Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 39, pagina 3550-3552

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 17 december 2008 over milieu en hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de energiecrisis ook gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden en dat de energiebehoefte in Azië en Afrika de komende decennia zal toenemen;

overwegende dat de notitie van de regering terecht energie als punt ziet van ontwikkelingssamenwerking;

overwegende dat bij de uitgaven kritisch zal moeten worden gekeken naar de efficiëntie van de uitgaven en of het wel landen betreft die ook daadwerkelijk als ontwikkelingsland kunnen worden beschouwd;

verzoekt de regering om de voorgenomen uitgaven voor wat betreft Indonesië te schrappen, de overige uitgaven kritisch te bezien op efficiëntie en te kijken waar samenwerking met private partijen mogelijk is, en in deze geest aan de Kamer voorstellen te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neppérus en Boekestijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48(31250).

Mevrouw Ferrier (CDA):

Voorzitter. Ik wil de volgende motie indienen.

De FerrierKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering voor de jaren 2008-2011 een budget van totaal 500 mln. beschikbaar stelt voor hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden;

overwegende dat het van groot belang is dat dit bedrag zodanig wordt besteed dat dit tot concrete resultaten leidt op effectieve en efficiënte wijze en dat versnippering wordt voorkomen;

overwegende dat op het terrein van innovatieve milieutechnologieën, met name zonne- en windenergie, met de Nederlandse middelen en expertise verschil gemaakt kan worden in ontwikkelingslanden;

constaterende dat in de notitie in tientallen landen wordt geïnvesteerd in veelal verouderde, traditionele technologieën op basis van globale plannen zonder planning, criteria en evaluatie;

verzoekt de regering, in haar beleid ten aanzien van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden een sterkere en beperktere geografische focus te maken, meer in te zetten op innovatieve technologieën, waarbij mede gebruik wordt gemaakt van de in Nederland aanwezige kennis en kunde, en hierover voorstellen te doen aan de Kamer;

verzoekt de regering, deze middelen zodanig in de onderhandelingen naar een nieuw klimaatakkoord in Kopenhagen te benutten dat zij de onderhandelingen in positieve zin kunnen beïnvloeden en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ferrier. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49(31250).

Ik zie de heer Vendrik bij de interruptiemicrofoon staan, maar ik sta geen interrupties toe. Dat doe ik de hele dag al niet. U gaat gewoon zitten en wij gaan gewoon door. Ik begrijp dat u het niet begrijpt, maar zo doen wij het de hele dag al en ik ga dat nu niet veranderen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat "Biomassa voor energiedoeleinden. Plan van aanpak biomassa mondiaal" slechts als bijlage geagendeerd stond in het algemeen overleg Milieu en hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden;

overwegende dat biomassabeleid op dit moment onvoldoende coherentie kent tussen beleidsformulering en de uitvoering van concrete plannen door verschillende ministeries;

verzoekt de regering, binnen drie maanden een "oplegbrief" bij het plan van aanpak naar de Kamer te sturen, met daarin uiteengezet welk ministerie voor welk onderdeel uit het plan van aanpak verantwoordelijk is, en hoe het ministerie van VROM een coördinerende rol speelt in het biomassabeleid om voor coherentie en afstemming te zorgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wiegman-van Meppelen Scheppink, Vendrik en Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50(31250).

Minister Koenders:

Voorzitter. Ik wil beginnen met een oordeel over de motie van de leden Neppérus en Boekestijn. Op zich is dit een sympathieke motie. Ik deel ook het oordeel dat de energiecrisis vereist dat er belangrijke nadruk komt op energieprogramma's in ontwikkelingslanden en dat kritisch moet worden gekeken naar uitgaven en efficiëntie. Ik heb gisteren in het algemeen overleg ook geprobeerd om aan te geven dat wij dat ook doen. Er zijn nulmetingen ten aanzien van de programma's die gaan over energie en ontwikkelingslanden. Met het dictum heb ik enige problemen. Ik begrijp de redenering over Indonesië. Dat hebben wij gisteren ook gewisseld. Ik wijs er echter op dat de reden dat Indonesië is gekozen, vooral een verzoek uit de Tweede Kamer was met betrekking tot de ernstige problematiek van energie, milieu en bevolking en de wereldwijde consequenties daarvan. Om die reden moet ik het aannemen van deze motie dan ook ontraden.

Dan kom ik op de motie van het lid Ferrier. Dat is een motie waarin nogal wat dingen staan waarin de regering zich totaal niet herkent. Ik heb gisteren geprobeerd om aan te geven dat de regering juist actief is op het terrein van innovatieve milieutechnologieën, met name zonne- en windenergie. Ik heb gisteren ook gezegd dat dit onderdeel is van de plannen. Het is ook een onjuiste constatering dat er in tientallen landen wordt geïnvesteerd in veelal verouderde traditionele technologieën. Ik kan dat überhaupt helemaal niet plaatsen. Het is ook geen enkel onderdeel van de notitie die voorligt. Ik vind het dus een onjuiste constatering.

Voorts wordt de regering verzocht in haar beleid ten aanzien van hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden een sterkere en beperktere geografische focus te maken. Ik heb gisteren heel duidelijk aangegeven dat wij een geografische focus hebben. Als minister die ernaar streeft versnippering te voorkomen vind ik – ik heb dat al eens eerder gezegd – dat juist de geografische focus, de focus op schone energie en de focus op een aantal effectieve en efficiënte onderdelen van belang zijn.

In de motie staat tevens dat wij gebruik moeten maken van de in Nederland aanwezige kennis en kunde. Tot nu toe is er geen minister voor Ontwikkelingssamenwerking geweest die zo veel Nederlandse kennis en kunde inbrengt. Ik wijs op de programma's van Nuon en Philips.

Vervolgens wordt de regering verzocht "de middelen zodanig in de onderhandelingen naar een nieuw klimaatakkoord in Kopenhagen te benutten dat zij de onderhandelingen in positieve zin kunnen beïnvloeden en Kamer hierover te informeren". Na hetgeen ik gisteren gezegd heb, zal het de Kamer toch duidelijk zijn dat juist de voorlopersfunctie van Nederland – wij stellen op grond van het regeerakkoord 500 mln. beschikbaar voor hernieuwbare energie – deze zaak positief beïnvloedt. Mocht er daarnaast nog de neiging zijn om te zeggen dat ook de adaptatiekosten zullen moeten worden gebruikt om dat te bewerkstelligen, dan vind ik dat de motie in een heel verkeerde richting gaat. Ik ontraad dan ook ernstig de aanneming van de motie op stuk nr. 49.

Minister Cramer:

Voorzitter. Ik geef een reactie op de door mevrouw Wiegman ingediende motie op stuk nr. 50. In de overwegingen in deze motie staat dat het biomassabeleid op dit moment onvoldoende coherentie kent. Op zichzelf ben ik het daar niet mee eens. Wel eens ben ik het met het verzoek om binnen drie maanden een oplegbrief bij het plan van aanpak naar de Kamer te sturen, waarin wordt uiteengezet welk ministerie voor welk onderdeel uit het plan van aanpak verantwoordelijk is en op welke wijze het ministerie van VROM een coördinerende rol speelt in het biomassabeleid, teneinde voor coherentie en afstemming te zorgen. Ik meen dat door die brief ook voor de Kamer de transparantie van die coherentie kan worden verbeterd. Daarom ben ik bereid die brief toe te zeggen. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer, waarbij ik opmerk dat ik de motie in feite zie als ondersteuning van het beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de bewindslieden voor het geven van hun oordeel over de moties. De stemmingen over de moties zullen over drie kwartier plaatsvinden.

De vergadering wordt van 22.05 uur tot 22.50 uur geschorst.