Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 39, pagina 3451-3454

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 19 november 2008 over internationaal cultuurbeleid.

De voorzitter:

Dan kunnen wij nu verder gaan met het eerste VAO van de dag, waarvoor, zoals u allen weet, het kerstregime geldt. Dat betekent: indienen zonder nadere versierselen van de moties en alleen interrupties aan de minister of de staatssecretaris als u hem niet begrijpt. Dan zeg ik er altijd bij: wat ik mij, gezien uw vooropleiding en uw grote mate van deskundigheid, niet kan voorstellen. Ik geef het woord aan de heer Van der Ham.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Mijn eerste motie is niet aan de bewindslieden gericht, maar aan het Presidium. Op deze motie hoeven zij dan ook niet te reageren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Nederlandse culturele vertegenwoordiging in het buitenland een belangrijke bijdrage levert aan culturele uitwisseling, het behoud van Nederlands erfgoed, Holland-branding en ondernemerschap;

overwegende dat bij het benutten van de potenties van sommige buitenlandse locaties het mogelijk dienstig kan zijn, een andersoortige Nederlandse vertegenwoordiging te kiezen dan alleen de klassieke vertegenwoordiging via de diplomatieke dienst;

overwegende dat er reeds gebruik is gemaakt van de intendant binnen het internationaal cultuurbeleid;

verzoekt het Presidium van de Kamer, een verzoek om advies van de Raad voor Cultuur te doen over de wenselijkheid van alternatieve vormen van culturele vertegenwoordiging op specifieke locaties, en daarbij de vorm van de intendant te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham, Leerdam en Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20(31482).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitwisseling van Nederlandse kunstenaars en kunstenaars uit andere Europese lidstaten een verrijking van het Nederlandse (en Europese) kunst- en cultuurklimaat kan betekenen door middel van kruisbestuiving en samenwerking in kunstonderwijs en culturele producties;

overwegende dat de Nederlandse creatieve economie gebaat is bij een internationaal georiënteerd kunstenaarsklimaat;

verzoekt de regering, op Europees niveau een voorstel te doen voor een reisbeurzenprogramma voor kunstenaars, vergelijkbaar met het Erasmusprogramma voor studenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Leerdam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21(31482).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Nederlandse klimaat voor beeldende kunst kan worden versterkt door subsidies die erop gericht zijn, Nederlandse kunstenaars of galeries internationaal op de kaart te zetten;

overwegende dat om in aanmerking te komen voor de huidige subsidie, een galerie, ongeacht of deze in Nederland of daarbuiten is gevestigd, de helft van haar stand op een buitenlandse beurs aan kunst uit Nederland wijdt, waarmee deze een subsidie tot 50% van de standplaatshuur kan krijgen;

verzoekt de regering, te onderzoeken of Nederlandse beeldende kunstenaars en galeries er niet meer gebaat bij zijn wanneer de bestaande subsidie voor internationale beurzen uitsluitend geldt voor in Nederland gevestigde galeries en voorts of deze subsidie ook zou moeten kunnen worden ingezet om Nederlandse galeries een vestiging in het buitenland te kunnen laten openen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22(31482).

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

Voorzitter. Mijn motie richt zich op de culturele samenwerking met Vlaanderen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Vlaanderen en Nederland zich Van Vroonhoven-Kokqua identiteit en cultuur zeer verwant voelen;

constaterende dat Vlaanderen en Nederland op cultureel vlak reeds succesvol gemeenschappelijk optreden, zij het dat dit op projectbasis gebeurt;

verzoekt de regering, de culturele samenwerking met Vlaanderen uit te bouwen onder de paraplu van de Taalunie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Vroonhoven-Kok en Leerdam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23(31482).

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de promotie van de Nederlandse cultuursector via een New York Holland House om meerdere redenen niet haalbaar is gebleken;

van mening dat het voor de naam en faam van Nederland in het buitenland essentieel is om een gerichte internationale inzet van de Nederlandse cultuursector te organiseren;

van mening dat de huidige inzet te zeer versnipperd is;

voorts van mening dat die inzet veel beter kan worden gericht op landen en "emerging markets" waarmee Nederland om velerlei redenen intensievere relaties wil aanknopen, zoals de zogenaamde BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China);

verzoekt de regering, 16 mln. uit de ODA-middelen (HGIS-middelen) niet te besteden aan cultuurontwikkeling maar aan te wenden voor de aanstelling van een intendant/cultureel attaché bij de Nederlandse ambassades en ten behoeve van een spectaculaire programmering die de Nederlandse belangen en relaties in deze vier landen ondersteunt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24(31482).

Minister Plasterk:

Voorzitter. In de motie van de heer Van der Ham wordt de regering opgeroepen, een voorstel te doen voor het instellen van een reisbeurzenprogramma. Het is buitengewoon belangrijk dat er goede reisbeurzen zijn. Zij zijn er ook. Het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst heeft beurzen voor studiereizen van kunstenaars, vormgevers en architecten. De Mondriaanstichting doet hetzelfde voor curatoren van musea en presentatie-instellingen. Het Fonds Podiumkunsten heeft beurzen voor masterclasses, stages, auditiereizen et cetera. Omgekeerd zijn er voor dezelfde disciplines ook bezoekersprogramma's, dus voor mensen uit het buitenland om hiernaartoe te komen. Wij hebben de Rijksacademie voor Beeldende Kunst. Ik constateer dat het gevraagde er al is en overigens ook dat er voor een dergelijk reisbeurzenprogramma geen dekking wordt aangegeven. Dat hoeft ook niet, want wij hebben een dergelijk programma al, dus al met al ontraad ik het instellen van een nieuw programma en daarmee de aanneming van deze motie.

De heer Van der Ham (D66):

Mijn vraag in het dictum is om in Europa te pleiten voor dezelfde zaken die wij al in Nederland hebben en om de zaken wat meer op elkaar af te stemmen. Zo moet u de motie lezen.

Minister Plasterk:

Dan moet ik de motie wel heel anders lezen dan wat er staat. Dus dan gaat het niet om pleiten voor een reisbeurzenprogramma, maar om te bepleiten dat anderen ook het reisbeurzenprogramma hebben zoals wij dat kennen en dat wij die programma's op elkaar afstemmen. Dat vind ik wel iets heel anders.

De heer Van der Ham (D66):

Er staat: "op Europees niveau een voorstel te doen voor een reisbeurzenprogramma voor kunstenaars, vergelijkbaar met het Erasmusprogramma voor studenten", Het klopt dat er al een paar dingen zijn, maar niet breed in Europees verband.

Minister Plasterk:

Ik heb het gevoelen dat, daar waar kunstenaars van hier naar elders willen reizen of van elders naar hier, wij daarvoor in principe de fondsen hebben. Ik heb toch lichte aarzeling om nu zomaar bij motie tot een nieuw programma te besluiten, ook als dat op Europees niveau is, want dat moet ook gedekt worden. Ik zou er op een ander moment nog wel een gesprek met de Kamer over willen hebben of er nog gaten zijn. Het gaat mij nu te snel om iets anders te doen dan de aanneming van deze motie te ontraden, omdat het programma er in mijn ogen is.

Vervolgens kom ik bij de motie van de heer Van der Ham met de overweging in de concepttekst dat de Nederlandse creatieve economie gebaat is bij een internationaal georiënteerd kunstenaarsklimaat. Ik kan toch niet nalaten om het oude beeld op te roepen dat kunstenaars onvoldoende in bad gingen, maar ik neem aan dat bedoeld wordt dat zij er niet bij gebaat zijn – met een t – wanneer die subsidies ook gelden voor een vestiging in het buitenland. Wij begeven ons dan echt in het verlenen van staatssteun aan commerciële organisaties die zich op de buitenlandse markt begeven. Ik denk dat Europa dat niet zou toestaan en dat dit echt in strijd komt met de Europese regels. Ik ontraad dus de aanneming van deze motie.

Mevrouw Van Vroonhoven heeft een motie ingediend over de samenwerking tussen Vlaanderen en Europa. Ik had al toegezegd hierover een brief te schrijven en ik zou haar willen vragen om de motie aan te houden totdat de brief er is. Zoals het hier is geformuleerd, heb ik grote aarzelingen. We moeten de Taalunie echt gebruiken waarvoor zij bedoeld is, namelijk voor het toezicht op de Nederlandse taal. Het alternatief dat mevrouw Van Vroonhoven geeft, namelijk om analoog een vergelijkbare samenwerking op te bouwen, betekent dan wel een nieuwe interparlementaire commissie, een comité van ministers en een secretariaat. Dat is een hele overhead. Ik zou dan toch eerst willen kijken of wij niet de bestaande culturele samenwerking met Vlaanderen kunnen verbeteren. Als ik dat mevrouw Van Vroonhoven in een brief voorleg, is dat misschien het moment voor haar om te beoordelen of dat voldoende is dan wel of zij behoefte heeft aan een meer institutionele verankering. Dan kan zij daar alsnog over besluiten.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

Ik heb er behoefte aan dit samen met de mede-indiener te bespreken.

Staatssecretaris Timmermans:

Voorzitter. Na gisteravond zal ik mij in ieder geval van ieder commentaar op het maken van spelfouten onthouden!

De heer Van der Ham heeft in zijn motie een verzoek neergelegd bij het presidium. Het past mij natuurlijk om daar geen commentaar te hebben, want het is een verzoek aan het presidium, maar wellicht kan ik voor de gedachtevorming nog een aantal dingen meegeven ten aanzien van de overwegingen. Wat de motie vraagt, gebeurt in feite al. Daar waar mogelijk worden ook intendanten ingezet. Ik verwijs in dit verband naar onder anderen de heer Sjeng Scheijen, die is aangesteld als intendant in Moskou. Hij heeft de prachtige Repintentoonstelling gemaakt in het Groninger Museum omdat hij ongelooflijk veel weet van het land. Hij werkt daar als intendant binnen de kaders van de ambassade. Ik verwijs in dit verband naar de intendant in China en zo kan ik nog een aantal voorbeelden noemen. De motie vraagt om op sommige locaties andersoortige Nederlandse vertegenwoordigingen te hebben. Die zijn er ook. Dit was mijn korte commentaar op deze motie.

De motie van de heer Ten Broeke past natuurlijk in de kruistocht van de VVD tegen onze hulp aan de allerarmsten in de wereld. Wat dat betreft, is de motie geen verrassing; daar waar dat kan, zal de VVD proberen die hulp in te perken. Ook aan deze motie ligt een aantal misverstanden ten grondslag. De heer Ten Broeke vraagt om intensievere relaties met de zogenaamde BRIK-landen. Echter, vier van de vijf BRIK-landen vallen binnen de zogenaamde ODA-norm, zodat ook de cultuurgelden van ODA in die landen kunnen worden ingezet. Dus wat vraagt de heer Ten Broeke nu helemaal? Vestzak-broekzak?

Los van het principiële punt van de VVD-kruistocht tegen ontwikkelingssamenwerking, ademt de motie ook iets uit alsof cultuur en de bevordering van cultuur geen integraal onderdeel van armoedebestrijding zouden vormen. Ik heb ook in het algemeen overleg al duidelijk gemaakt dat het wat ons betreft echt een integraal en wezenlijk onderdeel is van de armoedebestrijding. Om deze redenen moet ik aanvaarding van deze motie ontraden.

De voorzitter:

Ik vind het een beetje ingewikkeld worden om de leden te houden aan het kerstregime als u zo uitgebreid reageert en ook zo de discussie oproept.

Staatssecretaris Timmermans:

Dat begrijp ik. Ik begrijp ook dat u een oproep heeft gedaan dat wij meer debat moeten voeren. Ik doe daar mijn best voor.

De voorzitter:

Dat heb ik niet gezegd maar daar ga ik nu niet op in. Ik geef het woord aan de heer Ten Broeke.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. De staatssecretaris en ik komen elkaar vandaag nog wel tegen voor een debat. Ik ben er blij mee dat hij er in zijn uitleg zelf achter komt dat de BRIK-landen inderdaad ook behoren tot de landen waar de allerarmsten van deze wereld wonen. Met andere woorden, wat wij doen is een herprioritering, een eindeloze versnippering, het hobbyisme dat daarvan uitstraalt en een eindeloze programmering. Wij zijn van mening dat dit door een forse en dynamische programmering op die vier landen moet worden gericht ter ondersteuning van de reeds bestaande relaties en de relaties die wij nog moeten aanknopen. Dat staat in de motie. De staatssecretaris moet niet proberen de een of andere adem uit die motie te lezen maar gewoon wat er staat.

Staatssecretaris Timmermans:

Heel simpel: wat u vraagt, doen wij al.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties zullen vanmiddag of vanavond plaatsvinden.