Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 104, item 42

42 Voorstel van wet van het lid Schouw

Aan de orde is de behandeling van:

  • - Voorstel van wet van het lid Schouw houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot de deconstitutionalisering van de benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester (33239).

De voorzitter:

Ik heet de initiatiefnemer, zijn rechterhand in dezen, de heer Sneller, en de minister van Binnenlandse Zaken, die hierbij als toehoorder aanwezig is, van harte welkom. Wij zullen ons vandaag beperken tot de eerste termijn van de zijde van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Ik wil graag beginnen de heer Schouw voor de, naar ik meen, derde keer geluk te wensen met zijn wetgevende arbeid en het resultaat dat nu op tafel ligt, waarover wij vandaag de eerste termijn hebben. De heer Schouw heeft zich ingezet voor een theoretische exercitie met als centrale vraag of de benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester in de Grondwet of in de gewone wet geregeld moet worden. Hij wil die discussie volledig loskoppelen van de discussie over de vraag wat de meest gewenste aanstellingswijze is. Het blijft daarmee dus een abstracte discussie waarin niet daadwerkelijk wordt ingegaan op eventuele problemen rond de aanstelling van burgemeesters c.q. CvdK's. Het is een gemis dat de indiener die vragen in zijn antwoord eigenlijk gewoon uit de weg gaat.

Voor de SGP is het dan ook erg lastig om dit wetsvoorstel los te zien van de politieke wensen van D66, zogezegd een kroonjuweel of een van de kroonjuwelen, om eenvoudig de weg vrij te maken voor een andere benoemingsprocedure. Intussen weet natuurlijk iedereen, ook wie een leek is in de politieke verhoudingen, dat D66 de kroonbenoeming wil afschaffen. Dat is een positie waarvoor je kunt kiezen, maar dan moet je daarover ook de discussie voeren en niet krampachtig scheiden wat niet echt te scheiden valt. Daarvoor hoef je alleen maar kennis te nemen van de parlementaire geschiedenis bij eerdere voorstellen over dit thema.

Zelfs als je toch probeert om die twee zaken te scheiden, zijn er echter zeker zinvolle argumenten voor het in de Grondwet opnemen van de benoeming van de aanstellingswijze van de burgemeester en van de commissaris van de Koning. De Grondwet is het juridisch-staatsrechtelijke basisdocument voor Nederland en voor de Nederlandse staatsinrichting. Daarin zijn de grondcontouren vastgelegd van ons staatkundig bestel. In een gewone wet kan er dan een nadere invulling aan gegeven worden. De heer Schouw kiest er nu eigenlijk voor om de wijze van aanstelling van de burgemeester, die een aparte en zelfstandige bevoegdheid heeft, niet langer in de Grondwet te regelen. Daarmee ontstaat de situatie dat voor de gemeenteraad en Provinciale Staten precies bepaald wordt dat zij eens in de vier jaar gekozen worden. Voor de burgemeester en de commissarissen wordt dan alleen gesproken over hun bestaan, zonder dat duidelijk wordt hoe zij tot hun functie komen, door verkiezing, benoeming of anderszins.

De aanstellingswijze is ook niet los te zien van de andere lokale, provinciale organen. Het gaat dus om meer dan alleen de enkele vraag of benoeming of verkiezing wenselijk is. Verandering van de benoemingswijze heeft hoe dan ook invloed op de lokale en provinciale politieke en bestuurlijke verhoudingen. Daar komt naar het oordeel van de SGP nog bij dat de burgemeester en de commissaris gebaat zijn bij een stevige positie, verankerd in de Grondwet. Zij hebben ook hun taken ten opzichte van het Rijk. Het is een goede zaak dat er dan ook niet te gemakkelijk gesleuteld kan worden aan de wijze van benoeming. Daar vraagt ook de Afdeling advisering van de Raad van State aandacht voor. Ik onderstreep dat nog maar eens. Naar onze mening is dit thema een wezenlijk onderdeel van het constitutionele recht dat het als zodanig waard is om grondwettelijk beschermd te blijven. De koninklijke weg om te bereiken wat D66 wil, is om in de Grondwet een nieuwe aanstellingswijze voor burgemeesters en commissarissen der Koning vast te leggen. Concluderend: de SGP heeft geen goede argumenten kunnen ontdekken die noodzaken tot het deconstitutionaliseren van commissarissen van de Koning en de burgemeester. Omdat wij ook geen inhoudelijk goede argumenten zien voor een andere aanstellingswijze van de burgemeester, zullen wij geen steun verlenen aan dit voorstel. Eerlijk gezegd bekroop me bij bestudering van dit dossier af en toe het gevoel dat ik een bepaalde roman zat te lezen, de roman van Miguel de Cervantes met de titel "Don Quichot". Met name de episode waarin Don Quichot zijn knecht Sancho Panza ertoe oproept om krachtdadig tegen de windmolens ten strijde te trekken, doemde voortdurend voor mijn geestesoog op.

De heer Segers (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Ook ik complimenteer de heer Schouw voor het indienen van dit wetsvoorstel en voor de volhardendheid waarmee hij dit voor D66 aangelegen punt aan de orde stelt en in het debat inbrengt. Dat betekent niet dat wij het eens zijn met de inhoud van het voorstel.

Je kunt dit wetsvoorstel als droge procedure zien: de benoeming van de burgemeester en van de commissaris van de Koning wordt op dit moment in de Grondwet geregeld en wel zo dat die benoeming bij Koninklijk Besluit dient plaats te vinden. Het voorstel van de heer Schouw haalt de benoemingswijze uit de Grondwet: hij wil dit voortaan door regels bij wet regelen. Daarmee is dit niet zomaar een wijziging. Het is uiteindelijk dus geen procedurele kwestie, maar een zaak van waardering van zowel de Grondwet als van de taken van de burgemeester en de commissaris. Eigenlijk benoem ik daarmee ook mijn hoofdvraag in dit debat: wat is volgens de indiener het belangrijkste doel van de wijziging van deze wet?

In het vervolg zal, na aanneming van dit voorstel, de benoemingswijze bij eenvoudige meerderheid te wijzigen zijn. Dat kan de ChristenUnie om meerdere redenen niet steunen, allereerst vanwege de taken van de burgemeester en de commissaris van de Koning. Zij hebben een eigen onafhankelijke functie in ons staatsbestel. Zij zijn ook een rijksorgaan. De burgemeester kan bijvoorbeeld besluiten van de gemeente die in strijd zijn met de wet, voordragen voor schorsing of vernietiging. Die eigenstandige positie verdient in lijn met andere ambten een eigen plek in de Grondwet. Naast de staatsrechtelijke betekenis van het ambt vindt de ChristenUnie dat het niet past om juist bij deze ambten een situatie te creëren waardoor de wijze van aanstelling met enige regelmaat wisselt. Deze wijziging heeft dit tot gevolg, maar die consequenties zijn verder geen onderwerp van de beraadslaging en dat wringt.

Ik heb bovendien vragen over de onderbouwing door de indiener om juist dit punt uit de Grondwet te kiezen. Hij wijst naar het sobere karakter van de Grondwet, maar geeft vervolgens niet echt thuis als hem door fracties naar andere artikelen in de Grondwet wordt gevraagd die eveneens in aanmerking zouden kunnen komen om uit de Grondwet gehaald te worden. Kersenplukken uit grondwetartikelen is niet de gewenste manier om de gewenste versobering dichterbij te brengen.

Bovendien is het huidige wetsartikel eigenlijk uiterst sober. Wijziging ligt alleen voor de hand als je het ermee oneens bent. In het verkiezingsprogramma van D66 is klip-en-klaar te lezen dat de partij van de heer Schouw voor gekozen bestuurders is. Dan kan ik niets anders concluderen dan dat op het verlanglijstje van de heer Schouw ook steeds de gekozen burgemeester en commissaris staat en dat deconstitutionalisering van deze benoemingen daartoe de eerste stap is. Of neemt hij afstand van zijn partijprogramma? In alle stukken bij dit wetsvoorstel wil hij de procedure en de voorkeur voor de wijze van benoeming los zien van elkaar, maar ik denk dat wij geen verstoppertje moeten spelen. Het uiteindelijke doel van deze exercitie lijkt mij ook helder. De politieke agenda van de indiener is duidelijk; daar heeft hij het volle recht op, maar het is wel zo transparant om daar in dit stadium helder over te zijn.

Ik zie uit naar de beantwoording, maar de inzet van onze fractie mag helder zijn.

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Toen ik dit voorstel bestudeerde, moest ik terugdenken aan maart 2005. Ik was toen lid van de Eerste Kamer. Daar hebben we toen een soortgelijk voorstel tegengehouden, samen met de heer Platvoet van GroenLinks en de heer Van Thijn van de Partij van de Arbeid, in wat later "de nacht van Van Thijn" is genoemd. De reden was niet dat de SP per se de benoemingswijze van de burgemeester en de commissaris in de Grondwet wil. Integendeel, wij sluiten ons aan bij de bedenkingen die ook Thorbecke destijds had: is dit een constitutionele aangelegenheid? We hadden toen echter heel grote bezwaren tegen de in het regeerakkoord van D66, het CDA en de VVD opgenomen koppelverkoop met de rechtstreeks gekozen burgemeester. We vonden dat de benoemingswijze van de burgemeester geen onderwerp moest zijn van uitruil en koppelverkoop. Ik heb die avond ook veel CDA- en VVD-senatoren gesproken, maar bijzonder weinig senatoren waren voor de rechtstreeks gekozen burgemeester. We hebben dus tegengestemd, omdat de deconstitutionalisering van de benoemingswijze van de burgemeester toen in rechtstreeks verband stond met de rechtstreeks gekozen burgemeester.

Ik ben tegen een rechtstreeks gekozen burgemeester, omdat ik voor één kapitein op een schip ben. En als ik voor een kapitein ben, dan ben ik voor het parlement en niet voor de persoon. Ik ben daarom heel blij dat de heer Schouw het voorstel nu opnieuw op tafel legt. Ik dank hem daarvoor hartelijk. Hij zegt nadrukkelijk dat de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en de commissaris geen onderdeel is van een koppelverkoop of uitruil, maar de start van een serieuze discussie. Die discussie zullen we dan ook aangaan met de heer Schouw en met al die anderen.

Volgens mij is het goed om wat dit betreft aan te sluiten bij een praktijk die organisch is gegroeid: ooit werd de burgemeester benoemd door de Kroon, om van rijkswege wat grip te houden op de gemeentes, maar nu zijn de gemeenteraden veel meer geëmancipeerd en hebben we het binnen de huidige grenzen van de Grondwet zo geregeld dat de gemeenteraad een voorstel doet aan de minister, aan de Kroon, en dat de desbetreffende persoon in principe altijd wordt benoemd. Dat is een wijze manier van doen, die aansluit bij de huidige bestuurlijke verhoudingen. Het is echter ook een manier van doen die de grenzen van onze Grondwet opzoekt, omdat de grondwetgever het volgens mij niet zo heeft bedoeld. We kunnen het niet allemaal navragen, maar zo had de grondwetgever het niet bedoeld. Daarom vind ik het ook heel netjes dat de heer Schouw zegt: laten we het goed regelen, laten we nu de benoemingswijze van de burgemeester en de commissaris uit de Grondwet halen en laten we het debat daarover voeren. De inzet van de SP zal zijn om de huidige praktijk, waarbij de gemeenteraad de burgemeester kiest, constitutioneel te verankeren.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Ik merk al dat iedereen zo zijn persoonlijke herinneringen heeft aan de geschiedenis van dit wetsvoorstel. De nacht waarover de heer Van Raak sprak, leverde mij een week later een ministerschap op en een eerste bezoek aan de koningin. Hoe symbolisch dat ik vanochtend mijn eerste bezoek aan de koning bracht!

Ik begin met complimenten aan de heer Schouw. Het is altijd bijzonder als een fractiegenoot een belangwekkend voorstel verdedigt. De vraag die vandaag voorligt, is de volgende: hoort de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning thuis in de Grondwet of in een gewone wet? Dat lijkt op het eerste gezicht niet al te spannend, misschien zelfs eerder een recept voor staatsrechtelijke haarkloverij. Toch heeft dit onderwerp de afgelopen 165 jaar de gemoederen in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer meermaals hoog laten oplopen. Het was de liberaal Thorbecke die in 1848 al vond dat de aanstelling van burgemeesters niet in de Grondwet thuishoorde, maar de regering besloot anders. Staatscommissies, in 1887, 1922, 1971, 1993 en 2000 stelden voor deze regeling in een gewone wet te plaatsen. Staatsrechtgeleerden en bekende figuren van alle politieke gezindten steunden deze opvatting, maar er veranderde nooit iets. Tot er in 2005 in de Tweede Kamer brede overeenstemming leek bereikt. Een voorstel, vergelijkbaar met dat van collega Schouw, lag in de Eerste Kamer voor de tweede lezing, de laatste horde om de Grondwet te kunnen wijzigen. Op het allerlaatste moment sneuvelde het voorstel omdat enkele partijen die eigenlijk voor waren, toch tegenstemden. U ziet, voorzitter, ook toen al was die Eerste Kamer gewoon een politieke Kamer.

De positie van D66 is duidelijk. Wat ons betreft hoort de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning in een gewone wet. Drie argumenten zijn hierbij doorslaggevend. Het zijn de argumenten die mijn voorgangers Scheltema-de Nie en Van der Ham ook al onder de aandacht hebben gebracht. Het eerste is de overtuiging dat de Grondwet een sober karakter moet hebben. Alleen principiële en beschermingswaardige zaken, zoals onze grondrechten, horen erin te staan. De aanstellingswijze van de burgemeester valt daar wat ons betreft niet onder. Ten tweede is vrijwel de gehele organisatie van provincies en gemeenten in een gewone wet geregeld. Dan hoort wat ons betreft ook de aanstelling van de belangrijkste functionarissen daar thuis. Zeker nu de burgemeester en de commissaris van de Koning steeds minder rijksorgaan zijn en steeds meer vertegenwoordiger van gemeente en provincie. Het derde argument is de noodzaak in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen. De kroonbenoeming werd ingevoerd door Napoleon en zijn broer Lodewijk Napoleon. Zij wilden een steviger vinger in de pap houden bij de benoeming van de burgemeesters. Toen Nederland een koninkrijk werd, besloot koning Willem I de regeling te handhaven en uit te breiden naar alle gemeenten.

De afgelopen 200 jaar is er het nodige veranderd: het werk van burgemeesters en commissarissen, de taken van gemeenten en provincies, denk bijvoorbeeld aan alle decentralisaties, en, niet te vergeten, de wereld om ons heen. Maar de bestaande regeling blijkt elke keer opnieuw een blokkade om in te kunnen spelen op die veranderende omstandigheden. Dat moet anders.Een van die veranderingen is het dualisme. Kan de indiener aangeven hoe zijn voorstel past in het licht van de ervaringen met dat dualisme? De geschiedenis van het openbaar bestuur in Nederland leert ons in ieder geval een ding: het heeft de opmerkelijke eigenschap dat het zelden de eigen systeemfouten weet te corrigeren. Mijn fractie is ervan overtuigd dat we die traditie ditmaal wel kunnen en zullen doorbreken.

De indiener wenst zich niet uit te spreken over een toekomstperspectief. Dat is begrijpelijk. Ik doe dat echter wel. De D66-fractie ziet de deconstitutionalisering als een eerste stap naar de direct gekozen burgemeester en de direct gekozen commissaris van de Koning. Dat zou de kroon zijn op de gemeentelijke en provinciale democratie, en dat zullen we dan ook van harte steunen.

Tot slot. Het kabinet heeft dit voorstel omarmd in het regeerakkoord, maar opnieuw is de oppositie nodig om het regeerakkoord uit te voeren. U zult begrijpen dat wij in dit geval graag helpen. Nu de investeringen in het onderwijs nog.

De heer Klein (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Allereerst dank ik de initiatiefnemer voor het initiatief. Ik complimenteer hem graag met zijn inbreng. Ook moet ik onze excuses aanbieden voor het feit dat wij geen inbreng hebben kunnen leveren bij het schriftelijk verslag. Dat had een capaciteitsachtergrond; het lag niet aan het belang van het onderwerp.

Een tussenstap. Zo zou de fractie van 50PLUS deze grondwetswijziging willen aanduiden. Het is een tussenstap om te komen tot een democratisering van de historisch verklaarbare maar democratisch merkwaardige figuur van de benoemde burgemeester en commissaris van de Koning. Door straks de aanstelling volgens regels bij wet te laten plaatsvinden, wordt het mogelijk om op een zorgvuldig en bijdetijdse wijze het democratiseringsproces te realiseren.

De wijze van benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning is al vele jaren onderwerp van discussie. Ook tijdens mijn studie staatsrecht was het al een levendig onderwerp van discussie, en niet ten onrechte. In het dagelijks bestuur van een gemeente of provincie is de burgemeester of de CvdK zonder democratische legitimatie wel stemgerechtigd in het college van B en W en het college van GS. Bestaande praktijken om voor de benoeming allerlei niet-bindende consultatierondes te verzinnen, zijn wat ons betreft schijnoplossingen, omdat de benoeming door de Kroon ten principale blijft bestaan. De parlementaire geschiedenis over het al dan niet benoemen bij Koninklijk Besluit leert ons evenwel dat de stap om de democratisering van beide ambtsdragers grondwettelijk te regelen een brug te ver is. Voorstellen daartoe zijn immers vaak vroegtijdig gestrand. Daarom is dit voorstel in onze visie een goede tussenstap.

Mijn fractie heeft nog een tweetal vragen aan de indiener. Ten eerste is het de vraag of artikel 131 van de Grondwet überhaupt nodig is. Ons openbaar bestuur kent in de Grondwet naast de provincie en de gemeente ook het waterschap in artikel 133. Over de benoemingsprocedure van de voorzitter van een waterschap regelt de Grondwet helemaal niets. Dit is in de Waterschapswet geregeld. In artikel 46 van de Waterschapswet staat dat de voorzitter bij Koninklijk Besluit wordt benoemd. Dezelfde soort bepaling staat ook in artikel 61 van de Provinciewet en artikel 61 van de Gemeentewet. Daarin wordt op dezelfde wijze aangegeven dat de benoeming van de voorzitter plaatsvindt bij Koninklijk Besluit. Aan de huidige praktijk zal ook de momentele grondwetswijziging niets afdoen, totdat de Provinciewet en de Gemeentewet gewijzigd worden en analoog daaraan allicht ook de Waterschapswet. Waarom kan de wettelijke regeling van de burgemeester en de CvdK voor de provincies en de gemeenten niet analoog aan de waterschappen geregeld worden? Zou een voorstel tot het schrappen van het onderhavige grondwetsartikel niet méér in de rede liggen? Kan de indiener hier nader op ingaan?

Ten tweede zijn de door de indiener genoemde argumenten verschillend van aard. Hiervoor verwijs ik naar de memorie van toelichting. De argumenten zijn namelijk staatsrechtelijk en al dan niet vermeend maatschappelijk van aard. De Raad van State heeft hier ook op gewezen. Het zou goed zijn om een zelfstandig dragende motivering, met name op het staatsrechtelijk deel, te geven. Kan de indiener hier nader op ingaan om het draagvlak te vergroten?

De heer Taverne (VVD):

Voorzitter. Graag maak ik namens de leden van de fractie van de VVD collega Schouw complimenten voor het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Dit is een wetsvoorstel ter wijziging van de Grondwet, dus het is extra belangrijk en gewichtig. Het feit dat in het debat tot nu toe niet alleen door de vertegenwoordiger van de fractie van D66, maar ook door de vertegenwoordiger van de fractie van de Socialistische Partij aan Thorbecke is gerefereerd, onderstreept het belang van het onderwerp.

Het uit de Grondwet verwijderen van de wijze van aanstelling van de commissaris van de Koning en de burgemeester kent een lange geschiedenis. Dat is al eerder gezegd. Zoals de indiener van het voorstel waarover wij vandaag spreken in de memorie van toelichting terecht opmerkt, gaat die geschiedenis terug tot 1848. In die geschiedenis leek er met regelmaat overeenstemming te bestaan over het feit dat het niet nodig is om de precieze wijze waarop de commissaris van de Koning en de burgemeester worden benoemd, in de Grondwet te laten staan. Desondanks is het in de geschiedenis nooit tot een voorstel tot grondwetswijziging gekomen dat de eindstreep haalde.

De VVD-fractie spreekt de hoop en de verwachting uit dat het voorliggende voorstel een ander lot beschoren zal zijn. De VVD-fractie is van mening dat de door de indiener van het voorliggende wetsvoorstel gemaakte keuze, inhoudende dat de positie van de commissaris van de Koning en de burgemeester in de Grondwet verankerd blijven, maar dat over de wijze van benoeming door de gewone wetgever kan worden besloten, juist is. Om die reden zal mijn fractie het wetsvoorstel steunen.

De heer Heijnen (PvdA):

Voorzitter. Ook namens de fractie van de Partij van de Arbeid dank aan het adres van de initiatiefnemer. Aan het rijtje persoonlijke herinneringen aan maart 2005 voeg ik graag iets toe. Nadat het misging in de Eerste Kamer, kon ik stoppen met nadenken over wie het in april 2006 namens de Partij van de Arbeid zou moeten gaan opnemen tegen de zeer gewaardeerde burgemeester Deetman. Dat was namelijk de consequentie geweest als dat wetsvoorstel in maart 2005 wél was aangenomen. Men zal begrijpen dat dit ook voor mij een hele opluchting was.

Ik ben de initiatiefnemer dankbaar voor het releveren van de geschiedenis van de discussie over de aanstellingswijze van de burgemeester en van de CvdK. Ik wil onderstrepen dat het ambt van burgemeester zeker in de laatste 20 à 25 jaar ingrijpend is veranderd. Dat staat niet in het voorstel, maar het is onder andere door de heer Pechtold naar voren gebracht. Het belang van de functie is toegenomen. Ook de dualisering heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld. Hij is voorzitter van de raad, voorzitter van het college, een apart bestuursorgaan. Hij heeft heel veel taken op het gebied van de openbare orde en veiligheid en bevoegdheden op basis van uiteenlopende wetgeving erbij gekregen. In een tijdsgewricht waarin politiek meer wordt gepersonaliseerd, is hij echt de belangrijkste politicus en bestuurder voor lokale gemeenschappen.

Gelet op de veranderingen in de functie van de burgemeester moet de aanstellingswijze van de burgemeester tegen het licht kunnen worden gehouden. Die functie is sinds Thorbecke dus niet constant gebleven. De aanstellingswijze zoals deze nu in de Grondwet is opgenomen, beperkt de mogelijkheden om haar meer in overeenstemming te brengen met de ontwikkelingen van het burgemeestersambt. Daarom zijn wij vóór deconstitutionaliseren.

Daarmee zijn we er echter niet. Hoe richten we het proces in na de — hopelijke — aanvaarding van dit wetsvoorstel door de Staten-Generaal? Mijn vraag aan de initiatiefnemer is daarop gericht: hoe stelt de initiatiefnemer zich dat voor? Ik heb ook een vraag aan de minister: is de minister, nadat dit voorstel is aanvaard door de Staten-Generaal, bereid om, iets meer gefundeerd dan ik in deze korte tijd kan doen, de ontwikkeling van het burgemeestersambt te bekijken? Kan hij ook bekijken hoe het weleens misgaat, bijvoorbeeld bij herbenoemingen? En hoe het zit met de match tussen de verwachtingen van gemeenteraden en burgers, en de positie van de burgemeesters? Kan hij bezien in hoeverre daaruit aanbevelingen zijn af te leiden voor een andere aanstellingswijze dan nu in de praktijk geldt? Het is mogelijk, het hoeft niet, maar de PvdA vindt dat de wenselijkheid en noodzaak moeten worden onderzocht. Dat waren mijn vragen, respectievelijk aan de initiatiefnemer en aan de minister.

De heer Van Raak (SP):

Wat is eigenlijk de opvatting van de PvdA over de aanstellingswijze van de burgemeester?

De heer Heijnen (PvdA):

Zoals wij daar nu tegen aankijken — en zo is het, meen ik, ook in achtereenvolgende programma's opgenomen — kiest de gemeenteraad tegelijkertijd met of onmiddellijk volgend op de gemeenteraadsverkiezingen uit zijn midden de burgemeester. Dat is dus het uitgangspunt. Maar als ik anderen oproep om na te denken over de positie van de burgemeester in het licht van de ontwikkelingen, moet ik dat ook voor mijzelf en mijn partij ter harte nemen. Wij zullen dat ook doen. Wij gaan die discussie dus open in. Wij zouden bijvoorbeeld willen dat een werkgroep van de Staten-Generaal, dus de Eerste en de Tweede Kamer samen, na ommekomst van dit wetsvoorstel eens onderzoekt of er een verbetering mogelijk is van de aanstellingswijze, om vervolgens de wetgeving daarop aan te passen.

De heer Van Raak (SP):

Zullen we eerst afspreken dat de politieke partijen zich uitspreken? Ik ben blij dat de heer Heijnen zich uitspreekt en ik ben ook blij met de voorlopige uitkomst, maar laten we toch eerst als politieke partijen zelf een standpunt bepalen in plaats van dat we weer allemaal commissies instellen.

De heer Heijnen (PvdA):

Het probleem is nu juist dat politieke partijen hun standpunt al heel lang op dit onderwerp redelijk stevig hebben. Waar we naar op zoeken moeten, is het overbruggen van die standpunten teneinde een tweederde meerderheid te krijgen voor bijvoorbeeld het deconstitutionaliseren van de burgemeestersaanstelling in tweede termijn. Om dat mogelijk te maken is het naar mijn mening wijs om min of meer objectief te laten kijken naar de ontwikkelingen van de functie van het burgemeesterschap en een proces in te richten waarin je bij voorbaat de Eerste Kamer en de Tweede kamer meeneemt in het nadenken over hoe het anders zou kunnen of moeten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Op deze laatste vergaderdag is het toch wel heerlijk dat we nu een soort rust hebben om over dit onderwerp te spreken. Meestal is zo'n laatste dag een dag van allerlei haastige gekkigheid maar ineens bespreken we hier een voorstel dat al voor 2001 speelde. Dus wat hebben we nu een wezenlijk onderwerp te pakken dat we vandaag zomaar eens even rustig gaan bediscussiëren.

De CDA-fractie onderkent dat binnen de wettelijke kaders van de kroonbenoeming al wel een aantal veranderingen zijn doorgevoerd in de procedure van de benoeming van de commissaris van de Koning en van de burgemeester. Op beperkte schaal is daar ook al mee geëxperimenteerd. Die discussie over het ambt van de burgemeester en van de commissaris van de Koning is eigenlijk beperkt gebleven tot de aanstellingswijze. Wij zouden eigenlijk van de initiatiefnemer willen weten hoe hij er nu aan wil bijdragen dat dit de discussie over die aanstellingswijze overstijgt en we echt serieus verder kunnen spreken over de verbreding en de verdieping van de discussie over het ambt, de taken en de bevoegdheden van de burgemeester en van de commissaris van de Koning. Want iedere keer spreken we over de vraag hoe die aantreedt, maar het gaat er eigenlijk om wat hij doet en hoe hij het doet.

De regeling van aanstelling bij gewone wet zal uiteindelijk wel een aantal experimenten uitlokken en mogelijkheden geven. In het verslag hebben we daarover ook vragen gesteld, zoals de vraag hoe de ruimte voor experimenten zich nu verhoudt tot die gewenste bestendigheid in het openbaar bestuur. De initiatiefnemers stellen zich voor dat er niet in één keer een alomvattende nieuwe regeling zal komen maar dat er eerst in beperkte mate ruimte wordt geschapen voor een andere aanstellingswijze dan die kroonbenoeming. Daar laat de initiatiefnemer zich weer zien als een optimist. Want hij zegt: het is zeer wel mogelijk dat die discussie dan zal leiden tot een brede consensus over de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning die vele jaren stand zal houden. Dan zouden wij natuurlijk wel graag willen weten waarop die blijmoedigheid is gebaseerd. Wij zijn van mening dat de aanstellingswijze van de burgemeester onderdeel is van een brede visie op het ambt. Hoe verhoudt dat zich nu tot de experimenteerruimte die de initiatiefnemer zich voorstelt?

De initiatiefnemer suggereert dat het voorliggende wetsvoorstel niet meer is dan een voorstel over de staatsrechtelijk zuivere taakverdeling tussen de grondwetgever en de gewone wetgever. Daar wordt deze eenvoudige jurist natuurlijk al helemaal blij van. Maar onderkent hij als verklaarde voorstander van de rechtstreeks gekozen burgemeester dat hij op dat punt niet een beetje de schijn tegen heeft? Was het daarom niet nog overtuigender geweest als hij het voorstel gezamenlijk had ingediend met een voorstander van de kroonbenoeming? Die vraag willen wij graag beantwoord zien.

De voorzitter:

U gaat het horen na het reces. Hiermee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De initiatiefnemer heeft aangegeven een tijdje te willen nadenken over de antwoorden die hij wil geven. Daarom schors ik de beraadslaging tot een nader te bepalen moment.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot 16.30 uur. Ik zal daarvoor een verklaring geven. Het is niet anders mogelijk, want er zijn VAO's gepland waarvan de AO's nu nog gaande zijn. Het is toch wel handig dat ze afgelopen zijn voordat hier een derde termijn begint; vandaar dat we moeten schorsen tot 16.30 uur. U had vandaag dus veel uitgebreider van stof mogen zijn!

De vergadering wordt van 15.37 uur tot 16.30 uur geschorst.