naar de duurdere tweede lijn worden doorverwezen. Met de huisartsen is eveneens overeengekomen dat hun bekostiging per 2015 wordt aangepast. Deze zal dan beter aansluiten bij de gezamenlijke ambities: meer zorg in de buurt. Daarbij werken diverse partijen (ggz, wijkverpleegkundigen, huisartsen en gemeenten) nauwer samen. Ook zal de bekostigingssystematiek gebruik maken van populatiegebonden kenmerken en komt er ruimte voor het belonen van (gezondheids)uitkomsten.

Om de uitgavengroei te verlagen, neemt de zorgsector extra maatregelen om de doelmatigheid en de kwaliteit te verbeteren: meer zorg van de medisch-specialisten naar de huisarts, en van de huisarts naar zelfzorg. Complexe zorg wordt geconcentreerd. Medische richtlijnen en zorgstandaarden worden strakker toegepast, opdat wordt behandeld naar de maatstaven van de medische sector zelf.

De zorgpolis wordt transparant: voor de verzekerde wordt tijdig duidelijk welke zorgaanbieder wél en welke níet is gecontracteerd, evenals hoeveel een verzekerde vergoed krijgt als hij naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat (aanscherping artikel 13 Zorgverzekeringswet). Tegelijkertijd maakt de zorgverzekeraar het inkoopproces inzichtelijk, zodat de zorgaanbieder weet waar hij aan toe is.

Investeren in arbeidsmarkt en zorgpersoneel

In het voorjaar van 2013 sloten we met werkgevers en werknemers het «Zorgakkoord». Met de structurele middelen die daaruit beschikbaar komen, wordt in de curatieve zorg geïnvesteerd in verbetering van de arbeidsmarktpositie van zorgpersoneel. Personeel op mbo-niveau krijgt een betere kans om door te stromen naar het hbo. Ook wordt ingezet op kwaliteitsverbetering, door scholing en bijscholing.

De wijkverpleegkundige is de onmisbare schakel in buurten en wijken. Sinds 2008 zijn er in het kader van het ZonMw-programma «Zichtbare Schakel» in 40 gemeenten ongeveer 350 wijkverpleegkundigen actief. Uit evaluaties blijkt dat de wijkverpleegkundige zorgt voor betere samenwerking tussen zorgverleners, tot minder opnames in ziekenhuizen en latere opname in verpleeghuizen. Vanaf 2015 komt € 200 miljoen extra ter beschikking om meer wijkverpleegkundigen aan te trekken. Ook wordt € 50 miljoen geïnvesteerd in het opzetten van sociale wijkteams, waardoor de noodzakelijke verbinding tussen zorg en welzijn gemaakt kan worden.

Organisatie en bekostiging spoedeisende hulp en huisartsenposten

Het naast elkaar bestaan van verschillend gefinancierde spoedeisende hulpposten (SEH's) en huisartsenposten (HAP's) werkt overbehandeling en verspilling in hand. Daarom wordt concentratie en specialisatie van SEH's voortgezet en worden zij geïntegreerd met de HAP's. Zorgverzekeraars spelen – in samenspraak met VWS – een actieve rol op dit terrein. Op basis van een inventarisatie van knelpunten die samenwerking tussen HAP en SEH bemoeilijken, wordt momenteel met de NZa gewerkt aan aanpassingen in de bekostiging van de HAP. Dit loopt vooruit op een mogelijke nieuwe bekostiging voor HAP en SEH. Om de integratie van SEH-zorg en HAP-zorg te bevorderen maakt VWS afspraken met de zorgverzekeraars.

Systeemverbetering

Verschillende voorstellen om het systeem beter te laten werken staan op stapel en liggen in de Tweede Kamer en Eerste Kamer (verbod verticale integratie, aanpassen artikel 13 Zorgverzekeringswet, winstuitkering medisch-specialistische zorg, continuïteit cruciale zorg, Kwaliteitsinstituut). Het kabinet is van mening dat deze voorstellen ons zorgstelsel verstevigen en betere zorg opleveren voor een betere prijs, met meer maatwerk voor patiënten. Hierdoor kunnen zorgaanbieders meer middelen aantrekken om innovaties door te voeren en krijgen verzekeraars meer ruimte consequenties te verbinden aan slecht presterende aanbieders.

Grensoverschrijdende zorg

De uitgaven aan grensoverschrijdende zorg zijn sterk gestegen, met bijna 50 procent tussen 2007 en 2011 (van € 413 miljoen tot € 611 miljoen). In het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) grensoverschrijdende zorg, dat in 2014 wordt afgerond, worden deze stijgende uitgaven tegen het licht gehouden. Het IBO doet voorstellen om de groei van deze uitgaven beter in lijn te brengen met de overige sectoren in de curatieve zorg. Daarin staat een beheerste groei van de Nederlandse zorguitgaven centraal, in lijn met de nieuwe Europese Richtlijn patiëntenrechten bij grensoverschrijdende zorg. Het risico bestaat dat in Nederland geboekte resultaten (deels) teniet worden gedaan door een toename van het zorggebruik in het buitenland. Hoewel het onderzoek zich concentreert op de grensoverschrijdende Zvw-zorg wordt ook een analyse gemaakt van de grensoverschrijdende AWBZ-zorg in relatie tot de hervorming langdurige zorg.

c. Zorgvuldig pakketbeheer en geneesmiddelenbeleid

Zorgvuldig pakketbeheer

Elk jaar komen er nieuwe – vaak duurdere – hoogtechnologische behandelingen en hulp- en geneesmiddelen in het verzekerde pakket. Ook wordt daar steeds meer gebruik van gemaakt. Er moet daarom heel goed worden gekeken naar wat collectief via de zorgverzekering betaald wordt en welke behandelingen mensen voor eigen rekening en risico kunnen nemen. In het voorjaar hebben wij het veld opgeroepen om met alternatieve pakketmaatregelen te komen. Ook burgers konden via betaalbarezorg@minvws.nl voorstellen doen.

Dankzij de breed gedragen hoofdlijnenakkoorden is de eerder in het regeerakkoord voorgenomen bezuiniging (€ 1,5 miljard) op het basispakket aangepast. Voor € 1,2 miljard blijven bepaalde aanspraken toch in het pakket. Afgesproken is dat artsen kritischer en selectiever zijn wanneer zij patiënten toegang verlenen tot verzekerde zorg. Ook de patiënt zelf speelt een belangrijke rol bij gepast zorggebruik. De concrete aanpak hiervan wordt in de komende maanden uitgewerkt. Mensen die het echt nodig hebben, houden natuurlijk toegang tot verzekerde zorg.

Het kabinet werkt aan stringent pakketbeheer voor de zorg. Dit moet leiden tot een versobering van het pakket. De totale ombuiging bedraagt circa € 300 miljoen, waarvan € 225 miljoen nog moet worden ingevuld. In de akkoorden die afgesloten gaan worden onderschrijven partijen, dat een continue, systematische doorlichting van het verzekerde pakket noodzakelijk is. Hierbij zal het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) alle pakketcriteria – noodzakelijkheid, (kosten)effectiviteit en uitvoerbaarheid – betrekken. In september 2013 volgt een analyse van de ideeën die zijn ingediend naar aanleiding van de «Buitenhofoproep». Deze suggesties worden betrokken bij de invulling van de bezuiniging op stringent pakketbeheer en bij de verdere uitwerking en invulling van de gesloten akkoorden.

De bij de akkoorden betrokken partijen hebben onderstreept dat het mogelijk moet zijn voor zorgverzekeraars om selectief in te kopen. Zorgverzekeraars moeten de mogelijkheid hebben bij niet-gecontracteerde zorg hun vergoeding af te stemmen op het kwaliteitsniveau dat zij ervaren. De zogeheten restitutiepolis blijft onderdeel uitmaken van het basispakket, mits het desbetreffende wetsvoorstel wordt aangenomen.

Geneesmiddelenbeleid

Dankzij het succesvolle beleid van de afgelopen jaren zijn de uitgaven aan geneesmiddelen fors gedaald. Het beleid bestaat uit een samenhangend geheel van maatregelen, onder andere het afsluiten van convenanten met het veld, het geven van de bevoegdheid tot het voeren van preferentiebeleid en vrij onderhandelbare tarieven voor apotheekhoudenden. Daarnaast voeren zorgverzekeraars een scherper inkoopbeleid. Dit beleid zetten wij de komende jaren voort. Tegen de achtergrond van de veranderende zorg moeten we tegelijkertijd blijven werken aan een toekomstbestendige, meer innovatieve en samenhangende farmaceutische zorg. Daarbij staat centraal dat de apotheker van de toekomst nauw samenwerkt met huisartsen en voorschrijvers in de tweedelijn, vooral chronische patiënten informeert, begeleidt en ondersteunt bij het beter gebruiken van hun geneesmiddelen en daarmee integraal onderdeel is van de zorgverlening in de eerste lijn. De komende periode zullen we benutten om deze ambitie met betrokken partijen verder vorm te geven, onder andere binnen een periodiek bestuurlijk overleg. Dit is overeenkomstig de aanbevelingen van de verkenners extramurale farmacie.

In 2014 beginnen we met het uitvoeren van financiële arrangementen bij vergoedingsbesluiten over dure en weesgeneesmiddelen. Tot die tijd worden de pilots met deze arrangementen voortgezet. Via een arrangement kunnen financiële risico's bij een vergoedingsbesluit worden verzacht en tegelijkertijd de verzekerde toegang worden gewaarborgd.

4. Langdurige zorg en ondersteuning

De langdurige zorg en ondersteuning worden hervormd. Dit komt ten goede aan de kwaliteit, vergroot de betrokkenheid van burgers en verbetert de betaalbaarheid van de zorg. 2014 is hierbij een overgangsjaar; vanaf 2015 krijgen verschillende hervormingen hun beslag 1.

De noodzaak tot hervormen

In de brief Hervorming langdurige zorg: naar een waardevolle toekomst (TK 30 597, nr. 296), heeft het kabinet zijn visie op de langdurige zorg en ondersteuning neergelegd. Het stelsel van de langdurige zorg en ondersteuning wordt herzien om de kwaliteit van zorg en ondersteuning te verbeteren. Relatief lichte zorgvragen worden nog te vaak behandeld vanuit een medisch perspectief. Ook worden mensen afhankelijk gemaakt van zorg, doordat professionals deze te vaak overnemen. Dit kan leiden tot medicalisering.

Verder is het van belang om de betrokkenheid in de samenleving te vergroten. Nederland is naar een situatie gegroeid waarbij hulp en ondersteuning wordt geboden, terwijl de (financiële) mogelijkheden van de mensen zelf of hun sociale omgeving onvoldoende worden benut. Tot slot is het van belang de ondersteuning en langdurige zorg te herzien om deze betaalbaar te houden. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) heeft sinds haar introductie een sterke groei doorgemaakt. De reële zorguitgaven stijgen sinds het begin van deze eeuw met circa 4,3 procent per jaar. Dit is bijna drie keer zo veel als de structurele economische groei. Door de voorgestelde hervormingen wordt een structurele verlaging van de groei bewerkstelligd.

Om deze omslag te kunnen maken, schrapt het kabinet onderdelen van de AWBZ, die vooral gericht zijn op ondersteuning en participatie. Gemeenten worden in staat gesteld hun burgers passend te ondersteunen. Gemeenten beslissen over goede voorzieningen die aansluiten bij de individuele behoeften van mensen. Dit maakt maatwerk mogelijk. Zorg gericht op genezing of behoud van lichamelijke en geestelijke functies, zoals verpleging, wordt verleend vanuit de Zvw. Om de samenhangende zorg vanuit de Zvw te versterken, komen onderdelen van de AWBZ die gericht zijn op behandeling en verpleging onder de Zvw. De meest kwetsbare mensen houden recht op een plaats in een zorginstelling die valt onder de kern-AWBZ.

Ten opzichte van het regeerakkoord zijn enkele maatregelen verzacht. Dagbesteding, persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp blijven beschikbaar in 2014 en de norm voor gebruikelijke zorg (de activiteiten die partners, ouders van kinderen of huisgenoten normaal gesproken geacht worden voor elkaar te doen) wordt in dat jaar niet verhoogd. De voorgenomen korting per 2015 op het budget voor huishoudelijke hulp van 75 procent wordt verlaagd naar 40 procent. Dit betekent dat de korting hiermee structureel met € 530 miljoen wordt verlaagd.

In 2014 wordt een groot deel van de maatregelen in de langdurige zorg in wetgeving opgenomen. Gemeenten spelen een belangrijke rol in die voorbereiding aangezien zij er een forse taak bij krijgen. Op verschillende manieren wordt in het overgangsjaar ondersteuning geboden om de partijen voor te bereiden.

Zeggenschap bij cliënt

Het kabinet streeft naar een grotere zeggenschap voor de cliënt. Voor zorg in natura betekent dit meer ondersteuning en zorg op maat. Zorgaanbieders, zorgkantoren en verzekeraars moeten samen goede afspraken maken die het belang van de cliënt en passende zorg voorop stellen.

Het persoonsgebondenbudget (pgb) is een waardevol instrument om regie te hebben over de eigen zorg en ondersteuning. Dit komt ten goede aan de kwaliteit van ondersteuning en zorg en leidt tot innovaties. Voor het pgb is in het nieuwe stelsel van de langdurige zorg en ondersteuning een belangrijke rol weggelegd. Er zal beter worden gekeken of een pgb een geschikt instrument is. De budgethouder moet in staat zijn voldoende regie uit te oefenen over de geboden zorg. Er moet sprake zijn van een goede kwaliteit. Tot slot moeten de zorg en ondersteuning goedkoper zijn dan zorg in natura. In het kader van de aanpak van fraude en oneigenlijk gebruik worden sinds 2013 onder meer nieuwe cliënten persoonlijk gezien door de indicatiesteller en het zorgkantoor en moet een budgetplan worden opgesteld. Het 10-uurs criterium wordt voor bestaande cliënten niet ingevoerd voor bestaande cliënten, waardoor in 2014 circa 40.000 budgethouders hun pgb behouden. Voro nieuwe cliënten blijft dit criterium wel van kracht.

Brede verantwoordelijkheid gemeenten

Gemeenten krijgen een belangrijke rol bij de ondersteuning van mensen in hun zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen. Dat geldt ook voor de burgers die nu nog zijn aangewezen op «beschermd wonen». Gemeenten krijgen de middelen en ruimte om te kunnen zorgen voor goede voorzieningen die passen bij de individuele behoeften en mogelijkheden van mensen. Voor degenen die geen regie meer kunnen voeren over hun eigen leven en bij wie permanent toezicht nodig is, blijft er een kern-AWBZ bestaan. Er worden wetsvoorstellen opgesteld die zowel de Wmo als de AWBZ moeten vervangen. Deze wetten treden per 1 januari 2015 in werking.

Langer zelfstandig blijven wonen

Ouderen willen en kunnen steeds langer thuis wonen. Het kabinetsbeleid sluit aan bij deze ontwikkeling. Gemeenten en zorgverzekeraars worden de komende periode verantwoordelijk voor onderdelen van de zorg en ondersteuning die nu nog vanuit de AWBZ-instellingen wordt geleverd. De huidige cliënten behouden hun recht op zorg in een instelling. Voor ouderen met een zware zorgbehoefte blijft instellingszorg beschikbaar in de kern-AWBZ. Dat geldt ook voor cliënten met een geestelijke of lichamelijke aandoening en een zware zorgbehoefte.

Arbeidsmarkt en werkgelegenheidseffecten

Werknemers in de ondersteuning en langdurige zorg zijn van grote waarde voor de kwaliteit ervan. De voorgenomen hervormingen veroorzaken onzekerheid bij deze werknemers. Het is van belang dat alle partijen zich tot het uiterste inspannen om gedwongen ontslagen te voorkomen. Maar banenverlies is niet helemaal uit te sluiten. Om de effecten van de hervormingen zo goed mogelijk te monitoren en waar mogelijk te verzachten wordt een arbeidsmarkteffectrapportage opgesteld. Mede aan de hand van deze effectrapportage wordt gekeken naar de werkgelegenheidseffecten en wordt een sectorplan zorg opgesteld. Zo willen we mensen die hun baan dreigen te verliezen via mobiliteit, omscholing, herscholing en bijscholing aan de slag houden.

Kwaliteit

De kwaliteit van de langdurige zorg wordt de komende periode verder vormgegeven. Omdat organisaties in de langdurige zorg te maken krijgen met andere eisen van de samenleving is het van belang dat deze organisaties goed begeleid worden. Daarom trekken we de komende jaren € 14 miljoen uit voor het programma «In voor zorg!». Dit programma helpt zorgorganisaties werkprocessen in te richten op de toekomst, bundelt bestaande kennis en biedt organisaties praktische ondersteuning bij veranderingen. Vakmanschap staat hierbij centraal en mag niet worden belemmerd door onnodige centrale regelgeving en/of decentrale interne beheersregels.

Middelen maatwerk / inkomensbeleid

Het kabinet schaft per 2014 de landelijke inkomensregelingen voor financiële compensatie voor chronisch zieken en gehandicapten af. Het gaat om de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de Compensatieregeling Eigen Risico (CER) en de fiscale regeling voor aftrek van specifieke zorgkosten en de daarmee samenhangende Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten (TSZ). Na een korting zal het budget van de bestaande regelingen worden overgeheveld naar het gemeentefonds. Het gaat om een bedrag van € 700 miljoen structureel vanaf 2017. Gemeenten kunnen maatwerk bieden door het compenseren van beperkingen met voorzieningen via de Wmo of het geven van directe inkomenssteun via de individuele bijzondere bijstand. De middelen zijn niet geoormerkt.

Daarnaast zal de eigen bijdrage AWBZ per 2014 worden verhoogd voor mensen in een instelling. In de Kamerbrief «Langdurige zorg: naar een waardevolle toekomst» is aangegeven dat is gekozen voor een beperktere verhoging van de hoge intramurale eigen bijdrage AWBZ dan was voorzien in het regeerakkoord. Daarbij zal de maatregel zo worden vormgegeven dat er niet alleen sprake is van verzachting van de maatregel, maar tevens van een vereenvoudiging. De vereenvoudiging is bedoeld om de berekening van de eigen bijdrage begrijpelijker te maken voor de cliënt en de eigen bijdrageregeling minder complex in de uitvoering is voor het CAK. Daarbij is rekening gehouden met de totale inkomenseffecten van een stapeling van maatregelen voor cliënten in een instelling die een eigen bijdrage betalen. In de stapelingsmonitor die in de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat, wordt de stapeling van maatregelen (inclusief die op het gebied van langdurige zorg) in beeld gebracht.

Informele zorg

Eén van de uitgangspunten van de hervorming van de langdurige zorg is dat van mensen mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen ondersteunen. In combinatie met de stijging van het aantal ouderen betekent dit dat van meer mensen zal worden gevraagd zich in te zetten voor hun naasten. Voorop staat dat mantelzorgers nergens toe verplicht worden en dat het beleid er niet op is gericht mantelzorgers (verplicht) in te zetten voor lijfsgebonden zorg.

In de afgelopen jaren heeft het kabinet ervoor gezorgd dat informele zorg beter in beeld kwam bij gemeenten, instellingen en professionals. Nu is het tijd om de positie van de informele zorgverlener binnen de ondersteuning en langdurige zorg beter vast te leggen. Het is de bedoeling dat gemeenten, instellingen en professionals geregeld kijken naar wat cliënten en hun sociale netwerk zelf aankunnen en welke formele zorg en ondersteuning in aanvulling daarop nodig is. Informele en formele zorg worden zo beter met elkaar verbonden. Hierdoor zal meer maatwerk worden geleverd en wordt een mogelijke overbelasting van mantelzorgers eerder in beeld gebracht. Gemeenten en aanbieders van zorg en welzijn moeten ook betere ondersteuning aan mantelzorgers bieden. Daarbij moet goed worden geluisterd naar de wensen en behoeften van mantelzorgers. Met de VNG en veldorganisaties werken wij aan een gezamenlijke agenda die zich richt op de speerpunten uit de Kamerbrief «Versterken, verlichten en verbinden». Deze agenda moet in het najaar van 2013 af zijn. Concrete acties voor 2014 zijn onder andere: het samen met de VNG aanpassen van de basisfuncties vrijwilligerswerk en mantelzorg aan de hervormingen langdurige zorg, het uitvoeren van een actieplan scholing voor zorg- en ondersteuningsprofessionals en het beschikbaar stellen van de toolkit mantelzorg voor de eerste- en tweedelijnszorg.

5. Jeugdzorg

Decentralisatie naar gemeenten

Op 1 januari 2015 wordt het nieuwe jeugdstelsel van kracht. Het «Transitieplan Jeugd» beschrijft de acties die nodig zijn voor een verantwoorde overgang naar het nieuwe stelsel. Daartoe werken het Rijk (en dan primair de Ministeries van V&J en VWS), de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) samen met zorgverzekeraars en veldpartijen (TK 31 839, nr. 290). Het voorstel voor de Jeugdwet is op 1 juli 2013 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Hoofddoel van de stelselwijziging Jeugd is het realiseren van een omslag in de ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en gezinnen. Kerndoelen zijn preventie en het uitgaan van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden, het voorkomen van onnodig medicijngebruik en het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen. Ook is het van belang eerder de juiste hulp op maat te bieden, om het beroep op dure gespecialiseerde hulp en justitiële maatregelen te verminderen of te voorkomen.

Uitgangspunt is «één gezin, één plan, één regisseur». Door ontschotting van budgetten komt behandelen, begeleiden en beschermen meer in één hand. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor betere samenwerking en innovaties in ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en gezinnen. Het is van belang professionals meer ruimte te geven om de juiste hulp te bieden en om regeldruk te verminderen.

Commissie-Samson

Het kabinet heeft op 21 december 2012 zijn reactie gegeven op de aanbevelingen van de commissie-Samson ten aanzien van seksueel misbruik in de jeugdzorg (TK 33 434, nr. 3). Het beleid richt zich enerzijds op de hulp aan de slachtoffers van in het verleden gepleegd seksueel misbruik. Anderzijds moeten we waarborgen scheppen om seksueel misbruik in de jeugdzorg in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen.

Professionalisering jeugdzorg

Eind april 2013 is vooruitlopend op de nieuwe Jeugdwet het wetsvoorstel «Professionalisering in de jeugdzorg» naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 31 839, nr. 288). Dit wetsvoorstel, dat naar verwachting op 1 januari 2014 ingaat, is een wijziging van de Wet op de Jeugdzorg en heeft als doel de kwaliteit van de jeugdzorg op een hoger plan te brengen. Instellingen zijn dan verplicht met geregistreerde jeugdprofessionals te werken. Om geregistreerd te blijven is bij- en nascholing een voorwaarde. Ook verbinden jeugdprofessionals zich aan ethische beroepsnormen en wordt het tuchtrecht ingevoerd.

6. Financieel beeld op hoofdlijnen

De afgelopen periode zijn flinke stappen gezet om te komen tot een robuust zorgstelsel, waarbij kwalitatief goede zorg wordt geleverd voor een betaalbare premie. Dit vertaalt zich in zorguitgaven die beter aansluiten bij de aan het begin van de kabinetsperiode vastgestelde uitgavenkaders. Onderstaande grafiek geeft een overzicht van de jaarlijkse bijstelling van de zorguitgaven 2.

Bijstelling zorguitgaven Zvw/AWBZ (t+1/in mld €)

Bijstelling zorguitgaven Zvw/AWBZ (t+1/in mld 						  €)

Uit de grafiek kan worden opgemaakt dat de afgelopen jaren sprake was van fors afnemende bijstellingen van de zorguitgaven. In 2010 was nog sprake van een opwaartse bijstelling van circa € 2,1 miljard. Over 2013 is sprake van een beperkte neerwaartse bijstelling met ruim € 0,2 miljard. Deze bijstelling wordt nader toegelicht in het Financieel Beeld Zorg elders in de VWS-begroting (zie actualisatiecijfers in het Financieel Beeld Zorg).

Verschillende structuurversterkende maatregelen in de curatieve en langdurige zorg hebben aan de uitgavenbeheersing bijgedragen. In 2006 is met de introductie van de Zvw de basis gelegd voor het huidige stelsel in de curatieve zorg. De afgelopen periode is hard gewerkt om met de afschaffing van de macronacalculatie en de doorontwikkeling van DOT (dbc’s op weg naar transparantie) het stelsel verder vorm te geven. Verder leveren de hoofdlijnenakkoorden en het preferentiebeleid bij geneesmiddelen een flinke bijdrage aan een beheerste ontwikkeling van de uitgaven. Het beleid lijkt inmiddels zijn vruchten af te werpen. Het is zaak dit de komende jaren verder vorm te geven en inhoudelijk te intensiveren.

Ook in de langdurige zorg is de afgelopen jaren gewerkt aan uitgavenbeheersing. Er zijn onder meer aangescherpte afspraken gemaakt over contractering tussen zorgkantoren en zorgaanbieders. De contracteerplicht is afgeschaft, waardoor meer gedifferentieerd kan worden met vergoedingen. De invoering van integrale tarieven zorgt er bovendien voor dat leegstand bij zorgaanbieders steeds minder wordt vergoed. Ook deze ontwikkelingen dragen bij aan een robuuster stelsel.

In het regeerakkoord en de met veldpartijen overeengekomen akkoorden (zorgakkoord, nieuwe hoofdlijnenakkoorden) zijn maatregelen getroffen om de zorguitgaven verder te beheersen en de groei nog verder af te vlakken. In de recente hoofdlijnenakkoorden is afgesproken om de volumegroei in de medisch-specialistische zorg en de curatieve ggz aanvullend met 1 procent te verlagen. Deze verlaging levert per saldo circa € 1,0 miljard op met name door het tegengaan van verspilling, fraude, onnodige bureaucratie en door het scherper duiden van aanspraken in de Zvw (gepast gebruik, minder praktijkvariatie). In de ondersteuning en langdurige zorg levert de hervormingsagenda langdurige zorg (HLZ) een wezenlijke bijdrage aan het beheersen van de zorguitgaven, onder meer door meer ondersteuning op gemeentelijk niveau in het sociale domein te verlenen en door een scherper afgebakende kern-AWBZ.

Het verplicht eigen risico in de Zvw wordt niet inkomensafhankelijk gemaakt. Bij de utiwerking van dit voornemen uit het regeerakkoord is duidelijk geworden dat het inkomensafhankelijk maken van het verplicht eigen risico te veel nadelen heeft. Zo zijn er afhankelijk van de uitvoeringsvariant vooral bezwaren rondom de privacy of zijn de uitvoeringskosten naar verhouding erg hoog. De zorgtoeslag wordt als gevolg van de afspraken uit het aanvullende bezuinigingspakket van € 6 miljard neerwaarts bijgesteld met € 320 miljoen door de standaardpremie vanaf 2014 te baseren op gemiddelde nominale premie inclusief collectieve contracten. De zorgtoeslag wordt daarnaast betrokken bij de vanaf 2015 gefaseerd in te voeren huishoudentoeslag.

BELANGRIJKE NIEUWE BELEIDSMATIGE BEGROTINGSMUTATIES
Opbouw uitgaven x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

15.711.317

15.806.204

16.107.957

16.925.773

17.917.899

17.917.899

Mutaties Nota van wijziging 2013

– 64.143

– 52.118

166.192

153.757

– 7.688

0

Mutaties amendementen 2013

0

0

0

0

0

0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2013

89.176

27.111

– 421.387

– 634.815

– 862.897

1.048.649

Nieuwe mutaties

52.646

– 964.050

– 540.078

– 1.093.458

– 1.142.563

– 1.904.798

Stand ontwerpbegroting 2014

15.788.996

14.817.147

15.312.684

15.351.257

15.904.751

17.061.750

Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel

Bijdrage aan agentschap NVWA. Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is amendement TK 33 400 XVI, nr. 47 aangenomen. Met dit amendement wordt de in 2013 voorgenomen korting op het budget NVWA niet doorgevoerd. Ter uitvoering van dit amendement is het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag van artikel 1 (Volksgezondheid) structureel verhoogd ten laste van de gereserveerde middelen voor de prijsbijstelling (artikel 11 Nominaal en onvoorzien).

0

4.200

4.200

4.200

4.200

4.200

1

               

Dit betreft de toevoeging van de middelen voor de uitvoeringskosten van het CVZ in het kader van stringent pakketbeheer.

0

10.000

15.000

15.000

15.000

15.000

2

               

Dit betreft toevoeging van middelen aan artikel 3 (Langdurige zorg en ondersteuning) ter dekking van een voorzien structureel tekort voor de uitvoering van de regeling mantelzorgcompliment voor de jaren 2014 en verder. De begrote bedragen zijn gebaseerd op een raming van de Sociale Verzekeringsbank bij een mantelzorgcompliment van € 200.

0

20.970

20.970

20.970

20.970

20.970

3

               

Dit betreft een overboeking van de premie naar de begroting voor de kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuizen. In het zorgakkoord zijn middelen gereserveerd voor een «kwaliteitsimpuls algemene en categorale ziekenhuizen». Met het oog op het hiervoor nog nader te ontwikkelen instrumentarium worden deze middelen naar het begrotingsgefinancierde deel van het BKZ overgeheveld.

0

48.000

134.000

140.000

145.000

151.000

4

               

Er worden middelen gereserveerd om de vaststelling van de uit het Fonds Ziekenhuisopleidingen (FZO) gefinancierde opleidingen te faciliteren. In verband met de overgang van het FZO van de VWS begroting naar de beschikbaarheidbijdrage binnen het BKZ en de daarmee samenhangende verandering in de systematiek (bekostiging per kalenderjaar in plaats van studiejaar) is geraamd dat er in 2014 € 20,0 miljoen aan nabetalingen zullen moeten worden verricht voor de in het najaar 2013 verleende subsidies binnen het begrotingskader. De financiering via de beschikbaarheidbijdrage start per 1 januari 2014.

– 20.000

20.000

0

0

0

0

4

               

Een aantal zorgopleidingen wordt met ingang van 2013 op basis van de Wmg gefinancierd via de beschikbaarheidbijdrage. Per 1 januari 2014 worden ook de tot het kalenderjaar 2014 via de subsidieregeling Ziekenhuisopleidingen gefinancierde opleidingen via de beschikbaarheidbijdrage gefinancierd. Daartoe wordt de bijbehorende budgetreeks, met uitzondering van een bedrag van € 20,0 miljoen dat in 2014 voor de afrekeningen over 2013 nodig is, overgeheveld van het begrotingsgefinancierde deel van het BKZ naar het premiegefinancierde deel.

0

– 146.954

– 150.288

– 150.509

– 150.613

– 154.762

4

               

Dit betreft een overboeking van de premie naar de begroting. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-Asscher zijn middelen gereserveerd ten behoeve van de kosten die gemaakt worden bij het aanpassen van de curricula van de medisch-specialistische vervolgopleidingen. De opleidingsduur wordt beperkt en de betrokken partijen worden zo in de gelegenheid gesteld zich hierop voor te bereiden.

0

5.000

3.000

2.000

0

0

4

               

Overboeking naar het gemeentefonds. Het betreft middelen voor de invoering van het nieuwe stelsel voor Jeugdzorg

0

– 7.775

0

0

0

0

5

               

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is de motie Ypma (TK 33 400-XVI, nr. 31) aangenomen. Deze motie roept de regering op om de loonbijstelling voor de jeugdzorg gelijk te trekken met de premiegefinancierde sectoren onder het ova-convenant. Dit betekent dat de begrotingsgefinancierde zorg voor wat betreft de jeugdzorgsector op een gelijke wijze wordt behandeld bij de vergoeding van de arbeidskostenmutatie als de premiegefinancierde zorg.

0

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

5

               

De uitwerking van de beleidsbrief Sport (TK 30 234, nr. 37) is in 2012 op verschillende terreinen ter hand genomen en zal in 2014 worden voortgezet, met in acht neming van de passage in het regeerakkoord Rutte-Asscher over de Olympische ambitie. In 2014 wordt op enkele dossiers een belangrijke stap gezet. Vanuit het regeerakkoord is € 5,0 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld voor de Sportimpuls, die in 2012 via ZonMw van start is gegaan.

0

5.000

5.000

5.250

5.250

5.000

6

               

De zorgtoeslag wordt als gevolg van de afspraken uit het aanvullend pakket neerwaarts bijgesteld met € 320,0 miljoen door de standaardpremie vanaf 2014 te baseren op gemiddelde nominale premie inclusief collectieve contracten.

0

– 320.000

– 320.000

– 320.000

– 320.000

– 320.000

8

               

Als gevolg van de gefaseerde invoering van de huishoudentoeslag vanaf 2015 wordt de bijdrage aan de zorgtoeslag in samenhang met andere maatregelen bijgesteld. In 2015 wordt de maximale zorgtoeslag verhoogd ter compensatie van het niet doorgaan van het inkomensafhankelijke eigen risico.

0

0

250.000

– 250.000

– 250.000

– 250.000

8

               

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is amendement TK 33 400 XVI, nr. 48 aangenomen. Met dit amendement worden extra middelen aan de IGZ toegekend ten behoeve van extra toezicht en de verbetering van de werkwijze en organisatie. Ter uitvoering van dit amendement zijn gereserveerde middelen voor de prijsbijstelling (artikel 11 Nominaal en onvoorzien) structureel ingezet voor de verhoging van het verplichtingenbedrag en uitgavenbedrag van artikel 10 (Apparaatsuitgaven, personele uitgaven inspecties.)

0

10.800

8.300

8.100

7.800

7.800

10

MEERJARENPLANNNIG BELEIDSDOORLICHTINGEN
Planning beleidsdoorlichtingen
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel 1 Volksgezondheid

 

X

     

X

 

Artikel 2 Curatieve zorg

     

X

X

X

 

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

           

X

Artikel 4 Zorgbreed beleid

     

X

 

X

 

Artikel 5 Jeugd

   

X

     

X

Artikel 6 Sport en bewegen

         

X

 

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering WO II

   

n.v.t.

       

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

   

n.v.t.

       

Toelichting per artikel(-onderdeel)

Artikel 1

  • 1.1 Het beleid dat voortvloeit uit het Nationaal Programma Preventie (NPP) beslaat het grootste deel van artikel 1. De komende jaren worden evaluaties op onderdelen van artikel 1 uitgevoerd zoals de evaluatie van het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Deze evaluatie worden betrokken in een integrale beleidsdoorlichting van artikel 1. Deze is in 2017 gereed. Met deze integrale beleidsdoorlichting komt de beleidsdoorlichting voedselveiligheid, die in de VWS-begroting 2013 voor 2014 gepland stond, te vervallen. Naar verwachting worden in 2013 drie beleidsdoorlichtingen met betrekking tot artikel 1 aan de Kamer gestuurd.

  • 1.2 Op het gebied van ziektepreventie wordt de evaluatie van het screeningsbeleid in 2013 verwerkt tot een beleidsdoorlichting. In 2013 vindt tevens de beleidsdoorlichting voor Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) plaats.

  • 1.3 Voor het artikelonderdeel gezondheidsbescherming is de beleidsdoorlichting Letselpreventie in 2013 aan Tweede Kamer verzonden. 3

  • 1.4 Het beleid van Ethiek wordt voor een belangrijk deel vormgegeven door wetgeving hiervoor vindt geen beleidsdoorlichting plaats. Medisch-ethische wetgeving wordt over het algemeen eens per 5 jaar geëvalueerd. Deze wetsevaluaties zijn onafhankelijke onderzoeken, waarvan de resultaten naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van Ethiek.

Artikel 2

  • 2.1 Er loopt een aantal (externe) onderzoekstrajecten met betrekking tot het VWS-veiligheidsprogramma ziekenhuizen. Het eerste onderzoek zal eind 2013 gereed zijn en in 2014 met een kabinetsreactie aan de kamer worden verzonden. Deze onderzoeken vormen onderdelen ten behoeve van de beleidsdoorlichting op het gebied van kwaliteit en (patiënt-)veiligheid, die in 2016 zal worden afgerond. Omdat het beleid op het gebied van kwaliteit en veiligheid integraal wordt doorgelicht, vindt de aparte beleidsdoorlichting voor het veiligheidsprogramma, die in de VWS-begroting 2013 voor 2014 gepland stond, geen doorgang.

  • 2.2 De doorlichting van het beleid gericht op toegankelijkheid en betaalbaarheid van het stelsel (gereed in 2017) vindt plaats op basis van evaluaties van subsidies en regelingen die onder dit artikelonderdeel vallen.

  • 2.3 Het beleid om de werking van het stelsel te bevorderen wordt in 2015 doorgelicht, hierbij worden onder andere de evaluatie onverzekerden en wanbetalers en evaluatie Zvw (afronding 2014) betrokken.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel.

Artikel 3

  • 3.1 Voor het beleid gericht op het stimuleren van participatie en zelfredzaamheid van mensen is een evaluatie van de Wmo door het SCP gepland voor 2014.

  • 3.2 Vanwege de hervorming van de langdurige zorg (HLZ) is de beleidsdoorlichting op dit beleidsterrein gepland in 2018. Met het oog op de omvangrijke hervorming in de langdurige zorg zoals vastgelegd in het regeerakkoord Rutte-Asscher heeft het kabinet in november 2012 besloten het in september 2012 gestarte Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) naar de Gehandicaptenzorg (GHZ) voortijdig te beëindigen.

Artikel 4

  • 4.1 De beleidsdoorlichting (geplande oplevering 2017) op het terrein van de positie van de cliënt vindt plaats op basis van de evaluatie van het beleidskader voor subsidiëring patiënten- en gehandicaptenorganisaties (2016).

  • 4.2 De evaluaties stagefonds (2016) en regionaal arbeidsmarktbeleid (2015) worden in de beleidsdoorlichting (2017) van de opleidingen, beroepenstructuur en de arbeidsmarkt binnen de zorg betrokken.

  • 4.3 De evaluatie van ZonMw (2016) wordt bij de doorlichting (2017) van het kennisontwikkelingsbeleid betrokken.

  • 4.4 Binnen de inrichting van uitvoeringsactiviteiten vindt de evaluatie van de beheerskosten ZBO’s (NZa, CVZ) in 2013 en 2014 plaats. Gegeven de aard van dit artikelonderdeel is een beleidsdoorlichting niet aan de orde.

  • 4.5 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bereidt momenteel een brede evaluatie van de transitie van Caribisch Nederland per 10-10-2010 voor. Zorg en jeugdzorg in Caribisch Nederland zullen daarbij ook aan de orde komen. De voorlopige planning is om de aanbesteding van de evaluatie in 2014 plaats te laten vinden, zodat de evaluatie in 2015 kan worden afgerond.

Bovenstaande beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van artikelonderdeel 4.4.

Artikel 5

  • 5.1 Het beleid op het gebied van ondersteuning bij opvoeden en opgroeien wordt in 2014 doorgelicht. Daarnaast wordt in 2014 een midterm review op de Aanpak Kindermishandeling gehouden.

  • 5.2 Op dit moment wordt gewerkt aan de decentralisatie naar gemeenten van de hele jeugdzorg per 2015. Na drie jaar wordt deze decentralisatie geëvalueerd: de doorlichting van het jeugdzorgbeleid is gepland voor 2018.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel.

Artikel 6

De Topsportcyclus loopt van 2013 tot en met 2016. De doorlichting van het sportbeleid is gepland in 2017.

Bovengenoemde beleidsdoorlichting bestrijkt het totale artikel.

Artikel 7

  • 7.1 Op het gebied van oorlogsgetroffenen en de herinnering aan WO II staan twee evaluaties gepland. Een evaluatie van de uitvoering van het Comité 4 en 5 mei staat gepland voor 2013 en een evaluatie van de uitvoering van de pensioenen en uitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank (afronding in 2014) staat gepland voor 2014.

  • 7.2 Zie toelichting artikelonderdeel 7.1.

Artikel 8

  • 8.1 De Zorgtoeslag wordt betrokken in de evaluatie van de Zvw en de Wmg die eind 2013 start en in 2014 wordt afgerond. Door veranderingen in de vormgeving van de zorgtoeslag met ingang van 2014 ligt een beleidsdoorlichting op korte termijn niet in de rede.

  • 8.2 De Wtcg wordt per 2014 afgeschaft.

  • 8.3 De Tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt per 2014 afgeschaft.

BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Volksgezondheid
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

Kengetallen levensverwachting
 

2000

2003

2005

2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                 

– mannen

75,5

76,2

77,2

78,0

78,3

78,5

78,8

79,2

79,1

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

82,3

82,3

82,6

82,7

82,9

82,8

2. Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                 

– mannen

61,5

62,4

62,5

64,7

63,7

65,3

63,9

63,7

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

63,4

63,5

63,8

63,0

63,3

1. Bron absolute levensverwachting: CBS-Statline. De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2012 bedroeg 82,8 jaar. Dat is 3,7 jaar hoger dan die van mannen (79,1 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 6,4 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,3 jaar ouder geworden.

2. Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: CBS StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981. De realisatiecijfers over 2012 worden in het najaar van 2013 verwacht.

Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave van de Minister van VWS is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – waar mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. Bij externe risicofactoren, zoals infectieziekten en rampen/crises, ligt hier een belangrijke rol voor de overheid. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ), ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet en de Tabakswet.

Op het terrein van de volksgezondheid heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel op de volgende pagina). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van andere actoren, die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de volksgezondheid. Met name de gemeenten hebben op het terrein van de publieke gezondheid een belangrijke eigenstandige verantwoordelijkheid. Relevante wet- en regelgeving voor gemeenten betreft de Wet Publieke Gezondheid, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet Veiligheidsregio’s, de Wet Kinderopvang, de Drank- en Horecawet en de Warenwet.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Gezondheidsbescherming:

– Voedsel- en productveiligheid

– Crisisbeheersing

– Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door RIVM

   

Opstellen van het wettelijk kader voor bescherming consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen en doen handhaven ervan door de NVWA.

Opstellen wettelijk kader ter voorbereiding witte kolom op rampen en crises en in stand houden crisisinfrastructuur.

Het verder reduceren van antibioticagebruik, waar nodig in de gezondheidszorg en in de veehouderij in nauwe samenwerking met het Ministerie van EZ.

(Doen) uitvoeren wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.

Ziektepreventie

– Bevolkingsonderzoeken

– Infectieziektebestrijding

– Jeugdgezondheidszorg

   

Opstellen wettelijk kader en doen handhaven kwaliteit Jeugdgezondheidszorg.

Doelmatigheid, kwaliteit en toegankelijkheid bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing levensbedreigende ziekten. Dit betreft onder andere borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere het Rijksvaccinatieprogramma en infectieziektebestrijding.

Gezondheidsbevordering

Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven door gezonde keuze makkelijker te maken en zorg te dragen voor betrouwbare informatie over gezonde leefstijl en gezonde leefomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Jeugdimpuls, het Convenant Gezond Gewicht, JOGG, Kinderen op Sportief Gewicht, groene en rookvrije, beweegvriendelijke schoolplein en Sportimpuls sport en bewegen in de buurt, de gezonde school en het extra contactmoment in de Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten.

 

Opstellen van het wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak en doen handhaven ervan door de NVWA en gemeenten.

Inzetten op een gezonder aanbod van voeding en aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze een makkelijke keuze is.

Coördinatie interdepartementale drugsbeleid en verantwoordelijk voor het (wettelijk) kader voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.

 

Ethiek

 

Financiering secretariaten toetsingscommissies,

abortusklinieken (via subsidie AWBZ) en CCMO.

Formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

 
3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • Met de brief van 12 april 2013 (TK 32 793, nr. 70) heeft het kabinet de agenda voor een Nationaal Programma Preventie vastgesteld. In het najaar van 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief, waarin de contouren van het programma verder worden uitgewerkt in concrete acties.

  • Antibioticaresistentie is een dreiging voor de volksgezondheid. In de brief van 2 juli 2013 (TK 32 793, nr. 91) is extra inzet aangekondigd op het gebied van infectiepreventie in de humane gezondheidszorg, goed gebruik van antibiotica in de humane gezondheidszorg, surveillance van Bijzonder Resistente Micro-organismen (BRMO), de internationale inzet, de ontwikkeling van nieuwe antibiotica, milieu en communicatie. In 2014 zal worden gewerkt aan de verdere implementatie van deze aanpassingen. Daarnaast wordt verder ingezet om het gebruik van antibiotica in de veehouderij blijvend te verlagen.

  • In het Begrotingsakkoord 2013 zijn middelen (in totaal € 26,0 miljoen) vrijgemaakt voor een extra inzet op de bestrijding van overgewicht bij kinderen. Hierbij komen verschillende gezondheidsthema’s voor de jeugd aan bod. De middelen worden via bestaande lijnen en structuren ingezet, zoals een intensivering van het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG), de Gezonde Schoolkantine en de Sportimpuls Kinderen op Sportief Gewicht. In lijn met de voorgenomen inzet om scholen te ondersteunen bij hun gezondheidsbeleid wordt een stimuleringsregeling voor gezondere schoolpleinen gestart. Hierdoor wordt een link gelegd met een gezonde, groene leefomgeving van het Nationaal Programma Preventie.

  • Per 1 januari 2014 wordt de leeftijdsgrens voor alcohol verhoogd naar 18 jaar. De leeftijdsgrens voor tabak gaat in 2014 ook naar 18 jaar. Het is dan niet toegestaan alcohol en tabak te verstrekken aan iemand van wie niet is vastgesteld dat deze persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Daarnaast is het niet toegestaan alcohol aanwezig te hebben onder de 18 jaar op voor het publiek toegankelijke plaatsen. In 2014 zal een campagne gaan lopen om de sociale norm dat het normaal is als je voor je 18e niet rookt of drinkt, te versterken. In de brief van 25 juni 2013 (TK 33 590, nr. 6) aan de Tweede Kamer is aangegeven dat op het terrein Tabak vanaf 2014 extra toezichthouders worden ingezet. Deze extra capaciteit komt bovenop de huidige NVWA-capaciteit. Het betreft toezichthouders die voor de reguliere NVWA-inspecteurs signaleren welke cafés en tabaksverkopers in overtreding zijn bij de naleving van de leeftijdsgrens en het rookverbod.

  • Op grond van het advies «Een stevig fundament, Evaluatie van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg» (TK 31 839, nr. 272) is besloten het huidige basistakenpakket te moderniseren en een aantal inhoudelijke wijzigingen aan te brengen. Het nieuw basispakket jeugdgezondheidszorg bevat de activiteiten die vanuit volksgezondheidsbelang actief voor ieder kind beschikbaar moeten zijn en worden aangeboden, waarbij de inhoud moet worden afgestemd op de specifieke situatie van kind en ouders. In 2014 worden wijzigingen in het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg verwerkt in de Wet en het Besluit publieke gezondheid.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

442.213

488.072

494.520

496.248

501.274

507.476

508.548

               

Uitgaven

465.780

493.723

497.952

497.835

501.274

507.476

508.548

waarvan juridisch verplicht (%)

   

93%

       
               

1. Gezondheidsbescherming

 

101.996

97.489

92.989

91.821

91.731

91.430

               

Subsidies

 

4.216

9.652

7.852

7.378

7.385

7.467

waarvan onder andere:

             

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma preventie

 

3.927

8.617

7.007

6.620

6.620

6.620

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

5

813

803

716

723

805

Communicatie verhoging leeftijd alcohol en tabak naar 18 jaar

 

243

182

0

0

0

0

               

Opdrachten

 

6.125

1.910

1.977

2.073

2.031

2.031

waarvan onder andere:

             

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

4.592

268

267

267

267

267

Nieuwe etikettering huishoudchemicaliën

 

413

417

413

0

0

0

               

Bijdrage aan agentschappen

 

91.576

85.626

82.859

82.069

82.014

81.631

waarvan onder andere:

             

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

 

71.859

67.392

66.769

66.001

66.001

65.827

RIVM: Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

 

17.417

14.853

14.119

14.039

14.038

14.038

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

79

301

301

301

301

301

waarvan onder andere:

             

Bijdrage College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB)

 

0

120

120

120

120

120

               

2. Ziektepreventie

 

319.610

328.040

333.025

337.598

342.069

343.445

               

Subsidies

 

197.614

206.535

214.382

218.074

222.051

226.260

waarvan onder andere:

             

Ziektepreventie

 

5.450

6.891

6.836

5.948

5.115

5.114

Ziektepreventie Caribisch Nederland

 

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

Jeugdgezondheid

 

2.570

3.351

3.526

3.449

3.449

3.449

RIVM: Uitvoering Subsidieregeling Publieke Gezondheid

 

176.532

183.355

191.206

195.863

200.673

204.883

RIVM: Infectieziektebestrijding en/of bevordering seksuele gezondheid

 

11.862

11.738

11.614

11.614

11.614

11.614

               

Opdrachten

 

0

8.536

15.272

15.234

13.771

10.928

(Vaccin)onderzoek

 

0

8.536

15.272

15.234

13.771

10.928

               

Bijdragen aan agentschappen

 

121.904

112.878

103.278

104.197

106.155

106.166

waarvan onder andere:

             

RIVM/Opdrachtverlening Centra

 

85.915

81.341

77.896

78.597

79.541

79.537

Bevolkingsonderzoeken

 

34.504

29.715

23.500

23.759

24.775

24.791

RIVM/Ontwikkelingen technologie en demografie

 

1.263

1.601

1.658

1.618

1.618

1.618

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

92

91

93

93

92

91

               

3. Gezondheidsbevordering

 

53.207

52.340

52.215

52.415

54.394

54.391

               

Subsidies

 

34.884

33.037

32.810

33.010

34.990

34.989

waarvan onder andere:

             

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

 

1.723

3.302

2.620

2.620

2.620

2.620

Verslavingszorg

 

8.443

5.979

5.689

5.602

5.602

5.602

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

 

9.499

9.498

8.876

9.011

10.992

10.992

Gezonde leefstijl jeugd

 

0

407

2.620

2.620

2.620

2.620

Letselpreventie

 

5.199

4.722

4.693

4.668

4.668

4.668

Bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

 

3.229

3.179

3.130

3.130

3.130

3.130

Bevordering van seksuele gezondheid

 

5.460

4.486

2.835

2.835

2.835

2.835

               

Opdrachten

 

3.563

4.319

4.428

4.428

4.428

4.427

waarvan onder andere:

             

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

3.000

3.050

3.100

3.100

3.100

3.100

Letselpreventie

 

0

75

75

75

75

75

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

 

200

90

0

0

0

0

               

Bijdragen aan agentschappen

 

466

710

701

701

701

701

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

 

221

221

221

221

221

221

RIVM: Monitoring e.d.

 

245

489

480

480

480

480

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

14.294

14.274

14.276

14.276

14.275

14.274

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

14.294

14.274

14.276

14.276

14.275

14.274

               

4. Ethiek

 

18.910

20.083

19.606

19.440

19.282

19.282

               

Subsidies

 

1.463

1.660

1.409

1.451

1.293

1.293

Beleid Medische Ethiek

 

1.463

1.660

1.409

1.451

1.293

1.293

               

Bijdragen aan agentschappen

 

4.054

3.804

3.804

3.804

3.804

3.804

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

 

4.054

3.804

3.804

3.804

3.804

3.804

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

13.393

14.619

14.393

14.185

14.185

14.185

CVZ: Rijksbijdrage abortusklinieken

 

13.208

13.006

12.805

12.604

12.604

12.604

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

 

185

1.613

1.588

1.581

1.581

1.581

               

Ontvangsten

21.135

10.903

11.003

11.003

10.903

10.903

10.903

waarvan onder andere

             

Bestuurlijke boetes

 

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 250,9 miljoen is 93% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de tot en met 2013 aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies en de subsidieregeling Publieke Gezondheid. De niet-juridisch verplichte middelen zijn onder andere bestemd voor de uitvoering van de landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie.

Opdrachten

Van het budget 2014 ad € 14,8 miljoen is 96% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan. De niet-juridisch verplichte middelen zijn onder andere bestemd voor de uitvoering van de landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2014 aan het RIVM, de NVWA en het CIBG. Op basis van het offertetraject is het budget 2014 ad € 203,0 miljoen voor 93% juridisch verplicht. De niet-juridisch verplichte middelen zijn bestemd voor de aanschaf van antivirale middelen en de handhavingstaken van de NVWA.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Betreft de bijdrage aan het CVZ inzake de financiering van de abortusklinieken en de bijdrage aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Het budget voor 2014 ad € 14,6 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Betreft de heroïneverstrekking door gemeenten op medisch voorschrift via het gemeentefonds en de bijdrage aan het College Toetsing Bestrijdingsmiddelen. Het budget voor 2014 ad € 14,7 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

5. Instrumenten

Gezondheidsbescherming

Subsidies voor activiteiten in het kader van het Nationaal Programma Preventie

In 2014 is hiervoor € 8,6 miljoen beschikbaar. In het najaar van 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief, waarin de contouren van het Nationaal Preventieprogramma verder worden uitgewerkt in concrete acties.

Bijdrage aan agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De Minister van VWS is opdrachtgever voor het agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA heeft een centrale rol bij het bewaken van de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten op grond van de wettelijke normen en ontvangt hiertoe financiering van de Minister van VWS.

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 is een amendement aangenomen om af te zien van de korting van € 4,2 miljoen op het VWS-opdrachtgeversbudget voor de NVWA 2013 ten gevolge van de taakstelling Rutte-Verhagen. In onderhavige begroting is de meerjarige doorwerking van dit amendement verwerkt en is ook het tekort dat na het amendement resteert binnen de begroting opgelost.

Belangrijkste financieringsstromen van VWS naar de NVWA 2014
(Bedragen x 1 miljoen)

Beleidsterrein

Bedrag

Voedselveiligheid

40,5

Productveiligheid

12,0

Tabak en alcohol

7,1

Overig

7,8

Totaal

67,4

In onderstaande tabel is weergegeven hoe het aantal verloren gegane gezonde levensjaren door voedselinfecties zich ontwikkelt.

Kengetal voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)

 

2009

2011

Toxoplasma gondii

2.000

2.000

Campylobacter spp.

1.300

1.530

Salmonella spp.

650

710

S. aureus toxine

630

670

C. perfringens toxine

450

490

Norovirus

240

300

Rotavirus

210

210

B. cereus toxine

97

100

Listeria monocytogenes

78

140

STEC O157

60

56

Giardia spp.

25

17

Hepatitis-A virus

15

9

Cryptosporidium spp.

10

8

Hepatitis-E virus

2

2

Totaal

5.800

6.250

Bron: Nationaal Kompas, RIVM

DALY=Disability Adjusted Life Year. Betreft de maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaar equivalenten). In deze maat komen de drie belangrijkste aspecten van gezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal kan afwijken van de som van de weergegeven getallen.

Bijdragen aan agentschap RIVM in verband met wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

Het RIVM heeft de wettelijke taak periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. Het RIVM rapporteert hierover in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Eens in de vier jaar geeft een samenvattend rapport inzicht in de belangrijkste epidemiologische parameters van het volksgezondheidsbeleid voor het heden, het verleden en de toekomst. In 2014 zal een nieuwe VTV gereed zijn. In het kader van de VTV wordt door het jaar heen informatie beschikbaar gesteld, onder meer via themarapporten en websites. Ook wordt informatie ter onderbouwing van beleid op het terrein van de volksgezondheid en zorg verzameld en gegenereerd. De bijdrage 2014 bedraagt € 14,9 miljoen.

Nagegaan wordt hoe na 2014 de VTV kan worden samengevoegd met de Zorgbalans van het RIVM, de Staat van de Gezondheidszorg van de IGZ en enkele monitors van het Sociaal en Cultureel Planbureau om zo te komen tot één invloedrijk rapport over de stand van zaken van de volksgezondheid.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering van het preventieprogramma

In juni 2009 is opdracht gegeven voor de uitvoering van het vierde preventieprogramma. Met dit programma geeft ZonMw invulling aan de visie op preventie (TK 22 894, nr. 134) en levert een bijdrage aan het versterken van de preventiecyclus. Dit is een vierjarige cyclus waarmee specifieke doelstellingen en uitvoering van het Nederlandse gezondheidsbeleid worden vastgelegd, uitgevoerd en bijgesteld. Dit programma legt nog meer dan voorheen verbindingen tussen preventie en andere sectoren (wonen, werken, leren), in het bijzonder tussen de publieke en de eerstelijnsgezondheidszorg en daarmee ook tussen de preventieprogramma’s en andere programma’s van ZonMw. Deze middelen (circa € 5,2 miljoen in 2014) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Ziektepreventie

Subsidies voor activiteiten op het terrein van ziektepreventie

De Minister verleent op het terrein van de ziektepreventie subsidies (€ 8,1 miljoen) voor een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten door onder andere te zorgen voor:

  • een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden;

  • het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen.

Subsidies voor activiteiten op het terrein van Jeugdgezondheidszorg

De Minister verleent op het terrein van de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) subsidie (€ 3,4 miljoen) aan het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

Subsidies Publieke Gezondheid

De subsidieregeling Publieke Gezondheid wordt uitgevoerd door het RIVM en bestaat uit:

  • Het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker (€ 111,8 miljoen). De deelname aan deze screeningsprogramma’s is vrij constant over de jaren.

  • Het financieren van het Nationaal Programma Grieppreventie. Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60+-ers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 41,2 miljoen). De deelname aan dit programma is de laatste jaren teruggelopen.

  • Het financieren van soa-onderzoek en aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie (€ 30,3 miljoen).

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken en 						  screeningen in procenten

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Opdracht (Vaccin)onderzoek

Het betreft budget voor vaccinonderzoek (€ 5,9 miljoen), ontwikkeling van het RSV-vaccin (€ 0,9 miljoen) en onderzoek naar alternatieven voor dierproeven (€ 1,7 miljoen). Voor 2014 zullen deze taken worden ondergebracht bij de projectorganisatie Antonie van Leeuwenhoekterrein (PD ALT).

Bijdragen aan agentschap RIVM

De Minister van VWS is opdrachtgever en eigenaar van het agentschap Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM stelt zich tot doel om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen en te bevorderen. Het RIVM geeft hieraan uitvoering door middel van het (doen) uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en advisering op het terrein van volksgezondheid en het voeren van de regie op diverse terreinen van de publieke gezondheid:

  • Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het vervullen van zijn taken ten aanzien van de preventie en bestrijding van infectieziekten, het bevorderen van seksuele gezondheid door de ondersteuning van professionals bij een goede uitvoering en taken op het gebied van Vaccinologie (€ 40,8 miljoen);

  • Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het uitvoeren van zijn coördinerende taken gericht op de voorlichting over bevolkingsonderzoeken, het Nationaal Programma Grieppreventie en pre- en neonatale screeningen en de kwaliteit van de uitvoering en monitoring ervan. Mensen die tot de betreffende doelgroep behoren, kunnen vrijwillig aan de bevolkingsonderzoeken deelnemen (€ 27,9 miljoen). Ook verzorgt het CVB de uitvoering van de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (€ 18,3 miljoen);

  • Het Centrum Gezondheid en Milieu (CGM) van het RIVM ontvangt financiële middelen om de Minister en de regio’s bij te staan met gezondheidskundige advisering, advisering over het uitvoeren van gezondheidsonderzoek en risicoanalyses over mogelijke gezondheidseffecten en over psychosociale nazorg. Vragen over gezondheid en veiligheid in relatie tot milieu en het voorkomen van incidenten en rampen komen samen bij het CGM. Het CGM is erop gericht deze kennis waar nodig te ontwikkelen, te borgen en te ontsluiten voor professionals en bestuurders (€ 5,2 miljoen);

  • Het Centrum Gezond Leven (CGL) bij het RIVM ontvangt financiële middelen met als doel samenhangende en effectieve lokale gezondheidsbevordering te versterken. Het CGL bevordert het gebruik van de best passende leefstijlinterventies, onder meer door beschikbare interventies overzichtelijk te presenteren en te beoordelen op kwaliteit en samenhang (€ 2,4 miljoen). Daarnaast voert het CGL enkele programma’s uit, zoals «Structurele versterking Gezondeschool.nl» en de «Impuls Erkenning Jeugdinterventies» (samen € 2,5 miljoen);

  • Inkoop, Opslag en Distributie (IOD) bij het RIVM zorgt ervoor dat er voldoende goede en betaalbare vaccins en antisera beschikbaar zijn voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het Nationaal Programma Grieppreventie (NPG) en calamiteiten (€ 1,8 miljoen). Voor de aanschaf van antivirale middelen is € 9,6 miljoen beschikbaar.

Gezondheidsbevordering

Subsidies voor preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

Het Trimbos Instituut ontvangt subsidie voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik. Het gaat hierbij onder andere om voorlichting op scholen of via nieuwe media. Ook zet het Trimbos-instituut zich in om wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie te geven aan professionals en burgers. De instellingssubsidie aan het Trimbos-instituut bevat ook middelen voor andere VWS-terreinen, zoals de geestelijke gezondheidszorg. De bijdrage 2014 bedraagt € 3,3 miljoen.

Subsidies op het terrein van verslavingszorg

Op dit onderdeel is de instellingssubsidie voor het Trimbos Instituut opgenomen voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik. Zie tevens bovenstaande alinea. Ook ontvangen de stichtingen Mainline en Informatievoorziening Zorg instellings-/projectsubsidies voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op de verslavingszorg. De bijdrage 2014 bedraagt circa € 6,0 miljoen.

Subsidies ter bevordering van een gezonde voedingskeuze en een gezond gewicht

Mensen moeten zo min mogelijk drempels ondervinden wanneer zij er voor kiezen om gezond te leven. Daartoe wordt onder andere subsidie verleend aan de Stichting Voedingscentrum Nederland. Het Voedingscentrum biedt de consument informatie over gezonde en meer duurzame voeding. Daarnaast ondersteunt het Voedingscentrum met zijn kennis organisaties die zich inzetten om de gezonde voedingskeuze makkelijker te maken.

Het Convenant Gezond Gewicht (TK 31 899, nr. 15) is een samenwerkingsverband van in totaal 26 partijen afkomstig uit (Rijks- en lokale) overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties die zich gezamenlijk inzetten voor het realiseren van een daling van overgewicht en obesitas. De totale bijdrage 2014 bedraagt € 9,5 miljoen.

Subsidies ter bevordering gezonde leefstijl jeugd

Er wordt extra aandacht besteed aan een gezonde leefstijl bij de jeugd (€ 0,4 miljoen). Het gaat hierbij om het aanleren en stimuleren van een gezonde leefstijl, inzet op weerbaarheid om dagelijkse verleidingen te weerstaan, vroege signalering van risico’s en het stellen van grenzen. Dit vindt onder andere plaats in het kader van Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl, de impuls gezonde leefstijl jeugd (Jeugdimpuls) en het programma Gezonde Schoolpleinen. Doel van de Onderwijsagenda is om met de inzet op gezondheidsbevordering aan te sluiten bij de behoefte van het onderwijs. De Ministeries van VWS en OCW trekken hier samen in op, de uitvoering ligt in handen van de onderwijsraden. Doel van de Jeugdimpuls is het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd via de setting school en door het vergroten van het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media. Dat gebeurt door te investeren in schoolprogramma’s, het aanbod voor schoolgezondheidsbeleid uit te breiden en het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media te vergroten. Het Centrum Gezond Leven (CGL) coördineert deze aanpak, op onderdelen in gezamenlijkheid met de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl. De middelen voor 2012 tot en met 2014 zijn al overgeboekt naar het CGL-budget, dat wordt verantwoord onder het artikelonderdeel Ziektepreventie.

Subsidies voor letselpreventie

Voor letselpreventie is € 4,7 miljoen beschikbaar. De Stichting VeiligheidNL ontvangt € 4,3 miljoen subsidie van VWS voor het uitvoeren van haar activiteiten die zijn gericht op letselpreventie door middel van interventies en programma’s voor bijvoorbeeld jongeren en ouderen en de monitoring daarvan.

Subsidies ter bevordering van kwaliteit en toegankelijkheid van zorg

De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden (€ 3,2 miljoen).

Subsidies ter bevordering van de seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (onder andere Stichting Ambulante FIOM) (totaal € 4,5 miljoen), dan wel via het RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers WPF, Soa-Aids Nederland en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen. De middelen aan het RIVM staan verantwoord onder het artikelonderdeel Ziektepreventie.

Bijdragen aan medeoverheden en opdrachten in verband met heroïneverstrekking op medisch voorschrift

VWS verstrekt een financiële bijdrage (circa € 14,3 miljoen) aan gemeenten voor het binnen een gesloten systeem aanbieden van een behandeling, waarbij naast methadon medicinale heroïne wordt verstrekt aan een beperkte groep langdurig opiaatverslaafden. Deze behandeling leidt tot verbetering van de gezondheid en van de maatschappelijke re-integratie en helpt overlast en criminaliteit door ernstig opiaatverslaafden voorkomen. Omdat het een beperkte groep betreft, is deze behandeling niet in het reguliere zorgstelsel opgenomen. Binnen dit systeem zijn alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen om ongeoorloofd gebruik van medicatie te voorkomen. De medicinale heroïne wordt voor circa € 3,1 miljoen aangeschaft.

Kengetallen Gezondheidsbevordering
 

2001

2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

72%

73%

72%

73%

76%

74%

2. Overgewicht bij volwassenen ≥ 20 jaar

45,5%

46,9%

47,2%

48,2%

48,2%

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 4–20 jaar

13,1%

13,6%

12,8%

4. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt.

89,3%

90,0%

89,6%

89,6%

90,6%

5. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

25,6%

36,5%

35,0%

38,4%

6. Aantal problematische drugsverslaafden per 1.000 inwoners

3,1

1,6

7. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700.000

650.000

650.000

640.000

600.000

600.000

8. Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij de soa-poli’s van de GGD

12,7%

13,2%

13,2%

13,7%

14,3%

15,1%

Bron:

1. STIVORO-expertisecentrum tabaksgebruik en verslaving. Roken onder volwassenen: de harde feiten (2012).

2. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

3. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

4. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek.

5. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos-Instituut, zie www.trimbos.nl .

6. Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2010, Trimbos-Instituut, 2010, zie www.trimbos.nl .

7. Letselinformatiesysteem 2001–2010 VeiligheidNL en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl . De trend voor letsel als gevolg van privéongevallen en sportblessures in de afgelopen jaren is positief, waarbij in 2011 geen verandering is te zien ten opzichte van 2010.

8. Nationaal Kompas Volksgezondheid: Betreft het percentage bezoekers van soa-poli’s, waarbij één (of meer) soa is gevonden.

Ethiek

Bijdrage aan agentschap CIBG ten behoeve van uitvoeringstaken medische ethiek

Vanuit haar verantwoordelijkheid voor wet- en regelgeving ten aanzien van ethisch handelen in de zorg financiert de Minister een groot deel van de uitvoering van de uit de vigerende wetgeving voortvloeiende wettelijke taken. Het CIBG verzorgt de uitvoering van het secretariaat van de regionale toetsingscommissies euthanasie, de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en beheert de daarbij behorende registers (€ 3,8 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen (CVZ)

VWS verstrekt een financiële bijdrage aan het CVZ voor het op grond van de regeling «subsidies AWBZ verstrekken van subsidies aan abortusklinieken» (€ 13,0 miljoen). De abortusklinieken dienen over een Waz-vergunning (Wet afbreking zwangerschap) te beschikken.

Bijdrage aan ZBO Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De CCMO ontvangt een financiële bijdrage voor het uitvoeren van zijn kerntaak (€ 1,6 miljoen). Deze kerntaak is gericht op het waarborgen van de bescherming van proefpersonen bij medisch-wetenschappelijk onderzoek door middel van toetsing aan de hiervoor geldende wettelijke bepalingen en protocollen.

Onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» via ZonMw

Het onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» richt zich op onderzoek naar mogelijke nieuwe toepassingsmogelijkheden van adulte (niet-embryonale) stamcellen. De middelen (circa € 3,0 miljoen in 2014) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

In het kader van haar handhavingsbeleid schrijft de NVWA bestuurlijke boetes uit. Het houdt in dat de overtreder de onvoorwaardelijke verplichting heeft tot het betalen van een geldsom aan de overheid wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens een van de aan het toezicht door de NVWA onderworpen wetten. De ontvangsten die hieruit voortvloeien worden geraamd op € 4,3 miljoen in 2014.

Artikel 2 Curatieve zorg
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) de wettelijke basis van dit stelsel. De uitgaven en ontvangsten op basis van de Zorgverzekeringswet komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg. Op begrotingsartikel 2 Curatieve zorg worden de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor curatieve zorg verantwoord. Het betreft veelal uitgaven die ondersteunend zijn aan de werking van het stelsel. Dit laat onverlet dat dit beleid niet los kan worden gezien van het beleid ten aanzien van de zorg die bekostigd wordt uit de premiemiddelen.

Om het zorgstelsel goed te laten functioneren is het samenspel van zorgprofessionals, patiënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders van groot belang. De Minister van VWS richt zich in beginsel op het formuleren van de voorwaarden waarbinnen dit samenspel tot goede resultaten kan leiden en op het inzetten van aanvullende instrumenten waar het samenspel (nog) niet leidt tot voldoende kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van de curatieve zorg. Een deel van die instrumenten gaat gepaard met uitgaven die vanaf dit begrotingsartikel worden betaald. Het betreft subsidies, opdrachten en bijdragen waarmee de Minister een regisserende, stimulerende of financierende rol uitvoert. Hoe de Minister invulling geeft aan deze rollen in het kader van de uitgaven die verantwoord zijn op dit begrotingsartikel staat beschreven in de volgende tabel. Het betreft hier een beschrijving van de meest van toepassing zijnde rol. In de paragraaf «instrumenten» van dit begrotingsartikel staan de uitgaven in meer detail toegelicht.

Naast de uitgaven op dit begrotingsartikel worden er ook begrotingsuitgaven en -ontvangsten van de curatieve zorg verantwoord op andere begrotingsartikelen. Zo is de Minister van VWS vanuit de verantwoordelijkheid voor curatieve zorg beleidsverantwoordelijk voor de zorgtoeslag. Deze middelen staan verantwoord op artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten. De uitgaven voor zorg in Caribisch Nederland staan vermeld in artikel 4. De uitgaven voor het apparaat van het Ministerie zelf en de financiering van de uitvoerende organisaties staan verantwoord in artikel 10 Apparaatsuitgaven respectievelijk artikel 4 Zorgbreed beleid.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

Kwaliteit en (patiënt)veiligheid

Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt)veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.

Het ondersteunen van initiatieven op het terrein van de Life Sciences and Health met als doel de beschikbaarheid van medische producten en materialen op termijn te bevorderen.

Bevorderen van het tot stand komen van een implantatenregister om daarmee de traceerbaarheid van geïmplanteerde medische hulpmiddelen mogelijk te maken.

Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek en de financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen. Daarnaast wordt het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector (mede) gefinancierd.

Bevorderen van de beschikbaarheid van donororganen door het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie. Het financieren van bijwerkingenregistraties ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.

Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren. Belangrijk daarin zijn de initiatieven om verspilling in de zorg tegen te gaan.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid van de zorg door het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.

 

Bevorderen van de werking van het stelsel (waaronder doelmatigheid)

Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.

Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening

Het financieren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren.

De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.

Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld BIG-register) die worden bijhouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • Er zal zo goed mogelijk uitvoering worden gegeven aan de hoofdlijnenakkoorden die door het kabinet gesloten gaan worden.

  • Het tegengaan van fraude in de zorg behoeft continu aandacht en moet periodiek worden aangescherpt. De maatregelen ter bestrijding van fraude in de curatieve zorg staan toegelicht in de brief van 15 mei 2013 over fraudebestrijding in de zorg (TK 28 828, nr. 30). Daarnaast zal in september 2013 een uitgebreid plan van aanpak fraude naar de Tweede Kamer worden toegezonden. Dit plan van aanpak geeft de acties weer voor de komende tijd en biedt een stevige intensivering van de keten van preventie tot opsporing en de instrumenten die daarvoor nodig zijn.

  • In mei 2013 is het programma Verspilling in de Zorg van start gegaan (TK 33 654, nr. 1). Hiermee pakt VWS samen met veldpartijen verspilling aan. Van verspilling is sprake als er zorgkosten worden gemaakt, zonder dat het voor de patiënt iets oplevert. Belangrijk onderdeel van het programma is het meldpunt verspilling en het traject daarna om gezamenlijk met de stakeholders de verspilling aan te pakken. De actie verspilling is van start gegaan met de genees- en hulpmiddelen en de langdurige zorg en zal na de zomer worden uitgebreid met de medisch-specialistische zorg en de geestelijke gezondheidszorg (zie brief van 19 juli 2013, TK 33 654, nr. 2).

  • Patiëntveiligheid heeft deze kabinetsperiode prioriteit. De extra aandacht voor patiëntveiligheid zal daarom in 2014 worden voortgezet. Vanuit VWS zal sectoroverstijgend specifieke aandacht uitgaan naar verbetering van patiëntveiligheid door meer focus. Transparantie en standaardisatie van zorgprocessen en zorguitkomsten spelen daarin een belangrijke rol.

    Het rapport «monitor zorggerelateerde schade» zal verschijnen in november 2013. In dit rapport wordt specifiek ingegaan op vermijdbare schade veroorzaakt door medische technologie. Inmiddels zijn de resultaten van de herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelgebruik (IPCI/Harm) bekend geworden (TK 29 477, nr. 226). Bezien zal worden welke maatregelen naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen uit deze rapporten in 2014 zullen worden uitgewerkt in het VWS beleid op het gebied van veilige toepassing medische technologie en geneesmiddelen.

  • De beoogde opzet en inrichting van een landelijk register voor implantaten (TK 32 805, nr. 23) zal in 2014 nader vorm krijgen op basis van de resultaten van een in 2013 te starten pilot.

  • Het gebruik van vervalste geneesmiddelen is een risico voor de volksgezondheid. De richtlijn 2011/62/EU heeft als doel het verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen terecht komen. Naast aanscherping van bestaande verplichtingen voor fabrikanten, groothandelaars en apotheekhoudenden wordt een aantal nieuwe verplichtingen geïntroduceerd voor actoren die tot dusver niet zelfstandig onder de geneesmiddelenwetgeving waren ondergebracht. Het wetsvoorstel ter implementatie ligt momenteel voor in de Tweede Kamer.

  • De overige activiteiten in 2014 betreffen een continuering van het bestaande beleid. Voor de (overige) beleidsprioriteiten met betrekking tot de Zorgverzekeringswet wordt verwezen naar het Financieel Beeld Zorg.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.618.694

2.809.951

2.692.612

2.940.256

3.053.191

3.121.043

3.274.013

               

Uitgaven

2.655.887

2.797.170

2.733.958

2.940.256

3.053.191

3.121.043

3.274.013

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Kwaliteit en veiligheid

 

122.357

99.543

84.078

96.323

75.302

75.576

               

Subsidies

 

114.287

91.824

75.861

85.399

63.528

63.802

waarvan onder andere:

             

Integrale kankercentrum

 

27.648

27.390

27.740

27.740

27.740

27.740

Nederlands Kanker Instituut

 

17.241

17.354

17.354

17.354

17.354

17.354

Patiëntveiligheid curatieve zorg

 

1.949

846

35

0

0

0

Subsidies in relatie tot zwangerschap en geboorte

 

1.506

1.440

1.415

1.218

1.211

1.489

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

 

3.386

3.590

3.534

3.534

3.534

3.534

Perinataal Webbased dossier

 

500

500

0

0

0

0

NICTIZ

 

4.169

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins en teratologie informatie service

 

1.225

1.225

1.225

1.225

1.225

1.225

Nederlandse Transplantatie Stichting en regio's landelijke implementatie pilots orgaandonatie

 

8.110

8.577

0

0

0

0

Nederlandse Transplantatie Stichting

 

0

3.095

3.044

3.044

3.044

3.044

Regeling Donatie bij leven

 

800

800

900

900

900

900

Herhaalstudie IPCI / Harm

 

50

0

0

0

0

0

Stichting Life Sciences & Health/ LSH Plaza

 

22.436

14.252

2.570

11.226

0

0

Topinstituut Pharma

 

13.956

0

0

0

0

0

UMCG ten behoeve van het project LifeLines

 

2.604

4.601

2.803

3.498

0

0

               

Opdrachten

 

4.267

4.412

4.932

7.711

8.611

8.611

               

Bijdragen aan agentschappen

 

3.703

3.107

3.023

3.004

2.954

2.954

CIBG: Donorregister

 

3.630

3.031

2.973

2.954

2.954

2.954

Agentschap NL: beheer subsidies LSH en TI Pharma

 

73

76

50

50

0

0

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

50

150

212

159

159

159

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

50

50

50

50

50

50

               

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

 

2.612.505

2.550.873

2.759.856

2.860.397

2.949.273

3.101.972

               

Subsidies

 

14.274

13.214

11.335

10.430

10.431

10.431

waarvan onder andere:

             

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

 

1.312

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Anonieme e-mental health

 

733

2.000

0

0

0

0

Stichting Patiëntvertrouwenspersoon

 

4.882

4.882

4.882

4.882

4.882

4.882

Stichting Familievertrouwenspersoon

 

1.080

1.080

1.080

1.080

1.080

1.080

Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

 

892

477

0

0

0

0

               

Bekostiging

 

2.592.508

2.530.500

2.741.520

2.843.100

2.932.400

3.085.100

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18–

 

2.565.500

2.498.500

2.709.500

2.811.100

2.900.400

3.053.100

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

27.008

32.000

32.000

32.000

32.000

32.000

               

Opdrachten

 

4.672

5.585

5.447

5.299

4.874

4.873

waarvan onder andere:

             

Programma Verspilling in de zorg

 

300

425

425

425

425

425

               

Bijdrage aan agentschap

 

1.051

958

958

952

952

952

CIBG: Farmatec

 

1.051

958

958

952

952

952

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

0

616

616

616

616

616

CVZ: Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

0

616

616

616

616

616

               

3. Bevorderen werking van het stelsel

 

62.308

83.542

96.322

96.471

96.468

96.465

               

Subsidies

 

4.519

2.829

11.441

11.451

11.450

11.450

waarvan onder andere:

             

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

 

524

325

330

340

340

340

Zorgfraudebestrijding

 

1.155

1.723

0

0

0

0

               

Inkomensoverdrachten

 

31.978

28.166

28.169

28.168

28.167

28.166

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

 

31.978

28.166

28.169

28.168

28.167

28.166

               

Opdrachten

 

3.870

4.054

3.222

3.272

3.272

3.272

waarvan onder andere:

             

Risicoverevening

 

1.359

1.407

1.387

1.387

1.387

1.387

Uitvoering zorgverzekeringstelsel

 

1.188

1.215

420

470

470

470

               

Bijdragen aan agentschappen

 

20.594

23.735

23.731

23.776

23.775

23.774

waarvan onder andere:

             

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

 

19.060

22.201

22.197

22.242

22.241

22.240

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

1.312

20.633

25.634

25.679

25.679

25.678

SVB en CVZ: Onverzekerden en wanbetalers

 

1.256

10.633

10.634

10.679

10.679

10.678

CVZ: Doorlichten pakket

 

56

10.000

15.000

15.000

15.000

15.000

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

35

4.125

4.125

4.125

4.125

4.125

BZK: Bijdrage C2000

 

35

4.125

4.125

4.125

4.125

4.125

               

Ontvangsten

92.490

61.828

35.853

35.853

35.953

35.953

35.953

waarvan onder andere:

             

Ontvangsten wanbetalers

 

53.600

34.800

34.800

34.900

34.900

34.900

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 107,9 miljoen is 98,5% juridisch verplicht. Het betreft diverse subsidies op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid, subsidies ter bevordering van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en subsidies die de werking van het stelsel bevorderen.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad € 2,5 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van verzekerden jonger dan 18 jaar en de bekostiging van de compensatie van (een deel van) de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 28,2 miljoen is 99,4% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de financiering van de overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 14,1 miljoen is 58,6% juridisch verplicht. Het betreft diverse opdrachten op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid en opdrachten die de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en de werking van het stelsel moeten bevorderen. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn gereserveerd voor opdrachten op het terrein van fraudebestrijding en bevorderen werking van het stelsel.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget 2014 ad € 27,8 miljoen is 94,5% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CJIB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet en de middelen aan het CVZ voor stringent pakketbeheer.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Van het beschikbare budget 2014 ad € 21,4 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CVZ en de SVB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet en de middelen aan het CVZ voor stringent pakketbeheer.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget van € 0,05 miljoen is niet-juridisch verplicht. Het betreft middelen die bestemd zijn voor bijdragen aan internationale organisaties zoals de WHO.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2014 ad € 4,1 miljoen is 99,4% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan het Ministerie van BZK voor het C2000-systeem.

5. Instrumenten

Kwaliteit en veiligheid

Subsidies voor Integraal Kankercentrum Nederland

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) ondersteunt ziekenhuizen in de regio om kwalitatief hoogwaardige oncologische zorg te kunnen leveren. Het totale subsidiebedrag bedraagt in 2014 € 27,4 miljoen. Het IKNL is het kennis- en kwaliteitsinstituut voor professionals en bestuurders in de oncologische en palliatieve zorg. IKNL draagt bij aan het verbeteren van de zorg rond kanker door het verzamelen van gegevens, het opstellen van richtlijnen, het bewaken van kwaliteit, het faciliteren van samenwerkingsverbanden en bij- en nascholing. De landelijke kwaliteitsdata die het IKNL in samenwerking met DICA (Dutch institute for clinical auditing) registreert zijn uniek in de wereld en van grote waarde voor het verbeteren van de organisatie van de oncologische en palliatieve zorg binnen en tussen zorginstellingen. Vanaf 1 januari 2014 zal het Integraal Kankercentrum Nederland fuseren met het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ).

Subsidie voor het Nederlands Kanker Instituut

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI), verbonden aan het Antoni van Leeuwenhoek, is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. Het wetenschappelijk onderzoek beweegt zich op een breed gebied dat fundamenteel biologische vraagstellingen, klinisch onderzoek, epidemiologie en psychosociaal onderzoek omvat. De combinatie van een focus op oncologie en de aanwezigheid van state of the art kennis en technologie, maakt dat het NKI goed past binnen het concentratie- en specialisatiebeleid van VWS.

Volgens het KNI kan dankzij wetenschappelijk onderzoek inmiddels worden doorgedrongen tot de kern van kanker en de specifieke afwijking in het DNA van de tumor worden geïdentificeerd, waardoor er mogelijkheden zijn om tot een eigen unieke behandeling van de tumor te komen. Dit is volgens de onderzoekers een veelbelovende ontwikkeling.

Het NKI krijgt in 2014 € 17,4 miljoen subsidie van VWS. Ongeveer € 5 miljoen daarvan is bestemd voor de kapitaallasten.

Subsidies voor patiëntveiligheid curatieve zorg

VWS draagt bij aan patiëntveiligheid door de financiering op tijdelijke basis van veiligheidsprogramma’s in de sectoren (academische) ziekenhuizen, curatieve ggz-instellingen en zelfstandige behandelcentra (ZBC’s). In 2013 lopen deze veiligheidsprogramma’s af met uitzondering van het programma voor de ZBC’s dat in 2014 nog doorloopt. Het is aan zorgaanbieders, professionals, zorggebruikers en zorgverzekeraars om in 2014 veiligheid als onderdeel van kwaliteit verder te borgen en te integreren in de zorgprocessen en werkcultuur. De inzet van VWS is erop gericht om via bestuurlijke afspraken de inbedding van de resultaten daarvan alsmede voortgangsactiviteiten nauwlettend te monitoren en waar nodig aanvullende doelstellingen te bepalen. VWS zal ten aanzien van een aantal sectoroverstijgende speerpunten in 2014 een stimulerende rol spelen, zoals bij het versterken van de rol van de patiënt, veilig incident melden, medicatieveiligheid en de inbedding van patiëntveiligheid in opleidingen (zie ook brief van 11 juni 2013, TK 33 497, nr. 9). Voor de curatieve zorg zal VWS daarvoor op het gebied van patiëntveiligheid in 2014 circa € 0,8 miljoen uittrekken.

Subsidies en opdrachten in relatie tot zwangerschap en geboorte

In navolging van de adviezen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte (TK 32 279, nr. 10) neemt het kabinet maatregelen om de perinatale gezondheid in Nederland te verbeteren. Dat moet er mede toe leiden dat goede resultaten worden doorgezet. Een Europese vergelijkende studie (Peristat 3 uit 2013) laat zien dat verdere verbeteringen mogelijk zijn. In 2014 is voor de maatregelen zwangerschap en geboorte in totaal circa € 2,0 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden deels verantwoord onder artikel 1 Volksgezondheid.

Subsidie ten behoeve van registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

Er wordt subsidie (€ 3,6 miljoen) verleend aan de Stichting Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) voor het in stand houden van een landelijke databank met alle pathologie-uitslagen in Nederland.

Subsidie Perinataal Webbased dossier

Eén van de belangrijkste voorwaarden voor het leveren van goede, integrale geboortezorg is het zorgen voor goede gegevensuitwisseling. Het programma Perinataal Webbased Dossier (PWD) werkt aan goede digitale gegevensuitwisseling in de perinatale zorg. Het PWD gaat daarbij uit van éénmalige registratie en meermalig gebruik van gegevens door digitale gegevensuitwisseling tussen enerzijds zorgverleners onderling (met name verloskundigen en gynaecologen) en anderzijds met centrale registraties zoals de Stichting Perinatale Registratie Nederland (landelijke databank voor informatie en onderzoek) en RIVM (in verband met de prenatale screening in het kader van de Wet op het Bevolkingsonderzoek). Er is door betrokken partijen gezamenlijk een plan opgesteld voor de volgende fase van het project (fase 2b) dat in 2013 van start is gegaan. Het betreft een weerbarstig traject waar ook in 2014 nog de nodige stappen voor gezet zullen moeten worden. In 2014 is hiervoor € 0,5 miljoen gereserveerd.

Subsidie aan Nictiz

Nictiz is het landelijke expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. Er wordt in 2014 € 5,0 miljoen subsidie verleend aan Nictiz om een coördinerende functie te vervullen bij de ontwikkeling van ICT- en informatiestandaarden en implementatieondersteuning bij het gebruik van deze standaarden. Tevens fungeert Nictiz als kennis- en expertisecentrum en vervult het een verbindende rol bij de ontwikkeling en het gebruik van ICT in de zorg.

Subsidies voor de bijwerkingenregistratie voor vaccins en teratologie informatie service

De stichting Lareb ontvangt een subsidie van € 1,2 miljoen voor het systematisch verzamelen van gegevens over bijwerkingen van de in het Rijksvaccinatieprogramma gebruikte vaccins en het verstrekken van informatie over en het doen van onderzoek naar het gebruik van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap en de lactatieperiode (teratologie informatie service).

Subsidie aan de Nederlandse Transplantatie Stichting en regio’s landelijke implementatie pilots orgaandonatie

De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) verzorgt onder andere voorlichting over donatie van weefsels en organen aan burgers en professionals en voert activiteiten uit rond donorwerving. Daartoe ontvangt de NTS circa € 3,1 miljoen subsidie in 2014.

De landelijke uitrol van de pilots in de zeven orgaandonatieregio’s is inmiddels een feit. Voor het uitvoeren van deze activiteiten ontvangen de zeven orgaandonatieregio’s en de NTS subsidies van in totaal € 21 miljoen, waarvan € 8,6 miljoen in 2014. Over de evaluatie van de projecten, die in 2014 plaatsvindt, zal de Tweede Kamer eind 2014 worden geïnformeerd.

In onderstaande figuur wordt de ontwikkeling van postmortale orgaandonoren in de periode 2007–2012 geschetst. Postmortale orgaandonoren zijn donoren die na overlijden (postmortaal) daadwerkelijk één of meer organen hebben gedoneerd. In 2012 waren dit er 252. In de figuur wordt tevens aangegeven hoeveel organen van overleden donoren in de periode 2007–2012 zijn getransplanteerd.

Kengetallen orgaandonatie

Kengetallen orgaandonatie

Bron: website van de Nederlandse Transplantatie Stichting

Deze tabel geeft naast de aantallen donaties en transplantaties de verhouding weer tussen het aantal postmortale orgaandonoren en het aantal orgaantransplantaties in Nederland dat met uit postmortale orgaandonoren verkregen organen is verricht.

Subsidies aan de Stichting Life Sciences & Health voor LSH Plaza en UMCG ten behoeve van het project LifeLines en bijdrage aan agentschap NL voor beheer subsidies LSH en TI Pharma

Uit de voormalige FES-gelden wordt subsidie verstrekt aan projecten op het gebied van life sciences and health aan de Stichting Life Sciences & Health (LSH). In 2014 is hiervoor een bedrag van € 14,3 miljoen geraamd. Het Agentschap NL Innovatie verzorgt het subsidiebeheer voor de LSH-projecten en het Topinstituut Pharma. Hiervoor ontvangt het agentschap een vergoeding van circa € 0,08 miljoen. De subsidie aan het Topinstituut Pharma eindigt in 2013.

De Stichting LSH is omgevormd tot een topconsortium voor kennis en innovatie, genaamd LSH Plaza. LSH Plaza geeft vorm aan de publiekprivate samenwerking in de topsector life sciences and health en kan daarvoor een beroep doen op TKI-toeslag 4 van het Ministerie van EZ.

Uit de voormalige FES-gelden wordt tevens het project LifeLines van het UMC Groningen bekostigd. Het LifeLines project heeft als doel te onderzoeken waarom sommige mensen gezond ouder worden en andere mensen al op jonge leeftijd problemen met hun gezondheid krijgen. Er is speciale aandacht voor chronische ziekten, zoals astma, diabetes en nierfalen. Daartoe wordt in de periode 2010–2015 een subsidie verstrekt aan het UMCG van € 40 miljoen, waarvan € 4,6 miljoen in 2014.

Bijdrage aan agentschap CIBG: Donorregister

VWS verleent een bijdrage (€ 3,0 miljoen) aan het agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) voor het registeren van de keuze van burgers over orgaan- en weefseldonatie in het Donorregister (zie onderstaande figuur).

Kengetal: Aantal geregistreerden in het Donorregister

Kengetal: Aantal geregistreerden in het 						  Donorregister

Bron: Donorregister/ Registraties

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies voor eerstelijns gezondheidscentra in Vinex-gebieden

Het is van belang dat er ondanks marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties, waar nog niet voldoende patiënten wonen, geïntegreerde eerstelijnszorg wordt aangeboden. Daarom worden gezondheidscentra waarbij sprake is van marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties contractueel worden belast met het aanbieden van die zorg bij wijze van dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat zij de taak hebben om op die locaties geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiertoe zullen zij gedurende de aanloopperiode (maximaal 5 jaar) ter compensatie subsidie ontvangen. Hiervoor is in 2014 circa € 2,0 miljoen beschikbaar.

Subsidies voor anonieme e-mental health

Voor de financiering van anonieme e-mental health is in 2012, 2013 en 2014 jaarlijks een subsidie van € 2,0 miljoen beschikbaar. Om dit geld te verdelen over het brede palet van anonieme e-mental health aanbieders is een beleidskader anonieme e-mental health opgesteld, waarop aanbieders subsidieaanvragen hebben ingediend. Dit beleidskader is een tijdelijke maatregel, waarmee in 2012, 2013 en 2014 subsidie wordt verstrekt aan een aantal aanbieders van anonieme e-mental health. Met deze tijdelijke maatregel is ruimte gecreëerd om een structurele oplossing, vorm te geven. Het wetsvoorstel voor deze structurele oplossing is in de zomer 2013 aangeboden aan het parlement. Dit betreft een wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten teneinde de bekostiging van anonieme e-mental health structureel te regelen en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten mogelijk te maken (TK 33 675, nr. 3).

Subsidie Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon

De patiëntenvertrouwenspersoon verleent cliënten die zijn opgenomen in een geestelijke gezondheidszorginstelling (ggz-instelling) advies, informatie en bijstand bij de handhaving van hun rechten. De werkzaamheden van de patiëntenvertrouwenspersoon hebben een wettelijke basis in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en het besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz. Met de subsidie (€ 4,9 miljoen) stelt VWS de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon in staat deze wettelijke taak onafhankelijk van de instellingen uit te voeren. De subsidie dekt zowel de bureaukosten van de stichting als de inzet van de vertrouwenspersonen.

Subsidie Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen

VWS financiert de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP) in verband met de uitvoering van de motie TK 30 492, nr. 23, waarin werd verzocht om in iedere ggz-instelling een familievertrouwenspersoon beschikbaar te hebben. Een familievertrouwenspersonen voorziet familieleden en naasten in advies, bijstand en informatie over de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg. Het subsidiebedrag van € 1,1 miljoen is gebaseerd op gefaseerde introductie van de familievertruwenspersoon in ggz-instellingen en landelijke uitrol van de familievertrouwenspersoon. Met deze subsidie van VWS worden de LSFVP, de werkzaamheden van familievertrouwenspersonen in ggz-instellingen en de landelijke helpdesk van de LSFVP gefinancierd.

Subsidie Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) is een organisatie die zich bezig houdt met het verspreiden van informatie en oplossingen voor een goed, veilig, betaalbaar, doelmatig en verantwoord medicijngebruik. Besloten is om de instellingssubsidie af te bouwen in twee jaar tijd; in 2014 bedraagt de subsidie circa € 0,5 miljoen. De concrete activiteiten die deze stichting voor VWS uitvoert (ontwikkeling en het onderhoud van materialen voor het farmacotherapeutisch overleg tussen huisartsen en apothekers, verzameling van informatie over geneesmiddelen in relatie tot ongewenste beïnvloeding en de jaarlijkse uitvoering van een benchmark voorschrijven huisartsen) passen meer in een opdrachtrelatie en zullen dan ook met ingang van 1 januari 2014 stapsgewijs Europees aanbesteed worden.

Bekostiging Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18–

Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie. De rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds (circa € 2,5 miljard) voorziet in de financiering van de premie van deze kinderen.

Bekostiging en bijdrage aan ZBO/RWT CVZ in het kader van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

Zorgaanbieders kunnen een bijdrage vragen aan het CVZ als zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen en de kosten niet verhaalbaar blijken op de patiënt. Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet gestelde voorwaarden. Voor compensatie aan de zorgaanbieders 2014 is € 32,0 miljoen beschikbaar. Het CVZ ontvangt voor de uitvoering een bijdrage van VWS (€ 0,6 miljoen in 2014).

Opdrachten meldpunt verspilling in de zorg

In het kader van het programma Verspilling in de Zorg is een meldpunt verspilling opgericht. VWS voorziet in de bekostiging van het meldpunt door het verstrekken van opdrachten voor de duur van de huidige kabinetsperiode. Het voornemen is om na de aanloopfase te verkennen of veldpartijen de structurele financiering van het landelijk meldpunt en het beheer van de rapportages willen overnemen van VWS. De geraamde kosten voor 2014 bedragen € 0,4 miljoen.

Bijdrage aan agentschap CIBG voor Farmatec

Het CIBG is verantwoordelijk voor het toekennen van vergoedingslimieten in het Geneesmiddelenvergoedingensysteem en het vaststellen van maximumprijzen voor geneesmiddelen op grond van de Wet Geneesmiddelenprijzen. Hiervoor wordt een bedrag van € 1,0 miljoen begroot.

Het CIBG verricht taken op het gebied van vergunning- en ontheffingsverlening op grond van de Geneesmiddelenwet, de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal en de Wet inzake bloedvoorziening. Deze activiteiten worden uit tarieven gefinancierd.

Bevorderen van de werking van het stelsel

Subsidie aan Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen

De Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) verzorgt doelgroepgerichte voorlichting aan onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet om deze groepen te wijzen op hun plicht zich te verzekeren dan wel te betalen. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van het aantal wanbetalers en onverzekerden. De bijdrage 2014 bedraagt € 0,3 miljoen.

Subsidies in het kader van de zorgfraudebestrijding

Er zijn subsidies verstrekt aan onder andere cliëntenorganisaties voor het opzetten van een gezamenlijk early warning systeem, waarmee cliënten hun signalen over het vermoeden van fraude kenbaar kunnen maken. Deze cliëntenorganisaties werken de signalen in overleg met de melder op zodat ze bruikbaar zijn voor vervolgstappen richting het verzamelpunt fraude van de NZa of richting IGZ. Doel van deze aanpak is bij te dragen aan het opsporen en voorkomen van fraude. Ook wordt een gezamenlijke projectorganisatie zorgfraudebestrijding ingericht waarin onder andere de volgende organisaties participeren: NZa, FIOD, IGZ, OM, ISZW, VWS en ZN. De projectorganisatie krijgt de opdracht om de meerwaarde van de programmatische aanpak van fraude aan te tonen. Zij krijgt een strategische en operationele functie. Bij de strategische functie gaat het om het maken van analyses met het doel meer zicht te krijgen op de risico’s van fraude. Bij de operationele functie gaat het om het gezamenlijk aanpakken van zorgfraudezaken.

De bijdrage voor 2014 bedraagt € 1,7 miljoen. Voor nieuw beleid wordt verwezen naar het plan van aanpak dat in september 2013 naar de Tweede Kamer wordt toegestuurd.

Inkomensoverdracht overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

Met de ambulancediensten zijn in de afgelopen jaren afspraken gemaakt over de vergoeding van het overgangsrecht ouderenregelingen. Deze regelingen zijn voor de werknemers bij de ambulancediensten afhankelijk van de verschillende CAO’s die voor de diensten golden (publiek, particulier en privaat). Met elk van de groepen is een overeenkomst gesloten, waarin is geregeld dat 95% van de kosten bij VWS gedeclareerd kan worden. Om verschillen in de tariefstelling ten gevolge van de ouderenregelingen te voorkomen, is ervoor gekozen de betalingen van alle drie deze regelingen via de begroting van VWS te laten verlopen (bijdrage 2014 € 28,0 miljoen).

Opdrachten Risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan de gewijzigde omstandigheden in de zorg. In 2014 en de jaren daarna wordt vooral het ex ante vereveningsmodel voor de curatieve geestelijke gezondheidszorg verbeterd. Verder vindt er een kwantitatieve analyse plaats van de werking van het vereveningssysteem. Hiervoor is in 2014 circa € 1,4 miljoen beschikbaar.

Opdrachten in het kader van aanpak fraude

Om verder inzicht te verkrijgen in de oorzaken en mogelijke oplossingen gericht op de aanpak van zorgfraude worden diverse onderzoeken verricht die er op gericht zijn om de concrete aanpak van verbeterpunten in de keten van patiënt /aanbieder/verzekeraar/toezichthouder te onderbouwen en te monitoren. Deze onderzoeken zullen onder andere betrekking hebben op systeemverheldering, internationale vergelijkingen en best practices. Het doel van de onderzoeken is om vast te stellen wat we hieruit kunnen leren. Daarnaast wordt aandacht besteed aan publiekscommunicatie en gerichte communicatie aan veldpartijen (totaal € 1,2 miljoen in 2014). Voor nieuw beleid wordt verwezen naar het plan van aanpak dat in september 2013 naar de Tweede Kamer wordt toegestuurd.

Bijdragen aan agentschap CJIB en ZBO’s/RWT’s CVZ en SVB in verband met actieve opsporing onverzekerden en wanbetalers

Het kabinet vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het CVZ door middel van vergelijking van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebouwd bestand van alle AWBZ-verzekerden en het referentiebestand verzekerden Zorgverzekeringswet (RBVZ) dat alle Zvw-verzekerden bevat. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). De uitvoeringskosten van het CJIB en de SVB worden vanaf de VWS-begroting betaald.

Op grond van de Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering worden wanbetalers die geen premie betalen bij zes maanden premieachterstand door de zorgverzekeraar overgedragen aan het CVZ. Via onder andere bronheffing betalen zij verplicht een bestuursrechtelijke premie van 130%. De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald. Van de bestuursrechtelijke premie die wanbetalers betalen wordt 30/130ste deel aangewend voor de uitvoering. In 2012 is een begin gemaakt met activiteiten die erop gericht zijn te voorkomen dat mensen in een bestuursrechtelijk premieregime terecht komen (door onder andere samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten). In 2014 zullen deze preventieve activiteiten, die in 2013 meer concreet zijn ingevuld en die ertoe strekken de betaal- en afloscapaciteit van de schuldenaar zo goed mogelijk aan te wenden voor aflossing van premieschulden, worden doorontwikkeld. Eveneens zullen in 2014 de aangekondigde maatregelen worden (door)ontwikkeld ter optimalisering van het bestuursrechtelijke premieregime en het bevorderen van de uitstroom (TK 33 683, nrs. 2 en 3). Vanaf maart 2013 is een stijgende trend waar te nemen in het aantal wanbetalers, vermoedelijk als gevolg van de economische situatie.

Kengetallen onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet
 

2011

2012

Raming 2013

Aantal onverzekerden eind december bij het CVZ

58.000

39.000

40.000

Aantal wanbetalers eind december bij het CVZ

318.000

293.000

340.000

Bron: maandrapportage CVZ.

Voor het jaar 2013 is de raming gebaseerd op de actuele cijfers uit de maandrapportage van het CVZ van 1 juni 2013.

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor het jaarlijks doorlichten van een deel van het verzekerd pakket

Conform het regeerakkoord Rutte-Asscher zal het CVZ jaarlijks een deel van het verzekerd pakket doorlichten met een taakstellend bedrag aan uitgavenbesparing (stringent pakketbeheer). Voor de uitvoering van deze taak is een investering nodig in de capaciteit van het CVZ. De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald. Voor 2014 is daarvoor een bedrag van € 10,0 miljoen begroot.

Bijdrage aan ZBO NZa: doorontwikkeling en beheer dbc-systematiek

De middelen op de begroting van VWS voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de dbc-systematiek zijn, in afwachting van de uitkomsten van een heroverweging naar de verantwoordelijkheid- en taakverdeling tussen publieke en private partijen bij de dbc- systematiek, vooralsnog in 2013 en 2014 beschikbaar gesteld aan de NZa. Deze middelen staan verantwoord op artikel 4.

Bijdrage aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor exploitatiekosten SLA C2000/GMS

VWS draagt 4,5% bij aan de exploitatiekosten van het digitale communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, C2000. Daarmee is het aandeel van de ambulancezorg gedekt. Deze uitgaven zijn structureel € 4,1 miljoen per jaar.

Ontvangsten

Ontvangsten wanbetalers en onverzekerden

De ontvangsten als gevolg van de aan wanbetalers opgelegde bestuursrechterlijke premie worden met ingang van 2012 voor 100/130ste deel toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds; 30/130ste deel hiervan wordt toegevoegd aan de begroting van VWS, waaruit de uitvoeringskosten worden gefinancierd. De ontvangsten als gevolg van de inning van bestuurlijke boetes in geval van onverzekerdheid worden toegevoegd aan de begroting van VWS. Voor 2014 is het totale bedrag geraamd op € 34,8 miljoen.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en waarbij ondersteuning en zorg worden aangeboden op grond van de complexiteit van de zorgvraag én de kwetsbaarheid van de betreffende burger. Er wordt gestreefd naar welbevinden en (daarmee naar) een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

In aanloop naar de invoering van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning (in 2015) zal een nieuwe algemene indicator of kengetal worden ontwikkeld. Onderstaande gegevens hebben hoofdzakelijk betrekking op de ondersteuningskant van bijgaand artikel.

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (≥ 65 jaar) en de algemene bevolking in 2012 (percentages)

Kengetal: De participatie van mensen met een 						  lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (≥ 						  65 jaar) en de algemene bevolking in 2012 (percentages)

< 65 jaar. Bij mensen met een verstandelijke beperking gaat het om (on)betaald werk, zowel 65-plus als 65-min

Bron: Participatiemonitor 2013, NIVEL

Mensen met een lichamelijke beperking zijn conform de participatiemonitor van het NIVEL mensen met langdurige motorische en/of zintuiglijke beperkingen. De ernst van de beperking wordt vastgesteld aan de hand van de activiteiten die men (zelfstandig) kan doen. Het gaat om activiteiten op het gebied van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en mobiliteit, huishoudelijke activiteiten en om het zien en horen. In het kengetal zijn de gegevens opgenomen over mensen met en lichte of matige verstandelijke beperking op basis van vragen aan naasten over de feitelijke participatie van hun met een verstandelijke beperking. Hiervoor is gekozen omdat de vraagstelling bij naasten beter aansluit bij die van de algemene bevolking.

Bovenstaand kengetal toont de participatie in 2012 op basis van de participatiemonitor van het NIVEL. Op basis hiervan kan worden gesteld dat mensen met een lichamelijke beperking minder vaak betaald werk hebben en ook minder relatief vaak vrijwilligerswerk doen. Ouderen boven de 65 jaar doen vaker vrijwilligerswerk dan jongeren. Het kengetal laat zien dat 46% van de mensen met een verstandelijke beperking volgens hun naasten gebruik maken van het openbaar vervoer. Een deel van de mensen maakt gebruik van andere vervoersvoorzieningen, bijvoorbeeld via een zorgaanbieder of familie. Het gebruik van het openbaar vervoer is de afgelopen jaren gelijk gebleven. Het beeld uit de literatuur dat het sociale netwerk van mensen met een verstandelijke beperking klein is en veelal bestaat uit zorgprofessionals en familie wordt bevestigd door de monitor: niet meer dan 16% van de mensen heeft (ook) regelmatig contact met vrienden zonder een beperking. Op basis van de meerjarige gegevens van de participatiemonitor van het NIVEL kan worden gesteld dat er enige beweging is in de participatie van mensen met beperkingen, ouderen en de algemene bevolking. Zo zijn meer mensen met een lichamelijke beperking en ouderen vrijwilligerswerk gaan doen, wat goed past in de beleidsdoelstellingen van de Wmo. Mensen vinden het belangrijk om te participeren en er is ook behoefte om meer te participeren. Tegelijkertijd is het zo dat de totale participatie van mensen met een lichamelijke beperking of een lichte of matige verstandelijke beperking niet is veranderd in de periode 2008–2012 en ook de totale participatie van ouderen is onveranderd (periode 2009–2012).

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg. De Minister stimuleert zelfredzaamheid en participatie om iedereen in staat te stellen zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen. Zo nodig wordt daarbij ondersteuning en/of zorg geboden, rekening houdend met het eigen sociale netwerk, de complexiteit van de zorgvraag en de kwetsbaarheid van de betreffende burger. Daarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk welbevinden en daarmee een afnemend beroep op ondersteuning en zorg.

De Minister stimuleert de ontwikkeling en brede verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en ondersteunt initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de zorg en de ondersteuning te versterken.

De Minister stelt de wettelijke kaders van de Wmo en de AWBZ vast en stuurt voorts door het maken van bestuurlijke afspraken en het monitoren van de uitkomsten. De Minister is daarnaast verantwoordelijk voor de uitvoering van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer en het mantelzorgcompliment.

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vormen de wettelijke basis voor dit stelsel. Voorts financiert de Minister de AWBZ en de decentralisatie-uitkeringen vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, het verslavingsbeleid en de openbare geestelijke gezondheidszorg. In dit begrotingsartikel zijn de begrotingsuitgaven voor langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning opgenomen. De premie-uitgaven en ontvangsten op het terrein van langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ).

De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de AWBZ en door het verstrekken van subsidies aan partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid

Programma’s Welzijn Nieuwe Stijl en de Kanteling

Ondersteuningsprogramma zwerfjongeren

Project Aanpak geweld in huiselijke kring (tot en met 2014)

Wet Maatschappelijke Ondersteuning, decentralisatie-uitkering vrouwenopvang en decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid, openbare geestelijke gezondheidszorg

Subsidies en opdrachten voor kennis en advies (o.a. Movisie)

Bekostiging bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer.

Mantelzorgcomplimenten en ondersteuning en versterking van de kwaliteit van mantelzorg

Uitvoering acties uit de brief Geweld In Afhankelijkheidsrelaties en het Actieplan «Ouderen in veilige handen»

Aanpassing Wmo; wetsvoorstel Wmo 2015

Beheer wettelijk kader Wmo: versterking positie slachtoffers geweld in huiselijke kring

Voorbereiding ratificering VN Verdrag inzake de rechten van personen met een beperking

De Sociale Verzekeringsbank verzorgt de uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning

De gemeenten voeren de Wmo uit

Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Programma’s In voor Zorg en Ambient assisted living

Programma actieplan onvrijwillige zorg

Implementatie kwaliteitskader verantwoorde zorg

Nationaal Programma Ouderenzorg en programma Meer tijd voor de cliënt

ZonMw-verbeterprogramma voor meer kwaliteit en een doelgerichte en efficiënte aanpak van palliatieve zorg

Subsidies aan Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), Centra voor Consultatie en Expertise (CCE) en op grond van de regeling Palliatief Terminale Zorg

Subsidies en opdrachten kennis en advies (o.a. Vilans)

Bekostiging bijdrage in kosten van kortingen

Aanpassing wettelijk kader AWBZ

Terugdringen administratieve lasten door programma Meer tijd voor de cliënt

Opstellen beleidsregels

indicatiestelling en kwaliteitseisen

Ontwikkeling regelgeving: Wet Zorg en Dwang

Het CIZ verzorgt de indicatiestelling voor de AWBZ

Het College voor zorgverzekeringen verzorgt de AWBZ-brede zorgregistratie

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

In 2014 zullen de prioriteiten in het teken staan van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning (TK 30 597, nr. 296). Gemeenten krijgen vanaf 2015 een brede verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke ondersteuning van hun inwoners. Een aantal aanspraken op grond van de AWBZ komt te vervallen. Het gaat om begeleiding, het bijbehorende vervoer, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en de aanspraak van burgers die op grond van een indicatie voor verblijf in een beschermde woonvorm wonen. Er wordt veel geïnvesteerd in een zorgvuldige transitie. De transitie naar de nieuwe situatie is een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere partijen zoals de rijksoverheid, gemeenten en aanbieders. Zorg gericht op genezing of behoud van lichamelijke en geestelijke functies, zoals verpleging, wordt verleend vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Om de samenhangende zorg vanuit de Zvw te versterken, worden onderdelen van huidige AWBZ die gericht zijn op behandeling en verpleging onder de Zvw gebracht. Tegelijkertijd wordt de huidige AWBZ vervangen door een nieuwe wet die zich richt op al diegenen die (niet langer) in staat zijn de voor hen noodzakelijke zorg en ondersteuning te regisseren. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van integrale zorg die zij nodig hebben ligt bij de aanbieder en de verzekeraar. Voor meer informatie wordt verwezen naar het Financieel Beeld Zorg.

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • De gemeenten, aanbieders, verzekeraars en cliënten- en patiëntenorganisaties zullen op basis van het transitieplan hervorming langdurige zorg worden ondersteund bij de voorbereidingen naar de nieuwe situatie. De Tweede Kamer zal voor oktober 2014 het transitieplan hervorming langdurige zorg ontvangen. Onderdelen daarvan zijn een transitieplan voor de Wmo, de Zvw en de kern-AWBZ, een spoorboekje en een algemeen deel waarin de samenhang tussen één en ander is aangegeven.

  • Gedurende de transitie wordt door een monitor zicht gehouden op de voortgang en mogelijke risico's/knelpunten, om tijdig signalen te ontvangen wanneer en welke partijen achter dreigen te raken. Hierdoor wordt ondersteuning op lokaal niveau en passend bij de knelpunten tijdig ingezet.

  • De balans tussen formele en informele zorg wordt in 2014 verder verbeterd door niet meer apart te kijken naar de vraag van een cliënt en de vraag van mantelzorgers, maar integraal te kijken naar de cliënt en zijn sociale netwerk. Centraal staat wat de cliënt en zijn omgeving zelf kunnen doen. Vervolgens moet worden bekeken wat aanvullend van professionals en gemeenten nodig is om het zo goed mogelijk zelf te kunnen blijven doen.

De noodzaak voor de hervorming van de langdurige zorg is allereerst ingegeven vanuit de veranderende eisen die mensen stellen aan de kwaliteit van het leven. Mensen willen zo lang mogelijk thuis in hun eigen omgeving wonen en niet eenzaam zijn. De hervorming is erop gericht de zorg en ondersteuning voor ouderen en mensen met een beperking aan te passen aan die wens. Dat vraagt een andere organisatie van zowel de zorg die door professionals wordt gegeven als de ondersteuning die hun naasten hierbij kunnen bieden: wanneer mensen langer in hun omgeving willen blijven wonen zal er ook meer van die omgeving worden gevraagd.

(TK 30 169, nr. 28 d.d. 20 juli 2013)

  • Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving, zoals een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk. Zorgaanbieders krijgen te maken met andere partijen die andere eisen stellen. Dit vraagt hen om meer vanuit ondersteuning en minder vanuit zorg te handelen. Door middel van het programma «In voor zorg» worden zij hierin ondersteund.

  • Fraude met het persoonsgebonden budget (pgb) of zorg in natura kan niet worden getolereerd. Het tast het rechtsgevoel van Nederlanders aan omdat middelen die zijn bedoeld voor kwetsbare mensen verdwijnen in de zakken van criminelen. Daarom wordt uitvoering gegeven aan het fraudeplan dat eind 2013 naar de Kamer zal worden gestuurd.

  • Van belang is dat cliënten binnen de Treeknorm de zorg krijgen die nodig is. Afgelopen halfjaar heeft VWS een taskforce ingesteld om de betrouwbaarheid van de wachtlijsten te verbeteren en de informatie beter te ontsluiten. Inmiddels is de omvang van de wachtlijst fors gedaald. Voortaan kunnen belanghebbenden via de site www.zorgregistratie.nl van het CVZ toegang krijgen tot de module wachtlijsten AWBZ.

  • In vervolg op de inzet in Nederland om de dementiezorg te verbeteren en om de internationale programma’s in ons land goed te verankeren, stelt het kabinet in de periode 2013–2016 in totaal € 32,5 miljoen beschikbaar (TK 25 424, nr. 203) voor de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek binnen het deltaplan Dementie en internationale samenwerkingsprojecten. Met deze samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven sluit het deltaplan uitstekend aan bij de innovaties die het kabinet beoogt met het topsectorenbeleid.

  • In de Wmo-werkplaatsen, samenwerkingsverbanden van lectoren van hoge scholen, aanbieders, cliënten en gemeenten is veel relevante kennis voor diverse beroepsgroepen ontwikkeld. Deze kennis wordt ondergebracht in de diverse onderwijsprogramma's van de hoge scholen.

  • De horizontale verantwoording (art. 9 Wmo) zal in 2014 worden verbeterd door een standaard cliëntervaringsonderzoek te implementeren.

  • De positie van (potentiële) slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties zal door een brede ketenaanpak worden versterkt. Eind 2014 is een toekomstbestendig stelsel voor hulp en opvang van alle slachtoffers van geweld in huiselijke kring tot stand gebracht (brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties», TK 28 345, nr. 117, TK 33 400 XVI, nr. 14).

  • De ratificatie van het VN Verdrag Handicap wordt in 2015 een feit. Dit betekent dat de benodigde wetsvoorstellen voor ratificatie in 2014 door beide Kamers moeten zijn behandeld. Ter voorbereiding op de ratificatie zal structureel overleg worden gevoerd met alle relevante sectoren en veldpartijen, maar ook werkgevers- en werknemersorganisaties om zo met een gezamenlijke inzet te komen tot een continue verbetering van de inclusieve samenleving en zodoende vorm te geven aan de implementatie van het Verdrag. Dit zal in samenhang gebeuren met de programma’s «In voor Zorg» en «Aandacht Voor Iedereen».

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

5.638.535

4.117.650

4.193.311

4.476.277

4.714.178

4.949.335

5.210.452

               

Uitgaven

5.633.963

4.117.754

4.193.291

4.476.277

4.714.178

4.949.335

5.210.452

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98%

       
               

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

 

208.778

206.394

200.490

193.954

192.849

192.843

               

Subsidies

 

43.320

42.555

41.032

34.523

33.420

33.416

waarvan onder andere:

             

Movisie

 

7.929

7.939

7.939

7.939

7.939

7.939

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

12.400

12.400

12.400

12.400

12.400

12.400

Mezzo

 

3.490

3.107

3.107

3.107

3.107

3.107

               

Bekostiging

 

432

432

432

432

432

432

               

Inkomensoverdrachten

 

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

Mantelzorgcompliment

 

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

               

Opdrachten

 

72.399

70.780

69.399

69.372

69.370

69.368

waarvan onder andere:

             

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

 

60.510

60.510

60.513

60.513

60.511

60.509

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

3.112

3.112

3.112

3.112

3.112

3.112

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

SVB: uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning

 

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

3.000

3.000

0

0

0

0

VenJ: opvang minderjarige meisjes

 

1.800

1.800

0

0

0

0

Gemeentefonds: opvang speciale doelgroepen

 

1.200

1.200

0

0

0

0

               

2. Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

 

3.908.976

3.986.897

4.275.787

4.520.224

4.756.486

5.017.609

               

Subsidies

 

214.495

207.656

165.542

161.441

162.764

162.588

waarvan onder andere:

             

Centrum Indicatiestelling Zorg

 

111.000

106.745

87.272

86.807

86.807

86.807

Aanpak fraude persoonsgebonden budget

 

12.500

17.500

5.000

5.000

5.000

5.000

Subsidieregeling palliatieve zorg

 

18.810

18.943

18.945

18.944

18.944

18.942

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

 

7.642

7.642

7.642

7.642

7.642

7.642

Programma «In voor zorg!»

 

16.535

18.400

15.400

15.000

15.000

15.000

Stichting Centrum Consultatie en expertise

 

10.890

9.873

9.797

9.797

9.797

9.797

Vilans

 

5.144

5.268

5.186

5.186

5.186

5.186

Integraal Kankercentrum Nederland

 

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

               

Bekostiging

 

3.679.200

3.758.800

4.085.600

4.330.600

4.566.400

4.827.700

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

 

3.679.200

3.758.800

4.085.600

4.330.600

4.566.400

4.827.700

               

Opdrachten

 

13.054

18.427

22.631

26.169

25.308

25.307

waarvan onder andere:

             

Aanpak fraude persoonsgebonden budget

 

2.500

2.500

0

0

0

0

Programma «Kwaliteit palliatieve zorg'

 

2.547

2.547

2.547

2.547

2.547

2.547

Programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning'

 

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Zorg en dwang

 

750

1.500

0

0

0

0

Deltaplan Dementie

 

1.200

1.750

1.750

1.750

1.750

1.500

Nationaal Programma Ouderenzorg

 

1.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

               

Bijdrage aan agentschappen

 

2.227

0

0

0

0

0

CIBG: Opdrachtgeverschap WTZi

 

2.227

0

0

0

0

0

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

0

2.014

2.014

2.014

2.014

2.014

CVZ: AWBZ-brede zorgregistratie

 

0

2.014

2.014

2.014

2.014

2.014

               

Ontvangsten

7.320

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget ad € 250,2 miljoen is 90% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget ad circa € 3,8 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bekostiging van wachtgelden en de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK).

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget ad € 86,6 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van het mantelzorgcompliment.

Opdrachten

Van het beschikbare budget ad € 89,2 miljoen is 83% juridisch verplicht. Het betreft onder andere bovenregionaal gehandicaptenvervoer, geweld in afhankelijkheidsrelaties, programma «Meer tijd voor de cliënt», programma «Kwaliteit palliatieve zorg», programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning» en de ontwikkeling en evaluatie van het persoonsgebonden budget.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget ad € 5,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan de SVB inzake de uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning en het CVZ inzake de AWBZ-brede zorgregistratie.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget ad € 3,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de opvang van minderjarige meisjes en de financiering van de pilots opvang voor «specifieke groepen».

5. Instrumenten

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Subsidie aan Movisie

Het kennisinstituut Movisie ontvangt in 2014 circa € 7,9 miljoen subsidie voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen bij de adequate uitvoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo.

Subsidie Mezzo (mantelzorgondersteuning)

De vereniging Mezzo ontvangt subsidie voor het versterken van de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning (circa € 3,1 miljoen).

Inkomensoverdrachten en bijdrage aan ZBO/RWT Sociale verzekeringsbank ten behoeve van het mantelzorgcompliment

Als blijk van waardering kunnen zorgvragers hun mantelzorger voordragen voor een mantelzorgcompliment (Regeling maatschappelijke ondersteuning). In 2014 bedraagt het compliment € 200,– en het totaalbedrag aan versterkte mantelzorgcomplimenten is in 2014 begroot op € 86,6 miljoen.

Er wordt een bijdrage aan de Sociale Verzekeringsbank verleend voor uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning op basis waarvan het mantelzorgcompliment wordt verstrekt (circa € 3,0 miljoen in 2014).

Dit kengetal geeft aan hoeveel mantelzorgcomplimenten door de Sociale Verzekeringsbank zijn verstrekt per boekjaar.

Kengetal: Aantal versterkte mantelzorgcomplimenten in een jaar

Kengetal: Aantal versterkte mantelzorgcomplimenten in 						  een jaar

Bron: Sociale Verzekeringsbank. Het aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in 2013 betreft een raming.

Subsidies, opdrachten en bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken transitie en transformatie

De middelen (circa € 8,6 miljoen) worden ingezet voor de ondersteuning van gemeenten, aanbieders, verzekeraars en cliënten- en patiëntenorganisaties bij de voorbereidingen op de hervorming van de langdurige zorg. Hiernaast stelt het kabinet, in aanvulling op de middelen die in het kader van de decentralisatie begeleiding reeds beschikbaar zijn gesteld voor gemeenten (€ 47,6 miljoen in 2012; € 32 miljoen in 2013), in 2014 een bedrag van € 37 miljoen beschikbaar via de algemene uitkering van het gemeentefonds. Deze middelen zijn bedoeld om gemeenten te compenseren voor de (transitie)kosten die samenhangen met de inwerkingtreding van de nieuwe Wmo per 2015.

Subsidies en opdrachten aanpak geweld in afhankelijkheidsrelaties, inclusief ouderenmishandeling

De middelen (circa € 15,5 miljoen) worden ingezet voor het toekomstig stelsel van hulp en opvang aan alle slachtoffers van geweld in huiselijke kring (implementatie regiovisies «geweld in huiselijke kring», kwaliteitsborging, de samenvoeging van de Steunpunten huiselijk geweld en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling). Het actieplan «Ouderen in veilige handen» wordt eind 2014 geëvalueerd.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken opvang specifieke groepen

Via de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt ook in 2014 de opvang van minderjarige meisjes gefinancierd (circa € 1,8 miljoen). De financiering van de pilots opvang voor «specifieke groepen», waaronder ook de mannenopvang (€ 1,2 miljoen) via het gemeentefonds blijft gehandhaafd in 2014. Voor zowel van de opvang minderjarige meisjes als de overige specifieke groepen geldt dat vanaf 2015 een structurele oplossing binnen het gemeentelijk domein zal worden gerealiseerd.

Opdracht bovenregionaal gehandicaptenvervoer

Mensen met een mobiliteitsbeperking kunnen gebruik maken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (BRV, voorheen bekend als Valys) per (deel)taxi (circa € 60,3 miljoen in 2014).

In 2012 was de klanttevredenheid over het BRV onverminderd hoog en stabiel (over het geheel genomen waarderen pashouders het reizen met het BRV met een 8,6), zie onderstaand kengetal.

Kengetal: Valys indexcijfers

Kengetal: Valys indexcijfers

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2012, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidie aan het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Het CIZ verzorgt de onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling voor de AWBZ. In het huidige kader is hiervoor in 2014 een bedrag van € 106,7 miljoen beschikbaar. Uit onderstaand figuur valt af te lezen dat het percentage indicatieaanvragen dat door het CIZ binnen de wettelijke termijn wordt afgehandeld hoog is (99% in 2012).

Naar aanleiding van de transitie die het CIZ als gevolg van de herziening van de langdurige zorg dient door te voeren wordt een nieuw meerjarenkader opgesteld.

Het CIZ heeft in 2012 opnieuw het percentage aanvragen dat is afgedaan binnen de daarvoor wettelijk toegestane termijn (0 tot 6 weken) weten te verhogen ten opzichte van het jaar ervoor (zie onderstaand figuur). Bovendien is het aantal aanvragen dat binnen 0 tot 2 weken wordt afgedaan toegenomen van 70% in het eerste kwartaal 2011 naar 83,2% in het vierde kwartaal 2012. Het totale aantal aanvragen dat in behandeling werd genomen in 2012 lag weliswaar iets lager (952.000 ten opzichte van het jaar 2011 981.000), het aantal besluiten waarin enige vorm van zorg wordt geïndiceerd ligt met 857.000 tienduizend hoger dan het jaar ervoor.

De verwachting is dat het aantal aanvragen voor AWBZ zorg in 2014 vergelijkbaar zal zijn met het aantal over 2013. Tegelijkertijd worden de voorbereidingen voor de invoering van de nieuwe wetgeving per 2015 ter hand genomen en zal ook de organisatie van het CIZ zelf gedurende het jaar wijziging ondergaan. Het streven is er niettemin op gericht om het aantal op «op tijd» gerealiseerde besluiten daaronder niet te laten lijden.

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is afgehandeld binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is 						  afgehandeld binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Bron: Jaarverslag CIZ 2012, pagina 10.

Subsidies en opdrachten aanpak fraude persoongebonden budget

Ten behoeve van de aanpak van fraude bij het persoongebonden budget (pgb) is in 2014 € 20,0 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt ingezet voor de invoering van trekkingsrechten, voor het vormgeven van een apart opsporingsunit voor pgb fraude bij de Inspectie SZW en voor het afleggen van huisbezoeken door de zorgkantoren aan circa 30.000 budgethouders.

Subsidies en opdrachten ten behoeve van (kwaliteitsverbetering) palliatieve zorg

Na besluitvorming over de positie van de palliatieve zorg in het nieuwe stelsel van zorg en ondersteuning vindt finale besluitvorming plaats over de stimuleringsmiddelen voor de kwaliteitsverbetering van de palliatieve zorg.

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste levensfase per 30 juni van een jaar

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van 						  de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste 						  levensfase per 30 juni van een jaar

Bron: VWS, subsidieregeling Palliatief terminale zorg

Subsidie programma «In voor zorg»

Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk en het daarmee samenhangende overheidsbeleid zoals onder andere de Herziening van de langdurige zorg. Zorgaanbieders zullen te maken krijgen met andere partijen die andere eisen stellen. Dit vraagt zorgaanbieders om nieuwe manieren van leveren van ondersteuning en zorg. Het programma «In voor zorg!» helpt zorgorganisaties hun werkprocessen in te richten met het oog op deze toekomst (circa € 18,4 miljoen in 2014).

Subsidie aan stichting Centrum Consultatie en Expertise

De stichting Centrum Consultatie en Expertise ontvangt een subsidie van € 9,9 miljoen voor het bieden van perspectief aan individuele cliënten met een bijzondere zorgvraag door inzet van expertise en (tijdelijke) extra ondersteuning.

Subsidie aan Vilans

Vilans is het kenniscentrum voor de langdurende zorg. Samen met professionals in het veld ontwikkelt Vilans vernieuwende en praktijkgerichte kennis en vinden nieuwe inzichten en goede voorbeelden snel en succesvol hun weg in de praktijk. Het betreft een basisbudget en een programmabudget voor kennisactiviteiten (€ 5,3 miljoen).

Subsidie Integraal Kankercentrum Nederland

Het Integraal Kankercentrum Nederland ontvangt een instellingssubsidie van € 6,4 miljoen om, als organisatie waarin deskundigheid over alle facetten van palliatieve zorg is samengebracht, de primaire zorgvraag te ondersteunen door middel van consultatie en ontwikkeling van na- en bijscholing.

Bekostiging Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld om de lagere premieopbrengst van de AWBZ als gevolg van de grondslagverkleining van de AWBZ bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 te compenseren (€ 3,8 miljard in 2014).

Opdrachten programma Informatievoorziening Herziening Langdurige Zorg

Op het terrein van de informatievoorziening wordt een aantal projecten uitgevoerd in samenwerking met onder andere de VNG, Zorgverzekeraars Nederland en uitvoeringsorganisaties. Doel is onder meer het bevorderen van de standaardisering van gegevensuitwisseling Wmo en AWBZ, vereenvoudiging en modernisering van de AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) en beheer en verdere optimalisatie van de webvoorziening Regelhulp (€ 4,0 miljoen).

Opdrachten in het kader van Deltaplan dementie

Sinds 2004 zijn in ons land programma’s uitgevoerd om de zorg voor mensen met dementie te verbeteren. In vervolg op de inzet in Nederland om de dementiezorg te verbeteren en om de internationale programma’s in ons land goed te verankeren, hebben Nederlandse wetenschappers met Alzheimer Nederland het initiatief genomen om het Deltapan Dementie te ontwikkelen. Het Deltaplan Dementie wil een bijdrage leveren aan oplossingen voor verschillende aspecten van deze aandoening en de vele consequenties die deze aandoening heeft voor zowel de mens met dementie, zijn omgeving als de samenleving als geheel (zie ook brief van 4 april 2013, TK 25 424, nr. 203). Het secretariaat van het deltaplan wordt gevoerd door ZonMw.

Eind 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief inzake dementie en het Deltaplan. Met deze samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven sluit het Deltaplan uitstekend aan bij de innovaties die het kabinet beoogt met het topsectorenbeleid.

De VWS-bijdrage voor 2014 bedraagt € 8,2 miljoen, waarvan € 1,8 miljoen via artikel 3 ter beschikking wordt gesteld. Dit bedrag is bestemd voor de uitvoering van het onderzoeksvoorstel van het deltaplan.

Subsidies en opdrachten Nationaal Programma Ouderenzorg

Het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO) levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe interventies gericht op de zorg voor en ondersteuning van kwetsbare ouderen. Vanaf 2008 zijn 73 projecten gestart. Eind 2013 zullen van 57 projecten de eindresultaten bekend zijn, van 16 projecten ligt de einddatum in 2014. De evaluatiegegevens van alle experimenten zijn in een landelijk bestand beschikbaar voor analyse, beoordeling en vergelijking. Het is uiteindelijk aan de beroepsgroepen en het kwaliteitsinstituut om de doelmatig gebleken interventies op te nemen in de professionele standaarden. De bij het NPO betrokken partijen werken in 2014 en 2015 aan de oogst van de resultaten en de overdracht van kennis en ervaring en instrumenten aan het veld. VWS biedt hen daarbij steun in de voorwaardenscheppende sfeer (€ 3,0 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor AWBZ-brede zorgregistratie

De AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) is een uniforme systematiek waarmee indicatieorganen, zorgkantoren en zorgaanbieders elektronisch informatie over cliënten kunnen uitwisselen. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) draagt zorg voor de specificaties van de AZR, de standaarden en de bedrijfsregels en begeleidt de implementatie van de AZR en ontvangt daarvoor een bijdrage van VWS. De bijdrage 2014 bedraagt € 2,0 miljoen.

Artikel 4 Zorgbreed beleid
1. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan. Daar waar publieke belangen in het geding zijn, die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

De positie van de cliënt wordt versterkt. Ten eerste door de rechten van de cliënt te versterken door heldere, eenduidige wetgeving. Ten tweede door te stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen.

De verantwoordelijkheid van de Minister wordt tevens ingevuld door met stakeholders te streven naar een innovatieve en kwalitatieve beroepenstructuur met bijbehorende opleidingsmatrix ter invulling van de huidige en toekomstige zorgvraag met aandacht voor kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Ook wordt – indien noodzakelijk – het arbeidsmarktbeleid van veldpartijen ondersteund en wordt gestimuleerd dat er voldoende capaciteit aan zorgverleners beschikbaar is en blijft.

Ook zijn er randvoorwaarden gecreëerd om het innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen en wordt gezondheidsonderzoek en het gebruik van de ontwikkelde kennis gestimuleerd.

De IGZ houdt toezicht op ruim twintig wetten, waaronder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Geneesmiddelenwet. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

De Minister heeft voor een goede werking van het zorgstelsel de beschikking over verschillende zelfstandige bestuursorganen die een taak hebben op het gebied van markttoezicht, pakketbeheer, kwaliteit en transparantie.

In Caribisch Nederland wordt een passend aanbod van zorg en jeugdzorg gerealiseerd.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Positie cliënt

Subsidieregeling voor organisaties van patiënten- en gehandicapten, zodat deze mensen kunnen helpen hun rol in het stelsel te spelen.

 

Zorgen voor adequate wet- en regelgeving die positie patiënt versterkt en privacy en beveiliging borgt.

 

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Stimuleren van de juiste kwaliteit van zorgopleidingen.

Stimuleren van een logische opleidingsmatrix met de juiste samenhang tussen opleidingen.

Bevorderen van een logische beroepenstructuur, gebaseerd op competenties nodig voor de invulling van de huidige en toekomstige zorgvraag en gericht op samenwerking.

Stimuleren van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel.

Bevorderen van kwaliteit van individuele zorgverlening.

Financieren van het Stagefonds.

Bijdrage leveren aan regionaal arbeidsmarktbeleid.

Bijdrage leveren aan stimulering van de kwaliteit van opleiden en invulling geven aan een adequate beroepenstructuur.

Bewaken van de tot standkoming en het vasthouden van een toekomstgericht opleidingscontinuüm, met juiste kwaliteit en gewenste instroom.

Monitoren en sturen van de tot standkoming en het vasthouden van een innovatieve, kwalitatieve beroepenstructuur.

Constant optimaliseren van de inhoud en uitvoering van de Wet BIG.

Bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt die personeel weet te binden en te boeien en voldoende wervend is.

Volgen van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

 

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Creëren randvoorwaarden om innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen.

Stimuleren van gezondheidsonderzoek en het gebruik van ontwikkelde kennis (o.a. ZonMw).

 

Zorg voor prikkels gericht op kwaliteitsverbetering, normen voor kwaliteit en transparantie.

Oprichten van een nationaal kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (zie CVZ).

 

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

   

Opstellen van wetgeving waarin taken van NZa, CVZ en andere organisaties worden vastgelegd.

Via CVZ, NZa en andere organisaties een bijdrage leveren aan de uitvoering van het stelsel.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Samen met betrokken partijen stimuleren van de verbetering van het aanbod van (jeugd)zorg, met name via de uitvoering van de Middel Lange Termijn Plannen die in 2008 samen met de eilandbesturen zijn vastgesteld.

Financieren zorg 100% en (mede)financieren jeugdzorg.

(Jaarlijks) evalueren van de aanspraken in kader van zorgregeling voor Caribisch Nederland en indien nodig aanpassen.

Voorbereiden regelgeving voor de jeugdzorg (financiering, kwaliteit) en realiseren van CJG op de drie eilanden.

Uitvoeren zorgregelgeving voor Caribisch Nederland door het Zorgverzekeringkantoor op Bonaire.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

Positie cliënt

  • De positie van de cliënt wordt verbeterd.

    Met de derde nota van wijziging Wet cliëntenrechten zorg van 15 april 2013 is het wetsvoorstel beperkt tot een wettelijke regeling van kwaliteit, klachten en geschillen en heeft het wetsvoorstel een andere naam gekregen, namelijk Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Op 4 juli 2013 heeft de Tweede Kamer de Wkkgz (TK 32402) aangenomen en ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Als de Eerste Kamer haar goedkeuring geeft zal in 2014 het wetsvoorstel in werking treden en geïmplementeerd worden.

    Op 24 mei 2013 is de derde nota van wijziging bij de Beginselenwet AWBZ-zorg bij de Tweede Kamer ingediend (TK 33109). Op verzoek van de Tweede Kamer zullen de bepalingen uit dit wetsvoorstel een plek krijgen in het wetsvoorstel dat de kern AWBZ regelt. De Beginselenwet AWBZ-zorg wordt ingetrokken.

Opleidingen beroepenstructuur en arbeidsmarkt

  • De zorgvraag stijgt de komende jaren als gevolg van demografische en technologische ontwikkelingen. Tegelijkertijd wordt er zowel in de langdurige zorg en ondersteuning als in de curatieve zorg een omvangrijke transitie in gang gezet. Om het zorgaanbod daarbij te waarborgen, zal de capaciteit van het zorgaanbod zowel kwalitatief als kwantitatief op niveau moeten liggen en aansluiten bij de behoeften van de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor het arbeidsmarktbeleid in de zorgsector ligt bij de zorginstellingen en sociale partners. De overheid heeft hierin een ondersteunende rol. Uitgaande van deze verantwoordelijkheidsverdeling zijn in de Arbeidsmarktbrief «Vertrouwen in professionals» (TK 29 282, nr. 128) de speerpunten voor de overheid geformuleerd op het terrein van de arbeidsmarkt. In de tweede helft van 2013 wordt een nieuwe arbeidsmarktbrief naar de Tweede Kamer gestuurd.

  • Tot en met 2013 werden de (vervolg)opleidingen voor gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel in het zogeheten Fonds Ziekenhuisopleidingen via begrotingssubsidies gefinancierd. Met ingang van 2014 worden deze opleidingen via een beschikbaarheidbijdrage op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) gefinancierd. De uitvoering geschiedt door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De betalingen lopen via het CVZ. In dit kader is het bij deze opleidingen horende budget van de begroting overgeheveld naar de premiegefinancierde uitgaven (zie Financieel Beeld Zorg).

  • In het zorgoverleg met sociale partners is afgesproken dat er een kwaliteitsimpuls komt voor het personeel in algemene en categorale ziekenhuizen (TK 33 566, nr. 29). Goed opgeleide en geëquipeerde professionals, in het bijzonder verpleegkundigen, zijn immers hard nodig. Het doel is dat de algemene en categorale ziekenhuizen vanaf 2014 via subsidiëring in de gelegenheid gesteld worden zoveel mogelijk van de huidige medewerkers de mogelijkheid te bieden om op een hoger professioneel niveau te functioneren. In het najaar 2013 wordt hiervoor het instrumentarium ontwikkeld. De benodigde middelen worden van de premiegefinancierde uitgaven overgeheveld naar de begroting. Wel blijven deze middelen behoren tot het BKZ.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

  • Er wordt naar gestreefd om per 1 januari 2014 het Kwaliteitsinstituut voor de zorg operationeel te laten zijn (TK 32 620, nr. 59). Hiermee wil het kabinet een forse impuls geven aan de kwaliteitsverbetering van de gezondheidszorg in Nederland. Het Kwaliteitsinstituut richt zich op het stimuleren van de steeds verdere verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland. Het toetsingskader van het Kwaliteitsinstituut draagt er aan bij dat onnodige administratieve lasten van bijvoorbeeld kwaliteitsindicatoren voorkomen worden. Ook moet het Kwaliteitsinstituut ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot begrijpelijke en betrouwbare informatie over de kwaliteit van geleverde zorg. Het wetsvoorstel daartoe is in maart 2013 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het instituut wordt ondergebracht bij het College voor zorgverzekeringen. Het zal, bijvoorbeeld wanneer de doorzettingsmacht moet worden ingezet, deskundigheid tijdelijk uit het veld betrekken, zonder dat deze in dienst komt. Zo blijft het Kwaliteitsinstituut «lean and mean».

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

  • Om de taken die door intermediaire organisaties voor VWS worden uitgevoerd doelmatiger te organiseren worden een aantal veranderingen in gang gezet. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) zal zich ontwikkelen tot frontoffice voor overheidsdiensten naar burgers. Vanuit het CVZ zullen taken met betrekking tot de uitvoering van de op burgers gerichte regelingen gefaseerd worden overgenomen door het CAK of SVB. De publieke taken van DBC-Onderhoud worden ondergebracht bij de NZa.

  • De Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet op de zorgtoeslag (Wzt) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ) worden in 2014 geëvalueerd.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

  • Zorgverzekering Caribisch Nederland

    In 2013 is verder gewerkt aan het verbeteren van het zorginkoopproces, de verzekerden administratie en het administratieve beheer. Verwacht wordt dat het Zorgverkeringskantoor in 2014 de hiervoor genoemde processen op het juiste niveau kan brengen.

  • Verbeteren van het zorgaanbod

    De verbetering van de medische infrastructuur zal vanaf 2014 worden doorgezet als onderdeel van de bedrijfsvoering van de diverse zorginstellingen. Verder zal er worden gewerkt aan de verbetering van het contractbeheer met de zorgaanbieders.

    Het ziekenhuis op Bonaire kan door de jumelage met VU/AMC meer basiszorg zelf leveren, zodat er minder medische uitzendingen nodig zullen zijn. Hierdoor zal de rol van de huisartsen op de eilanden ook veranderen, waarvoor zij vanaf eind 2013 ondersteuning ontvangen.

  • Verslavingszorg

    Om de psychiatrie en de verslavingszorg op de drie eilanden op te zetten en te ondersteunen in de uitvoering, is de verslavingszorginstelling Novadic Kentron ingehuurd door het Zorgverzekeringskantoor. Novadic Kentron zal in 2014 in samenwerking met de bestaande voorzieningen op de eilanden de benodigde verbetering en uitbreiding van het aanbod realiseren.

  • Jeugdzorg

    De focus voor de jeugd ligt op het bieden van goede basisvoorzieningen en het voortzetten van de verbeteringen die de laatste jaren in dit kader zijn gedaan. Voorbeelden zijn de verbetering van de jeugdgezondheidszorg, het bieden van opvoedingsondersteuning, het versterken van seksuele educatie, het verbeteren van de gezinsvoogdij en een sluitende aanpak van kindermishandeling.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

748.883

783.599

694.225

737.871

731.186

739.767

748.517

               

Uitgaven

1.832.888

952.363

697.717

739.596

731.186

739.767

748.517

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97%

       
               

1. Positie cliënt

 

35.655

26.934

25.630

25.542

25.841

25.840

               

Subsidies

 

30.491

22.878

20.005

19.917

20.216

20.215

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

 

30.164

22.698

19.855

19.917

20.216

20.215

Overig positie cliënt

 

327

180

150

0

0

0

               

Opdrachten

 

3.822

2.602

4.171

4.171

4.171

4.171

waarvan onder andere:

             

Ondersteuning cliënt organisaties

 

3.655

2.437

4.000

4.000

4.000

4.000

               

Bijdrage aan agentschappen

 

1.342

1.454

1.454

1.454

1.454

1.454

waarvan onder andere:

             

CIBG: uitvoering subsidieregeling

 

1.333

1.333

1.333

1.333

1.333

1.333

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

490.353

299.230

369.342

377.897

383.573

389.561

               

Subsidies

 

477.596

288.546

358.671

365.229

370.840

376.828

waarvan onder andere:

             

Kwaliteitsimpuls categorale en algemene ziekenhuizen

 

0

48.000

134.000

140.000

145.000

151.000

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

 

106.000

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

 

16.124

18.323

20.527

20.526

20.526

20.525

Aanpassing opleidingscurricula

 

0

5.000

3.000

2.000

0

0

Vaccinatie stageplaatsen zorg

 

3.850

3.850

3.850

3.850

3.850

3.850

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

 

27.425

34.775

38.812

39.375

39.375

39.375

Opleiding tot ziekenhuisarts

 

3.493

5.842

628

0

0

0

Capaciteitsorgaan

 

1.644

1.625

1.599

1.599

1.599

1.599

Regionaal arbeidsmarktbeleid

 

7.500

7.500

7.500

650

0

0

Veilig werken in de zorg

 

2.576

3.196

3.196

0

0

0

               

Opdrachten

 

2.329

2.115

2.104

3.094

3.160

3.160

               

Bijdragen aan agentschappen

 

9.746

7.903

7.904

7.904

7.903

7.903

waarvan onder andere:

             

CIBG: Bijdrage voor onder andere het BIG-register en SVB-Z

 

5.300

5.300

5.300

5.300

5.300

5.300

               

Bijdrage ZBO’s/ RWT

 

682

666

663

1.670

1.670

1.670

CVZ: sectie Zorgberoepen en opleidingen

 

682

666

663

1.670

1.670

1.670

               

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

 

120.349

89.359

81.757

78.005

77.638

77.484

               

Subsidies

 

5.021

5.042

4.857

4.974

4.974

4.973

Nivel

 

5.021

5.042

4.857

4.974

4.974

4.973

               

Opdrachten

 

300

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan agentschappen

 

2.021

2.370

2.371

2.371

2.571

2.571

waarvan onder andere:

             

CIBG: Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording

 

708

800

800

800

800

800

RIVM: Zorgbalans

 

623

650

650

650

650

650

               

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

 

113.007

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

ZonMw: programmering

 

106.826

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

ZonMw: exploitatie

 

6.181

0

0

0

0

0

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

 

216.803

193.292

167.088

151.043

151.037

150.927

               

Subsidies

 

256

256

256

256

256

256

Uitvoering Wtcg

 

256

256

256

256

256

256

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

213.206

189.636

163.414

149.741

149.735

149.625

waarvan onder andere:

             

Centraal Administratie Kantoor

 

95.576

92.950

80.628

68.008

68.006

67.899

Nederlandse Zorgautoriteit

 

48.272

43.231

29.262

29.212

29.212

29.212

College voor zorgverzekeringen

 

65.265

48.436

48.636

47.636

47.636

47.636

College Bouw Zorginstellingen

 

1.204

1.400

1.350

1.350

1.350

1.350

College Sanering Zorginstellingen

 

2.523

2.615

2.615

2.615

2.615

2.615

               

Opdrachten

 

3.341

3.400

3.418

1.046

1.046

1.046

waarvan onder andere:

             

TNO centrum Zorg en Bouw

 

2.370

2.370

2.370

0

0

0

Uitvoering Wtcg

 

789

907

927

927

927

927

               

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

 

89.203

88.902

95.779

98.699

101.678

104.705

               

Bekostiging

 

89.203

88.902

95.779

98.699

101.678

104.705

Zorg en welzijn

 

84.524

84.192

91.036

93.956

96.935

99.963

Jeugdzorg

 

4.679

4.710

4.743

4.743

4.743

4.742

               

Ontvangsten

33.922

156.858

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

Bovenstaande informatie is bedoeld voor Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 316,7 miljoen is 97,6% juridisch verplicht. Het betreft de subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, subsidies opleidingen, beroepen en arbeidsmarktbeleid en een subsidie aan Nivel. Het niet juridisch verplichte deel is voornamelijk bestemd voor de aanpassing van de opleidignscurricula, opdat de met de veldpartijen afgesproken besparing als gevolg van het verkorten van de opeldingsduur gerealiseerd kan worden.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad € 88,9 miljoen is 97,8% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de zorg, welzijn en jeugdzorg van Caribisch Nederland.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 8,1 miljoen is 81,9% juridisch verplicht. Het betreft onder andere een opdracht aan PGO-support en een overeenkomst met TNO Centrum Zorg en Bouw.

Bijdragen aan agentschappen

Op basis van het offertetraject is het budget voor 2014 ad € 11,7 miljoen 97,2% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2014 aan het CIBG en RIVM.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget 2014 ad € 272,2 is 96,8% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan het CVZ, NZa, CAK, CBZ, CSZ en ZonMw.

5. Instrumenten

Positie cliënt

Subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Er worden subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal benut worden voor goede zorg en ondersteuning (beschikbare budget circa € 22,7 miljoen in 2014). Doel is het op collectief niveau inbrengen van cliëntenervaringen en het cliëntperspectief voor beter beleid, zorg en ondersteuning. Daarnaast kunnen patiënten en gehandicapten hun ervaringsdeskundigheid uitwisselen, zodat zij hun eigen leven met ziekte of beperking zo goed mogelijk kunnen inrichten en de zorg ontvangen die het beste bij hun behoeften past.

Opdrachten voor ondersteuning cliëntenorganisaties

Met PGO-support, een onafhankelijke netwerkorganisatie die versterking en ondersteuning biedt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, is een overeenkomst gesloten voor de ondersteuning van de cliëntenorganisaties bij het opstellen van subsidieaanvragen en het inbrengen van het cliëntenperspectief (€ 2,4 miljoen in 2014).

Bijdrage aan agentschap CIBG voor de uitvoering van de subsidieregeling pg-organisaties

De werkzaamheden rond de uitvoering van de subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) worden vanaf medio 2013 uitgevoerd door het kerndepartement. De administratieve verwerking hiervan zal echter pas in de 1e suppletoire begroting 2014 worden geëffectueerd. De bijdrage hiervoor aan het CIBG komt dan te vervallen (€ 1,3 miljoen).

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Subsidies Kwaliteitsimpuls Algemene en Categorale Ziekenhuizen

Om algemene en categorale ziekenhuizen te stimuleren zoveel mogelijk de huidige medewerkers de mogelijkheid te bieden om op een hoger professioneel niveau te gaan functioneren, kunnen zij vanaf 2014 hiervoor subsidie aanvragen. In 2014 is daar € 48,0 miljoen voor beschikbaar, oplopend tot € 151,0 miljoen in 2018.

Subsidies stageplaatsen zorg/stagefonds

Om de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel te waarborgen is de zorg voor opleidingen van belang. Het Stagefonds is één van de instrumenten die VWS inzet om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. In 2014 en verder wordt het Stagefonds voortgezet met een budget van € 110,0 miljoen (TK 29 282, nr. 128).

Subsidies Publieke Gezondheidszorgopleidingen

Per 1 oktober 2012 is de subsidieregeling opleidingen Publieke Gezondheidszorg 2013–2017 in werking getreden. Op grond van deze regeling kan een instellingssubsidie worden verstrekt aan opleidingsinrichtingen, die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid verzorgen voor de profielen infectieziektebestrijding, Jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde of tuberculosebestrijding. In 2014 is hiervoor € 18,3 miljoen beschikbaar.

Subsidies Aanpassing opleidingscurricula

Het betreft middelen die bedoeld zijn om de kosten voor het realiseren van een kortere opleidingsduur (en daarmee lagere uitgaven) beoogde aanpassingen van de opleidingscurricula te kunnen financieren (€ 5,0 miljoen in 2014).

Subsidies vaccinatie stageplaatsen zorg

De subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg (circa € 3,9 miljoen in 2014) draagt eraan bij dat stagiairs voorafgaand aan hun stage gevaccineerd zijn tegen Hepatitis B. Dit voorkomt studie-uitval of -vertraging.

Subsidies opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar zorg moeten we alle zorgverleners inzetten daar waar ze het beste tot hun recht komen. Nieuwe beroepsbeoefenaren – verpleegkundig specialisten en physician assistants – zijn speciaal opgeleid om eenvoudige en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Er komen meer opleidingsplaatsen voor nieuwe beroepen. De bijdrage 2014 bedraagt € 21,0 miljoen.

Subsidies Opleiding ziekenhuisarts

De ziekenhuisartsen zijn meer generalistisch opgeleide artsen (met een profielregistratie) die in de intramurale basiszorg de minder complexe taken van de medisch specialist kunnen overnemen. De nieuwe medische functie van «ziekenhuisarts» wordt via een subsidie aan de Stichting Opleiding Ziekenhuis Geneeskunde in een viertal pilots geïmplementeerd. De bijdrage 2014 bedraagt € 5,8 miljoen.

Subsidie Capaciteitsorgaan

Voor het opstellen van ramingen voor de opleidingscapaciteit van onder andere de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen, evenals de ramingen naar ggz-opleidingen, ontvangt het Capaciteitsorgaan jaarlijks een subsidie (in 2014 circa € 1,6 miljoen).

Subsidie regionaal arbeidsmarktbeleid

Het arbeidsmarktbeleid in de zorg dient op het lokale en regionale niveau gestalte te krijgen. Het is van belang dat zorginstellingen hierin gezamenlijk optrekken om daarmee de arbeidsmarktpositie van de zorg in de regio te versterken. Via Regioplus, de koepel van regionale werkverbanden in zorg en welzijn, wordt in 2014 een subsidie van € 7,5 miljoen beschikbaar gesteld. Met deze subsidie wordt in elke regio gewerkt aan een vijftal programmalijnen, te weten strategisch arbeidsmarktbeleid, werven met beleid, duurzame inzetbaarheid, kwalificeren voor zorg en welzijn en @nders werken.

Subsidie Veilig werken in de zorg

Om instellingen te stimuleren meer en beter beleid te voeren tegen de verschillende vormen van agressie worden tot en met 2015 via een subsidies middelen beschikbaar gesteld aan het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, Ambulancezorg Nederland en de Stichting Sociaal Fonds voor de Huisartsenzorg (in 2013 circa € 2,6 miljoen, in 2014 en 2015 € 3,2 miljoen).

Bijdragen aan agentschap CIBG voor BIG-register en Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg

Buitenlands gediplomeerden die in de Nederlandse gezondheidszorg willen werken, moeten – voor zover zij niet vallen onder de automatische erkenning van diploma’s op grond van de Europese regelgeving – een aanvraag indienen voor een verklaring van vakbekwaamheid of voor een erkenning van de opleidingstitel(s) of de beroepskwalificatie.

Voor de beoordeling hiervan ontvangt het CIBG een bijdrage van VWS van € 2,4 miljoen.

Met de Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z) van het CIBG wordt het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in de zorg gefaciliteerd. Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS. De bijdrage 2014 voor deze werkzaamheden bedraagt € 2,9 miljoen.

Bijdrage aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen voor de sectie Zorgberoepen en Opleidingen

De sectie Zorgberoepen en Opleidingen van het CVZ houdt zich bezig met het toekomstgericht en sectoroverstijgend rapporteren en signaleren van de gewenste ontwikkelingen van beroepen en opleidingen in de zorg. Hierbij gaat de sectie uit van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen over de zorgverlening en de vraag naar zorg. Nieuwe beroepen en bestaande beroepen met andere taken en daarmee taakherschikking zijn hiermee eveneens onderwerp van de sectie. De bijdrage 2014 bedraagt € 0,7 miljoen.

Onderstaande tabel bevat kengetallen over de arbeidsmarkt zorg en welzijn. De werkgelegenheid in 2012 is voor het eerst in jaren gedaald in de sectoren zorg en welzijn. Dit komt volledig voor rekening van de welzijnssector. In de zorgsector is de werkgelegenheid in 2012 met 1,4% gestegen. De arbeidsmarktgegevens laten verder zien dat de zorg haar positie bestendigt. Mede door de huidige economische conjunctuur zijn er op dit moment beperkte knelpunten voor specifieke beroepen.

Kengetallen arbeidsmarkt
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Werkgelegenheidsontwikkeling zorg en welzijn

2,7%

3,6%

3,8%

3,6%

1,1%

– 0,2%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

13

13

11

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240.000

251.000

260.000

268.000

271.000

278.000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

5,7%

6,4%

3,9%

5,2%

5,2%

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

4,80%

4,6%

Bronnen: CBS Statline, www.azwinfo.nl , Panteia, Vernet.

1. Groei werkgelegenheid (in fte) 4e kwartaal ten opzichte van 4e kwartaal voorgaande jaar.

2. Betreft het aantal vacatures per 1.000 banen ultimo 3e kwartaal van elk jaar.

3. Het gemiddelde betreft 2005–2007 in plaats van 2003–2007.

4. Netto verloop betreft uitstroom uit de gehele sector zorg en welzijn. De cijfers over het netto verloop voor 2012 en verder zijn vooralsnog niet beschikbaar. De definitie van het netto verloop is (met terugwerkende kracht) enigszins gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. Daardoor zijn de percentages gestegen. Het gemiddelde over 2003–2007 heeft alleen betrekking op de jaren 2006 en 2007.

5. Het ziekteverzuim heeft alleen betrekking op de sector zorg (en niet op welzijn).

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidie voor onderzoek van de gezondheidszorg

Voor onderzoek naar de effectiviteit en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en de (relatie tussen) de verschillende partijen in de zorg wordt subsidie verleend (€ 5,0 miljoen in 2014) aan het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Het Nivel ontwikkelt en beheert hiertoe databases, panels en monitors.

Bijdrage aan agentschap CIBG voor het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording

Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. Zij zijn verplicht om een aantal gegevens aan te leveren aan de hiervoor bedoelde database. Alle partijen die een rol spelen binnen het zorgstelsel hebben toegang tot deze uniforme, digitale informatie via www.jaarverslagenzorg.nl . Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (beschikbare budget circa € 0,8 miljoen in 2014).

Bijdrage aan agentschap RIVM voor de Zorgbalans

De prestaties van het zorgstelsel worden gemonitord met de Zorgbalans (zie www.gezondheidszorgbalans.nl ). De Zorgbalans schetst aan de hand van indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Het RIVM ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (beschikbare budget circa € 0,7 miljoen in 2014).

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering programma’s

ZonMw is een intermediaire organisatie die op programmatische wijze projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laat uitvoeren. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit, relevantie en samenhang. In onderstaande tabel zijn de activiteiten uitgesplitst naar de verschillende beleidsterreinen waarop de programma’s bij ZonMw betrekking hebben.

Op de overige artikelen staan ook begrotingsposten op het gebied van Kennisontwikkeling en innovatie, bijvoorbeeld RIVM (artikel 1), Nivel (artikel 2), Vilans (artikel 3) en Movisie (artikel 3).

Overzichtstabel geraamde programma-uitgaven ZonMw 2014–2018 (Bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal ZonMW

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere preventieprogramma en infectieziektebestrijding

26.653

26.630

26.660

26.217

25.127

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere doelmatigheidsprogramma en «Goed Gebruik Geneesmiddelen»

37.137

33.356

31.997

32.313

33.378

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning: onder andere «Ambient Assisted Living» en Deltaplan Dementie

4.563

4.421

4.525

4.362

4.382

Artikel 5 Jeugd: onder andere «Effectief Werken in de Jeugdsector» en richtlijnen Jeugdgezondheidszorg

8.109

6.342

6.373

6.146

6.145

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere onderzoeksprogramma Sport

5.485

3.780

1.105

1.055

908

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s NZa, CVZ, CBZ, CSZ en CAK voor de beheerskosten

Het betreft bijdragen in de beheerkosten van de volgende zelfstandige bestuursorganen:

  • Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft vijf wettelijke taken, te weten: de centrale betaling aan 3.500 AWBZ-instellingen (namens de zorgverzekeraars), het innen van de eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf (intramurale zorg) en de Zorg zonder Verblijf (extramurale zorg), het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), het uitkeren van de compensatie van het eigen risico zorgverzekeringswet en het uitvoeren van de maatregelen rond de eigen bijdrage regelingen in de wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 93,0 miljoen;

  • De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn concurrentie in de zorg op gang brengen en bewaken, tarieven in de zorg reguleren en toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ. De middelen op de begroting van VWS voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de dbc systematiek zijn, in afwachting van de uitkomsten van een heroverweging naar de verantwoordelijkheids- en taakverdeling tussen publieke en private partijen bij de dbc systematiek, in 2014 beschikbaar gesteld aan de NZa. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 43,2 miljoen;

  • Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft tot taak het uitvoeren van het pakketbeheer Zvw en AWBZ, fondsbeheer van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, het uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening) en de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ, het uitvoeren regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden). Met ingang van 1 januari 2014 maakt het Kwaliteitsinstituut onderdeel uit van het CVZ. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 48,4 miljoen;

  • De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het College Bouw Zorginstellingen (CBZ) komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 1,4 miljoen.

  • Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 2,6 miljoen;

Opdracht TNO Centrum Zorg en Bouw

Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, is er met TNO Centrum Zorg en Bouw een overeenkomst gesloten. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 2,4 miljoen.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging zorg en welzijn

Per 1 januari 2011 is er één zorgverzekering voor iedereen in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat iedereen die legaal op Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont en/of werkt, ongeacht ziektebeeld en leeftijd is verzekerd voor ziektekosten en zorgkosten die in het Europese deel van Nederland uit de Zvw, inclusief een deel van de aanvullende verzekeringen, en AWBZ worden vergoed.

De totale geraamde kosten die naar verwachting in 2014 gemoeid gaan met de zorg en welzijn op Caribisch Nederland betreffen circa € 84,2 miljoen. In 2011 is door de inwoners van Caribisch Nederland via belastingen en werkgeverspremies circa € 30 miljoen 5 bijgedragen aan de zorguitgaven.

Bekostiging jeugdzorg

In 2014 is voor de jeugdzorg op Caribisch Nederland circa € 4,7 miljoen beschikbaar. Op alle drie de eilanden is een Centrum voor Jeugd en Gezin.

Kengetallen (jeugd)zorg Caribisch Nederland
 

2011

2012

1. Aantal medische uitzendingen

11.271

7.539

2. Aantal verzekerden

21.843

23.430

3. Kosten per capita zorg

2.610

3.700

4. Aantal cliënten in de jeugdzorg inclusief cliënten Centra voor Jeugd en Gezin

304

Bron:

1. Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland

2. Aantal verzekerden 2012 betreft het aantal inwoners (voorlopig cijfer)

3. Totaal uitgaven gedeeld door het aantal inwoners

4. Opgave directeur Jeugdzorg Caribisch Nederland

Artikel 5 Jeugd
1. Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond en veilig opgroeien, zich ontwikkelen en participeren. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

De Minister is verantwoordelijk voor het wettelijk kader rond zorg voor jeugd waarbinnen gemeenten, provincies, grootstedelijke regio’s, lokale en landelijke organisaties, Bureaus Jeugdzorg, zorgverzekeraars en zorgaanbieders hun verantwoordelijkheden realiseren. Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) verantwoordelijk voor het preventief jeugdbeleid en het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Provincies zijn op grond van de Wet op de jeugdzorg verantwoordelijk voor de geïndiceerde jeugdzorg. Deze vorm van zorg doet zich voor wanneer sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jongeren. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) respectievelijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vindt financiering plaats van jeugd- geestelijke gezondheidszorg (Jeugd-ggz) respectievelijk de zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (jeugd-lvb).

Daarnaast heeft de Minister een bijzondere verantwoordelijkheid voor de JeugdzorgPlus. De Minister is rechtstreeks verantwoordelijk voor de JeugdzorgPlus, zowel financieel als inhoudelijk. JeugdzorgPlus is een intensieve vorm van jeugdzorg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die zich aan de noodzakelijke behandeling dreigen te onttrekken. Het betreft hulp met dwang en drang voor jongeren voor wie een machtiging gesloten jeugdzorg is afgegeven door een kinderrechter.

Voorts hecht de Minister een belang aan het in stand houden van een landelijke kennisinfrastructuur vanwege de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. Het gaat om het monitoren van en kennis voor beleidsontwikkeling, -implementatie en zorgvernieuwing rond het stelsel van jeugdvoorzieningen.

Ten aanzien van de verschillende onderdelen op het terrein van de zorg voor jeugd heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de jeugdzorg.

De Inspectie Jeugdzorg (IJZ) is verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg. De uitgaven voor de IJZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Stimuleren van laagdrempelige opvoedondersteuning aan jongeren en ouders met opgroei- en opvoedvragen.

Het stimuleren van gemeenten om perspectief te bieden aan kwetsbare jongeren door verbetering van de samenhang in beleid en uitvoering tussen zorg, school en werk.

 

Samen met de Minister van VenJ bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door middel van het opstellen en regisseren van het Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen Veilig» 2012–2016».

 

Noodzakelijke en passende zorg

Een landelijke kennisinfrastructuur in stand houden en hierbij het veld de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdzorg geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.

Het (mede-)financieren van een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat een Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod in te kopen voor kinderen en jongeren met een indicatie jeugdzorg.

Het financieren van benodigde JeugdzorgPlus capaciteit. Twaalf particuliere instellingen ontvangen subsidie voor het bieden van zorgaanbod in het gesloten kader.

 

Verantwoordelijk voor twee Rijksinstellingen die JeugdzorgPlus capaciteit aanbieden. De twee Rijksinstellingen (Almata en Lindenhorst) fuseren in 2013 en worden hierna geprivatiseerd.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

Stelselwijziging

  • De nieuwe Jeugdwet is 1 juli 2013 voor behandeling bij de Tweede Kamer ingediend. Na aanvaarding door het parlement zal de wet op 1 januari 2015 in werking treden. Door de decentralisatie van alle jeugdhulp, dus inclusief de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering naar gemeenten en de ontschotting van budgetten worden de prikkels vergroot voor meer preventie, meer inzet van eigen kracht en sociaal netwerk en integrale hulp aan gezinnen (één gezin, één plan, één regisseur).

  • In 2014 staan de voorbereidingen van gemeenten en het veld op de invoering van het nieuwe jeugdstelsel centraal. De voorbereiding vindt plaats aan de hand van de stappen in het Transitieplan Jeugd dat april 2013 naar de Tweede Kamer (TK 31 839, nr. 290) is gezonden. Om de continuïteit van zorg voor bestaande gevallen te borgen worden in 2014 de zogenoemde regionale transitiearrangementen uitgevoerd. Gemeenten en het veld worden bij de voorbereidingen op de stelselwijziging ondersteund door het Transitiebureau Jeugd (VNG, Rijk).

Demedicaliseren, ontzorgen, normaliseren

  • Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren is een hoofddoel van de stelselwijziging. In 2014 wordt uitvoering gegeven aan de Transformatieagenda Jeugd, een operationeel kader van VNG, Rijk en het veld om de beoogde transformatie van de jeugdhulp te faciliteren. Verspreiding van zorgvernieuwingen vindt plaats via een etalage van goede voorbeelden op www.voordejeugd.nl

  • Naar aanleiding van een rondetafelconferentie in april 2013 hebben de beroepsgroepen van artsen jeugdgezondheidszorg, kinderartsen, huisartsen en psychiaters zich uitgesproken voor gezamenlijke acties om medicaliseren tegen te gaan. Het gaat om aanscherping van bestaande richtlijn ADHD, verspreiden van best practices (zoals de praktijkondersteuner ggz), het organiseren van de maatschappelijke discussie over het aanzuigend effect van een label en betere samenwerking met scholen. Deze zogenoemde demedicaliseringsagenda jeugd wordt in 2014 verder uitgewerkt.

  • De Ministeries van SZW, OCW en VWS continueren in 2014 samen met het veld de domeinoverstijgende aanpak om participatie op het gebied van zorg, school en werk te bevorderen en medicalisering waar mogelijk te voorkomen.

Aanpak Kindermishandeling en seksueel misbruik

  • Doel van de aanpak is voorkomen dat een kind mishandeld wordt, signaleren van kindermishandeling en seksueel misbruik, stoppen van de mishandeling en beperken van de schadelijke gevolgen van de mishandeling.

  • In 2014 worden gemeenten ondersteund op de aanpak kindermishandeling en vindt verdere uitvoering plaats van de acties uit het actieplan Kinderen Veilig, zoals de publiekscampagne en het ontwikkelen van een richtlijn voor de jeugdzorg. De Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik monitort halfjaarlijks de voortgang en jaagt de acties aan. Eind 2014 is een mid term review voorzien van het actieplan Kinderen Veilig.

  • In 2014 wordt verdere uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de commissie-Samson met betrekking tot seksueel misbruik in de jeugdzorg. Dit betreft hulp aan slachtoffers en verdere professionalisering van de jeugdzorgsector. De instellingen die werkzaam zijn in de jeugdzorg en de jeugdbescherming hebben samen met Jeugdzorg Nederland het Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg ontwikkeld. De inspectie jeugdzorg zal toezicht houden op de naleving in de praktijk.

Professionalisering jeugdzorg

  • Naar verwachting treedt 1 januari 2014 de wijziging van de Wet op de jeugdzorg in werking om professionalisering van de provinciale jeugdzorg te ondersteunen.

  • Jeugdzorginstellingen worden verplicht om met geregistreerde jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers te werken. Doorlopende bij- en nascholing is een voorwaarde voor jeugdzorgprofessionals om geregistreerd te blijven. Ook verbinden zij zich aan beroepsethische normen. Als sluitstuk van de jeugdzorgprofessionalisering komt er tuchtrecht.

  • De norm van de verantwoorde werktoedeling en daarmee de verplichting om geregistreerde jeugdprofessionals in te zetten, is de afgelopen jaren ontwikkeld met in de context partijen in de provinciale jeugdzorg. In de Jeugdwet zal deze een bredere werking hebben. Een onderzoek (zomer 2013) zal zicht geven op de noodzaak en (financiële) consequenties van het van toepassing laten zijn van deze norm voor kwaliteitsborging op de (deels) andere beroepsgroepen en andere sectoren met hun eigen professionaliseringstrajecten. Op basis van dit onderzoek zal ook worden bezien of de uitkomst van dit onderzoek consequenties heeft voor de toepassing van de norm in het nieuwe jeugdstelsel.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

1.550.615

1.506.768

1.404.726

1.491.493

1.395.914

1.361.934

1.361.316

               

Uitgaven

1.503.200

1.500.445

1.551.126

1.491.493

1.395.914

1.361.934

1.361.316

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

 

45.624

38.197

41.585

41.349

41.347

40.809

               

Subsidies

 

36.428

31.772

30.953

30.206

30.204

30.203

Koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

 

22.034

21.613

21.616

21.615

21.614

21.613

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

6.887

6.836

6.806

6.806

6.805

6.805

Stelselherziening

 

3.309

162

16

0

0

0

Zorg voor jeugd

 

4.198

3.161

2.515

1.785

1.785

1.785

               

Opdrachten

 

6.910

4.609

5.004

5.520

5.520

5.520

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

1.467

1.719

1.719

1.719

1.719

1.719

Stelselherziening

 

5.000

2.447

2.842

3.358

3.358

3.358

Aanpak kindermishandeling

 

443

443

443

443

443

443

               

Bijdrage aan agentschap

 

769

749

734

729

729

729

Verwijsindex

 

769

749

734

729

729

729

               

Bijdrage aan medeoverheden

 

201

201

4.028

4.028

4.028

3.491

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

1.316

866

866

866

866

866

VenJ: Aanpak kindermishandeling

 

665

665

665

665

665

665

Kijkwijzer

 

201

201

201

201

201

201

Stelselherziening

 

450

0

0

0

0

0

               

2. Noodzakelijke en passende zorg

 

1.454.821

1.512.929

1.449.908

1.354.565

1.320.587

1.320.507

               

Subsidies

 

210.570

208.624

210.389

202.776

202.936

202.924

JeugdzorgPlus

 

208.075

205.166

207.657

200.804

200.964

200.952

Jeugdzorg

 

2.495

3.458

2.732

1.972

1.972

1.972

               

Opdrachten

 

1.477

1.048

1.532

2.292

2.292

2.292

waarvan onder andere:

             

JeugdzorgPlus

 

335

250

0

0

0

0

Jeugdzorg

 

1.142

798

1.532

2.292

2.292

2.292

               

Bijdrage aan medeoverheden

 

1.237.062

1.297.465

1.231.944

1.143.454

1.109.316

1.109.249

Doeluitkering Jeugdzorg provincies en grootstedelijke regio's

 

1.237.062

1.297.465

1.231.944

1.143.454

1.109.316

1.109.249

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

5.712

5.792

6.043

6.043

6.043

6.042

JeugdzorgPlus

 

5.712

5.792

6.043

6.043

6.043

6.042

               

Ontvangsten

24.143

20.628

4.508

4.508

4.508

4.508

4.508

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

 

9.343

4.423

4.423

4.423

4.423

4.423

Noodzakelijke en passende zorg

 

11.285

85

85

85

85

85

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies. Projectsubsidies kunnen meerjarig zijn. Van het beschikbare budget 2014 ad € 240,4 miljoen is circa 98% juridisch verplicht. Het betreft de instellingsubsidies JeugdzorgPlus, Schippersinternaten, Nederlands Jeugdinstituut, Nationale Jeugdraad, Stichting Adoptievoorziening, LOC, Nederlandse vereniging pleeggezinnen, Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, Opvoeden.NL, Kinderrechtencollectief en subsidies op het terrein van de commissie-Samson.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 5,7 miljoen is circa 8% juridisch verplicht. Het betreft kaseffecten van opdrachten uit 2013. De niet juridisch verplichte middelen zijn gereserveerd voor opdrachten met name op het gebied van stelselwijziging jeugdzorg.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget 2014 ad € 0,7 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het CIBG voor de uitvoeringskosten en het beheer van de Verwijsindex risicojongeren, zoals vastgelegd in de tarievennotitie.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget 2014 ad € 1,297 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft hoofdzakelijk de doeluitkering jeugdzorg aan provincies en grootstedelijke regio’s (op basis van uitvoeringsprogramma’s en landelijk beleidskader), compensatie besparingsverlies AKW/WKB aan het Ministerie van SZW en uitgaven voor uitvoeringskosten jeugdzorg in het kader van de stelselherziening.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2014 ad € 6,7 miljoen is circa 95% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen voor de vervoerkosten JeugdzorgPlus (convenant), onderwijskosten JeugdzorgPlus (afspraken met OCW), actieplan Aanpak kindermishandeling en Kijkwijzer.

5. Instrumenten

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Subsidie aan koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

Voor het regelen van opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten ontvangen internaten subsidie (circa € 21,6 miljoen).

Subsidies, opdrachten en bijdragen voor preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

Er zijn middelen beschikbaar voor het stimuleren van diverse ontwikkelingen op het jeugdterrein zoals demedicaliseren, jongerenparticipatie, ouderbetrokkenheid, kinderrechten en mentale gezondheidsbevordering. Daarnaast zijn er middelen voor kennis en monitoring, visieontwikkeling en instrumentontwikkeling (circa € 8,6 miljoen).

Voorbeelden zijn:

  • Kennisontwikkeling

    Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) is het landelijk kennisinstituut voor jeugd- en opvoedingsvraagstukken en heeft tot doel deze kennis te verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden. Het NJi voert hiertoe onderzoeksprojecten uit, ontwikkelt kennis, methoden, instrumenten en richtlijnen voor professionals, ondersteunt de implementatie van kennis en voert opleidingsactiviteiten uit.

  • Participatie

    Jongerenparticipatie en talentontwikkeling zijn de kerntaken van NJR (de landelijke vereniging van jongerenorganisaties). Bij NJR werken jongeren aan (media)campagnes en projecten voor hun leeftijdgenoten. NJR geeft jongeren de kans om te laten zien wie ze zijn en wat ze kunnen. Ook adviseert NJR overheden en andere organisaties over jeugdbeleid.

  • Kinderrechten

    Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormt de basis van het jeugdbeleid. Op grond van artikel 42 van het Verdrag worden activiteiten gesubsidieerd die de rechten van kinderen algemeen bekend maken.

  • Jeugdmonitor

    De jeugdmonitor laat de situatie van de jeugd zien aan de hand van indicatoren die het brede jeugdveld bestrijken, te weten de domeinen jongeren en gezin, gezondheid en welzijn, onderwijs, arbeid, veiligheid en justitie. De gegevens zijn opgeslagen in een jeugddatabase en in een database voor gemeenten (de lokale jeugdspiegel). Daarnaast verschijnt jaarlijks een publicatie waarin de situatie van de jeugd wordt beschreven, afwisselend voor het landelijk en regionaal niveau.

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken Aanpak Kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd

De bijdrage 2014 Aanpak Kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd bedraagt circa € 4,3 miljoen. De aanpak van kindermishandeling is een belangrijk onderdeel van de brede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Basis voor de aanpak is het actieplan Kinderen Veilig 2012–2016, dat samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt uitgevoerd. Een sluitende aanpak van preventie, signalering en stoppen tot het beperken van de schade van kindermishandeling is hierin de leidraad. De aanbevelingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen over de aanpak van kinderpornografie zijn opgenomen in het actieplan. De Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik monitort de uitvoering van het actieplan evenals de acties als gevolg van de aanbevelingen van de commissie-Samson en jaagt betrokken veldpartijen aan. Daarnaast wordt een deel van de middelen in 2014 ingezet voor het opstellen van de richtlijn kindermishandeling voor de jeugdzorg. De subsidie voor de Forensische Polikliniek Kindermishandeling en de implementatie van de wettelijk verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling worden gefinancierd uit artikel 3.

Tevens zijn in het kader van zorg voor jeugd middelen beschikbaar op het gebied van adoptievoorziening en opvoedvraagstukken.

Kengetal: Aantal gerapporteerde mishandelde kinderen en jeugdigen in Nederland

Kengetal: Aantal gerapporteerde mishandelde kinderen 						  en jeugdigen in Nederland

Bron: Universiteit Leiden en TNO. De Tweede Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling in Nederland anno 2010, in opdracht van het Ministerie van VWS. In deze studie is onderzocht hoeveel kinderen tot 18 jaar in 2010 zijn mishandeld en om welke vorm van mishandeling het hierbij ging. In 2010 werden in heel Nederland naar schatting bijna 119.000 kinderen gerapporteerd als slachtoffer van kindermishandeling. De stijging ten opzichte van 2005 hangt vermoedelijk samen met de toegenomen politieke en publieke aandacht voor kindermishandeling, waardoor professionals meer alert zijn op signalen van kindermishandeling. Het onderzoek wordt in 2015 herhaald.

Bijdragen aan medeoverheden voor kwetsbare jongeren

Helaas lukt het een te grote groep jongeren niet op eigen kracht hun weg te vinden. Ze vallen uit op school, hebben problemen met het vinden van werk, komen vanuit de jeugdzorg moeilijk aan de slag en komen te snel in de Wajong terecht. Deze kwetsbare jongeren kennen vaak een opeenstapeling van problemen. Om deze jongeren te ondersteunen en perspectief te geven op een zelfstandige toekomst zijn bijdragen beschikbaar (circa € 4,0 miljoen). Daarvan is op verzoek van de Tweede Kamer € 3,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling van campus «de Nieuwe Kans» in Rotterdam en voor doorontwikkeling van het concept wijkschool (TK 31 839, nr. 214).

Opdrachten, subsidies en bijdragen aan medeoverheden stelselherziening

In de bestuursafspraken 2011–2015 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn afspraken gemaakt over het nieuwe wettelijk kader, de bestuurlijke voorwaarden voor decentralisatie naar gemeenten, de transitie naar het nieuwe stelsel en de beschikbare in- en uitvoeringskosten.

In 2014 is voor de voorbereiding op de stelselwijziging jeugd in totaal circa € 18,5 miljoen beschikbaar, waarvan circa € 16,0 miljoen op artikelonderdeel 5.2 is begroot. De middelen worden ingezet voor invoeringskosten bij gemeenten, provincies en grootstedelijke regio’s, en daarnaast voor de ondersteuning van het transitieproces.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor het programma «Effectief werken in de jeugdsector»

Vanaf 2013 loopt het programma «Effectief werken in de jeugdsector» van ZonMW, wat een vervolg is op het programma «Zorg voor jeugd». Het nieuwe programma is naast de rol van ontwikkeling van effectieve instrumenten en interventies tevens gericht op de rol die de cliënt, de professional en de organisatie hebben op de effectiviteit van ondersteuning en zorg; evenals op de relatie die bestaat tussen deze dimensies. Deze middelen (circa € 3,6 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMW voor het programma «Academische Werkplaatsen Jeugd»

Ook ontvangt ZonMw geld voor het programma «Academische Werkplaatsen Jeugd». Het doel van dit programma is het bevorderen van samenwerking tussen onderzoek, praktijk en beleid. In zes academische werkplaatsen wordt onderzoek gedaan rondom de thema’s CJG, ketensamenwerking en jeugdzorg. Het programma loopt van 2010 tot en met 2014. Deze middelen (circa € 1,5 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan de Kinderombudsman

De Kinderombudsman heeft tot taak te bevorderen dat de kinderrechten in Nederland worden nageleefd door de overheid, door organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, jeugdzorg en de gezondheidszorg. Deze middelen (€ 1,5 miljoen) zijn reeds overgeboekt naar de begroting Hoge Colleges van Staat.

Noodzakelijke en passende zorg

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken voor JeugdzorgPlus

In de JeugdzorgPlus wordt gewerkt aan een omslag: iedere jongere die geplaatst wordt, komt in een traject dat erop gericht is om succesvol terug te keren naar de samenleving. Het veld geeft, samen met andere overheden en organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en arbeid, vorm aan deze omslag. Dit moet er ook toe leiden dat de gemiddelde verblijfsduur in een instelling voor JeugdzorgPlus vermindert. Tijdige beschikbaarheid van vervolgvoorzieningen en ambulante begeleiding zijn daarbij belangrijk.

Daarnaast wordt aan de begroting van VenJ een bijdrage geleverd voor de vervoerskosten in de JeugdzorgPlus en wordt aan de begroting van het Ministerie van OCW een bijdrage geleverd voor de onderwijskosten voor jongeren geplaatst in een JeugdzorgPlus-instelling. Tevens vindt uit het budgettaire kader jeugdzorgPlus dekking plaats voor de te maken kosten in het kader van de stelselherziening jeugdzorg (zie artikelonderdeel 5.1). Voor 2014 is in totaal circa € 211,2 miljoen beschikbaar.

Subsidies en opdrachten voor sturing, beleidsinformatie, financiering en kwaliteit Jeugdzorg

De beroepsverenigingen, HBO-raad, werkgevers en cliëntorganisaties krijgen ondersteuning bij de uitvoering van het Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg 2010–2014.

Het implementatieplan bevat vier trajecten:

  • Voorbereiden beroepsregisters en beroepsverenigingen (mogelijk maken vrijwillige registratie vooruitlopend op kwaliteitsregister jeugd);

  • Verbinden en registreren (waaronder oprichten kwaliteitsregister);

  • In lijn brengen van scholing en opleidingen met registratievereisten;

  • Verbeteren entree sector (onder andere traineeship HBO-ers).

De implementatie raakt professionals uit de gehele jeugdzorg: Bureaus Jeugdzorg, zorgaanbieders, gesloten jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, de justitiële jeugdinrichtingen, de bureaus Halt en Nidos.

Aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) wordt via het Ministerie van VenJ een subsidie verstrekt voor de inning van ouderbijdragen in de jeugdzorg. Voor 2014 is in totaal circa € 4,3 miljoen beschikbaar.

Bijdrage aan medeoverheden voor doeluitkering Jeugdzorg

De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Met de doeluitkering zijn provincies en grootstedelijke regio’s in staat het Bureau Jeugdzorg te financieren en zorgaanbod in te kopen voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Van de zijde van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontvangen provincies middelen voor de hulpverlening aan gezinnen in het zogenoemde gedwongen kader.

Tevens vindt uit het budgettaire kader jeugdzorg dekking plaats voor kosten in het kader van de stelselherziening jeugdzorg (zie artikelonderdeel 5.1). In 2014 is voor de jeugdzorg circa € 1,297 miljard beschikbaar.

Kengetal: Aantal unieke jeugdigen in de jeugdzorg

Kengetal: Aantal unieke jeugdigen in de 						  jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus.

In deze figuur is het aantal cliënten dat aan het begin van het jaar jeugdzorg kreeg, opgeteld bij de cliënten die in dat jaar instroomden (inclusief de cliënten JeugdzorgPlus.) Daarbij zijn alle cliënten per jaar slechts één keer meegeteld.

Kengetal: Aandeel gebruik jeugdzorg met verblijf in de geindiceerde jeugdzorg

Kengetal: Aandeel gebruik jeugdzorg met verblijf in de 						  geindiceerde jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus.

Onder jeugdzorg met verblijf wordt verstaan: residentiële jeugdhulp, daghulp, pleegzorg en jeugdzorg plus (= gesloten jeugdzorg met verblijf). Onder jeugdzorg zonder verblijf wordt verstaan: jeugdhulp en spoedeisende zorg. Methodologisch zou het beter zijn om de spoedeisende zorg nader op te splitsten naar de verschillende zorgvormen. Aangezien deze categorie in voorgaande jaren toegerekend is aan de categorie «zorg zonder verblijf» wordt dat – vanwege de vergelijkbaarheid – in deze begroting opnieuw gedaan.

Deze figuren tonen dat steeds meer kinderen gebruik hebben gemaakt van de geïndiceerde jeugdzorg. Ondanks een stijging van ook de residentiële vormen van jeugdzorg, slagen de provincies er in om deze groei vooral te laten plaatsvinden in ambulante vormen van jeugdzorg. Deze zijn minder kostbaar dan residentiële voorzieningen.

Ontvangsten

De ontvangsten 2014 hebben voornamelijk betrekking op afrekeningen van subsidies. In totaal wordt voor 2014 circa € 4,5 miljoen aan ontvangsten geraamd.

Artikel 6 Sport en bewegen
1. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de Rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Vanuit haar stimulerende rol op het beleidsterrein «Passend sport- en beweegaanbod» maakt de Minister gebruik van een tweetal bestaande stelsels. Nederland heeft een sterke sportsector die van oudsher in hoge mate zelforganiserend en zelfregulerend is. Daarbij is sprake van een landelijk netwerk met ruim 25.000 sportverenigingen, die aangesloten zijn bij landelijke sportbonden die zich verenigd hebben in de sportkoepel NOC*NSF. Deze verenigingen vertegenwoordigen circa 5 miljoen mensen. Ongeveer eenzelfde aantal landgenoten is actief in ongeorganiseerd verband.

De gemeenten in Nederland zijn verantwoordelijk voor het lokale accommodatiebeleid en het lokale sport- en beweegbeleid. De gemeenten trekken jaarlijks ongeveer € 1 miljard uit voor sport (ten opzichte van circa € 125 miljoen op de Rijksbegroting).

Voor het beleidsterrein «Uitblinken in sport» faciliteert de Minister de ambitie van de georganiseerde sport om bij de tien beste topsportlanden van de wereld te willen horen. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sportsector zelf.

Voor het functioneren van de sportsector in Nederland zijn innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling van wezenlijk belang. Dat zijn essentiële hulpmiddelen bij zowel het realiseren van een passend sport- en beweegaanbod als bij het aangaan van de internationale competitie binnen de topsport.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren