Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 19, pagina 1413-1415

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 31 oktober 2006 over de WTO.

De heer Douma (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben zojuist een AO afgerond over de voortgang in de WTO-besprekingen. Naar aanleiding daarvan zijn er nog twee punten waarover de PvdA moties wil indienen.

De PvdA is geen voorstander van protectionisme. Wij zijn voor eerlijke handel, en dus tegen bepaalde vormen van dumping. De WTO staat toe dat landen maatregelen nemen tegen dumping, en binnen de EU bestaat het beleid dat, als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, antidumpingmaatregelen kunnen worden getroffen. De huidige EU-commissaris Mandelson heeft aangegeven dat hij die regels wil aanpassen. Die aanpassingen zijn deels niet in overeenstemming met datgene wat wij wenselijk vinden, vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Europees Commissaris Mandelson heeft aangegeven, beleid voor te bereiden waardoor, zelfs in gevallen waarin op grond van WTO- en EU-criteria aantoonbaar sprake is van dumping, van antidumpingmaatregelen kan worden afgezien indien dat in het belang lijkt van importeurs en consumenten;

van mening dat aantoonbare vormen van dumping een ondermijning vormen van eerlijke handel;

van mening dat het toestaan van dumping op de lange termijn negatief uitpakt voor het internationale stelsel van eerlijke handelsafspraken, de concurrentiepositie van Europese producenten en zelfs het belang van de consument;

verzoekt de regering, zich in de Europese Unie uit te spreken tegen beperking van de mogelijkheden als EU maatregelen te treffen inzake antidumping en de Kamer over de voortgang van dit proces te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Douma en Vendrik. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 137(25074).

De heer Douma (PvdA):

Mijn tweede punt betreft de samenhang tussen het proberen onderhandelingen te voeren in het kader van de WTO om daar overeenstemming te bereiken en tegelijkertijd het onderhandelen over bilaterale en regionale akkoorden. De Europese werkgeversorganisatie heeft gezegd dat dit eigenlijk niet zo handig is. Pascal Lamy, de WTO-baas, zegt ook dat die bilaterale overeenkomsten een belemmering vormen voor het tot stand komen van een WTO-akkoord. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Europees Commissaris Mandelson heeft aangegeven, de komende tijd meer aandacht en energie te willen besteden aan uitbreiding van en versnelling in de onderhandelingen over de bilaterale handelsakkoorden;

overwegende dat met name de armste landen niet in staat zijn, dergelijke onderhandelingen op basis van gelijkwaardigheid te voeren en er dus niet of nauwelijks een bijdrage van dergelijke bilaterale handelsakkoorden valt te verwachten aan de in de Millennium Development Goals beoogde halvering van de honger in de wereld;

overwegende dat uitbreiding van het aantal regionale, bilaterale handelsakkoorden, zoals recent onder andere door de UNICE aangegeven, niet bijdraagt aan transparante, eerlijke handel;

overwegende dat de DG van de WTO, de heer Pascal Lamy, heeft aangegeven dat de Europese inzet op regionale, bilaterale handelsakkoorden een negatief effect heeft op de kansen voor het alsnog tot stand komen van een akkoord over de Doha-ronde in de WTO;

verzoekt de regering, in de Europese Unie uiterste terughoudendheid te betrachten met bilaterale handelsovereenkomsten en absolute voorrang te geven aan het laten slagen van de lopende WTO-onderhandelingen in de eerste helft van 2007,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Douma en Vendrik. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 138(25074).

Staatssecretaris Van Gennip:

Wij hebben zojuist een eigenlijk te kort AO gehad over een aantal belangrijke onderwerpen. Mede omdat wij niet de tijd hadden om een aantal dingen uit te discussiëren, zijn hier twee moties uit voortgekomen. Ik heb de heer Douma de laatste drieënhalf jaar leren kennen als iemand die zeer begaan is met de WTO en met wie ook zeer goed samen te werken is op dit gebied. Het zou mooi zijn als wij die samenwerking vandaag in goede harmonie zouden kunnen afsluiten, maar dan moet ik wel even weten wat hij bedoelt met zijn soms toch strenge woorden.

Ik begin met de eerste motie. Wij hebben het zojuist in het AO even gehad over de dumping en de antidumping. Daarbij heb ik aangegeven dat dumping als zodanig niet verboden is en dat je antidumpingmaatregelen in Europa mag treffen als je voldoet aan vier voorwaarden: er moet aantoonbaar sprake zijn van dumping, er moet sprake zijn van schade aan de Europese industrie, er moet sprake zijn van een causaal verband tussen de dumping en die schade en de maatregelen moeten in het belang zijn van de EU. De motie verzoekt de regering om zich uit te spreken tegen een beperking van de mogelijkheden om – ik denk: als EU – maatregelen te treffen inzake antidumping. Er is op dit moment geen discussie aan de orde om die mogelijkheden te beperken. Er is een herziening aan de orde – althans, Mandelson heeft die herziening aangekondigd – van het vierde criterium. Dat heeft te maken met het tweede criterium, waar wij het zojuist ook in het AO over hadden: wat doe je met een bedrijf dat in de nieuwe economische realiteit zijn productie gedeeltelijk heeft geoutsourcet? Wat doe je met een bedrijf dat van overal over de wereld onderdelen inkoopt om vervolgens in Europa te produceren? Zulke bedrijven zijn niet meer zomaar te scharen onder productiebedrijven of exportbedrijven, maar hebben van alles wat. Met de oude manier van berekenen en de oude logica valt dat soort bedrijven eigenlijk tussen wal en schip. Mandelson heeft heel duidelijk aangegeven dat hij met name voor dat soort bedrijven wil bekijken of dit aangepast moet worden. Hij heeft de handelaren daar overigens niet bij genoemd. Hij heeft met name over de gedeeltelijk geoutsourcete "global sourcingbedrijven" gehad. Op dit moment wordt in de EU dus gediscussieerd over de vraag hoe deze vier criteria moeten worden uitgelegd en gebruikt. Er is dus geen discussie over beperking van de antidumpingmaatregelen op zich.

Mijn vraag aan de heer Douma is dan ook wat hij de regering hiermee precies verzoekt. Voor zover ik weet is in de huidige discussie immers geen sprake van die beperking. Er is wel sprake van een discussie over de vraag hoe wij deze criteria opnieuw definiëren en invullen, zodat wij recht doen aan de nieuwe economische realiteit.

De voorzitter:

Wij doen de VAO's zonder interrupties en dus zonder het stellen van vragen, maar de staatssecretaris vroeg de heer Douma om een toelichting. Dat sta ik dan toe, want anders kan zij niet tot haar oordeel komen.

Staatssecretaris Van Gennip:

Wij zitten een beetje met een onafgerond AO.

De voorzitter:

Ja, maar...

Staatssecretaris Van Gennip:

Daar hebt u geen boodschap aan.

De voorzitter:

Hoe zeg je "daar heb ik geen boodschap aan" vriendelijker? Maar goed, mijnheer Douma krijgt heel kort het woord.

De heer Douma (PvdA):

Dank u wel, voorzitter, dat u mij deze mogelijkheid geeft. Er zijn Europese bedrijven die zelf produceren en er zijn Europese bedrijven die voor een deel in een ander land laten produceren. Bij interne handel in dat bedrijf kan er best sprake van zijn dat die bedrijven gebruikmaken van vormen van productie in andere landen die wij als dumping zouden bestempelen en die daarmee een concurrentievoordeel behalen op bedrijven die gewoon volledig in Europa produceren. Zij gebruiken dus de mogelijkheden van dumping in andere landen om hier een concurrentievoordeel te behalen. Ik zou zeggen dat de Europese Commissie de mogelijkheid moet behouden om ook in die situaties antidumpingmaatregelen te treffen. Dat is een van de voorbeelden waarom de staatssecretaris heeft gevraagd.

Staatssecretaris Van Gennip:

In de Europese Commissie wordt nu niet gesproken over afschaffing van antidumpingmaatregelen, op welke manier dan ook. Er wordt niet gesproken over afschaffing van het instrumentarium. Er wordt gesproken over de vraag hoe je omgaat met deze criteria en met de nieuwe economische realiteit om aan te tonen dat er schade is aan de Europese industrie en om het gemeenschapsbelang te berekenen. Dat zijn de discussies die plaatsvinden. Als u zegt dat die bedrijven op welke manier dan ook nog steeds aangepakt moeten kunnen worden, zeg ik: dat kan ook, want het antidumpinginstrumentarium verdwijnt niet. Het is wel de vraag hoe je invulling geeft aan de criteria. Wat dat betreft, is het volgens mij dus een misverstand als u zegt dat er niets mag worden afgeschaft. Dat is immers niet wat er nu in de sterren staat. De discussie gaat nu over de vraag hoe wij invulling geven aan die criteria.

Als u eraan vasthoudt om u uit te spreken tegen een beperking die niet aan de orde is, moet ik de aanneming van de motie dus ontraden. De motie gaat immers niet in op wat er op dit moment in de EU gebeurt. Dit is eigenlijk een motie die zich uitspreekt over een proces dat niet aan de gang is. Ik zit dan een beetje met de handen in het haar en weet niet wat ik met de motie moet. De heer Douma zegt ofwel dat hij op een bepaalde manier met antidumping wil omgaan ofwel dat hij niet wil dat het instrumentarium wordt afgeschaft. Dat tweede is dus niet aan de orde.

De heer Douma (PvdA):

Als u zegt dat het tweede niet aan de orde is, dan kunt u deze motie gewoon ondersteunen. Dan hebben wij blijkbaar allebei dezelfde wens dat de mogelijkheden tot antidumpingmaatregelen die in een aantal gevallen zijn in te roepen, niet beperkt moeten worden. Ik krijg uit de signalen over hetgeen Mandelson heeft voorgesteld dat hij die mogelijkheden wel wil beperken. In feite zegt u dat u het met de strekking van de motie eens bent.

Staatssecretaris Van Gennip:

Ik denk dat u nu een andere kant op draait. Het gaat erom hoe anders invulling aan de criteria wordt gegeven. Als u er deze betekenis aangeeft, ontraad ik aanname van deze motie. In dat geval zegt u in feite dat wij ons ook moeten verzetten tegen het bespreken van de vraag hoe wij wij deze criteria, die al een hele tijd bestaan, kunnen evalueren en herzien. Ik denk wel dat dit nodig is. U kunt het oneens zijn met de richting, maar dat wij binnen de EU moeten spreken over deze criteria omdat er een nieuwe economische realiteit is, staat voor mij buiten kijf. Als u zegt dat u die bespreking niet wil, dan ontraad ik aanname van deze motie. Die bespreking moet wel plaatsvinden, want er moet recht worden gedaan aan de nieuwe economische realiteit.

De tweede motie van de heer Douma heeft betrekking op de bilaterale akkoorden. Ook daarover hebben wij net kort gesproken. Ik wil even iets zeggen over de tweede overweging. Als wij het hebben over bilaterale akkoorden zoals er op dit moment over wordt gespeculeerd, dan gaat het met name over opkomende markten. Het gaat dan niet zozeer over de armste landen. De discussie over de armste landen heeft betrekking op de EPA's. Wij hebben het daar net over gehad in verband met het pittige lijstje waarover de heer Vendrik sprak. Wij slaan in dit verband een richting in waarop wij het op hoofdlijnen met elkaar eens zijn. Pittig of niet, maar dat lijstje moet onderwerp van gesprek zijn. Daarom ben ik verbaasd over de tweede overweging van de motie met betrekking tot de armste landen. Op het moment dat wij het over bilaterale akkoorden hebben, gaat het vooral over de opkomende markten. Dat zijn de Zuid-Korea's en de India's van deze wereld.

De heer Douma verzoekt de regering in de Europese Unie uiterste terughoudendheid te betrachten en absolute voorrang te geven aan het laten slagen van de lopende WTO-onderhandelingen. Er mag geen twijfel over bestaan dat het tweede verzoek ook de inzet van de Nederlandse regering is. Volgens mij heb ik net ook heel duidelijk gezegd dat ik vind dat dit de inzet van de Europese Commissie moet zijn. Met betrekking tot uiterste terughoudendheid met betrekking tot andere bilaterale handelsovereenkomsten wijs ik de heer Douma op iets als Euromed. Wij zijn dat proces al een paar jaar geleden ingegaan en dat moet in 2010 uitmonden in een vrijhandelsakkoord met de landen om de Middellandse Zee. Dit is een zeer waardevol proces. Overigens is dit proces breder dan alleen een vrijhandelsakkoord, maar vrijhandel maakt er wel onderdeel van uit. Ik denk niet dat de heer Douma bedoelt dat wij terughoudendheid moeten betrachten bij dit soort processen, die waardevol zijn en absoluut niet afdoen aan de WTO-ronde. De heer Douma verzoekt namelijk om in den brede terughoudend te zijn en ik denk niet dat hij dat bedoelt. Als hij brede terughoudendheid bepleit, dan moet ik aanname van de motie ontraden. Dat ligt anders als de heer Douma terughoudendheid bepleit in het kader van zorgen dat wij voorrang geven aan de WTO-onderhandelingen en daarop al onze energie focussen, maar dat wij zaken als het Euromed-proces wel voortgang mogen laten vinden. Dat is namelijk een waardevol proces dat wij voort moeten laten gaan. Zo zijn er nog een aantal zaken. EPA's zijn – wat men er verder ook van vindt – ook bilaterale onderhandelingen. Ook op dit vlak moeten wij oplossingen vinden, omdat de oude overeenkomsten niet WTO-conform zijn. Als de heer Douma deze opvatting met mij deelt, ondersteunt de motie het beleid. Als hij zegt dat er in den brede terughoudendheid moet worden betracht, dus ook ten aanzien van het Euromed-proces en zaken die WTO-conform en waardevol zijn, dan moet ik aanname van de motie echt ontraden. Als u echter zegt dat er in den brede terughoudendheid moet zijn ten aanzien van het Euromedproces en de dingen die wel waardevol en conform de WTO zijn, dan moet ik de aanneming van deze motie ontraden. Als u echter zegt dat je terughoudend moet zijn met het voeren van gesprekken met India en Zuid-Korea, omdat dit de WTO ondermijnt, dan ondersteunt de motie hiermee het beleid.

De heer Douma (PvdA):

Op het lijstje van groepen landen waar dat soort onderhandelingen mee gepland is, staan de Andeslanden en de Midden-Amerikaanse landen. Deze landen schaar ik onder de ontwikkelingslanden en de armste landen. Als je met name dit soort onderhandelingen zou voeren, zou dat een negatieve uitstraling hebben op de totstandkoming van een WTO. In de stukken die de minister aan de Kamer heeft gestuurd, staat een lijstje met te plannen en te voeren onderhandelingen. Daar staan deze landen gewoon bij.

Staatssecretaris Van Gennip:

U bent niet ingegaan op mijn vraag hoe u aan die terughoudendheid invulling geeft. Moet er ook terughoudendheid zijn ten aanzien van het Euromedproces?

De heer Douma (PvdA):

Euromed is een andere kwestie. In de overwegingen gaat het over de armste landen. Op het lijstje van groepen landen waarmee onderhandeld gaat worden, komen de Andean-landen en Midden-Amerikaanse landen gewoon voor. Met uiterste terughoudendheid bedoel ik dat u dat eigenlijk beter niet kunt doen.

Staatssecretaris Van Gennip:

In het lijstje dat ik voor mij zie, en ook is voorgesteld door Peter Mandelson, gaat het echt om opkomende markten, zoals India en Zuid-Korea. In dit kader betekent terughoudendheid niet dat er geen gesprekken met deze landen worden gevoerd, maar het betekent wel dat die gesprekken worden gebruikt om de WTO-onderhandeling onder druk te zetten. Er moet dan inderdaad voor gezorgd worden dat die niet de plaats in gaan nemen van de WTO-onderhandeling en dat de focus blijft gericht op de WTO-onderhandelingen. Hierop moet de komende driekwart jaar worden ingezet. Als dat de uitleg is, dan is dat ondersteuning van het beleid. Als de uitleg echter is dat er geen gesprekken met Zuid-Korea en India worden gevoerd en er helemaal niets wordt gedaan, dan moet ik de aanneming van de motie ontraden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen vanavond stemmen over de ingediende moties.

Vanmiddag bij de regeling van werkzaamheden is er gevraagd om een brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de Srebrenicavluchtelingen. Deze brief is binnengekomen. Mevrouw Lambrechts heeft mij gevraagd om een kort debat over de procedure met betrekking tot de Srebrenicavluchtelingen. In het verlengde van de regeling van werkzaamheden heb ik dat toegestaan. Wij zullen dit korte debat houden aansluitend aan het debat over de Schipholbrand.