Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 104, item 48

48 Waterkwaliteit

Aan de orde is het VAO Waterkwaliteit (AO d.d. 27/6).

De voorzitter:

Ik geef allereerst het woord aan mevrouw Ouwehand. Ik zeg nog even dat de spreektijd twee minuten bedraagt, inclusief het indienen van moties.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Ik dien de volgende moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Planbureau voor de Leefomgeving voorspelt dat met het huidige beleid ten hoogste 40% van de doelen van de Kaderrichtlijn Water gehaald zal worden in 2027;

verzoekt de regering, zorg te dragen voor het halen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 293 (27625).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het het Planbureau voor de Leefomgeving een kennisleemte signaleert over de ecologische effecten van niet-prioritaire stoffen;

verzoekt de regering, onderzoek uit te voeren naar de effecten van niet-prioritaire stoffen op de ecologische criteria voor waterkwaliteit voor de Kaderrichtlijn Water,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 294 (27625).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens het Planbureau voor de Leefomgeving de financiële bijdrage die de landbouw levert aan het waterbeheer in geen verhouding staat tot de aanzienlijke milieubelasting door deze sector;

overwegende dat huishoudens minder dan de helft van de nutriëntenbelasting veroorzaken ten opzichte van de landbouw maar veel meer zuiveringsheffing betalen;

van mening dat een eerlijkere verdeling van lasten tussen huishoudens en landbouw wenselijk is;

verzoekt de regering, bij de uitvoering en ontwikkeling van beleid voor de Kaderrichtlijn Water geen sector bij voorbaat uit te zonderen voor het leveren van een bijdrage aan het halen van de doelen en in te zetten op een verlaging van de zuiveringsheffing van huishoudens door de kosten evenrediger te verdelen over huishoudens en landbouw,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 295 (27625).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Verder willen wij ook de duingebieden strategisch beschermen en dat vastleggen. Mevrouw Jacobi dient daarover nog een motie in die ik van harte ondersteun en die ik heb meeondertekend.

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter. Ik dien de volgende moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nederlandse maatlatten van de Kaderrichtlijn Water in 2012 zijn aangepast aan de hand van onderzoek;

overwegende dat de aanpassing aangrijpend is voor de uitvoering van de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water, onder andere de aanscherping voor stikstof van 4,0 milligram per liter naar 2,3 milligram per liter;

overwegende dat deze "actualisatie" voor natuurlijke wateren alle aanliggende wateren sterk beïnvloedt;

overwegende dat de aanpassingen van de ecologische maatlatten onder de noemer actualisatie nauwelijks bekend zijn;

overwegende dat Nederland terughoudend dient te zijn met nationale koppen op Europees beleid;

verzoekt de regering, de Kamer te informeren over de aanleiding, het proces, de inhoud, en de effecten van deze actualisatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 296 (27625).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister niet bereid is om schotten aan te brengen in het Deltafonds tussen budgetten voor waterveiligheid en waterkwaliteit;

overwegende dat de middelen gericht op waterveiligheid niet moeten concurreren met de middelen voor waterkwaliteit;

overwegende dat projecten ter verbetering van de waterkwaliteit projecten betreffen ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water die bovendien nauwelijks of geen verband hebben met projecten ten behoeve van onze waterveiligheid;

overwegende dat er nog geen financiering is gevonden voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water;

verzoekt de regering, vaste schotten aan te brengen in het Deltafonds tussen middelen bestemd voor waterveiligheid en middelen bestemd voor waterkwaliteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 297 (27625).

Hoeveel moties hebt u nog, mijnheer Geurts?

De heer Geurts (CDA):

Nog één. Ik was nog niet begonnen of ik had al geen spreektijd meer.

De voorzitter:

Soms pesten we de mensen een beetje. Gaat uw gang.

De heer Geurts (CDA):

Ja, maar ik heb me niet van de wijs laten brengen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer kennis behoeft ten behoeve van waterbeheer;

overwegende dat het belangrijk is dat de sector samen met het ministerie en de waterschappen werkt aan een goede waterkwaliteit;

verzoekt de regering, "waterambassadeurs" aan te stellen bij de waterschappen om met kennis en kunde de projectleiders van onder andere LTO Nederland te ondersteunen in het ontwerpen van waterbeheer projecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 298 (27625).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dien twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat humane geneesmiddelen en hun afbraakproducten in het oppervlaktewater en grondwater komen;

overwegende dat er door de waterketenpartijen signaleringswaarden en streefwaarden zijn geformuleerd voor de concentratie geneesmiddelenresiduen in oppervlaktewater;

overwegende dat deze waarden regelmatig worden overschreden en niet wettelijk zijn vastgelegd waardoor er weinig prikkels van uitgaan om maatregelen te nemen;

overwegende dat voor gewasbeschermingsmiddelen een generieke norm geldt voor de maximale concentratie per middel in oppervlaktewater en grondwater;

verzoekt de regering, in samenwerking met de partijen uit de waterketen te onderzoeken of er een wettelijk toetsingskader voor de concentratie van geneesmiddelenresiduen in oppervlaktewater en grondwater kan worden opgesteld en de Kamer hierover binnen een jaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 299 (27625).

Mevrouw Dik-Faber, u wilde direct verder gaan, maar ik moest eerst even vaststellen of de motie voldoende zou worden ondersteund. Dat was het geval.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Deze motie dien ik nu in, omdat ik het een belangrijke motie vind met een goede denkrichting. Mijn collega en ik organiseren nog een rondetafelgesprek en ik zal de motie dan ook aanhouden tot na de ronde tafel.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Dik-Faber stel ik voor, haar motie (27625, nr. 299) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering doelmatige maatregelen verkent, gericht op de verwijdering van geneesmiddelen en andere microverontreinigingen in de afvalfase;

verzoekt de regering, bij de verkenning naar doelmatige maatregelen het onderzoek tevens te richten op:

- een financiële prikkeling van de verkoper en/of gebruiker van medicijnen voor het inleveren van overgebleven medicijnen;

- verbeterde afbreekbaarheid en verwijderbaarheid van geneesmiddelen (Green pharmacy) en hiervoor een plan van aanpak van de farmaceutische sector te vragen;

verzoekt de regering tevens, de Kamer binnen een jaar te informeren over de resultaten van de verkenning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 300 (27625).

Deze motie wordt niet aangehouden en gaat gewoon door. Mooi! Dat is genoteerd.

Het woord is aan de heer Bosman.

De heer Bosman (VVD):

Voorzitter. Tijdens het algemeen overleg over de waterkwaliteit werd ik overvallen door collega Ouwehand met cijfers over de verdeling van de heffingen voor de waterzuivering. Ik wil daar graag nog even op terugkomen. De door de PvdD genoemde getallen zijn namelijk onjuist. De heffingen voor de huishoudens zijn geen 1,2 miljard maar 0,8 miljard. Ook is de huidige bijdrage van land- en tuinbouw aan de nutriëntenbelasting geen 60%. De belasting wordt voor een belangrijk deel ook veroorzaakt door de natuur. Bekend is dat vallend blad, afstervend groen, broedvogelkolonies en — jazeker — de ganzenpopulaties een aanzienlijke nutriëntenbelasting veroorzaken. Het afvoerdebiet van de Oostvaardersplassen bevat meer nutriënten dan het landbouwgebied in Flevoland. Bovendien wordt de nutriëntenbelasting voor de landbouw voor minder dan de helft veroorzaakt door de huidige grondgebruikers. Er zijn ruim 7 miljoen huishoudens en maar 68.000 boerenbedrijven. Dat laatste is 1% van het totaal. Bovendien betalen boeren per jaar gemiddeld 70 maal meer waterschapsbelasting dan een gemiddeld huishouden. En deze groep betaalt volgens de PvdD te weinig.

Om een goede vergelijking te kunnen maken, moeten de private milieumaatregelen van de landbouwsector ook in beeld worden gebracht. De sector investeert jaarlijks al snel €250 per hectare in extra opslag, opwerking, bemonstering, analyse, transport en emissiearme aanwending van meststoffen. Dat is minimaal 500 miljoen in totaliteit.

De heffingen voor de waterzuivering zijn in overleg met alle betrokken partijen tot stand gekomen. De eenzijdige negatieve weergave van de PvdD doet daar afbreuk aan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben zeer gecharmeerd dat de VVD de moeite neemt om de stellingen die in het AO zijn geponeerd nog eens uitgebreid te bespreken, maar feit blijft dat de huishoudens meer betalen aan zuiveringsheffing dan de landbouw. De vraag is wel of de VVD dat eerlijk vindt voor hardwerkende Nederlanders. Ik wacht ook nog op een voorstel van de VVD om bomen een zuiveringsheffing te laten betalen vanwege hun vallende blaadjes.

De heer Bosman (VVD):

Ik vind het jammer dat mevrouw Ouwehand even niet goed geluisterd heeft. Er zijn 7 miljoen huishoudens en 68.000 boerenbedrijven. 68.000 van 7 miljoen is 1% van het totaal, maar die groep betaalt wel 30%. Als mevrouw Ouwehand dat een eerlijke verdeling vindt, mis ik hem even en moet zij mij daarbij misschien even helpen. Misschien moet zij mij daar even bij helpen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb het over de absolute aantallen. Als de VVD niet 1,2 miljard van de huishoudens wil aanhouden maar 800 miljoen, is dat altijd nog veel meer dan de landbouw in totaliteit betaalt. Dat betekent dus dat we de huishoudens in totaal zwaarder belasten dan degenen die een grotere vervuiling veroorzaken. Ik vind dat niet heel eerlijk voor hardwerkende Nederlanders.

De heer Bosman (VVD):

Mevrouw Ouwehand mist het hier even, want dat zijn 68.000 harde werkers, mensen die zich enorm inzetten voor de Nederlandse samenleving en 75 miljard aan onze export toevoegen. Het zijn mensen die zich inzetten voor de Nederlandse samenleving, die werkgelegenheid creëren en die niet alleen ons — dat is nog veel belangrijker — maar heel veel mensen in de wereld van voedsel voorzien, waardoor we in populatie van 7 miljard naar 9 miljard zullen gaan. De verdeling is in overleg met alle partijen gedaan en is dus eerlijk en goed.

De voorzitter:

Dan mag ik nu met vertraging het woord geven aan mevrouw Jacobi.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Voorzitter. Ik heb twee moties over waterveiligheid. De eerste gaat over het Deltaprogramma Kust.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat:

  • -de drinkwaterbedrijven voor de drinkwatervoorziening circa 60% van de duinen, ruim 15.000 hectare beheren. Voor de Nederlandse kust heeft de synergie van waterwinning en natuur grote meerwaarde;

  • -de duinen en de beschermde grondwatervoorraden in de kuststreek en op de Waddeneilanden belangrijk zijn voor de leveringszekerheid voor ruim zes miljoen burgers en bedrijven;

  • -planologische ontwikkelingen de duinen en drinkwatervoorziening kunnen bedreigen;

  • -de drinkwatervoorziening onderdeel is van de vitale infrastructuur en een dwingende reden van groot openbaar belang, zodat de overheid verantwoordelijk is voor de duurzame veiligstelling;

constaterende dat het Deltaprogramma Kust de bescherming van de drinkwatervoorziening in de kuststreek en op de Waddeneilanden onvoldoende heeft vastgelegd;

verzoekt de regering, de duin- en grondwatergebieden voor de drinkwatervoorziening geografisch vast te leggen in de Nationale Visie Kust zodat zij duurzaam zijn veiliggesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jacobi en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 301 (27625).

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Dan heb ik nog een motie over de stroomgebiedbeheerplannen en het grondwater.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende:

- dat in de Stroomgebiedbeheerplannen 2010-2015 geen doelstellingen zijn opgenomen voor het ondiepe grondwater;

- dat het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn rapportage Kwaliteit voor Later-2 constateert dat juist het ondiepe grondwater cruciaal is voor de condities van de Nederlandse ecosystemen en natuurgebieden en dat, gezien de ernst van de verdroging van die natuurgebieden, juist in deze bovenste grondwaterlaag doelen en maatregelen geformuleerd dienen te worden;

- dat de Kaderrichtlijn Water in zijn voorschriften voor het beleid ten aanzien van grondwaterlichamen geen onderscheid maakt tussen ondiep en diep grondwater;

overwegende:

- dat verdroging nog steeds een van de meest urgente bedreigingen is van de biodiversiteit in de Nederlandse natuurgebieden;

- dat de uitwisseling tussen grond- en oppervlaktewater cruciaal is in het toekomstige beleid voor zoetwatervoorziening (Deltaprogramma);

verzoekt de regering om in de Stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021 ook doelen en maatregelen te formuleren voor het ondiepe grondwater,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 302 (27625).

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in tegenstelling tot drinkwater voor grondwater nog geen normering is vastgesteld voor geneesmiddelen;

constaterende dat grondwater in veel provincies wordt gebruikt voor de bereiding van drinkwater;

overwegende dat de Vereniging van waterbedrijven in Nederland erop aandringt een normering van 0,1 µ/l op te nemen voor grondwater en een preventieve aanpak van medicijnresten bij de bron;

verzoekt de regering, het normvoorstel van 0,1 µ/l voor geneesmiddelen in het grondwater over te nemen en te komen met een preventieve aanpak van medicijnresten bij de bron,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 303 (27625).

De heer Bosman (VVD):

Ik heb toch nog wel wat meer informatie nodig. U spreekt over grondwater. Tot hoe diep gaat dat? Is dat 100 meter of 200 meter? Is dat één kilometer of vijf kilometer? Tot hoe diep gaat dat grondwater? Als we constateren dat het grondwater niet voldoet, is er dan een verplichting tot zuivering? Hoe werkt dat?

De heer Van Gerven (SP):

Als die norm overschreden wordt, betekent het dat het vervuild is en dat je wat moet ondernemen. Nu hebben we geen norm, dus als die stof gevonden wordt, hoeven er geen maatregelen genomen te worden. Als je die norm overschrijdt in het grondwater en als je het grondwater toch gebruikt, betekent dat in principe dat die stof eruit gehaald moet worden.

De heer Bosman (VVD):

Dat lijkt mij niet meer dan logisch. Mag grondwater dat niet wordt gebruikt wel vervuild zijn, of mag dat ook niet? Als wij het grondwater niet gebruiken, moeten wij dat dan oppompen, zuiveren en weer terugstoppen? Als er een norm is, moet je je er immers aan houden. De heer Van Gerven zegt het net zelf. Als niet voldaan wordt aan de norm, dan moet er dus iets gebeuren. Als de heer Van Gerven zegt dat de norm is overschreden en dat er iets met het grondwater moet gebeuren, dan verwacht ik dat wij dat gaan oppompen, zuiveren en weer terugstoppen.

De heer Van Gerven (SP):

Nee. Ik neem aan dat de heer Bosman bij het desbetreffende debat aanwezig was en de brief heeft gelezen van de Vereniging van waterbedrijven, de Vewin.

De voorzitter:

Het gebeurt vaker dat mensen bij hetzelfde debat aanwezig zijn, maar andere dingen horen.

De heer Van Gerven (SP):

Oké. Het gaat om grondwater dat je onderzoekt en gebruikt om drinkwater van te maken. We gaan niet overal al het grondwater meten. Het gaat om grondwater dat wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening en waar de drinkwaterbedrijven mee te maken hebben. Als bij dat water de norm wordt overschreden, moeten maatregelen worden genomen en moet de vervuiling worden teruggedrongen. Dat water moet natuurlijk gezuiverd worden, of je moet besluiten om dat water niet meer te gebruiken. Veel provincies zijn echter afhankelijk van het grondwater. Je moet er dus voor zorgen dat die norm niet wordt overschreden. Als er echter geen norm is, valt er ook niks te handhaven en kunnen de vervuilers, wie dat dan ook mogen zijn, gewoon hun gang gaan.

De voorzitter:

Mijnheer Bosman, stelt u alleen een vraag die gericht is op een toelichting op de motie, zodat u een stemadvies aan uw fractie kunt geven. U moet hier niet stiekem het debat overdoen.

De heer Bosman (VVD):

Ik ben er nog niet uit. Een norm is een norm. De heer Van Gerven vraagt het kabinet om een norm. Als een norm wordt gesteld, geldt die voor het grondwater. De heer Van Gerven doet een generiek verzoek. Als je het grondwater aan een norm laat voldoen, geldt deze norm voor al het grondwater. Er was net al een heel kleine schuif naar alleen drinkwater.

De voorzitter:

Alleen een vraag stellen.

De heer Bosman (VVD):

Als de norm geldt voor al het grondwater, dan moet al het grondwater aan de norm voldoen. Als het daaraan niet voldoet, wat doe je dan?

De voorzitter:

Een kort antwoord.

De heer Van Gerven (SP):

Het gaat om grondwater dat wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening. Het mag duidelijk zijn dat dit voorstel daarvoor bedoeld is. Dat is gebaseerd op een verzoek van de Vewin. Dat heeft de heer Bosman gehoord.

De voorzitter:

Uw volgende motie, mijnheer Van Gerven. De klok gaat weer lopen.

De heer Van Gerven (SP):

Ja, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat grondwater in veel provincies wordt gebruikt voor de bereiding van drinkwater;

constaterende dat de normen in de Wet bodembescherming niet zijn afgestemd op de eisen in de drinkwaterregelgeving;

overwegende dat er meer aandacht nodig is voor oplossen en voorkomen van kwaliteitsproblemen bij grondwaterwinningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening;

verzoekt de regering, het normenkader voor probleemstoffen in het grondwater te verbeteren en op te nemen in het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 304 (27625).

De heer Van Gerven (SP):

Ik hoop dat bij de heer Bosman na het horen van deze tweede motie het kwartje al wat meer gevallen is.

De voorzitter:

Wij gaan zo schorsen. Misschien kunt u dan buiten deze zaal de kwartjes laten rollen.

Mevrouw Hachchi van D66 ziet af van het woord. De minister vraagt om twee minuten schorsing. Dat gaan we doen. We gaan over twee minuten verder.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 293 van de Partij voor de Dieren. Hierin wordt de regering verzocht, zorg te dragen voor het halen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Het is ook mijn bedoeling om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen. Ik heb aangegeven dat wij daar langer de tijd voor willen nemen en in ieder geval uitstel zullen vragen tot en met 2027. Dat laat echter onverlet dat ik de doelen van de Kaderrichtlijn Water wil halen en daarom zie ik de motie als ondersteuning van beleid. Ik laat het oordeel aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 294, van mevrouw Ouwehand, wordt de regering verzocht, onderzoek uit te voeren naar de effecten van niet-prioritaire stoffen op de ecologische criteria voor waterkwaliteit voor de Kaderrichtlijn Water. Ik beschouw de motie wederom als ondersteuning van beleid, omdat wij in het kader van de monitoring van de waterkwaliteit voortdurend onderzoek plaats laten vinden, ook naar de niet-prioritaire stoffen. Ik laat het oordeel dus aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 295 van mevrouw Ouwehand wordt de regering verzocht, bij de uitvoering en ontwikkeling van beleid voor de Kaderrichtlijn Water geen sector bij voorbaat uit te zonderen voor het leveren van een bijdrage aan het halen van de doelen en in te zetten op een verlaging van de zuiveringsheffing van huishoudens door de kosten evenrediger te verdelen over huishoudens en landbouw. Allereerst sluit ik geen sector uit bij het halen van de doelen. Op dit moment heeft ook de bekostiging van het waterbeheer mijn aandacht. Dit is relevant voor de waterkwaliteit, maar bijvoorbeeld ook voor de zoetwatervoorziening. Ik ben ook met de Europese Commissie in gesprek over dit onderwerp, maar het vergt een zorgvuldig proces. De Kamer heeft bijvoorbeeld eerder gepleit voor een verlaging van de bijdrage vanuit de categorie "ongebouwd" aan de heffing van de waterschappen. Om die reden verken ik ook of er prijsmechanismen zijn die de gewenste prikkels geven en eventueel de benodigde middelen kunnen genereren. Ik kom daar volgend jaar bij de Kamer op terug. De lijn van de motie is dus niet contrair aan mijn beleid, maar een motie die mij oproept om nu al de bekostiging te wijzigen, moet ik ontraden.

In de motie op stuk nr. 296, van de heer Geurts, wordt de regering verzocht, de Kamer te informeren over de aanleiding, het proces, de inhoud, en de effecten van de actualisatie die plaatsvindt voor natuurlijke wateren. Ik zal de Kamer hierover getrapt informeren. In de stroomgebiedbeheerplannen krijgen die actualisaties namelijk hun plek. In de bijlage bij het waterplan dat uiteindelijk naar de Kamer gaat, zal dit ook een plek krijgen. Ik ben er dus niet voor om een apart stuk naar de Kamer te sturen. Het behoort namelijk al tot ons beleid. Ik acht deze motie dus overbodig en laat haar daarmee volgens mij over aan het oordeel van de Kamer. Ik weet nooit zo goed hoe dat precies werkt.

De voorzitter:

U mag kiezen tussen overbodig en oordeel Kamer.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Ik ontraad de motie, want ik wil geen apart stuk hierover maken. Ik heb aangegeven dat ik de Kamer getrapt zal informeren.

In de motie op stuk nr. 297 van de heer Geurts wordt geconstateerd dat de minister niet bereid is om schotten aan te brengen in het Deltafonds tussen budgetten voor waterveiligheid en waterkwaliteit. Volgens mij heb ik al meerdere keren aangegeven dat ik, gehoord de commissie, van plan ben om een zorgvuldige scheiding aan te brengen, maar dat ik nog niet precies weet hoe ik dat zal vormgeven. Ik vroeg me dus al af waar dit vandaan kwam. In de motie wordt in ieder geval bij voorbaat al verzocht om die vaste schotten aan te brengen in het Deltafonds. Aangezien ik aangegeven heb dat ik er bij de begrotingsbehandeling op terug zal komen — dan zal ik ook aangeven hoe ik het wil financieren — vind ik deze motie overbodig. Ik ontraad haar, omdat ik de ruimte wil hebben om te bekijken wat de beste techniek is om dit te doen.

In de motie op stuk nr. 298 van de heer Geurts wordt de regering verzocht, waterambassadeurs aan te stellen bij de waterschappen. Zij zullen uiteindelijk LTO-Nederland ondersteunen. Ik heb in de commissievergadering al aangegeven dat ik geen extra subsidie beschikbaar ga stellen voor initiatieven van de sector. Ik ben heel blij met die initiatieven en we werken ook samen. Waar we samen dingen kunnen financieren, moeten we dat ook zeker doen. Ik wil echter geen extra kosten maken om waterambassadeurs in het leven te roepen. Daarom ontraad ik deze motie.

Dan kom ik bij de motie van de leden Dik-Faber en Hachchi op stuk nr. 299. Hierin wordt de regering verzocht, in samenwerking met de partijen uit de waterketen te onderzoeken of er een wettelijke toetsingskader voor de concentratie van geneesmiddelenresiduen in oppervlaktewater en grondwater kan worden opgesteld en de Kamer hierover binnen een jaar te informeren. Voordat ik mijn antwoord geef, heb ik een vraag, mijnheer de voorzitter. De motie is aangehouden, maar ik neem aan dat ik wel mijn oordeel moet geven?

De voorzitter:

Ik zat dit net met de Griffier te bespreken. De vrije vertaling daarvan is: voor je kunt niet weten. Dus ik zou het maar doen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Dan ontraad ik deze motie. Ik ben benieuwd naar wat er uit de hoorzitting komt en hoe dat vervolgens door de partijen zal worden opgepakt. De reden dat ik de motie ontraad, is dat ik inzet op bronbeleid. De staatssecretaris heeft hierover net een brief aan de Kamer gestuurd. Volgens mij moet je het bronbeleid uitwerken voordat je er end of pipe aan gaat sleutelen. Je moet eerst kijken wat de mogelijkheden zijn van de bronkant en niet al een kader maken voor end of pipe, want als je aan het einde van het traject nog maatregelen neemt, is dat altijd minder aantrekkelijk dan als je dat aan het begin van het traject doet. Ik ontraad de motie dus.

In haar motie op stuk nr. 300 vraagt mevrouw Dik-Faber om een financiële prikkeling van de verkoper en/of gebruiker van medicijnen voor het inleveren van overgebleven medicijnen, om een verbeterde afbreekbaarheid en verwijderbaarheid van geneesmiddelen en om een plan van aanpak van de farmaceutische sector. Tevens verzoekt zij de regering, de Kamer hierover binnen een jaar te informeren. Ook deze motie ontraad ik. Met deze motie loopt mevrouw Dik-Faber vooruit op het bronbeleid waaraan nu nader wordt vormgegeven en waarover de staatssecretaris net, twee weken geleden, een brief aan de Kamer heeft gestuurd. Ik wil de staatssecretaris de ruimte geven om daaraan vorm te geven. Wellicht komen er zulke zaken uit, maar ik wil mij daar niet bij voorbaat op vastleggen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb uiteraard kennisgenomen van de brief. Daarin worden maatregelen voorgesteld, maar de twee maatregelen die in de motie staan, komen in de brief niet naar voren, terwijl hiervoor volgens mij wel expliciete aandacht zou moeten zijn. Het zou jammer zijn als er nu een heel onderzoekstraject in gang wordt gezet zonder dat deze twee punten worden meegenomen. Daarom dienen wij nu deze motie in en willen wij niet wachten tot het resultaat van het onderzoek er ligt.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Ik zal bij de staatssecretaris aangeven dat u er belangstelling voor heeft om ook langs twee andere lijnen nader onderzoek te laten doen. Het is dan aan haar om te bepalen of zij die twee lijnen wel of niet bij het onderzoek betrekt. In deze motie schrijft u echter dat het sowieso moet gebeuren en dat de Kamer binnen een jaar geïnformeerd moet worden. Dat wil ik niet. Ik wil de staatssecretaris de ruimte geven om het bronbeleid vorm te geven en de Kamer daarover te informeren. U kunt dan ook het gesprek met haar aangaan. Ik blijf dus bij mijn oordeel en ontraad de motie.

In de motie-Jacobi/Ouwehand op stuk nr. 301 wordt de regering verzocht, de duin- en grondwatergebieden voor de drinkwatervoorziening geografisch vast te leggen in de Nationale Visie Kust zodat zij duurzaam zijn veiliggesteld. Ik had al aangegeven dat ook ik graag naar een beschermingsvorm wil kijken, maar de kustvisie is een visie van de gezamenlijke kustoverheden in het Deltaprogramma. Het Rijk is er daar één van. Planologische en juridische bescherming van drinkwatergebieden vindt plaats overeenkomstig de provinciale structuurvisies, de gemeentelijke bestemmingsplannen en de provinciale milieuverordeningen. De Nationale Visie Kust vormt dus niet het juridisch kader voor ruimtelijke afwegingen. Wat mevrouw Jacobi beoogt met haar motie kan niet, omdat de Nationale Visie Kust hiervoor geen wettelijk kader vormt. Nogmaals: wat mevrouw Jacobi wil, wordt vastgelegd in de beleidsinstrumenten die ik net noemde. Ik kan dus niet anders dan de motie ontraden omdat zij geen juridisch effect heeft. Ik zeg wel toe dat ik bij de provincies en de gemeenten zal benadrukken dat zij dit in hun wel wettelijk geldende instrumentarium moeten opnemen.

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Jacobi een toelichtende vraag heeft. Of wil zij haar motie intrekken of aanhouden?

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Ik stel voor dat wij de motie aanhouden en er te zijner tijd in gewijzigde vorm mee terugkomen.

De voorzitter:

Dat zullen wij dan zien, tegen die tijd.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Dat wacht ik af.

In haar motie op stuk nr. 302 verzoekt mevrouw Jacobi de regering om in de stroomgebiedbeheerplannen voor 2016-2021 ook doelen en maatregelen te formuleren voor het ondiepe grondwater. Ik ontraad deze motie. Grondwater en oppervlaktewater vallen onder de Kaderrichtlijn Water, maar de provincies gaan over het grondwater. Voor de doelen en de maatregelen staan de provincies dus aan de lat. Om deze in te brengen staan ook de provincies aan de lat. Ik wil hen stimuleren om dit aan te pakken. Ik weet niet of dit antwoord er ook toe leidt dat mevrouw Jacobi haar motie wil aanhouden, maar ik ontraad de motie zoals die nu is geformuleerd. In de motie op stuk nr. 303 van de heer Van Gerven wordt de regering verzocht, een normvoorstel van 0,1 µg/l voor geneesmiddelen in het grondwater over te nemen en te komen met een preventieve aanpak van medicijnresten bij de bron. Ik ontraad de motie. Het bronbeleid staat voorop. We willen nu geen nieuwe normen. De huidige normen of de EU-eisen zijn voor ons van belang. Het beleid is nu al gericht op risicoanalyse. Het is gericht op kwaliteitsbeheer. Drinkwaterbedrijven voeren al metingen uit en het RIVM analyseert. Ik ontraad dus de motie.

In de motie op stuk nr. 304 van de heer Van Gerven wordt de regering verzocht, het normenkader voor probleemstoffen in het grondwater te verbeteren en op te nemen in het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water. Ik ontraad ook deze motie, want het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water kent voor een aantal stoffen reeds normen voor grondwater, bijvoorbeeld in relatie tot het bereiden van drinkwater. Dat geldt bijvoorbeeld voor bestrijdingsmiddelen en nitraat. Ik wil niet nu al besluiten tot opname van aanvullende drinkwater gerelateerde normen voor grondwater in het Bkmw, ook omdat dit financiële gevolgen kan hebben. Dat moet je weten voordat je aan die normen kunt gaan voldoen. Ik wil de heer Van Gerven wel toezeggen dat ik zal nagaan of de afstemming van de drinkwaternormen en de normen in het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water en de Wet bodembescherming kan worden verbeterd. In de Nota Drinkwater die ik ook heb toegezegd, die volgens de huidige planning in 2014 zal verschijnen, zal ik daarop ingaan.

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter. Ik wil graag de motie op stuk nr. 297 over het aanbrengen van schotten aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Geurts stel ik voor, zijn motie (27625, nr. 297) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik twijfel over het aanhouden van de motie op stuk nr. 295. Ik zal dat heel snel aan de Griffie laten weten. Dat doe ik binnen een kwartiertje.

De heer Van Gerven (SP):

Ik wil nog even ingaan op de motie op stuk nr. 304. Ik heb de minister goed verstaan dat zij bij de Nota Drinkwater van 2014 op dit vraagstuk terugkomt. Dan wil ik de motie intrekken.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Van Gerven (27625, nr. 304) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Hoeveel zijn er nog over?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil mijn motie op stuk nr. 295 aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Ouwehand stel ik voor, haar motie (27625, nr. 295) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de gegeven antwoorden. Hedenavond zal worden gestemd over de moties die nog wel overeind zijn gebleven.

De vergadering wordt van 18.46 uur tot 19.20 uur geschorst.