Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 103, item 10

10 Maatschappelijke diensttijd

Aan de orde is het VAO Maatschappelijke diensttijd (AO d.d. 14/06).

De voorzitter:

Aan de orde is het VAO Maatschappelijke diensttijd. Ik heet de staatssecretaris van VWS van harte welkom. Ik wijs de leden erop dat wij vandaag best wel een strak schema hanteren. Ik doe dus een beroep op uw zelfdiscipline en geef direct het woord aan de heer El Yassini van de VVD.

De heer El Yassini (VVD):

Voorzitter, dank u wel. De VVD vindt het belangrijk dat iedereen meedoet, ervaringen opdoet en participeert in de samenleving. Als coalitie hebben we in het regeerakkoord afgesproken de maatschappelijke diensttijd in te voeren. Daar is veel geld mee gemoeid, oplopend tot 100 miljoen euro per jaar. We moeten namelijk wel jongeren bereiken die zonder die pilots niet voor vrijwilligerswerk of vergelijkbare activiteiten hadden gekozen. Om daadwerkelijk te weten of deze jongeren bereikt worden, is een evaluatiemoment nodig. Ook is het belangrijk om te weten welke organisaties deelnemen aan de pilots; meten is tenslotte weten. De VVD heeft dit VAO aangevraagd om de volgende motie in te dienen. De motie is medeondertekend door het CDA, de ChristenUnie, D66 en de PvdA.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de maatschappelijke diensttijd in het regeerakkoord is opgenomen om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan onze samenleving;

overwegende dat een evaluatie met betrekking tot de pilots van cruciaal belang is voor de uiteindelijke vormgeving van de maatschappelijke diensttijd;

overwegende dat er nog veel onduidelijkheden zijn op het gebied van de maatschappelijke diensttijd;

overwegende dat transparantie een belangrijk onderdeel is bij de evaluatie van de pilots;

van mening dat de groep deelnemers breder moet zijn dan de jongeren die zich nu al inzetten voor de samenleving;

verzoekt de regering bij de evaluatie van de pilots maatschappelijke diensttijd inzicht te geven in welke initiatieven zijn toegekend, wat de indieners van de initiatieven met het geld hebben gedaan en wat de resultaten zijn;

verzoekt de regering tevens bij de evaluatie van de pilots maatschappelijke diensttijd inzicht te verkrijgen in welke jongeren hebben geparticipeerd bij de pilots, wat hun achtergrond is, hun positie in de samenleving en de betrokkenheid bij de samenleving voor de pilots;

verzoekt de regering voorts de evaluatie te delen met de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Yassini, Segers, Rog, Diertens en Kerstens.

Zij krijgt nr. 135 (34775-XVI).

De heer El Yassini (VVD):

Dan wil ik nog aan de staatssecretaris vragen of hij ons ervan op de hoogte kan stellen wanneer wij op termijn kunnen verwachten dat de evaluatie naar de Kamer komt en wanneer we er na de zomer daadwerkelijk over kunnen debatteren.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. Het woord is aan mevrouw Westerveld van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dank, voorzitter. We hebben een debat gehad over de maatschappelijke diensttijd. Daarin hebben wij ook aangegeven wat voor GroenLinks de bezwaren zijn tegen de maatschappelijke diensttijd. Die zal ik hier niet herhalen. Maar één van die bezwaren was dat we bang zijn dat ook jongeren die juist praktisch opgeleid zijn, minder meedoen. Daar heb ik een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet "om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving" een bedrag oplopend tot 100 miljoen euro beschikbaar stelt voor de maatschappelijke diensttijd;

overwegende dat Nederland al tientallen jongerenorganisaties kent die al veel jongeren in staat stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving;

overwegende dat veel van deze organisaties moeite hebben met het bereiken van jongeren die een praktische opleiding volgen;

verzoekt de regering om met een delegatie van praktisch geschoolde jongeren en met professionals die met deze jongeren werken, zoals mensen uit het onderwijs en jongerenwerkers, te bespreken welke ideeën zij hebben om deze doelgroep te bereiken in het kader van de maatschappelijke diensttijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Segers en Diertens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 136 (34775-XVI).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Wij waren ook kritisch omdat wij vinden dat er in Nederland heel veel jongerenorganisaties zijn die al heel veel jongeren bereiken en in staat stellen om een bijdrage te leveren aan onze samenleving. Ook daar heb ik nog een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet "om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving" een bedrag oplopend tot 100 miljoen euro per jaar beschikbaar stelt voor de maatschappelijke diensttijd;

overwegende dat Nederland al tientallen jongerenorganisaties kent die al veel jongeren in staat stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving;

overwegende dat deze organisaties met meer steun nóg meer jongeren kunnen bereiken;

verzoekt de regering een deel van de 100 miljoen euro in overleg met de al bestaande jongerenorganisaties te besteden, met als doel dat zij hun eigen organisatie kunnen versterken en meer jongeren kunnen bereiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 137 (34775-XVI).

Dank u wel, mevrouw Westerveld. Dan is nu het woord aan mevrouw Diertens van D66.

Mevrouw Diertens (D66):

Dank u wel, voorzitter. Wij zullen uiteraard vaker spreken over de maatschappelijke diensttijd. Hopelijk ligt er dan ook een meer uitgewerkt voorstel. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris over de zogeheten vinkjes. Diverse jongerenorganisaties pleiten terecht voor kansengelijkheid en gelijke behandeling. Dit hebben wij ook tijdens het debat gedaan. Ik vind het dan ook fijn dat de staatssecretaris zegt dat hij "zich niet gehouden voelt om te zeggen dat als je dat vinkje hebt, je sowieso bij de overheid aan het werk gaat". Wij hebben tijdens het AO ook aandacht gevraagd voor jongeren die moeilijker te bereiken zijn. De maatschappelijke diensttijd moet wat ons betreft inclusief ingericht worden. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst staat opgenomen dat de mogelijkheid van een maatschappelijke diensttijd wordt ingevoerd om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan onze samenleving;

van mening dat de maatschappelijke diensttijd enkel een succesvol project wordt als alle jongeren hierbij betrokken worden, ook jongeren die nu al moeilijk een baan of stageplek kunnen krijgen, zoals jongeren met een beperking of jongeren met een (niet-westerse) migratieachtergrond;

verzoekt de regering om, samen met de betrokken jongerenorganisaties, bij de verdere uitwerking van de maatschappelijke diensttijd in gesprek te gaan met leder(in) en migrantenjongerenorganisaties, zoals bijvoorbeeld de Gamechangers Academy, om te bezien hoe de maatschappelijke diensttijd inclusief ingericht kan worden, en de Kamer hierover het vierde kwartaal van 2018 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Diertens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 138 (34775-XVI).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Hijink van de SP.

De heer Hijink (SP):

Voorzitter, dank u wel. We hebben uitgebreid gesproken over de maatschappelijke diensttijd. Er is nog heel veel onduidelijk, maar er is ook nog heel veel twijfel over of het überhaupt een goed idee is om met dit hele project door te gaan. Daarom zou de SP graag de volgende twee moties willen indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er nog veel onduidelijkheid is over de uiteindelijke invulling van de maatschappelijke diensttijd en over de bereidheid tot deelname aan de maatschappelijke diensttijd onder jongeren, maar dat verschillende onderzoeksprojecten hierin meer duidelijkheid zullen verschaffen;

constaterende dat de kosten voor de invoering van de maatschappelijke diensttijd uiteindelijk structureel 100 miljoen euro zullen bedragen;

van mening dat voor een structurele besteding van 100 miljoen euro een serieuze afweging nodig is op basis van heldere informatie;

verzoekt de regering voor het voorjaar van 2019 een "go/no go"-moment in te bouwen met betrekking tot de invoering van de maatschappelijke diensttijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hijink en Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 139 (34775-XVI).

De heer Hijink (SP):

Voorzitter. Tot slot.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er nog veel onduidelijkheid is over de uiteindelijke invulling van de maatschappelijke diensttijd en de kosten van de daarvoor op te bouwen structuur;

van mening dat de uiteindelijke voorgestelde infrastructuur van de maatschappelijke diensttijd wellicht grote overeenkomsten zal hebben met de reeds bestaande structuur van de maatschappelijke stage;

verzoekt de regering de optie open te houden om de besteding van deze 100 miljoen euro structureel te benutten voor de versterking van maatschappelijke stages in het onderwijs in plaats van het opbouwen van een geheel nieuwe infrastructuur voor de maatschappelijke diensttijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hijink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 140 (34775-XVI).

Dank u wel, meneer Hijink. Dan is nu het woord aan de heer Segers van de ChristenUnie.

De heer Segers (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Er zijn inderdaad nog veel vragen. Veel gaat nog uitgewerkt worden. Daarom is het goed om ook wensen vanuit de Kamer mee te geven aan de staatssecretaris. Wij hebben onder andere de wens om ambassadeurs te werven, omdat de maatschappelijke diensttijd zal staan of vallen met de bekendheid bij en betrokkenheid van jongeren. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het succes van de maatschappelijke diensttijd staat of valt met de bekendheid ervan en met de betrokkenheid van jongeren;

overwegende dat het belangrijk is dat jongeren gemotiveerd worden om deel te nemen aan de maatschappelijke diensttijd, met name als vrijwilligerswerk voor hen niet vanzelfsprekend is;

overwegende dat bekende personen waarmee jongeren zich kunnen identificeren, zoals bijvoorbeeld sporters of vloggers, jongeren kunnen inspireren om deel te nemen aan de maatschappelijke diensttijd;

verzoekt de regering ambassadeurs te werven met als doel jongeren bekend te maken met de maatschappelijk diensttijd en hen aan te moedigen om eraan deel te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Segers en Diertens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 141 (34775-XVI).

De heer Segers (ChristenUnie):

In een eerder debat is een motie ingediend door collega Van der Graaf over het onderzoeken van de mogelijkheid om jongeren hun maatschappelijke diensttijd als politiek dienstrecht te laten vervullen in het lokale en regionale bestuur. Daar zou ik graag een oordeel over willen horen. Ik weet dat mijn collega die motie ook graag in stemming zou willen laten brengen.

De heer El Yassini (VVD):

Een korte verhelderende vraag: zou dat dan betekenen dat politieke partijen bijvoorbeeld ook aanspraak zouden kunnen maken op het budget dat we hebben staan voor maatschappelijke diensttijd? Ik ben ook wel benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ja, het is een onderzoeksmotie. Het gaat om participeren in lokaal en regionaal bestuur en in jongerenorganisaties. Het gaat dus om politieke participatie. Ik zou de motie dus zo breed mogelijk willen voorleggen aan de staatssecretaris om te kijken wat de randvoorwaarden zouden kunnen zijn om daar eventueel mee verder te gaan, maar het is een heel voorzichtige motie, die al eerder is ingediend en waar ik graag het oordeel over hoor.

De voorzitter:

Heel goed. Dank u wel. Dan is het woord nu aan de heer Kerstens van de PvdA.

De heer Kerstens (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met de opmerking dat ik terugkijk op een prettig debat met de staatssecretaris. Hij heeft absoluut de intentie om het beste te maken van de maatschappelijke diensttijd. Ik heb hem in het debat een paar keer geplaagd door te zeggen dat het goed is om jongeren erbij te betrekken en dat het een start is als je het eerste jaar 60 jongeren hebt gesproken. Ik moedig hem dus aan om meer jongeren hierbij te betrekken.

Ik heb twee moties over twee onderwerpen die ik ook in het debat aan de orde heb gesteld. De eerste motie gaat over het gegeven dat de maatschappelijke diensttijd geen project mag worden van de happy few, hoogopgeleide jongeren die hun cv ermee opleuken, maar dat vooral jongeren die kansen nodig hebben, ermee geholpen moeten worden. De andere motie gaat over het tegengaan van verdringing.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de maatschappelijke diensttijd geen speeltje voor de happy few mag worden;

overwegende dat de maatschappelijke diensttijd moet bijdragen aan een inclusieve samenleving en dus vooral ook kansen moet bieden aan jongeren die nu niet zo veel kansen hebben (als bijvoorbeeld jongeren met een beperking of schoolverlaters zonder diploma);

overwegende dat de maatschappelijke diensttijd voor deze laatstbedoelde jongeren een opstapje naar bijvoorbeeld een betaalde baan zou moeten zijn;

verzoekt het kabinet bij de evaluatie van de plaatsvindende pilots inzichtelijk te maken op welke wijze de maatschappelijke diensttijd een en ander gaat verwezenlijken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kerstens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 142 (34775-XVI).

De heer Kerstens (PvdA):

Mijn tweede en laatste motie is medeondertekend door mevrouw Westerveld van GroenLinks en de heer Hijink van de Socialistische Partij, de SP.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat invoering van de maatschappelijke diensttijd niet mag leiden tot verdringing van betaalde werkzaamheden;

verzoekt het kabinet bij het opstarten van de voorgenomen pilots rekening te houden met de risico's op verdringing en bij de evaluatie daarvan expliciet aan te geven dat en op welke wijze deze risico's worden voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kerstens, Westerveld en Hijink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 143 (34775-XVI).

Tot slot is het woord aan de heer Slootweg van het CDA.

De heer Slootweg (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Het is heel erg leuk dat er juist nu wellicht potentiële maatschappelijke dienstplichtigen binnenkomen. Nee, diensttijdvolgenden; ik moet heel erg op mijn woorden letten. Als die maatschappelijke diensttijd er komt, hoop ik dat het voor jullie echt een geweldige ervaring zal worden. Waarom vindt het CDA dit belangrijk? Het is voor ons een belangrijke stap om de onderlinge samenhang in de maatschappij te bevorderen. Het is een vrijwillige maar geen vrijblijvende ontmoetingsplaats voor jongeren. Daarom vinden we het ook zo grappig dat op dit moment in Frankrijk onderzocht wordt of er voor 16-jarigen zoiets als een sociale dienstplicht kan komen, maar we vinden ook de argumentatie daarvoor grappig: men wil jongeren er daarmee toe aanzetten om nieuwe relaties op te bouwen en hun rol in de samenleving te vinden. Ik hoop dat ook de plannen van de staatssecretaris dat zullen bereiken. Ik heb verder geen motie, maar ik wil hem wel bedanken voor de toezeggingen die hij tijdens het AO heeft gedaan.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. Ik schors voor vijf minuten en geef daarna de staatssecretaris het woord.

De vergadering wordt van 13.37 uur tot 13.42 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de staatssecretaris het woord.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dank, voorzitter. Ik zie niet alleen de Kamerleden, die nog staan, maar ik zie op de tribune ook een heleboel jonge Nederlanders. Tenminste, ik veronderstel dat het Nederlanders zijn. Het zijn een heleboel scholieren en het is ontzettend leuk dat zij komen kijken in de Tweede Kamer, juist op een moment waarop het over jongeren gaat. Het gaat over maatschappelijke diensttijd. Als de dames en heren, jongens en meisjes wat groter zijn, gaan zij misschien meedoen met maatschappelijke diensttijd. Het gaat over heel veel geld. Het leuke is dat er in Nederland geen project is met zo veel geld — het gaat over meer dan 200 miljoen euro — waarover jongens en meisjes zo veel mogen meebeslissen. Dus ze zitten hier precies op het goede moment.

Er zijn negen moties ingediend, voorzitter. Ik ga ze langs op volgorde van indiening.

In de motie-El Yassini c.s. op stuk nr. 135 wordt de regering gevraagd om bij de evaluatie van de pilots inzicht te verkrijgen in welke jongeren hebben geparticipeerd, in hun achtergrond, in hun positie in de samenleving en in hun betrokkenheid bij de samenleving voor de pilots. Wat mij betreft is dit een prima verzoek, waarmee het kabinet prima uit de voeten kan. Ik neem aan dat de heer El Yassini er niet op uit is om allerlei organisaties met een enorme administratievelastendruk op te zadelen. Zo ken ik hem ook niet. Bij "wat hun achtergrond is" zal het dan ook niet gaan om namen en rugnummers, maar om een beeld. Als ik de motie zo mag uitleggen, willen wij dat van harte doen. Ik laat het oordeel dus aan de Kamer.

De voorzitter:

Over de motie op stuk nr. 135 is het oordeel aan de Kamer.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de slipstream vroeg de heer El Yassini ook wanneer er wordt geëvalueerd. Het is de bedoeling dat dat in het eerste kwartaal van volgend jaar gebeurt. Dat wordt eind eerste kwartaal, begin tweede kwartaal. Na ommekomst gaan wij dat de Kamer melden, want wij moeten ons voorbereiden op het concept maatschappelijke diensttijd, zodat het na de zomer van start kan. Wij willen wel wat te evalueren hebben. De projecten gaan na de zomervakantie van start. Als je dan in december of januari gaat evalueren, valt er nog niet veel te evalueren. We willen dus wel duidelijk iets te evalueren hebben. Eind eerste kwartaal zal dat gebeuren. Ik kijk nog eventjes naar mijn ambtenaren, achter in de zaal. Wordt er geknikt, of ... Ja. Eind eerste kwartaal.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 136 is van mevrouw Westerveld en verschillende andere leden. Daarin wordt de regering verzocht om in gesprek te gaan met een delegatie van praktisch geschoolde jongeren en de professionals die met deze jongeren werken, over de ideeën die zij hebben om de maatschappelijke diensttijd verder in te vullen. Ik heb ook in het algemeen overleg aangegeven dat wij heel graag met zo veel mogelijk jongeren het gesprek hierover voeren. Ik ben dus graag bereid om dit te doen. Ook voor deze motie geldt dat ik het oordeel aan de Kamer laat.

De voorzitter:

Over de motie op stuk nr. 136 is het oordeel aan de Kamer.

Staatssecretaris Blokhuis:

Bij de volgende motie van mevrouw Westerveld, op stuk nr. 137, wordt het wat spannender, want zij verzoekt het kabinet daarin om een deel van de 100 miljoen aan bestaande jongerenorganisaties te besteden. Dat pleidooi heeft zij ook gehouden tijdens het algemeen overleg. Toen heb ik al gezegd dat ik daar eigenlijk niet zo veel voor voel, omdat de middelen die we op grond van het regeerakkoord gaan inzetten voor maatschappelijke diensttijd, ook echt bedoeld zijn om vernieuwende projecten van de grond te tillen. Als wij met elkaar willen vernieuwen en allerlei mooie projecten willen starten, zou het wat jammer zijn om bestaande projecten te gaan honoreren, die al bestaansrecht hebben. Daarmee zouden we langs het doel schieten dat we willen bereiken met maatschappelijke diensttijd. Dit wordt een vorm van subsidiering van bestaande organisaties en daar voel ik eerlijk gezegd helemaal niks voor. Ik zou de motie om die reden willen ontraden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik snap die reden. Ik wil nog één keer de kanttekening maken dat er heel veel jongerenorganisaties zijn die nu soms moeite hebben om het hoofd boven water te houden. Dat staat ook in de motie.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Bestuursleden daarvan krijgen soms een paar honderd euro per maand als vergoeding en moeten daardoor flinke leningen aangaan om het werk te kunnen doen. Ik zeg ook niet dat we een substantieel deel van het geld hiervoor moeten inzetten. We hebben het bewust heel vaag gelaten. Het kan ook een paar ton zijn, maar laten we alsjeblieft ook bestaande organisaties een handje helpen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik snap de wens, alleen vind ik het een oneigenlijke route om dat te doen via de middelen die gereserveerd zijn in het kader van maatschappelijke diensttijd. Dan zou ik dat, als de wens al bestaat en als daarvoor draagvlak is in de Kamer, via een andere route willen doen. Daarvoor zou ik geen middelen willen inzetten die we willen gaan inzetten in het kader van maatschappelijke diensttijd. Dus mijn oordeel blijft staan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 137: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 138.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de motie op stuk nr. 138 geeft mevrouw Diertens aan dat we over de volle breedte met organisaties in gesprek moeten gaan. Ook organisaties en jongeren die je niet zozeer als eerste op het netvlies hebt, moeten erbij betrokken worden, bijvoorbeeld migrantenjongerenorganisaties. De wens of het verzoek begrijp ik volledig. Ik wil daar heel graag ruimhartig mee omgaan en dat verzoek honoreren. Ik heb alleen twee vragen bij de motie. In het dictum staat letterlijk dat ik met Ieder(in) in gesprek moet gaan. Ik vind het een beetje lastig als het kabinet dictaten meekrijgt, zo van: je moet met die of die organisatie in gesprek gaan. Ik hoop dat ik de motie zo breed mag uitleggen dat ik in gesprek moet gaan met organisaties die verstand hebben van deze materie. Bovendien zou ik de Kamer al in het vierde kwartaal moeten informeren. Ik zou aan de indiener willen voorstellen om dat te verschuiven naar de evaluatie waar we het zojuist over hadden.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik zal de motie daarop aanpassen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dan is het oordeel over deze motie wat mij betreft aan de Kamer, voorzitter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 138 wordt dus door mevrouw Diertens gewijzigd en opnieuw ingediend, en krijgt dan oordeel Kamer.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. De heer Hijink heeft twee moties ingediend. Zijn eerste motie, op stuk nr. 139, vraagt de regering om voor het voorjaar van 2019 een go/no-gomoment in te bouwen. Er staat "voor het voorjaar". Misschien dat we beter kunnen lezen "in het voorjaar", want anders zitten we al aan rond de kerstvakantie te denken. Wij zijn bezig om de maatschappelijke diensttijd op te bouwen. Dat doen wij vol vertrouwen. Sterker nog, ik doe het in opdracht van de vier coalitiefracties. Ik voer die opdracht dus uit. Daar staat gewoon in dat er een maatschappelijke diensttijd moet komen. Ik doe dat met zoveel vertrouwen dat er wat mij betreft een go/no-gomoment ingebouwd kan worden, omdat ik denk dat wij straks iets heel moois hebben staan, waarvan de Kamer dan in het voorjaar zegt: ga daarmee verder of niet. Wat mij betreft is het oordeel over deze motie dus aan de Kamer. Als de Kamer een expliciet moment wil hebben, is dat wat mij betreft acceptabel. Ik heb er vertrouwen in dat de Kamer dan een wijs besluit neemt en inderdaad gaat voor een go. Ik laat het oordeel over het verzoek om daar een moment voor in te bouwen dus aan de Kamer.

De heer Hijink (SP):

Daarbij moeten we dan nog aanpassen dat het "in het voorjaar" wordt.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja. Niet "voor het voorjaar", maar "in het voorjaar".

De heer Hijink (SP):

Dan gaan we dat doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 139 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 140.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de motie op stuk nr. 140 vraagt de heer Hijink de regering om de optie open te houden om de 100 miljoen in te zetten voor maatschappelijke stages. Dan wordt-ie voor mij helemaal spannend, want dan wordt mij gewoon gevraagd om op dit onderdeel het regeerakkoord niet uit te voeren. Daarmee overvraagt de heer Hijink mij, en daarmee het kabinet. Wij hebben gewoon een opdracht. Ik kan ook niet vaak genoeg zeggen dat een maatschappelijke stage, hoe mooi het ook is dat die bestaat, toch echt iets anders is dan de maatschappelijke diensttijd. Deze motie ontraad ik dus met klem.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 140 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 141 van de heer Segers.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de motie op stuk nr. 141 van de heer Segers wordt verzocht om ambassadeurs te benaderen om jongeren bekend te maken met de maatschappelijke diensttijd. Het kabinet vindt dit een sympathieke gedachte. Ik wil het met enthousiasme gaan doen. Het oordeel over de motie op stuk nr. 141 is wat mij betreft aan de Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 141 krijgt oordeel Kamer. Ik wil u vragen of u ook kunt reageren op de motie van mevrouw Van der Graaf.

Staatssecretaris Blokhuis:

Die motie is op 15 maart ingediend. Toen heeft collega Ollongren gezegd: je mag de staatssecretaris van VWS om een oordeel vragen. Dat ga ik nu geven. In het dictum van die motie staat een verzoek aan de regering om bij de uitwerking van de maatschappelijke diensttijd ook de mogelijkheid te onderzoeken om jongeren hun maatschappelijke diensttijd als een politiek dienstrecht te laten vervullen in het lokale of regionale bestuur. Het kabinet wil de maatschappelijke diensttijd heel breed invullen, niet alleen binnen de zorg of andere heel duidelijk afgebakende sectoren: er moet wat te kiezen zijn. In dat licht bezien staan we sympathiek tegenover deze motie en geef ik graag het oordeel aan de Kamer.

In reactie op de vraag van de heer El Yassini of politieke partijen of politieke organen dan ook een beroep mogen doen op middelen: ik denk niet dat we het beeld moeten organiseren dat van die 100 miljoen een substantieel deel naar politieke partijen gaat. Dan wordt het een verkapte route naar extra subsidiëring van politieke partijen. Dat is volgens mij ook niet de bedoeling van de indiener. Er staat ook niet per se dat het bij politieke partijen terecht moet komen. Het kan ook in het lokale bestuur zijn, bijvoorbeeld bij de griffie van een gemeenteraad, stel ik me zo voor. Ik kan mij voorstellen dat er wel vanuit een gremium, ook binnen het openbaar bestuur, een verzoek komt om jongeren te bemiddelen en activiteiten te ontplooien in het openbaar bestuur onder de vlag van maatschappelijke diensttijd en dat er wel degelijk geld aan gekoppeld kan worden. Ik versta de interruptie van de heer El Yassini wel zo, dat we daar zeer terughoudend mee om moeten gaan om het beeld te voorkomen dat de overheid zichzelf aan het subsidiëren is.

De voorzitter:

Voor de leden deel ik mede dat dit een motie is die al een nummer heeft, namelijk 34775-VII, nr. 64. Deze motie krijgt oordeel Kamer van de staatssecretaris en wordt dus straks apart op de stemmingslijst vermeld.

De heer El Yassini (VVD):

Ik wil de staatssecretaris bedanken voor zijn antwoord. Het is inderdaad een van de zorgen van de VVD dat dan vervolgens alles en iedereen maar probeert dat geld voor die maatschappelijke diensttijd zelf op te offeren, terwijl het niet de bedoeling is dat bijvoorbeeld ook politieke partijen zich zelf aan het spekken zijn. Ik ben blij dat de staatssecretaris daar scherp op is en zal blijven. Wij zullen het zelf ook scherp in de gaten houden. Dus dank.

Staatssecretaris Blokhuis:

Prima.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 142 waarin het kabinet wordt verzocht bij de evaluatie van de pilots inzichtelijk te maken op welke wijze de maatschappelijke diensttijd ervoor gaat zorgen dat die niet een speeltje voor de happy few wordt. Ik vind dat een heel reële wens. We hebben een- en andermaal benadrukt dat het niet een feestje moet worden voor hoogopgeleide jongeren maar dat we alle jongeren willen benaderen. In dat licht bezien wil ik het oordeel over deze motie aan de Kamer laten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 142 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de motie op stuk nr. 143 verzoekt de heer Kerstens, samen met zijn collega's Westerveld en Hijink, het kabinet om bij het opstarten van voorgenomen pilots rekening te houden met de risico's op verdringing. Dat is een nadrukkelijk aandachtspunt, dat we ook met de jongeren zelf hebben besproken, bijvoorbeeld de CNV Jongeren. Dat staat dus op het netvlies. In die zin lijkt het haast een overbodig verzoek maar ik vind het prima als de Kamer daar een streep onder wil zetten. Zo bekeken, laat ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 143 krijgt oordeel Kamer.

Daarmee zijn we aan het eind gekomen van dit VAO Maatschappelijke diensttijd.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal vanavond worden gestemd.

De vergadering wordt van 13.52 uur tot 14.20 uur geschorst.

Voorzitter: Arib