Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 19, pagina 1396-1397

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 19 oktober 2006 over energie.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Donderdagmiddag 19 oktober spraken wij met de minister van Economische Zaken over enkele energieonderwerpen. Eentje licht ik eruit. Dat onderwerp heeft extra reliëf gekregen door het alarmerende rapport dat gisteren in Engeland werd gepubliceerd over de economische effecten van uitblijvend klimaatbeleid. Als de aarde opwarmt zoals wij dat vandaag de dag zien en regeringen wereldwijd niet ingrijpen, dan zijn de kosten daarvan onoverzienbaar.

In dat licht is het probleem dat ik met deze minister heb uit te vechten, belangrijk. Deze minister is er een tijd bezig om grootverbruikers van energie in Nederland te assisteren, zo u wilt te faciliteren, om overeind te blijven in de concurrentiestrijd met andere Europese landen. Daarbij is voortdurend de veronderstelling gebezigd dat energie in Nederland voor grootverbruikers duurder is dan in de omringende landen, bijvoorbeeld Duitsland. Donderdag 19 oktober bleek in het debat dat op basis van nadere informatie van deze minister de zekerheid over een prijsverschil ten nadele van Nederland niet bestaat. Dat vond ik op zichzelf al een ernstige constatering omdat het ministerie van Economische Zaken al tijden bezig is om te spreken met de grootverbruikers, het betreffende consortium, om te kijken op welke wijze zij geholpen zouden worden. Dat alles in de veronderstelling van een prijsnadeel ten laste van de Nederlandse grootverbruikers.

Ik ben tevens geschrokken van het feit op welke wijze de minister van Economische Zaken het consortium van Nederlandse grootverbruikers zou willen assisteren. De precieze reikwijdte van zijn toezegging kan ik eerlijk gezegd ook op dit moment nog niet helemaal overzien, maar ik kan niet anders dan concluderen dat hij feitelijk een inbreuk pleegt op een effectief werkend EU-emmissiehandelssysteem voor CO2-rechten. Hij wil namelijk nu reeds aan het consortium toezeggen dat deze partijen CO2-rechten krijgen toebedeeld. Ik vind dat onwenselijk en ik vraag daarom de Kamer een oordeel te vellen over de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering niet beschikt over een definitief inzicht in de verschillen in energieprijzen voor grootverbruikers in Nederland respectievelijk de omringende landen;

constaterende dat de regering desondanks aan het consortium van grootverbruikers flankerend beleid heeft aangeboden dat onder andere bestaat uit het beperken van het negatieve prijseffect van het EU-emissiehandelssysteem voor de periode na 2012 door middel van toewijzing van een deel van de rechten aan alle grootverbruikers op basis van een netto-elektriciteitsverbruik;

van mening dat hiermee sprake is van een verdere en ontoelaatbare verzwakking van het EU-emissiehandelssysteem dat nu reeds op tal van punten slecht functioneert;

van mening dat dit systeem cruciaal is om de noodzakelijke snelle vermindering van de uitstoot van broeikasgassen te realiseren;

verzoekt de regering, deze toezegging in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vendrik. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 62(28240).

Minister Wijn:

In dit VAO is het natuurlijk niet de bedoeling om het hele algemeen overleg over te doen. Het zal de heer Vendrik niet verbazen dat ik de aanneming van deze motie ontraad. Deze motie bevat namelijk de veronderstelling dat Nederland meer CO2-uitstoot krijgt als het door het kabinet voorgestelde beleid wordt voortgezet. Dit is echter niet waar. Het huidige voorstel is namelijk om de in Nederland toegestane CO2-uitstoot gelijk te houden, en binnen die uitstoot te komen tot een andere verdeling. Dit betekent dat de bij de elektriciteitsproducenten weggenomen CO2-rechten niet worden geveild, maar aan de grootverbruikers van elektriciteit zullen worden gegeven. In zijn totaliteit betekent dit dat de CO2-uitstoot binnen het te zijner tijd afgesproken plafond blijft. Het kabinet wil namelijk – en dit is het tweede belangrijke verschil van mening – dat de energie-intensieve bedrijven in Nederland kunnen blijven. Die bedrijven concurreren niet alleen op de Europese markt maar ook op de wereldmarkt. Zolang er geen wereldwijd CO2-systeem is en er geen wereldwijd klimaatregime bestaat waarbij de concurrenten van die bedrijven evenveel moeten betalen, moet er alles aan gedaan worden, binnen redelijke grenzen, om de werkgelegenheid in Nederland te behouden. In het algemeen overleg heb ik gezegd dat het daarom niet mogelijk zal zijn om het geheel van CO2-rechten te veilen, maar dat ook een gedeelte van die rechten moet worden toegewezen. Dit betekent ook dat de in de motie naar voren gebrachte constatering grosso modo juist is. Dit is dus een bewuste beleidslijn, waarvan het kabinet vindt dat die het EU-emissiehandelssysteem niet verder en ontoelaatbaar verzwakt.

Ik laat de toezegging aan het consortium graag overeind. Het doet mij deugd dat de heer Van Duyne, die het consortium heeft geleid, gezegd heeft dat dit aanknopingspunten biedt om de industrie in Nederland te houden. Ik ga ervan uit dat het op basis van wat het kabinet wil doen mogelijk is om de werkgelegenheid en de bedrijven te behouden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende motie zal vanavond worden gestemd.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.