32 500 XI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) en van de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2011

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  

blz.

   

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

   

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

   

1.

LEESWIJZER

4

   

2.

HET BELEID

9

2.1.

De beleidsagenda

9

2.2.

De beleidsartikelen

13

 

Artikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

13

 

Artikel 2. Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

22

 

Artikel 3. Klimaat en Luchtkwaliteit

33

 

Artikel 4. Duurzaam produceren

45

 

Artikel 6. Risicobeleid

57

 

Artikel 7. Versterken van het internationale VROM en WWI beleid

73

 

Artikel 9. Handhaving en toezicht

82

 

Artikel 10. Leefomgevingskwaliteit

93

2.3.

De niet-beleidsartikelen

107

 

Artikel 91. Algemeen

107

 

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien

113

2.4.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

114

   

3.

VERDIEPINGSHOOFDSTUK

116

   

4.

BEGROTING VAN DE BATEN-LASTENDIENST NEDERLANDSE EMISSIEAUTORITEIT

124

   

5.

BEGROTING 2011 VAN HET WADDENFONDS

129

   

6.

VERDIEPINGSHOOFDSTUK WADDENFONDS

139

   
 

BIJLAGE 1. ZBO’s EN RWT’s (VROM-begroting 2011)

140

 

BIJLAGE 2. OVERZICHTSCONSTRUCTIE MILIEU

141

 

BIJLAGE 3. MOTIES EN TOEZEGGINGEN

145

 

BIJLAGE 4. LIJST VAN AFKORTINGEN

209

 

BIJLAGE 5. TREFWOORDENREGISTER

214

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2011 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2011. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2011.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendienst «Nederlandse Emissieautoriteit» voor het jaar 2011 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lasten stelsel voeren.

Wetsartikel 3

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsartikel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2011 vast te stellen. Op grond van het vijfde lid van artikel 1 van de Comptabiliteitswet 2001 kan deze begrotingsstaat tezamen met die van de departementale begroting (zie wetsartikel 1) in één wet worden vastgesteld.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Voor u ligt de begroting 2011 van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). De memorie van toelichting van de VROM-begroting (XI) bestaat uit de volgende onderdelen en is terug te vinden in de hoofdstukken:

2.1. De beleidsagenda

2.2. De beleidsartikelen

2.3. De niet-beleidsartikelen

2.4. Bedrijfsvoeringsparagraaf

3. Verdiepingshoofdstuk

4. Begroting 2011 van de Nederlandse Emissieautoriteit

5. Begroting 2011 van het Waddenfonds

6. Verdiepingshoofdstuk Waddenfonds

Bijlage 1 Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

Bijlage 2 Overzichtsconstructie Milieu

Bijlage 3 Moties en Toezeggingen

Bijlage 4 Lijst van afkortingen

Bijlage 5 Trefwoordenregister

De beleidsartikelen van de programmabegroting van WWI kennen alleen programmageld. De apparaatsuitgaven worden geraamd op de VROM-begroting op het niet-beleidsartikel «Algemeen». Op dat artikel is inzichtelijk hoe de totale apparaatsinzet voor de beleidsdiensten wordt toegerekend aan de desbetreffende beleidsartikelen.

1.2. De beleidsagenda en beleidsartikelen

1.2.1. Beleidsagenda

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een beperkte technische invulling van de beleidsagenda 2011. Daar waar de beleidsagenda’s in voorgaande jaren uitgebreid ingingen op de prioriteiten uit het kabinetsprogramma Balkenende IV, aangevuld met prioriteiten van de minister, is de opzet dit jaar sober van aard. In de beleidsagenda wordt vooral ingegaan op eventuele relevante beleidsarme ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken.

De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzichtstabel met daarin de beleidsmatig belangrijkste budgettaire mutaties en bijbehorende toelichting. Deze tabel geeft de aansluiting weer tussen de vorige begroting en de nu voorliggende ontwerpbegroting.

1.2.2. Beleidsartikelen

De VROM-begroting bestaat uit acht artikelen waarvan drie op het terrein van ruimte, vier op het terrein van milieu en één op het terrein van toezicht en handhaving. Daarnaast zijn er twee niet-beleidsartikelen te weten artikel 91 «Algemeen» en artikel 92 «Nominaal en onvoorzien». Op artikel 91 «Algemeen» worden behalve de apparaatsuitgaven voor de WWI-begroting en de apparaatsuitgaven voor Ruimte en Milieu ook de uitgaven voor de stafdirecties, de gemeenschappelijke bedrijfsvoering, het planbureau en de raden en commissies inzichtelijk gemaakt. Ten slotte staan op dit artikel ook uitgaven geraamd van een aantal instrumenten die niet een beleidsmatig doel hebben, die passen bij een van de beleidsartikelen. Het niet-beleidsartikel «Nominaal en onvoorzien» is louter een administratief artikel waarop zaken worden geparkeerd die nog niet direct verdeeld kunnen worden over de andere artikelen.

In de beleidsartikelen komt het beleid voor de komende jaren aan bod. Elk artikel start met een omschrijving van de algemene beleidsdoelstelling. Hierbij wordt in algemene vorm consequent ingegaan op: omschrijving, verantwoordelijkheid, externe factoren en meetbare gegevens. De algemene beleidsdoelstelling van een artikel wordt geconcretiseerd met de beschrijving van de operationele doelen. Bij ieder operationeel doel wordt consequent ingegaan op: motivering, instrumenten en meetbare gegevens (prestaties en indicatoren). De ontwikkelingen van de uitgaven en de doelen die zij dienen worden volledig toegelicht en waar mogelijk in de tijd weergegeven en indien zinvol grafisch geïllustreerd. Dit betekent meer aandacht voor de instrumenten en voor de historische ontwikkeling van de uitgaven en prestaties om tot een goede onderbouwing van de uitgaven te komen.

Daarna volgt de tabel «budgettaire gevolgen van beleid». Deze tabel geeft meer financieel inzicht op het gebied van begrotingsstanden. In de tabel is een cijfermatige uitsplitsing gemaakt van de «programmagelden». Dit artikelonderdeel «programma» wordt vervolgens weer opgedeeld naar de diverse operationele doelen die weer zijn opgebouwd uit een of meer (financiële) beleidsinstrumenten. Onder de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» wordt grafisch inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit. Deze grafiek geeft inzicht in het nog te beïnvloeden deel van de uitgavenraming. Daarbij worden de verplichtingen gekarakteriseerd aan de hand van de categorieën «Juridisch verplicht», «Bestuurlijk verplicht» en «Beleidsmatig gebonden». De categorie «Juridisch verplicht» bestaat uit verplichtingen waar een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijke beschikking of een wettelijke regeling aan ten grondslag ligt. De categorie «Bestuurlijk verplicht» bestaat uit verplichtingen waaraan afspraken ten grondslag liggen tussen verschillende ministeries, tussen de Minister van VROM en/of andere bestuurslagen. De categorie «Beleidsmatig gebonden» bestaat uit geraamde uitgaven waarvoor de Minister van VROM in het kader van de beleidsprogramma’s uitgaven heeft geoormerkt.

Ieder artikel wordt afgesloten met een overzicht van geplande beleidsonderzoeken. In de begroting worden de beleidsdoorlichting(en) van het desbetreffende jaar aangekondigd evenals de programmering voor de komende jaren. De beleidsdoorlichting die in de tijd aansluit op het traject van het jaarverslag, wordt meegezonden bij de indiening van de verantwoording over het desbetreffende begrotingsjaar. Waar dit niet aansluit, wordt de beleidsdoorlichting separaat verzonden. Voor 2011 staan de volgende beleidsdoorlichtingen op de rol:

  • Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit;

  • Herijking Nederlandse emissierichtlijn (NeR);

  • Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen;

  • Bescherming tegen straling;

  • Bepalen aanvaardbaarheid oplossen niet aanvaardbare- en preventie tegen nieuwe risicovolle situaties;

  • Clean Development Mechanism;

  • Integrale Ruimtelijke Projecten.

Gezien de in 2010 afgeronde Brede Heroverwegingen en de demissionaire status van het kabinet zijn in deze ontwerpbegroting niet voor alle algemene en/of operationele doelstellingen beleidsdoorlichtingen geprogrammeerd. De beleidsdoorlichting Integrale Ruimtelijke Projecten is afhankelijk van de uitkomsten van de formatie.

1.3. Wijzigingen in de artikelstructuur

In de begroting 2010 was de zogenaamde Geo-informatie opgenomen in het niet-beleidsartikel 91 «Algemeen», programma-uitgaven overige vastgoedinformatievoorziening. Geo-informatie is in de begroting 2011 toegevoegd aan artikel 1 als operationeel doel «Coördinatie van de interbestuurlijke Geo-informatie». Dit operationele doel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van de infrastructuur van de geo-informatie in Nederland. Het belang van geo-informatie voor de maatschappij is groot. Het is onmisbaar voor de dienstverlening van de overheid aan burgers en bedrijven en van groot belang voor analyses in het kader van onderzoek en beleid. Optimaal gebruik van geo-informatie kan alleen bereikt worden door met relevante partijen goede afspraken te maken over standaarden, ontsluiting en een adequate technische infrastructuur in Nederland, die aansluit op internationale afspraken. Verplaatsing naar artikel 1 doet dan ook recht aan het beleidsmatige karakter van het onderwerp.

1.4. Explainparagraaf

Sinds 2006 is voor het opnemen van indicatoren in de beleidsartikelen een zogenaamde comply or explain regeling van kracht. Deze houdt in dat er kan worden afgeweken van de bepaling om het beleid met kwantitatieve indicatoren meetbaar te maken mits wordt uitgelegd waarom dit niet zinvol of relevant is. Bij de samenstelling van de begroting worden als basis gebruikt de kernvragen: «Wat willen we bereiken» (w1); Wat gaan we er voor doen» (w2) en «Wat mag het kosten» (w3). Op het niveau van de algemene doelstelling en de operationele doelstellingen wordt de beantwoording van deze vragen vervolgens ingevuld volgens de criteria van specifiek, meetbaar en tijdsgebonden.

Onderstaand wordt per artikel ingegaan op de mate waarin ieder beleidsartikelen aan deze criteria voldoet (alleen explain).

EXPLAIN TABEL INDICATOREN

Artikelnr.

Geen zinvolle en relevante indicator mogelijk want:

Algemene doelstellingen

1

Gezien de aard van dit artikel en de systeemverantwoordelijkheid van de minister voor de ruimtelijke ordening kan niet volledig voldaan worden aan alle drie de criteria voor de eerste «w»-vraag.

3, 4, 6, 7, 9, 10

Op het niveau van het algemene doel is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel diverse aspecten van het beleid zijn gebundeld. Voor de operationele doelen zijn wel indicatoren opgenomen.

Operationele doelstellingen

2.3

Deze operationele doelstelling voldoet niet aan de criteria voor de eerste «w»-vraag met betrekking tot de meetbaarheid.

7.2

Voor dit operationeel doel is het niet goed mogelijk om de doelstelling specifiek, meetbaar en tijdgebonden te formuleren (w1 en w2 vraag) en daarom is het ook niet zinvol daarvoor prestatie-indicatoren te ontwikkelen. Dit operationele doel is ondersteunend aan in andere operationele doelen geformuleerde prestaties. De beoogde beleidseffecten zijn bovendien niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen.

9.1, 9.2, 9.3, 9.4, 9.5

Voor deze operationele doelstellingen zijn geen indicatoren beschikbaar die het gehele operationele doel afdekken. Per operationeel doel zijn de prestaties dermate verschillend dat hierover geen omvattende indicator kan worden bepaald.

In 2011 zal de VROM-Inspectie (VI) zich verder voorbereiden op omvorming tot een baten-lastendienst. In samenwerking met de opdrachtgever worden prestatie-indicatoren ontwikkeld.

Wat betreft het meten van effecten zal worden aangesloten bij de ontwikkelingen in Inspectieraad verband. Met het meerjarenprogramma «Toezicht met Effect», wat in 2012 zal worden afgerond, wil de Inspectieraad de rijksinspecties stimuleren en ondersteunen in het ontwikkelen van effectmeting.

10.4

Voor dit operationele doel is geen indicator («w1»-vraag) beschikbaar die het gehele operationele doel afdekt, omdat binnen het doel diverse «kleine» instrumenten zijn gebundeld.

Waddenfonds 1.1, 1.2, 1.3, 1.4

De algemene doelstelling van het Waddenbeleid en specifieker het Waddenfonds zijn algemeen van aard. De gepresenteerde effectindicatoren meten de belangrijkste effecten van de algemene doelstelling. Op operationeel niveau zijn geen aparte effectindicatoren opgenomen

Operationele doelstellingen

2.3

Deze operationele doelstelling voldoet niet aan de criteria voor de eerste «w»-vraag met betrekking tot de meetbaarheid.

In reactie op de uitkomsten van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer (ARK) naar de beschikbaarheid van beleidsinformatie in de begroting 2010 is door voormalig minister Cramer toegezegd dat in de begroting 2011 in artikel 3 «Klimaat en Luchtkwaliteit» duidelijker zal worden aangegeven welke concrete prestaties VROM in 2011 wil leveren met de middelen die begroot zijn.

De ARK heeft ook twee voorbeelden genoemd die wel duidelijk waren. Deze voorbeelden groeperen prestaties onder het doel dat daarmee is gediend. Deze indeling is nu bij alle Operationele Doelen van artikel 3 overgenomen. Daarmee is invulling gegeven aan de toezegging aan de ARK.

Overigens is ook in de andere beleidsartikelen in de begroting 2011 deze indeling overgenomen.

1.5. Experiment

De afgelopen jaren deed het Ministerie van VROM mee aan het Experiment Verbetering Verantwoording en Begroting. Doel van dit experiment was om de politieke zeggingskracht en focus van de stukken te vergroten en de verantwoordingslasten terug te brengen. Dit had vooral gevolgen voor de wijze waarop beleidsinformatie werd opgenomen in het Jaarverslag. Met het behandelen van de jaarverslagen 2009 door de Tweede Kamer eindigt formeel dit experiment. Hoewel deze behandeling door de val van het kabinet Balkenende IV is uitgesteld tot het einde van 2010 (tegelijkertijd met de behandeling van deze begroting) is de begroting 2011 dus niet meer opgesteld volgens de regels van dit experiment. In samenwerking met de Algemene Rekenkamer wordt dit experiment geëvalueerd door het Ministerie van Financiën en de deelnemende departementen. Begin 2011 zal aan de hand van deze evaluatie met de Tweede Kamer worden besproken in hoeverre deze experimentele werkwijze Rijksbrede invoering verdient.

1.6. De Nederlandse Emissieautoriteit en het Waddenfonds

Tegelijkertijd met de VROM-begroting, wordt ook de begroting van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) en de begroting van het Waddenfonds gepresenteerd.

1.7. Verdiepingshoofdstuk

In het verdiepingshoofdstuk zijn de budgettaire mutaties in de beleidsartikelen van de begrotingsstaat opgenomen. Technische mutaties dan wel beleidsmatig niet relevante mutaties worden slechts cijfermatig gepresenteerd. Alleen indien sprake is van een grote budgettaire omvang, worden ook technische mutaties nader toegelicht. De beleidsmatig relevante mutaties worden nader omschreven in de toelichting waarbij het bijbehorende mutatiebedrag wordt genoemd. Een beleidsmatige mutatie is het gevolg van gevoerd beleid en is dus te beïnvloeden (bijvoorbeeld beleidsintensivering en -extensivering, beleidswijzigingen met financiële gevolgen, afwijkingen uit hoofde van behoorlijk bestuur).

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een beperkte technische invulling van de beleidsagenda 2011. Daar waar de beleidsagenda’s in voorgaande jaren uitgebreid ingingen op de prioriteiten uit het kabinetsprogramma Balkenende IV, aangevuld met prioriteiten van de minister, is de opzet dit jaar sober van aard. Er zal vooral worden ingegaan op eventuele relevante beleidsarme ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

Duurzame samenleving

We willen ook voor toekomstige generaties een goed leven op een gezonde aarde mogelijk maken. Schoon water, frisse lucht, voldoende voedsel en energie zijn voorwaarden voor leven op aarde. Nu, met ruim zes miljard en in 2050 waarschijnlijk zelfs met negen miljard mensen. Een verstandig klimaatbeleid is daarom noodzakelijk.

Duidelijk is dat bij een temperatuurstijging van meer dan 2 graden Celsius een kritische grens wordt doorbroken met alle ingrijpende gevolgen van dien. Om dit te voorkomen zijn door regeringsleiders in Kopenhagen afspraken gemaakt. Het geformuleerde doel betekent dat de uitstoot van broeikasgassen in 2050 wereldwijd met ten minste 50 procent moet zijn verminderd ten opzichte van 1990. Voor de rijke landen zelfs met 80 tot 95 procent. Daarom moeten wij nu stappen zetten om de transitie naar een duurzame samenleving mogelijk te maken. Dit betekent dat ondermeer door recycling natuurlijke hulpbronnen niet meer worden uitgeput, en biodiversiteit wordt behouden. Met de transitie naar een duurzame samenleving nemen wij nu verantwoordelijkheid en stoppen we de afwenteling naar toekomstige generaties. Deze transitie is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, burgers en bedrijfsleven die behalve verplichtingen ook kansen biedt.

Om een duurzame samenleving te realiseren is mondiaal een gecoördineerde aanpak van het klimaat en energiebeleid nodig. Een betaalbare en betrouwbare energievoorziening is een belangrijke voorwaarde. Ook zijn regulering en beprijzing van broeikasgassen en luchtemissies nodig om nationale en internationale klimaatdoelen te halen.

Eind 2010 vindt in Cancún, Mexico, de klimaatconferentie plaats. Dit is het vervolg van de klimaattop in Kopenhagen. Het jaar 2011 staat in het teken van de verdere uitwerking van de afspraken die mogelijk voortkomen uit deze conferentie.

Tenslotte heeft de Minister van VROM een wettelijke taak voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe kerncentrales. De personele en financiële middelen voor deze taak zijn voor 2010 en 2011 beschikbaar gekomen door herschikking binnen de VROM-begroting.

Agenda voor de ruimtelijke ordening

Nederland is één van de dichtstbevolkte landen in de wereld. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van Nederland ten aanzien van de woningbouw, bedrijvigheid, recreatie, infrastructuur en natuur. Een sterk ontwikkelde ruimtelijke planningstraditie heeft bijgedragen aan een efficiënte ordening van deze ruimtevragen en de economische ontwikkeling van Nederland.

Klimaatverandering, duurzaamheid, regionale bevolkingskrimp en grootstedelijke problemen vragen een actualisatie van het ruimtelijk beleid. De deelprogramma’s Nieuwbouw en herstructurering en Rijnmond van het Deltaprogramma geven hier reeds uitvoering aan. In 2010 is de Midterm Review Nota Ruimte uitgevoerd.

In 2011 beziet het kabinet hoe het om wil gaan met de conclusies van deze tussentijdse rapportage. Ook via de MIRT verkenning Randstad Sleutelprojecten denkt het kabinet, met de huidige budgettaire krapte als een gegeven, na over de ruimtelijke ontwikkelingen op de lange termijn.

Met de Crisis- en herstelwet worden procedures (deels tijdelijk en deels permanent) versneld. Bestuurders krijgen meer mogelijkheden om de beschikbare milieuruimte optimaal te benutten en duurzame innovatieve ontwikkelingen in gang te zetten. De wet heeft naar verwachting op korte termijn effect op de werkgelegenheid en versterkt op lange termijn de economische structuur van Nederland. Het verder doorzetten van integratie en vereenvoudiging van de juridische stelsels die van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving wordt aangepakt in het programma Vernieuwing instrumentarium. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) zijn belangrijke stappen gezet om samenhang te brengen in investeringen in het fysieke domein. Deze integrale aanpak wordt voortgezet en geoptimaliseerd.

Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten

Burgers en bedrijven gaan in 2011 merken dat de dienstverlening door de overheid verder verbetert. VROM draagt hier actief aan bij. Circa 3 600 afvalgerelateerde bedrijven worden onder «algemene regels» gebracht en de meldplicht voor een aantal afvalsoorten wordt afgeschaft. Dit zorgt voor een administratieve lastenverlichting van ruim € 50 mln per jaar. De teller voor de reductie van de administratieve lasten sinds de start van het kabinet Balkenende IV komt daarmee op ruim 30% te staan. Ook wordt door VROM in 2011 verder gewerkt aan het beperken van nalevingskosten. Als een in 2010 gestarte pilot met een domeingerichte benadering op het gebied van gevaarlijke stoffen succesvol is, zal deze aanpak worden verbreed naar andere domeinen. Er zal vaker gebruik worden gemaakt van integrale beleidsanalyses waarbij nut en noodzaak van regelgeving en de effecten hiervan vooraf systematisch in beeld worden gebracht. Dit ondermeer met behulp van het door het Ministerie van Justitie ontwikkelde Integrale afwegingskader en met het gebruikelijke economische analyse instrumentarium. Om de regeldruk die bedrijven ervaren te verminderen wordt in 2011 sterk ingezet op verbetering van kwaliteit en professionaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit conform de nadere kabinetsreactie eindbeeld Mans van 19 juni 2009 en de daarover in bestuurlijk overleg tussen het Rijk, het IPO, de VNG en de UvW in 2010 gemaakte afspraken.

Belangrijkste mutaties ten opzichte van de begroting 2010

Tabel 1. Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties ten opzichte van de VROM-ontwerpbegroting 2010

x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

art.nr

Stand Ontwerpbegroting 2010

1 409 117

1 147 740

1 025 983

973 088

906 084

0

 
        

Mutaties 1e suppletore begroting 2010

188 639

– 60 296

– 113 419

– 151 982

– 151 974

– 1 781

 
         

Nieuwe mutaties

       

1.

Structuurwijziging van 91.81.06

0

38 899

33 589

25 709

25 709

25 709

1

2.

FES Nota Ruimte project IJsseldelta Kampen

0

0

17 900

4 500

0

0

2

3.

FES Nota Ruimte project Nijmegen Waalfront

0

– 5 000

0

0

0

0

2

4.

FES Nota Ruimte project Maastricht Belvedere

0

– 2 000

0

0

0

0

2

5.

Amendement Roefs: Project Dierenpark Emmen

8 500

0

0

0

0

0

2

6.

Compensatie problematiek Milieu

0

– 405

– 1 558

– 4 982

– 4 982

– 4 982

3

7.

Verlaging budget voor verkeersmaatregelen

0

– 12 697

0

0

0

0

3

8.

Structurele financiering emissieregistratie

2 357

2 357

2 357

2 357

2 357

2 357

3

9.

Verlaging onderzoeks- en uitvoeringsbudget

0

0

– 6 995

– 4 800

– 4 800

– 4 100

4

10.

Naar PF voor programmafinanciering Externe Veiligheid

0

– 20 000

– 20 000

– 20 000

– 20 000

0

6

11.

Overige mutaties

91 374

– 20 596

– 31 564

– 41 102

– 39 089

879 746

diversen

Stand ontwerpbegroting 2011

1 643 341

1 068 002

906 293

782 788

713 305

896 949

 

Toelichting mutaties:

Ad 1.

De mutatie betreft een overboeking vanuit artikel 91 in verband met een structuurwijziging van de begroting. Het operationeel doel «Coördinatie van de interbestuurlijke Geo-informatie» is in de begroting 2011 toegevoegd aan artikel 1.

Ad 2.

De mutatie betreft het aan de VROM-begroting toevoegen van de geraamde uitgaven voor het FES-project IJsseldelta Kampen.

Ad 3.

De mutatie is het gevolg van de versnelling in 2009 ten opzichte van de oorspronkelijke raming van de uitvoering van het FES-project Nijmegen Waalfront.

Ad 4.

De mutatie is het gevolg van de versnelling in 2009 ten opzichte van de oorspronkelijke raming van de uitvoering van het FES-project Maastricht Belvedere.

Ad 5.

De mutatie betreft de toevoeging aan de VROM-begroting van middelen voor de verplaatsing van het dierenpark Emmen (amendement van het lid Roefs, 32 123 XI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het jaar 2010).

Ad 6.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor de NEa vanwege de bekostiging uit de verwachte veilingopbrengsten.

Ad 7.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor verkeersmaatregelen luchtkwaliteit (roetfilters) vanwege een verwacht lager aantal aanvragen als gevolg van de economische crisis.

Ad 8.

VROM heeft in overleg met de medeopdrachtgevers V&W en LNV in 2008 besloten om de Emissieregistratie per 1-1-2010 te verplaatsen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar het RIVM. Reden hiervoor is dat de Emissieregistratie beter past bij het profiel en de wijze van aansturing van het RIVM.

Ad 9.

De mutatie betreft een taakstellende verlaging van het onderzoeks- en uitvoeringsbudget.

Ad 10.

De middelen voor de programmafinanciering Externe Veiligheid worden voor een periode van 4 jaar overgeboekt naar het Provinciefonds.

Tabel 2. Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties ten opzichte van de VROM-ontwerpbegroting 2010

x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

art.nr

Stand Ontwerpbegroting 2010

412 464

166 487

72 477

42 228

38 228

0

 
        

Mutaties 1e suppletore begroting 2010:

260 804

19 300

7 160

10 213

12 064

0

 
         

Nieuwe mutaties:

       

12.

FES Project IJsseldata

0

0

17 900

4 500

0

0

2

13.

FES Project Nijmegen Waalfront

0

– 5 000

0

0

0

0

2

14.

FES Project Maastricht Belvedere

0

– 2 000

0

0

0

0

2

15.

Amendement Roefs: Dierenpark Emmen

8 500

0

0

0

0

0

2

16.

Overige mutaties:

232

– 1 940

– 1 940

– 9 867

– 11 718

38 574

diversen

Stand ontwerpbegroting 2011

682 000

176 847

95 597

47 074

38 574

38 574

 

Ad 12., 13., 14. en 15.

Zie de betreffende toelichting bij de uitgaven.

2.2. De beleidsartikelen

Artikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging
1.1. Algemene Beleidsdoelstelling
1.1.1. De ruimtelijke afweging organiseren door het beheren en ontwikkelen van het ruimtelijke instrumentarium

Motivering

Naarmate meer activiteiten op ons kleine grondgebied worden uitgevoerd, wordt de locatiekeuze en het afwegingsproces belangrijker voor een succesvolle uitvoering van die activiteiten. Het handelen van de Rijksoverheid is er hierbij op gericht om de nationale belangen te borgen. Dit begrotingsartikel richt zich op het zodanig beheren en ontwikkelen van instrumenten dat Rijk en andere overheden kunnen bijdragen aan het versterken en duurzaam ontwikkelen van de economische, ecologische en sociaal-culturele waarden van de ruimte in Nederland. Het betreft het verkennen, formuleren, instrumenteren en evalueren van het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid en er voor zorgen dat doorwerking naar andere overheden hiervan plaats kan vinden. Daarnaast is de Minister van VROM, als coördinerend bewindspersoon, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het onderhoud van de publieke geo-informatie in Nederland.

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen en onderhouden van nationale kaders en wet en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie;

  • Het ontwikkelen van visies op de nationale ruimtelijke ordening;

  • Het vertalen van relevante Europese beleidskaders;

  • De nadere invulling van de Nota Ruimte sturingsfilosofie «decentraal wat kan, centraal wat moet»;

  • Het doorlichten en evalueren van het nationale ruimtelijke beleid;

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling;

  • De coördinatie van de interbestuurlijke geo-informatie in Nederland;

  • Het ontwikkelen van visies op de nationale basisvoorzieningen, voor de interbestuurlijke geo-informatie in Nederland.

Externe factoren

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. De wet geeft duidelijkheid over welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte dit vervolgens voor elke bestuurslaag biedt. Indien noodzakelijk om de nationale doelstellingen te bereiken heeft de Minister van VROM ook bevoegdheden om dit te bewerkstellingen.

Meetbare gegevens

Zie meetbare gegevens operationele doelstellingen

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.1. Optimalisering van de ruimtelijke afweging 

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

7 314

3 404

35 259

35 712

27 995

27 722

27 678

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

25 092

5 033

40 681

35 792

28 306

27 678

27 678

Waarvan juridisch verplicht

 

 

25 822

0

0

0

0

Programma:

25 092

5 033

40 681

35 792

28 306

27 678

27 678

 

Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

25 092

5 033

1 782

2 203

2 597

1 969

1 969

    

 

    
 

Coördinatie van interbestuurlijke geo-informatie

0

0

38 899

33 589

25 709

25 709

25 709

Ontvangsten:

9 081

1 572

934

934

934

934

934

Grafiek 1.1 budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 1.1 budgetflex in % en bedragen per 							 operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren:

    De juridische verplichtingen betreffen uitgaven uit verplichtingen die in voorgaande jaren zijn aangegaan. Dit zijn de beheerskosten van de applicatie waarmee ruimtelijke plannen digitaal kunnen worden uitgewisseld, conform de bepaling daarover in de Wro, en de kosten voor monitoring van de Wro conform de wet en zoals overeengekomen met de Kamer (motie Smaling, 6 mei 2008).

  • 2. Coördinatie van de interbestuurlijke geo-informatie De juridische verplichtingen betreffen uitgaven aan Kadaster en Geonovum voor ontwikkeling en exploitatie basisregistraties en ontsluiting van geo-data die reeds verplicht zijn conform de wet. Bestuurlijk verplicht zijn de ontwikkeling en exploitatie van de basisregistraties waarover reeds afspraken zijn gemaakt met waterschappen, provincies, gemeenten en netbeheerders.

1.2. Operationele doelstellingen
1.2.1. Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

Motivering

Een optimale afstemming van beslissingen over ruimtegebruik en ruimtelijke ontwikkeling in Nederland vereist een heldere toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan alle betrokken overheden. Aan de Minister van VROM is de verantwoordelijkheid gegeven voor het inrichten en onderhouden van het besluitvormingsproces rond het ruimtegebruik in Nederland. Om die besluitvorming in goede banen te leiden, is een wettelijk kader ontwikkeld waarin taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokken partijen zijn vastgelegd: de Wet ruimtelijke ordening. Voor de verbetering van de kwaliteit van de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland versterken en verankeren we structureel het ruimtelijk ontwerp in het ruimtelijke ontwikkelingsproces van visies, kaders en projecten. Verder ontwikkelt de Minister van VROM de nationale kaders voor de ruimtelijke beslissingen van provincies en gemeenten (de rijksvisie) en ondersteunt de aan hen toe vertrouwde taken. Het gaat om het bereiken van een goed ruimtelijk systeem door middel van samenhangende besluitvorming. Indien noodzakelijk om de nationale doelstellingen te bereiken heeft de Minister van VROM ook bevoegdheden om dit te bewerkstellingen.

Kaders

Instrumenten

  • Wet ruimtelijke ordening (Wro): de Wro bepaalt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen en gewijzigd worden alsook de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen;

  • Besluit ruimtelijke ordening (Bro): het Bro bevat voorschriften die dienen ter uitvoering van Wro. Er zijn regels gesteld voor onder meer de voorbereiding, vorm en inhoud van ruimtelijke plannen, en voor kostenverhaal en locatie-eisen bij particuliere projectontwikkeling;

  • Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte: indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het noodzakelijk maken, kunnen bij AMvB regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen;

  • Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg): De Wvg heeft betrekking op grondverwerving door gemeenten en het toekennen van bevoegdheden aan provincies en het Rijk;

  • Protocollen: ontwerpprotocollen of vaste afspraken in een andere vorm zijn het beste instrument om een vroegtijdige structurele ontwerpinbreng te borgen;

  • De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): deze maakt dat voor projecten in de fysieke leefomgeving nog maar één omgevingsvergunning nodig is. Afwijkingen van het bestemmingsplan en andere planologische regelgeving voor bijvoorbeeld bouwactiviteiten kunnen worden toegestaan met één omgevingsvergunning. Niet langer is daarvoor een projectbesluit en een bouwvergunning vereist.

Visies

  • Nota Ruimte: de Nota Ruimte bevat de rijksvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste bijbehorende doelstellingen. De sturingsfilosofie «decentraal wat kan, centraal wat moet» staat centraal;

  • Structuurvisie Randstad 2040: de Structuurvisie Randstad 2040 bevat de rijksvisie op de toekomst van de Randstad;

  • Structuurvisie Snelwegomgeving «Zicht op mooi Nederland»: met deze visie wil het Rijk samen met de provincies de bebouwde en onbebouwde omgeving van snelwegen verbeteren en de waardering voor ons landschap vergroten;

  • Visie/Architectuurnota «Een cultuur van ontwerpen»»: Beoogt de structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp(en) in de processen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

Onderzoek en communicatie

  • RO-Online: RO-Online is de toegangspoort tot alle ruimtelijke plannen in Nederland. De website gaat op termijn de volledige en actuele planologische situatie tonen van elke locatie in Nederland;

  • Programma Monitor Nota Ruimte: op verzoek van de Minister van VROM rapporteert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) tweejaarlijks over de ruimtelijke ontwikkelingen en de beleving door de burger van deze ontwikkelingen;

  • Evaluatieprogramma Nota Ruimte: soms in samenwerking met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de uitvoering van het ruimtelijk beleid geëvalueerd;

  • Monitor Wro: Het PBL rapporteert tweejaarlijks over de werking en het gebruik van de Wro;

  • Toekomstverkenningen als basis voor de ruimtelijke visievorming, zoals het Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen en de Verkenning Rijksagenda Krimp en Ruimte;

  • Ontwerpend onderzoek ten behoeve van de ruimtelijke visievorming;

  • De CanonRO.nl: Door in interactie met vakwereld en breder publiek (via website) te komen tot dé iconen van ruimtelijke ordening, creëert de CanonRO.nl een gedeeld bewustzijn van wat van waarde is geweest in het RO-beleid en kan daarmee input leveren voor de toekomst;

  • Subsidies aan vakorganisaties: de Minister van VROM verleent doelsubsidies aan Isocarp, Nirov en IFHP omdat deze een nationaal of internationaal forum bieden voor het ontwikkelen en het uitwisselen van kennis op het vlak van planologie en ruimtelijke ordening in Nederland. Hun activiteiten dragen zodoende bij aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen van VROM.

Meetbare gegevens

Dit operationele doel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van het systeem van de ruimtelijke ordening in Nederland. Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat ruimtelijke afwegingen integraal en gecoördineerd plaatsvinden, zowel verticaal (tussen bestuurslagen) als horizontaal (tussen departementen). Een belangrijk instrument hierbij is de Wro. De Wro is een procedurewet en richt zich hierbij met name op de manier waarop de ruimtelijke ordening vorm krijgt. Onderstaande effectindicatoren geven voor enkele belangrijke instrumenten uit de Wro de stand van zaken weer en geven hiermee een beeld in hoeverre invulling is gegeven aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister.

Om meer in het algemeen zicht te blijven houden op de werking van het systeem en de uitvoeringspraktijk rapporteert het PBL tweejaarlijks ex-post over de ruimtelijke ontwikkelingen in de Monitor Nota Ruimte en tevens ex-durante over de werking van de Wro. In 2011 verschijnt de tweede vervolgmeting van de evaluatie Wro, in 2012 de derde vervolgmeting van de Monitor Nota Ruimte.

Tabel 1.2. Effectindicatoren

Effectindicatoren

Basiswaarde oude Wro

Waarde onder Nieuwe Wro

Peildatum

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

Bron (Instantie; publicatie)

Actualiteit bestemmingsplannen/ beheersverordeningen

63% verouderd

Alle gemeenten een actualiseringprogramma

2009

100% actueel

2013

100% digitaal

2019

PBL; Monitor Wro

         

Beschikbaarheid structuurvisies

Onderzoek VROM

  

75%

2013

100%

2020

VROM

         

Doorlooptijd bestemmingsplanprocedure

46 weken

17 weken

2009

< dan in 2009

2013

< dan in 2009

2020

PBL; Monitor Wro

         

Provincies hebben de rijksbelangen geborgd in een provinciale verordening

0%

20%

2009

50%

2010

100%

2013

VROM

50%

2010

NB. De peildatum van «Beschikbaarheid structuurvisies» komt pas later beschikbaar (levering door de VROM-Inspectie) en kan daarom niet in deze tabel worden opgenomen.

Het budget genoemd onder «Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren» omvat de beheerkosten van de Wro en overige wetgeving, de ontwikkeling van visies, evaluatie, ontwerp en monitoring en kennisontwikkeling in het ruimtelijk domein.Hieronder valt ook het beheer van het stelsel RO-standaarden en RO online.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

Kaders:

  • Wijziging diverse wet- en regelgeving op een aantal punten:

    • Wro, Woningwet en Wabo: Ter uitvoering van het Rijksstandpunt inzake welstandstoezicht wordt het instrument van welstandstoezicht overgeheveld naar het domein van de ruimtelijke ordening (wetsvoorstel in 2011 voor adviesaanvraag naar Raad van State gezonden);

    • Wro en Wabo: Opheffing procedurele oneffenheden inzake onder meer de planschaderegeling, de reactieve aanwijzing, de grondslag voor digitale beschikbaarstelling en kennisgeving van stukken en het voorbereidingsbesluit voorafgaand aan een provinciale verordening of AMvB (aanbieding van het wetsvoorstel aan TK in 2011);

    • Wabo: Vereenvoudiging van de mogelijkheden om met omgevingsvergunning af te wijken van o.a. het bestemmingsplan (voor-ontwerp wetsvoorstel in 2011 gereed);

    • Besluit omgevingsrecht (Bor): Aanpassing kruimellijst inzake mantelzorg, kantoortransitie en huisvesting buitenlandse werknemers (inwerkingtreding verwacht per 1 januari 2011);

  • Bezinning op het stelsel van het omgevingsrecht in 2011 als onderdeel van het actieprogramma vernieuwing instrumentarium gebiedsontwikkeling (zie artikel 10);

  • Het coördinatiepunt digitalisering rijksstructuurvisies en rijksinpassingsplannen is in 2011 operationeel;

  • De 1e tranche van de AMvB Ruimte treedt uiterlijk in 2011 in werking. Deze bevat de beleidskaders voor onder andere bundeling van verstedelijking en economische activiteiten en voor het landschap (waaronder Rijksbufferzones, Nationale Landschappen, Ecologische Hoofdstructuur, het kustfundament en de grote rivieren). VROM informeert en ondersteunt in 2011 de decentrale overheden, met name gemeenten, om de AMvB Ruimte te implementeren. Doorwerking van nationale belangen naar bestemmingsplannen wordt hierdoor gerealiseerd;

  • Het in 2011 formuleren en verankeren van ontwerpprotocollen of vaste afspraken over ontwerp (ontwerpprotocollen) ten behoeve van beleidsprocessen en uitvoering van het ruimtelijk beleid, conform speerpunt «Ontwerp voorop» uit «Een cultuur van ontwerpen».

Visies:

  • Begin 2011 wordt de Olympische Hoofdstructuur afgerond, in lijn met de motie van de TK (31 700-XI, nr. 25). Ook is VROM betrokken bij de Verkenning Maatschappelijke Kosten en Baten die door het Ministerie van VWS wordt uitgevoerd en de voorbereiding van de besluitvorming over de ruimtelijke inpassing van de eventueel te houden Olympische Spelen in Nederland, waaruit de keuze voor de stad voortvloeit. Het kabinet besluit pas in latere jaren over de definitieve kandidaatstelling;

  • In 2010 is een midterm review uitgevoerd van het nationaal ruimtelijk beleid. Hierin is terug- en vooruitgekeken en zijn ruimtelijke beleidsonderwerpen geagendeerd. Mede op basis van deze review is in 2010 de Toekomstagenda Ruimte opgesteld die aangeeft op welke wijze het nationaal ruimtelijk beleid en uitvoering zullen worden aangepast. In 2011 zal het kabinet bezien hoe het hieraan, mede in het licht van de budgettaire krapte, vervolg wil geven, wat mogelijk resulteert in een nieuw op te stellen beleidsnota.

Onderzoek en communicatie:

  • De MIRT-verkenning Randstad Sleutelprojecten zal naar verwachting medio 2011 zijn afgerond. Mogelijk gevolgd door de uitwerking en realisatie van enkele concrete (sleutel)projecten waarbij dan bezien wordt of en welke inzet van rijksmiddelen maatschappelijk gewenst is;

  • In het licht van de veranderende samenleving is het rijk enige jaren geleden gestart met vernieuwende vormen van samenwerking met decentrale overheden, maatschappelijke organisaties, marktpartijen en burgers rond een aantal ruimtelijke opgaven. De Randstad 2040 Uitvoeringsallianties zijn hiervan een voorbeeld dat ook in 2011 resultaten zal moeten opleveren in procesmatig en inhoudelijk opzicht (ondermeer klimaatbestendige inrichting steden);

  • Er wordt een Wro-evaluatiecommissie ter uitvoering van artikel 10.10 van de Wro ingesteld die begin 2011 aan het werk gaat. Deze commissie stelt in afstemming op het onderzoek dat het PBL verricht ter uitvoering van de motie Smaling (TK 2007–2008, 30 938) een Wro-evaluatie-programma op (medio 2011 gereed);

  • IBIS-monitor werklocaties: In het verlengde van het Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 wordt samen met de decentrale overheden in 2011 een kwaliteitsimpuls gegeven aan het IBIS-systeem, vooral wat betreft de monitoring van verouderde bedrijventerreinen en de mogelijke herstructurering daarvan;

  • Programma Ontwerp & Politiek: In 2011 zal samen met de hoogleraar Ontwerp en Politiek aan de TUDelft onderzoek en onderwijs plaatsvinden op gebied van ontwerp en politiek. Verder organiseert VROM in 2011 in samenwerking diverse activiteiten in het kader van de Internationale Architectuurbiennale 2012. Tenslotte zullen in 2011 in de reeks Design and Politics verschillende nummers uitkomen rond actuele ruimtelijke onderwerpen;

  • StedenbouwNU: De Minister van VROM, OCW en Atelier Rijksbouwmeester stimuleren de Nederlandse stedenbouw & landschapsarchitectuur via de StedenbouwNU prijs. Zo ook in 2011.

1.2.2. Coördinatie van de interbestuurlijke geo-informatie

Motivering

Dit operationele doel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van de infrastructuur van de geo-informatie in Nederland. Het Ministerie van VROM is sinds het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst verantwoordelijk voor de coördinatie van de geo-informatie. Het belang van geo-informatie voor de maatschappij is groot, omdat het gebruik van geo-informatie de dienstverlening van de overheid verbetert, een adequate analyse en afweging in beleidsketens mogelijk maakt, het de administratieve lastendruk van bedrijven en burgers vermindert en het helpt bij het voorkomen en opsporen van fraude.

Optimaal gebruik van geo-informatie kan alleen bereikt worden door met relevante partijen goede afspraken te maken over standaarden, ontsluiting en een adequate technische infrastructuur in Nederland, die aansluit op internationale afspraken.

Kaders

Instrumenten

  • Wet basisregistratie Kadaster en Topografie met bijbehorende ministeriële regelingen;

  • Wet basisregistraties Adressen en Gebouwen met bijbehorende AMvB’s en ministeriële regelingen;

  • Wet en AMvB’s implementatie Europese richtlijn Inspire: harmonisatie van ruimtelijke gegevens;

  • Wet in ontwerp: Basisregistratie Ondergrond;

  • Besluit Informatievoorziening Rijksdienst 1991.

Visies

  • Nota Gideon: Basisvoorziening geo-informatie.

Onderzoek en communicatie

  • Het GI-beraad is een strategisch adviesorgaan van de minister bestaande uit de publieke partijen;

  • De Geomeeting is het reguliere overleg tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap;

  • Het Nationaal Geo-register is een elektronische voorziening waarin de relevante geografische overheidsbestanden zijn opgenomen. Deze bevat ook het register voor Inspire (Europese Richtlijn voor harmonisatie van geo-informatie);

  • VROM is opdrachtgever voor het Kadaster als uitvoerder van de (landelijke voorziening) van de basisregistraties, waarmee de geo-basisinfrastructuur in Nederland wordt gevormd;

  • Subsidies aan vakorganisaties: de Minister van VROM verleent doelsubsidies aan enkele vakorganisaties (Geonovum, Stichting arbeidsmarkt Geo etc). Hun activiteiten leveren een bijdrage aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen van VROM.

Meetbare gegevens

De beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van publieke geo-informatie binnen de overheid en het gebruik door het bedrijfsleven is de meetlat voor de stand van zaken en geeft hiermee een beeld in hoeverre invulling is gegeven aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister.

Tabel 1.3. Effectindicatoren

Effectindicatoren

Basiswaarde

Peildatum

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

Bron (Instantie; Publicatie)

1 Gebruik nationaal Georegister

Index is 100

1-1-2011

Index is > 100

2011

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

Geonovum

2 Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

15-5-2010

Beter dan 2010- Beter conform Inspire

2013

Volledig Inspire Compliant

2016

Geonovum ; Rapportage EU

3 Gebruik basisregistraties:

– BAG

0%

1-1-2011

10 %

2011

>90%

2014

Kadaster

– Overige geo basisreg

0%

1-1-2011

% > in 2011

2011

>90%

2014

Kadaster

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget onder instrument coördinatie van de interbestuurlijke geo-informatie wordt besteed aan ontwikkeling en exploitatie van de basisregistraties, het ontwikkelen van een visie, standaardisatie en ontsluiting van geo-informatie.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Afronding van aansluiting gemeenten aan de Basisregistratie Adressen en Gebouwen;

  • Invoering van verplicht gebruik Basisregistratie Adressen en Gebouwen;

  • Indiening wetsvoorstel Basisregistratie Grootschalige Topografie;

  • Voorbereiding landelijke implementatie Basisregistratie Ondergrond;

  • Bepaling dataproviders implementatie annex 2 en 3 van Europese richtlijn INSPIRE.

1.3. Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 1.4. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg. doel/Op. doel

A. Start

B. Afgerond

Ex durante evaluatie:

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

OD 1.2.1

A. 2011

B. 2011

– 2e vervolgmeting

– 3e vervolgmeting

  

A. 2013

B. 2013

Monitor Nota Ruimte (monitor ex post)

Doelbereiking Nota Ruimte. Inclusief Randstad 2040.

OD 1.2.1, OD 2.2.1 en OD 2.2.2

A. 2011

B. 2012

Monitor

Gebruik digitale Wro

OD 1.2.1

A. 2011

B. 2011

Overige evaluatie

Gideon monitoring

OD 1.2.2

A.2011

B.2011

Monitoring EU

Inspire monitor

OD 1.2.2

A. 2011

B. 2014

Leefomgevingsbalans PBL (evaluatie ex post/durante)

Ruimtelijk beleid

OD 1.2.1, OD 2.2.1 en OD 2.2.2

A. 2012

B. 2012

Beleidsdoorlichting

Organisatie van de ruimtelijke afweging

OD 1.2.1

A. 2012

B. 2014

Ex durante evaluatie

AMvB ruimte 1e tranche

OD 1.2.1

A.2015

B. 2015

Ex durante evaluatie

Wet voorkeursrecht gemeenten

OD 1.2.1

A. 2015

B. 2015

Ex durante evaluatie

Randstad 2040 1

OD 1.2.1

A. 2014

B. 2014

XNoot
1

Conform toezegging vijfjaarlijkse Randstadbrief, Urgentieprogramma Randstad KST135 978, TK, vergaderjaar 2009–2010

Artikel 2. Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid
2.1. Algemene Beleidsdoelstelling

Motivering

Duurzame ruimtelijke ontwikkeling vraagt om samenhangende, integrale gebiedsontwikkeling ingebed in regionaal en soms bovenregionaal afgestemde planontwikkeling. De gebieden en netwerken die het kabinet vanuit ruimtelijke optiek van nationaal belang acht, vinden hun neerslag in de nationale ruimtelijke hoofdstructuur. Het ruimtelijk beleid en de doelstellingen voor de komende decennia zijn vastgelegd in de Nota Ruimte. In deze nota is het totale rijksbeleid voor de ruimte verwoord. De nota overstijgt hiermee het beleidsterrein van VROM. Daarom is in deze begroting een selectie van doelstellingen van de Nota Ruimte opgenomen. Het betreft enerzijds doelstellingen waar de Minister van VROM een resultaatverantwoordelijkheid kent en anderzijds doelstellingen waar het ruimtelijke (financiële) instrumentarium een belangrijke functie vervult bij gebiedsontwikkeling. De eerste operationele doelstelling richt zich op de generieke ruimtelijke kwaliteit, de tweede operationele doelstelling richt zich op het realiseren van ruimtelijke kwaliteit via concrete projecten en de derde operationele doelstelling richt zich op het stimuleren van architectonische kwaliteit.

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor de ruimtelijke aspecten van de uitvoering van het rijksbeleid met betrekking tot:

  • Verstedelijking, stedelijke netwerken en centrumvorming;

  • Landschappelijke ontwikkeling, nationale landschappen en bufferzones;

  • Rijksinfrastructuur.

De Rijksbouwmeester is onafhankelijk adviseur van het kabinet voor stedenbouw, monumenten, architectuur(beleid) en beeldende kunst. De Rijksbouwmeester bevordert en bewaakt de architectonische kwaliteit en de stedenbouwkundige inpassing van rijksgebouwen.

Externe factoren

De Wro stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. Minder regels, decentraal wat kan en meer uitvoeringsgericht. Bemoeienis met een andere overheid is alleen mogelijk indien de noodzaak vanuit het eigen ruimtelijke belang kan worden aangetoond. De normstelling die daaruit voortvloeit, dient zoveel mogelijk vooraf te geschieden, zodat daarover tevoren duidelijkheid bestaat. Beleid en normstelling zijn gescheiden. De Wro geeft duidelijkheid over welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte er vervolgens voor elke bestuurslaag is.

Meetbare gegevens

Tabel 2.1. Effectindicatoren

Effectindicator

Basisjaar

Peildatum 2008

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

Bron

Centrale doel

Tevredenheid over het landschap

2005

7,3

7,3

2008

8,0 (conform LNV)

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL 1

Bescherming landelijk gebied

Bundelingspercentage van glastuinbouw

59% (2002)

63%

≥ 59%

2011

≥ 59%

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Bebouwing in het landelijk gebied

24% (2002)

24%

< 24%

2011

≤ 24%

2020

Alterra/ABF obv CBS

Beschermen kwetsbare gebieden

Behoud zeer open ruimte in nationale landschappen

163 000 ha (2004)

163 000 ha

≥ 163 000 ha

2011

≥ 163 000 ha

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Verstedelijking in rijksbufferzones

34 ha (2002)

21 ha

≤ 34 ha 2

2011

≤ 34 ha2

2020

Alterra/ABF obv CBS

Zichtbaarheid panorama’s

1753 2247 km (2006)

1753 2247 km

753 (aantal), 2247 km (lengte)

2011

minimaal gelijk

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Realiseren recreatievoorzieningen rond de steden

Mogelijkheden om te wandelen en fietsen binnen 5 km van de woning

14 gemeenten van de G50 voldoen (2003)

Trend is afname van aantal gemeenten dat voldoet 3 46% gemeenten heeft te kort aan wandelen en 32% te kort aan fietsen

Vergroting

2011

Vergroting

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Beschikbaarheid van openbaar groen binnen 500 meter van nieuwbouwwoningen

28 gemeenten van de G50 voldoen (2003) 19 gemeenten G31 voldoen niet (2003)

Trend is afname van aantal gemeenten dat voldoet3

Vergroting

2011

Alle gemeenten 75 m2 per nieuwbouwwoning

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Bedrijventerreinen

Oppervlakte bedrijventerreinen in bundelingsgebieden

44% (2004)

43%

≥ 44%

2011

≥ 44%

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Bundelingspercentage werken

58% (2004)

58%

≥ 58%

2011

≥ 58%

2010

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Verstedelijking

Bundelingspercentage wonen

54% (2004)

54%

≥ 54%

2011

≥ 54%

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Dichtheid wonen, werken en detailhandel

55 (index) (2002)

55

Minimaal gelijk

2011

Minimaal gelijk

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Functiemenging

0,7 (index) (2000)

0,75

Minimaal gelijk

2011

Minimaal gelijk

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Aandeel woninguitbreiding binnen bebouwd gebied 2000

33% (2002)

47%

25–40% (w.o. minimaal 40% Randstad)

2011

25–40% (w.o. minimaal 40% Randstad)

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Ontsluitingskwaliteit HWN nieuwbouwwoningen en bedrijven/voorzieningen

92% (2004) acceptabele reistijd

90%

95%

2011

95%

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Ontsluitingskwaliteit OV nieuwbouwwoningen

60% (2004)

60%

Adequaat (=minimaal gelijk)

2011

Adequaat (=minimaal gelijk)

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Aandeel arbeidsplaatsen binnen bereik station of frequent stad en streekvervoer

56% (2004)

59,5%

Toename

2011

Toename

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Aandeel woningen binnen bereik station of frequent stad en streekvervoer

66,6% (2004)

67%

Toename

2011

Toename

2020

Compendium voor de Leefomgeving PBL

Energiezuinigheid

Energieprestatie nieuwbouw

Referentie jaar 2007

25% scherpere energieprestatie

2011

50% scherpere energieprestatie

2015

Vrom

XNoot
1

Zie

XNoot
2

M.u.v. agrarische en recreatieve bebouwing, groen voor groen projecten.

XNoot
3

Definite van deze indicator is aangepast zie

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 2.2. Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

201 972

78 220

55 774

45 919

53 558

57 068

58 877

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

192 420

442 789

98 947

81 171

63 774

57 168

58 877

Waarvan juridisch verplicht

  

58 691

23 658

12 969

2 500

0

Programma:

192 420

442 789

98 947

81 171

63 774

57 168

58 877

 

Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

33 368

19 768

8 187

8 523

6 834

6 834

6 834

  

Mooi Nederland (FES)

7 423

12 372

4 161

4 095

0

0

0

  

Bufferzones

5 336

3 581

3 661

4 063

6 469

6 469

6 469

  

Overige instrumenten behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

20 609

3 815

365

365

365

365

365

     

 

    
 

Integrale ruimtelijke projecten van nationale betekenis:

156 319

419 743

87 613

69 656

52 130

45 524

47 233

  

Projecten gebiedsontwikkeling (FES)

116 936

387 609

37 725

29 900

8 500

0

0

  

Overige instrumenten gebiedsontwikkeling

5 505

27 637

16 010

5 878

6 006

6 234

6 234

  

Het Waddenfonds

33 878

4 497

33 878

33 878

37 624

39 290

40 999

     

 

    
 

Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid:

2 733

3 278

3 147

2 992

4 810

4 810

4 810

Ontvangsten:

124 807

407 306

41 930

34 000

8 500

0

0

Grafiek 2.1. Budgetflexibiliteit in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 2.1. Budgetflexibiliteit in % en bedragen per 						  operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. De juridische verplichtingen betreffen de reeks voor bufferzones die via ILG volledig juridisch is verplicht aan de provincies en kosten voor de innovatieregeling Mooi Nederland van verplichtingen uit voortgaande jaren;

  • 2. De juridische verplichtingen betreffen de FES-toezeggingen voor Nota Ruimte-, BIRK- en NSP-projecten, de projecten uit de motie Van Heugten (20 november 2008), de voeding van het Waddenfonds en de meerjarige verplichting die is aangegaan voor de leefbaarheidsprojecten Bestaand Rotterdams Gebied, en

  • 3. Het derde operationele doel wordt uitgevoerd door de Rijksbouwmeester. Hiervoor krijgt de Rijksbouwmeester, waaronder het Atelier van de Rijksbouwmeester ressorteert, jaarlijks een bijdrage van het moederdepartement. De Rijksgebouwendienst is een baten-lastendienst en voert daarvan geen verplichtingen-kasadministratie. De omvang van de juridische verplichtingen per 1 januari 2011 is een raming.

2.2. Operationele doelstelling
2.2.1. Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

Motivering

Deze operationele doelstelling is gericht op het realiseren van een mooie leefomgeving voor nu en in de toekomst door:

  • Het beschermen van het landelijk gebied;

  • Het beschermen van kwetsbare gebieden;

  • Realiseren van ruimte voor recreatievoorzieningen;

  • Bundeling van verstedelijking en bedrijventerreinen.

Het prioritaire beleidsprogramma Mooi Nederland richt zich binnen dit kader op het tegengaan van verdere verrommeling, zuinig en slim omgaan met de ruimte en het realiseren van een betere ruimtelijke kwaliteit.

Kaders

Instrumenten

  • Samenwerkingsagenda Mooi Nederland; deze agenda bevat afspraken tussen het Rijk en het IPO. In deze agenda zijn onder meer afspraken gemaakt over de planning van nieuwe en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, bescherming en ontwikkeling van nationale landschappen en rijksbufferzones, windenergie en de nieuwe Wro. De samenwerkingsagenda vormt een belangrijke stap om gezamenlijk met de gemeenten, de provincies en het Rijk aan de slag te gaan met Mooi Nederland;

  • AMvB Ruimte; indien nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken kunnen bij AMvB regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen;

  • Structuurvisie Snelwegomgeving «Zicht op mooi Nederland»; met deze visie wil het Rijk samen met de provincies de bebouwde en onbebouwde omgeving van snelwegen verbeteren en de waardering voor ons landschap vergroten;

  • Agenda Landschap; agenda over behoud van de intrinsieke waarde van het Nederlandse landschap. Deze bestaat uit drie opgaven: zorgvuldig met schaarse ruimte, het wordt mooier als u meedoet en duurzame financiering;

  • Verstedelijkingsafspraken; de bestuurlijke afspraken over verstedelijking in 2009 zijn een (bestuurlijk) middel om voor de periode 2010–2020 met regio’s overeenstemming te krijgen over uitvoering van de Nota Ruimte aangaande verstedelijking. Beoogd wordt bij te dragen aan het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit.

Projecten

  • Innovatieprogramma Mooi Nederland; het innovatieprogramma Mooi Nederland steunt innovatieve plannen, gericht op het mooi houden of mooier maken van Nederland. De tweede tender is gericht op inspirerende aanpakken en/of inrichtingen voor energielandschappen, weg- en omgeving en de compacte stad;

  • Rijksbufferzones; rijksbufferzones zijn open groene gebieden met als belangrijke functies het behoud van het open landschap en ruimte voor recreatie. Door het aankopen, inrichten en beheren van gronden en daarover via gebiedsakkoorden afspraken te maken met lokale partijen wordt de recreatieve functie van rijksbufferzones versterkt en wordt groene ruimte nabij de steden behouden. VROM en LNV stellen daar via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) geld voor beschikbaar. Het ILG wordt ingezet ter verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied. In de bestuursovereenkomsten 2007–2013 zijn met de provincies afspraken gemaakt over de te leveren prestaties;

  • Bedrijventerreinen: De ruimtelijke en economische doelen in het nieuwe bedrijventerreinenbeleid zijn nader uitgewerkt in het Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 dat op 27 november 2009 met provincies en gemeenten is vastgesteld. In totaal stellen VROM en EZ € 400 mln beschikbaar voor de herstructureringsopgave. De uitvoering van het Convenant is inmiddels gestart. Onder regie van provincies werken gemeenten in regionaal verband aan afspraken over regionale samenwerking en de planning en programmering van bedrijventerreinen. Hiervoor vormt de in de AMvB Ruimte verankerde SER-ladder het kader. Voor de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen vormen de provinciale herstructureringsprogramma's voor de periode 2009 – 2013 het uitgangspunt. Met de keuze voor een regionale aanpak van het bedrijventerreinenbeleid verschuift de rol van Rijk naar het generieke niveau.

Meetbare gegevens

De beoogde effecten staan weergegeven op het niveau van de algemene doelstelling.

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget «Mooi Nederland» omvat de projecten behorend tot het innovatieprogramma Mooi Nederland. Het budget «Overige instrumenten behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit» heeft betrekking op de acties die voortvloeien uit de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Monitoren en opstellen van een tussenbalans van de provinciale herstructureringsprogramma’s (PHP’s) bedrijventerreinen in overleg met IPO en VNG. Naast de invoeringsbegeleiding van de AMvB Ruimte, ligt het accent in 2011 op het monitoren van de afspraken in het Convenant Bedrijventerreinen en de voortgang van de herstructureringsprogramma's;

  • Afronden en evalueren van de pilotprojecten «verzakelijking bedrijventerreinen» die in 2010 zijn opgestart. Via een evaluatie van de in 2010 in gang gezette pilots, worden lessen getrokken voor het structureel betrekken van private partijen bij het bedrijventerreinenbeleid («verzakelijking»);

  • Per aangewezen Rijksbufferzone is een gebiedsakkoord vastgesteld met daarin een ontwikkelingsstrategie voor het gebied alsmede een concreet uitvoeringsprogramma;

  • Uitvoering van de in 2010 gemaakte afspraken met andere overheden en sectoren over de sanering van 200 hectare kassen in 10 gebiedsprojecten in waardevolle gebieden;

  • Formuleren aanpak additionele 600 ha sanering verspreid liggend glas;

  • Het Innovatieprogramma Mooi Nederland investeert € 16,8 mln aan projecten die bijdragen aan een Mooi Nederland. In de tweede tender staan de clusters identiteit van de compacte stad, identiteit van energielandschappen en identiteit van weg en omgeving centraal. In 2011 zullen deze 30 projecten worden opgestart;

  • Via het Kennis- en leerprogramma van het Innovatieprogramma Mooi Nederland wordt kennis gedeeld en verspreid. Het Kennis- en Leertraject kent op dit moment 55 voorbeeldprojecten verdeeld over 8 clusters. Deze portefeuille wordt in 2011 aangevuld met clusters met andere voorbeeldprojecten bij VROM;

  • In 2011 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de richting die het kabinet kiest inzake grondbeleid. De doelstellingen van de nota Grondbeleid zullen 10 jaar na dato tegen het licht worden gehouden van de actuele ontwikkelingen en de huidige doelstellingen in het beleid op het gebied van wonen, natuur en landschap, bedrijventerreinen en kantoren. Op basis daarvan zullen de doelstellingen indien nodig worden bijgesteld en van nieuwe acties voorzien worden;

  • Het verminderen van de leegstand kantoren door het uitvoeren van het plan van aanpak leegstand kantoren zoals opgesteld tijdens de kantorentop in mei 2010. Producten zijn o.m. onderzoek naar het fiscale regime voor leegstaand vastgoed; een realistische behoefteraming, onorthodoxe oplossingen voor transformatie en voorbereidingen van bestuurlijke afspraken over verminderen plancapaciteit en gronduitgifte, stop op monofunctionele terreinen aan de rand van de stad en het bevorderen van functiemenging.

Tabel 2.3. Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Basisjaar

Stand

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

Bron

Bedrijventerreinen

Areaal te herstructureren bedrijventerrein

Opgave : 15 000 ha (2008)

1

6 500 ha

2013

15 800 (1 000–1 500 ha per jaar)

2020

IBIS

Doorlooptijd bij herstructurering

7–10 jaren (2008)

3

– 10%

2014

– 20%

2020

IBIS

Recreatievoorzieningen rond de steden

Aan te kopen en in te richten recreatiegebied

Opgave: 1 708 ha extra (2007)

 

neemt toe

2010

1 708 ha

2013

DLG

Oppervlakte dagrecreatieve functies in bufferzones

3 900 ha (2003)

4 100 ha (2006)

neemt toe

2011

5%

2020

Compendium voor de leefomgeving PBL

Beschermen landelijk en kwetsbaar gebied

Areaal verspreid liggend glas

4 300 ha (2004)

3 737 ha (2008)

3 900 ha

2010

3 500 ha (= 800 ha saneren)

2020

Compendium voor de leefomgeving PBL

Innovatieprogramma

Projecten waarbij stedenbouw en regionaal ontwerp een belangrijke rol spelen

0% (2009)

0

20%

2009–2012

20%

2009–2012

Visie Architectuur en RO

Plancapaciteit wonen en werken

Bestemmingsplancapaciteit

130% (2007)

130%

130%

2011

130%

2020

VROM

XNoot
1

Door verschillende partijen (Algemene Rekenkamer, Planbureau voor de Leefomgeving en provincies en gemeenten) is geconstateerd is dat de betrouwbaarheid omtrent de herstructureringgegevens momenteel tekort schiet. («Rapportage IBIS-werklocaties – de stand in planning en uitgifte van werklocaties 1 januari 2009 en de uitgifte in 2008», Arcadis in opdracht van VROM, 17 maart 2010). Daarom is er in 2009 door Arcadis / Stec-groep een «vooronderzoek veroudering/herstructurering» uitgevoerd, waarvan in 2010 bekeken wordt hoe er met de aanbevelingen uit dit onderzoek omgegaan zal worden.

2.2.2. Integrale, ruimtelijke projecten van nationale betekenis

Motivering

Gebiedsontwikkeling is de inrichting van een gebied met één of meerdere functies waarbij vaak meerdere partijen betrokken zijn in veelal langdurige samenwerkingsverbanden. VROM staat met integrale gebiedsontwikkeling een duurzame ruimtelijke inrichting van Nederland voor. Dit gebeurt door de realisatie van complexe opgaven van nationale betekenis, waar aspecten van ruimte, wonen, werken, mobiliteit en groen omgeving/blauw (water) samenhangen. Voorzover het Rijk daarvoor geld beschikbaar heeft zijn deze gebiedsontwikkelingsprojecten onderdeel van het MIRT.

Instrumenten

Belangrijke onderdelen in het MIRT zijn de gebiedsagenda’s en de bestuurlijke overleggen. De gebiedsagenda’s geven de ontwikkelingsrichting per regio weer, die rijk en regio gezamenlijk voorstaan. Het is meer dan een optelsom van verschillende sectorale agenda’s, omdat het juist de samenhang zichtbaar maakt tussen al deze agenda’s. Er zijn sinds 2009 acht vastgestelde gebiedsagenda’s, dus ook acht gedeelde ambities van rijk en regio over waar het naar toe moet met de regio’s. De gebiedsagenda’s bestaan uit de beleidsvelden mobiliteit, wonen, werken, natuur & landschap, water en ruimtelijke ordening. Het is daarmee een goed inhoudelijk instrument om investeringen te prioriteren en te komen tot een goede onderbouwde besluitvorming voor ruimtelijke investeringen. De bestuurlijke overleggen MIRT, die twee maal per jaar plaatsvinden tussen Rijk en regio, krijgen dan ook door de komst van de gebiedsagenda’s een steeds integraler karakter. De gebiedsopgaven staan centraal en op basis daarvan worden in samenhang besluiten genomen over de onderdelen daarvan.

Kaders

  • Doel van het MIRT is het realiseren van beter afgestemde en inhoudelijk samenhangende investeringen in het ruimtelijk domein, waarin regionale partners en andere partijen worden betrokken (integrale investeringen op het gebied van wonen, werken, bereikbaarheid, water, recreatie en natuur). Op basis van nationale en regionale visies en daaruit voortvloeiende opgaven, welke zijn samengebracht in acht gebiedsagenda’s, worden door de verschillende departementen en medeoverheden investeringen gedaan. De samenvattingen van deze gebiedsagenda’s zijn opgenomen in het MIRT Projectenboek. Samen met de projecten vormen deze samenvattingen de kern van dit projectenboek, waarmee er per gebied een goed overzicht ontstaat van de ruimtelijke opgaven en voorgenomen en potentiële investeringen met rijksbetrokkenheid. In die zin is het MIRT Projectenboek te zien als de ruimtelijke investeringsagenda van de fysieke departementen;

  • Accountfunctie; accountmanagers en regiomedewerkers zorgen middels een proactieve communicatie en bestuurlijke interactie, dat de nationale ruimtelijke en milieubelangen bekend zijn bij medeoverheden, maatschappelijke en marktpartijen;

  • Toepassing Wro; de Wro regelt de ruimtelijke taken en bevoegdheden van Rijk, provincies en gemeenten, de wijze van totstandkoming van ruimtelijke visies en plannen, alsook de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. VROM zorgt onder andere voor de doorwerking van nationale ruimtelijke belangen in beleid (structuurvisies) en regelgeving (verordeningen en bestemmingsplannen) van provincies en gemeenten. In dat verband adviseert VROM provincies bij de voorbereiding van structuurvisies en verordeningen. Samen met eerstverantwoordelijke projectministers is de Minister van VROM bevoegd om voor nationale belangen en projecten rijksinpassingsplannen vast te stellen.

Projecten

  • Programma Nota Ruimtebudget; de financiële bijdrage wordt ingezet ter uitvoering van 23 integrale gebiedsprojecten van nationaal belang: een integrale aanpak met aandacht voor zuinig ruimtegebruik, betere ruimtelijke kwaliteit en klimaatbestendigheid staat voorop. Het budget is een extra impuls voor de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid en komt boven op de reguliere sectorale budgetten. Een rijksbijdrage bij deze gebiedsontwikkelingen is niet alleen nodig om de complexe opgave op gewenste integrale en duurzame wijze van de grond te krijgen, maar ook om de financiën voor het project rond te krijgen. De Minister van VROM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele programma. VROM is verantwoordelijk voor twaalf projecten van het totaal van drieëntwintig projecten; Alle projecten zijn in uitvoering;

  • Programma Nieuwe Sleutel Projecten (NSP); de financiële bijdrage van VROM wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van zes centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van HSL-stations en de nabije omgeving. Het betreft: Den Haag, Rotterdam, Breda, Utrecht, Arnhem en Amsterdam (Zuidas). Alle projecten behalve de Zuidas zijn volop in uitvoering, en

  • Programma Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK); het BIRK wordt ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in een stedelijk centra of gebieden. Alle projecten zijn volop in uitvoering.

Meetbare gegevens

Het operationele doel richt zich op het realiseren van concrete projecten, waarbij samenhang tussen de verschillende opgaven centraal staat. De belangrijkste ruimtelijke effecten staan weergegeven op het niveau van de algemene beleidsdoelstelling.

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget «Projecten gebiedsontwikkeling» heeft betrekking op de projecten die vallen onder het programma Nota Ruimtebudget, Programma Nieuwe Sleutelprojecten en Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit. Het budget «overige instrumenten gebiedsontwikkeling» omvat procesgelden t.a.v. de overige instrumenten van het operationele doel 2.2.2.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Voor alle 23 projecten Nota Ruimtebudget-projecten is de bijdrage vastgesteld. De voortgang van de uitvoering en de doelbereiking van de projecten wordt gemonitord. Daarnaast draagt het Rijk bij aan het uitvoeren van een kennis- en leertraject;

  • Uitwerken afspraken, zoals gemaakt in de RAAM-brief en het Integraal AfsprakenKader Almere (IAK) over de schaalsprong Almere. In deze documenten zijn werkafspraken gemaakt over de vervolgfase 2010–2012. De voornaamste opdracht is op de projecten zo vorm te geven dat de MKBA substantieel verbetert en de budgettaire consequenties aanzienlijk worden beperkt. De resultaten moeten worden opgeleverd in 2012, zodat het kabinet dan een besluit kan nemen over de Schaalsprong Almere. In 2011 zal het overgrote deel van de uitwerkingen plaatsvinden. De Tweede Kamer het project RAAM/Schaalsprong Almere de status «Groot Project» gegeven;

  • Besluit over de ruimtelijke keuzes van de alternatieven in de huidige MIRT-verkenningen (Verkenning Antwerpen-Rotterdam, Haaglanden, Rotterdam Vooruit en Holland Rijnland);

  • De MIRT-verkenning spoorzone-ontwikkeling wordt afgerond met een eventueel besluit over de wijze waarop het Rijk nog betrokken moet worden bij de verschillende voorbeeldprojecten in de MIRT-verkenning;

  • In het BO MIRT is afgesproken dat de MIRT-verkenning Centrumontwikkeling Emmen wordt afgerond met een besluit van het rijk om wel of niet extra rijksgeld toe te kennen op basis van de motie Roefs (32 123 A, nr. 77);

  • Over alle aangeboden provinciale structuurvisies en verordeningen is geadviseerd, en

  • Er is invulling gegeven aan de rol van mede bevoegd gezag van de Minister van VROM bij circa 20 rijksinpassingsplannen die onder de primaire verantwoordelijkheid van de betreffende projectministers vallen.

2.2.3. Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid

Motivering

Om cultuurhistorische waarden te koesteren en de kwaliteit van de (on)gebouwde omgeving te bewaken.

Instrumenten

Bestuurlijk: Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Via de nota Een Cultuur van Ontwerpen – visie architectuur en ruimtelijk ontwerp wordt ingezet op de verdere versterking van de rol, positie en profilering van het ontwerp (architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur). Het rijk richt zich op een structurele versterking van de architectuur en het ruimtelijk ontwerp in de inrichting van Nederland. Deze zijn nodig om het ontwerp in de positie te brengen om effectief bij te dragen aan de noodzakelijke samenhang, duurzaamheid en pluriformiteit in de ruimtelijke ontwikkeling.

Financieel: Financiële bijdrage aan de baten-lastendienst Rijksgebouwendienst

De financiële bijdrage is bedoeld voor studies en activiteiten van de Rijksbouwmeester voor advisering over architectuur, stedenbouw, monumentenzorg en beeldende kunst.

Meetbare gegevens

In 2011 zal de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap «Gouden Piramide» worden uitgereikt.

2.3. Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 2.4. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg. doel/Op. doel

A. Start

B. Afgerond

Beleidsdoorlichting

Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit

OD 2.2.1

A. 2010

B. 2011

Beleidsdoorlichting

Integrale Ruimtelijke Projecten 1

OD 2.2.2

A. 2010

B. 2011

Ex-post evaluatie

Architectuurbeleid 2

OD 2.2.3

A. 2012

B. 2012

Ex-durante evaluatie

Innovatieprogramma Mooi Nederland

OD 2.2.1

A. 2010

B. 2011

Ex-durante evaluatie

Aanpak verspreid liggend glas

OD 2.2.1

A. 2010

B. 2011

Ex-durante evaluatie

Evaluatie effectiviteit herstructurering bedrijventerreinen

OD 2.2.1

A. 2013

B. 2013

Ex-durante evaluatie

Voortgang nota ruimte budget

OD 2.2.2

A. 2013

B. 2014

XNoot
1

Afhankelijk van de uitkomsten van de formatie wordt er wel/geen beleidsdoorlichting in 2011 uitgevoerd.

XNoot
2

Het architectuurbeleid wordt iedere 4 jaar geëvalueerd, waarna een nieuwe architectuurnota wordt opgesteld. Voor de architectuurnota 2009–2012 «Een Cultuur van Ontwerpen» heeft dit in 2008 plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan wordt voor de periode 2009–2012 ingezet op de verdere versterking van de rol, positie en profilering van het ontwerp (architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur). De volgende evaluatie zal derhalve plaatsvinden in 2012. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van VROM hebben hierin het voortouw.

Artikel 3. Klimaat en Luchtkwaliteit
3.1. Algemene beleidsdoelstelling

Het algemene doel van dit artikel is het tegengaan van klimaatverandering door menselijke beïnvloeding, als ook de vermesting van het milieu en aantasting van de gezondheid door luchtverontreiniging. Dit wordt bereikt door beperking van luchtemissies door de industrie (inclusief elektriciteitsproductie), de landbouw, het verkeer (waaronder de binnenvaart), de gebouwde omgeving en de consumenten.

In het klimaatbeleid is sprake van vier sporen:

  • Het demissionaire kabinet had nationale emissiereductiedoelstellingen geformuleerd voor 2020 van –30% ten opzichte van 1990;

  • Nederland heeft doelstellingen afgesproken in het kader van het Kyoto-protocol voor de periode 2008–2012 van jaarlijks maximaal 200,3 Mton CO2 (inclusief JI/CDM);

  • Er zijn mondiale klimaatdoelstellingen gericht op het doel om de temperatuurstijging wereldwijd gemiddeld onder de 2 graden te houden, en

  • Er is een Europees klimaat- en energiepakket, met daarin reductiedoelstellingen van –16% voor broeikasgasemissies in 2020 ten opzichte van 2005. Dit is tevens een van de doelen van de nieuwe Europa 2020 strategie voor duurzame groei en banen.

In het luchtkwaliteitsbeleid is sprake van drie sporen:

  • Uitvoering van het in 2009 van kracht geworden Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ter implementatie van EU-normen voor NO2 en fijn stof;

  • Verdere uitvoering van de in 2001 in de Wet milieubeheer (Wm) en het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) geïmplementeerde National Emission Ceiling-richtlijn (NEC-richtlijn) met emissieplafonds voor 2010 voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3), en vluchtige organische stoffen (NMVOS) en de specifieke doorvertaling daarvan naar de verschillende sectoren, en

  • In 2011/2012 in internationaal verband vaststellen van nieuwe emissieplafonds voor 2020, die tot aanpassing van de NEC-richtlijn leiden en voor de luchtkwaliteit in Nederland en omringende landen een belangrijke kwaliteitsimpuls zijn.

Motivering

Beperken van emissies is noodzakelijk om een duurzame samenleving te bereiken, waarin mens en natuur minder nadelige (gezondheids)effecten ondervinden van temperatuurstijging en van de uitstoot van schadelijke stoffen. Emissiedoelen voor broeikasgassen, NOx, SO2 en fijn stof (PM10) worden in de Europese Unie (EU) vastgesteld en hebben meer en meer een verplichtend karakter.

  • De Minister van VROM coördineert het Nederlandse klimaatbeleid uit het werkprogramma Schoon en Zuinig en draagt zorg voor de Nederlandse inbreng in internationale kaders. Daarnaast is VROM, samen met WWI, verantwoordelijk voor het beleid voor energiebesparing in bijvoorbeeld woningen, kantoren en winkels, de reductie van overige broeikasgassen (alle broeikasgassen behalve CO2), en voor wat betreft CO2-beleid de technische eisen aan de hoeveelheid en duurzaamheid van biobrandstoffen en voertuigen;

  • Het Ministerie van Economische Zaken coördineert het energiebeleid. EZ is ook verantwoordelijk voor het mechanisme van Joint Implementation (JI). Samen met het Clean Development Mechanism CDM bij VROM, is dit een internationaal mechanisme om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen;

  • Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit gaat over de energiebesparing in de glastuinbouw. Ook speelt dit departement een belangrijke rol in het terugdringen van de methaanuitstoot;

  • Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is verantwoordelijk voor de mobiliteit in Nederland: het plannen van wegen op basis van het verwachte verkeersaanbod. Auto’s en vrachtauto’s leveren een belangrijk aandeel aan de emissies die het broeikaseffect veroorzaken;

  • Het klimaatbeleid is bij uitstek internationaal beleid; klimaatproblemen houden zich niet aan landsgrenzen. De Minister van VROM is verantwoordelijk voor internationaal klimaatbeleid, maar o.a. de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking spelen een rol;

  • VROM is samen met het Ministerie van EZ verantwoordelijk voor de afvang en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage: CCS);

  • Ook het luchtkwaliteitsbeleid vereist vooral een internationale aanpak. VROM is hier primair verantwoordelijk voor, in afstemming met andere departementen, het bedrijfsleven en andere overheden;

  • Het in gang zetten en uitvoeren van de maatregelen die ertoe moeten leiden dat afgesproken grenzen niet worden overschreden ligt voor het allergrootste gedeelte binnen VROM (eisen aan industriële installaties via IPPC, NOx-emissiehandel, onderhandelen voor Europese voertuigeisen en biobrandstoffen) maar ook bij LNV (eisen aan agrarische bedrijven), en

  • Het Ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de veelal op milieugrondslag gerelateerde belastingen op onder andere voertuigen, brandstoffen en energie.

Verantwoordelijkheid

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van:

  • Voldoende scherpe en adequate afspraken op Europees en mondiaal niveau over bronbeleid;

  • Draagvlak en verantwoordelijkheidsbesef in de samenleving (bedrijven, burgers en andere overheden) om de gestelde doelen te verwezenlijken en indien noodzakelijk het eigen gedrag daartoe aan te passen, en

  • Technische en bedrijfseconomische haalbaarheid van internationaal vastgestelde emissiereducties en plafonds.

Meetbare gegevens

Op het niveau van het algemene doel is geen zinvolle integrale indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel zowel aspecten van klimaat- als luchtkwaliteitsbeleid zijn samengebracht. Bij de vier operationele doelen zijn wel indicatoren opgenomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1. Klimaatverandering en luchtkwaliteit

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

207 016

227 386

76 645

29 812

20 593

20 582

26 582

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

155 444

227 426

109 620

34 535

26 413

26 582

26 582

Waarvan juridisch verplicht

 

 

29 867

1 108

7 133

12

 

Programma:

155 444

227 426

109 620

34 535

26 413

26 582

26 582

 

Tegengaan klimaatverandering

16 420

24 785

19 331

16 174

11 542

11 542

11 542

         
 

Verbeteren luchtkwaliteit

71 274

102 836

74 259

4 304

4 304

4 315

4 315

    

 

    
 

Stimuleren van duurzame mobiliteit

62 246

86 651

2 160

1 220

1 220

1 209

1 209

 

Bevorderen duurzame industrie

5 504

13 154

13 870

12 837

9 347

9 516

9 516

Ontvangsten:

1 163

162 287

80 900

10 270

6 000

6 000

6 000

Budgettair belang buiten de VROM-begroting

Tabel 3.2. Fiscale maatregelen die bijdragen aan dit artikel

x € 1 mln

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Teruggaaf kerkgebouwen

6

7

7

8

8

9

9

Teruggaaf non-profit

20

27

29

32

35

37

39

Uitbreidingbonus zuinige auto’s

0

12

0

0

0

0

0

Stimulans EURO-6 dieselpersonenauto’s

0

0

9

12

9

0

0

Verlaging fiscale bijtelling (zeer) zuinige auto’s

73

125

187

211

213

207

201

Nihiltarief OV-bussen op LPG (MRB)

0

0

0

0

0

0

0

VAMIL

35

44

34

34

34

40

40

MIA

65

113

111

111

111

111

111

Vrijstelling groen beleggen

69

70

71

73

74

76

77

Heffingskorting groen beleggen

81

83

85

88

90

93

96

Grafiek 3.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2010

Grafiek 3.1. Budgetflex in % en bedragen per 						  operationeel doel voor 2010

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. Tegengaan klimaatverandering.

    De juridisch verplichte bedragen zijn het gevolg van in eerdere jaren verleende incidentele subsidies. De beleidsmatig gebonden uitgaven betreffen uitvoeringskosten van het klimaatbeleid. De kosten met betrekking tot de NEa, BANS/SLOK en de Tenderregeling CO2-opslag zijn bestuurlijk gebonden.

  • 2. Verbeteren luchtkwaliteit.

    De juridisch verplichte bedragen betreffen voornamelijk de reeds verleende subsidiebedragen i.h.k.v. de 3e tranche van het NSL. Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor onderzoek en uitvoeringkosten van luchtkwaliteitsbeleid en van het onderzoekprogramma ECN-Milieuonderzoek. Bestuurlijk gebonden is het voor uitvoering van het NSL beschikbare budget (4e tranche). In het bestuursakkoord Rijk-Gemeenten staat over luchtkwaliteit dat op het moment dat er meer zicht is op het structurele verloop de uitkering kan worden gedecentraliseerd, waarbij de rol van de provincies nader moet worden bezien. Als de wijziging op de FES-wet is aangenomen, kunnen de uitkeringen van de vierde tranche als decentralisatieuitkering worden verstrekt.

  • 3. Stimuleren van duurzame mobiliteit.

    De juridisch verplichte budgetten betreffen de uitvoeringskosten voor bepaling van verkeersemissies. Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor stimulering van verkeersmaatregelen (roetfilters).

  • 4. Bevorderen duurzame industrie.

    Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor stimulering van Milieutechnologie en de uitvoeringskosten voor terugdringing van emissies bij de industrie. Bestuurlijk gebonden is het budget voor uitvoering van emissieregistratie.

3.2. Operationele doelstellingen
3.2.1. Tegengaan klimaatverandering: realisatie van de nationale Kyoto-klimaatverplichtingen (2008–2012)

Motivering

Klimaatverandering is een probleem dat op wereldschaal opgelost moet worden. Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% te reduceren ten opzichte van 1990. Afhankelijk van de economische groei, effectiviteit van ingezette nationale maatregelen, temperatuur en CO2 prijs, zal Nederland emissierechten overhouden of moeten bijkopen. Daarover zal het volgende kabinet besluiten. In 2011 zal VROM zich blijven inzetten in internationale fora op het in samenhang realiseren van de ambities voor het herstel van de ozonlaag. Aantasting van de ozonlaag leidt tot verhoogde UV-straling waardoor gezondheidsproblemen, met name huidkanker en oogproblemen, zoals staar toenemen. De meeste ozonlaagafbrekende stoffen zijn ook zeer sterke broeikasgassen. Internationaal is afgesproken om de concentraties van ozonlaagafbrekende stoffen terug te brengen tot het niveau van vóór het «gat in de ozonlaag». Ontwikkelde landen hebben minder tijd om het gebruik van ozonlaagafbrekende stoffen te reduceren dan ontwikkelingslanden.

Instrumenten

De benodigde aanpak is breed en kent de volgende onderdelen:

  • Convenanten en akkoorden met verschillende sectoren (industrie, energie, landbouw, verkeer en vervoer en gebouwde omgeving) en met medeoverheden;

  • Beperking van de emissieruimte via het emissiehandelssysteem (ETS: Emission Trading System) en het CO2-kostenvereveningssysteem voor de glastuinbouw;

  • Financiële prikkels (subsidies, voor bijvoorbeeld lokale klimaatinitiatieven en fiscale faciliteiten, zoals de energie-investeringsaftrek);

  • Specifieke juridische instrumenten (bijvoorbeeld energieprestaties van auto’s);

  • Kennisoverdracht en -ontwikkeling, en een op innovatie gerichte transitiebenadering;

  • In EU verband aanvullen en/of aanscherpen van afspraken in internationale verdragen, en

  • Ter aanvulling op nationaal beleid het aankopen van CO2-rechten via het Clean Development Mechanism en Joint Implementation (CDM/JI, zie hiervoor artikel 7).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

Klimaatbeleid (CO2 en overige broeikasgassen)

  • Realisatie Kyoto-doelstelling inclusief verzorgen van internationale rapportages;

  • Uitvoering van het Reductieprogramma overige broeikasgassen, met als doel verlaging van de emissies in 2020 met circa 50% (ten opzichte van 1990) van de niet CO2 broeikasgassen methaan, lachgas en de gefluoreerde broeikasgassen SF6, PFK’s en HFK’s, en

  • Uitvoering van de klimaatakkoorden met gemeenten en provincies en uitvoering regeling Innovatie Klimaatneutrale Steden.

Energie

  • Inzet van instrumenten, accijnzen en een deel van innovatiegelden gericht op stimulering van energiebesparing, van de inzet van duurzame energie en van CO2-afvang en -opslag (CCS) zijn de pijlers voor het realiseren van de klimaatdoelen;

  • Er wordt onderzocht of in de Wet milieubeheer een artikel kan worden opgenomen met een inspanningsverplichting voor restwarmtebenutting;

  • Met de industrie zijn meerjarenafspraken gemaakt (MJA3 en MJA-ETS). Resultaten hiervan worden jaarlijks gemonitord, en

  • In 2011 verdwijnt de 45W gloeilamp. Een volledig verbod op heldere gloeilampen gaat in per september 2012.

Emissiehandel

  • De realisatie van het afgesproken emissieplafond is gegarandeerd doordat de bedrijven onder het ETS al hun emissies in 2011 zullen moeten afdekken met emissierechten, onder toezicht van de Nederlandse Emissieautoriteit;

  • Implementatie van de herziening van het emissiehandelssysteem in de EU (ETS: Emission Trading System) in de Wet milieubeheer (Wm). In 2011 wordt de behandeling van de wet afgerond en het Besluit handel in emissierechten afgerond;

  • In Europees verband bijdragen aan de totstandkoming van een handleiding voor de transparante toepassing van de Europese benchmarks voor de toewijzing van gratis rechten;

  • VROM stelt het nationaal toewijzingsbesluit vast voor toewijzing van emissierechten voor de periode 2013–2020. Daarnaast rondt VROM de toewijzingsprocedures af voor de nieuwkomers die in 2010 zijn gestart en rondt VROM de eventuele beroepszaken af tegen de toewijzingen aan nieuwkomers in 2008 en 2009;

  • In opdracht van VROM vinden in 2011 één of twee veilingen van emissierechten plaats voor in totaal tussen de 4 en 8 miljoen emissierechten;

  • VROM rondt de regelgeving af voor vroege opname van CCS in het ETS voor de periode tot en met 2012 (in het Besluit handel in emissierechten en de ministeriële regeling monitoring), en

  • De Nederlandse inbreng bij de totstandkoming van de Europese monitoring-, verificatie- en accreditatieverordening en de registerverordening richt zich op bewaking van de milieu-effectiviteit en beperking van administratieve lasten.

Bescherming van de ozonlaag

Op nationaal niveau zal VROM zich inzetten om het volgende te bereiken:

  • Implementatie in 2 011 van de Europese ozonverordening EG1005/2009 in nationale regelgeving;

  • Jaarlijkse voortgangsrapportage aan de Europese Commissie en het UNEP Ozon-secretariaat, en

  • In Europees verband zal VROM bijdragen aan (aanscherping van de) internationale afspraken over de bescherming van de ozonlaag.

Hernieuwbare energie in het wegverkeer (nationaal, Europees en mondiaal)

Het nationale doel is om een reductie van 1,4 Mton CO2 in 2011 te bereiken door de inzet van hernieuwbare energie in de vervoerssector. De inzet van biobrandstoffen levert daar een grote bijdrage aan. Belangrijke aandachtspunten bij het stapsgewijs vergroten van het aandeel biobrandstoffen in de brandstoffenmix voor de vervoersector zijn de eisen van kosteneffectiviteit en duurzaamheid. De belangrijkste duurzaamheidseisen betreffen de CO2-balans, het voorkomen van biodiversiteitsverlies en beperken van concurrentie met voedselvoorziening. Nederland wil daarnaast op EU-niveau het indirect landgebruik op een adequate manier geregeld hebben. Biobrandstoffen worden geproduceerd en verhandeld op mondiale schaal. Mondiale samenwerking is daarom essentieel. VROM zet in op internationale afspraken over duurzaamheid, primair door de (vrijwillige) afspraken via het Global Bio-Energy Partnership (GBEP).

  • Het realiseren door middel van regelgeving van de doelstelling van 4,25% procent biobrandstoffen in 2011 voor de vervoerssector door een verplichting voor degenen die brandstoffen op de markt brengen;

  • Bij het implementeren van de Europese richtlijn hernieuwbare energie: het verbreden van de toepassing van hernieuwbare energie voor het wegverkeer naar andere vervoersmodaliteiten zoals mobiele werktuigen, landbouwvoertuigen en binnenvaart;

  • Vanaf 1 januari 2011 in werking zijn van de uitvoeringsorganisatie bij de Nederlandse Emissieautoriteit om de door de betrokken bedrijven aangeleverde en geborgde informatie over de toepassing en het gebruik van duurzame biobrandstoffen te verzamelen, te controleren en administreren en daarover te rapporteren;

  • In het tweede kwartaal van 2011 wordt de jaarrapportage over de bijmengverplichting biobrandstoffen 2010 aan de Tweede Kamer verzonden;

  • Namens Nederland zet VROM er op in dat de Europese Commissie in 2011 met een voorstel komt om de indirecte verschuiving van landgebruik voor de productie van biobrandstoffen mee te nemen in de duurzaamheidsbeoordeling;

  • Nederland stimuleert dat het Global Bio-Energy Partnership in 2011 een vrijwillig afwegingskader om de indirecte effecten van biobrandstoffen vast te stellen, voor nationaal gebruik, ontwikkelt, en

  • VROM belegt medio 2011 een conferentie met betrokken maatschappelijke organisaties over de duurzame productie en toepassing van biomassa voor energie met als doel de implementatie van de richtlijn en de toepassing van de duurzaamheidscriteria te evalueren.

Inzet begrotingsmiddelen

Het uitgavenbudget wordt vooral ingezet voor:

  • Uitvoeringskosten van het Kyoto-protocol, het programma Schoon en Zuinig en het lokaal klimaatbeleid (ca. € 8,9 mln.), en

  • Taakuitoefening van de Nederlandse Emissieautoriteit (ca. € 6,0 mln.).

3.2.2. Verbeteren Luchtkwaliteit

Motivering

Slechte lucht schaadt, vooral bij langdurige blootstelling, de gezondheid en heeft negatieve effecten op de natuur. Daarom dient de luchtkwaliteit te verbeteren. In Europees verband zijn normen vastgesteld waar Nederland aan moet voldoen. VROM zorgt voor de Nederlandse inbreng bij het tot stand komen van de Europese richtlijnen en let daarbij op hetgeen in Nederland redelijkerwijs haalbaar is.

  • Wet- en regelgeving: de Wet milieubeheer hoofdstuk 5 (Wet luchtkwaliteit), AMvB’s: besluit derogatie, besluit richtwaarden, Besluit gevoelige bestemmingen, Besluit Niet In Betekende Mate bijdragen; ministeriële regelingen zoals de Smog regeling en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit; het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL), de jaarlijkse monitoring NSL; de EU richtlijn 2008/50/EG (luchtkwaliteitsrichtlijn), de EU richtlijn 2001/81/EG (NEC-richtlijn), de Conventie inzake Grensoverschrijdende luchtverontreiniging over grote afstand (CLRTAP), en

  • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: subsidieverlening aan lokale overheden in het kader van het NSL, en subsidieregelingen voor bronmaatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

Luchtkwaliteit:

  • Jaarlijkse rapportage luchtkwaliteit aan de Europese Commissie;

  • Monitoringsrapport. In september 2011 zal de tweede monitoring NSL gereed zijn. De monitor moet aantonen dat uiterlijk medio 2011 de norm voor fijn stof en uiterlijk 1 januari 2015 de norm voor NO2 zal worden gehaald, en

  • Midterm review NSL subsidies: besluitvorming over eventuele herschikking van NSL subsidies.

Emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen:

  • In 2011 zullen de definitieve emissiecijfers van 2008 worden gerapporteerd van de stoffen die vallen onder de NEC-richtlijn;

  • De NEC-richtlijn is in 2001 geïmplementeerd in de Wm. Op basis hiervan is in 2003 een uitvoeringsplan opgesteld, dat in 2006 is aangepast. Tweejaarlijks wordt de voortgang in kaart gebracht in de Balans voor de Leefomgeving, en

  • VROM werkt in VN-verband (VN Economische Commissie voor Europa) aan nieuwe emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Naar verwachting zal dit in 2011 leiden tot vaststelling van nieuwe emissieplafonds voor 2020.

Tabel 3.3. Emissies 1990, 2000, 2005 en 2008, doelstellingen en prognoses 2010 en 2015 (kton/jr)
 

1990

2000

2005

2008

2010

2010

2010

2015

     

Gotenburg Protocol

NEC-Richtlijn

Raming PBL 1

Raming PBL1

SO2

192

73

65

52

50

50

43

46

NOx

557

390

341

293

266

260

266

238

NH3

253

155

137

135

128

128

131

124

VOS

463

229

175

160

191

185

144

146

Bron: Compendium voor de Leefomgeving PBL/CBS, (31 maart 2010). Eén kiloton (Kton) is één miljoen kilogram.

XNoot
1

Raming PBL is de meest recente raming met betrekking tot vermelde stoffen. Deze is gepubliceerd in de GCN-rapportage 2010 van het PBL (Velders et al., Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland. Rapportage 2010).

Toelichting: eind 2009 werd duidelijk dat Euro V vrachtauto’s en bussen in de praktijk een hogere NOx-uitstoot hebben dan op basis van Europese normen en typekeuring mag worden verwacht. Om deze reden zijn de emissiefactoren hierop aangepast. Als direct gevolg hiervan blijkt het NEC-emissieplafond 2010 voor NOx niet te worden gehaald. Nederland heeft de Europese Commissie en de Raad voor Milieuministers over deze onvolkomenheid in de Euro V-emissienorm en de gevolgen ervan geïnformeerd. Daarbij heeft Nederland voorstellen gedaan om op Europees niveau maatregelen te nemen, waarmee de NOx-emissies van Euro V en – in de toekomst – Euro VI voertuigen in de dagelijkse praktijk worden beperkt.

Inzet begrotingsmiddelen

Het uitgavenbudget wordt vooral ingezet voor:

  • Uitvoering van het Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)(ca. € 70,0 mln.), en

  • Kosten van beleidsonderbouwend onderzoek en uitvoeringskosten van luchtkwaliteitsbeleid (ca. € 4,3 mln.).

3.2.3. Stimuleren Duurzame Mobiliteit

Motivering

Het verkeer, exclusief internationale lucht- en scheepvaart, neemt in Nederland ruim 18% van de uitstoot van alle broeikasgassen voor haar rekening, en is daarmee op de energiesector na de grootste veroorzaker van klimaatverandering. Daarnaast draagt het verkeer bij aan andere milieuproblemen, zoals luchtverontreiniging. Zo komt 60% van de NOx emissies in Nederland van het verkeer. Om schadelijke gezondheidseffecten weg te nemen en om te voorkomen dat toekomstige generaties met de milieugevolgen van mobiliteit worden opgezadeld, moeten broeikasgas- en luchtverontreinigende emissies van het verkeer sterk worden gereduceerd.

  • Wet- en regelgeving: internationaal zijn er verschillende EU Richtlijnen (NEC) en EU Verordeningen (CO2-normstelling), terwijl nationaal milieuzones voor vrachtwagens, differentiatie van parkeertarieven en het NSL een belangrijke rol spelen;

  • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: van belang zijn de fiscale bijtelling van de auto van de zaak, de differentiatie van Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) en de Motorrijtuigenbelasting (MRB). Daarnaast speelt subsidieverlening (zoals voor de retrofitroetfilters voor mobiele werktuigen, taxi’s en bestelauto’s) een rol;

  • Voorlichting en kennisoverdracht op het gebied van duurzame mobiliteit, en

  • Vrijwillige afspraken met marktpartijen en andere overheden, zoals de convenanten over milieuzonering en de vervroegde instroom van bestelauto’s met roetfilter.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door het verkeer

  • In 2011 wordt gestemd over een Europese Verordening om de CO2-uitstoot van nieuwe bestelauto’s in de EU te normeren. VROM zet zich namens Nederland in om het ambitieniveau van het Commissievoorstel uit 2009 (175 g/km in 2016 en 135 g/km in 2020) op peil te houden of aan te scherpen, waarmee 0,9 Mton CO2-reductie kan worden bereikt, en

  • VROM en V&W werken samen aan het realiseren van mondiale CO2-reductiedoelen die minimaal op het niveau liggen van de EU-inzet in Kopenhagen eind 2009: voor de luchtvaart in 2020 10% onder 2005 en voor de zeescheepvaart 20% onder 2005. Dit leidt mondiaal tot een CO2-reductie van circa 640 Mton in 2020.

Vermindering van de uitstoot van luchtverontreinigende emissies door het verkeer

  • In 2010 heeft Nederland onverwacht hoge NOx uitstoot bij Euro V vrachtauto’s vastgesteld en dit in de EU aanhangig gemaakt. Mocht blijken dat door relatief eenvoudige aanpassing aan Euro V voertuigen een vermindering van de NOxuitstoot kan worden gerealiseerd, dan zal VROM, al dan niet in EU-verband, daartoe een initiatief nemen. Hiermee zou een deel van de in 2010 door PBL becijferde tegenvaller in 2015 kunnen worden gerepareerd;

  • VROM gaat demonstratieprojecten opstarten om ervaring op te doen met het terugdringen van de uitstoot van NOxen fijn stof door de binnenvaart. De opgedane ervaring en kennis wordt nadien gedeeld met de hele binnenvaartsector. Met stimulering van demonstratieprojecten wordt een vermindering van de NOxuitstoot voorzien;

  • De Europese Commissie heeft eind 2010 voorstellen gedaan voor emissienormen voor mobiele machines, binnenvaartschepen en twee- en driewielers. VROM zal bij de onderhandelingen over deze normen inzetten op het realiseren van een inhaalslag ten opzichte van personenauto’s en vrachtwagens, en

  • Een aantal gemeenten heeft gevraagd om ten behoeve van het NSL de parkeertarieven te mogen differentiëren naar milieukenmerken. VROM maakt dit mogelijk via een experimenteerwet voor een beperkt aantal gemeenten. In overleg met gemeenten zal in 2011 een evaluatie worden opgesteld voor de experimenteerwet.

Inzet begrotingsmiddelen

Het uitgavenbudget wordt vooral ingezet voor:

  • Kosten van uitvoering van emissiebeperkende maatregelen (ca. € 1,2 mln.), en

  • Kosten van stimulering door subsidieverlening voor emissievermindering, zoals door retrofitroetfilters voor mobiele werktuigen, affabriekroetfilters voor taxi’s en bestelauto’s en voor demonstratieprojecten bij de binnenvaartsector (ca. € 2,3 mln.).

3.2.4. Het bevorderen van duurzame industrie

Motivering

De industrie, inclusief de elektriciteitsproductie, speelt een sleutelrol in het bereiken van een duurzame samenleving, niet alleen als een bron van milieubelasting maar ook als bron van innovatieve oplossingen voor milieuproblemen. Een deel van die milieuproblemen wordt veroorzaakt door luchtverontreinigende emissies. De Minister van VROM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid dat zich richt op het tegengaan van luchtverontreiniging. Europese afspraken over de milieukwaliteit, zoals vastgelegd in de NEC-richtlijn en de richtlijn voor luchtkwaliteit, maken de komende jaren een verdere reductie noodzakelijk, rekening houdend met de economische groei. Deze paragraaf beperkt zich tot luchtverontreiniging; het onderdeel emissiehandel broeikasgassen is opgenomen in paragraaf 3.2.1.

  • Wet- en regelgeving: normstelling voor de uitstoot van industriële installaties is in veel gevallen het belangrijkste instrument. De basis voor de normstelling ligt veelal in Europese richtlijnen en verordeningen, die worden doorvertaald naar de Nederlandse situatie via algemene regels en vergunningen. Dit geldt ook voor de milieuverslaglegging: grote bedrijven rapporteren jaarlijks volgens Europese regels hun emissies en/of afvoer van afval via het elektronisch milieujaarverslag;

  • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: milieu-innovatie wordt gestimuleerd via fiscale instrumenten die zijn gekoppeld aan de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Dit zijn de milieu-investeringsaftrek (MIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Regeling Groenprojecten. Tevens zijn stimuleringregelingen zoals het Programma Milieu en Technologie (ProMT) beschikbaar;

  • Kennisoverdracht en -ontwikkeling: kennis wordt overgedragen via een helpdesk van Agentschap NL/Infomil, en

  • Samenwerking met de industrie en andere overheden: met koplopers in het bedrijfsleven, brancheorganisaties en andere overheden vindt overleg plaats en worden afspraken gemaakt over de invulling van milieutaakstellingen.

Instrumenten

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

Tegengaan van luchtverontreiniging:

  • De Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) wordt gewijzigd en vereenvoudigd als gevolg van de invoering van de Industrial Emissions Directive (opvolger IPPC-richtlijn), de 3e tranche van het Activiteitenbesluit, en de actualisatie van het VOS-beleid;

  • Bijdrage van Nederland aan totstandkoming in de EU van nieuwe BREF’s (BAT Referentiedocumenten) voor de raffinaderijen (definitief document eind 2011) en de non-ferrometalen (definitief document begin 2011);

  • Een geactualiseerd Besluit Emissie-eisen Stookinstallaties A en Besluit Verbranden Afvalstoffen treedt medio 2011 in werking;

  • De nieuwe regelgeving met emissie-eisen voor kleine ketels (< 1 MWth) treedt eind 2011 in werking;

  • Een wijziging van het Besluit NOx-emissiehandel met aanpassing van de zgn. Performance Standard Rates vanaf 2014 en de opt-out-regeling wordt eind 2011 gepubliceerd en treedt in werking;

  • Het Programma Milieu & Technologie (middels subsidie en kennisuitwisseling wegnemen knelpunten voor innovaties), waardoor milieu-innovatieprojecten door het midden- en kleinbedrijf sneller en effectiever worden uitgevoerd, wordt voortgezet;

  • De Regeling Groenprojecten wordt uitgevoerd, waardoor goedkope financieringsmogelijkheden worden geschapen voor zeer milieuvriendelijke investeringen die bijdragen aan de doelen van het milieu- en natuurbeleid;

  • Het driejarig onderzoek- en innovatieprogramma (2010–2013) naar verdere aanscherping van emissienormen NOx, methaan en VOS bij middelgrote stookinstallaties wordt voortgezet, en

  • De uitvoering van het Actieplan fijn stof en industrie door bedrijven en andere overheden wordt gefaciliteerd door nadere afspraken over de concretisering van maatregelen bij bedrijven. Voor de fijnstofemissie door de industrie zijn in het Actieplan fijn stof en industrie als onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) de emissieplafonds vastgesteld zoals weergegeven in tabel 3.4.

Tabel 3.4. Sectorplafond fijn stof
 

Realisatie 2008

Doelstelling 2010

Doelstelling 2015

Doelstelling 2020

PM10 emissie industrie (incl. op- en overslag) in Kton

10,8

11,0

10,5

10,0

Bron: Fijn stof en BBT: Achtergrondrapportage Actieplan Fijn Stof en Industrie (juni 2008); Actieplan Fijn stof en Industrie (juni 2008), VROM

Toelichting: het plafond voor 2010 is reeds gehaald. Het beleid richt zich dan ook vooral op het behalen van de plafonds in 2015 en 2020. De maatregelen hiertoe zijn beschreven in het NSL.

Inzet begrotingsmiddelen

Het uitgavenbudget wordt vooral ingezet voor:

  • Stimulering door subsidieverlening via het Programma Milieu en Technologie (ProMT) (ca. € 6,6 mln.);

  • Uitvoeringskosten van het industriebeleid (ca. € 2,0 mln.), en

  • Kosten van emissieregistratie door het RIVM (ca. € 2,4 mln.).

3.3 Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 3.5. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Algemeen doel / Op. Doel

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

Tegengaan klimaatverandering

OD 3.2.1

A 2009

Evaluatie Schoon & Zuinig

B 2010

Verbeteren luchtkwaliteit

OD 3.2.2

A 2010

NEC plafonds

B 2012

Stimuleren duurzame mobiliteit

OD 3.2.3

A 2012

Bevorderen duurzame mobiliteit

B 2012

Bevorderen duurzame industrie

OD 3.2.4

A 2010

Herijking Nederlandse emissierichtlijn (NeR)

B 2011

    

Overig evaluatieonderzoek

Verbeteren luchtkwaliteit

OD 3.2.2

A 2010

Monitoring NSL

B 2011

Bevorderen duurzame industrie

OD 3.2.4

A 2010

Monitoring MIA-VAMIL

B 2011

Artikel 4. Duurzaam produceren
4.1. Algemene beleidsdoelstelling

Het zorgen dat nu en in de toekomst verstandig wordt omgegaan met de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen, gericht op een planeetvriendelijke economie. Dit gebeurt via het borgen van de kwaliteit van bodem en water, het duurzaam gebruik van de diensten die biodiversiteit ons levert en het sluiten van kringlopen.

De inzet is met name gericht op:

  • Het bewerkstelligen van de verduurzaming van producten en productieprocessen;

  • Het garanderen van een blijvend duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

  • Het verkleinen en beheersen van de stroom afvalstoffen zodat de risico’s voor het milieu aanvaardbaar zijn;

  • Het realiseren van een optimaal en verantwoord gebruik van het water- en bodemsysteem en het waarborgen van dit gebruik op lange termijn (2030). Dit betreft ook het duurzaam gebruik maken van de diensten die biodiversiteit levert, de zogenoemde ecosysteemdiensten;

  • Het bevorderen van een duurzame landbouw;

  • Het stimuleren van duurzame innovatie (ontwikkelen en toepassen van schone technologieën), en

  • Het stimuleren en verder ontwikkelen van duurzaam inkopen.

Motivering

Het winnen van grondstoffen, het maken en gebruiken van producten en het ontstaan van afval zorgt voor milieudruk. Het is zaak deze milieudruk te beperken zodat een goede milieu- en leefomgevingskwaliteit behouden blijft of ontstaat, ook voor toekomstige generaties en mensen in andere landen. Daarmee wordt gezorgd dat het vermogen van bodem en water om ecosysteemdiensten te leveren en te voorzien in onze behoeften voor wonen, voedselvoorziening, economische activiteiten en recreatie voor de maatschappij behouden blijft. Met haar beleid voorkomt de Rijksoverheid afwenteling (naar elders en later) van de milieudruk en ondersteunt innovatie rondom duurzaamheid.

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is onder andere verantwoordelijk voor:

  • De milieu-aspecten van duurzame ontwikkeling;

  • De sturing van het afvalstoffenbeleid en het producten- en materialenbeleid;

  • Het ontwikkelen van nationaal en gebiedsspecifiek beleid om de milieukwaliteit van water en bodem te waarborgen (systeemverantwoordelijkheid);

  • Het veiligstellen van de drinkwatervoorziening;

  • Het scheppen van de kaders voor een duurzaam gebruik van hulpbronnen en ecosysteemdiensten;

  • Het stimuleren van markten voor duurzame producten;

  • Verdere ontwikkeling van normalisatie en certificatie, en

  • Het betrekken van maatschappelijke organisaties en burgers bij de ontwikkeling en uitvoering van het milieubeleid.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van factoren als maatschappelijke ontwikkelingen en de stand van de techniek. Essentieel is de betrokkenheid en inzet van maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, overheden en burgers. Een groot deel van de inzet is op de internationale gremia gericht: veel van de regelgeving wordt in Europees verband vormgegeven.

Meetbare gegevens

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1. Duurzaam produceren

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

549 773

26 256

24 082

24 724

140 713

140 676

141 880

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

207 181

138 630

143 057

140 549

141 138

141 101

141 880

Waarvan juridisch verplicht

  

127 788

115 000

900

900

900

Programma:

207 181

138 630

143 057

140 549

141 138

141 101

141 880

 

Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

185 283

120 405

125 384

126 144

125 798

125 761

126 540

         
 

Verbeteren van Milieukwaliteit van Bodem en Water

19 778

5 788

5 624

4 191

4 669

4 669

4 669

    

 

    
 

Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

2 120

12 437

12 049

10 214

10 671

10 671

10 671

Ontvangsten:

1 721

2 661

0

0

0

0

0

Grafiek 4.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 4.1. Budgetflex in % en bedragen per 						  operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

    De juridisch verplichte bedragen worden voor het grootste deel bepaald door de toezegging aan het Afvalfonds. De kosten met betrekking tot SMK en de kosten voor de uitvoering door Agentschap NL zijn bestuurlijk gebonden;

  • 2. Verbeteren milieukwaliteit van bodem en water

    Budgetten voor de coördinatie van NEN-werkzaamheden zijn juridisch verplicht. Budgetten die bestuurlijk gebonden zijn betreffen de uitvoeringsuitgaven verbetering van de milieukwaliteit van bodem en water, en

  • 3. Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

    De juridisch verplichte bedragen betreffen voornamelijk uitvoering van de SMOM-regeling en uitvoeringskosten voor gebiedsspecifieke maatregelen landelijk gebied en het bevorderen van duurzame landbouw. Bestuurlijk gebonden betreffen de onderzoekskosten met betrekken tot de bevordering van duurzame landbouw en gebiedsspecifieke maatregelen landelijk gebied.

4.2. Operationele doelstellingen
4.2.1. Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

Motivering

Met het (ketengericht) afvalbeheer en het producten- en materialenbeleid wordt bereikt dat het ontstaan van afvalstoffen wordt verminderd, de milieudruk van afvalverwerking wordt beperkt en de milieubelasting in de gehele keten van grondstof tot afval afneemt. Daarmee wordt de uitputting van energiebronnen en grondstoffen teruggedrongen en worden materiaalketens verduurzaamd. Het afvalbeleid zal zich ontwikkelen tot een integraal ketenbeleid. Deze aanpak moet ook tot meer innovatie en slimmere samenwerking tussen bedrijven leiden en daarmee tot concurrentievoordeel voor bedrijven uit Nederland.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces, de (inter)nationale context en de te bereiken doelgroep, worden verschillende instrumenten ingezet:

  • Het afvalbeleid wordt voor een belangrijk deel gestuurd door wet- en regelgeving. Deze wordt in toenemende mate Europees vastgesteld. Onderscheid kan worden gemaakt in algemene regelgeving (Kaderrichtlijn, IPPC-richtlijn), richtlijnen gericht op afvalbeheerswijzen (zoals storten en verbranden) en richtlijnen voor afzonderlijke afvalstoffen (verpakkingen, elektr(on)ische apparatuur, batterijen, autowrakken). Het milieugerichte productenbeleid wordt in mindere mate gestuurd door (Europese) wet- en regelgeving. Voorbeelden van Europese richtlijnen zijn de richtlijn Ecodesign en Restriction of Hazardous Substances (RoHS);

  • Met fiscale instrumenten worden negatieve milieu-effecten geïnternaliseerd in de prijzen en minder gewenste wijzen van afvalbeheer financieel onaantrekkelijk gemaakt, zoals met de belasting op storten van afvalstoffen. Ook wordt de milieubelasting van materialen belast, bijvoorbeeld via een verpakkingenbelasting;

  • Via producentenverantwoordelijkheid worden producenten en importeurs (mede) verantwoordelijk gemaakt voor het beheer van hun producten in het afvalstadium, inclusief financiering, bijvoorbeeld voor verpakkingen, elektr(on)ische apparatuur, batterijen en autowrakken;

  • Communicatie wordt ingezet om bij afzonderlijke doelgroepen draagvlak te creëren en bepaald afvalbeheergedrag te bereiken, bijvoorbeeld voor verpakkingen, zwerfafval en elektr(on)ische apparatuur;

  • In specifieke gevallen worden beleidsafspraken en convenanten met het bedrijfsleven en overheden gemaakt, zoals de Raamovereenkomst verpakkingen;

  • Vanuit VROM wordt het accent gelegd op eco-innovatie. Dit wordt bereikt door pilots, verkenningen en de ontwikkeling van innovatieprogramma’s. Daarnaast wordt eco-innovatie en duurzame technologieontwikkeling binnen de (Europese) strategieën en instrumenten voor innovatie en onderzoek verankerd en in samenwerking met wetenschap en industrie op beleidsprioriteiten gericht;

  • Het instrument duurzaam inkopen door overheden kent duurzaamheidscriteria die, in afstemming met het bedrijfsleven, periodiek worden geactualiseerd. Deze criteria kunnen er vervolgens via het inkoopproces van overheden voor zorgen dat duurzame en innovatieve producten en diensten ook daadwerkelijk worden aangeschaft. Het omvangrijke inkoopvolume van de overheden (jaarlijks ruim € 50 mld.) garandeert op deze wijze een sterke beïnvloeding van de markt;

  • Met het instrument Maatschappelijk Verantwoordelijk Ondernemen (MVO) wordt het midden- en kleinbedrijf gestimuleerd het gebruik van (fossiele) grondstoffen te verminderen, emissies te beperken en de zorg om biodiversiteit te vergroten, en

  • De verwerking van afvalstoffen wordt gestuurd door de in het Landelijk AfvalbeheerPlan (LAP) opgenomen minimumstandaarden. Deze standaarden geven voor 83 (categorieën van) afvalstoffen aan wat de minimale hoogwaardigheid van verwerking is. Ze vormen op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer.

Inzet begrotingsmiddelen

Het programmabudget in 2011 bij «Reductie van milieubelasting door (keten) afval- en productenbeheer» betreft vooral de storting in het Afvalfonds ad € 115 mln. Daarnaast wordt dit budget ingezet voor de uitvoering, onder andere van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) door Agentschap NL.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Omdat de Raamovereenkomst verpakkingen na 2012 afloopt, zal in 2011 een evaluatie plaatsvinden. Daarbij worden de uitkomsten van de evaluatie van de werking van het Besluit beheer verpakkingen, papier en karton die in 2010 zal worden uitgevoerd en de inzamelresultaten over 2009 meegenomen. Wat betreft de doelstellingen geldt er voor 2011 dat 38% materiaalhergebruik moet zijn gerealiseerd;

  • De ministeriële regeling «scheiden afvalstoffen tijdens bouw en sloopwerkzaamheden» zal begin 2011 in werking treden, tegelijk met het Bouwwerkbesluit;

  • In de ontwikkeling van een integraal beleid voor het duurzaam omgaan met materialen wordt, in samenwerking met andere departementen en met maatschappelijke partijen, een uitvoeringsprogramma opgesteld dat de routes beschrijft waarlangs het streefbeeld uit de overheidsvisie op een duurzaam materialenbeheer wordt bereikt. De daarvoor benodigde samenwerkingsorganisatie wordt ingericht. De als noodzakelijk geïdentificeerde instrumenten worden ontwikkeld of in de Europese discussie ingebracht;

  • In het kader van het ketenprogramma voor verduurzaming van tenminste vier materiaal/productketens worden in 2011 de projecten afgerond en worden de resultaten opgeschaald naar de hele markt;

  • Duurzame innovatie in het MKB heeft in 2010 een extra impuls gekregen via het door VROM samen met Syntens ontwikkelde pilotproject MKB Doe MEE. Begin 2011 wordt bepaald of het project verder uitgerold kan worden;

  • VROM maakt zich sterk voor eco-innovatie binnen Europese technologie beoordeling, actieplannen, financiële instrumenten, onderzoekprogrammering, in samenwerking met industrie en wetenschap, en vertegenwoordigt Nederland o.m. in het 7e Kaderprogramma;

  • De Minister van VROM heeft een bijzondere verantwoordelijkheid voor storten. In 2010 is een onderzoek uitgevoerd naar de economische situatie van de stortsector, waarna in de eerste helft van 2011 wordt bezien of er maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat er voldoende en voor iedereen toegankelijke stortcapaciteit beschikbaar blijft;

  • De duurzaamheidscriteria ten behoeve van Duurzaam Inkopen worden geactualiseerd. In 2011 zal dat, evenals in 2010, bij een tiental productgroepen plaatsvinden. Ook worden voor alle productgroepen toekomstige duurzaamheidscriteria geformeerd die op termijn door de inkopende overheden zullen worden gehanteerd. Verder stimuleert het kabinet innovatie via een vijftal concrete en grootschalige initiatieven: de elektrische auto, rijksgebouwen, woningen, scholen en de duurzame weg;

  • Voor ondernemers worden praktische, ketengerichte MVO-instrumenten ontwikkeld. Binnen het midden- en kleinbedrijf in de metaal wordt het draagvlak voor duurzaam ondernemen vergroot en een monitor ontwikkeld waarmee het niveau van duurzaamheid transparant kan worden gemaakt.

Indicatoren:

Grafiek 4.2. Ontwikkeling afvalaanbod en -toepassing

Grafiek 4.2. Ontwikkeling afvalaanbod en 							 -toepassing

Toelichting:

In maart 2010 is het gewijzigde Landelijk afvalbeheersplan 2009–2021 van kracht geworden. In dat plan zijn kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd. De indicatoren in bovenstaande grafiek zijn gekoppeld aan de kwantitatieve doelen voor 2015 en 2021 (punten bij 2015 en 2021).

De lijn «Afvalaanbod volgens BBP 1985–2000» geeft aan wat het afvalaanbod in de periode 1985–2000 zou zijn geweest als het dezelfde groei als het BBP had gevolgd.

De lijn «Afvalaanbod prognose 2000–2012» geeft aan hoe in het eerste Landelijk afvalbeheersplan werd voorzien dat het afvalaanbod zich zou ontwikkelen volgens een toen opgesteld beleidsscenario.

De lijn «Afvalaanbod prognose 2006–2015» geeft aan hoe in het tweede Landelijk afvalbeheersplan wordt voorzien dat het afvalaanbod zich zal ontwikkelen volgens het beleidsscenario.

Het verschil tussen de drie Afvalaanbod lijnen en de lijn «Werkelijke afvalhoeveelheid» geeft aan hoeveel preventie is bereikt. In 2000 en 2006 zijn breuken te zien in de Afvalaanbod-lijn vanwege nieuwe scenario’s en prognoses in het eerste en tweede LAP.

Verder is in de grafiek te zien hoeveel afval nuttig is toegepast, is verbrand en is gestort. Er zijn bij het LAP, en dus deze indicator, buiten 2015 en 2021 geen tussendoelen geformuleerd, met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan.

De kwalitatieve doelen richten zich onder meer op het realiseren van een gelijkwaardig Europees speelveld, verduurzamen van materiaalketens en het bevorderen van marktwerking en innovatie. Deze doelen zijn niet in de vorm van een indicator uit te drukken.

4.2.2. Verbeteren van milieukwaliteit van bodem en water

Motivering

Het borgen en verbeteren van de milieukwaliteit van bodem en water is van belang om de vele functies van bodem en water te beschermen. Zo zijn bijvoorbeeld de voedsel- en drinkwatervoorziening en de natuur afhankelijk van een goede kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Verontreiniging moet daarom zoveel mogelijk worden voorkomen en duurzaam gebruik gestimuleerd.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces, de (inter)nationale context en de te bereiken doelgroep, worden verschillende instrumenten ingezet:

  • Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, Richtlijn prioritaire stoffen, Zwemwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, richtlijn Stedelijk Afvalwater, Stortrichtlijn en de Bouwproductenrichtlijn;

  • Nationale wet- en regelgeving: Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, de nieuwe Drinkwaterwet en het Drinkwaterbesluit en besluiten zoals het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water;

  • Communicatie/beleidsoverdracht: Toegankelijk maken van kennis over bodem- en waterbeheer via websites en handreikingen voor andere overheden. Hiertoe wordt Agentschap NL ingezet;

  • Handhavingsprogramma’s (samen met de VROM-Inspectie);

  • Het aansturen van onderzoek (belegd bij het rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM)) dat is gericht op uitvoeren wettelijke taken (waaronder monitoring), ondersteunen beleidsproces, strategische kennisgeneratie en in stand houden kennisbasis;

  • In specifieke gevallen worden beleidsafspraken en convenanten met het bedrijfsleven en overheden gemaakt, zoals het Bestuursakkoord Waterketen.

Inzet begrotingsmiddelen

Het programmabudget in 2011 bij «verbeteren van milieukwaliteit van bodem en water» betreft onder meer het laten uitvoeren van onderzoek (RIVM) en het opstellen en onderhouden van normen (door Nederlands Normalisatie Instituut (NNI)) op het terrein van VROM.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Het vullen van het «digitaal bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaartsysteem». Dit systeem zal binnen vier jaar een volledig beeld geven van de bodemkwaliteit in Nederland. Met behulp van dit systeem zullen voor het eerst op landelijke schaal de effecten op de bodemkwaliteit kunnen worden beoordeeld;

  • De publicatie van de ontwerp AMvB Modernisering Stortbesluit. Doel is de verouderde regelgeving gebaseerd op de stand der techniek eind jaren ’80 te moderniseren;

  • De publicatie van de ontwerp AMvB Experimentenparagraaf Duurzaam Stortbeheer. Het doel van duurzaam stortbeheer is om het lange termijn emissiepotentieel van de verontreinigingen in stortplaatsen naar het grondwater terug te brengen en tevens de kosten van eeuwigdurende nazorg te reduceren. De Experimentenparagraaf maakt het mogelijk om ervaring op te doen met innovatieve technieken, waarna op termijn mogelijk een structurele aanpassing van regelgeving voor alle stortplaatsen kan plaatsvinden;

  • Uitbrengen handleiding voor andere overheden voor het toepassen van een toetsingskader voor het duurzaam gebruiken van de ondergrond. Dit als uitwerking van de beleidsvisie die in 2010 is verschenen;

  • Implementatie Besluit bodemkwaliteit door het ondersteunen van decentrale overheden. Concreet product daarbij is de monitoringsrapportage die jaarlijks verschijnt;

  • Vastleggen van landelijke regels voor het toepassen van de zware metalen koper, lood en zink in de gebouwde omgeving, als onderdeel van het bouwstoffenbeleid. De aanvullende regels betreffen een aanvullende paragraaf in het Besluit bodemkwaliteit;

  • De huidige zwemwaterwetgeving (de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden) dateert uit 1969 en sluit op tal van punten niet meer aan bij de huidige praktijk en de huidige inzichten over regelgeving. De wet zal daarom vervangen worden door een nieuwe wet, de Zwemwaterwet. In de AMvB vindt de feitelijke uitwerking plaats;

  • Het in werking laten treden van de Drinkwaterwet plus het Drinkwaterbesluit, alsmede het uitbrengen van de beleidsnota Drinkwater (op grond van de in 2009 gepubliceerde Drinkwaterwet). Het doel van deze nota betreft het in beleidsmatige zin nader uitwerken van begrippen opgenomen in de Drinkwaterwet;

  • Het in werking laten treden van het besluit Lozen buiten inrichtingen. Dit besluit is de laatste in een reeks van vereenvoudigingen van de afvalwaterregelgeving.

Tabel 4.2. Prestatie- en effect indicatoren milieukwaliteit bodem en water

Indicator

Basiswaarde

Peildatum

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

1) Aantal en % vastgelegde gebieden op bodem-kwaliteitskaarten

200 (50%)

2007

300 (75%)

2009

408 (95%)

2011

2) Percentage meetresultaten die voldoen aan de wettelijke normen voor drinkwaterkwaliteit

99,9%

2004

99,9%

2009

99,9%

2011

3) Mate waarin drinkwaterbedrijven beschikken over goedgekeurde leveringsplannen

50%

2008

100%

2011

100%

2012

4) Mate waarin drinkwaterbedrijven voldoen aan de wettelijke leveringszekerheidsnorm

70%

2008

90%

2010

100%

2015

5) Toename doelmatigheidswinst in de waterketen (per jaar 1 à 2%)

Nulmeting

2007

5%

2011

10%

2015

6) Percentage zwemlocaties die voldoen aan Zwemwaterrichtlijn

99% zoet

2008

100%

2009

100%

2015

100% zout

2008

100%

2009

100%

2015

Bron: Agentschap NL

Toelichting:

Indicator 1: Gemeenten zijn reeds enige jaren bezig met het vastleggen van de bodemkwaliteit van hun beheersgebied op een bodemkwaliteitskaart. Via de Impuls Lokaal Bodembeheer is dit proces in een versnelling gebracht.

De indicatoren met betrekking tot de drinkwaterbedrijven (indicatoren 2 – 4) betreffen de essentiële elementen van de drinkwatervoorziening: kwaliteit en continuïteit. De eisen ten aanzien van continuïteit hebben een wettelijke basis gekregen in de nieuwe Drinkwaterwet (2009). De verplichting om over een goedgekeurd leveringsplan te beschikken, de daaraan te stellen eisen en de leveringszekerheidsnorm zijn vastgelegd in de nieuwe Drinkwaterwet. De basiswaarde is gebaseerd op een inschatting in hoeverre drinkwaterbedrijven hierop vooruitlopend al aan de inhoudelijke vereisten voldoen.

De nulmeting van de doelmatigheidswinst in de waterketen (indicator 5) is gebaseerd op een schriftelijke enquête die eind 2007 onder de deelnemende partijen (drinkwaterbedrijven, waterbeheerders en gemeenten) is uitgevoerd. Toekomstige gegevens zullen op vergelijkbare wijze worden verzameld. Tegenover de te realiseren doelmatigheidswinst staat een evengrote stijging van de kosten als gevolg van de extra uitgaven. De rekening voor de burger zal dus per saldo gelijk blijven.

De indicatoren voor zwemwater (indicator 6) worden vastgesteld op grond van de verplichte jaarlijkse rapportages van de waterbeheerders over de kwaliteit van het zwemwater.

4.2.3. Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

Motivering

Ecosystemen leveren allerlei producten en diensten aan de samenleving, zoals voedsel en grondstoffen. Deze ecosysteemdiensten worden ook gebruikt om de milieukwaliteit in het landelijk en stedelijk gebied te verbeteren en om een bijdrage te leveren aan het oplossen van het klimaatvraagstuk en worden daarom beleidsmatig hiervoor ingezet. Hierbij gaat het om ondermeer de nutriëntencyclus, het watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering en natuurlijke ziekte- en plaagregulatie. Een duurzame landbouw is daarbij een essentiële factor om een blijvend ecologisch gebruik en beheer te garanderen van bodem, water, lucht en overige natuurlijke hulpbronnen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het verminderen van de emissie van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, nitraat en fosfaat, ammoniak, broeikasgassen, stank, licht, geluid en fijnstof. Ook wordt ingezet op het ontwikkelen van (inter)nationale economische instrumenten die duurzaam gebruik van ecosysteemdiensten bevorderen danwel verdere aantasting voorkomen (onder andere bij de productie van hout).

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces, de (inter)nationale context en de te bereiken doelgroep, worden verschillende instrumenten ingezet:

  • Wet- en regelgeving gericht op de landbouw: Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, IPPC-richtlijn; National Emission Ceilings (NEC)-richtlijn, Wet ammoniak en veehouderij; Wet geurhinder en veehouderij; Algemene regels voor agrarische bedrijven op grond van de Wet milieubeheer (AMvB’s); Besluit huisvesting veehouderij en fijn stof, Regeling beoordeling luchtkwaliteit;

  • Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de onderliggende regelgeving en het beleidsprogramma biociden. Hierin worden de kaders en uitwerking voor de beoordeling en toelating van biociden en chemische gewasbeschermingsmiddelen gegeven. Deze regelgeving wordt in 2011 deels vervangen door de Verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen;

  • Het ontwikkelen van economisch instrumentarium ten aanzien van ecosysteemdiensten aan de hand van de beleidslijnen uit het Beleidsprogramma «Biodiversiteit werkt, voor natuur, voor mensen, voor altijd» en met name de beleidsprioriteiten «Biodiversiteit werkt» en «Betalen voor Biodiversiteit» en de ondersteunende prioriteit «Nieuwe coalities»;

  • Uitvoeren van voorbeeldprojecten (met andere overheden en bedrijven) om de effectiviteit van maatregelen vast te stellen en de bewustwording voor duurzame agrarische bedrijfsvoering te vergroten. Te noemen zijn de pilots duurzame productie (in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), FAB2 en de follow-up van het SPADE-project.

Inzet begrotingsmiddelen

Het programmabudget in 2011 bij «Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen» betreft onder meer het laten uitvoeren van onderzoek (door het RIVM) en het door Agentschap NL laten uitvoeren van de subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM) en het programma gecombineerde luchtwassers.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Uitvoeren van een actieplan voor aanpassing van bestaande stallen aan emissiegrenswaarde voor ammoniak uit het Besluit huisvesting veehouderij. Doel is dat in 2013 alle varkens- en pluimveebedrijven voldoen aan de geldende milieu-eisen. Om dit te kunnen realiseren, moeten in 2011 de (vergunning-)procedures tenminste in gang zijn gezet;

  • Opstellen van een toetsingskader voor het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) om te besluiten in welke mate een bestaande toelating van een gewasbeschermingsmiddel moet worden gewijzigd indien de normen voor de kwaliteit van oppervlaktewater worden overschreden;

  • Uitvoering van de basismonitoring van onder andere de nitraatconcentraties in grond- en oppervlaktewater als onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), ten behoeve van de uitvoering Nitraatrichtlijn;

  • Tot stand brengen en in werking treden van Besluit huisvesting veehouderij fijn stof;

  • Door de provincies zijn in het agrarisch gebied pilots «Duurzaam produceren» opgestart. Met deze pilots wordt ervaring opgedaan met het duurzaam gebruik van biodiversiteit (het realiseren van milieudoelstellingen). Op basis van een in 2010 uitgevoerde tussentijdse evaluatie, worden in 2011 de pilots verder vormgegeven;

  • In 2011 wordt het handboek «Referenties Biologische Bodemkwaliteit» uitgebracht. Het handboek maakt inzichtelijk welke maatregelen bijdragen aan het verbeteren van het duurzaam gebruik van ecosysteemdiensten van de bodem;

  • Moderniseren en integreren van wetgeving voor landbouwbedrijven. De volgende besluiten worden samengevoegd tot één nieuw besluit: Besluit landbouw milieubeheer, Besluit glastuinbouw, Besluit mestbassins milieubeheer, Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en onderdelen van het Lozingenbesluit bodembescherming. Het voordeel voor de agrarische ondernemer is vereenvoudiging, verbetering van de eenduidigheid en vermindering van de administratieve lasten. Inwerking treden van het nieuwe besluit is voorzien op 1 juli 2011;

  • Bijdrage aan het interdepartementale programma duurzame voedselsystemen, zijnde een gedeelde verantwoordelijkheid van LNV, VROM en OS. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Nederlandse bijdrage aan de verduurzaming van het mondiale voedselsysteem, met een focus op het eiwitvraagstuk. In 2011 wordt een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin de beleidsagenda nader is uitgewerkt, met contouren van een lange termijn visie en strategie voor een transitie.

Tabel 4.3. Effectindicatoren duurzame landbouw

Indicator:

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

1. Ammoniak: totale emissie van alle doelgroepen (bron: Milieubalans 2007)

133 kiloton

2003

128 kiloton

2010 (Europees)

118

2020

2. Gewasbeschermingsmiddelen: procentuele vermindering van de milieubelasting t.o.v. 1998 (bron: Nota duurzame gewasbescherming)

50%

2001

75%

2005

95%

2011

3. Meststoffen: nitraatgehalte in het grondwater (bron: Evaluatie Meststoffenwet 2007)

Circa 75 mg/l zandgrond

2006

Nitraat: gemiddelde concentratie in water van zandgronden: 58 mg/l Fosfaat: evenwichtsbemesting

2015

50 mg/l

lange termijn

4. Fijn stof, aantal overschrijdingen van de normen voor fijn stof

  

0% van de veehouderijbedrijven overschrijdt de norm

Medio 2011

  

5. Natuurlijke hulpbronnen: Aandeel van het op de Nederlandse markt ingekocht hout dat duurzaam wordt geproduceerd

15%

2005

50%

2011

  

Toelichting:

  • 1. Ammoniak; de indicatoren zijn ontleend aan de emissieplafonds uit de EU-NEC-richtlijn, de tweede streefwaarde is mede afhankelijk van de uitkomsten van de onderhandelingen over de emissieplafonds 2020.

  • 2. Gewasbeschermingsmiddelen; de indicatoren voor de procentuele vermindering van de milieubelasting zijn ontleend aan de doelstellingen van de Nota Duurzame Gewasbescherming en de balans van de leefomgeving 2010.

  • 3. Meststoffen; de indicatoren voor nitraat zijn ontleend aan de doelstellingen van de EU-Nitraatrichtlijn en het in dat kader bij de EU-Cie ingediende 4e Nitraatactieprogramma.

  • 4. Fijn stof; de indicator voor fijn stof is ontleend aan het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

  • 5. Natuurlijke hulpbronnen; Monitoring vindt plaats door middel van de «Monitor aandeel duurzaam hout Nederlandse markt».

4.3. Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 4.4. Overzicht onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg.doel/Op.doel

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

Reductie van milieubelasting door (ketengericht) afval- en productenbeheer

OD 4.2.1

A 2014

B 2014

Verbeteren milieukwaliteit van bodem en water: onderdeel waterketen

OD 4.2.2

A 2011

B 2012

Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

OD 4.2.3

A 2010

B 2011

    

Effecten onderzoek ex post

Evaluatie nota duurzame gewasbescherming door PBL

OD 4.2.3

A 2009

B 2011

    

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie besluit bodemkwaliteit

OD 4.2.2

A 2011

B 2011

Monitoring LAP

OD 4.2.1

A 2011

B 2011

Artikel 6. Risicobeleid
6.1. Algemene beleidsdoelstelling

VROM voert de regie op het omgaan met risico’s gericht op een veilige, gezonde en duurzame woon- en leefomgeving. De aandacht daarbij is primair gericht op externe veiligheid en het beheersen van risico’s van stoffen, straling, en genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) voor mens en milieu ook als dit het gevolg is van dreiging door moedwillige verstoring. Hierbij houdt VROM rekening met sociale en economische factoren, nu en hier, elders en later. VROM is daarbij regisseur op nationaal niveau en speler op internationaal niveau.

Dit vanuit de visie het mogelijk te maken dat de samenleving op een open manier, maatschappelijk en wetenschappelijk verantwoord, omgaat met risico’s voor mens, milieu en woon- en leefomgeving. Dit geldt voor wetenschappelijk bewezen risico’s maar ook voor gevaren en risico’s die wetenschappelijk nog een mate van onzekerheid kennen.

Motivering

De overheid voert een veiligheids- en risicobeleid uit om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. Veel veiligheids- en risicobeleid speelt zich af in een maatschappelijk en wetenschappelijk complexe nationale en internationale omgeving. Het kent veel factoren, belanghebbenden en maatschappelijke dimensies. Het verantwoord omgaan met onzekerheden en onzekere risico’s wordt in onze samenleving steeds belangrijker. Dat vergt maatwerk van de overheid bij het voorkomen dan wel beheersen van de risico’s.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • Het ontwikkelen en coördineren van het Rijksbeleid met betrekking tot chemische stoffen en de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen en nanodeeltjes;

  • De beleidsacties die voortkomen uit: de Strategienota Omgaan met Stoffen, de nota Nuchter Omgaan met Risico’s, de kabinetsvisie inzake het WRR- en Gezondheidsraad- advies over voorzorg, de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid en de Strategienota Omgaan met Risico’s van Nano(deeltjes);

  • De bescherming van mens en milieu tegen de gevaren van ioniserende en niet-ioniserende straling;

  • De nucleaire veiligheid, beveiliging van nucleaire inrichtingen en het veilig omgaan met radioactief afval;

  • Het zo goed als redelijkerwijs mogelijk beschermen van mens en maatschappij tegen de referentiedreigingen van moedwillige verstoring van de vitale infrastructuur van de sectoren chemie en nucleair;

  • De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met ggo’s, en de ontwikkeling en uitvoering van nationaal en EU beleid in bredere zin;

  • Het ontwikkelen en coördineren van het Rijksbeleid met betrekking tot externe veiligheid bij gevaarlijke stoffen in inrichtingen, en het transport van gevaarlijke stoffen.

Instrumenten

VROM voert het risicobeleid op basis van internationale en nationale regelgeving. Beginselen en instrumenten die daarvoor geschikt zijn, zijn onder andere: voorzorgbeginsel, verkennen en ontwikkelen van beleid, onderzoek, handhaving en communicatie. Er wordt een mix van instrumenten ingezet afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van factoren als internationale ontwikkelingen en de stand van de techniek. Essentieel is de betrokkenheid van een groot aantal maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, overheden en burgers.

Meetbare gegevens

Er is niet één zinvolle indicator te creëren om de mate van bereik van deze algemene doelstelling te formuleren en te meten. Gekozen is voor het opstellen en gebruiken van specifieke deelindicatoren voor de risico’s op het gebied van chemische stoffen, nanodeeltjes, milieu & gezondheid, radioactieve stoffen, ggo’s, en Externe Veiligheid die recht doen aan de vastgestelde specifieke doelen en normen op deze gebieden. Deze indicatoren zijn bij de operationele doelen opgenomen. De feitelijke risico’s worden bepaald en afgewogen tegen deze doelen en normen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.1. Risicobeleid

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

71 308

48 485

50 168

43 428

17 382

18 895

76 195

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

102 605

73 129

63 718

46 898

20 995

21 995

76 195

Waarvan juridisch verplicht

 

 

42 800

35 550

33 300

21 850

1 350

Programma:

102 605

73 129

63 718

46 898

20 995

21 995

76 195

 

Veilig gebruik van chemische stoffen

3 249

2 515

3 109

4 184

3 788

3 788

3 788

         
 

Bescherming tegen straling

5 978

7 671

5 543

5 057

3 771

3 771

3 771

    

 

    
 

Verantwoorde toepassing van ggo's

3 257

2 905

2 756

3 053

3 342

3 342

3 342

    

 

    
 

Beheersing van risico's die samenhangen met externe veiligheid

90 121

60 038

52 310

34 604

10 094

11 094

65 294

Ontvangsten:

3 011

2 465

950

300

0

0

0

Grafiek 6.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 6.1. Budgetflex in % en bedragen per 						  operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. Veilig gebruik van chemische stoffen:

    Het onderzoek naar het binnenmilieu is opgedragen aan de GGD. Dit budget is juridisch verplicht. Bestuurlijk verplicht zijn bedragen aan internationale chemieverdragen en de Gezondheidsraad.

  • 2. Bescherming tegen straling:

    De vergunningverlening en het meldingensysteem op basis van de Kernenergiewet (KEW) zijn meerjarig opgedragen aan Agentschap NL. Het meerjarig onderzoekprogramma EM-velden is opgedragen aan ZON-MW. Deze bedragen zijn juridisch verplicht.

  • 3. Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s):

    Jaarlijks wordt aan het RIVM de toezegging gedaan voor de Commissie Genetische Modificatie (COGEM). Het programma biotechnologie is opgedragen aan NWO. Deze toezeggingen zijn juridisch verplicht.

  • 4. Externe Veiligheid:

    De uitgaven zijn juridisch verplicht vanwege de uitvoering van de saneringsregeling asbestwegen in de provincies Overijssel en Gelderland. Het bestuurlijk gebonden bedrag is bestemd voor resterende saneringsopgaven bij té risicovolle bedrijven. Deze saneringen vloeien rechtstreeks voort uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

6.2. Operationele doelstellingen
6.2.1. Veilig gebruik van chemische stoffen

De doelstelling is om een situatie te bereiken waarin mens en milieu hooguit verwaarloosbare risico’s lopen als gevolg van de schadelijke effecten van chemische stoffen en van nanotechnologie, ook als dit het gevolg is van dreigingen door moedwillige verstoring. Doelstelling is tevens om de negatieve gezondheidseffecten die optreden als gevolg van (een opeenstapeling van) blootstelling aan agentia in het milieu (zoals stoffen, geluid, lucht- en bodemverontreiniging etc.) te reduceren en om zoveel als mogelijk is, de ongerustheid weg te nemen over de mogelijke gezondheidseffecten van milieurisico’s.

Motivering

De doelstelling past binnen het VROM-streven naar een gezonde en veilige samenleving. Om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s van chemische stoffen heeft de overheid veiligheids- en risicobeleid. Bij dit beleid spelen veel actoren en factoren, in nationaal en internationaal opzicht een rol.

Instrumenten

Om deze doelstelling te realiseren wordt een mix van beleidsinstrumenten ingezet. Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context betreft dit:

  • (Inter)nationale regelgeving (bijvoorbeeld in geval van het beheersen van risico’s van chemische stoffen -REACH-);

  • Het toepassen van voorlichting (bijvoorbeeld de burger informeren over de mogelijkheid om de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren door ventilatie);

  • Het sluiten van convenanten (bijvoorbeeld in geval van het beheersen van de risico’s van nanotechnologietoepassingen, omdat de regelgeving nog niet toepasbaar is vanwege ontbrekende kennis over gevaarseigenschappen van nanodeeltjes);

  • Het toekennen van subsidies of schadevergoedingen (bijvoorbeeld in geval van het saneren van asbestwegen of aan slachtoffers met asbestmesothelioom).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Op weg naar het bereiken van het einddoel in 2020 voor chemische stoffen zijn voor de jaren 2010, 2013, 2018 (inter)nationale tussendoelen geformuleerd. Om die te bereiken:

    • Wordt de voorlichting aan bedrijven over REACH gecontinueerd, gemonitord en geëvalueerd;

    • Zal Nederland de reguliere onderhandelingen die plaatsvinden in het kader van de uitvoering, de herziening en verdere verfijning van REACH gebruiken om onder andere de uitvoering van REACH door het Europese Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA) in Finland zo effectief en efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden;

    • Wordt tussentijds over de voortgang van het project «invoering nieuwe EU-stoffenbeleid (2011–2015)» aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

  • Nederland geeft in het kader van «stoffenbeleid mondiaal» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de internationale strategie chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam, etc.);

  • De acties uit onder andere het beleidsstandpunt Strategie Omgaan met Risico’s Nano(deeltjes) (Kamerstukken II, 2008–2009, 29 338 nr. 80) en het beoogde convenant nanodeeltjes worden uitgevoerd en daarover zal eind 2011 worden gerapporteerd in een brief aan de Tweede Kamer;

  • Monitoren reductie emissies van de prioritaire stoffen (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 801, nr. 47) en van stoffen die volgens REACH reden zijn voor «zeer ernstige zorg» (ZEZ stoffen) en daarover zal eind 2011 worden gerapporteerd in een brief aan de Tweede Kamer;

  • De overheid financiert de sanering asbestwegen 3e fase en de regeling niet-beroepsgebonden asbestmesothelioomslachtoffers;

  • Uitvoering van activiteiten in het kader van de vier speerpunten van de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid (per speerpunt wordt de Tweede Kamer geïnformeerd) te weten;

    • In het kader van het 5-jarig bewustwordingsprogramma binnenmilieu worden elk jaar circa 1 000 scholen bezocht door de GGD en is gericht ventilatie advies gegeven ter bevordering van het binnenmilieu (einddatum 2013);

    • Uitvoering geven aan beleidsvisie kinderdagverblijven met andere departementen;

    • Uitvoering van het activiteitenplan binnenmilieu met partijen uit het veld, onder algemene begeleiding van VROM, OCW, IPO en VNG;

    • Draagt Nederland bij aan de reguliere onderhandelingen inzake het ontwikkelen van EU regelgeving binnenmilieu;

    • In 2011 wordt de 1ste versie van de Atlas Leefomgeving opgeleverd: burgers en professionals kunnen op basis van postcode op digitale wijze kaartgerelateerde informatie (in eerste instantie een beperkt aantal indicatoren) over de leefomgeving krijgen.

Indicatoren:

Tabel 6.2. Effectindicatoren veilig gebruik van chemische stoffen

Indicator:

Basiswaarde en basisjaar

Streefwaarde en streefjaar

Het aantal geregistreerde stoffen zoals per uitvoeringstermijn in REACH is afgesproken

Basisjaar voor uitvoering registratie REACH is 2010, waarin nog geen bestaande stof is geregistreerd (basiswaarde = 0). Eerste meetpunt is eind 2010 als de registratie van de in potentie meest gevaarlijke chemische stoffen heeft plaatsgevonden.

Registratie van de in potentie gevaarlijke stoffen uiterlijk per 2013 (streefwaarde = alle gevaarlijke en meest gevaarlijke stoffen die worden gebruikt zijn geregistreerd); Registratie van de overige stoffen uiterlijk per 2018 (streefwaarde = alle stoffen die worden gebruikt zijn geregistreerd).

Beleidsindicator emissies en milieukwaliteit prioritaire stoffen. Beleidsindicatoren emissies en milieukwaliteit «zeer ernstige zorg» (ZEZ) stoffen. De indicatoren geven voor de verzameling van chemische stoffen aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschreden

Voor prioritaire stoffen is basisjaar 1990. Vanaf dat moment is gestart met de uitvoering van de afspraken met bedrijfsleven over reductie emissies en zijn andere instrumenten ingezet. Voor basiswaarden zie NMP4 en Prioritaire Stoffen; (TK, VROM-00 694, 2001; TK, 2006–2007, 27 801, nr. 47). Voor de ZEZ stoffen geldt 2010 als basisjaar. De basiswaarde moet nog worden bepaald.

Doel: in streefjaar 2010 lopen mens en milieu geen of verwaarloosbaar risico (= streefwaarde) a.g.v. de ZEZ stoffen en de prioritaire stoffen. Of de streefwaarde gehaald is zal pas na 2011 duidelijk worden als de indicatoren berekend zijn met de benodigde (meet)waarden.

Beleidsindicatoren emissies milieukwaliteit alle chemische stoffen. De indicatoren geven voor alle stoffen tezamen aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschreden

Basisjaar is 2010. Basiswaarde is nog niet bepaald omdat nog geen bestaande chemische stof is geregistreerd en dus is het gebruik van die stof, de emissies van de stof en de invloed van de emissies op de milieukwaliteit niet bekend.

Doel: in 2020 lopen mens en milieu geen of verwaarloosbaar risico’s (= streefwaarde) als gevolg van alle chemische stoffen tezamen.

Beleidsindicatoren emissies en milieukwaliteit nanodeeltjes. De indicatoren geven voor alle nanodeeltjes aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschreden

Basisjaar is 2010. Basiswaarde is nog niet bepaald omdat nog geen (toepassing van) nanodeeltje is geregistreerd en dus is het gebruik van nanodeeltjes niet bekend, zijn de emissies van nanodeeltjes en de invloed van de emissies op de milieukwaliteit nog niet bekend. 1

Doel: mens en milieu lopen per direct (= doeljaar) geen of verwaarloosbaar risico (= streefwaarde) a.g.v. nanodeeltjes. Zelfde doelstelling als bij de ZEZ stoffen en de prioritaire stoffen maar dan per direct gerealiseerd omdat het nieuwe toepassingen betreft.

Beleidsindicator binnenmilieu

Basisjaar is 2008. In dit jaar is de kabinetsvisie binnenmilieu gepresenteerd

Doel: in vijftien jaar tijd wordt het binnenmilieu verbeterd zodanig dat op alle basisscholen het binnenmilieu op minimaal niveau conform Bouwbesluit nieuwbouw is.

Beleidsindicator ATLAS

Basisjaar is 2008. Er werd gestart met de verkenning voor de Atlas Leefomgeving

In 2012 is een basis digitale Atlas Leefomgeving ontwikkeld die door burgers en professionals gebruikt kan worden en waaraan vrijwel alle provincies en een verdubbeling van gemeenten tov 2010 aan mee doet.

Bron: VROM

XNoot
1

Nanotechnologie is een geheel nieuwe techniek die het mogelijk maakt nanodeeltjes te produceren. Over de gevaren en risico’s van deze (nano)vorm van chemische stoffen is weinig bekend. Streefwaarden zijn nu nog niet aan te geven. Dat zal uit onderzoek naar voren moeten komen.

Toelichting:

De beleidsindicatoren geven op een bepaalde operationele wijze aan in hoeverre de doelstelling, om een situatie te bereiken waarin mens en milieu hooguit verwaarloosbare risico’s lopen als gevolg van de schadelijke effecten van chemische stoffen en van nanotechnologie, is bereikt.

Grafiek 6.2. Milieudrukindicatoren voor 8 prioritaire stoffen

Grafiek 6.2. Milieudrukindicatoren voor 8 							 prioritaire stoffen

Grafiek 6.3. Milieukwaliteitsindicatoren voor 15 prioritaire stoffen

Grafiek 6.3. Milieukwaliteitsindicatoren voor 15 							 prioritaire stoffen

Toelichting:

De milieukwaliteitsindicator (MKI) en de milieudrukindicator (MDI) voor emissies van prioritaire stoffen naar lucht (zie ook de bovenstaande tabel) zijn een maat voor de emissies van stoffen naar het milieu en de daaruit voortvloeiende concentraties van stoffen in het milieu. Daarnaast is aangeven welke emissies en concentraties gewenst zijn (streefwaarde).

6.2.2. Bescherming tegen straling

Doelstelling is om de situatie te handhaven waarbij mensen en milieu, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, beschermd worden tegen de risico’s van ioniserende en niet-ioniserende straling. Daaronder wordt ook begrepen de bescherming tegen straling ontstaan door moedwillige verstoring.

Motivering

Het veiligheids- en risicobeleid op het gebied van straling speelt zich af in een maatschappelijk en wetenschappelijk complexe omgeving. Het kent veel actoren en factoren, in nationaal en internationaal opzicht. Er wordt gediscussieerd over hoe in Europa de productie aan medische isotopen kan worden gehandhaafd terwijl reactoren ouder worden en de kans op langdurige uitval of sluiting door het bereiken van de technische levensduur toeneemt. Voor Nederland vormen de internationaal vastgestelde grens- en advieswaarden het maximum. De overheid bewaakt dat in Nederland deze maxima niet worden overschreden. Onder deze grenswaarden is «as low as reasonably achievable» (ALARA) het uitgangspunt. Het gebruik van straling is verboden in Nederland tenzij een nuttig effect rechtvaardigt dat het toegepast wordt. In deze rechtvaardiging ligt een rol voor de overheid.

Instrumenten

Er wordt een mix van instrumenten ingezet afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context.

  • Vergunningverlening- en meldingensysteem op basis van de Kernenergiewet (o.a. wijziging van de vergunning voor kerncentrale Borssele);

  • Nationale en Internationale regelgeving (nieuwe Europese richtlijn over radioactief afval);

  • Convenant met VNO-NCW (vertegenwoordiger van de bouwsector in Nederland in deze) inzake standstill van straling in de woning (meten van hoeveelheid radon in de woning);

  • Beleidsadvisering aan andere overheden over elektromagnetische velden. Daarvoor is opgericht het Kennisplatform, het onderzoeksprogramma Elektromagnetische velden en het Steunpunt hoogspanningslijnen (bijvoorbeeld over de risico’s van hoogspanningslijnen bij scholen);

  • Voorlichting (bijvoorbeeld informatieavonden over hoogspanningslijnen);

  • Monitoring en onderzoek (bijvoorbeeld onderzoek naar eindberging radioactief afval).

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Actualisatie en modernisering van beleid en regelgeving om vergunningaanvragen op grond van de Kernenergiewet te kunnen beoordelen. Het gaat bijvoorbeeld om nucleaire veiligheidsregels, eisen te stellen aan de vergunninghouder, eisen ten aanzien van de financiële zekerheid voor de ontmanteling bij oprichten. Het gaat hier om:

    • Nieuwe Onderzoeksreactor: NRG heeft een startnotitie voor de Milieu Effect Rapportage (MER) voor een nieuwe onderzoeksreactor ten behoeve van de productie van medische isotopen en onderzoek ingediend en aangekondigd in 2011 een aanvraag voor een vergunning op grond van de Kernenergiewet in te gaan dienen.

    • Uitbreiding van Urenco en HABOG: Urenco heeft een startnotitie voor de MER voor uitbreiding van de capaciteit ingediend en COVRA is van plan medio 2010 een startnotitie voor de uitbreiding in te dienen. Beiden startnotities zijn de eerste stap in de vergunningsprocedure.

    • Beoordelen van de veroudering van de Kerncentrale Borssele: In het regeerakkoord van het vorige kabinet is vastgelegd dat de kerncentrale Borssele pas in 2033 sluit in plaats van in 2013. Dit betekent dat op grond van de huidige vergunning een volledige veiligheidsanalyse nodig is en dat aanpassing van de vergunning nodig is.

    • Eventuele nieuwe kerncentrale: (DELTA) heeft een startnotitie voor de MER van een nieuwe kerncentrale ingediend en aangekondigd in 2011 een aanvraag voor een vergunning op grond van de Kernenergiewet in te gaan dienen;

  • Vernieuwen en uitvoeren beleid opwerking bestraalde splijtstoffen, ontmanteling, stellen van financiële zekerheid voor de ontmantelingskosten voor kernreactoren. Er komt een beleidsnota voor de Tweede Kamer over opwerken naar aanleiding van de motie Wiegman en een beleidsnota over vrijgave beleid van radioactieve stoffen;

  • Vaststellen van twee ministeriële regelingen over de beveiliging van nucleaire inrichtingen en de beveiliging van radioactieve bronnen ter implementatie van het Verdrag Fysieke Beveiliging Kernmateriaal en Inrichtingen (Trb. 2006, 81);

  • Vaststellen van ministeriële regeling vrijgave (van radioactieve stoffen en locaties waar inrichtingen hebben gestaan);

  • Vaststellen van regelgeving die nodig is op grond van de gewijzigde Kernenergiewet;

  • Opstellen en uitvoeren van de regelgeving beveiliging radioactieve stoffen naar aanleiding van voorstellen van de Europese Commissie die voortvloeien uit het EU actieplan Chemische, Biologische, Radiologische of Nucleaire middelen;

  • Beoordelen van plan van aanpak van nucleaire inrichtingen voor de beveiliging van deze inrichtingen;

  • Beoordelen van financiële zekerheidsstelling van nucleaire inrichtingen waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt (kernreactoren);

  • Uitvoeren en aanpassen van het Besluit stralingsbescherming en daarbij behorende ministriële regelingen met betrekking tot radioactieve stoffen (inclusief transport, natuurlijke bronnen, sludges, radioactief schroot) onder andere naar aanleiding van het rapport Vermindering Administratieve Lasten en evaluaties Natuurlijke Bronnen Ioniserende Straling en productregelingen;

  • Ontwikkelen en implementeren (inclusief voorlichting) van beleid voor ioniserende en niet-ioniserende straling (onder andere herziening stelsel vergunningen radioactieve stoffen, registratie stralingsdeskundigen, aanpassing interventieniveaus nationaal plan kernongevallenbestrijding, hoogspanningslijnen, en wettelijke implementatie normen voor elektromagnetische velden);

  • Het Kennisplatform EM velden en het Steunpunt hoogspanningslijnen worden geëvalueerd, waarbij de wenselijkheid van voortzetting en de eventuele vorm /omvang daarvan wordt meegenomen. Afhankelijk van de resultaten wordt besloten over voortzetting van het Kennisplatform en van het Steunpunt;

  • Bijdragen aan internationaal beleid voor straling en nucleaire veiligheid door: (1) opstellen van de 5e rapportage over nucleaire veiligheid in Nederland aan de International Atomic Energy Agency, (2) deelnamen aan overleggen zoals «Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic», art. 31 EU, High Level Group EC over nucleaire veiligheid en radioactief afval, (3) ontwikkelen van Euratom richtlijn Radioactief afval, Europese richtlijn of verordening over transport van radioactieve stoffen en wijziging van de Euratomrichtlijn stralingsbescherming en (4) deelname aan de ontwikkeling van «safety reference levels» voor nucleaire veiligheid, radioactief afval en ontmanteling.

Inzet begrotingsmiddelen

Het grootste deel van het budget (circa € 8,9 mln) van deze operationele doelstelling wordt gebruikt voor het onderzoeksprogramma Elektromagnetische velden, dat loopt van 2006 tot 2026. Met dit programma wil de overheid de vinger aan de pols houden bij bestaande en nieuwe technologische ontwikkelingen waarbij sprake is van elektromagnetische velden. Bovendien wil zij de Nederlandse kennisinfrastructuur op het terrein van electromagnetische velden en gezondheid versterken. Nederland behoudt en verbreedt hierdoor de wetenschappelijke expertise op dit terrein.

Indicatoren:

Tabel 6.3. Effectindicatoren bescherming tegen straling

Indicator

Basiswaarde

Streefwaarde 2011

Emissies van radioactieve stoffen uit antropogene bronnen naar water en lucht

Bronlimiet is 0,1 mSv/jaar

Zoveel als redelijkerwijs mogelijk onder grenswaarde (ALARA)

Straling in de woning

Stralingsniveau in nieuwbouwwoningen uit de periode 1990–1995

1,5 mSv/jaar bij continue verblijf

Elektromagnetische velden van hoogspanningslijnen

Aantal woningen binnen advies- waardencontouren rond hoogspanningslijnen

Standstill (geen toename)

Bron: Afspraken VROM met de sectorpartijen

Grafiek 6.4. Prestatie-indicatoren straling:

Grafiek 6.4. Prestatie-indicatoren 							 straling:

Toelichting:

Berekende collectieve dosis ioniserende straling in Nederland door lozingen naar lucht en water van Nederlandse industrie. Collectieve dosis en onderliggende gegevens per industrietak zijn beschikbaar op het RIVM-milieuportaal in het dossier Reguleerbare stralingsbronnen (, onder stralingsbelasting -> Procesindustrie). De sterke daling van de wateremissie in 1999–2000 werd veroorzaakt door de sluiting van twee kunstmestfabrieken aan de Nieuwe Waterweg.

Grafiek 6.5. Prestatie-indicator Radonconcentratie

Grafiek 6.5. Prestatie-indicator 							 Radonconcentratie

Toelichting:

Radonconcentratie in woonkamers van nieuwbouwwoningen, versus het bouwjaar. Resultaten zijn afkomstig uit het briefrapport met voorlopige resultaten van het Ventilatie en Radon (VERA)-onderzoek (RO Blaauboer, Dekkers SAJ, Slaper H, Bader S, Stralingsbelasting in nieuwbouwwoningen-voorlopige resultaten VERA survey 2006, RIVM briefrapport 6 107 900 004. Het briefrapport is beschikbaar via het milieuportaal: nieuwsbericht van 6 maart 2008, of de radonwebsite: ).

6.2.3. Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)

Doelstelling van VROM is primair om een voldoende beschermingsniveau te bieden voor mens en milieu tegen mogelijk nadelige effecten van genetisch gemodificeerde organismen, ook in relatie tot dreiging door moedwillige misbruik van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s).

Motivering

De toepassing van ggo’s biedt kansen in bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderzoek en voor landbouw, industrie of geneeskunde die optimaal benut moeten worden met waarborging van het vereiste veiligheidsniveau. Om mens en milieu te beschermen tegen mogelijk nadelige effecten worden door de overheid voorafgaand aan de toepassing van ggo’s de mogelijke schadelijke effecten afgewogen tegen het gebruik van ongemodificeerde organismen in vergelijkbare situaties. Alleen die ggo’s worden toegestaan, indien de mogelijke effecten een aanvaardbaar risico voor mens en milieu betekenen.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context:

  • Vergunningen en meldingen voor het gebruik van ggo’s op basis van internationale regelgeving, die is vastgelegd in het Besluit GGO;

  • Communicatie over het ggo-beleid;

  • Onderzoek ten behoeve van het adequaat in kunnen schatten van de risico’s (risicoanalyse) van het gebruik van ggo’s (van belang voor de vergunningverlening);

  • Monitoren van het milieu in zijn algemeen door het Netwerk Ecologische Monitoring, dit ten behoeve van het opsporen van eventuele milieueffecten van het gebruik van ggo’s;

  • Beleidsontwikkeling: komen tot adequatere regelgeving in de EU t.b.v. het gebruik van ggo’s waarbij naast een veiligheidsbeoordeling ook plaats is voor andere sociaal economische aspecten die verbonden zijn aan ggo’s. Op dit moment beoogt VROM een beoordelingskader met duurzaamheidscriteria voor ggo’s op te stellen dat medio 2011 in de Europese discussie ingebracht kan worden.

Voornaamste beleidsprestaties 2011

Meetbare gegevens

  • Uitvoeren ggo-beleid en nationale regelgeving, waaronder het afhandelen (door het Bureau GGO) van vergunningenaanvragen. Er worden in het kader van het Besluit GGO per jaar ongeveer 800 vergunningen verleend voor ingeperkt gebruik, 12 voor introductie in het milieu (gentherapie en veldproeven) en 5 voor marktintroductie in de EU. Het aantal bezwaar- en beroepsprocedures bij vergunningverlening voor ggo introductie zal naar verwachting blijven toenemen;

  • Publicatie van het gewijzigde en vereenvoudigde Besluit GGO en de Regeling GGO ter vermindering van de administratieve lasten;

  • Uitvoeren EU-regelgeving over ggo’s. Nederland levert hierbij input in het Europese beoordelingsproces waarmee zo’n 20 aanvragen per jaar om toelating van ggo’s tot de markt op grond van verordening 1829/2003/EG worden afgehandeld;

  • Uitvoering van verplichtingen in het kader van het Biosafety Protocol zoals geïmplementeerd in verordening 1946/2003/EG. Ratificatie en implementatie van het nog te sluiten supplementair protocol aansprakelijkheid en verhaal van ggo’s;

  • Implementatie in nationaal beleid en uitvoeren van EU-standpunt, dat naar verwachting in 2011 beschikbaar is, ten aanzien van nieuwe plantveredelingstechnieken in relatie tot genetische modificatie en daarover rapporteren in een brief aan de Tweede Kamer in 2011;

  • Implementatie in nationaal beleid en uitvoeren van de nieuwe EU «regels», die naar verwachting in 2011 gaan gelden ten aanzien van de sociaal-economische aspecten van ggo’s en de mogelijkheid voor lidstaten om te kunnen besluiten over teelt van ggo’s in eigen land onafhankelijk van de risicobeoordeling en daarover rapporteren in een brief aan de Tweede Kamer medio 2011;

  • Implementatie in beleid en uitvoering geven aan de acties die volgen uit de in 2010 opgestelde kabinetsreactie op de Trendanalyse 2009 en daarover rapporteren in een brief aan de Tweede Kamer eind 2011.

Inzet begrotingsmiddelen

Circa 80 % van het budget (circa 2 miljoen) van deze operationele doelstelling om een voldoende beschermingsniveau te bieden voor mens en milieu tegen mogelijk nadelige effecten van genetisch gemodificeerde organismen wordt gebruikt om de advisering van de COGEM inzake de uitvoering van het ggo-beleid en nationale regelgeving, onder andere afhandelen van vergunningenaanvragen, te bekostigen.

Indicatoren:

Het beleidsterrein verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen leent zich slecht voor beleidsindicatoren. Onderstaande indicatoren zijn opgesteld op basis van onderzoek in 2009 naar indicatoren voor dit beleidsveld.

  • Het aantal illegale introducties in het milieu is een indicator voor het behalen van de doelstelling om risico’s te voorkomen door vooraf een milieurisicobeoordeling te doen. Streefwaarde is dat de Inspectie in 95% van de typen ggo’s geen risicovolle-situaties identificeert die een bedreiging kunnen vormen voor mens en milieu;

  • Er zijn geen nadelige effecten van genetisch gemodificeerde organismen. Er kunnen geen harde normen of streefwaarden worden geformuleerd voor het effect van het gebruik van ggo’s in vergelijking met het gebruik van ongemodificeerde organismen op het milieu. Wel wordt het milieu in zijn algemeen gemonitord door het Netwerk Ecologische Monitoring.

6.2.4. Beheersing van risico’s die samenhangen met Externe Veiligheid

Doelstelling is dat aan alle burgers in Nederland in de woonomgeving een basis veiligheidsniveau 10-6 (geen grotere kans dan 1 op 1 miljoen dat men buiten een bedrijf of een transportroute dodelijk letsel oploopt ten gevolge van een ongeval met (transport van) gevaarlijke stoffen) wordt geboden tegen externe-veiligheidsrisico’s ook als het risico het gevolg is van dreigingen door moedwillige verstoring.

Motivering

De vuurwerkramp en het daarop volgende onderzoek en de rapportage van de Commissie Oosting hebben in 2001 geleid tot een herbezinning op het externe veiligheidsbeleid. De uitgangspunten voor beleidsvernieuwing Externe Veiligheid door de overheid zijn primair gericht op de wettelijke verankering van het basisbeschermingsniveau voor burgers in hun woonomgeving, op de verplichte afweging van het groepsrisico tegen maatschappelijke kosten/baten en op een registratieplicht voor risicosituaties en informatievoorziening aan de burgers. Voor het merendeel van de risicovolle situaties is dat gerealiseerd. Een aantal resterende knelpunten moet nog worden opgelost en nieuwe sectoren als de mijnbouwinrichtingen worden nog onder de regelgeving gebracht. Voor buisleidingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt als einddatum 2012.

Hiervoor wordt voorzien in een langere tijdsperiode, omdat de uitwerking van het beleid thans nog plaatsvindt.

Tevens moet worden voorzien in het zo goed als redelijkerwijs mogelijk beschermen van mens en maatschappij tegen de referentiedreigingen van moedwillige verstoring gericht op de chemische sector.

Instrumenten

Er wordt een mix van instrumenten ingezet afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context.

  • Saneringsprogramma’s voor té risicovolle inrichtingen, ketenstudies, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (bijv. voor LPG-tankstations);

  • Completeren regelgeving (voor vergunningverlening en ruimtelijke besluiten door bevoegd gezag):

    • Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen (BEVI, REVI),

    • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen,

    • Besluit en Regeling externe veiligheid transportroutes, en

    • het Luchthavenindelingbesluit voor Externe veiligheid Schiphol;

  • Incidentele financiële bijdragen in verband met versterken van de uitvoering van taken in relatie tot Externe Veiligheid (bijvoorbeeld voor de risicokaart, waarop risicosituaties worden weergegeven ter informatie van de burger);

  • Convenanten en vrijwillige afspraken met de sector chemie over beveiliging en zelfgemaakte explosieven alsmede ontwikkeling en implementeren van Europese regelgeving over o.a. zelfgemaakte explosieven die naar verwachting in 2010 wordt geïntroduceerd;

  • Vergunningverlening van defensie-inrichtingen op basis van de Wet milieubeheer en van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Afronden en complementeren REVI (oa mijnbouw);

  • Inwerkingtreding van de Besluit en Regeling Externe Veiligheid buisleidingen;

  • Afronden Programma Buisleidingen, om uiterlijk in 2012 aan de doelstelling van het beleid te voldoen;

  • Inwerkingtreding van het Besluit en Regeling transportroutes externe veiligheid;

  • Bijdrage aan o.m. VROM Inspectie ten behoeve van handhaving buisleidingen; bijdrage aan IPO ten behoeve van het beheer van het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen en aan NEN ten behoeve van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;

  • Opstellen van beveiligingsmaatregelen binnen de sector buisleidingen, implementatie van het convenant Olie en (petro)chemische industrie vitaal security, respectievelijk het Security convenant kunstmest en uitwerken van vrijwillige afspraken met de sector over zelfgemaakte explosieven;

  • Meewerken aan het ontwikkelen en implementeren van Europese regelgeving voor beveiliging van chemische stoffen en zelfgemaakte explosieven alsmede van het chemiedeel van het «European Program for Critical Infrastructure Protection»;

  • Vanuit de VROM begroting wordt vanaf 2011, ten behoeve van de uitvoering van het EV beleid en de versterking van de kwaliteit daarvan door decentrale overheden voor een periode van vier jaar, te starten in 2011 een jaarlijks bedrag van € 20 mln gestort in het provinciefonds.

Indicatoren:

Effectindicatoren:

  • Wegnemen resterende knelpunten (overschrijding van de wettelijke grenswaarde voor het plaatsgebonden risico PR10–6) bij inrichtingen. Voor buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen zijn de resterende knelpunten ultimo 2012 weggenomen, behoudens een bewust geaccepteerde restcategorie;

  • Het bevoegd gezag vult de verplichte elementen uit de verantwoordingsplicht Groepsrisico juist in zoals vermeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI);

  • De chemische sector in Nederland heeft een werkend security management systeem en de sector heeft voor een aantal stoffen beveiligingsmaatregelen genomen.

Tabel 6.4. Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicator

Basiswaarde

Streefwaarde

Actualiteit van vulling van het Register van risicogegevens.

Actueel in 2010.

Voor het Register van risicogegevens wordt elk jaar gestreefd naar een actuele vulling.

Beschikbaarheid van onderzoeksgegevens inzake de categorale inrichtingen en buisleidingen.

Geen volledig overzicht van risicovolle situaties.

In 2011 is er inzicht in de knel- en aandachtspunten bij buisleidingen voor gevaarlijke stoffen.

Aantal (opgeloste) knelpunten met betrekking tot externe veiligheid.

Het aantal knelpunten is eind 2008 vastgesteld. De urgente sanering van LPG-stations is in 2008 voltooid. Overige sanering vindt plaats in kader van uitvoering LPG-convenant. Voor gastransportleidingen is dit beeld in 2009 vastgesteld. Voor de overige transportleidingen voor gevaarlijke stoffen wordt dit beeld in 2010 vastgesteld.Voor basisnet vervoer gevaarlijke stoffen wordt dit beeld in 2009 (weg/water) en 2010 (spoor) vastgesteld.

Knelpunten die niet voldoen aan het basisveiligheidsniveau van het BEVI zijn aangepakt. Knelpunten mbt het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV) en het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen zijn bekend. Uitvoering LPG convenant zal in 2011 worden afgerond. Maatregelen uit het kabinetsstandpunt Ketenstudies zijn op een enkel onderdeel na uitgevoerd, en worden in 2011 afgerond.

Voor buisleidingen en basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn alle knelpunten opgelost in 2012.

Nieuwe luchthavenbesluiten kennen een zelfde of betere bescherming dan het beschermingsniveau dat is vastgelegd met de gelijkwaardigheidscriteria. 1

Bron: 8e voortgangsrapportage inzake Externe Veiligheid, Kamerstukken 2008–2009 27 801 nr. 63

XNoot
1

Over de voortgang met betrekking tot het Externe Veiligheidsbeleid is jaarlijks gerapporteerd middels de z.g. voortgangsrapportages.

6.3. Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 6.5. Overzicht onderzoeken naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg.doel / Op.doel

A. Start

B. Afgerond

Beleidsdoorlichting

Veilig gebruik van chemische stoffen

OD 6.2.1

A 2012

B 2012

Bescherming tegen straling

OD 6.2.2

A 2011

B 2011

Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)

OD 6.2.3

A 2012

B 2012

Bepalen aanvaardbaarheid oplossen niet aanvaardbare- en preventie tegen nieuwe- risicovolle situaties

OD 6.2.4

A 2011

B 2011

    

Overig evaluatieonderzoek

2e Vijfjaarlijkse evaluatie resultaten beleid prioritaire stoffen

OD 6.2.1

A 2011

B 2011

1e Tussentijdse evaluatiedoelstellingen vernieuwing stoffenbeleid (REACH/SOMS)

OD 6.2.1

A 2011

B 2012

2e Tussentijdse evaluatiedoelstellingen vernieuwing stoffenbeleid (REACH/SOMS)

OD 6.2.1

A 2013

B 2014

Tussentijdse evaluatie Omgaan met risico’s van nanotechnologie

OD 6.2.1

A 2015

B 2015

Vierjaarlijkse evaluatie Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid

OD 6.2.1

A 2013

B 2013

Straling in de woningen (standstill woning)

OD 6.2.2

A 2004

B 2015

Vierjaarlijkse wettelijke evaluatie Commissie Genetische Modificatie

OD 6.2.3

A 2011

B 2011

Artikel 7. Versterken van het internationale VROM en WWI beleid
7.1. Algemene beleidsdoelstelling
7.1.1. Actief en anticiperend opereren in de internationale arena

Er is een aantal redenen waarom actief en anticiperend opereren in de internationale arena belangrijk is en nog belangrijker zal worden:

  • Het halen van de beoogde milieu- en leefomgevingskwaliteit en de daartoe te nemen maatregelen in Nederland is sterk afhankelijk van afspraken binnen de Europese Unie (EU) (zoals voor bronbeleid voor auto’s en apparaten, emissiehandel, energiezuinige woningbouw en duurzame stedelijke ontwikkeling);

  • Een gelijk speelveld ten aanzien van milieueisen aan producten en processen is van groot belang om de internationale concurrentiekracht van Nederland te handhaven (binnen Europa en daarbuiten) en om kansen te geven aan duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden en het realiseren van de Millennium Development Goals (MDG’s);

  • Het klimaatprobleem en de aantasting van de biodiversiteit zijn problemen op wereldschaal. Daarnaast zijn economische activiteiten wereldwijd steeds verder vertakt en verbonden geraakt, en zijn landen relatief eenvoudig uitwisselbare vestigingsplaatsen geworden. Dit vergt een internationale aanpak en afspraken (bijvoorbeeld ontwikkeling van duurzaamheidscriteria);

  • De uitbreiding van 15 naar 27 EU-leden betekent in beginsel dat kleinere landen minder invloed hebben in het besluitvormingsproces. Nederland zou door zijn goede kennispositie goed in staat moeten zijn om invloed uit te oefenen, mits deze kennis effectief wordt ingebracht en er bereidheid is samen met de juiste partners tijdig informatie te delen. Hierbij gaat het met name om in de beleidsvoorbereidende fase van de EU.

Motivering

Om zo goed mogelijk op te treden in bovenstaande situaties en bij bovenstaande problemen, moeten VROM en WWI met name hun beïnvloedingsmogelijkheden in Brussel gebruiken, maar ook mede via die Europese band de mondiale inzet voor de realisering van een duurzame leefomgeving adresseren. Daarnaast vragen de bilaterale contacten van VROM en WWI om gerichte inzet van op deze contacten toegesneden kennis en expertise (maatwerk).

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor:

  • Milieu, duurzaamheid en coördinatie van het beleid gericht op het bevorderen en bewaken van duurzaamheid in de fysieke leefomgeving;

  • De internationale aspecten van het milieubeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten;

  • De Minister van Buitenlandse Zaken coördineert het internationaal milieubeleid ten behoeve van het politieke optreden en vertegenwoordiging van de Minister van VROM in de desbetreffende internationale gremia.

De Minister voor WWI is verantwoordelijk voor:

  • Het duurzaam borgen van de veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en bruikbaarheid van woningen, gebouwen en bouwwerken, en het verminderen van de integrale milieubelasting van woningen en gebouwen;

  • De internationale aspecten van de bouwregelgeving, met name in Europees verband;

  • De inzet van marktpartijen (waaronder woningbouwcorporaties) voor klimaatbeleid in de gebouwde omgeving.

Externe factoren

Het behalen van de genoemde beleidsdoelstellingen hangt af van voldoende maatschappelijk draagvlak in binnen- en buitenland voor de noodzakelijke maatregelen en de daarmee samenhangende gedragswijziging van burgers en bedrijven.

Meetbare gegevens

Waar mogelijk en zinvol zijn deze opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.1. Versterken van het internationale milieubeleid

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

10 672

16 680

9 322

8 986

9 055

8 938

9 838

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

40 642

80 434

102 046

92 964

65 507

8 938

9 838

Waarvan juridisch verplicht

  

99 150

1 081

0

0

0

Programma:

40 642

80 434

102 046

92 964

65 507

8 938

9 838

 

Clean Development Mechanism:

22 200

72 189

93 675

84 739

54 729

0

0

         
 

Internationaal VROM (en WWI) beleid:

5 373

5 254

5 001

5 965

6 565

6 725

6 725

  

Internationaal VROM (en WWI) beleid (HGIS)

3 206

3 504

3 310

4 314

4 914

5 074

5 074

  

Internationaal VROM (en WWI) beleid (niet-HGIS)

2 167

1 750

1 691

1 651

1 651

1 651

1 651

         
 

Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken:

2 752

1 080

1 152

1 179

1 330

1 330

2 230

         
 

Interreg:

10 317

1 911

2 218

1 081

2 883

883

883

Ontvangsten:

4 408

0

0

0

0

0

0

Grafiek 7.1 Budgetflex in % en bedragen per operatoneel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 7.1 Budgetflex in % en bedragen per 							 operatoneel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

7.2. Operationele doelstelling
7.2.1. Clean Development Mechanism

Motivering

Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% ten opzichte van 1990 te reduceren.

Instrumenten

Het Clean Development Mechanism (CDM) is een van de drie flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol. Met deze instrumenten kunnen industrielanden een deel van hun reductieverplichting voor broeikasgassen in het buitenland realiseren. De andere twee flexibele instrumenten zijn Joint Implementation (JI), waarvoor het Ministerie van Economische Zaken verantwoordelijk is, en internationale emissiehandel.

Het CDM stimuleert duurzame energie en schone technologieën in ontwikkelingslanden. Op deze manier draagt het bij aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Hiermee kunnen industrielanden een deel van hun reductieverplichtingen kosteneffectief in het buitenland realiseren. In 2011 zal Nederland zich richten op de noodzakelijk vernieuwing en verbetering van het instrument, alsmede de toegankelijkheid van het instrument voor meer regio’s, landen en/of sectoren.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Het eind 2011 geleverd krijgen van in totaal circa 21,6 Mton aan CDM-rechten;

  • Het registreren van de nog niet geregistreerde gecontracteerde projecten;

  • Het in stand houden van de kennisbasis en het netwerk op het gebied van CDM, om een bijdrage te kunnen blijven leveren aan de toekomstige internationale ontwikkeling van het CDM en daaropvolgende nieuwe marktmechanismen;

  • Het ontwikkelen en opzetten van duurzame ontwikkelingsprojecten, die in ieder geval bijdragen aan armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling, alsmede het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering door de beperkte aankoop van CDM-emissierechten samen met Ontwikkelingssamenwerking, de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), Agentschap NL, de Duitse «Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit (GTZ) en de Duitse ontwikkelingsbank «Kreditanstalt für Wiederaufbau (KfW)».

Onderstaande tabel biedt inzicht in de hoeveelheid gecontracteerde CDM-projecten en de verwachte leveringen tot en met 2013.

Tabel 7.2 Overzicht CDM projecten

Gecontracteerd

 

51.2 Mton

Leveringen Kyoto-periode

  

Geleverd t/m 30 juni 2010

10,3 Mton

 

Nog verwachte leveringen in 2010

5,9 Mton

 

Verwachte leveringen 2011

5,4 Mton

 

Verwachte leveringen 2012

5,6 Mton

 

Verwachte leveringen 2013

4,5 Mton

 

Totaal leveringen Kyoto-periode

 

31,7 Mton

   

Leveringen Post-Kyoto periode

 

2,3 Mton

   

Uitval waarschijnlijk niet geleverd 1

 

17,2 Mton

Bron: VROM interne administratie en het CO2-register van de Nederlandse Emissieautoriteit.

XNoot
1

Minder leveringen als gevolg van het later registreren van projecten als CDM-project en/of vertragingen bij projecten. De informatie is gebaseerd op het meest recente overleg met de uitvoerders van het CDM koopprogramma van VROM (juni 2010).

In de Kyoto-periode van 2008 tot en met 2012 mag Nederland maximaal gemiddeld 200 Mton CO2 equivalenten per jaar uitstoten. De Leefomgevingsbalans van het Planbureau voor de Leefomgeving (14 september 2010) geeft aan dat Nederland deze doelstelling waarschijnlijk gaat halen. De kans bestaat echter dat Nederland voor het halen van Kyoto in totaal 1 tot 8 Mton aan JI/CDM rechten tekort komt. Om zijn internationale verplichtingen te voldoen, zal Nederland in een dergelijke situatie de portefeuille met buitenlandse emissierechten dienen uit te breiden. Het nieuwe kabinet zal over de eventueel benodigde aanvullende middelen een besluit moeten nemen.

De beleidsdoorlichting van het CDM zal tevens antwoord dienen te geven op de vraag of de Kyototdoelen met de inzet van CDM worden gerealiseerd. Naar verwachting zullen de resultaten van de doorlichting in mei 2011 met het jaarverslag over 2010 aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

7.2.2. Internationaal VROM- en WWI-beleid

Motivering

VROM en WWI moeten de internationale beleidsontwikkelingen met name via Brussel beïnvloeden. Internationale beleidsinzet vergt hecht samenspel van strategische, procesmatige en inhoudelijke aspecten. De complexiteit aan (belangen bij) internationale besluitvorming vraagt om goede kennis van het krachtenveld, het definiëren van robuuste doelstellingen, pro-actief inspelen op kansen en bedreigingen, en de inzet van kennis en diplomatie. Timing van initiatieven en het juiste niveau voor interventies is essentieel voor een effectieve belangenbehartiging. Effectief staat hier voor implementeerbaar, de burger aansprekend en uitvoering gevend aan de doelstellingen.

De internationale beleidsagenda heeft naast de specifieke inzet op het klimaat- en energieterrein (zie artikelonderdeel 7.2.3 hierna) nog drie centrale thema’s, waarbij de laatste twee als dwarsdoorsnijdend en generiek kunnen worden gezien:

  • 1. Versterkte inzet op biodiversiteit/natuurlijke hulpbronnen;

  • 2. Verbetering proces richting Europa;

  • 3. Verbetering internationale regelgeving en handhaving van regels.

Instrumenten

De aanpak bij het internationale milieu-, ruimtelijke ordening- en woonbeleid is breed en kent als onderdelen:

  • Het onderhouden van een netwerk met lidstaten, EU-instellingen en mondiale organisaties, denktanks en non-gouvernementele organisaties;

  • Het tijdig signaleren van nieuwe internationale ontwikkelingen die van invloed (kunnen) zijn op de VROM en WWI-beleidsterreinen en het ontwikkelen van een visie en strategie voor de internationale beleidsinzet. Hierbij hoort ook het signaleren van internationale goede voorbeelden die kunnen helpen bij nationale beleidsontwikkeling;

  • Het met andere lidstaten nemen van besluiten in de EU-Ministerraad, Conferenties van Partijen bij de Internationale milieuverdragen, de Beheersraad van United Nations Environment Programme (UNEP), UN-ECE, OESO;

  • Bilaterale samenwerking: samenwerking/kennisuitwisseling gericht op het ondersteunen van beleidsontwikkeling in een aantal geselecteerde landen, zowel op het terrein van VROM (bijvoorbeeld China en Canada) als dat van WWI (Zuid-Afrika), en

  • Gerichte financiële ondersteuning (via het Subsidiebesluit Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM)-regeling of via een incidentele subsidie) van het werk van (inter-)nationale organisaties die zich inzetten voor de bevordering van internationale samenwerking en overdracht/uitwisseling van kennis.

Meetbare gegevens

In de explainparagraaf in de leeswijzer bij deze begroting is uitgelegd waarom bij dit operationele doel geen meetbare effect- of prestatie-indicatoren kunnen worden opgenomen. Dit operationele doel is ondersteunend aan in andere operationele doelen geformuleerde prestaties. De beoogde beleidseffecten zijn bovendien niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om internationale onderhandelingen. De internationale taken van VROM zijn bij verschillende dienstonderdelen belegd en worden op diverse begrotingsartikelen gepresenteerd; de voornaamste internationale beleidsprestaties 2011 worden daar aangegeven en verantwoord. Een integrale beleidsdoorlichting is bij dit operationele doel derhalve ook niet zinvol uit te voeren.

Voor de drie genoemde centrale thema’s van de internationale beleidsagenda zullen in 2011 de belangrijkste prestaties zijn:

  • 1. Versterkte inzet op biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen

    De inzet van 2010 zal in 2011 worden voortgezet, met name op de beleidsterreinen:

    • Behoud van biodiversiteit/betalen voor ecosysteemdiensten;

    • Duurzame Productie en Consumptie (SCP), met name in de EU dossiers Ecolabelling en Duurzaam Inkopen, het UNEP Panel Natuurlijke Hulpbronnen en de VN Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (UN CSD);

    • Verbreden van het gebruik van duurzaamheidcriteria voor de productie en consumptie van andere goederen dan biobrandstoffen. Duurzaamheidcriteria zijn een beproefd instrument voor het verduurzamen van productie en consumptie;

    • Voorbereidingen 2012 Ministersconferentie 20 jaar na UNCED (Rio +20), met als hoofdagendapunten vergroening van de economie en internationaal bestuur.

  • 2. Verbetering proces richting Europa:

    VROM werkt voor alle belangrijke internationale onderwerpen met dossierteams die de inbreng van Nederland in de EU of internationale conventies en verdragen voorbereiden. In deze dossierteams zijn naast het Rijk vaak ook andere overheidslagen betrokken. Daarnaast zendt het Ministerie van VROM medewerkers uit naar strategische plekken in internationale organisaties.

  • 3. Verbetering naleving en handhaving van internationale regels:

    Veel milieuverdragen hebben een zogenoemd nalevingsmechanisme, waarbij een comité zich over nalevingsproblemen van verdragspartijen buigt, maatregelen neemt en voorstelt aan de bijeenkomst van partijen van dat verdrag. VROM zet zich in om bij milieuverdragen die nog geen nalevingsregime hebben (zoals het Verdrag van Stockholm over Persistent Organic Pollutants (POPs) en het Verdrag van Rotterdam over Prior Informed Consent (PIC) een discussie op gang te krijgen over de meest effectieve manier om nalevingsproblemen op te lossen. VROM blijft ernaar streven om Nederlanders verkozen te krijgen in nalevingscomités van milieuverdragen.

Voor de internationale doelen en prestaties bij de handhaving van de milieuwetgeving wordt verwezen naar artikel 9 (VROM Inspectie).

Inzet begrotingsmiddelen

Het grootste deel van de voor dit operationeel doel beschikbare middelen wordt via intermediaire organisaties ingezet voor de implementatie en handhaving van Europese en mondiale regelgeving.

7.2.3. Beperken klimaatverandering door mondiale post-Kyoto afspraken

Motivering

Om de meest bedreigende gevolgen van de klimaatverandering te kunnen voorkomen, blijft de Nederlandse inzet gericht op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot twee graden Celsius. Deze mondiale doelstelling dient te worden gerealiseerd binnen een tijdsbestek dat het mogelijk maakt dat ecosystemen zich op natuurlijke wijze aan klimaatverandering aanpassen, dat de voedselproductie niet in gevaar komt en dat de economische ontwikkeling op duurzame wijze kan voortgaan. Hiervoor is een forse trendbreuk in de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen nodig. Uiteindelijk kan dit mondiale probleem alleen maar effectief worden bestreden door internationale afspraken.

Instrumenten

Bij de ontwikkeling van afspraken voor een mondiaal klimaatbeleid heeft Nederland de volgende prioritaire thema’s gekozen:

  • Monitoring, rapportage en verificatie (MRV):

    Om te kunnen vaststellen of afspraken over emissiereductie en ondersteuning van acties worden nagekomen dienen duidelijke reken- en rapportageregels te worden overeengekomen;

  • Financiering:

    Principe-afspraken over financiering op korte termijn (2010–2012) en voor structurele financiering moeten worden omgezet in een heldere structuur voor het genereren, alloceren en beheren van middelen;

  • Nieuwe sectorale marktmechanismen:

    Voor het opschalen van de benodigde investeringen en mitigatie-acties, met name in ontwikkelingslanden, is een overgang naar verbeterde marktmechanismen noodzakelijk. Gedacht wordt met name aan sectorale afspraken als mogelijke opstap naar participatie in emissiehandel;

De aanpak bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Het voorstellen van teksten, het geven van presentaties, en het actief deelnemen aan internationale onderhandelingen gericht op het uitwerken en invullen van afspraken over emissiereducties, klimaatacties, technologie en financiering in de periode na 2012, in het kader van het UNFCCC;

  • Het gericht ondersteunen van het werk van internationale organisaties die zich op het gebied van klimaatverandering inzetten (door bijvoorbeeld financiële steun te verlenen of vergaderingen te organiseren);

  • Bi- en multilaterale overleggen (formeel en informeel) gericht op de totstandkoming van coalities met gelijkgezinde landen, maar ook gericht op overreding van twijfelende landen;

  • Internationale samenwerkingsprojecten gericht op het demonstreren van de haalbaarheid van oplossingsrichtingen voor klimaatverandering;

  • Wetenschappelijk onderzoek gericht op aanvulling en versterking van de Nederlandse inzet via de EU in mondiale onderhandelingen;

  • Voorlichting en kennisoverdracht gericht op bevordering van bewustzijn van de klimaatproblematiek en bereidheid tot actie bij overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke groeperingen en burgers.

Meetbare gegevens

Belangrijke speerpunten in 2011 vanuit de initiërende rol die Nederland speelt zijn:

  • het uitwerken van de regels voor meten, rapportage en verificatie (MRV) van mitigatie-acties en (financiële en technologische) ondersteuning hiervan en voor het berekenen van emissiereducties (rekenregels), teneinde het vertrouwen tussen partijen te versterken en om te kunnen beoordelen of voldoende emissiereductie wordt bereikt;

  • het realiseren van financiering voor mitigatie- en adaptatie-acties in ontwikkelingslanden. Het betreft daarbij zowel de financiering op de korte termijn (2010–2012), waarbij de in Kopenhagen gedane beloftes in acties moeten worden omgezet, als het realiseren van een effectieve, efficiënte en eerlijke internationale financiële architectuur op de langere termijn;

  • voor het opschalen van de benodigde investeringen en mitigatie-acties, met name in ontwikkelingslanden, wil Nederland met een aantal geïnteresseerde ontwikkelingslanden nieuwe, sectorale marktmechanismen introduceren als een opstap naar participatie in emissiehandel, waarbij een geleidelijke overgang van het Clean Development Mechanism (CDM) naar deze nieuwe mechanismen wordt ingezet.

Het grootste deel van het budget voor deze operationele doelstelling (ruim € 1 mln) wordt gebruikt voor het samen met internationale partners uitwerken van praktische besluiten die de klimaatdoelstellingen invulling kunnen geven. Dit gebeurt bij voorkeur in het kader van onderhandelingen onder het VN klimaatverdrag.

7.2.4. INTERREG

Motivering

VROM neemt deel aan INTERREG om zoveel mogelijke Nederlandse organisaties internationaal te laten samenwerken op onderwerpen die voor VROM van belang zijn. Hierdoor wordt via Europese subsidie uitvoering gegeven aan nationaal beleid en wordt zo optimaal mogelijk gebruik gemaakt van beschikbare Europese middelen voor VROM doelen.

Instrumenten

INTERREG/ESPON programma’s: INTERREG is een Europees programma waarbinnen partijen uit meerdere landen samenwerken in projecten op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, milieu en innovatie. Projecten worden uitgevoerd door partners uit minstens twee landen en krijgen ongeveer de helft van de kosten vergoed door de Europese Unie vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. De Minister van VROM is in Nederland coördinerend bewindspersoon voor de onderdelen:

  • INTERREG IV-B (transnationale samenwerking);

  • INTERREG IV-C (interregionale samenwerking);

  • ESPON (het Europese Observatie netwerk voor territoriale ontwikkeling en cohesie). ESPON ondersteunt beleidsontwikkeling op het gebied van territoriale cohesie.

Inzet begrotingsmiddelen

Het geld binnen de INTERREG programma-onderdelen wordt besteed aan de beste projecten, onafhankelijk vanuit welk land zo’n project wordt opgestart. De beoordeling welke projecten worden gehonoreerd geschiedt door de lidstaten gezamenlijk in zogeheten beheerscomités. Hierdoor staat niet van tevoren vast hoeveel geld naar welke lidstaat terugvloeit.

Meetbare gegevens

De prestaties in 2011 zijn:

  • In uitvoering zijn van INTERREG IV projecten binnen B en C met Nederlandse deelname;

  • Hoge deelname van Nederlandse organisaties in INTERREG IV-B en INTERREG IV-C.

Prestatie-indicatoren

Tabel 7.3. Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicator

Basis waarde 2006

Gereali seerd 2007

Gereali seerd 2008

Gereali seerd 2009

Streef waarde 2010

Streef waarde 2011

Streef waarde 2012

Streef waarde 2013

In uitvoering zijn van INTERREG IV projecten binnen B en C met Nederlandse deelname

0

21

64

118

130

145

155

160

Deelname van Nederland in INTERREG IV B.

0

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

In de top 4

Voor de jaren 2007 t/m 2009 zijn ten behoeve van de inzichtelijkheid van het verloop van de cijfers in tegenstelling tot eerdere begrotingen de gerealiseerde waarden opgenomen in plaats van de streefcijfers.

7.3. Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 7.4. Overzicht onderzoeken naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Algemeen doel / Op. doel

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

Clean Development Mechanism

OD 7.2.1

A 2010

B 2011

Interreg: geëvalueerd zal worden of de genoemde prestaties voor INTERREG III en INTERREG IV behaald zijn en in hoeverre de prestatie-indicatoren voldoen aan de streefwaarden voor 2010 en of de streefwaarden voor 2013 haalbaar lijken.

OD 7.2.4

A 2011

B 2011

Naar verwachting zullen de resultaten van de beleidsdoorlichting van CDM in mei 2011 met het jaarverslag over 2010 aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

Artikel 9. Handhaving en toezicht
9.1. Algemene beleidsdoelstelling

Omschrijving

Wet- en regelgeving zijn belangrijke instrumenten voor de realisatie van beleid, onder de voorwaarde dat ze goed worden uitgevoerd en nageleefd. Burgers, bedrijven, instellingen, gemeenten en provincies zijn hier primair zelf verantwoordelijk voor.

Het bevorderen van de naleving «met het oog op behoud en versterking van een duurzame en veilige leefomgeving» is de opdracht van de VROM-Inspectie (VI). Door toezicht en zonodig handhaving draagt de VI er aan bij dat burgers, betrokken overheden, bedrijven en instellingen hun verantwoordelijkheid nemen. Toezicht en handhaving zijn daarom essentiële onderdelen van de VROM-beleidscyclus.

Realisatie

De VI realiseert toezicht en handhaving binnen haar organisatie door landelijke programmasturing, prioritering van taken, informatiegestuurd toezicht en doordachte, passende interventies per doelgroep. Om de toezichtlast te beperken, baseert de VI het toezicht onder meer op interne toezichtsystemen bij bedrijven, branches en instellingen. De daarvoor beschikbare informatie gebruikt de VI ook voor haar eigen toezicht om dubbele bevragingslast te voorkomen. Bij deze vorm van toezicht past ook het op gezette tijden uitvoeren van realitychecks. Een zelfde tendens is herkenbaar in de toezichtrelatie met andere overheden. Naast het uitvoeren van feitelijk toezicht en handhaving (bestuurs- en strafrechtelijk optreden) ziet de VI er op toe dat verantwoordelijkheden ook daadwerkelijk worden genomen. In het kader van deze stelselverantwoordelijkheid bevordert de VI de naleving door zich te richten op het ondersteunen van de naleving- en uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld met voorlichting en compliance assistance, het doen van inhoudelijk onderzoek en het bewaken van de kwaliteit van de uitvoering

Baten-lastendienst

De VI wordt in 2012 omgevormd naar een baten-lastendienst, waarbij tussen beleid en de VI een zakelijke opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie wordt opgebouwd en de VI in opdracht van het beleid haar taken uitvoert. Hiermee komen toezicht en handhaving meer in een logisch verlengde te liggen van het beleid. Het jaarcontract van de VI komt in samenspraak met de beleidsdirecties tot stand. De VI zorgt hierbij voor voldoende flexibiliteit om goed te kunnen inspelen op incidenten en nieuwe politieke en maatschappelijke prioriteiten.

Internationaal

Steeds meer komen regels uit Europa en dus moet Nederland dáár invloed zien uit te oefenen. Dat doet ons land door mee te werken aan handhaafbare, uitvoerbare en fraudebestendige regelgeving en in te zetten op een Europese structuur van handhaving en toezicht. Het creëren van een «level playing field», waarin bedrijven en instellingen recht hebben op een gelijke behandeling in welke lidstaat ze ook werken, is van groot belang voor een goed functionerende handhaving. De VI werkt in de praktijk structureel samen met de Europese milieuhandhavingsorganisaties en heeft een samenwerkingrelatie met onder andere de Verenigde Staten en China.

BES-eilanden

De VI voert in 2011 de coördinatie over de milieuagenda van het actieprogramma BES-eilanden. Tevens levert de VI ondersteunende activiteiten op locatie. Deze inzet vindt plaats vanuit de verschillende VI programma’s. BZK heeft voor 2011 € 600 000 ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de milieuagenda. Voor 2011 betreft dit onder andere: het opstellen van watermanagementplannen per eilandgebied (in samenwerking met VenW), de gescheiden inzameling van huishoudelijk afval, de aanpak verwerking restafval en urgente bodemsaneringen. Eén en ander is verder uitgewerkt en financieel onderbouwd in het «VROM-programma transitie BES-eilanden», wat de VI heeft opgesteld en wat inmiddels in concept gereed is.

Verbeteren toezichtbestel

De VI levert een bijdrage aan het verbeteren van het toezichtbestel door onder meer:

  • het prioriteren op basis van maatschappelijke en/of politieke wensen, de Nalevingstrategie (NLS), signalen en incidenten. Met behulp van de NLS stelt de VI jaarlijks op basis van de criteria «risico’s» en «naleefgedrag» vast welke onderwerpen prioriteit moeten krijgen bij de handhaving. Hierbij spelen effecten op gezondheid, veiligheid, duurzaamheid en sociaal maatschappelijke aspecten een belangrijke rol;

  • het inrichten van het toezicht volgens de uitgangspunten van het programma «Vernieuwing Toezicht»: één-loket aanpak, vermindering toezichtlast en meer efficiency; het regisseren van landelijke samenwerking tussen toezichthouders, zoals bij ketenhandhaving en informatie-uitwisseling;

  • toezicht op maat: loslaten waar het kan, bestuurs- of strafrechtelijk ingrijpen als het moet;

  • het bieden van handreikingen voor uitvoering, vergunningverlening en toezicht;

  • het uitvoeren van thematisch en systematisch onderzoek naar het naleefgedrag van bedrijven, instellingen en burgers; ingeval de naleving slecht is wordt een passende aanpak ontwikkeld om de naleving te verbeteren;

  • het investeren in en onderhouden van het regionale netwerk;

  • het ondersteunen van gemeenten en provincies bij hun activiteiten om de kwaliteit van de uitvoering te verbeteren, onder andere via de toepassing van kwaliteitscriteria;

  • het ontwikkelen van een informatiearrangement voor interbestuurlijke informatie en verantwoording, en

  • het ondersteunen van de provincies bij het opzetten van selectief interbestuurlijk toezicht op de gemeenten; en bevorderen van een adequate invulling van de politiemilieutaak.

De VI behandelt daarnaast jaarlijks ruim 1000 burgerbrieven over VROM-onderwerpen. Behalve dat de burger zo goed mogelijk wordt geholpen hebben deze brieven een belangrijke signalerende functie.

Verantwoordelijkheden

De Minister van VROM en de Minister voor WWI zijn verantwoordelijk voor:

  • het rechtstreekse toezicht op de naleving van VROM wet- en regelgeving waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is;

  • het goed functioneren – als medewetgever – van het gehele stelsel van wet- en regelgeving op het terrein van de fysieke leefomgeving.

De Minister van VROM is stelselverantwoordelijk voor de organisatie van de decentrale uitvoering en toezicht en is beleidsmatig verantwoordelijk voor de terreinen ruimte en milieu. Tevens is de Minister van VROM het bevoegd gezag voor onder andere het toezicht op nucleaire installaties, genetisch gemodificeerde organismen, internationale afvaltransporten en vuurwerk. De Minister voor WWI is beleidsmatig verantwoordelijk voor wonen, wijken en bouwen. De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. De eigen Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de VI is gespecialiseerd in strafrechtelijke opsporingsonderzoeken binnen het VROM-domein en werkt onder gezag van het Functioneel Parket van het OM.

Het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (LOM) is het managementplatform dat zich richt op de uitwisseling van kennis en ervaring en de gezamenlijke uitvoeringspraktijk van milieubeleid en -regelgeving. Binnen het LOM worden afspraken gemaakt over de gezamenlijke aanpak van ketenproblemen, zoals op het terrein van asbest. De inspecteur-generaal van VROM is voorzitter van het LOM.

Externe factoren

Het behalen van deze algemene beleidsdoelstelling hangt voor een belangrijk deel af van de implementatie van het kabinetsstandpunt op de commissies Oosting en Mans en de Omgevingsvergunning. Dit kabinetsstandpunt geeft een samenhangende visie op de verbetering van toezicht en handhaving op het terrein van de VROM-regelgeving en op de uitvoering van de vergunningverlening en is in lijn met de adviezen over interbestuurlijk toezicht. In de «package deal» hebben Rijk, VNG, IPO en UVW het totaal aan acties vastgelegd, waarin zij de komende jaren werken aan een kwalitatief beter en meer afgestemde uitvoering. Dit pakket behelst ondermeer de borging van uitvoering via kwaliteitscriteria, de oprichting van regionale uitvoeringsdiensten, een betere verbinding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving, verbetering van de horizontale verantwoording en de ontwikkeling van informatiearrangementen voor interbestuurlijke gegevens en operationele gegevens. De voortvarendheid waarmee alle betrokken partners komen tot de uitvoering van de package deal bepaalt de mate waarin de VI haar stelselrol met zo min mogelijk toezichtlast kan uitvoeren.

Meetbare gegevens

Gerichte interventies richting de onder toezichtgestelde en toename van kennis van de VROM-regels bevorderen de uitvoering en de naleving. In 2011 zal de VI zich verder voorbereiden op omvorming tot een baten-lastendienst. Van een baten-lastendienst worden prestatie-indicatoren verlangd. Die worden in samenwerking met de opdrachtgever ontwikkeld.

Daarnaast wil de VI met de rapportage Staat van Toezicht voorzien in een instrument waarmee de ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving, de staat van de naleving en de bijdrage van het toezicht op de VROM wet- en regelgeving in beeld worden gebracht, en dan toegespitst op thema’s als bijvoorbeeld Nucleaire installaties, Afval, Bodem en Vuurwerk. De rapportages geven tevens invulling aan de ministeriële stelselverantwoordelijkheid, omdat ze het toezicht in de gehele keten betreffen.

Wat betreft het meten van effecten zal de VI aansluiten bij de ontwikkelingen in Inspectieraad verband. Met het meerjarenprogramma «Effecten van Toezicht», wat in 2012 zal worden afgerond, wil de Inspectieraad de rijksinspecties stimuleren en ondersteunen in het ontwikkelen van effectmeting. Door middel van pilots zullen proefondervindelijk ervaringen bij verschillende Inspecties worden uitgewisseld en vergeleken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.1. Handhaving en toezicht

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

65 301

58 645

48 154

50 049

51 226

53 237

53 237

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

63 549

58 632

48 154

50 049

51 226

53 237

53 237

Waarvan juridisch verplicht

  

10 144

9 951

9 962

9 962

9 962

Programma:

15 356

18 675

18 322

17 975

17 993

17 993

17 993

 

Bevorderen naleving wetgeving voor Wonen, Wijken en Integratie:

501

731

731

731

731

731

731

         
 

Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte:

7 713

10 076

9 378

8 968

8 985

8 985

8 985

         
 

Bevorderen samenwerking methodiek en strategie:

1 202

1 604

1 611

1 611

1 611

1 611

1 611

         
 

Crisismanagement organiseren:

5 687

5 115

5 456

5 518

5 519

5 519

5 519

         
 

Opsporen en bestrijden van fraude:

253

1 149

1 146

1 147

1 147

1 147

1 147

Apparaat:

48 193

39 957

29 832

32 074

33 233

35 244

35 244

Ontvangsten:

1 602

882

882

882

882

882

882

Grafiek 9.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 9.1. Budgetflex in % en bedragen per 						  operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

Bij de VROM-Inspectie heeft onder meer een aanzienlijk deel van de juridische verplichtingen een relatie met de jaarlijkse opdracht aan het RIVM.

9.2. Operationele doelstelling
9.2.1. Bevorderen naleving wet- en regelgeving voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI)

Motivering

De VI draagt bij aan het bereiken van de beleidsdoelen op het gebied van WWI die geformuleerd zijn in de betreffende beleidsartikelen.

  • Handhavingsonderzoek;

  • compliance assistance;

  • audits bij andere overheden;

  • toezicht;

  • bestuursdwang/dwangsom, en

  • opsporing.

Instrumenten

Doelgroepen

Bedrijven, burgers, andere (internationale) overheden.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties voor 2011 zijn:

Bouwen aan Kwaliteit en Wonen (beleidsartikel 2. Stimuleren van een duurzame kwaliteit van woningen, gebouwen en bouwwerken, en 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt)

  • bouwen (nieuwbouw) en wonen (bestaande bouw): stimuleren van een brandveilige, constructieveilige en energiezuinige bouw door:

    • onderzoek naar de constructieve veiligheid van gebouwen. Een onderdeel van het thema constructieve veiligheid is een onderzoek naar de veiligheid van viaducten (i.s.m. IVW);

    • monitoren van de landelijke Actieagenda constructieve veiligheid;

    • onderzoek naar de brandveiligheid van gebouwen voor grote menigten en minder zelfredzame gebruikers;

    • structurele afspraken met de brandweer over preventief toezicht;

    • onderzoek naar de naleving van regels voor energielabels;

  • handhaving bij misbruik van CE-markering van bouwmaterialen;

  • onderzoek naar en handhaving van de realisatie van aangescherpte EPC-normen, de kwaliteit van energielabels en een goede kwaliteit van het binnenmilieu;

  • nagaan of afspraken die gemaakt zijn ten aanzien van de huisvesting van verblijfsgerechtigden worden uitgevoerd door gemeenten en provincies;

  • transitie naar de uitvoering van de nieuwe Huisvestingswet. Dit is medio 2010 nog onduidelijk, omdat de Huisvestingswet controversieel is verklaard, en

  • in afwachting van de nieuwe woonautoriteit: toezicht op de integriteit van de woningcorporatiesector door het operationeel hebben van een meldpunt en gerichte doorlichtingen bij individuele woningcorporaties.

9.2.2. Bevorderen naleving wet- en regelgeving voor Ruimte en Milieu

Motivering

De VI draagt bij aan het bereiken van de beleidsdoelen op het gebied van Ruimte en Milieu die geformuleerd zijn in de betreffende beleidsartikelen. Per hoofdonderwerp worden de beleidsartikelen genoemd.

  • Handhavingsonderzoek;

  • compliance assistance;

  • audits bij andere overheden;

  • toezicht;

  • bestuursdwang/dwangsom, en

  • opsporing.

Instrumenten

Doelgroepen

Bedrijven, burgers, andere (internationale) overheden.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties voor 2011 zijn:

Ruimte (beleidsartikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging en 2. Realisatie nationaal ruimtelijk beleid)

  • monitoring van de actualisering van bestemmingsplannen;

  • opstellen van handreikingen op het gebied van Ruimte en Milieu; borging van de doorwerking van ruimtelijke rijksbelangen door een beoordeling van nieuw vast te stellen ruimtelijke plannen. Dit gebeurt aan de hand van een selectieve toetslijst, waarbij onder andere gekeken wordt naar landschap (verrommeling), natuur, lokale milieukwaliteit en externe veiligheid in bestemmingsplannen. Bij een deel van de plannen zullen interventies nodig zijn;

  • verbetering van de handhaving van bestemmingsplannen door onder andere het gemeentelijk ruimtelijk toezicht te toetsen en het stimuleren en faciliteren van horizontaal toezicht, en

  • thematische onderzoeken of voor belangrijke rijksbelangen de feitelijke situatie in de praktijk in overeenstemming is met de ruimtelijke plannen, wat oorzaken zijn van eventuele onvoldoende naleving, hoe deze naleving kan worden verbeterd en welke interventies daarvoor wenselijk zijn.

Milieu

Klimaat, luchtverontreiniging en energie (beleidsartikel 3. Klimaat en luchtkwaliteit)

  • toetsing bij lopende vergunningverlening van grote bedrijven zoals Brzo-bedrijven en grote luchtemittenten, of in voldoende mate met de belangrijkste aspecten van het rijksbeleid (zoals emissie-eisen en externe veiligheid) en Europese richtlijnen rekening is gehouden (doelgroep 150 grote bedrijven). Als dit niet het geval is zal de VI gericht adviseren en zo nodig bezwaar en beroep aantekenen, en

  • stimulering van de verdere ontwikkeling van systeemtoezicht, concernaanpak, samenwerking via regionale loketten en deskundigheidsbevordering.

Afval, water en bodem (beleidsartikel 4. Duurzaam produceren)

Afval

  • uitvoering van gerichte handhavingacties (vraaggestuurd) in samenwerking met onder andere de douane en de politie en optreden tegen de illegale situaties op basis van de Europese Verordening voor de Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA), vooral in niet-OESO-landen en nieuwe toetreders in de EU;

  • toezicht op de naleving van de Ecodesign richtlijn en samenwerking in Europa opbouwen;

  • diverse activiteiten gericht op naleving van de productbesluiten en het bevorderen van materiaalhergebruik; op basis van monitoring wordt bezien of de doelstellingen uit het besluit verpakkingen met betrekking tot glas, papier, metaal en kunststof worden gehaald, en

  • het vormgeven van een integrale ketenbenadering bij prioritaire stromen (bijvoorbeeld kunststof-, olie- en electronica-afvalstromen) in het kader van het tweede Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) ten behoeve van gerichte handhaving en vermindering van milieubelasting bij risicovolle schakels in de keten.

Water (drinkwater en Legionella)

  • toezien op de drinkwaterbedrijven door uitvoering van systeemtoezicht, outputcontroles en periodiek overleg, met specifieke aandacht voor de kwaliteit van het geleverde drinkwater en de omgang met incidenten en calamiteiten en als nieuwe taak in het kader van de Drinkwaterwet het uitvoeren van tarieftoezicht;

  • uitvoeren van de meerjarenafspraken Interventiestrategie legionellapreventie. De waterleidingbedrijven oefenen toezicht uit op en controleren (jaarlijks) circa 4000 prioritaire instellingen. Dossiers van overtreders waartegen handhavend moet worden opgetreden worden aan de VI overgedragen. De VI verwacht handhavend op te moeten treden bij circa 10% van de gecontroleerde instellingen, en

  • afhandelen van overschrijdingen van de norm voor legionella, waarbij deze afhandeling, afhankelijk van de ernst, kan variëren van registratie tot nadere inspectie bij specifieke instellingen.

Bodem (Besluit bodemkwaliteit, incl. Kwalibo)

  • afhandelen en analyseren van signalen over misstanden op bodemgebied. Deze signalen komen binnen bij het Toezichtloket Bodem dat wordt beheerd door de VI en de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW);

  • achterhalen van overtreders via risicoanalyses in branches en ketens van grondstromen en bouwstoffen;

  • stimuleren van structurele samenwerking in regionale interventieteams;

  • adviseren over de integriteit van bodemintermediairs en bouwstofproducenten die een erkenning aanvragen bij Agentschap NL/Bodem+, en

  • stimuleren van de lokale bodembeheerders tot het adequaat invullen van hun verantwoordelijkheid; door verdere invulling van de stelselrol ook andere zwakke schakels in de keten identificeren.

Nucleaire industrie en straling (beleidsartikel 6. Risicobeleid)

  • toezien bij afvalverwerkende inrichtingen ten aanzien van radioactief besmet schroot en apparatuur met stralingsbronnen; ontwikkeling van een proactieve keten- en branchegerichte aanpak;

  • toezien op de naleving van de Kernenergiewet (Kew) gericht op kerncentrales en kernafval, onderzoeksreactoren en verrijking, en andere installaties, waar splijtstoffen worden gebruikt. Het toezicht op deze installaties is gericht op continue verbetering van de nucleaire veiligheid en beveiliging, en

  • voorbereiden van en deelnemen aan de Conventie Nucleaire Veiligheid.

Stoffen en producten (beleidsartikel 6. Risicobeleid)

  • handhaving REACH-verordening: uitvoering van het handhavingprogramma voor 2011. Hierin is onder meer opgenomen de bijdrage aan Europese handhavingprojecten in EU-verband, evenals concrete handhavingprojecten op specifieke doelgroepen;

  • toezicht Asbest: omvat activiteiten in het kader van de samenwerking en ketenhandhaving, en afhandeling van signalen/meldingen en klachten;

  • coördineren toezicht op biociden, dat samen met de Voedsel en Warenautoriteit, Arbeidsinspectie, Inspectie Verkeer en Waterstaat en de waterschappen wordt uitgevoerd conform een geactualiseerd handhavingprogramma. Toezicht biociden vindt plaats bij geselecteerde doelgroepen en leveranciers, en

  • toezicht op het Besluit GGO bij ingeperkt gebruik, veldproeven, gentherapie en markttoelating. Mogelijk nieuwe accenten op invoering herziene regelgeving en niet tot de markt toegelaten GGO’s.

Veiligheid, explosieven en buisleidingen (beleidsartikel 6. Risicobeleid)

  • gezamenlijke aanpak van VROM-IOD, Vliegende brigade Vuurwerk en politie, gericht op de illegale spelers binnen de vuurwerkbranche;

  • uitvoeren van toezichtsacties op defensieterreinen; ontwikkeling van systeemgericht toezicht;

  • uitvoeren van toezichtacties op «bijzondere inrichtingen» waarvoor VROM ook bevoegd gezag is;

  • toezicht uitoefenen op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit risico zware ongevallen (Brzo), gericht op de veiligheid van inrichtingen en het transport van gevaarlijke stoffen (mede in het licht van het concept-Besluit transportroutes externe veiligheid) in relatie tot ruimtelijke ordening;

  • in het kader van Bevi: opslag van gevaarlijke stoffen: follow-up acties 2010, onder andere PGS 15, en

  • systeemgericht toezicht op de naleving door de exploitanten van buisleidingen in het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (AMvB EV Buisleidingen).

Versterken van het internationale milieubeleid (beleidsartikel 7. Versterken van het internationaal milieubeleid)

  • initiëren en uitvoeren van handhavingacties in Europa, gericht op het creëren van een «level playing field» op het gebied van de handel in genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), chemische stoffen en afvalstoffen;

  • versterken van de internationale samenwerking door gezamenlijke acties en inspecties waarbij kennis en informatie wordt uitgewisseld. Dit gebeurt bij de handhaving van de EVOA in het kader van IMPEL-TFS (The European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, Transfrontier Shipments of Waste), door bilaterale samenwerking met de ons omringende landen en met niet OESO landen, waarheen verhoudingsgewijs veel afval wordt geëxporteerd;

  • versterken van Europese milieuhandhaving door de verdere uitbouw van IMPEL als internationale vereniging van Europese milieuautoriteiten, uitvoeren van internationale projecten gericht op het verbeteren van de organisatie van het toezicht in de EU-lidstaten en daarmee het creëren van een level playing field, bijdragen aan de verdere ontwikkeling van Europese kwaliteitscriteria voor milieu-inspecties;

  • versterken van het INECE-netwerk (International Network for environmental Compliance and Enforcement); dit betreft dus het mondiale handhavingnetwerk, en

  • promoten en gebruiken van de door IMPEL ontwikkelde uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidtoets in nauwe samenwerking met het EPA Network (Network of the Heads of Environment Protection Agencies) en de Europese Commissie.

Staat van Toezicht

De VI verantwoordt zich jaarlijks over de verrichte toezichtsactiviteiten.

Vanaf 2010 vervangen de themarapportages Staat van Toezicht de eerder gehanteerde enkelvoudige naleefindicatoren. De themarapportages bieden meer ruimte voor dynamiek en detaillering. Jaarlijks zal voor steeds wisselende thema’s een (cijfer)overzicht worden gegeven van toezichtsinspanningen, naleving en het feitelijke effect. Deze rapportagevorm sluit ook aan bij de themagerichte werkwijze die de VROM-Inspectie heeft en past daarmee beter bij het werken in opdracht van beleid. De themarapportages geven tevens invulling aan de ministeriële stelselverantwoordelijkheid, omdat ze het toezicht in de gehele keten betreffen. De Staat van Toezicht zal in een aantal jaren wordt opgebouwd; jaarlijks zullen twee tot drie onderwerpen worden uitgewerkt tot themarapportages.

De planning is dat in 2011 de themarapportages Bouwen en Afval gereedkomen. Als eerste in de reeks heeft de rapportage Vuurwerk om die reden ook een pilotfunctie. De rapportages zijn/worden separaat aan de Tweede Kamer aangeboden.

9.2.3. Bevorderen samenwerking, methodiekontwikkeling en strategie

Motivering

Transparant en eenduidig keuzes maken en verantwoording afleggen over de uitvoering en effecten van het bevorderen van de naleving van VROM wet- en regelgeving.

De samenwerking met en het toezicht op andere overheden vernieuwen, om daarmee de toezichtlast voor bedrijven en andere overheden te verminderen en het rijkstoezicht te uniformeren.

Instrumenten

Strategie en methodiekontwikkeling, HUF-toetsen en onderzoek.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties voor 2011 zijn:

  • het werken op basis van de nieuwe methodiek van de VROM-Nalevingstrategie (NLS). Deze nieuwe methodiek is in 2010 vastgesteld en houdt in dat het VI-werk, in plaats van in circa 270 afzonderlijke wettelijke taken, is opgedeeld in 42 onderwerpen, waarin de regelgeving voor het betreffende onderwerp gebundeld is en zo beter aansluit bij de beleidsdoelen. De onderwerpen worden gescoord op de criteria «risico» en «naleefgedrag» en op basis daarvan ingedeeld in één van de vier kwadranten met prioriteit 1, 2, 3 of 4;

  • het leveren van bijdragen aan de verantwoording van IMPEL;

  • het samen met beleid verder implementeren van toepassing van de HUF-toets (handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets) bij nieuwe regelgeving. De in 2010 gereedgekomen procesbeschrijving en handreiking zijn instrumenten daarvoor;

  • het verbeteren van de kwaliteit van uitvoering en handhaving door gemeenten en provincies door het faciliteren bij bundeling en opschaling; gemeenten worden beter geëquipeerd voor de nieuwe wet- en regelgeving en de complexe Europese regelgeving; tevens blijft de VI toezien op die taken die gemeenten niet in een samenwerking uitvoeren; provincies worden beter toegerust om zowel de eigen uitvoeringstaak als de interbestuurlijk toezichttaak op gemeenten te kunnen uitoefenen. Bij een landsdekkend stelsel van goed werkende uitvoeringsdiensten kan ook de VI een aantal taken onderbrengen bij uitvoeringsdiensten;

  • voortzetting van samenwerking bij de landelijk meerjarig geldende prioriteiten van de milieuhandhavingspartners, zoals afgesproken in het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (LOM). Het betreft:

    • asbest, bouw- en sloopafval;

    • bodem- en grondstromen;

    • illegaal consumentenvuurwerk;

    • natuurwetgeving;

    • EVOA (export van afval naar niet OESO-landen).

    Bezien zal moeten worden welke consequenties de regionale uitvoeringsdiensten zullen hebben voor dit samenwerkingsverband, en

  • het werken aan de informatiepositie om de stelselverantwoordelijkheid voor de naleving van de VROM-regels in te vullen. Aan de hand van de themarapportages Staat van Toezicht wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de naleving op een aantal VROM-thema’s.

9.2.4. Crisismanagement

Motivering

In crisissituaties optimaal en aantoonbaar voorbereid zijn en bij crises adequaat kunnen optreden. De VI is verantwoordelijk voor crisismanagement op het gebied van de VROM-beleidsterreinen, onder meer voor milieu (chemisch en nucleair) en drinkwater.

Doelgroepen

Overheidsinstellingen betrokken bij de bestrijding van crises en rampen (zoals brandweer en politie), andere ministeries, internationale overheden, de betrokken VROM-organisatieonderdelen en de VN, private en publieke deskundigeninstituten.

De belangrijkste prestaties voor 2011 zijn:

  • het houden van een aantal oefeningen om de afgesproken VROM respons procedures te testen en de betrokken VROM crisisfunctionarissen te trainen. Daarnaast zijn er specifieke (gezamenlijke) oefeningen met milieu-, drinkwater-, nucleaire- en buisleidingincidenten voor het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten en de Eenheden Planning en Advies voor drinkwater en nucleair;

  • het beschikbaar zijn en het inzetten van de Environmental Assessment Module (EAM), mocht er sprake zijn van een zich op internationale schaal manifesterende humanitaire ramp met impact voor de volksgezondheid en het milieu. Tijdens die inzet fungeert het multidisciplinaire Beleidsondersteunend Team Milieuincidenten (BOT-mi) als backoffice;

  • het afhandelen van circa 500 meldingen (jaargemiddelde) van lokale, regionale, nationale en internationale incidenten, calamiteiten en andere meldingen. Waar nodig zullen andere partijen betrokken worden bij de afhandeling en de nazorg van meldingen;

  • het voorbereiden en uitvoeren van een interdepartementale en multidisciplinaire nationale stafoefening nucleair (NSO-n), en

  • het coördineren van het VROM-brede dossier Security en Vitaal. Dit houdt in het verbeteren van de beveiliging van de sectoren waar VROM verantwoordelijk voor is, het verkleinen van de kans op het misbruiken van CBRN-agentia en het verder bewust maken van VROM-medewerkers van het belang van dit onderwerp, waaronder hoe om te gaan met gevoelige informatie.

9.2.5. Opsporen en bestrijden van fraude

Motivering

Om grove misstanden met betrekking tot de aan VROM gerelateerde wetgeving en beleidsinstrumenten tegen te gaan.

Doelgroepen

Bedrijven, corporaties en burgers.

Meetbare gegevens

Prestaties worden gemeten aan de hand van het aantal strafrechtelijke onderzoeken dat is uitgevoerd en het aantal processen-verbaal (pv’s) dat aan het OM wordt aangeleverd. De aantallen hebben een indicatief karakter. De afspraken tussen de VI (inclusief de VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD)) en het OM worden jaarlijks vastgelegd in een handhavingsarrangement.

Verwacht wordt dat de uitkomst van de discussie over de uitvoering van de milieutaak van de politie invloed zal hebben op de opsporingsactiviteiten van de IOD in 2011.

De belangrijkste prestaties voor 2011 zijn:

  • uitvoeren van complexe strafrechtelijke onderzoeken voor de VROM-beleidsterreinen op basis van risicoanalyses, met specifieke aandacht voor integriteit woningcorporaties, overbrengen van afvalstoffen naar het buitenland, vuurwerk en bodem;

  • uitvoeren van een omgevingsverkenning om in de toekomst eventueel nieuwe beleidsterreinen tot aandachtsgebied te maken;

  • bestendigen van een strategische informatiepositie (ontwikkelen criminaliteitsbeelden en strategische analyses), en

  • ondersteunen van andere diensten, zoals politie, bij strafrechtelijke onderzoeken op milieugebied.

Tabel 9.2.processen verbaal VROM-Inspectie
 

afgesproken

gerealiseerd

2006

122

203

2007

130

155

2008

135

136

2009

2010

155

155

118

(loopt)

2011

140

(verwacht)

Bron: VROM-administratie

Artikel 10. Leefomgevingskwaliteit
10.1. Algemene beleidsdoelstelling
10.1.1. Verbeteren leefomgevingskwaliteit

Motivering

Dit beleidsartikel richt zich op het aanpakken van maatschappelijke opgaven waarbij zowel een ruimtelijke als een milieucomponent aan de orde is. Door de gecombineerde aanpak wordt een kwalitatieve betere oplossing geboden dan wel kan de aanpak efficiënter zijn. Het betreft het realiseren van een duurzaam gebruik van de bodem, het tegengaan van geluidhinder, de inrichting van de ruimte afstemmen op het veranderende klimaat, het realiseren van ruimte voor windenergie en de ontwikkeling van een adequaat gebiedsgericht instrumentarium.

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van generiek en gebiedsspecifiek rijksbeleid voor het realiseren van een duurzame kwaliteit van de leefomgeving. De minister is verder verantwoordelijk voor:

  • De ontwikkeling van beleid en regelgeving op het gebied van bodem, ondergrond en grondwater en let op het implementeren van de relevante Europese regelgeving op dit gebied;

  • De ontwikkeling van beleid en generieke regelgeving voor het tegengaan van geluidhinder. Hierbij wordt voor het wegverkeerlawaai in gezamenlijkheid opgetrokken met de Minister van Verkeer en Waterstaat. De primaire verantwoordelijkheid voor de Wegenverkeerswet ligt bij de Minister van VenW;

  • Een adequate milieukwaliteit rond de luchthavens. Daarbij wordt ook gewerkt binnen de kaders van de Luchtvaartwet. Deze wetgeving is de primaire verantwoordelijkheid van de Minister van V&W;

  • De wet- en regelgeving op het terrein van de milieueffectbeoordeling (mer);

  • De ontwikkeling van een adequaat gebiedsgericht instrumentarium, waarmee duurzame gebiedsontwikkeling vorm kan krijgen;

  • Het faciliteren van de uitvoering van bovengenoemde onderwerpen door andere overheden, burgers en bedrijven. De Minister van VROM schept hiervoor de juiste condities;

  • Daarnaast is de Minister van VROM medeverantwoordelijk voor de milieukwaliteit van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS) en de Vogel en Habitat Richtlijn (VHR)-gebieden en samen met provincies en gemeenten voor de ruimtelijke inpassing van windenergie en voor de klimaatbestendige inrichting van Nederland, dit laatste ook gezamenlijk met de Minister van V&W.

Bovenstaande impliceert dat gezorgd wordt voor adequate wet- en regelgeving en voor zover van toepassing zorg wordt gedragen voor financiële middelen voor uitvoering van het beleid.

Externe factoren

Belangrijke externe factor voor het behalen van deze doelstelling is de helderheid over verantwoordelijkheden bij andere overheden en of deze in staat zijn hun wettelijke taken uit te voeren. Verder is sterk bepalend voor realisatie van de doelstelling voor een passende milieukwaliteit in de bodem en het water de economische ontwikkeling in de projectontwikkelings- en bouwsector en de investeringen in de herstructurering van stedelijk en landelijk gebied. Een externe factor die bepalend is voor het realiseren van de doelstelling op het terrein van geluid is een adequate normstelling voor (onderdelen van) voertuigen in EU- of UN/ECE-verband.

Meetbare gegevens

Meetbare gegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 10.1. Leefomgevingskwaliteit

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

127 335

147 017

140 844

150 620

149 695

160 792

287 975

Waarvan garantieverplichtingen

65 344

65 344

65 344

65 344

65 344

65 344

65 344

Uitgaven:

210 743

128 141

97 756

108 656

98 037

97 448

222 631

Waarvan juridisch verplicht

  

78 929

48 873

30 309

15 514

14 114

Programma:

210 743

128 141

97 756

108 656

98 037

97 448

222 631

 

Realiseren duurzaam gebruik bodem, ondergrond en grondwater:

155 241

41 049

31 508

44 656

52 579

51 990

177 173

         
 

Tegengaan van geluidhinder:

29 915

26 598

29 970

30 036

27 080

27 080

27 080

  

Tegengaan van geluidhinder

29 871

20 642

26 970

27 036

27 080

27 080

27 080

  

Geluidskaarten (FES)

44

5 956

3 000

3 000

0

0

0

         
 

Realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptie:

18 616

33 077

15 406

13 100

478

478

478

  

Kennis, onderzoek en projecten klimaat (FES)

15 062

31 053

15 000

13 000

0

0

0

  

Overige instrumenten realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

3 554

2 024

406

100

478

478

478

         
 

Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling:

6 971

27 417

20 872

20 864

17 900

17 900

17 900

Ontvangsten:

138 869

48 291

18 000

16 000

0

0

0

Grafiek 10.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

 Grafiek 10.1. Budgetflex in % en bedragen per 							 operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting per operationeel doel:

  • 1. De juridische verplichtingen betreffen bodemsanering, waartoe op 10 juli 2009 een convenant is ondertekend, en bijdragen voor duurzaam ondernemen, milieukwaliteit en duurzaam bodemgebruik die via het ILG aan de provincies worden betaald.

  • 2. De middelen zijn voor het merendeel verplicht via de subsidieregeling sanering verkeerslawaai.

  • 3. De juridische verplichtingen betreffen de FES-toezeggingen Klimaat voor Ruimte en Kennis voor Klimaat.

10.2. Operationele doelstellingen
10.2.1. Realiseren van een duurzaam gebruik van bodem, ondergrond en grondwater door het ruimtelijk ordenen van de ondergrond en het wegnemen dan wel beheersen van verontreinigingen van bodem en grondwater.

Motivering

Een vitale bodem met een goed werkend bodemecosysteem is van belang voor de voedsel- en drinkwatervoorziening. Verder levert de bodem nog veel meer diensten variërend van het reguleren van stofkringlopen tot een draagfunctie voor werken en gebouwen. Door toevoeging van nieuwe functies en door bovengronds ruimtegebrek ontstaat meer druk om ook de ondergrondse ruimte te benutten. Om in de toekomst de ruimtelijke ondergrondfuncties en de bodem- en grondwatersysteemfuncties te kunnen behouden, is een duurzaam gebruik van bodem, ondergrond en grondwater wezenlijk. Daarom is het van belang de verschillende functies in de ondergrond goed op elkaar en op de eigenschappen en kwaliteit van de bodem en het grondwater af te stemmen door middel van ruimtelijke ordening. Indien door de aanwezigheid van een verontreiniging het gewenste gebruik niet mogelijk is dan zijn beheersmaatregelen of een sanering noodzakelijk. Ook in situaties waarin sprake is van actuele risico’s voor de gezondheid van mensen of aantasting van de drinkwatervoorziening zijn beheersmaatregelen of een sanering noodzakelijk.

Kaders

Instrumenten

  • Wet bodembescherming (Wbb) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt een bodemkwaliteit zonder gezondheidsrisico’s geregeld;

  • Wet ruimtelijke ordening (Wro) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving krijgt de ruimtelijke inpassing van gesaneerde (onder)grond vorm;

  • Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt handhaving van de milieuregelgeving (onder andere op terrein van bodem) geregeld;

  • Waterwet en de daarop gebaseerde besluiten; met deze wet- en regelgeving wordt duurzaam waterbeheer geregeld;

  • Bestuurlijk overleg over uitvoering van het convenant bodemontwikkelingsbeleid en de aanpak van spoedlocaties. In dit overleg wordt de voortgang van de herverdeling van verantwoordelijkheden op het terrein van de bodemsanering gevolgd;

  • Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) voor uitvoering Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) convenanten en Wet bescherming bodem, en

  • Bestuursovereenkomsten met alle provincies over ILG, met name betreffende milieucondities Ecologische Hoofdstructuur en Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR).

Projecten

  • Subsidies voor saneringen in specifieke sectoren; de specifieke bijdrageregeling is gericht op sanering van bedrijventerreinen;

  • Subsidies aan kennisinstituten voor kennisoverdracht en kwaliteitsverbetering over gebruik bodem en water;

  • Inzet door andere partijen, medeoverheden en private partijen aan de uitvoering van de bodemsanering. Het aandeel dat door andere partijen wordt ingezet voor bodemsanering wordt gemonitord, en

  • Subsidies aan alle provincies via het ILG op basis van bestuursovereenkomsten voor de periode 2007–2013.

Meetbare gegevens

Tabel 10.2. Effectindicatoren

Effectindicator

Basisjaar 2008

2010 1

20151

Bron

Baten ten gevolg van verminderde negatieve gezondheidseffecten bij Nederlandse bevolking ten gevolge van bodemverontreiniging

op basis omrekenfactor uit MKBA: 100

100

100

2

Baten ten gevolg van hogere waardering van vastgoed

op basis van omrekenfactor uit MKBA: 60

60

60

2

Bedreiging van drinkwatervoorzieningen en strategische grondwatervoorraden

op basis van omrekenfactor uit MKBA: 5

5

5

2

XNoot
1

Bedragen x € 1,0 mln. Het betreft bedragen berekend over een periode van 100 jaar met een discontovoet van 4%. In bedragen zit onzekerheidmarge van circa -/- 50% tot + 50%

XNoot
2

Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) bodemsanering (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 015, nr. 14)

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget «realiseren duurzaam gebruik bodem, ondergrond en grondwater» betreft bodemsanering, waartoe op 10 juli 2009 een convenant is ondertekend, en bijdragen voor duurzaam ondernemen, milieukwaliteit en duurzaam bodemgebruik die via het ILG aan de provincies worden betaald.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Een convenant voor projectmatige aanpak van de grootschalige grondwaterverontreiniging in de Rotterdamse haven is afgesloten;

  • De aanbevelingen uit het rapport taskforce warmte/koude opslag zijn geïmplementeerd;

  • Wetsvoorstel gebiedsgerichte beheer is van kracht;

  • AMvB bodemenergie is van kracht;

  • Het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet bodembescherming is naar de Raad van State gezonden;

  • De midterm review van het convenant bodemontwikkeling is gereed;

  • De jaarlijkse Voortgangsrapportage ILG 2007–2013 en rapportage EHS Groot Project 2010 is afgerond.

Tabel 10.3. Randstad 2040en

Prestatie-indicator 1 Spoedlocaties

Werkvoorraad

Te realiseren productie

Periode

Streefwaarde

Periode

Bron

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen spoedlocaties:

1-1-2007:

     

Beschikking risico’s en nemen maatregelen bij spoedlocaties

6 500

1 050

2010

200

2015

RIVM 1

Prestatie-indicator 2 Saneringen in stedelijk gebied

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen in stedelijk gebied:

1-1-2005

     

Saneringen

3 000

140

2010

30

2 030

RIVM 2

Oriënterend onderzoek

30 000

1 410

2010

300

2 030

RIVM2

Nader onderzoek

7 500

3 540

2010

750

2 030

RIVM2

Prestatie-indicator 3 Saneringen in grondwaterbeschermingsgebieden

Bodemonderzoeken en bodemsaneringen in grond- waterbeschermingsgebied:

1-1-2007

     

Beschikking risico’s en nemen maatregelen bij spoedlocaties

300

30

2010

3

2020

RIVM2

Historisch onderzoek

1 250

110

2010

13

2020

RIVM2

Oriënterend onderzoek

600

50

2010

6

2020

RIVM2

Nader onderzoek

400

40

2010

4

2020

RIVM2

XNoot
1

97% afgerond in 2015

XNoot
2

99% afgerond in 2030

10.2.2. Tegengaan geluidhinder

Motivering

De beleidsverantwoordelijkheid van VROM is er bij geluid, waaronder ook geluid veroorzaakt door luchtvaart, op gericht om een vermindering van de geluidsbelasting door verkeer en bedrijvigheid te realiseren om daarmee gezondheidseffecten en hinder zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. Dit draagt voorts bij aan een aantrekkelijke leefomgeving voor burgers en een goede kwaliteit van gebieden. Geluid is de bepalende milieufactor bij het beleid over luchthavens. Geluid is medebepalend voor de capaciteit van een luchthaven, geluid bepaalt de mogelijkheden voor de ruimtelijke ontwikkelingen en geluid is van grote invloed op de leefomgeving.

Instrumenten

Terugdringen van geluidhinder wordt bij voorkeur gerealiseerd via bronbeleid. Waar bronbeleid niet mogelijk is of onvoldoende soelaas biedt, worden andere instrumenten (waaronder subsidies, afspraken over baan- en routegebruik en beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkeling bij luchthavens) ingezet om verkeerslawaai te saneren dan wel de blootstelling eraan te verminderen.

Kaders

  • Wet geluidhinder (Wgh) en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt beoogd zorg te dragen voor een geluidskwaliteit zonder gezondheidsrisico’s. Eind 2009 is een wetsvoorstel ingediend, ter introductie van geluidproductieplafonds, dat naar verwachting in de loop van 2011 in werking zal treden;

  • Wet milieubeheer en onderliggende regelgeving; met deze wet- en regelgeving wordt de handhaving van milieuregelgeving (onder andere op terrein van geluid) geregeld;

  • Wet Luchtvaart en Luchtvaartwet met onderliggende regelgeving, zoals het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingsbesluit (met beperkingengebieden);

  • De EU-richtlijnen en regelgeving op terrein van geluid;

  • De richtlijnen typekeuringen in UN/ECE verband;

  • Afspraken Alderstafel Schiphol en daaruit voortgekomen convenanten (selectieve groei, beperking geluidhinder, omgevingskwaliteit);

  • Afspraken Alderstafels over regionale luchthavens;

  • Regelgeving over de effecten van buitenlandse luchthavens op Nederlands grondgebied;

  • Periodiek overleg met Verkeer en Waterstaat over voortgang geluidsanering en over het beleid ten aanzien van luchthavens;

  • Periodiek overleg andere overheden over gemeentelijk, provinciaal en rijksgeluid beleid.

Projecten

  • Subsidies voor sanering verkeerslawaai bij «niet rijksinfrastructuur» (er is sprake van een overgangssituatie waarbij rijkssanering bij VROM wordt afgebouwd: vanaf medio 2011 is voorzien – afhankelijk van de inwerkingtreding van SWUNG I / herziening geluidregelgeving dat de Minister van VenW de geluidssanering bij rijksinfrastructuur verzorgt). Hiertoe zijn de benodigde ISV middelen en worden projectsubsidies overgedragen aan VenW);

  • Innovatieprogramma gericht op toepasbaar krijgen van bronmaatregelen op lokaal niveau. Dit gebeurt als onderdeel van versterking van de bronaanpak;

  • Stimulering stille banden via het project «De Nieuwe Band» en via het kader van Duurzaam Inkopen;

  • Internationale inzet op aanscherping geluideisen voertuigen en banden;

  • Herziening Europese richtlijn omgevingslawaai (waaronder rekenmethodiek);

  • Bijdragen verlenen voor het opstellen van geluidbelastingskaarten en actieplannen;

  • Aanpassing luchthavenindelingsbesluit Schiphol (uitwerking Alderstafel).

Meetbare gegevens

Aangezien er sprake is van een stabiele relatie tussen geluidbelasting enerzijds en gezondheidseffecten anderzijds kan voortgang in het beleid gevolgd worden door de ontwikkeling van de geluidbelasting. In principe vindt er eens in de vijf jaar onderzoek plaats naar het aantal gehinderden door geluid gespecificeerd naar de bron. De definitieve rapportage van het RIVM is nog niet beschikbaar. Naar verwachting zal deze eind 2010 beschikbaar zijn. De effectindicator is dat het aantal geluidgehinderden, inclusief het aantal gehinderden als gevolg van luchtvaartlawaai, niet toeneemt.

Tabel 10.4. Effectindicatoren

Effectindicator

Basisjaar

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

Bron

Aantal geluidgehinderden

– (2009)

geen toename

2010

geen toename

2020

RIVM

Aantal gehinderden Schiphol

239 500 (2007)

gelijk of afname

tot 2020

– 5%

2020

RIVM

Het gelijkwaardigheidprincipe is bij de ontwikkeling van het beleid voor Schiphol het uitgangspunt. Dit principe houdt in dat, bij wijziging van wetten en regels, de geluidbelasting dezelfde blijft of minder wordt. In het Alders-advies is daarnaast opgenomen dat als gevolg van het totaalpakket aan hinderbeperkende maatregelen er in 2020 een reductie van tenminste 5% van ernstig gehinderden in de 48dB(A) Lden (het zogenaamde «buitengebied») zal optreden ten opzichte van de grens voor gelijkwaardigheid.

De inzet van VROM ten behoeve van het terugdringen van de negatieve effecten vanwege de NAVO-vliegbasis Geilenkirchen is, in samenwerking met het Ministerie van Defensie, gericht op de uitvoering van de motie Neppérus Samsom, (35% minder geluidsoverlast), waarbij ondermeer het aantal vliegbewegingen wordt beperkt.

Het is verder van belang om zorg te dragen voor minimaal een gelijkblijvend oppervlakte stilte gebied in de Ecologische Hoofd Structuur (EHS).

Tabel 10.5. Effectindicatoren

Effectindicator

2000

2004

2010 (streefwaarde)

Bron

Oppervlakte EHS-gebied met lawaai geringer dan 39 dB Lden

2 489 km2

2 468 km2

≥ 2 489 km2

RIVM

De gegevens voor de situatie in 2007 zijn nog in bewerking en komen eind 2010 beschikbaar.

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget «Tegengaan geluidhinder» betreft de subsidieregeling sanering verkeerslawaai. Het budget «Geluidskaarten (FES)» betreft de bijdragen die verleend worden voor het opstellen van geluidbelastingskaarten en actieplannen.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • De wijziging van de regelgeving/systeemherziening voor de Rijksinfrastructuur (introductie geluidproductieplafonds) door opname in de Wm en onderliggende regelgeving is afgerond.

  • Een wetsvoorstel voor de overige infrastructuur en het industrielawaai wordt uitgewerkt;

  • De eerste resultaten van het Innovatieprogramma geluid stiller stadsverkeer dat in 2010 van start is gegaan en dat tot en met 2013 loopt, komen beschikbaar voor toepassing door gemeenten en provincies;

  • Regelgeving over de effecten van buitenlandse luchthavens op Nederlands grondgebied;

  • Periodiek overleg met Verkeer en Waterstaat over voortgang geluidsanering en over het beleid ten aanzien van luchthavens;

  • Periodiek overleg andere overheden over gemeentelijk, provinciaal en rijksgeluid beleid.

Tabel 10.6. Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicator

aantal woningen

t.g.v. rijksinfrastructuurrijkswegen (incl betreffend deel A-lijst)

t.g.v. andere infrastructuur

Totaal

spoorwegen (incl Raillijst)

A-lijst

Overig

 

Totaal

110 800

73 030

77 355

335 800

596 985

uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40 000

8 500

40 000

88 500

uitgevoerd 1990 t/m 31-12-2009

57 500

13 150

45 650

35 300

151 600

uitvoering gepland 2010

-

-

3 220

-

3 220

uitvoering gepland 2011

-

-

3 220

-

3 220

Gepland restant per 31-12-2011

13 300

51 380

25 265

260 500

350 445

Gepland restant per 31-12-2020

nnb

nnb

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV)

Bij de tabel zijn nog de volgende kanttekeningen te plaatsen:

  • De bovenstaande tabel geeft een overzicht van alle saneringswoningen, die vallen onder de lopende sanering op grond van de Wgh;

  • Voor de overige sanering (anders dan vanwege rijksinfrastructuur) geldt dat de middelen voor de A-lijst via het ISV worden verdeeld, zodat ook deze categorie apart is opgenomen;De voortgang van de A-lijst is de voortgang op basis van wat een gemeente had kunnen doen met de beschikbare middelen (nominale voortgang), deze voortgang kan afwijken van de werkelijke voortgang;

  • In de tabel is verder rekening gehouden met de toekomstige wetswijziging waarin de sanering vanwege de rijksinfrastructuur onder verantwoordelijkheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat zal gaan vallen. Deze wordt samengevoegd met de aanpak van hoge geluidbelastingen zoals aangekondigd in de Nota Mobiliteit. In het wetsvoorstel is opgenomen dat uiterlijk op 31-12-2020 alle saneringsplannen zijn opgesteld.

10.2.3. Realiseren van ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

Motivering

De inrichting, het gebruik en het beheer van de Nederlandse ruimte wordt afgestemd op het veranderende klimaat zodanig dat bedreigingen worden beperkt en kansen worden benut. Schade aan de gezondheid en economische schade moeten zoveel mogelijk worden beperkt. Windenergie levert een belangrijke bijdrage aan de bestrijding van klimaatverandering. Daarnaast raken fossiele grondstoffen steeds verder uitgeput en moet naar alternatieven worden gezocht. Windenergie op land is voor de korte termijn de goedkoopste bron van duurzame energie.

Kaders

Instrumenten

  • Deltaprogramma, waarin het rijksbeleid ten aanzien van waterveiligheid en zoetwatervoorziening in samenhang met een duurzame en toekomstbestendige stedelijking (her-)ontwikkeling wordt uitgewerkt;

  • Klimaatconvenanten en Samenwerkingsagenda Mooi Nederland (met afspraken over toename windenergievermogen) met IPO en VNG,;

  • Verstedelijkingsafspraken en Mirt-gebiedsagenda’s;

  • Uitvoeringsallianties met provincies, gemeenten en waterschappen;

  • Wro en 1e tranche AMvB Ruimte; in dit kader van belang ten aanzien het bouwen in het buitendijks gebied van de grote rivieren en het bouwbeleid in het kustfundament;

  • Electriciteitswet 1998; rijkscoördinatieregeling (VROM is hiervoor mede bevoegd gezag);

  • Crisis en herstelwet: provincies passen voor windenergieprojecten tussen 5 MW en 100 MW de provinciale coördinatieregeling toe en ze maken per project een provinciaal inpassingsplan. Daarnaast zijn er convenanten en/of samenwerkingsafspraken om in bepaalde regio’s te komen tot grootschalige windenergie (Rotterdamse Haven, Wieringermeer).

Projecten

  • Onderzoeksprogramma’s Kennis voor Klimaat en Klimaat voor Ruimte;

  • Subsidies voor klimaatbufferprojecten;

  • Groen beleggen (fiscale regeling van Ministerie van Financiën).

Meetbare gegevens

Tabel 10.7 Effectindicatoren

Effectindicator

Basisjaar

Stand

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

Bron

1. Aantal bedreigden en economisch risico door klimaatverandering

zie figuur (2004)

zie figuur (2004)

geen toename

2011

geen toename

2020

Compendium voor de leefomgeving (PBL)

2. De vermeden CO2-uitstoot door gebruik windenergie

1 968 kton (2007)

2 414 kton

(2008)

vermindering CO2-uitstoot

2011

vermindering CO2-uitstoot

2020

CBS statline

Figuur 1. Bevolkingsdichtheid per dijkring is een indicatie voor het aantal potentiële slachtoffers bij overstroming

Figuur 1. Bevolkingsdichtheid per dijkring is een 							 indicatie voor het aantal potentiële slachtoffers bij 							 overstroming

Figuur 2. Waarde van onroerende zaken per dijkringgebied, situatie in 2004 en ontwikkeling over de periode 2000–2004

Figuur 2. Waarde van onroerende zaken per 							 dijkringgebied, situatie in 2004 en ontwikkeling over de periode 							 2000–2004

Toelichting:

  • 1. De effectindicator is dat het aantal gehinderden/ bedreigden door klimaatverandering niet toeneemt. Het gaat daarbij om het vermijden van gezondheidsrisico’s en risico’s voor economische schade. De effectindicator richt zich vooralsnog op het waterveiligheidsaspect van klimaatadaptatie. Sinds het verschijnen van de nationale adaptatiestrategie (Maak ruimte voor klimaat, 2007) wordt aanpassing aan klimaatverandering breder beschouwd. De beleidsontwikkeling richt zich ook op vergroting van de klimaatbestendigheid van stedelijke gebieden, landelijke gebieden en van transport- en energienetwerken;

  • 2. Voor windenergie is de effectindicator dat klimaatverandering ten gevolge van CO2 beperkt blijft door gebruik van schonere (onder meer wind) energiebronnen. De verminderde CO2-uitstoot wordt berekend aan de hand van de gemiddelde CO2-uitstoot bij niet duurzame energieopwekking in Nederland.

Inzet begrotingsmiddelen

Het budget «Kennis, onderzoek en projecten Klimaat (FES)» betreft de FES-toezeggingen Klimaat voor Ruimte en Kennis voor Klimaat. Het budget «Overige instrumenten realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie» omvat de VROM inzet in het Deltaprogramma en de VROM inzet op het gebied van windenergie.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • De eerste resultaten voor deelprogramma’s binnen het Deltaprogramma (Nieuwbouw & Herstructurering, Kustverbreding en Rijnmond) zijn opgeleverd;

  • Voor de gerichte en samenhangende inzet op klimaatadaptatie is een handreiking opgesteld voor de watertoets, (plan-)mer en MKBA en versie 2.0 van de Klimaatwijzer is opgeleverd;

  • Het uitvoeringsporgamma Alliantie R2040 Klimaatbestendige Stad (met 4 grote steden) is afgerond;

  • Het stimuleringsprogramma «Maak ruimte voor Klimaat» heeft de kennisoverdracht naar andere overheden georganiseerd in samenwerking met de stichting Kennis voor Klimaat (nationale en regionale impulsbijeenkomsten, instellen wetenschappelijke reviewteams, ontwerpateliers);

  • Rijkstructuurvisie voor wind op land is gereed: ruimtelijke visie op doorgroei naar 6000 MW met verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheden;

  • Om te komen tot concentratie van grotere windmolens worden aanvullende regionale bestuurlijke afspraken gemaakt; Voor windmolenparken >100 MW worden samen met EZ als medebevoegd gezag rijksinpassingsplannen gemaakt (Veendam-Menterwolde)

  • De nieuwe systematiek om voor windturbines te toetsen op radarverstoring is in werking, en

  • De AMvB windturbines is van kracht geworden.

Tabel 10.8. Prestatie-indicatoren

Prestatie indicator

Basiswaarde

Stand

Streefw.1

Periode

Streefw.2

Periode

Bron

Percentage groen en water in stedelijk gebied met adaptatie effect: groen in bebouwd gebied G50

10,2% (2003)

9,8 % (2006)

neemt toe

2011

neemt toe

2015

Vrom

Percentage groen en water in stedelijk gebied met adaptatie effect: oppervlaktewater in bebouwd gebied G50

4,7% (2003)

2,7 % (2006)

neemt toe

2011

neemt toe

2015

Compendium voor de leefomgeving PBL

Klimaatadaptatie is opgenomen in ruimtelijke (bestemmings) plannen

0 (2009)

 

alle

2015

alle

2020

Vrom

Ruimte bieden voor uitvoering maatregelen vasthouden bergen en afvoeren: Verdeling van maatregelen in deelstroomgebiedsvisies

13% vasthouden, 81% bergen, 6% afvoeren (2003)

 

aandeel vasthouden neemt toe, aandeel afvoeren neemt af

2011

aandeel vasthouden neemt toe, aandeel afvoeren neemt af

2020

Compendium voor de leefomgeving PBL

Ruimtelijke ontwikkelingen (woningen) in Winterbed grote rivieren

1,32% toename per jaar (2004–2006)

0,94% toename per jaar 2004–2008

neemt niet toe

2011

neemt niet toe

2015

Compendium voor de leefomgeving PBL

Ruimtelijke ontwikkelingen kustfundament: aantal woningen buiten bebouwd gebied op kustfundament

1 725 woningen (2007)

1 696 (2008)

neemt niet toe

2011

neemt niet toe

2015

Vrom

Het beleid is gericht op het wegnemen van ruimtelijke knelpunten om windenergie te realiseren. Deze prestatie wordt gemeten door het vergund vermogen.

Tabel 10.9. Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicator

Basiswaarde

1-1-2010

Streefw. 1

Periode

Bron

Vergund vermogen

2000 MW (2007)

50 MW extra beschikt/ in behandeling

4000 MW

2011

Agentschap NL

10.2.4: Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

Motivering

Om andere overheden in staat te stellen op gebiedsniveau te komen tot de gewenste kwaliteit van de leefomgeving is een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig van de ruimtelijke opgaven én de opgaven met betrekking tot milieu, water en natuur.

Kaders

Instrumenten

  • Wet milieubeheer en onderliggende regelgeving;

  • Crisis- en herstelwet;

  • EU MER- en strategische milieubeoordeling (smb)-richtlijnen;

  • (Bestuursovereenkomst) Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV); als instrument voor samenhangend gebiedsgericht werken;

  • Interim-wet Stad- en Milieu-benadering;

  • Programma Duurzame Ruimtelijke Ontwikkeling;

  • Actieprogramma vernieuwing instrumentarium gebiedsontwikkeling.

Projecten

  • Subsidie aan de Commissie voor de milieueffectrapportage.

Inzet begrotingsmiddelen

Meetbare gegevens

Het budget «Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ruimtelijke ontwikkeling» omvat de inzet op MER, duurzame ruimtelijke ontwikkeling en het Actieprogramma vernieuwing instrumentarium gebiedsontwikkeling.

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Het aangepaste Besluit m.e.r. is in werking getreden;

  • Het beleidskader Duurzame ruimtelijke ontwikkeling is ontwikkeld en aan de Kamer toegezonden;

  • Er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt met 7 koploperprojecten om dat beleidskader in nauwe wisselwerking met de praktijk te ontwikkelen en vervolgens te gebruiken;

  • Er functioneert een Platform duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarin overheden, marktpartijen, NGO’s, wetenschappers en ontwerpers een gezamenlijke visie op Duurzame ruimtelijke ontwikkeling maken en uitdragen;

  • Voortgangsbrief aan Tweede Kamer over het Actieprogramma Vernieuwing Instrumentarium gebiedsontwikkeling, en

  • De implementatie en uitvoering van de Crisis- en herstelwet. De wet biedt de mogelijkheid te experimenteren met gebiedsontwikkeling en met innovatieve projecten op het terrein van de duurzaamheid. De bij amvb reeds aangewezen ontwikkelingsgebieden in Rotterdam (Stadshavens), Zaanstad-Midden, Spoorzones Deventer en Zwolle, de innovatieve projecten rond mini-windturbines in diverse gemeenten, Strijp–S te Eindhoven en de «lokale projecten met nationale betekenis» in Assen (FlorijnAs), Rotterdam Central District en Stationsgebied Utrecht worden begeleid en geëvalueerd. Daarnaast bevat de wet twee nieuwe procedures voor projecten van diverse aard en omvang. Ook de inzet van deze procedures wordt waar nodig begeleid en geëvalueerd. Over de voortgang en de resultaten van de evaluaties wordt jaarlijks gerapporteerd.

Tabel 10.10. Prestatie-indicatoren: milieukwaliteit in het landelijke gebied

1. Verdroging

Milieutekort 1 Vogel Habitat Richtlijn(ha gevoelig gebied)

 

Geen

Matig

Ernstig

Zeer ernstig

 

nulmeting 2006

29 719

12 455

25 367

17 881

 

prestatie 2013

67 249

12 814

5 578

929

1

streefwaarde 2015

86 570

0

0

0

1

 

Milieutekort overige EHS (ha gevoelig gebied)

 

Geen

Matig

Ernstig

Zeer ernstig

 

nulmeting 2006

25 471

7 534

47 073

21 922

1

prestatie 2013

37 632

17 830

35 317

11 447

1

streefwaarde 2027

102 337

0

0

0

1

2. Verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie

Milieutekort VHR(ha gevoelig gebied)

 

Geen

Matig

Ernstig

Zeer ernstig

 

nulmeting 2006

46 638

40 049

83 839

55 932

1

streefwaarde 2027

240 358

0

0

0

1

 

Milieutekort overige EHS (ha gevoelig gebied)

 

Geen

Matig

Ernstig

Zeer ernstig

 

nulmeting 2006

77 127

54 190

100 094

35 831

1

streefwaarde 2027

275 642

0

0

0

1

Bron: Provinciale rapportages milieutekorten 2006 en bestuursovereenkomsten ILG 2007–2013.

XNoot
1

Het milieutekort is het verschil tussen de actuele milieukwaliteit en de gewenste milieukwaliteit van een natuurgebied.

Toelichting:

Voor de tweede indicator «Verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie» konden geen prestatieafspraken worden gemaakt voor 2013. Dit is bewust zo gedaan, om conform het gedachtegoed van het ILG de verantwoordelijkheid voor (tempo/fasering bij) het realiseren van de overeengekomen prestaties zoveel mogelijk in handen van provincies te leggen.

10.3 Overzicht beleidsonderzoeken
Tabel 10.11. Overzicht onderzoeken naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg. doel / Op. doel

A. Start

B. Afgerond

Midterm review

Het convenant bodemontwikkeling

OD 10.2.1

A 2011

B 2011

Beleidsdoorlichting

Tegengaan geluidhinder 1

OD 10.2.2

A 2009

B 2010

Beleidsdoorlichting

Realiseren van ruimte voor klimaatadaptatie 2

OD 10.2.3

A 2012

B 2014

Beleidsdoorlichting

Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

OD 10.2.4

A 2012

B 2014

Beleidsdoorlichting

Duurzaam gebruik bodem, ondergrond en grondwater

OD 10.2.1

A 2014

B 2014

XNoot
1

Deze beleidsevaluatie wordt gecombineerd met een brede evaluatie van het beleidsterrein

XNoot
2

De beleidsevaluatie voor windenergie zal meelopen in de tussenevaluatie van programma Schoon en Zuinig in 2010

2.3. De niet-beleidsartikelen

Artikel 91. Algemeen
91.1. Algemeen

Op dit artikel worden alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan een van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het betreft hier enkele niet nader toe te wijzen programmabudgetten en apparaatsuitgaven van de VROM- én WWI-begrotingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 91.1, Algemeen

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

518 152

354 428

359 670

293 712

275 656

272 410

275 106

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

497 208

455 500

331 208

297 158

275 825

272 454

275 106

Waarvan juridisch verplicht

       

Programma:

41 639

57 088

21 637

14 640

11 087

11 097

11 278

  

Communicatie-instrumenten

14 485

10 711

5 655

5 397

4 744

4 754

4 935

  

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StaB)

5 358

5 425

5 401

5 399

5 399

5 399

5 399

  

Overige vastgoedinformatievoorziening

21 399

32 341

0

0

0

0

0

  

Programma/ onderzoek Planbureau voor de Leefomgeving

0

0

0

0

0

0

0

  

Juridische Zaken

0

6 321

8 371

3 344

944

944

944

  

Verzameluitkering

397

2 290

2 210

500

0

0

0

Apparaat:

99 906

58 605

57 067

53 274

54 197

54 197

54 029

 

Beleidsartikelen begroting XI-VROM

53 349

36 266

35 560

35 027

35 151

35 151

34 983

 

Beleidsartikelen begroting XVIII-WWI

46 557

22 339

21 507

18 247

19 046

19 046

19 046

 

Planbureau en Raden:

46 800

33 445

29 501

29 352

28 899

28 899

28 899

  

VROM-Raad

1 655

258

0

0

0

0

0

  

Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO)

1 272

0

0

0

0

0

0

  

Raad voor de Wadden

657

724

717

717

717

717

717

  

Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)

837

500

0

0

0

0

0

  

Technische Commissie Bodembescherming (TCB)

676

632

622

621

622

622

622

  

Apparaat Planbureau Leefomgeving (PBL)

41 703

31 331

28 162

28 014

27 560

27 560

27 560

 

Postactieven:

8 913

10 369

8 003

5 134

3 135

3 135

3 135

 

Gemeenschappelijke voorzieningen:

204 356

185 066

170 596

160 974

149 909

146 431

149 070

  

Gemeenschappelijke voorzieningen

178 711

160 147

145 490

135 866

124 801

123 039

125 678

  

Huurbijdrage aan Rgd

25 645

24 919

25 106

25 108

25 108

23 392

23 392

         
 

Bekostiging van externe uitvoeringsorganisaties:

95 594

110 927

44 404

33 784

28 598

28 695

28 695

Ontvangsten:

44 962

56 536

33 251

33 211

30 758

30 758

30 758

Grafiek 91.1 Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 91.1 Budgetflex in % en bedragen per 						  operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Toelichting

De budgetflexibiliteit is alleen aangegeven voor het operationele doel Programma. Het juridische deel betreft getekende overeenkomsten, onder andere met de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB).

91.2. Programma
91.2.1. VROM-brede Communicatie-instrumenten

Continu in contact. Dat is de manier waarop de directie Communicatie bijdraagt aan effectiever VROM-beleid. Zenden en ontvangen. Actief op zoek gaan naar relevante signalen uit de samenleving. En deze inbrengen op de juiste plekken in de VROM-organisatie, zodat beter beleid gemaakt kan worden. Bewindslieden en beleidsmedewerkers in contact brengen met de maatschappij. Belanghebbenden in een vroeg stadium mee laten praten over VROM-beleid. Maar ook zorgen voor een heldere, eenduidige VROM-boodschap. De juiste boodschap op het juiste moment bij de juiste personen brengen. En zorgen dat iedereen die een vraag aan VROM heeft gemakkelijk en snel een begrijpelijk antwoord krijgt of zelf kan vinden.

91.2.2. Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ()

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) is een bijna volledig door VROM gesubsidieerde instelling. Op verzoek van de Raad van State adviseert de StAB de bestuursrechter in geschillen op het gebied van onder meer milieu, ruimtelijke ordening, water en natuur. Ook worden op verzoek adviezen aan de rechtbanken verstrekt.

Tabel 91.2. Aantal adviesaanvragen
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Begroting 2010

Begroting 2011

 

Aantal

Classificatie

Classificatie

Classificatie

Classificatie

Stand per 01–01

102

10 142

12 401

11 141

11 141

Instroom aanvragen

346

34 121

32 221

43 580

43 250

Aantal afgehandelde aanvragen/adviezen

343

31 862

33 481

43 580

43 250

Stand per 31–12

105

12 401

11 141

11 141

11 141

Ingaande 2008 is overgegaan naar een andere systematiek van het registreren van de verwachte werkvolume. In plaats van het registreren in aantallen adviesaanvragen wordt nu de verwachte aantal mensuren per adviesaanvraag geregistreerd. Op deze manier wordt bij het registreren van de instroom (en uitstroom) rekening gehouden met de complexiteit van de adviesaanvraag en is tevens zichtbaar hoeveel adviesuren benodigd/geraamd zijn.

91.2.3. Wetsvoorstel algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Invoering van de WABO en het Omgevingsloket online heeft plaatsgevonden in het derde kwartaal van 2010. De maanden daarna hebben in het teken gestaan van nazorg voor implementatieactiviteiten voor gemeenten en provincies en het doorontwikkelen van het digitale loket. Met het invoeren van de Wabo is een lang proces afgerond. In het proces is met veel partijen samengewerkt, waaronder IPO en VNG, om de implementatie tot een succes te maken. Met de Wabo en het Omgevingsloket online is de omgevingsvergunning eenvoudiger en sneller aan te vragen en is het vergunningproces efficiënter ingericht. Het beheer van de Wabo is in de loop van 2010 ondergebracht bij VROM in samenwerking met het Agentschap NL. In 2011 wordt de ontwikkeling van de Wabo en het loket voortgezet. Zo staan onder ander het toevoegen van Water en de «Ontgrondingsvergunning» in de realisatieplanning van 2011.

91.2.4. Programma uitvoering met ambitie

Conform de nadere kabinetsreactie eindbeeld Mans van 19 juni 2009 en de daarover in bestuurlijk overleg tussen het Rijk, het IPO, de VNG en de UvW in 2010 gemaakte afspraken wordt in 2011 gezamenlijk met IPO, VNG en Unie van Waterschappen gewerkt aan de uitvoering van het programma «Uitvoering met ambitie».

De belangrijkste mijlpalen van het programma zijn in 2011:

  • Gemeenten en provincies hebben landsdekkend regionale uitvoeringsdiensten ontworpen die in 2012 de uitvoering van tenminste de zogenaamde basistaken voor hen gaan verzorgen; voor zover nodig is de wettelijke borging in procedure gebracht;

  • Gemeenten en provincies hebben in 2011 de kwaliteit van (de uitvoering en handhaving door) hun eigen organisatie beoordeeld aan de hand van de kwaliteitscriteria van KPMG van december 2009 en de op output- en outcome gerichte kwaliteitscriteria van de VNG van juli 2010. In vervolg daarop hebben zij de nodige verbeteringsmaatregelen getroffen dan wel besloten om ook (bepaalde) niet-basistaken vanaf 2012 door de regionale uitvoeringsdienst of een andere uitvoeringsinstantie te laten uitvoeren;

  • De ervaringen met de kwaliteitscriteria zijn in 2011 geëvalueerd; dat heeft waar nodig geleid tot aanpassing. Voor zover is besloten tot wettelijke vastlegging is de procedure daarvoor gestart, en

  • Gebruikmakend van de inrichting van de regionale uitvoeringsorganisaties is in 2011 gestart met de aansluiting bij en doorontwikkeling van de infrastructuur van het programma e-inspecties tot een gemeenschappelijke voorziening voor de informatie-uitwisseling tussen alle milieuhandhavingspartners. De voor die informatie-uitwisseling benodigde wettelijke regeling is in procedure gebracht.

91.3. Apparaat

Op dit artikel worden alle apparaatsuitgaven opgenomen van de begrotingen XI, VROM met uitzondering van de VROM-Inspectie, en XVIII, WWI, uitgesplitst naar beleidsartikelen en overhead. Ook worden hier de apparaatsuitgaven van de planbureaus, adviesorganen en kennisinstituten opgenomen. Het betreffen hier zowel apparaatsuitgaven voor loonkosten voor het ambtelijk personeel en postactieven als voor materiële uitgaven voor huisvesting, ICT en dergelijke.

91.3.1. Algemeen apparaat

In onderstaande tabel worden de uitgavenbudgetten van de in tabel 91.1 vermelde instrumenten «Apparaat beleidsartikelen begroting XI VROM» en «Apparaat beleidsartikelen begroting XVIII WWI» uitgesplitst naar de verschillende beleidsartikelen. Deze uitsplitsing is indicatief van aard, omdat in de VROM-administratie deze budgetten niet naar beleidsartikelen, maar naar beleidsdirecties zijn verbijzonderd. Daar waar beleidsonderwerpen door verschillende beleidsdirecties worden aangestuurd is een zuivere toedeling van de apparaatsbudgetten niet te maken.

Tabel 91.3 Apparaatskosten beleidsartikelen VROM en WWI uitgesplitst naar beleidsartikelen

x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Apparaat VROM:

36 266

35 560

35 027

35 151

35 151

34 983

Beleidsartikel 1

5 689

6 081

5 691

5 812

5 812

5 812

Beleidsartikel 2

5 346

5 103

5 083

5 084

5 084

5 084

Beleidsartikel 3

5 142

5 278

5 312

5 311

5 311

5 264

Beleidsartikel 4

4 910

4 640

4 593

4 594

4 594

4 553

Beleidsartikel 6

4 404

3 828

3 790

3 791

3 791

3 757

Beleidsartikel 7

5 070

5 071

5 020

5 021

5 021

4 976

Beleidsartikel 10

5 705

5 559

5 538

5 538

5 538

5 538

       

Apparaat WWI:

22 339

21 507

18 247

19 046

19 046

19 046

Beleidsartikel 1

4 829

4 632

3 095

3 095

3 095

3 095

Beleidsartikel 2

4 215

3 987

3 938

3 940

3 940

3 940

Beleidsartikel 3

6 438

6 162

4 506

5 303

5 303

5 303

Beleidsartikel 4

4 152

4 097

4 097

4 097

4 097

4 097

Beleidsartikel 5

2 705

2 629

2 611

2 611

2 611

2 611

91.3.2. Planbureau en raden

In deze paragraaf worden de werkzaamheden beschreven van het Planbureau voor de Leefomgeving en van de drie raden en commissies verbonden aan VROM.

Planbureau voor de Leefomgeving ()

Het Planbureau voor de Leefomgeving is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het planbureau draagt bij aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een integrale benadering voorop staat.

Ter ondersteuning van de kerntaken worden in 2011 ondermeer de volgende producten geleverd:

  • Evaluaties en verkenningen van de kabinetsprioriteiten op het gebied van de leefomgeving;

  • Een natuurverkenning met daarin ondermeer de betekenis van ecosysteemdiensten voor Nederland;

  • Een publicatie met signalering en een thematische verdieping van (nieuwe) ontwikkelingen op het gebied van de leefomgeving. Dit nieuwe product verschijnt in de jaren dat er geen Balans van de Leefomgeving wordt uitgebracht, en

  • Analyses op het terrein van ondermeer klimaatverandering en -adaptatie, duurzame gewasbescherming, duurzame stad, mobiliteit, kansrijk omgevingsbeleid en wonen.

Raad voor de Wadden ()

De Raad voor de Wadden adviseert gevraagd en ongevraagd vanuit een grote gebiedsgebonden betrokkenheid over een breed scala van beleidsterreinen, die hun doorwerking hebben voor de Waddenzee. Uitgangspunt voor de Raad is de hoofddoelstelling natuur, zoals die in de regelgeving voor de Waddenzee is neergelegd. Binnen de randvoorwaarden hiervan adviseert de Raad integraal gebiedsgericht over de verschillende ontwikkelingen die in het gebied spelen. VROM beoogt met zijn bijdrage aan deze Raad onafhankelijk advies te verkrijgen over het Waddenzeebeleid, met name op de relatie tussen economie en milieu. In het voorjaar van 2010 zijn de voorbereidende werkzaamheden voor het werkprogramma voor 2011 gestart. Het werkprogramma zal in het najaar worden vastgesteld.

Adviesraad Gevaarlijke Stoffen ()

De Adviesraad Gevaarlijke Stoffen heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over beleid en wetgeving inzake technische en technisch-organisatorische maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen als gevolg van het gebruik, de opslag, de productie, het vervoer van gevaarlijke stoffen en beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen en rampen (Artikel 2 van de Wet Adviesraad gevaarlijke stoffen). Het voornemen bestaat deze adviesraad op te heffen en strategische vraagstukken met betrekking tot externe veiligheid, risicobeleid en gevaarlijke stoffen onder te brengen bij de op te richten Raad voor de leefomgeving en infrastructuur.

Technische commissie bodembescherming ()

De Technische commissie bodembescherming adviseert over de technisch-wetenschappelijke aspecten van milieubeleid voor de bodem. Andere activiteiten van de commissie zijn het op beperkte schaal laten uitvoeren van onderzoek, of het organiseren van werkgroepen, over onderwerpen die bij de voorbereiding van adviezen van belang zijn.

In 2011 verwacht de commissie onder andere te adviseren over onderwerpen die relatie hebben met:

  • Besluit Bodemkwaliteit, waaronder de evaluatie van het besluit en onderwerpen in relatie tot verondiepen plassen;

  • Convenant Bodem, waaronder gebiedsgericht grondwaterbeheer;

  • Organisatie van de kennis (-ontwikkeling, -aansturing, -ontsluiting, -benutting) in een gedecentraliseerde beleidsomgeving;

  • Risicobeoordeling bodemverontreiniging, waaronder normstelling lood en ecologische risicobeoordeling;

  • Beleidsvisie duurzaam gebruik van de ondergrond, waaronder nadere invulling afwegingskaders, en

  • Mestbeleid, met name in het kader van de voorbereiding vijfde actieprogramma nitraatrichtlijn.

De TCB verwacht in 2011 verder te werken aan de onderwerpen:

  • Bodem in de stad, duurzame benutting van de bodem in relatie tot leefomgevingskwaliteit;

  • Ecosysteemdiensten van de bodem, en

  • Bagger op de kant, de commissie is mede-initiatiefnemer van een onderzoek naar de gevolgen van verspreiding van bagger op het land. Het onderzoek loopt af in 2011.

91.3.3. Verzameluitkering VROM

In een verzameluitkering worden per ministerie alle financieel geringe bedragen (beleidsthema's) aan een medeoverheid opgenomen. Alle bedragen waarvoor een budget beschikbaar is dat onder het grensbedrag (gesteld op maximaal 10 miljoen euro) ligt, moeten in de verzameluitkering worden opgenomen. De Financiële-verhoudingswet geeft de wettelijke grondslag voor de verzameluitkering. In de uitkering is het volgende beleidsthema opgenomen met de daarbij voor het begrotingsjaar 2011 uitgetrokken budget:

Beleidsthema «Sanering verspreid liggende kassen»: € 2,21 mln.

Met de verzameluitkering wordt beoogd de medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk en de administratieve lasten bij het Rijk en de medeoverheden te beperken (zie ook Kamerstukken II, 2007/08, 31 327; Stb. 2008, 312).

91.3.4. Bekostiging van externe uitvoeringsorganisaties

Als uitvloeisel van de ontwikkeling naar kerndepartementen is de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties zoals het Agentschap NL en het RIVM. De opdrachtverlening aan het Agentschap NL en het RIVM wordt binnen VROM en WWI centraal gecoördineerd door de Coördinerend Opdrachtgever. Doel hiervan is het verbeteren van overzicht op de totale opdracht, kwaliteitsverbetering van het hele opdrachtproces en terugdringen van de administratieve lasten. Als onderdeel hiervan zijn de benodigde budgetten voor bekostiging van deze externe uitvoeringsorganisaties op één plaats in de begroting gezet.

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien
92.1. Algemene beleidsdoelstelling

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 92 worden gedaan. Het artikel dient meestal als tussenstation voor uitboeking van diverse posten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 92.1. Nominaal en onvoorzien

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

0

33 867

32 815

18 521

11 567

6 404

4 925

Uitgaven:

0

33 627

32 815

18 521

11 567

6 704

4 925

 

Loonbijstelling:

0

0

0

0

0

0

0

          
 

Prijsbijstelling:

0

5 100

8 937

9 184

9 029

8 955

8 957

     

 

    
 

Onvoorzien:

0

172

1 514

2 117

3 037

3 037

3 037

     

 

    
 

Nog te verdelen:

0

28 355

22 364

7 220

– 499

– 5 288

– 7 069

  

Nog nader te verdelen taakstellingen

0

– 1

6

– 7 168

– 7 477

– 13 270

– 13 270

  

Nog nader te verdelen overig

0

28 356

22 358

14 388

6 978

7 982

6 201

2.4. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Vernieuwing Rijksdienst en Personele taakstelling

Het kerndepartement VROM/WWI stuurt op basis van het Programma Vernieuwing Rijksdienst op een taakstelling van € 43 mln. en 609 fte. Op basis van de huidige prognoses zal het grootste deel van deze taakstelling worden gerealiseerd door natuurlijk verloop. Om met minder mensen en middelen meer resultaten te behalen zijn organisatorische veranderingen in gang gezet die zich onder meer richten op:

  • het vergroten van de flexibiliteit en daarmee van de slagkracht van de organisatie;

  • het bevorderen van optimale samenwerking en transparantie;

  • het versterken van project- en programmamatig aanpakken van vraagstukken.

De bedrijfsvoering ondersteunt het beleidsproces optimaal en integraal en sluit daarbij aan op de rijksbrede ontwikkelingen.

De lijn van het Programma Vernieuwing rijksdienst wordt in 2011 afgerond en DGOBR zal in het verlengde hiervan een nieuw programma voor de bedrijfsvoering na 2011 opstellen. De focus is gericht op centrale sturing van de bedrijfsvoering bij de kerndepartementen. Belangrijke onderwerpen zijn rijksbreed normeren en standaardiseren, uitbouwen van rijksbrede shared-service-organisaties en actief sturen op apparaatskosten. Het Ministerie van VROM zal hierin een actieve rol spelen.

Bezuinigingsmaatregelen bedrijfsvoering

Vanwege financiële problematiek op de materiële en personele budgetten heeft VROM een serie bezuinigingsmaatregelen genomen. Op verschillende centrale faciliteiten zoals externe accommodaties, catering, taxivervoer en kantoorartikelen zal worden bezuinigd. Bovendien zal er op personele budgetten worden ingekrompen door een vergaande heroverweging op ICT-voorzieningen, de overgang naar een nieuw financieel systeem en het inrichten van een centrale bedrijfsvoeringsdirectie. Door deze strakke prioritering op faciliteiten en taken kan de benodigde besparing op de bedrijfsvoeringsbudgetten worden gerealiseerd.

Taakstelling externen

VROM heeft scherpe normen geformuleerd om te kunnen voldoen aan het besluit van het kabinet om de uitgaven aan externe inhuur te beperken tot 13% van de totale personele kosten in 2011. VROM monitort periodiek en zal ingrijpen indien de normen dreigen te worden overschreden.

Programma Nieuwe Huisvesting

Het Programma Nieuwe Huisvesting is ingericht voor de renovatie van het pand aan de Rijnstraat (Den Haag) en de gezamenlijke huisvesting van de Ministeries van VROM en VenW. Het programma maakt gebruik van ontwikkelingen zoals de Rijkswerkplek en Digitale Werkomgeving Rijksdienst en heeft als centrale thema’s duurzaamheid en vernieuwing.

Financieel systeem

VROM heeft het voornemen om per januari 2011 over te gaan naar een nieuw financieel systeem voor het kerndepartement. Het huidige systeem is aan het einde van zijn technische levensduur en kostbaar. In de samenwerking met VenW neemt VROM het financieel systeem dat bij VenW in gebruik is integraal over.

Duurzaam Inkopen

In 2011 zullen de actuele milieucriteria worden toegepast bij alle aanbestedingen waarvoor milieucriteria zijn vastgesteld. Naast vastgestelde criteria die als eisen zijn geformuleerd kunnen ook aanvullende wensen worden meegenomen bij de aanbestedingen. Zowel voor de eigen aanbestedingen als voor de interdepartementale aanbestedingen die in het kader van Categoriemanagement worden uitgevoerd wordt op deze manier uitvoering gegeven aan de doelstelling om 100% duurzaam in te kopen. Wanneer dat bij een specifieke aanbesteding niet mogelijk is, zal dat worden toegelicht.

3. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

In dit verdiepingshoofdstuk staat per artikel de opbouw van het artikel weergegeven. De stand ontwerpbegroting 2010, mutaties 1e suppletoire begroting 2010 en nieuwe mutaties maken samen de stand ontwerpbegroting 2011. De uitgaven en ontvangsten worden op deze wijze inzichtelijk gemaakt. De meest belangrijke beleidsmatige mutaties worden afzonderlijk inzichtelijk gemaakt en toegelicht.

Artikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

7 183

2 782

3 403

3 797

3 669

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 208

700

500

500

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Naar BZK ivm compensatie Raad van State

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

b.

Structuurwijziging van 91.81.06

0

38 899

33 589

25 709

25 709

25 709

c.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

3 669

d.

Overige mutaties

158

400

400

400

400

400

Stand ontwerpbegroting 2011

5 033

40 681

35 792

28 306

27 678

27 678

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft een overboeking naar BZK in verband met compensatie voor een verhoging van de werklast bij de Raad van State als gevolg van de invoering van de WRO.

Ad b.

De mutatie betreft een overboeking vanuit artikel 91 in verband met een structuurwijziging van de begroting. Het operationeel doel «Coördinatie van de interbestuurlijke Geo-informatie» is in de begroting 2011 toegevoegd aan artikel 1.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

1 572

0

0

0

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Structuurwijziging van de begroting (zie ook art. 91)

0

934

934

934

934

934

Stand ontwerpbegroting 2011

1 572

934

934

934

934

934

Toelichting

Ad a.

Zie de toelichting bij de mutatie ad b. bij de uitgaven.

Artikel 2. Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

293 240

92 936

60 565

55 528

51 756

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

133 568

13 005

2 703

7 927

9 778

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

FES Nota Ruimte project Maastricht Belvedere

0

– 2 000

0

0

0

0

b.

FES Nota Ruimte project Nijmegen Waalfront

0

– 5 000

0

0

0

0

c.

FES Nota Ruimte project Ijsseldelta Kampen

0

0

17 900

4 500

0

0

d.

Amendement Roefs: Project Dierenpark Emmen

8 500

0

0

0

0

0

e.

VROM-brede herschikking bedrijfsvoering

0

0

0

– 4 181

– 4 366

– 4 555

f.

NSP Zuidas doorloop 2009

7 613

0

0

0

0

0

g.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

63 432

h.

Overige mutaties

– 132

6

3

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

442 789

98 947

81 171

63 774

57 168

58 877

Toelichting

Ad a.

De mutatie is het gevolg van de versnelling in 2009 ten opzichte van de oorspronkelijke raming van de uitvoering van het FES-project Maastricht Belvedere.

Ad b.

De mutatie is het gevolg van de versnelling in 2009 ten opzichte van de oorspronkelijke raming van de uitvoering van het FES-project Nijmegen Waalfront.

Ad c.

De mutatie betreft het aan de VROM-begroting toevoegen van de geraamde uitgaven voor het FES-project IJsseldelta Kampen.

Ad d.

De mutatie betreft de toevoeging aan de VROM-begroting van middelen voor de verplaatsing van het dierenpark te Emmen (amendement van het lid Roefs, 32 123 XI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het jaar 2010).

Ad e.

De mutatie betreft een herschikking van middelen als gevolg van de budgettaire problematiek bij de interne bedrijfsvoering VROM.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

213 513

33 930

13 200

4 000

0

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

185 293

15 000

2 900

0

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

FES Project Ijsseldata

0

0

17 900

4 500

0

0

b.

FES Project Nijmegen Waalfront

0

– 5 000

0

0

0

0

c.

FES Project Maastricht Belvedere

0

– 2 000

0

0

0

0

d.

Amendement Roefs: Dierenpark Emmen

8 500

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

407 306

41 930

34 000

8 500

0

0

Toelichting

Ad a. tot en met d.

Zie de toelichting bij de betreffende mutaties bij de uitgaven.

Artikel 3. Klimaat en Luchtkwaliteit

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

191 274

127 856

35 834

31 851

31 785

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

34 260

– 4 449

– 296

800

800

800

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Compensatie problematiek Milieu

0

– 405

– 1 558

– 4 982

– 4 982

– 4 982

b.

FES middelen voor klimaatneutrale steden

0

0

0

0

0

0

c.

Verlaging budget voor verkeersmaatregelen

0

– 12 697

0

0

0

0

d.

Structurele financiering emissieregistratie

2 357

2 357

2 357

2 357

2 357

2 357

e.

Verlaging budget uitvoeringskosten

0

0

– 907

– 2 870

– 2 804

– 2 804

f.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

31 785

g.

Overige mutaties

– 465

– 3 042

– 895

– 743

– 574

– 574

Stand ontwerpbegroting 2011

227 426

109 620

34 535

26 413

26 582

26 582

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor de NEa vanwege de bekostiging uit de verwachte veilingopbrengsten.

Ad b.

De mutatie betreft opgevraagde FES-middelen voor klimaatneutrale steden.

Ad c.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor verkeersmaatregelen luchtkwaliteit (roetfilters) vanwege een verwacht lager aantal aanvragen als gevolg van de economische crisis.

Ad d.

VROM heeft in overleg met de medeopdrachtgevers V&W en LNV in 2008 besloten om de Emissieregistratie per 1-1-2010 te verplaatsen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar het RIVM. Reden hiervoor is dat de Emissieregistratie beter past bij het profiel en de wijze van aansturing van het RIVM.

Ad e.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor uitvoeringskosten als gevolg van door te voeren effeciencymaatregelen.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

124 843

76 000

6 000

6 000

6 000

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

37 444

4 900

4 270

0

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

6 000

b.

Overige mutaties

0

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

162 287

80 900

10 270

6 000

6 000

6 000

Artikel 4. Duurzaam produceren

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

149 515

146 652

152 048

151 493

151 393

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 11 624

– 1 069

– 297

0

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Naar Waddenfonds ivm Milieu problematiek

0

0

– 1 105

– 3 300

– 3 300

– 4 000

b.

Verlaging onderzoeks- en uitvoeringsbudget

0

0

– 6 995

– 4 800

– 4 800

– 4 100

c.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

151 393

d.

Overige mutaties

739

– 2 526

– 3 102

– 2 255

– 2 192

– 1 413

Stand ontwerpbegroting 2011

138 630

143 057

140 549

141 138

141 101

141 880

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft een verlaging van het onderzoeks- en uitvoeringsbudget ter compensatie van de aanpassing van de raming in het kader van de leenconstructie Waddenfonds.

Ad b.

De mutatie betreft een taakstellende verlaging van het onderzoeks- en uitvoeringsbudget.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 661

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

2 661

0

0

0

0

0

Artikel 6. Risicobeleid

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

42 883

59 136

73 492

79 841

79 841

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

30 216

28 628

– 2 494

– 35 200

– 34 200

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Naar PF voor programmafinanciering Externe Veiligheid

0

– 20 000

– 20 000

– 20 000

– 20 000

0

b.

Naar V&W voor EV-middelen

0

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

c.

Extrapolaties 2015

0

0

0

0

0

79 841

d.

Overige mutaties

30

– 1 946

– 2 000

– 1 546

– 1 546

– 1 546

Stand ontwerpbegroting 2011

73 129

63 718

46 898

20 995

21 995

76 195

Toelichting

Ad a.

De middelen voor de programmafinanciering Externe Veiligheid worden voor een periode van 4 jaar overgeboekt naar het Provinciefonds.

Ad b.

De mutatie betreft de bijdrage van VROM aan de V&W middelen voor Externe Veiligheid.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 283

950

300

0

0

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

182

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

2 465

950

300

0

0

0

Artikel 7. Versterken van het internationale VROM en WWI beleid

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

74 762

97 680

91 066

62 900

8 171

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

5 989

6 020

5 372

2 230

2 230

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Bijdrage VROM aan EZ Tropomi

– 700

– 1 000

– 1 300

– 1 600

– 1 600

0

b.

Actualisatie van jaarlijks benodigde budgetten Interreg

0

0

– 2 000

2 000

0

0

c.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

9 901

d.

Overige mutaties

383

– 654

– 174

– 23

137

– 63

Stand ontwerpbegroting 2011

80 434

102 046

92 964

65 507

8 938

9 838

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft de bijdrage van VROM aan EZ voor Tropomi. EZ coördineert de opdracht voor het project Tropomi namens de Rijksoverheid.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

4 938

4 900

4 270

0

0

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 4 938

– 4 900

– 4 270

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

0

0

0

0

0

0

Artikel 9. Handhaving en toezicht

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

57 690

55 257

55 149

55 219

55 218

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 6 758

– 7 703

– 5 700

– 4 593

– 2 581

– 2 581

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Extra middelen t.b.v. de bedijfsvoering

7 700

0

0

0

0

0

b.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

55 218

c.

Overige mutaties

0

600

600

600

600

600

Stand ontwerpbegroting 2011

58 632

48 154

50 049

51 226

53 237

53 237

Toelichting

Ad a.

In het kader van de herschikking van budgetten voor de bedrijfsvoering VROM worden middelen in 2010 aan het onderhavige artikel «Handhaving en toezicht» toegevoegd.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

882

882

882

882

882

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

0

0

0

0

0

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

882

Stand ontwerpbegroting 2011

882

882

882

882

882

882

Artikel 10. Leefomgevingskwaliteit

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

239 481

239 362

244 342

228 695

228 695

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 111 846

– 139 967

– 133 797

– 125 769

– 126 381

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Verlaging budget uitvoeringskosten

0

– 1 500

– 1 500

– 1 500

– 1 477

– 1 477

b

Verlaging budget bekostiging CMER

0

0

0

– 3 000

– 3 000

– 3 000

c.

Leenconstructie Waddenfonds

0

0

0

0

0

– 1 198

d.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

228 695

e.

Overige mutaties

506

– 139

– 389

– 389

– 389

– 389

Stand ontwerpbegroting 2011

128 141

97 756

108 656

98 037

97 448

222 631

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft een verlaging van het budget voor uitvoeringskosten als gevolg van door te voeren effeciencymaatregelen.

Ad b.

De mutatie betreft een verlaging van het budget als gevolg van de bekostiging van CMER uit leges.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

30 565

18 000

16 000

0

0

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

17 726

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

48 291

18 000

16 000

0

0

0

Artikel 91. Algemeen

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

356 338

327 791

308 017

304 890

305 010

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

112 170

42 850

21 709

2 516

– 1 226

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Continuering programmadirecte Wijken

0

1 500

0

0

0

0

b.

Afboeking ontvangsten

0

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

c.

Emissie

– 2 357

– 2 357

– 2 357

– 2 357

– 2 357

– 2 357

d.

Structuurwijziging begroting VROM

0

– 38 899

– 33 589

– 25 709

– 25 709

– 25 709

e.

Taakstelling arbeidsproduktiviteit aandeel VROM brede directies

0

0

– 1 005

– 2 086

– 2 086

– 2 086

f.

Van DGM tbv structurele taken RIVM

0

6 300

3 900

2 100

2 100

2 100

g.

Taakstelling arbeidsproduktiviteit invulling

0

0

2 234

4 638

4 638

4 638

h.

Interne herschikking bedrijfsvoeringsbudgetten

– 11 786

– 3 765

364

– 6 246

– 5 236

– 5 336

i.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

306 241

j.

Overige mutaties

1 135

– 112

– 115

179

– 580

– 285

Stand ontwerpbegroting 2011

455 500

331 208

297 158

275 825

272 454

275 106

Toelichting

Ad a.

In de begroting zijn voor de programmadirectie Wijken alleen budgetten tot en met 2010 beschikbaar gesteld, maar de wijkenaanpak loopt door tot in 2011.

Ad b.

Het betreft een afboeking van de ontvangstenreeks bij het apparaat van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Jaarlijks zal bezien worden wat de exacte ontvangsten zullen zijn.

Ad c.

VROM heeft in overleg met de mede-opdrachtgevers V&W en LNV in 2008 besloten om de Emissieregistratie per 1-1-2010 te verplaatsen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) naar het RIVM. Reden hiervoor is dat de Emissieregistratie beter past bij het profiel en de wijze van aansturing van het RIVM.

Ad d.

De mutatie betreft een overboeking van budget van artikel 91 naar artikel 1 in verband met een structuurwijziging van de begroting. Het operationeel doel «Coördinatie van de interbestuurlijke Geo-informatie» is in de begroting 2011 toegevoegd aan artikel 1.

Ad f.

Met deze interne overboeking worden de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering van taken met een structureel karakter (voortvloeiend uit bijvoorbeeld wettelijke taken of monitoringseisen vanuit de Europese Unie), ook structureel voor het RIVM gereserveerd (totaal ongeveer € 23 mln).

Ad g.

De productiviteitstaakstelling die tot een verhoging efficiency moet leiden, wordt met deze reeks volledig uitgeboekt. De dekking hiervoor wordt gevonden in een extra taakstelling op fte’s binnen het VROM-apparaat.

Ad h.

De ombuigingen zijn het gevolg van versobering- en het efficiencymaatregelen van de interne bedrijfsvoering, bijv. op het gebied van automatisering, dienstreizen, communicatie etc.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

32 779

31 825

31 825

31 346

31 346

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

23 525

4 300

4 260

2 286

2 286

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Afboeking ontvangsten Planbureau

0

– 2 100

– 2 100

– 2 100

– 2 100

0

b.

Structuurwijziging van de begroting (zie ook art. 1)

0

– 934

– 934

– 934

– 934

0

c.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

30 758

d.

Overige mutaties

232

160

160

160

160

0

Stand ontwerpbegroting 2011

56 536

33 251

33 211

30 758

30 758

30 758

Toelichting

Ad a.

Deze mutatie betreft een afboeking van de ontvangstenreeks bij het apparaat van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Jaarlijks zal bezien worden wat de exacte ontvangsten zullen zijn.

Ad b.

De mutatie betreft een overboeking vanuit artikel 91 in verband met een structuurwijziging van de begroting. Het operationeel doel «Coördinatie van de interbestuurlijke Geo-informatie» is in de begroting 2011 toegevoegd aan artikel 1.

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

– 3 249

– 1 712

2 067

– 1 126

– 9 454

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

616

1 689

– 1 119

– 393

– 394

0

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Prijsbijstelling

0

5 219

4 723

4 490

4 379

4 379

b.

Versobering bedrijfsvoering Rijksdienst

0

1 800

1 800

1 800

1 800

1 800

c.

Taakstelling archiefachterstanden

0

0

– 878

– 908

– 908

– 908

d.

Invulling herschikkingen VROM brede bedijfsvoering

32 260

25 819

19 517

15 193

18 770

14 722

e.

Taakstelling Rijksdienst

0

0

– 7 489

– 7 489

– 7 489

– 7 489

f.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

– 7 579

g.

Overige mutaties

0

0

– 100

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2011

33 627

32 815

18 521

11 567

6 704

4 925

Toelichting

Ad a.

Het betreft hier middelen die intern zijn vrijgespeeld om prijsbijstelling uit te kunnen keren op plekken daar waar het noodzakelijk is als gevolg van bijvoorbeeld contractuele verplichtingen.

Ad b.

Het Kabinet heeft als onderdeel van het crisispakket in 2009 besloten tot een versobering van de bedrijfsvoering bij departementen. Met de genoemde reeks wordt deze taakstelling volledig ingevuld.

Ad c.

Met deze reeks wordt de VROM-bijdrage aan de Rijksbrede archiefachterstanden volledig ingevuld.

Ad d.

Op de VROM begroting waren er financiële tekorten ontstaan op materieel en personeel gebied. Door een grote VROM en WWI brede herschikking van middelen worden deze problemen grotendeels opgelost. Het surplus wordt later verdeeld.

Ad e.

Voor alle departementen (incl. agentschappen en uitvoerende ZBO's) geldt een taakstelling van 1,5% voor 2012 en verder op personeel en materieel. De besparting wordt behaald door middel van arbeidsproductiviteitsverhoging.

4. BEGROTING VAN DE BATEN-LASTENDIENST NEDERLANDSE EMISSIEAUTORITEIT

De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) ondersteunt de uitvoering van emissiehandel en toetst als onafhankelijk toezichthouder de naleving van de regels. De NEa doet dat op transparante en rechtvaardige wijze, waarbij ze een effectieve en efficiënte uitvoering nastreeft. Op deze wijze wil de NEa emissiehandel betrouwbaar en vertrouwd maken.

De Minister van VROM heeft de Tweede Kamer kenbaar gemaakt een bestuur voor de Nederlandse Emissieautoriteit aan te stellen met de status van ZBO. De Wet milieubeheer zal hiervoor worden aangepast. De baten-lastendienst NEa zal dan niet meer onder eindverantwoordelijkheid van de Minister van VROM opereren, maar onder eindverantwoordelijkheid van het bestuur van de NEa dat als zodanig het ZBO zal zijn. Vanaf die datum ondersteunt de baten-lastendienst NEa het bestuur in de uitvoering van haar wettelijke taken. Het gaat daarbij om een drietal hoofdtaken: verlenen en actualiseren van emissievergunningen, beheren van de CO2- en NOx-registers en toezicht en handhaving van de wetgeving.

Het streven was erop gericht de NEa in het 1e kwartaal van 2010 tot zelfstandig bestuursorgaan om te vormen. Als gevolg van de val van het kabinet in februari 2010 zijn die voorbereidingen stil komen te liggen, in afwachting van de Tweede Kamer verkiezingen in juni 2010 en de kabinetsformatie die daarop volgt. De huidige verwachting is dat de NEa aan het eind van 2010 alsnog tot een zelfstandig bestuursorgaan zal zijn omgevormd.

Tabel 1: Begrotingsstaat 2011 (x € 1 000)

Totaal baten

Totaal lasten

Saldo baten en lasten

6 587

6 587

0

Totaal kapitaaluitgaven

Totaal kapitaalontvangsten

 

1 680

1 400

 
Tabel 2: Begroting van baten en lasten

Bedragen x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

5 349

6 260

6 585

6 519

6 453

6 387

6 322

Rentebaten

2

19

2

2

2

2

2

Totaal baten

5 351

6 279

6 587

6 521

6 455

6 389

6 324

Lasten

       

Apparaatskosten:

       

– personele kosten

3 704

4 740

4 542

4 497

4 451

4 406

4 360

– materiële kosten

1 692

1 461

1 712

1 691

1 686

1 675

1 662

Rentelasten

8

2

42

34

25

17

8

Afschrijvingskosten:

       

– materieel

13

13

11

20

13

12

13

– immaterieel

251

63

280

280

280

280

280

Totaal lasten

5 668

6 279

6 587

6 521

6 455

6 389

6 324

Saldo

– 317

0

0

0

0

0

0

Toelichting bij de opbouw baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement betreft de inkomsten die voortkomen uit de opdracht van de directie Klimaat & Luchtkwaliteit. In deze opbrengst zijn ook de werkzaamheden voor het project allocatiefase 3 opgenomen. Dit project start in 2010 en zal doorlopen tot in 2011. De definitieve opbrengst hangt af van de nog vast te stellen kostprijzen en de daadwerkelijk geleverde aantallen producten. Doordat de Europese wet- en regelgeving voor CO2-emissiehandel nog voortdurend verandert, is het moeilijk om het aantal producten in de toekomst goed in te schatten. De kostprijzen van de producten zullen kostendekkend worden vastgesteld want de NEa heeft geen winstoogmerk. In het overzicht doelmatigheidsindicatoren staan de baten naar productgroep gespecificeerd.

Renteopbrengsten

De rentebaten zijn geschat op tweeduizend euro per jaar.

Toelichting bij de opbouw lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele kosten laten een daling zien ten opzichte van 2010. Deze daling wordt veroorzaakt door aanzienlijk minder inhuur van externen (onder andere door uitbreiding van de formatie). In de personele kosten zijn eveneens de kosten voor inhuur voor het uitvoeren van de projecten begrepen.

Naarmate de EU de emissiehandel op meer bedrijven van toepassing laat zijn zal het aantal bedrijven dat deelneemt aan de emissiehandel eveneens toenemen.

De groei van het aantal producten zal door de NEa grotendeels worden opgevangen via efficiencyverbetering, waardoor extra inhuur zo veel mogelijk achterwege blijft.

Materiële kosten

De materiële kosten zullen in 2011 hoger uit vallen dan in 2010. Dit komt met name door de stijging van de kosten voor de afname van facilitaire diensten van het moederdepartement en de kosten voor het registerbeheer. Daarnaast gaat de NEa (evenals de overige EU lidstaten) bijdragen in de kosten voor het ontwikkelen en gebruik maken van een tool van Eurocontrol (Europese luchtverkeersleiding). Deze tool gaat gebruikt worden om de emissies van vliegtuigexploitanten inzichtelijk te maken.

Rentelasten

Dit betreffen de begrote rentelasten van de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën en de rekening courantrekeningen.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bedragen € 0,3 mln. De afschrijvingstermijnen bedragen voor immateriële vaste activa 5 jaar, voor computerapparatuur 3 jaar en voor meubilair en software 5 jaar.

Tabel 3: Kasstroomoverzicht voor het jaar 2011 (X € 1 000)

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1. Rekening-courant RHB 1 januari

1 860

1 193

1 228

1 239

1 223

1 236

1 248

        

2. Totaal operationele kasstroom

22

76

291

300

293

292

293

        

Totaal investeringen

– 98

0

– 1 400

– 36

0

0

– 39

Totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3. Totaal investeringskasstroom

– 98

0

– 1 400

– 36

0

0

– 39

        

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 428

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen

– 163

– 41

– 280

– 280

– 280

– 280

– 280

Beroep op leenfaciliteit

 

0

1 400

  

0

0

4. Totaal financieringskasstroom

– 591

– 41

1 120

– 280

– 280

– 280

– 280

5. Rekening courant RHB 31 december (= 1+2+3+4) 2. Het beleid-vvv (maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

1 193

1 228

1 239

1 223

1 236

1 248

1 222

Investeringskasstroom

De investeringen in 2011 hebben betrekking op het project «Proces Automatisering NEa» en het bouwen van een biobrandstoffen register. In de andere jaren gaat het om het in stand houden van de activa.

Financieringskasstroom

Het beroep op de leenfaciliteit is ter financiering van de investering inzake het project «Proces Automatisering NEa» en de bouw van een biobrandstoffen register. De raming van de aflossingen is gebaseerd op de begrote leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Informatie over de doelmatigheid van de NEa

In zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat de NEa op een doelmatige wijze haar rol als bevoegd gezag voor emissiehandel binnen Nederland vervult. De prestatie-indicatoren in onderstaande tabel laten de komende jaren verbeteringen zien ten opzichte van voorgaande jaren.

Tabel 4: overzicht doelmatigheidsindicatoren 2011

Doelmatigheidsindicatoren

2011

2012

2013

2014

2015

Kostprijzen per product (x € 1):

     

Vergunningaanvragen (per vergunning)

3 626

3 586

3 546

3 505

3 465

Onderhoud dossier (per dossier)

1 162

1 077

1 003

960

919

Helpdesk en registeradministratie (per rekening)

832

822

813

804

795

      

Tarieven per uur (x € 1):

     

Laag

69

70

70

71

72

Midden

92

93

94

95

96

Hoog

112

113

114

115

116

      

FTE totaal (excl. externe inhuur)

43

43

43

43

43

      

Omzet per productgroep (x € 1 000)

     

Vergunningaanvragen (p*q)

156

155

153

152

150

Onderhoud dossier (p*q)

593

587

582

576

570

Toezicht en handhaving

1 784

1 766

1 748

1 730

1 712

Juridische procedures

204

202

200

198

196

Helpdesk en registeradministratie (p*q)

1 080

1 069

1 058

1 047

1 036

Registeronderhoud

1 370

1 356

1 343

1 329

1 315

Advisering en beleidsafstemming

230

228

226

223

221

Overige producten/diensten

247

245

242

240

238

Projecten

920

910

901

892

883

Totaal

6 585

6 519

6 453

6 387

6 322

Saldo van baten en lasten (%)

0

0

0

0

0

      

Kwaliteitsindicatoren

     

Validatie& vergunningen

     

% vergunningen verleend binnen wettelijke termijn

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

% meldingen afgehandeld binnen wettelijke termijn

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

Aantal bedrijven met een vergunning

510

545

580

600

620

      

Registratie Emissiehandel

     

Register CO2 online

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

Register NOx online

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

      

Toezicht en handhaving

     

Aantal uitgevoerde audits bij bedrijven gebaseerd op IGT en Nieuwkomers

92

87

77

77

62

Aantal uitgevoerde audits bij bedrijven gebaseerd op een steekproef

30

30

30

30

30

Aantal uitgevoerde audits bij luchtvaartoperators

17

10

10

10

10

Aantal uitgevoerde ad hoc onderzoeken bij bedrijven

80

80

80

80

80

Aantal uitgevoerde thema onderzoeken

3

5

5

5

5

      

Algemeen

     

Aantal gegronde klachten over uitoefening taken

<3

<3

<3

<3

<3

Aantal ongegronde klachten over uitoefening taken

<2

<2

<2

<2

<2

% klachten afgerond binnen wettelijke termijn

100%

100%

100%

100%

100%

Tevreden belanghebbenden

>70%

>65%

>65%

>68%

>69%

Ontevreden belanghebbenden

<10%

<10%

<10%

<10%

<10%

Directe uren/totaal aantal gewerkte uren

>56%

>58%

>60%

>60%

>60%

Opmerkingen bij het overzicht doelmatigheidsindicatoren:

Tarieven per uur

Door de uitbreiding van de formatie die in 2010 zal plaatsvinden liggen de tarieven voor 2011 en volgende jaren aanzienlijk lager dan in voorgaande jaren.

Tariefgroep

2011

2010

Laag

€ 69

€ 107

Midden

€ 92

€ 136

Hoog

€ 112

€ 139

% meldingen en vergunningen

Het gaat hier om het percentage meldingen en vergunningen dat binnen de wettelijke termijn van acht weken is afgehandeld.

Registers CO2 en NOx online

Met deze percentages wordt de beschikbaarheid van beide registers weergegeven.

Directe uren/totaal aantal gewerkte uren

Hieronder wordt verstaan het percentage van het totaal aantal directe uren gedeeld door het totaal aantal gewerkte uren van alle medewerkers (primair en secundair proces). Gewerkte uren is gelijkgesteld aan de beschikbare productieve uren op jaarbasis.

5. BEGROTING 2011 VAN HET WADDENFONDS

5.1. Het beleid

5.1.1. Doel van het Waddenfonds

De Waddenzee is het grootste aaneengesloten natuurgebied van West-Europa en een van de grootste getijdengebieden ter wereld. De variatie in overstromingsduur, stroming en zoutgehalte zorgt voor een grote verscheidenheid aan natuurwaarden. Met zijn brakke en zoute wateren en hoger gelegen kwelders biedt dit gebied ruimte aan internationaal belangrijke flora en fauna. Zo vormt de Waddenzee voor trekvogels onderweg van het noordelijk halfrond naar het zuidelijk halfrond een noodzakelijk foerageergebied. Het gebied is een samenhangend geheel met als overeenstemmende kenmerken: (geo-)morfologie, ecologie en landschap, waardoor een eigen identiteit ontstaat. Die eenheid en samenhang strekken zich ook uit tot de omliggende gebieden waarmee de Waddenzee samen het waddengebied vormt. Het gebied kent een voortdurende dynamiek en is de afgelopen eeuw veranderd onder invloed van de mens, onder meer door landaanwinning en de aanleg van kustverdedigingswerken.

Alle betrokken overheden, bewoners, terreinbeheerders, etc. hebben de taak de Waddenzee als natuurgebied duurzaam te ontwikkelen en te beschermen en het unieke open landschap te behouden. Dit is de hoofddoelstelling van de PKB Derde Nota Waddenzee. De internationaal erkenning van de Waddenzee uit zich onder meer doordat zij onlangs op de UNESCO-werelderfgoedlijst is geplaatst.

Het kabinet heeft naar aanleiding van het advies van de Adviesgroep Waddenzeebeleid (rapport «Ruimte voor de Wadden» d.d. 1 april 2004) onder meer besloten om offensief vorm te geven aan deze hoofddoelstelling door het doen van additionele investeringen in de Waddenzee en het Waddengebied (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 684, nr. 1). Het kabinet trekt daarvoor € 800 miljoen uit, verspreid over een investeringsperiode van 20 jaar (2007–2026). Deze investeringen worden gedaan met het doel de kwaliteit van de Waddenzee en het Waddengebied te verbeteren door middel van investeringen gericht op de belangrijkste problemen en uitdagingen.

5.1.2. Aard van het Waddenfonds

Het Waddenfonds maakt deel uit van een samenhangend pakket van maatregelen dat aansluit bij de kabinetsdoelstelling om te komen tot een integraal beleid voor de Wadden. Er is sprake van een politieke – geen financiële koppeling – met andere onderdelen van dit pakket, te weten de gaswinning en de schelpdiervisserij. Een heroverweging van dit pakket zal plaatsvinden als één van de onderdelen niet kan worden gerealiseerd (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 684, nr. 22).

De kosten en uitgaven die uit het voorgaande voortvloeien, worden in het Waddenfonds verantwoord. Het Waddenfonds is een begrotingsfonds als bedoeld in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Comptabiliteitswet. Het fonds is een Rijksfonds dat valt onder beheer van de Minister van VROM als coördinerend Minister van de Wadden. Het subsidieplafond en de periode waarin projectvoorstellen kunnen worden ingediend worden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd.

Het kabinet hecht er groot belang aan dat het totaalbedrag dat in de Wadden wordt geïnvesteerd door bijdragen van andere partijen wordt vergroot. Dit kan worden bereikt door middel van cofinanciering. Projectvoorstellen zullen daarom worden getoetst op de mate waarin andere partijen bereid zijn een bijdrage te leveren. Co-financiers kunnen per project of per cluster van projecten bijdragen. In dit kader worden, naast het Waddenfonds, twee partijen onderscheiden: de initiatiefnemer en andere financieringsbronnen (bijvoorbeeld EU-fondsen, bijdragen uit het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), bijdragen door regionale overheden/instanties en particulieren). Beiden worden beschouwd als co-financiers en kunnen zowel publiek als privaat zijn. In dit kader is voor de Rijksbijdragen aan projecten die voor subsidie uit het fonds in aanmerking komen geen anti-cumulatiebeding opgenomen.

5.1.3. Verdeling van de middelen

Activiteiten waarvoor een bijdrage wordt gevraagd, moeten bijdragen aan het bereiken van de vier hierna genoemde operationele doelstellingen. Het kabinet zal daarbij de volgende verdeling hanteren:

  • Van het oorspronkelijk beschikbaar gestelde fondsbedrag wordt eerst het bedrag van de nadeelcompensatie kokkelvisserij afgetrokken (€ 122,435 mln);

  • Vervolgens wordt een bedrag gereserveerd voor de beheers- en uitvoeringskosten van het fonds;

  • Van het resterende bedrag wordt 10% apart gehouden voor activiteiten die bijdragen aan de doelen ten aanzien van de kennishuishouding (4%) en de afname van externe bedreigingen (6%). Voor beide typen activiteiten geldt ten principale dat deze in gelijke mate zowel de natuur in brede zin, als de economie ten goede komen;

  • Het resterende bedrag wordt voor 50% ingezet voor ecologie en voor 50% voor economie.

Hiermee wordt invulling geven aan het gewijzigde amendement van de leden Atsma en Snijder-Hazelhoff (Kamerstukken 2006–2007, 30 594, nr. 12).

5.1.4. Investeringsplan en Uitvoeringsplan

In het Investeringsplan Waddenfonds zijn de doelen van het Waddenfonds, de uitdagingen en problemen van de Wadden en de werkwijze van het fonds uitgewerkt. Eens per 5 jaar zal een uitvoeringsplan met een horizon van vijf jaar worden opgesteld waarin de investeringsprioriteiten en de verdeling van de middelen binnen de categorieën worden beschreven. In 2010 is het uitvoeringsplan herzien. Hierbij is onder meer aansluiting gezocht bij het natuurherstelprogramma voor de Wadden: «Naar een rijke Waddenzee».

5.2. Algemene beleidsdoelstelling

Motivering

Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd. De doelen van het fonds zijn afgeleid van de hoofddoelstelling van de PKB Waddenzee en als volgt verwoord:

  • Het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied;

  • Het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;

  • Een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en de direct aangrenzende gebieden;

  • Het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied. (Zie Wet op het Waddenfonds, artikel 2 lid 2).

Deze doelen gelden voor het Waddengebied als geheel: door middel van investeringen uit het Waddenfonds zal aan deze doelen worden bijgedragen. De realisatie van deze doelen wordt ook met andere beleidsinstrumenten nagestreefd, bijvoorbeeld wet- en regelgeving en investeringen in het gebied gefinancierd vanuit andere (Rijks)middelen.

Verantwoordelijkheid

VROM is als coördinerend departement voor de Wadden verantwoordelijk voor:

  • het beheer van het fonds;

  • de toekenning van subsidies;

  • de uitvoering van de subsidieregeling;

  • evaluatie en monitoring.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • draagvlak in de regio;

  • ontvangen van degelijke projectvoorstellen;

  • natuurlijke ontwikkelingen in het Waddengebied.

Meetbare gegevens

Voor de hoofddoelstellingen van de PKB Waddenzee gelden de volgende drie effectindicatoren (het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding is niet in de effectindicatoren opgenomen):

Tabel 5.1. Effectindicatoren

Effectindicatoren

Basiswaarde

Peildatum

Streefw. 1

Periode

Streefw. 2

Periode

bron

Openheid

De gemiddelde hoogte van de zicht bare bebouwing is 30 meter.

2009

index 2009=1

 

Index 2009=1

 

PBL/Compendium voor de leefomgeving

Natuurkwaliteit

ca 50% in natuurlijke situatie

2000–2007

4e Nota Waterhuishouding, Kaderrichtlijn water

 

4e Nota Waterhuishouding, Kaderrichtlijn water

 

PBL/Compendium voor de leefomgeving

Energieneutrale eilanden

geen van de Waddeneilanden is energieneutraal

2009

twee Waddeneilanden energieneutraal

2015

alle 5 de Wadden-eilanden energieneutraal

2020

VROM

De belangrijkste prestaties in 2011 zijn:

  • Implementeren van de programmatische aanpak van het Waddenfonds, waarmee versnippering van de uitgaven wordt voorkomen;

  • Besluitvorming over projecten ingediend tijdens de 3e tender;

  • Opstarten 4e tender Waddenfonds;

  • Inhoudelijke en financiële monitoring van lopende projecten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.2. Waddenfonds

x € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen:

29 245

43 164

36 515

36 515

33 013

33 770

36 223

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

14 267

34 065

80 478

40 478

37 625

39 289

40 999

Waarvan juridisch verplicht

 

 

32 351

20 083

15 096

7 541

1 660

Programma:

13 220

33 439

79 600

39 600

36 747

38 411

40 121

 

Vergroten/versterken van natuur- en landschapswaarden van het Wad

685

21 554

35 820

17 820

16 536

17 285

18 054

     

 

    
 

Verminderen externe bedreigingen van de rijkdom van de Waddenzee

0

2 964

4 776

2 376

2 205

2 305

2 408

     

 

    
 

Duurzame economische ontwikkeling en energiehuishouding

11 195

8 644

35 820

17 820

16 536

17 285

18 054

     

 

    
 

Ontwikkelen duurzame kennishuishouding waddengebied

1 340

277

3 184

1 584

1 470

1 536

1 605

Apparaat:

1 047

626

878

878

878

878

878

 

Apparaat: Beheers- en uitvoeringskosten

1 047

626

878

878

878

878

878

Ontvangsten:

33 878

4 497

33 878

33 878

37 625

39 289

40 999

Grafiek 5.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2011

Grafiek 5.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel 					 doel in het begrotingsjaar 2011

5.3. Operationele doelstellingen

5.3.1. Vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied

Motivering

Om meer focus te brengen in de investeringen in het kader van het Waddenfonds zijn in het Uitvoeringsprogramma Waddenfonds 2010–2014 programma's geformuleerd. Geselecteerde projecten moeten bijdragen aan de subdoelstellingen van deze programma's. De programma's gericht op het herstel en de verbetering van de karakteristieke ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Waddengebied (zoals verwoord in de PKB Derde Nota Waddenzee) zijn:

Programma 1 Waddenzee klimaatbestendig

  • Doelstelling 2026: De veiligheid voor de bewoners en gebruikers in het gebied is optimaal gewaarborgd. De Waddenzee groeit op een natuurlijke wijze mee met de zeespiegelstijging. Uitbreiding van het areaal natuurlijke kwelders in het waddengebied en een significante verbetering van de kwaliteit van de kwelders, conform de implementatie van de Europese richtlijnen (Natura 2000, Kaderrichtlijn water). Met kwaliteit van de kwelders wordt volgens Natura 2000 de aanwezigheid van alle successiestadia en van zoet-zout overgangen bedoeld. In 2026 dienen er enkele zoet-zout overgangen te zijn gerealiseerd, waardoor de migratiemogelijkheden van organismen zijn gewaarborgd;

  • Subdoelstelling 2014: Uitbreiding van het areaal natuurlijke kwelders in het waddengebied en verbetering van de kwaliteit, conform de implementatie van de Europese richtlijnen. Er is één zoet-zout overgang gerealiseerd, waardoor de migratiemogelijkheden van organismen is gewaarborgd.

Programma 2 Herstel Biobouwers

  • Doelstelling 2026: De verstoring van de bodem is zodanig beperkt dat ongestoorde natuurlijke mosselbanken en zeegrasvelden voorkomen. Het areaal aan mosselbanken met een natuurlijke dichtheid en het areaal aan zeegrasvelden is vergroot. Schelpdierbanken en zeegrasvelden zijn volop aanwezig, zowel litoraal als sublitoraal;

  • Subdoelstelling 2014: Het areaal aan mosselbanken met een natuurlijke dichtheid en het areaal zeegrasvelden en schelpdierbanken is vergroot. In 2014 heeft zich circa 300 tot 500 hectare meerjarige sublitotale mosselbanken ontwikkeld conform de afspraken en het tempo die hierover zijn gemaakt in het mossel/natuurconvenant, waarvan de ontwikkeling goed gemonitord wordt. Er is een goed zicht op de kansrijkdom tot en ontwikkelen van zeegrasvelden.

Programma 3 Herstel voedselweb

  • Doelstelling 2026: Het voedselweb is evenwichtig van opbouw, zowel onderin (bacteriën, fytoplankton, e.d.) middenin (schelpdieren, krabbetjes, kreeftjes, garnalen, e.d.), meer bovenin (vis, bruinvis, e.d.) als boven in het voedselweb (dolfijnen, zeehonden, vogels, e.d.). De functies van het waddengebeid voor de natuur zijn daarmee gewaarborgd (verblijf en doortrekgebied, rust op de hoogwatervluchtplaatsen, kraamkamer vissen, e.d.);

  • Subdoelstelling 2014: Toename van het aantal fourageergebieden voor zeezoogdieren, vissen en (trek)vogels. Verbetering van het voedselweb, zowel onderin, middenin, meer bovenin, als boven in het voedselweb.

Programma 4 Waterbodem en waterkolom

  • Doelstelling 2026: Het water is veel helderder en de waterkwaliteit veel hoger dan het Waddenzeewater van nu. De a-biotische randvoorwaarden zijn verder geoptimaliseerd;

  • Subdoelstelling 2014: In 2014 zijn de eerste stappen in het terugdringen van de bodemberoering gezet. Er is ervaring opgedaan met de effecten van experimenten die er op gericht zijn de a-biotiek van de Waddenzee te verbeteren.

Programma 5 De Waddenzee internationaal ingebed

  • Doelstelling 2026: Migrerende soorten vogels, vissen en zeezoogdieren vinden zowel in de Waddenzee ook op hun andere bestemmingen voldoende voedsel, rust en voortplantingsmogelijkheden. De verschillende landen langs de trekroutes werken samen aan de bescherming van deze soorten en hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor zowel de soorten als de gebieden waar de soorten van afhankelijk zijn;

  • Subdoelstelling 2014: Naast de samenwerking trilateraal is de samenwerking met andere gebieden die voor functioneren van de Waddenzee van belang zijn versterkt. Het is mogelijk gemaakt om met regelmaat inzicht te verkrijgen in de kwaliteit/het succes van bijvoorbeeld voedselaanbod, voortplantingsmogelijkheden en overleving van migrerende soorten in het waddengebied, hetgeen kans biedt daar snel op te anticiperen.

Programma 8 Uitvoeringstrategie waddenlandschap

  • Doelstelling 2026: Een herkenbaar, gebiedseigen waardevol natuurlijk en cultuurhistorisch landschap in het waddengebied van Noord-Holland, Friesland en Groningen dat in de regio breed gewaardeerd wordt en met goede voorzieningen toegankelijk en beleefbaar is. De bewustwording van de (internationale) waarden van het landschap, natuur en cultuur is bij inwoners en lokale overheden significant toegenomen.

  • Subdoelstelling 2014: Behoud, herstel en ontwikkeling van waardevolle cultuurhistorische elementen (als wierden, terpen, eendenkooien, túnwallen, elzensingels en dijkcoupures, kenmerkende boerderijen en andere panden, kerken en overigens authentieke plekken met een sterk eigen identiteit) in de gebieden Noord-Holland, Friesland en Groningen. Er zijn drie aansprekende voorbeeldprojecten van behoud door ontwikkeling «in het veld» gerealiseerd.

  • PKB Waddenzee; De planologische kernbeslissing (pkb) Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee.

  • (Investerings)subsidies; Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd.

  • AMvB Ruimte; Hierin zijn de concrete beleidsbeslissingen uit de PKB Waddenzee beleidsneutraal opgenomen.

Instrumenten

Meetbare gegevens

Zie algemene doelstelling (de prestaties zijn voor 2011 voor alle operationele doelen gelijk).

5.3.2. Verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke Rijkdom van de Waddenzee

Motivering

Het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen om de natuurlijke rijkdom van de Wadden te behouden door:

Zie programma 1: Waddenzee klimaatbestendig

  • PKB Waddenzee; De planologische kernbeslissing (PKB) Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee;

  • (Investerings)subsidies; Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd;

  • AMvB Ruimte; Hierin zijn de concrete beleidsbeslissingen uit de PKB Waddenzee beleidsneutraal opgenomen.

Instrumenten

Meetbare gegevens

Zie algemene doelstelling (de prestaties zijn voor 2011 voor alle operationele doelen gelijk).

5.3.3. Bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en de direct aangrenzende gebieden

Motivering

Het operationele doel is gericht op het bijdragen aan de vergroting van de kansen voor duurzame sociaal-economische ontwikkeling in het Waddengebied en om daardoor de werkgelegenheid in het gebied te vergroten, het bruto regionaal product te verhogen en de economische structuur te verbeteren.

Om meer focus te brengen in de investeringen in het kader van het Waddenfonds zijn in het Uitvoeringsprogramma Waddenfonds 2010–2014 programma's geformuleerd. Geselecteerde projecten moeten bijdragen aan de subdoelstellingen van deze programma's.

Hierbij wordt ingezet op:

Programma 6 Waddeneilanden zelfvoorzienend voor water en energie

  • Doelstelling 2026: Alle Waddeneilanden volledig zelfvoorzienend op het gebied van duurzame energie- en watervoorziening;

  • Subdoelstelling 2014: Concreet investeringspakket per Waddeneiland is in uitvoering; eerste implementaties leveren 30% zelfvoorziening op terrein van water en energie op.

Programma 7 Grootschalige ontwikkeling en implementatie van duurzame energietransitie

  • Doelstelling 2026: Het waddengebied staat excellent op de kaart in het transitieproces naar verduurzaming van onze nationale energiehuishouding en het heeft zich ontwikkeld en gespecialiseerd tot een knooppunt van duurzame energieactiviteiten. De reeds aanwezige kennis en infrastructuur op het gebied van gas en elektriciteit zijn doorontwikkeld en worden efficiënt en optimaal benut. Door de ruimtelijke clustering wordt de druk elders verminderd, waaronder een vermindering van de gemiddelde jaartemperatuur van het water in de Waddenzee;

  • Subdoelstelling 2014: Een pakket van concreet toepasbare innovatieve technieken op het gebied van duurzame energie.

Programma 9 Ontwikkeling duurzame visserij

  • Doelstelling 2026: De Waddenzee wordt benut voor diverse vormen van duurzame visserij op een dusdanige wijze dat zich een rijke en gevarieerde visstand heeft ontwikkeld en dat de overige (bodem)fauna en (bodem)flora en de landschappelijke kwaliteiten van de Waddenzee hier niet onder lijden. Bodemberoerende mosselvisserij komt niet meer voor en de garnalenvisserij is duurzaam. De unieke cultuurhistorische identiteit van de vissersdorpen in het waddengebied is behouden gebleven;

  • Subdoelstelling 2014: Er is in de Waddenzee een transitie ingezet naar een duurzame manier van visserij op een dusdanige wijze dat zich een rijke en gevarieerde visstand heeft ontwikkeld en dat de overige (bodem)fauna en (bodem)flora en de landschappelijke kwaliteiten van de Waddenzee hier niet onder lijden.

Programma 10 Verduurzaming waddenhavens

  • Doelstelling 2026: De Waddenzeehavens hebben zich in 2026 duurzaam ontwikkeld op een wijze die recht doet aan hun specifieke ligging en mogelijkheden;

  • Subdoelstelling 2014: De Waddenzeehavens hebben een transitie in gang gezet naar een duurzame ontwikkeling op een wijze die recht doet aan hun specifieke ligging en mogelijkheden.

Programma 11 Duurzame ontwikkeling recreatie en toerisme waddengebied

  • Doelstelling 2026: In 2026 is er sprake van een waddengebieddekkend netwerk van goed op elkaar afgestemde en aansprekende (inter)nationale toeristisch-recreatieve trekkers (Recreatieve Poorten). Zij zetten het waddengebied op de toeristische kaart en zorgen voor een economische impuls. Daarnaast is er een netwerk aan kleinschalige voorzieningen, attracties en routestructuren ontstaan die de identiteit en beleefbaarheid van het waddengebied oppoetsen (Recreatieve Parels);

  • Subdoelstelling 2014: In 2014 zijn er een of meer Recreatieve Poorten ontwikkeld en diverse Recreatieve Parels gerealiseerd.

Programma 12 Verduurzaming vaarrecreatie

  • Doelstelling 2026: Er is in 2026 een situatie bereikt van duurzaam vaarrecreatie die ecologisch houdbaar, economisch levensvatbaar en sociaal acceptabel is;

  • Subdoelstelling 2014: Afname van de belasting van vaarrecreatie op de Waddenzee. Zo is de vaarrecreatie op de Waddenzee gestabiliseerd op het niveau dat past bij de draagkracht van de Waddenzee.

Programma 13 Verduurzaming landbouw

  • Doelstelling 2026: In 2026 is er een economisch levensvatbare landbouwsector in het waddengebied die volledig is afgestemd op de unieke natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het waddengebied;

  • Subdoelstelling 2014: In 2014 zijn er enkele succesvolle pilot-projecten op het gebied van duurzame landbouw (duurzaam produceren combineren met duurzaam renderen) afgerond.

Instrumenten

  • PKB Waddenzee; De planologische kernbeslissing (pkb) Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee;

  • (Investerings)subsidies; Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd.

Meetbare gegevens

Zie algemene doelstelling (de prestaties zijn voor 2011 voor alle operationele doelen gelijk).

5.3.4. Ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied

Motivering

Om bij te dragen aan de verbetering van de kennishuishouding in het Waddengebied;

Om kennis van het ecosysteem, het sociale systeem en het economische systeem van het Waddengebied te operationaliseren en verspreiden (zowel nationaal als internationaal);

Om aandacht te besteden aan de samenhang tussen deze systemen. Hierbij wordt ingezet op:

  • De formulering en opvulling van de grootste kennislacunes over het Waddengebied;

  • Het stimuleren van een betere ontwikkeling en benutting van toegepaste kennis over het Waddengebied;

  • Het bewerkstelligen van een goed functionerende waddenacademie;

  • Het stimuleren van projecten die door kennisoverdracht bijdragen aan het vergroten van draagvlak en kennis over het Waddengebied, het waddenbeleid en het herstel en de ontwikkeling van landschap en cultuurhistorie;

  • PKB Waddenzee; De planologische kernbeslissing (pkb) Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee;

  • (Investerings)subsidies; Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd;

  • AMvB Ruimte; Hierin zijn de concrete beleidsbeslissingen uit de PKB Waddenzee beleidsneutraal opgenomen.

Instrumenten

Meetbare gegevens

Zie algemene doelstelling (de prestaties zijn voor 2011 voor alle operationele doelen gelijk).

5.4. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 5.3. Overzicht onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

Alg.doel/Op.doel

A. Start

B. Afgerond

Effecten onderzoek ex-durante Mid-term review Waddenfonds

Waddenfonds

OD Allen

A. 2012

B. 2013

6. VERDIEPINGSHOOFDSTUK WADDENFONDS

Waddenfonds

Artikel 1. Waddenfonds

Opbouw uitgaven x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

40 478

80 478

40 478

33 878

33 878

 

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 29 381

0

0

7 927

9 778

 

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Doorwerking realisatie 2009

22 968

0

0

0

0

0

b.

Verlaging bijdrage VROM aan Waddenfonds

0

0

0

– 4 180

– 4 367

– 4 555

c

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

45 554

Stand ontwerpbegroting 2011

34 065

80 478

40 478

37 625

39 289

40 999

Toelichting

Ad a.

De mutatie betreft de in voorgaande jaren in het fonds gestorte middelen die niet in 2009 zijn uitgegeven.

Ad b.

Vanwege een herprioritering van de inzet van middelen binnen de VROM-begroting, vindt vanuit de VROM-begroting een lagere storting in het Waddenfonds plaats.

Opbouw ontvangsten x € 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

33 878

33 878

33 878

33 878

33 878

0

Mutatie 1e suppletore begroting 2010

– 29 381

0

0

7 927

9 778

 

Nieuwe mutaties:

      

Beleidsmatige mutaties:

      

a.

Verlaging bijdrage VROM aan Waddenfonds

0

0

0

– 4 180

– 4 367

– 4 555

b.

Extrapolatie 2015

0

0

0

0

0

45 554

Stand ontwerpbegroting 2011

4 497

33 878

33 878

37 625

39 289

40 999

Toelichting

Ad a.

Vanwege een herprioritering van de inzet van middelen binnen de VROM-begroting, vindt vanuit de VROM-begroting een lagere storting in het Waddenfonds plaats.

BIJLAGE 1. ZBO’s EN RWT’s (VROM-begroting 2011)

De bijlage inzake zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s)

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie

Begrotingsartikel(en)

Begrotingsramingen

URL

Kadaster

x

x

Het bevorderen van de rechtszekerheid bij het rechtsverkeer inzake registergoederen in Nederland en het bevorderen van een optimale informatievoorziening daarover aan de samenleving. Daarbij ligt het zwaartepunt op onroerende zaken.

Artikel 1

Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

€ 14,75 mln

Ctgb

x

x

Bijdragen aan duurzame landbouw door het beslissen over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden in Nederland.

Artikel 6

Risicobeleid

€ 0,35 mln

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak(StAB)

x

 

Advisering aan de bestuursrechter (Raad van State en rechtbanken) in geschillen op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, natuur en planschade waardoor een bijdrage wordt geleverd aan een goede en efficiënte rechtspraak.

Artikel 91

Algemeen

€ 5,401mln

Stichting Bureau Architectenregister (SBA)

x

x

De Wet op de architectentitel heeft tot doelstelling het scheppen van waarborgen voor de vakbekwame beroepsuitoefening door bouwkundig architecten, stedenbouwers, tuin-en landschaparchitecten en interieurarchitecten, het uitvoeren van de EU- architectenrichtlijn en consumentenbescherming.

De SBA beheert het architectenregister.

Artikel 2

Realisatie Nationaal ruimtelijk beleid

€ 0,39 mln

BIJLAGE 2. OVERZICHTSCONSTRUCTIE MILIEU

Toelichting:

In de ministerraad van 24 augustus 2001 is besloten om vanaf de begroting 2003 een Overzichtsconstructie Milieu op te nemen als vervanging van het Milieuprogramma. Dit is een overzicht waarin informatie bijeen wordt gebracht van (onderdelen van) beleidsartikelen van verschillende begrotingen met een milieudoelstelling. In de overzichtsconstructie zijn operationele doelen uit beleidsartikelen van de verschillende departementen opgenomen, exclusief de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en de Baten- en Lastendiensten, die overwegend een uitvoerend karakter hebben.

Het opnemen van een overzichtsconstructie door een daartoe aangewezen minister dient louter een informatiefunctie voor de Staten-Generaal. Op deze wijze wordt het integrale overheidsbeleid op een beleidsterrein zichtbaar gemaakt in één begroting of jaarverslag, ook al wordt het beleid door meerdere ministers ontwikkeld en/of uitgevoerd. De individuele ministeriële verantwoordelijkheid blijft daarbij gehandhaafd.

De Overzichtsconstructie Milieu is opgezet volgens de vigerende Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften. Er wordt een overzicht gegeven van alle met milieubeleid in verband staande artikelen en operationele doelstellingen bij VROM en andere ministeries. Begrotingsprestaties en -bedragen worden niet opgenomen; in de begroting van de andere ministeries kan de precieze invulling van het operationele doel worden teruggevonden.

De Overzichtsconstructie Milieu kent primair een thematische indeling waarbij is uitgegaan van de kerntaken van het milieubeleid bij het Ministerie van VROM:

  • 1. Klimaatverandering en luchtkwaliteit;

  • 2. Duurzaam produceren;

  • 3. Verminderen van risico’s van stoffen, straling en GGO’s;

  • 4. Versterken van het internationale milieubeleid;

  • 5. Leefomgevingskwaliteit.

Aangezien een operationeel doel kan bijdragen aan meerdere taken, komen sommige operationele doelen in de overzichtsconstructie op meerdere plaatsen voor. De overzichtsconstructie bevat geen andere informatie dan in de individuele begrotingen is terug te vinden. De kwaliteit van de informatie is daarom direct afhankelijk van de informatie die is opgenomen in de afzonderlijke departementale begrotingen.

Niet alle ministeries hebben specifieke beleidsdoelstellingen op milieugebied of de milieubijdrage is niet expliciet ondergebracht in een operationeel doel:

  • III Algemene Zaken (AZ)

    • Algemene Zaken heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen significante milieu-uitgaven.

  • VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

    • Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het Programma Duurzame Bedrijfsvoering Rijk met als domeinen duurzame faciliteiten, duurzame huisvesting en ict, duurzame mobiliteit en duurzaam inkopen. De kosten worden gedragen door de departementen. De rijksuitgaven voor milieu en stedelijke vernieuwing in het kader van het Grotestedenbeleid 2005– 2009 (GSB III) zijn opgenomen in de VROM-begroting en maken onderdeel uit van het extra comptabel overzicht GSB. De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) heeft als coördinerend minister voor het GSB op deze terreinen een medeverantwoordelijkheid.

  • VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW)

    • In het kader van wetenschapsbeleid heeft OCW geen taken en specifieke doelen ten aanzien van milieubeleid. OCW oormerkt geen subsidies of begrotingsbedragen aan milieubeleid.

  • IX Financiën (Fin)

    • Financiën heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen significante milieu-uitgaven.

    Voor de volledigheid is voor de fiscale ontvangsten uit de diverse vergroeningsmaatregelen wel een verwijzing in de OCM opgenomen naar het desbetreffende ontvangstenoverzicht in bijlage 3 van de Miljoenennota. Er mag overigens geen relatie gelegd worden tussen fiscale ontvangsten en milieu-uitgaven; milieugerelateerde fiscale ontvangsten zijn uit hun aard niet geoormerkt voor milieu-uitgaven.

  • X Defensie (Def)

    • Naast de zichtbare uitgaven heeft Defensie niet zichtbare milieu-uitgaven in investerings- en exploitatiebudgetten. Deze niet zichtbare uitgaven betreffen onder andere de (meer)kosten voor inkoop van groene stroom, basispakket duurzaam bouwen en energie-efficiënte apparaten en voertuigen en personeelsuitgaven voor de milieu-uitvoeringsorganisatie.

Taak 1: Klimaatverandering en luchtkwaliteit
 

Ministerie

Artikel

Nr OD

Naam OD

X

DEF

90

3

Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma's (o.a. milieu-uitgaven)

XI

VROM

3

1

Tegengaan klimaatverandering:

XI

VROM

3

2

Verbeteren luchtkwaliteit

XI

VROM

3

3

Stimuleren van duurzame mobiliteit

XI

VROM

3

4

Bevorderen duurzame industrie

XI

VROM

9

2

Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte

XII

VenW

34

4

Netwerk decentraal/regionaal vervoer

XII

VenW

36

1

Leefomgeving hoofdwegen

XII

VenW

36

3

Luchtvaart

XII

VenW

36

4

Scheepvaart

XII

VenW

37

1

Weer, klimaat en seismologie

XIII

EZ

4

3

Verduurzaming van de energiehuishouding

XIV

LNV

21

13

Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen waaronder glastuinbouw en biologische landbouw

XIV

LNV

22

12

Ruimte voor niet-grondgebonden landbouw (glastuinbouw)

XVIII

WWI

2

3

Realisatie CO2 reductiedoelstellingen in de gebouwde omgeving

XVIII

WWI

6

1

Vanuit de rijkshuisvesting bijdragen aan rijksdoelen

 

Fin

Bijlage 3 Milj.nota

Tabel 3.2.2

Toelichting op de belastingontvangsten

Taak 2: Duurzaam produceren
 

Ministerie

Artikel

Nr OD

Naam OD

V

BZ

6

2

Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen

X

DEF

90

3

Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma's (o.a. milieu-uitgaven)

XI

VROM

4

1

Reductie van milieubelasting door (keten)gericht afval- en productiebeheer

XI

VROM

4

2

Verbeteren van Milieukwaliteit van Bodem en Water

XI

VROM

4

3

Duurzaam gebruik van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen

XI

VROM

9

2

Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte

XII

VenW

31

2

Veiligheid

XII

VenW

31

4

Waterkwaliteit

XII

VenW

36

2

Leefomgeving spoorwegen

XII

VenW

36

4

Scheepvaart

XIV

LNV

21

11

Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat

XIV

LNV

21

12

Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn

XIV

LNV

21

13

Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen waaronder biologische landbouw

XIV

LNV

21

14

Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren

XIV

LNV

22

11

Ruimte voor grondgebonden landbouw

XIV

LNV

22

12

Ruimte voor niet-grondgebonden landbouw

XIV

LNV

23

11

Verwerven EHS (ILG)

XIV

LNV

23

12

Inrichten EHS (ILG)

XIV

LNV

23

13

Beheren EHS (ILG)

XIV

LNV

23

14

Beheer natuur buiten EHS en beschermen van internationale biodiversiteit

XIV

LNV

25

11

Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon

XVIII

WWI

6

1

Vanuit de rijkshuisvesting bijdragen aan rijksdoelen

Taak 3: Verminderen van risico’s van stoffen, straling en GGO’s
 

Ministerie

Artikel

Nr OD

Naam OD

VII

BiZa

23

3

Een goede operationeel en bestuurlijke organisatie voor een slagvaardige brandweer en GHOR op landelijk en bovenregionaal niveau

X

DEF

90

3

Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma's (o.a. milieu-uitgaven)

XI

VROM

6

1

Veilig gebruik van chemische stoffen

XI

VROM

6

2

Bescherming tegen straling

XI

VROM

6

3

Verantwoorde toepassing van ggo’s

XI

VROM

6

4

Beheersing van risico’s die samenhangen met externe veiligheid

XI

VROM

9

2

Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte

XI

VROM

9

4

Crisismanagement organiseren

XVIII

WWI

6

1

Vanuit de rijkshuisvesting bijdragen aan rijksdoelen

XII

VenW

33

1

Externe veiligheid

XII

VenW

33

2

Veiligheid scheepvaart

XII

VenW

33

3

Veiligheid luchtvaart

XII

VenW

36

3

Luchtvaart

XII

VenW

36

4

Scheepvaart

XIV

LNV

25

11

Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon

XV

SZW

44

1

Bevorderen dat werkgevers en werknemers in bedrijven, branches en sectoren een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid voeren

XV

SZW

50

2

Het zoveel mogelijk bij leven verstrekken van een eenmalige financiële tegemoetkoming in de immateriële schade aan werknemers, of huisgenoten van werknemers met maligne mesothelioom door asbestblootstelling, die niet via de voormalige werkgever een schadevergoeding kunnen krijgen

XVIII

WWI

6

1

Vanuit de rijkshuisvesting bijdragen aan rijksdoelen

 

Fin

Bijlage 3 Milj.nota

Tabel 3.2.2

Toelichting op de belastingontvangsten

Taak 4: Versterken van het internationale milieubeleid
 

Ministerie

Artikel

Nr OD

Naam OD

V

BZ

1

1

Een goed functionerende internationale rechtsorde

V

BZ

2

9

Grotere veiligheid en stabiliteit door strijd tegen aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen

V

BZ

3

1

Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt

V

BZ

3

2

Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen of regio’s

V

BZ

3

3

Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de EU ten opzichte van ontwikkelingslanden of -regio’s

V

BZ

4

3

Verhoogde economische groei en verminderde armoede als gevolg van gezonde private sector ontwikkeling in ontwikkelingslanden

V

BZ

6

1

Bescherming en duurzaam gebruik van milieu en water in de mondiale context en de nationale context in ontwikkelingslanden

V

BZ

6

2

Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen

X

DEF

90

3

Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma's (o.a. milieu-uitgaven)

XI

VROM

7

1

Clean Development Mechanism

XI

VROM

7

2

International VROM (en WWI) beleid

XI

VROM

7

3

Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken

XI

VROM

7

4

Interreg

XI

VROM

9

2

Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte

XI

VROM

91

7

Bekostiging van externe uitvoeringsorganisaties

XII

VenW

36

1

Leefomgeving hoofdwegen

XII

VenW

36

2

Leefomgeving spoorwegen

XII

VenW

36

3

Luchtvaart

XII

VenW

36

4

Scheepvaart

XIII

EZ

2

1

Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten (Basispakket)

XIII

EZ

2

2

Topprestaties op innovatiethema's (Programmatisch pakket)

XIII

EZ

3

2

Stimuleren meer en beter ondernemerschap

XIV

LNV

21

11

Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat

XIV

LNV

21

15

Bevorderen van duurzame ketens

XIV

LNV

23

13

Beheren EHS

XIV

LNV

23

14

Beheer van natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit

XIV

LNV

26

15

Kennisontwikkeling en innovatie

XIV

LNV

26

16

Waarborgen en vernieuwen onderzoek en onderwijs

XIV

LNV

27

11

Uitvoeren reconstructie

XVI

VWS

41

2

Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel of onveilige producten

XVI

VWS

46

1

Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid

XVI

VWS

98

3

Gezondheidsraad

XVIII

WWI

2

3

Realisatie CO2 reductiedoelstellingen in de gebouwde omgeving

Taak 5: Leefomgevingskwaliteit
 

Ministerie

Artikel

Nr OD

Naam OD

V

BZ

6

2

Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen

X

DEF

90

3

Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma's (o.a. milieu-uitgaven)

XI

VROM

10

1

Realiseren duurzaam gebruik bodem, ondergrond en grondwater

XI

VROM

10

2

Tegengaan van geluidhinder

XI

VROM

10

3

Realiseren ruimte voor windenergie en klimaatadaptatie

XI

VROM

10

4

Bevorderen adequaat gebiedsgericht instrumentarium en duurzame ontwikkeling

XII

VenW

31

4

Waterkwaliteit

XII

VenW

36

2

Leefomgeving spoorwegen

XII

VenW

36

4

Scheepvaart

XIV

LNV

22

11

Ruimte voor grondgebonden landbouw

XIV

LNV

22

12

Ruimte voor niet-grondgebonden landbouw

XIV

LNV

23

11

Verwerven EHS (ILG)

XIV

LNV

23

12

Inrichten EHS (ILG)

XIV

LNV

23

13

Beheren EHS (ILG)

XIV

LNV

23

14

Beheer natuur buiten EHS en schermen van internationale biodiversiteit

XVIII

WWI

2

3

Realisatie CO2 reductiedoelstelling in de gebouwde omgeving

XVIII

WWI

6

1

Vanuit de rijkshuisvesting bijdragen aan rijksdoelen

BIJLAGE 3. MOTIES EN TOEZEGGINGEN

Lopende moties VROM (1 juni 2009 t/m 31 mei 2010)

Omschrijving

Kamerstuknummer

Stand van Zaken m.b.t. uitvoering

Motie Samsom: Verzoekt de regering de aanbevelingen van Elverding onverkort toe te passen op alle projecten in de Crisis- en herstelwet;

Verzoekt de regering om binnen 3 maanden te komen met voorstellen voor aanvullende wetgeving om de Elverdingaanpak te verwerken in alle relevante ruimtelijke wetten.

32 127, nr. 105

Door de val van het kabinet heeft de Kamer dit onderwerp controversieel verklaard.

Motie Neppérus en Jansen: Verzoekt de regering om binnen zes maanden een voorstel aan de Kamer voor te leggen voor een validatieprocedure die gebouwd is op een fundament van zo veel mogelijk meten.

32 123 XI, nr. 70

De minister zal de Kamer voor het kerstreces 2010 schriftelijk informeren.

Gewijzigde motie Neppérus en Jacobi: Verzoekt de regering die natuurgebieden, door het aanleggen van fiets- en wandelpaden, toegankelijk te maken voor wandelaars en fietsers, zonder daarbij evenwel de bescherming van de natuur uit het oog te verliezen, en daarover zo nodig met provincies en waterschappen afspraken te maken.

32 123-XI, nr. 55 (was nr. 36)

De motie is een ondersteuning van het beleid, dat samen met collega Verburg van LNV wordt gevoerd. Het Rijk investeert volop in toegankelijke natuur. Openstelling van gebieden is verankerd in het natuurbeleid van LNV en in het landschapsbeleid waar LNV en VROM zich samen voor inzetten. Via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) wordt volop geïnvesteerd in het bereikbaar en beleefbaar maken van het groen rondom de steden en worden knelpunten in stad-landverbindingen aangepakt. Het Bufferzonebeleid is er juist op gericht om in die gebieden recreatieve ontwikkeling mogelijk te maken. Met lokale partijen zullen via gebiedsakkoorden concrete afspraken worden gemaakt, die een plek zullen krijgen in de gebiedsagenda’s van het MIRT. Naast al deze inspanningen van het Rijk is het aanleggen van wandel- en fietspaden verder een verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies.

Een en ander is vastgelegd in de brief van LNV over recreatie: «Genieten van buiten».

Motie Pieper c.s.: Verzoekt de regering de aanpassing van de kruimellijst zo spoedig mogelijk door te voeren;

Verzoekt de regering tevens om in overleg met ouderen-, patiënten- en cliëntenorganisaties, andere betrokken organisaties en gemeenten verdere knelpunten voor de realisatie van mantelzorgwoningen in kaart te brengen en op te lossen.

32 123-XI, nr. 34

De minister zal de Kamer voor het zomerreces 2010 schriftelijk informeren.

Motie Linhard: Verzoekt de regering in overleg met MKB-Nederland een concept te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat in nieuw in te richten winkelcentra meer ruimte beschikbaar komt voor kleinere ondernemers.

32 123-XI, nr. 39

De minister zal de Kamer na het zomerreces 2010 schriftelijk informeren.

Motie Van der Ham: Verzoekt de regering in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en woningcorporaties om tot lokale instappakketten te komen waarbij woningeigenaren kunnen meedoen in gezamenlijke energiebesparingprojecten georganiseerd door de gemeenten en/of woningcorporaties.

32 123-XI, nr. 46

Momenteel wordt de blok-voor-blok-aanpak voor energiebesparing met en door lokale overheden uitgewerkt en met enkele gemeenten wordt gesproken over een pilot.» De Tweede Kamer zal in de tweede helft 2010 worden geïnformeerd.

Motie Mastwijk: Verzoekt de regering het aangereikte voorontwerp van wet zo spoedig mogelijk uit te werken naar een wetsvoorstel, en dit uiterlijk 1 juli 2010, of zoveel eerder als mogelijk is, naar de Kamer te zenden.

32 030, nr. 5

In de brief d.d. 16 april 2010, kenmerk 2 010 011 945, van de minister aan de TK n.a.v. het AO Ruimte is aangegeven dat het wetsvoorstel nog voor advies naar de Raad van State moet. Naar verwachting zal het wetsvoorstel spoedig na het zomerreces 2010 aan de Raad van State worden aangeboden. In het interdepartementale overleg speelt de toename van de regeldruk een belangrijke rol.

Motie Samsom:

– verzoekt de regering concrete voorstellen, waaronder verbetering van procedures, te doen om het vertrouwen van het IPCC te herstellen en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in maart, te berichten;

– verzoekt de regering het Planbureau voor de Leefomgeving op te dragen om, al dan niet in samenwerking met het auditbureau van de Verenigde Naties, per ommegaande een nieuwe update te maken van de stand van de klimaatwetenschap en daarbij de implicaties van de fouten in het IPCC rapport te betrekken.

31 793, nr. 30

Het kabinet zal de ideeën voor het verbeteren van de werkwijze van IPCC bespreken bij het overleg over de Nederlandse inzet bij de 32ste vergadering van het Intergovernmental Panel on Climate Change (11– 14 oktober 2010) zodat het ook de aanbevelingen van de review van de Inter Academy Council (presentatie 31 augustus) daarin mee kan nemen. Planning: de week van 27 september tot 1 oktober 2010.

Gewijzigde motie Van Heugten c.s.: Verzoekt de regering de ruimte die de richtlijn biedt om niet in alle gevallen een MER verplicht te stellen, te benutten en hiertoe een nota van wijziging aan de Kamer aan te bieden.

31 755, nr. 28 (was nr. 20)

Het onderzoek is afgerond. Een kabinetsstandpunt zal voor het kerstreces 2010 beschikbaar zijn.

Motie Van der Ham: Verzoekt de regering bij gemeenten te bevorderen dat zij de doelstellingen binnenstedelijk bouwen zo min mogelijk ten koste laten gaan van binnenstedelijk groen, en meer werk maken van hoger binnenstedelijk bouwen.

31 700 XI, nr. 42

De minister zal de Kamer na het zomerreces 2010 schriftelijk informeren.

Motie Van Heugten: Verzoekt de regering om een ruimtelijk plan te maken voor een OHS bij een positief eerste onderzoek.

31700-XI, nr. 25

Er is gestart met het maken van een ruimtelijk plan voor een OHS. De Kamer wordt hierover na het Zomerreces 2010 geïnformeerd.

Motie Spies: Verzoekt de regering in overleg met de branche te komen tot afspraken die ertoe leiden dat stille banden standaard worden.

31 700-XI, nr. 50

In augustus 2010 kan de Tweede Kamer een brief verwachten over de uitvoering van deze motie.

Motie Koppejan: Verzoekt de regering in samenspraak met provincies, gemeenten, recreatieschappen en waterschappen de mogelijkheden te onderzoeken om meer zwemwateren in combinatie met stadsstranden open te stellen voor het publiek en de Kamer hierover te informeren.

31 527, nr. 8

Per brief van de minister d.d. 28 september (vergaderjaar 2008–2009, nr. 173), op een Kamervraag van het lid Koppejan over de uitvoering van de motie, meldt de minister dat ze de provincies en de gemeenten zal oproepen in overleg met VROM en alle andere betrokkenen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor meer zwemwaterlocaties in combinatie met stadsstranden.

Over de uitkomsten zal de minister de Kamer, zo mogelijk na de zomer van 2010, informeren.

Gewijzigde motie Van Heugten c.s.: Verzoekt de regering de Kamer uiterlijk in augustus 2008

– te informeren over de omvang van de financiële middelen die tot 2020 voor het uitvoeren van de ruimtelijke investeringsagenda nodig zijn en de te verwachten financiële tekorten;

– een voorstel te doen voor het opzetten van een ruimtelijke investeringssystematiek, voortbordurend op de vorming van het MIRT, die meerjarige zekerheid biedt over de financiële inzet van het Rijk voor het uitvoeren van de ruimtelijke investeringsagenda.

31 200-XI, nr. 28

In november 2008 is een brief met kabinetsreactie motie Van Heugten inzake de ruimtelijke investeringen tot 2020 aangeboden aan de Kamer. Daarin is een second opnion door de planbureaus op de uitgangspunten bij uitgevoerde ramingen aangekondigd. Deze is in oktober 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Motie Poppe: verzoekt de regering met de producentenorganisaties en het NVMP overeen te komen om de verwijderingsbijdrage per direct op nul te stellen

30 872, nr. 60 (was 58)

In brief van 11 mei 2010 aan de Kamer (vergaderjaar 2009–2010, kst. 30 872, nr. 63), staat dat overleg is geweest met de NVMP. De NVMP gaat het verzoek in de motie met de producenten-organisaties bespreken. De minister van VROM zal naar verwachting na het zomerreces 2010 het resultaat van dit overleg aan de Kamer mededelen.

Motie Vendrik: verzoekt de regering met maatregelen te komen die het hergebruik van materiaal aantrekkelijker maakt dan verbranding ervan in AVI’s met of zonder een R1-status.

30 872, nr. 59

In het najaar 2010 wordt een brief aan de Kamer gestuurd, waarin onder meer antwoord wordt gegeven op deze motie.

Motie BoelhouwerWiegman-van Meppelen Scheppink: verzoekt de regering concrete maatregelen te nemen waardoor het niet langer mogelijk is dat gemeenten geen uitvoering geven aan het gescheiden inzamelen van kunststof verpakkingsmateriaal.

30 872, nr. 56

De minister zal de Kamer in het najaar 2010 schriftelijk informeren.

Motie Boelhouwer: verzoekt de regering om, indien de doelstelling voor materiaalhergebruik van kunststof verpakkingen over het jaar 2010 niet wordt gehaald, een verplichting tot statiegeld op alle kunststof drankverpakkingen in te stellen, teneinde op die manier bij te dragen aan realisatie van de doelstelling voor kunststof verpakkingsafval van 42% in 2012.

30 872, nr. 55

In het najaar 2011 wordt een brief aan de Kamer gestuurd, waarin onder meer antwoord wordt gegeven op deze motie.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering

– drankkartons in het Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 als afzonderlijke categorie verpakkingsafval te benoemen, zodat daarmee de weg vrijkomt voor een afzonderlijke vergoedingsregeling voor deze verpakkingsafvalcomponent voor elke gemeente;

– in overleg te gaan met gemeenten die hebben gekozen voor voorscheiding van kunststofverpakkingsafval om te bezien of landelijk de drankkartons kunnen worden ingezameld via dit systeem en bij overeenstemming de landelijke reclamecampagne hierop aan te passen;

– een scheidingsplicht voor drankkartons te onderzoeken;

– drankverpakkingen als prioritaire stroom voor de ketenaanpak op te nemen in het Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021.

30 872, nr. 38

De minister heeft de Kamer schriftelijk geïnformeerd (vergaderjaar 2009–2010, kst. 28 694 nr. 85, d.d. 19 maart 2010) dat eerst aanvullend overleg met de stakeholders zal plaatsvinden. De minister zal in het najaar 2010 de Kamer schriftelijk informeren over het onderzoek. Daarnaast heeft de minister de Kamer per brief (vergaderjaar 2008–2009, kst. 30 872 nr. 45, d.d. 22 juni 2009) aangegeven dat de minister voldoet aan het derde onderdeel van de motie, door het uitvoeren van een studie naar de meerwaarde van gescheiden inzameling en recycling van drankenkartons.

Motie Poppe: Verzoekt de regering om het Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 zodanig te wijzigen dat thermische verwerking van het jaarlijkse aanbod aan asbest ook daadwerkelijk de minimumstandaard wordt.

30 872, nr. 30

De Kamer wordt naar verwachting in het najaar 2010 geïnformeerd.

Motie Vietsch: Verzoekt de regering

– deze vorm van duurzaam inkopen te stimuleren;

– als rijksoverheid in dezen een voorbeeld aan derden te stellen en daar

– waar mogelijk is recyclinggranulaat in beton voor te schrijven.

30 872, nr. 22

De minister zal naar verwachting in het najaar 2010 een brief aan de Kamer sturen, waarin onder meer ingegaan wordt op de uitvoering van deze motie.

Motie Koopmans/Vermeij: verzoekt de regering om nog in deze kabinetsperiode tot voorstellen te komen tot integratie van toetsingskaders tot één toetsingskader.

30 844, 23

De uitvoering van deze motie zal worden betrokken bij de voornemens in het kader van de aanpak van het Actieprogramma Vernieuwing Instrumentarium Milieu en Ruimtelijke Ordening (kamerstukken II 30 844, nrs. 44 en 47). In dat kader is aan de Tweede Kamer gemeld dat de motie wordt betrokken bij de (aangehouden) motie van de heer Pieper over de gewenste «fundamentele herziening van het omgevingsrecht» (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XI, nr. 16). De uitvoering van het actieprogramma is controversieel verklaard. Dat betekent dat besluitvorming aan het nieuwe kabinet wordt overgelaten.

Motie Abel: Verzoekt de regering om binnen drie jaar na inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging een voorstel tot nadere normering van de bevoegdheid tot subdelegatie in te dienen.

30 522, nr. 10

De minister zal de Tweede Kamer vóór 1 juli 2011 schriftelijk informeren.

Motie Van Heugten en Roefs: Verzoekt de regering de Kamer vóór de vaststelling van het Besluit transportroutes externe veiligheid nader te informeren over welke consequenties uit de invoering van dit besluit voortvloeien, met name welke ruimtelijke plannen hierdoor niet door kunnen gaan, welke saneringen nodig zijn en wat dat gaat kosten.

30 373, nr. 36

Het Besluit transportroutes Externe Veiligheid is procedureel gekoppeld aan een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Beiden zullen gelijktijdig in procedure worden gebracht en worden naar verwachting in het voorjaar 2011 toegestuurd aan de Kamer. Daarmee zal invulling worden gegeven aan de motie. De Kamer is in februari 2010 geïnformeerd door de minister van VenW (vergaderjaar 2009–2010, kst. 30 373 nr. 40, d.d. 18 februari 2010).

Motie Van Gent c.s.: Roept de regering op zich maximaal in te spannen om tot concrete afspraken met het bedrijfsleven te komen over BLEVE-vrij rijden en maatregelen om herroutering te bevorderen nadrukkelijk als alternatief achter de hand te houden.

30 373, nr. 33

De Kamer is geïnformeerd over de voortgang middels een brief van de minister van VenW (vergaderjaar 2009–2010, kst. 30 373 nr. 41, d.d. 5 maart 2010).

Motie Spies. Verzoekt de regering:

– te bevorderen dat onderzoek naar nieuwe normstelling zich richt op de ziekmakende deeltjes;

– dergelijk onderzoek bij voorkeur in Europees verband en met prioriteit uit te voeren;

– eventueel noodzakelijke aanvullende maatregelen primair te richten op verbrandingsprocessen omdat dit het meest effectief is bij het bestrijden van gezondheidsschade;

– de Kamer hierover met enige regelmaat te informeren.

30 175, nr. 71

De minister zal de Kamer na het zomerreces 2010 informeren.

Motie Mastwijk/Neppérus – verzoekt de regering in samenwerking met de betrokken overheden de mogelijkheden tot het versnellen van de realisatie te onderzoeken, inclusief de mogelijkheid van een financiële bijdrage en hierover de Kamer te informeren (integrale gebiedsvisie).

29 435, nr. 256

 

Motie Mastwijk c.s. – verzoekt de regering na te gaan welke belemmeringen er ter zake zijn, daarover de Kamer te rapporteren en waar nodig voorstellen te doen tot wijziging van de relevante wet- en regelgeving. (meegroeiwoningen).

29 435, nr. 255

 

Motie Besselink en Gesthuizen: Verzoekt de regering om met meer snelheid en urgentie aan de geplande risicoanalyses rond de nanodeeltjes te werken; Verzoekt de regering voorts om de producenten van producten met nanodeeltjes een eerste (openbare) risicoanalyse op te dragen zodat begin 2010 de eerste onderzoeken op mogelijke risico’s zijn gestart.

29 338, nr. 84

Bij uitvoering van de 3-stappen aanpak (vergaderjaar 2008–2009, kst. 29 338 nr. 80, d.d. 5 juni 2009), gericht op de ontwikkeling van risicobeoordelingmethoden van nanodeeltjes, is de betrokkenheid van het bedrijfsleven noodzakelijk om de daar beschikbare kennis over eigenschappen van nanodeeltjes (en de gevaarseigenschappen) te benutten. Op dit moment hebben gesprekken met het bedrijfsleven plaats om te bezien of de samenwerking kan worden vormgegeven middels een convenant.

In REACH verband zijn de stoffen die de meest voorkomende nanodeeltjes representeren gepreregistreerd en deze zullen voor het eind van 2010 zijn geregistreerd bij European Chemicals Agency. In de zomer 2010 zal de Kamer verder geïnformeerd worden over de voortgang, indachtig de motie.

Motie Koopmans: Verzoekt de regering ter voorbereiding van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn modelmatig de afname in nitraatconcentratie in beeld te brengen en naast de eerste meter ook in de tweede tot de vijfde meter te meten, en deze resultaten te gebruiken voor het derogatieverzoek van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn.

28 385, nr. 138

Het RIVM-rapport waarin de resultaten staan van het onderzoek naar de mogelijkheden voor uitvoering van de motie Koopmans verschijnt in mei 2010. De minister zal het rapport voorzien van een beleidsreactie mede namens de minister van LNV aan de Kamer zenden.

Motie Poppe – verzoekt de regering om:

– vooruitlopend op de vorming van Regionale Uitvoeringsdiensten te streven naar versterking van de handhavingstructuur inzake asbestwetgeving,

– daartoe de wenselijkheid en mogelijkheden te onderzoeken om per veiligheidsregio op asbestgebied deskundige handhavers van de verschillende inspecties en milieupolitie, in overleg met het Landelijk Overleg Milieuhandhaving, asbestinterventieteams te vormen en al naar gelang de plaats van de asbestsanering gemeentelijke handhavers te betrekken

25 834, nr. 53

De minister van VROM zal in najaar 2010 de Kamer informeren op welke wijze invulling is gegeven aan de motie.

Motie Poppe/Boelhouwer – verzoekt de regering:

– een selectiemethode toe te passen waardoor de pakkans zo groot mogelijk wordt;

– containers niet vrij te geven voordat er sprake is van een definitieve gasvrijverklaring van toegevoegde bestrijdingsmiddelen.

22 343, nr. 246 (was 244)

De minister van VROM zal in het najaar 2010 de Kamer informeren op welke wijze invulling wordt gegeven aan de motie.

Motie Wiegman-Van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering een handreiking met voorbeelden over reikwijdte en detailniveau te ontwikkelen om initiatiefnemers te helpen bij het opstellen van de Milieueffectrapportage, hierbij de ervaringen van de Commissie van de Milieueffectrapportage te gebruiken en uiterlijk twee jaar na verschijnen van deze handreiking te evalueren hoe hiermee wordt omgegaan.

3 755, nr. 23

De Handreiking is op 1 juli 2010 op de site van Infomil beschikbaar.

Uitgevoerde moties VROM (1 juni 2009 t/m 31 mei 2010)

Omschrijving

Kamerstuknummer

Uitgevoerd met

Motie Van Gent: verzoekt het kabinet de correspondentie van de Nederlandse regering aan de Europese Commissie, over de uitvoering van Europese regelgeving, voortaan in principe altijd ter beschikking aan de Tweede Kamer te stellen.

32 123-XIV, nr. 147 (was nr. 136)

Antwoordbrief is verzonden door minister Buitenlandse Zaken, d.d. 17 maart 2010. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 21 501-02, nr. 955.

Motie Van der Ham en Samsom: Verzoekt de regering in het voorjaar 2010 de Kamer de onderhandelingsinzet voor het 8ste kaderprogramma te doen toekomen met onder andere aandacht voor:

– financiële intensiveringen ten gunste van duurzame technologieën;

– een programma voor het opschalen van schone energieopwekking;

– het realiseren van een Europees elektriciteitsnetwerk.

32 123-XI, nr. 47

Antwoordbrief is verzonden door minister EZ, namens minister VROM en Stas.OCW, d.d. 25 mei 2010. TK vergaderjaar 2009–2010, kst.

Motie Samsom c.s.: Verzoekt de regering een actieplan geothermie op te stellen en dat samen met de op te stellen rijksvisie van de ondergrond nog dit voorjaar aan de Kamer aan te bieden.

32 123-XI, nr. 40

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan de minister van Economische Zaken.

Motie Linhard: Verzoekt de regering een uitzonderingsmogelijkheid voor te bereiden op de WRO (Wet ruimtelijke ordening) waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd voor gemeenten om in uitzonderingsgevallen een tijdelijke bestemming van tien jaar toe te staan op voorwaarde dat een kantoorpand binnen een jaar wordt getransformeerd in een maatschappelijk gewenste functie;

– verzoekt de regering tevens in overleg met de gemeenten een aantal pilots te starten waarin kantoorpanden worden getransformeerd in maatschappelijk wenselijke functies.

32 123-XI, nr. 38

UB [13-07-2010] Aanpak leegstand kantoren.

Motie Pieper c.s. – Verzoekt de regering in overleg te treden met Fontys en te bezien in hoeverre het Rijk kan bijdragen aan het project Innovatief Groen, en de Kamer daar binnen een halfjaar over te rapporteren.

32 123-XI, nr. 35

UB [13-07-2010] Uitvoering motie Pieper c.s. over bijdrage Rijk bij project Innovatief Groen.

Motie Pieper en Samsom – Verzoekt de regering om in overleg met de branche voor 1 april 2010 tot een systeem dat duurzaamheid waarborgt te komen, zodat de accijnswijziging per die datum in werking kan treden.

32 123-XI, nr. 33

UB [19-03-2010] Duurzaamheidseisen E85 voor accijnscorrectie (motie Pieper/Samsom).

Motie Pieper en Linhard – Verzoekt de regering om op basis van ervaringen opgedaan in het buitenland rond vergaande pps bij herstructurering van bedrijventerreinen, in Nederland een pilot te starten die moet uitwijzen hoe dit in de Nederlandse omstandigheden kan werken, en de Kamer hierover binnen een halfjaar te informeren.

32 123-XI, nr. 32

UB [14-07-2010] Motie Pieper en Linhard over publiek-private samenwerking bij (herstructurering van) bedrijventerreinen.

Motie Cramer c.s.: Verzoekt de regering de beperkt beschikbare middelen uit het zogenaamde budget voor regionale/lokale projecten zo efficiënt als mogelijk in te zetten voor de meest kansrijke en effectieve regionale ov-projecten, daarvoor een prioritering aan te geven en voorstellen daartoe te doen bij het uitbrengen van de visie regionaal ov.

32 123-A, nr. 64

De verantwoordelijkheid voor deze toezegging is overgedragen aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Motie Cramer en Koopmans: Verzoekt de regering bij het verkennen van de oplossingsrichtingen voor de Goudse lijn in relatie tot het PHS het voortouw te nemen en de Kamer binnen een jaar te informeren over de uitkomsten en de globale kosten van deze oplossingsrichtingen.

32 123-A, nr. 62

De verantwoordelijkheid voor deze toezegging is overgedragen aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Motie Cramer c.s.: Verzoekt de regering bij de NMCA een quick-scan te presenteren van alle spoorlijnen buiten de PHS-corridors en daarbij de gegevens uit de quickscan regionaal spoor te actualiseren.

32 123-A, nr. 61

De verantwoordelijkheid voor deze toezegging is overgedragen aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Motie Koopmans c.s.: Verzoekt de regering inzicht te geven in de vraag waar in Nederland regio’s met krimp en hoge druk in elkaars nabijheid liggen en in hoeverre infrastructurele knelpunten deze verschillen in stand houden.

32 123-A, nr. 22

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Motie Thieme c.s.: verzoekt de regering de mogelijkheden voor een vergaande vergroening van het belastingstelsel mee te nemen in de brede heroverwegingen.

32 123, nr. 15

Antwoordbrief is verzonden door MP, vice MP en minFIN d.d. 1 april 2010. TK vergaderjaar 2009–2010, kst 32 359, nr. 1

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink

– verzoekt de regering in overleg met de waterschappen en rioleringsbedrijven concrete voorstellen uit te werken, waarin de deskundigheid, kennis en ervaring van de waterschappen en rioleringsbedrijven nog meer benut kunnen worden ter bevordering van goede sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden;

– verzoekt de regering tevens in overleg met gemeenten en waterschappen naast drinkwaterbedrijven ook waterschappen en rioleringsbedrijven ruimte te bieden om hun deskundigheid, kennis en ervaring in te zetten voor ontwikkelingssamenwerking.

32 123 XI, nr. 42

UB [29-04-2010] Beantwoording motie wiegman-van Meppelen Scheppink (32 123 XI, nr. 42).

Motie Boelhouwer/Wiegman-van Meppelen Schepping – verzoekt de regering erop toe te zien dat er een structurele oplossing komt voor de problemen bij de uitvoering waarbij de kwaliteit van de uitvoering geborgd wordt en met de koepels een route af te spreken om tot een robuuste structuur van uitvoeringsdiensten in regio en gemeenten te komen en de uitvoering van het omgevingsrecht te laten voldoen aan concrete kwaliteitseisen en over de voortgang hiervan de Kamer te informeren.

31 953, nr. 33 (was nr. 32)

De minister van VROM heeft de motie mondeling afgedaan in het Algemeen Overleg WABO/Omgevingsdiensten d.d. 22 april 2010.

Motie Huijbregts-Schiedon: spreekt uit dat de vormgeving en realisatie van de Regionale uitvoeringsstructuur (Rud’s) niet bij wet dient te worden opgelegd.

31 953, I

UB [20-04-2010] Motie Huijbregts-Schiedon c.s.

Motie De Rouwe en Cramer: Verzoekt de regering onder deze voorwaarde duidelijkheid te verschaffen over het feit dat de uitbreiding van de luchthaven Lelystad op de huidige locatie plaats zal vinden indien de interferentie met Schiphol dat toestaat.

31 936, nr. 12

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan de minister van Verkeer & Waterstaat.

Motie Neppérus en Van Heugten – Verzoekt de regering van de thans voorgenomen tariefverhoging van het Kadaster in 2009 af te zien en eerst meer inzicht te geven in de kostenbeheersing, efficiency van werken en financiële banden met het kerndepartement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu alvorens in 2010 of later tot een eventuele aanpassing van tarieven wordt besloten.

31 924-XI, 9

UB [01-09-2009] Contouren strategie Kadaster.

Motie Koppejan verzoekt de regering:

– stimuleringsmaatregelen uit te werken die het aantal samenwerkingsverbanden in de waterketen tussen gemeenten en waterschappen de komende jaren sterk verhogen;

– de Kamer daarover voor de begrotingsbehandelingen van 2010 te informeren.

31 858, nr. 19

UB [15-01-2010] Tussentijdse evaluatie van het Bestuursakkoord Waterketen.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering niet uit het oog te verliezen waarvoor REDD bedoeld is, namelijk het beschermen van intacte natuurlijke bossen en dit dus prioritair te stellen en in de Raadsconclusies tot uitdrukking te laten komen.

31 793, nr. 14

UB [05-11-2009] Verslag Milieuraad 21 oktober 2009.

Motie Van Leeuwen en Vermeij: Verzoekt de regering een hard budgetplafond vast te stellen, de Kamer jaarlijks over de kosten en baten van Inspire te informeren en uiterlijk 2011 een evaluatie van het project uit te voeren.

31 771, nr. 7

UB [14-12-2009] Resultaten kosten-batenanalyse INSPIRE.

Gewijzigde motie Van Leeuwen en Van Heugten: Verzoekt de regering de inspanningen waarmee aan Inspire wordt deelgenomen aan te passen aan het aangetoonde nut en noodzaak en aan de consequenties die harmonisatieafspraken hebben voor de Nederlandse datavoorziening en de benodigde budgetten.

31 771, nr. 10 (was nr. 8)

UB [14-12-2009] Resultaten kosten-batenanalyse INSPIRE.

Motie-Nepperus/Samsom over een vermindering van de geluidslast van de AWACS-vluchten met 35%.

31 700-XI, 78

UB [29-05-2009] Toezenden TK informatie inzake contact met vliegbasis Geilenkirchen.

Motie Spies: Verzoekt de regering om binnen art. 3 van de VROM-begroting een budget beschikbaar te stellen ter ondersteuning van de expeditie Himalaya Alert.

31 700-XI, nr. 52

Een budget is beschikbaar gesteld ter ondersteuning van de expeditie Himalaya alert. Hiermee is de motie afgedaan.

Motie Cramer: verzoekt de regering om extra kosteneffectieve maatregelen voor de verkeer- en vervoersector voor te bereiden, welke kunnen worden meegenomen in de begroting 2010 indien in april 2009 blijkt dat dit nodig is om de doelstelling van het werkprogramma Schoon en Zuinig voor de verkeer- en vervoersector te halen.

31 700 XII, 34

UB [29-04-2009] Aanbieding Monitor en Verkenning Schoon en Zuinig.

Motie Neppérus/Samsom verzoekt de regering daartoe nog dit jaar meer dan de 25 geplande vluchten naar het buitenland te verplaatsen.

31 700 XI, nr. 78

Door discussies in diverse Algemeen Overleggen over dit onderwerp is de toezegging niet meer aan de orde. In de stemming d.d. 20-5-2010 is een actuele motie op dit punt aangenomen.

Motie Neppérus/Samsom verzoekt de regering de geluidsreducerende maatregelen zoals vliegen met minder gewicht en het kiezen van andere aanvliegroutes nog dit jaar toe te passen.

31 700 XI, nr. 78

Antwoordbrief is verzonden door Staatssecreatis van Defensie, d.d. 18 september 2009, TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 32 123 XI, nr. 4.

Motie Neppérus/Samsom verzoekt de regering de afspraken met de NAVO over het maximum aantal vluchten en andere maatregelen voor 2010 en volgende jaren verder aan te scherpen, zodat uiterlijk in 2012 de geluidsreductie van 35% kan worden bereikt.

31 700 XI, nr. 78

Door discussies in diverse Algemeen Overleggen over dit onderwerp is de toezegging niet meer aan de orde. In de stemming d.d. 20-5-2010 is een actuele motie op dit punt aangenomen.

Motie Spies – Verzoekt de regering om uiterlijk in het eerste kwartaal van 2009 en voordat de criteria definitief worden de Kamer over de inhoud en de voortgang van het proces te informeren;

– Verzoekt de regering aan te geven in hoeverre de criteria voor duurzaam inkopen kunnen worden aangesloten bij gangbare «dynamische» keurmerken en bij welke productgroepen relatief gezien de meeste duurzaamheidswinst te halen is.

31 700 XI, nr. 53

UB [25-06-2009] voortgangsrapportage Duurzaam inkopen.

Motie Van der Staaij: Verzoekt de regering bij de besluitvorming over de herstructurering van bedrijventerreinen de gesignaleerde onevenwichtigheid weg te nemen door uitdrukkelijk ook te voorzien in adequate medefinanciering ten behoeve van kleinere bedrijventerreinen waarvoor niet een beroep kon worden gedaan op de GSB- en toppergelden.

31 700 XI, nr. 43

UB [03-12-2009] Voortgangsbrief Agenda Bedrijventerreinen 2008–2009 en toezending Convenant Bedrijventerreinen 2010– 2020.

Motie Van der Ham: Verzoekt de regering in de beleidsreactie op de Taskforce herontwikkeling Bedrijventerreinen voortstellen te doen om samen met gemeenten tot één methodiek te komen voor de prijszetting voor bedrijfsontwikkeling op basis van de waarde bij bebouwing, waarbij ook een afspraak over verevening wordt meegenomen.

31 700 XI, nr. 41

UB [03-12-2009] Voortgangsbrief Agenda Bedrijventerreinen 2008–2009 en toezending Convenant Bedrijventerreinen 2010– 2020.

Motie Wiegman-Van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering volgend jaar bij Prinsjesdag de gegevens uit de monitoring transparant te presenteren en er een normerende werking van uit te laten gaan richting alle departementen voor het bereiken van een structurele neerwaartse trend in de uitstoot van broeikasgassen in Nederland.

31 700 XI, nr. 36

UB [29-04-2009] Aanbieding Monitor en Verkenning Schoon en Zuinig.

Motie Madlener: Verzoekt de regering om de diversiteit van nieuwbouwwoningen krachtig te bevorderen onder andere door het bouwen van grote series dezelfde woningen te ontmoedigen.

31 700 XI, nr. 34

De motie wordt meegenomen in het reguliere VROM beleid.

Motie Madlener/Vermeij: Verzoekt de regering te bevorderen dat het aantal vrije kavels voor woningen, vooral in de Randstad, toeneemt en hierbij ook rekening te houden met de betaalbaarheid voor midden inkomens.

31 700 XI, nr. 33

UB [22-06-2009] Antwoorden inzake moties en toezeggingen over eigenbouw, sloop en transformatie.

Motie Vermeij c.s.: Verzoekt de regering schoolpleinen expliciet i het Activiteitenbesluit op te nemen, zoals ook is gebeurd met sport-recreatieactiviteiten.

31 700 XI, nr. 31

UB [27-11-2009] Wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (nieuwe activiteiten in en reparaties van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer).

Motie Vermeij c.s.: Draagt de regering op te zoeken naar technische oplossingen ter vermindering van radarverstoring teneinde meer ruimte te bieden aan wenselijke hoogbouw, duurzame energie initiatieven en het overige beleid uit de Nota Ruimte.

31 700 XI, nr. 30

UB [26-01-2009] Antwoorden op vragen van vcCie over de uitvoering motie Vermeij/Van Heugten over vermindering radarstoring.

Motie Vermeij c.s.: Verzoekt de regering een methodiek te ontwikkelen waarmee verevening kan plaatsvinden vanuit nieuwe bedrijventerreinen, zodat deze bijdragen aan de herstructurering van oude bedrijventerreinen.

31 700 XI, nr. 29

UB [03-12-2009] Voortgangsbrief Agenda Bedrijventerreinen 2008–2009 en toezending Convenant Bedrijventerreinen 2010– 2020.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. verzoekt de regering te komen met voorstellen om de watertoets juridisch te versterken.

31 700 XI nr. 37

Antwoordbrief is verzonden door minister V&W namens minister VROM, d.d. 22 december 2009. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 31 710, nr. 12

Motie Van Heugten: verzoekt de regering bij de aanleg of verandering van snelwegen niet meer geluidswerende voorzieningen te maken dan nodig en meer aandacht te schenken aan mooiere geluidswerende voorzieningen.

31 500, nr. 8

UB [26-11-2009] Samenwerkingsagenda Mooi Nederland.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s.: Verzoekt de regering de negen Nationale Snelwegpanorama’s als inspirerend voorbeeld op te nemen in de AMvB Ruimte, onderdeel Nationale Landschappen en in overleg met provincies te komen tot een algemene passage over de bescherming van panorama’s.

31 500, nr. 10

UB [26-11-2009] Samenwerkingsagenda Mooi Nederland.

Motie Koopmans c.s.: Verzoekt de regering per heden de Kamer de facto rechtstreekse toegang te geven tot alle planbureaus en dat de jure zo snel mogelijk te regelen.

31 490, nr. 9

Antwoordbrief is verzonden door minister BZK, d.d. 6 april 2009. TK vergaderjaar 2008–2009 31490, nr. 20.

De Kamer verzoekt de regering zich onverminderd te blijven inzetten om via alle mogelijke opties het aantal vluchten in de komende jaren verder terug te dringen of vliegroutes aan te passen met als doel een vermindering van de geluidsoverlast met 35% ten opzichte van het maximaal toegestane aantal vliegbewegingen.

31 444 XI, nr. 10

UB [29-05-2009] Toezenden TK informatie inzake contact met vliegbasis Geilenkirchen.

Gewijzigde motie Samsom c.s. over ondergrondse aanleg van hoogspanningsleidingen.

31 410, nr. 5 (gewijzigd)

Antwoordbrief is verzonden door minister EZ, namens minister VROM, d.d. 22 juni 2009. TK vergaderjaar 2008–2009, kst. 31 410, nr. 14.

Motie Samsom c.s. over een compensatie voor bovengrondse aanleg van nieuwe verbindingen.

31 410, nr. 4

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister EZ.

Motie Koopmans c.s.: Verzoekt de regering met gemeenten af te spreken dat de afvalstoffenheffing voor ingezetenen zichtbaar verlaagd zal worden met de opbrengsten uit het afvalfonds en eventueel opbrengsten uit verkoop van de kunsttoffen aan de verwerkers, zodra er een duidelijk afnameaanbod is geconstateerd.

31 337, nr. 10

UB [22-06-2009] Moties van de leden Poppe en Vietsch over de afvalstoffenheffing.

Motie Roemer en Roefs: Verzoekt de regering om uiterlijk in april 2009 duidelijk te maken welke effecten op milieu, economie en mobiliteit een milieuzone voor personenauto's kan hebben voor afzonderlijke steden indien luchtkwaliteitsnormen overschreden worden.

Om aan de hand hiervan in overleg met onder andere de VNG landelijke afspraken voor deze milieuzones op te stellen om een lappendeken te voorkomen. Zolang er geen landeljike afspraken voor een milieuzone voor personenauto's zijn, deze milieuzones niet toe te laten.

31 305, nr. 48

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister V&W.

Motie Koopmans: Verzoekt de regering de benodigde RDW-gegevens voor de instelling van milieuzones slecht ter beschikking te stellen, indien:

– Europese luchtkwaliteitsnormen ter plekke ook na gebruikmaking van de maatregelen uit het NSL overschreden worden;

– het gekozen systeem gelijk is aan een landelijk vastgesteld systeem, zodat er geen lappendeken kan ontstaan;

– de aanpak niet nadelig is voor mensen met een laag inkomen.

31 305, nr. 45

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister V&W.

Motie-Graus over centraal stellen van agrarisch ondernemerschap en vakmanschap bij behoud en beheer van Oud-Hollandse landschappen.

31 253, nr. 9

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister LNV.

Motie-Van Heugten/Cramer over aanpassen van de regels voor groencompensatie bij de aanleg van infrastructuur.

31 253, nr. 15

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister LNV.

Motie-Van Heugten c.s. over het opnemen van een kapitaallastenvergoeding in de vergoedingsregelingen voor agrarisch natuurbeheer.

31 253, nr. 14

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister LNV.

de motie-Cramer/Jacobi over uitwerking van de maatregelen van de Taskforce Rinnooy Kan.

31 253, nr. 12

Antwoordbrief is verzonden door minister LNV, namens minister VROM, d.d. 26 juni 2009.TK vergaderjaar 2008–2009, kst. 31 253, nr. 19.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s.: Verzoekt de regering binnen drie maanden (vóór 16 maart) een «oplegbrief» bij het plan van aanpak naar de Kamer te sturen, met daarin uiteengezet welk ministerie voor welk onderdeel uit het plan van aanpak verantwoordelijk is, en hoe het ministerie van VROM een coördinerende rol speelt in het biomassabeleid om voor coherentie en afstemming te zorgen.

31 250, nr. 50

UB [02-07-2009] Motie van het kamerlid Wiegman inzake «oplegbrief plan van aanpak biomassa mondiaal».

Gewijzigde motie Samsom c.s.: Verzoekt de regering om te onderzoeken op welke manier zelflevering optimaal kan worden gecombineerd met de huidige stimuleringsregelingen en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2009 te berichten.

31 209, nr. 58 (was nr. 50)

Antwoordbrief is verzonden door min EZ, namens minister VROM en stas FIN, d.d. 9 november 2009. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 31 209, nr. 101.

Motie Van der Ham c.s.: Verzoekt tevens de Kamerfracties in de gelegenheid te stellen om hun alternatieve plannen op vergelijkbare wijze te laten doorrekenen.

31 209, nr. 49

UB [22-06-2009] Reactie op motie 31 209,49 van Van der Ham, over het doorrekenen van tegenbegrotingen door PBL.

Gewijzigde motie Vermeij c.s.: Verzoekt de regering in nauwe samenwerking tussen de ministers van VROM, van VenW, van EZ en van LNV en voortbordurend op de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, te komen tot een integrale structuurvisie op de Randstad, inclusief het Groene Hart.

31 200-XI, nr. 70 (was nr. 30)

UB [12-02-2009] Brief TK inzake Randstad 2040: Reactie op terinzagelegging Structuurvisie en Plan-MER.

Neppérus/Vermeij: Verzoekt de regering te onderzoeken of en op welke wijze het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen in wet- en regelgeving op termijn kan worden opgeheven.

31 200-XI, nr. 103

UB [30-06-2009] Aanbiedingsbrief onderzoek en voortgangsrapportage recreatiewoningen.

Motie De Wit c.s.: Verzoekt de regering bij het uitblijven van de beslissing in maart 2008, die uitzicht biedt op vervanging van de motoren binnen een redelijke tijd, op de kortst mogelijke termijn op grond van artikel 1, tweede lid, van de NAVO Binnenvliegregeling – behoudens crisissituaties – voorwaarden te stellen aan het vliegen met Awacs-vliegtuigen boven Nederlands grondgebied, waardoor de overlast zal afnemen.

31 200-XI nr. 71

Door discussies in diverse Algemeen Overleggen over dit onderwerp is de toezegging niet meer aan de orde. In de stemming d.d. 20-5-2010 is een actuele motie op dit punt aangenomen.

Gewijzigde motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s.- Verzoekt de regering

– de structuurvisie aan te passen zodat de verdichtingsopgave per regio minimaal 40% en voor de Randstad als geheel gemiddeld 60% wordt zonder dat dit ten koste gaat van de streefwaarden voor groen (70 m2 per inwoner) en speelruimte binnen de steden en de kwaliteit van de binnenstedelijke openbare ruimte;

– verder onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid van een verdichtingsopgave rond de 80% zoals geadviseerd door het College van Rijksadviseurs.

31 089, nr. 52 (was nr. 40)

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Van Gent c.s. over behoefteramingen voor bedrijventerreinen die uitgaan van het Transatlantic Market scenario.

31 089, nr. 44

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. over het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen bij de uitwerking van de Structuurvisie Randstad 2040

31 089, nr. 43

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. over nieuwe instrumenten ter vervanging van of in aanvulling op het instrument migratiesaldo nul.

31 089, nr. 42

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. over het starten van een uitvoeringsalliantie verdichting.

31 089, nr. 41

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Népperus: Verzoekt de regering dit uit te werken in het deel van de Structuurvisie Randstad 2040 over de groenblauwe delta en in de daaruit voortvloeiende regelgeving.

31 089, nr. 37

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast

Motie Vermeij: Verzoekt de regering de woningbouwopgave elke vijf jaar te evalueren en eventueel bij te stellen en voor de eerstvolgende periodieke herijking van de kwantitatieve woningbouwopgave toetsingscriteria te ontwikkelen op basis van de beoogde kwaliteit, zodat de opgaven per gebied in samenhang kunnen worden bezien en deze mee te nemen in een vijfjaarlijkse Randstadbrief.

31 089, nr. 36

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Vermeij c.s. over het schrappen van het begrip metropolitane parklandschappen uit de Structuurvisie Randstad 2040.

31 089, nr. 35

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Vermeij c.s. over een kaart van de agrarische hoofdstructuur in de Randstad.

31 089, nr. 34

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie-Van leeuwen over de gevolgen van het in de Structuurvisie Randstad 2040 voorgestelde beleid.

31 089, nr. 30

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Van Leeuwen over de nationale belangen die door het Rijk moeten worden vastgesteld.

31 089, nr, 31

UB [19-10-2009] Uitvoering Structuurvisie Randstad 2040 aangepast.

Motie Halsema: Verzoekt de regering om in de begroting voor 2008 voorstellen te doen voor een verplicht aandeel duurzame energie, te leveren door energiebedrijven, waarbij dit aandeel door de jaren heen toeneemt.

31 070, nr. 15

Antwoordbrief is verzonden door Minister President, namens minister FIN, d.d. 1 april 2010. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 32 359, nr. 1.

verzoekt de regering een totaaloverzicht van de verschillende regelingen te presenteren en indien noodzakelijk met voorstellen voor verbetering te komen, waarbij het te dienen milieubelang in verhouding moet staan tot de uitvoeringslasten voor bedrijven en overheden.

30 920, nr. 15

UB [19-05-2010] Onderzoeken milieuaansprakelijkheid.

Gewijzigde motie Wiegman-van Meppelen Scheppink: verzoekt de regering bij de benutting van restwarmte ook te sturen op CO2-reductie en de mogelijkheden van recycling daarbij.

30 872, nr. 43 (was nr. 36)

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Gewijzigde motie Poppe – Wiegman-van Meppelen Scheppink: verzoekt de regering om in het Landelijk Afvalbeheerplan 2009 2021 op te nemen dat: het uitgangspunt van producentenverantwoordelijkheid dient te zijn dat producenten volledig verantwoordelijk worden voor de organisatie en de financiering van het afvalbeheer van hun producten vanaf het moment dat deze worden afgedankt.

30 872, nr. 42 (was nr. 32)

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Samsom: verzoekt de regering het sectorplan 1 zodanig te wijzigen dat voor grof huishoudelijk restafval de volgende minimumstandaard geldt: «sorteren of anderszins bewerken en het vervolgens verwerken van de daarbij ontstane monostromen conform de daarvoor geldende minimumstandaarden»

(ter vervanging van 30 872, 24).

30 872, nr. 41 (was nr. 24)

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering de minimumstandaard voor textiel te wijzigen van materiaalhergebruik in producthergebruik waarbij materiaalhergebruik een optie blijft indien producthergebruik niet meer mogelijk is.

Verzoekt de regering tevens in overleg met de gemeenten te komen tot een afschaffing van de inzamelvergoeding voor kleding voor goede doelen.

30 872, nr. 35

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Poppe: verzoekt de regering in het Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 een verplichte afgifte aan speciaal daartoe ingerichte Haven Ontvangst Installaties op te nemen van alle ladinggebonden scheepsafval en slops aan boord van een schip dat een Nederlandse haven verlaat met een bestemming buiten de Europese Unie.

Verzoekt de regering tevens om het Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 zodanig te wijzigen dat de markt voor scheepsafval niet wordt verruimd ten opzichte van de huidige situatie.

30 872, nr. 34

UB [22-12-2005] Voorstellen particulier opdrachtgeverschap voor alle groepen van bewoners.

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Poppe en Vendrik: verzoekt de regering een onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van controle en handhaving op afvalverwerkende bedrijven die onder bevoegd gezag staan van gemeenten en de geconstateerde problemen daadwerkelijk op te lossen.

30 872, nr. 31

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Samsom: verzoekt de regering onderstaande uitgangspunten uit het Landelijkafvalbeheerplan-1 weer op te nemen in het Landelijk afvalbeheerplan-2;

1. de bodem is in beginsel niet bestemd voor het opbergen van afvalstoffen of componenten van afvalstoffen die niet rechtstreeks ter plaatse uit de bodem afkomstig zijn;

2. berging van afvalstoffen in de diepe ondergrond is alleen aanvaardbaar als de te bergen afvalstoffen terugneembaar zijn;

3. de wijze van berging voldoet aan de IBC-criteria.

30 872, nr. 27

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Samsom: – verzoekt de regering om in het Landelijk afvalbeheerplan het instrument verbrandingsbelasting in ieder geval te handhaven;

– verzoekt de regering jaarlijks aan de Tweede Kamer te rapporteren over de ontwikkeling van de afvalverwerkingscapaciteit in Nederland en omringende landen, in relatie tot de in het Landelijk afvalbeheerplan opgenomen doelstellingen;

– verzoekt de regering daarbij aan te geven of het effectueren van de verbrandingsbelasting tegen een tarief hoger dan het huidige nultarief noodzakelijk is om gescheiden inzameling en hergebruik van deelstromen in overeenstemming met de voorkeursvolgorde voor afvalbeheer te houden.

30 872, nr. 26

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Samsom: verzoekt de regering noodzakelijke stappen te zetten om nog voor 2015 materiaalhergebruik van huishoudelijk afval de minimumstandaard te maken.

30 872, nr. 25

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Vietsch: verzoekt de regering te zorgen dat de regelgeving op het gebied van het afval (verbod op verbranding van afval in de open lucht) niet leidt tot verbod op dergelijke vuren (Sint-Maartens-, paas- en kerstboomvuren behoren tot de Nederlandse cultuur en traditie)

30 872, nr. 23

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872).

Motie Vietsch en Neppérus: verzoekt de regering deze conceptbeschikking hierop aan te passen; niet strikt, maar flexibel toepassen van de regeling voor gescheiden plastic afval.

30 872, nr. 21

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (kamerstuk 30 872)

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink: Verzoekt de regering in overleg met de VNG voor 1 januari 2010 tot transparante afspraken te komen over de hoogte van de leges, en daarbij ook de milieuvergunningen te betrekken

30 844, nr. 33

UB [20-11-2009] Uitvoering motie-Wiegman.

Motie Snijder-Hazelhoff – verzoekt de regering erop toe te zien dat voornoemde overwegingen uitgangspunt zijn en inzet blijven bij het maken van de beheerplannen.

30 654, nr. 71

UB [01-12-2009] Gedoogbeleid Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Motie Snijder-Hazelhoff – verzoekt de regering in voornoemde gevallen beheerplannen voor de betreffende Natura 2000-gebieden niet vast te stellen alvorens doelen zijn bijgesteld, zodanig dat deze wel juist kunnen worden onderbouwd en gerealiseerd.

30 654, nr. 70

UB [01-12-2009] Gedoogbeleid Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Motie Snijder-Hazelhoff – verzoekt de regering zo spoedig mogelijk aan te geven wanneer en op welke wijze aan deze verplichting om beheermaatregelen juridisch te verankeren invulling zal worden gegeven.

30 654, nr. 69

UB [01-12-2009] Gedoogbeleid Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Motie Koopmans: verzoekt de regering proefstallen te laten vallen onder de Maatlat Duurzame Veehouderij en hiermee de voorlopers te stimuleren.

30 654, nr. 64

UB [01-12-2009] Gedoogbeleid Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Motie-Koopmans

– verzoekt de regering voor de zomer samen met ipo, VNG en de sector met een plan van aanpak te komen waarin een forse reductie van de behandeltijd van vergunningaanvragen en een forse reductie van de kosten van de onderzoekslast voor deze aanvragen centraal staan;

– verzoekt de regering voorts vooruitlopend op het plan van aanpak te starten met een versnelde introductie van perspectiefvolle technieken door het verruimen van de proefstalstatus en het mogelijk maken van het gebruik van voorlopige emissiewaarden.

30 654, nr. 63

UB [01-12-2009] Gedoogbeleid Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Motie Van Heugten en Roefs: Verzoekt de regering vóór de finale vaststelling van het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen de Kamer te informeren hoe en wanneer gemeenten zo nodig aanvullende bouweisen kunnen opleggen in veiligheidszones of in plasbrandaandachtsgebieden om veiligheidsrisico’s langs infrastructuur tot een aanvaardbaar niveau te brengen.

30 373, nr. 35

UB [16-12-2009] Reactie op motie Van Heugten/Roefs betreffende opleggen bouweisen in plasbrandaandachtsgebieden en veiligheidszones.

Gewijzigde motie Tang. Verzoekt de regering erop toe te zien bij het, onder leiding van Alders uit te brengen advies, de regio, Defensie en de burgerluchtvaart te betrekken.

29 665, nr. 134

Antwoordbrief is verzonden door minister V&W namens minister VROM en Staatssecretaris Defensie d.d. 27 augustus 2009, TK vergaderjaar 2008–2009, kst 31 936, nr. 5.

Motie-De Rouwe c.s. over het voortvarend ter hand nemen van de implementatie van het Aldersadvies.

29 665, nr. 128

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is overgedragen aan minister V&W.

Motie-Cramer/Tang over het betrekken van deskundigen bij het overleg over het nieuwe stelsel vliegafspraken.

29 665, nr. 125

Antwoordbrief is verzonden door minister V&W, namens minister VROM d.d. 27 augustus 2009. TK vergaderjaar 2008–2009, kst. 31 936, nr. 5.

Motie-Cramer/Tang over een inventarisatie van het juridische en economische instrumentarium voor selectie.

29 665, nr. 124

Antwoordbrief is verzonden door minister VW, namens minister VROM, d.d. 17 april 2009. TK vergaderjaar 2008–2009, kst 31 936, nr. 1.

Motie-Van der Ham over het onderzoeken en vergelijken van alle kosten voor de grote luchthavens.

29 665, nr. 129

Antwoordbrief is verzonden door minister V&W en staatssecretaris Financiën d.d. 29 mei 2009, TK vergaderjaar 2008–2009, kst. 29 665, nr. 139.

Motie Van der Ham: Verzoekt de regering in de onderhandelingen met Brazilië over biobrandstoffen geen afspraken te accepteren die qua duurzaamheidseisen lager uitvallen dan de Cramercriteria.

29 575, nr. 19

Antwoordbrief is verzonden door minister EZ, mede namens minister VROM, d.d. 2 juli 2008. TK vergaderjaar 2007– 2008, kst. 29 575, nr. 21.

Motie Van Gent: Verzoekt de regering met voorstellen te komen om arbeids- en bezoekersintensieve kantoorfuncties en voorzieningen rond haltes van openbaar vervoer te bundelen en te voorkomen dat dergelijke functies en voorzieningen zich vestigen op locaties zonder goede ov-ontsluiting en deze voorstellen te verankeren in het beleid, via opname in de AMvB ruimte, de agenda Mooi Nederland en de verstedelijkingsafspraken, en gaat over tot de orde van de dag.

29 435, nr. 239

UB [03-12-2009] Stand van zaken m.b.t. toezeggingen tijden AO d.d. 29 september 2009 in het bijzonder m.b.t. ontwerpbesluit Amvb Ruimte.

Motie Vermeij/Van Gent over het niet nemen van onomkeerbare besluiten ten aanzien van het bedrijventerrein Quatrebras.

29 435, nr. 226

De motie wordt meegenomen in het reguliere VROM beleid.

Motie-Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. over het als randvoorwaarde stellen van het Transatlantic Market-scenario.

29 435, nr. 224

Minister VROM heeft de motie mondeling uitgevoerd in het VAO Uitvoering Nota Ruimte d.d. 3 maart 2009.

Motie Lemstra c.s.: Verzoekt de regering om in aansluiting op de Nota Ruimte, te werken aan een integrale langetermijnvisie en een daaraan gekoppelde strategie waarin de langetermijn opgaven voor de nationale stedelijke netwerken en de Randstad in het bijzonder worden ogenomen en deze visie op te stellen in samenspraak met de daarvoor geëigende kennisinstellingen. Verzoekt in het bijzonder de minister van VROM deze rol op zich te nemen en daarmee zorg te dragen voor een goede uitvoering van het huidige rijksbeleid en tegelijkertijd te werken aan de invulling van de inhoudelijke agenda voor de Randstad en de overige stedelijke netwerken.

29 435

UB [12-02-2009] Brief TK inzake Randstad 2040: Reactie op ter inzage legging Structuurvisie en Plan-MER.

Motie Vietsch c.s.: Verzoekt de regering in het voorliggende besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer vrijstelling op te nemen voor het geluid dat schutterijen met het schieten maken.

29 383, nr. 90

UB [17-02-2009] Toezenden TK «Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer».

Gewijzigde motie Gesthuizen/Besselink: Verzoekt de regering het expertisecentrum KIR Nano vóór kerst 2009 voor de meest toegepaste nanodeeltjes referentiewaarden op te laten stellen ten behoeve van gebruik door bedrijven, totdat het voor de Gezondheidsraad mogelijk is om voor de diverse nanodeeltjes grenswaarden vast te stellen.

29 338, nr. 87 (was nr. 81)

Antwoordbrief is verzonden door minister SZW, d.d. 21 december 2009. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 25 883, nr. 161.

Motie Besselink en Gesthuizen: Verzoekt de regering om op korte termijn te reguleren dat er een meldingsplicht komt voor het gebruik van nanodeeltjes in producten, en dat er een centraal onafhankelijk instituut is waar een overzicht kan worden verkregen van in de markt aanwezige nanohoudende producten.

29 338, nr. 85

Antwoordbrief is verzonden door minister VWS, d.d. 29 januari 2010. TK vergaderjaar 2009–2010, kst. 27 406, nr. 169.

Motie Neppérus en van der Staaij: Verzoekt de regering om het definitieve besluit zo op te stellen dat Nederland niet uit de pas loopt ten opzichte van andere Europese landen.

27 625, nr. 148 (was nr. 146)

UB [14-12-2009] Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009.

Motie Poppe en Boelhouwer: Verzoekt per jaar 1 000 containers te controleren op gassingen met bestrijdingsmiddelen en indien nodig wet- en regelgeving te ontwikkelen, om containers die niet volgens de regels zijn voorzien van een waarschuwingssticker te ontgassen, terug te sturen of de inhoud te vernietigen.

22 343

UB [20-05-2009] Tussenrapportage Uitvoering motie Poppe/ Boelhouwer containers met gevaarlijke gassen.

Motie Duyvendak c.s.: Spreekt uit dat het gewenst is dat de EU zich in haar beleid en haar maatregelen baseert op een reductiedoel van 30% in 2020 ten opzichte van 1990.

21 501-08, nr. 237

UB [09-02-2010] Uitgebreid verslag van de klimaatconferentie in Kopenhagen, 7– 19 december 2009.

Motie Wiegman-van Meppelen Scheppink/Ortega-Martijn – verzoekt de regering om:

– de provincies bij de beoordeling van de provinciale

– herstructureringsprogramma’s mee te delen dat bij de regionale afspraken ter uitvoering van het convenant bedrijventerreinen nadrukkelijk ook moet worden gekeken naar de rol van gemeenschappelijk grondbeleid en uitgiftebeleid, gekoppeld aan de afspraken over segmentering, waarbij de residuele grondprijsmethodiek het uitgangspunt is;

– en bij het ter beschikking stellen van middelen voor de provinciale herstructureringsprogramma’s de voorwaarde te stellen dat deze in overleg met (regionaal samenwerkende) gemeenten tot stand zijn gekomen en zicht bieden op afspraken over regionale samenwerking op basis van de afspraken in het convenant.

29 435, nr. 259

UB [14-07-2010] – Motie Pieper en Linhard over publiek-private samenwerking bij (herstructurering van) bedrijventerreinen.

Motie Mastwijk c.s. – verzoekt de regering om bij de puntsgewijze beoordeling van elk van de twaalf provinciale herstructureringsprogramma’s deze te toetsen aan de afspraken uit het convenant, alvorens over te gaan tot de decentralisatieuitkering.

29 435, nr. 257

UB [14-07-2010] Motie Pieper en Linhard over publiek-private samenwerking bij (herstructurering van) bedrijventerreinen.

Lopende toezeggingen VROM (1 juni 2009 t/m 31 mei 2010)

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken m.b.t. uitvoering

Ik ben voornemens u eind 2010 te informeren over het eindresultaat van de acties genoemd in bijlage 2.

UB [30-09-2009] Beknopte voortgangsrapportage Uitvoeringsprogramma Diffuse Bronnen Waterverontreiniging inclusief geneesmiddelen (2009–2010. Kst. 27 625, nr. 19).

De minister zal de Tweede Kamer vóór eind 2010 schriftelijk informeren.

Tijdens de mondelinge behandeling van de wijziging van de Meststoffenwet door uw Kamer op 1 juli jl. heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangegeven dat thans onderzocht wordt op welke wijze de regering uitvoering zal geven aan de bovengenoemde motie Koopmans. Daarbij heeft zij mede namens mij toegezegd dat u uiterlijk in het voorjaar van 2010 de resultaten van dit onderzoek ontvangt.

UB [27-08-2009] Beantwoording brief commissie LNV over vierde Actieprogramma Nitraatrichtlijn en innovatie (2008–2009. Kst. 28 385 nr. 151).

Het RIVM-rapport waarin de resultaten staan van het onderzoek naar de mogelijkheden voor uitvoering van de motie Koopmans verschijnt in mei 2010. De minister van VROM zal het rapport voorzien van een beleidsreactie, mede namens de minister van LNV na de zomer 2010 aan de Tweede Kamer zenden.

Het streven is om een NPR voor waterstoftankstations voor eind 2009 gereed te hebben. Op dit moment is nog niet aan te geven wanneer een PGS-publicatie wel kan worden opgesteld.

Dit hangt onder meer af van de snelheid waarmee waterstof als brandstof voor auto's in Nederland en andere landen op grotere schaal zal worden geïntroduceerd. Ik zal u nader informeren zodra er over het opstellen van richtlijnen voor het veilig omgaan met waterstoftankstations nieuwe ontwikkelingen zijn te melden.

UB [27-03-2009] Toezending TK Veiligheidsrichtlijnen waterstoftankstations (2008–2009. Kst. 27 801, nr. 66).

Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) voor waterstoftankstations. Deze zal naar verwachting begin augustus 2010 gereed zijn. Een PGS-publicatie is op dit moment nog niet voorzien. De Tweede Kamer zal in de 10e voortgangsrapportage EV hierover bericht worden. Naar verwachting zal deze rapportage begin 2011 aangeboden worden aan de Tweede Kamer.»

De Minister zal in 2009 een wetsvoorstel initiëren voor aanpassing van de wet bodemsanering.

UB [25-09-2008] Voortgang bodembeleid.

Het wetsvoorstel wordt in de MR behandeld en wordt vervolgens voor advies naar de Raad van State gezonden.

Ter voldoening aan de motie van de leden De Krom en Samsom van 8 december 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 766, nr. 10), door uw Kamer aangenomen op 14 december 2004, deel ik u hierbij mede dat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 1 april 2010 aan de NEa de status van zelfstandig bestuursorgaan zal worden toegekend. Hiertoe zal een koninklijk besluit in procedure worden gebracht houdende inwerkingtreding van de onderdelen van de Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten (Stb. 2004, 511) die betrekking hebben op de ZBO-status van de NEa.

UB [25-01-2010] Implementatiedatum ZBO-status NEa (2009–2010. Kst. 28 737, nr. 19).

De Tweede Kamer heeft dit onderwerp op 11 maart 2010 controversieel verklaard.

De CAB (Commissie Aardappel- en Bietengrond) heeft een eerste evaluatie uitgevoerd met betrekking tot de stand van zaken omtrent tarragrond. Het is nog te vroeg om een oordeel te vellen over de gevolgen van het besluit voor de tarrabranche, gezien het feit dat de branche nog maar een half jaar ervaring heeft met het besluit. Op grond van artikel 82 van het Besluit bodemkwaliteit zal ik binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan u een verslag toezenden over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. In dit verslag zal ik opnieuw de situatie met betrekking tot tarragrond in beeld brengen.

UB [24-02-2009] Ervaringen van de tarrabranche mbt het Besluit bodemkwaliteit (2008–2009. Kst. 29 383, nr. 122).

Evaluatie van het besluit Bodemkwaliteit is gepland 3 jaar na inwerkingtreding. Dat is 1 juli 2011.

Verdere uitvoering beleidsprogramma biociden:

Naast de onderhavige actie, is er nog een groot aantal andere acties benoemd in het beleidsprogramma biociden. Er is flinke voortgang geboekt. Eind 2009 zal ik u nader informeren over de totale voortgang.

UB [23-02-2009] Gedifferentieerd handhavingsbeleid niet toegelaten biociden (2008–2009. Kst. 27 858, nr. 75).

Naar verwachting zal de minister de Tweede Kamer na de zomer 2010 schriftelijk informeren.

Externe Veiligheid: Het vuurwerkbesluit wordt aangepast op basis van het evaluatierapport dat begin 2008 is afgerond.

UB [22-10-2008] Achtste voortgangsrapportage inzake het externe veiligheidsbeleid.

Naar verwachting zal het Vuurwerkbesluit in het voorjaar 2011 in procedure gaan.

Externe Veiligheid: De Structuurvisie Buisleidingen zal naar verwachting in de eerste helft van 2009 aan de EK en TK worden aangeboden.

UB [22-10-2008] Achtste voortgangsrapportage inzake het externe veiligheidsbeleid.

De definitieve Structuurvisie Buisleidingen, zoals aangekondigd in de 8e en 9e voortgangsrapportage EV, zal begin 2011 worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

De minister zegt toe een analyse uit te voeren naar de reden waarom er conflicten ontstaan tussen verschillende partijen bij de invoering van producentenverantwoordelijkheid. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek zal bezien worden of een aanpassing van regelgeving of beleid gewenst is.

UB [22-06-2009] Moties Landelijk afvalbeheerplan 2009–2021 (2008–2009. Kst. 30 872, nr. 45).

In juni 2010 wordt een opdracht aan een extern bureau verleend om deze analyse uit te voeren.

Lik-op-stukaanpak: handhaven op de naleving van de legionellapreventievoorschriften.

De VROM-Inspectie zal de nieuwe aanpak nauwlettend in de gaten houden, waarbij duidelijk moet worden wat de baten (effectiviteit) en lasten(inspanning) zijn, waar knelpunten zich voordoen en waar verbeteringen mogelijk zijn.

Vóór het zomerreces van 2010 zal ik u op de hoogte stellen van de eerste bevindingen.

UB [22-01-2010] Lik-op-stukbeleid legionellapreventie in leidingwater (2009–2010. Kst. 26 442, nr. 49).

De minister zal de Kamer na de zomer 2010 informeren.

Artikel 5 van de Drinkwaterrichtlijn laat de lidstaten vrij om aanvullende of meer stringente normen vast te leggen. De Commissie heeft in het verleden laten weten dat het niet noodzakelijk is om dergelijke normen in concept te notificeren. Na vaststelling zal de Commissie over het Drinkwaterbesluit geïnformeerd worden.

UB [21-04-2010] EK Antwoorden op feitelijke vragen over het ontwerp-Drinkwaterbesluit.

De inwerkingtreding van de nieuwe planning is juli 2011. Waarna de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd.

Wel zal ik nagaan of, nadat Evides is afgesplitst, de mogelijkheid van middellijk aandeelhouderschap uit de Drinkwaterwet geschrapt kan worden, om nieuwe situaties met middellijk aandeelhouderschap te voorkomen.

UB [20-10-2009] Beantwoording Kamervragen over de relatie tussen Delta en Evides (2009–2010. Kst. 420).

Op het moment dat Evides is afgesplitst van Delta kan een voorstel tot wijziging van de Drinkwaterwet worden gedaan, indien de consequenties hiervan aanvaardbaar zijn.

Evaluatie van het «Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen». Aanpassing van het besluit de meldingsplicht uit te breiden met afvalstoffen die behoren tot code 17 van de Europese Afvalstoffenlijst (Eural).