Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031755 nr. 33

31 755
Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage)

nr. 33
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 november 2009

Ingevolge uw verzoek van 28 oktober 2009 (2009Z19 899/2009D52604) geef ik u hierbij mijn reactie op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 15 oktober 2009 over het niet voldoen van de Nederlandse wetgeving aan de Europese richtlijn over milieueffectbeoordelingen.

De Europese Commissie heeft Nederland in gebreke gesteld voor het hanteren van absolute grenzen in de merwetgeving voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten. De mer richtlijn (85/337/EEG) maakt onderscheid tussen mer-plichtige activiteiten (waarbij altijd een mer moet volgen) en mer-beoordelingsplichtige activiteiten (waarbij alleen een mer moet worden gemaakt als het bevoegd gezag oordeelt dat er vanwege bijzondere omstandigheden mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu).

De richtlijn kent bij de mer-plichtige activiteiten drempelwaarden. Boven deze drempelwaarde geldt altijd de merplicht.

Bij de mer-beoordelingsplichtige activiteiten is aan de lidstaten overgelaten of zij drempelwaarden stellen of niet.

Voor merbeoordelings-plichtige activiteiten heeft Nederland drempels vastgesteld, zodanig dat voor projecten onder de drempelwaarden het bevoegd gezag niet verplicht is een onderzoek naar de noodzaak van een milieueffectbeoordeling in te stellen. Het arrest geeft aan dat Nederland met de gekozen drempelwaarden projecten bij voorbaat onttrekt aan de verplichting om een milieueffectbeoordeling uit te voeren, zonder dat is aangetoond dat deze projecten geen aanzienlijk milieueffect konden hebben. De drempels houden slechts rekening met het criterium «omvang van het project» uit de richtlijn mer en de andere criteria uit de richtlijn spelen hierbij ten onrechte geen rol. Het gaat dan om bijvoorbeeld nabijheid van een gevoelig gebied en duur alsmede frequentie van het potentiële milieueffect.

Het arrest leidt tot een heroverweging van de drempelwaarden in het besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna Besluit mer). De aanpassingen moeten aansluiten bij het Nederlandse draagvlak voor de huidige praktijk en ook gevolg geven aan het arrest van het Europese Hof van Justitie. De heroverweging van het Besluit mer zal waarschijnlijk langs de volgende lijnen plaatsvinden:

– meer differentiatie bij de drempelwaarden naar gebieden en/of andere criteria,

– verlaging van drempelwaarden,

– opnemen van een bepaling op grond waarvan rekening moet worden gehouden met cumulatie met andere activiteiten.

Voor de aanpassing zal aansluiting worden gezocht bij de implementatie in andere, ons omringende lidstaten.

Ik heb uw Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel modernisering mer ook de modernisering van het Besluit mer toegezegd. In deze modernisering van het Besluit mer worden zoveel mogelijk «koppen» verwijderd en wordt één op één aangesloten bij de mer-richtlijn.

Er is ten behoeve van de uitvoeringspraktijk gekozen om beide aanpassingen (aan het arrest en door de modernisering) gelijktijdig in werking te laten treden. Hierdoor zal de aanpassing van het Besluit mer in het kader van de modernisering enige vertraging oplopen ten opzichte van mijn eerdere toezegging. Naar verwachting zal ik uw Kamer begin volgend jaar in het kader van de voorhang een ontwerp-besluit kunnen voorleggen. De verwachting is dat per saldo door beide aanpassingen de lastenstijging minimaal zal zijn.

Gevolgen van het arrest voor de Crisis- en herstelwet (CHW)

Het arrest heeft geen gevolgen voor artikel 1.11 van de CHW. Dat artikel zondert project mer’s uit van (1) advisering door de onafhankelijke Commissie voor de mer en (2) onderzoek naar alternatieven. De CHW vereenvoudigt dus de uitvoering van de mer. Hierop heeft de uitspraak van het Europese Hof van Justitie geen betrekking.

Het arrest kan echter wel gevolgen hebben voor de betekenis van artikel 2.9 e.v. (versnelde uitvoering van woningbouwprojecten). In artikel 2.9 e.v. is de drempel van de merbeoordelingsplicht overgenomen, omdat op deze wijze tevens deze beoordeling buiten de procedure zou blijven.

Zoals hierboven vermeld, worden momenteel de drempels in het Besluit mer heroverwogen. Er is nu nog geen duidelijkheid over de uitkomst daarvan.

Zodra die duidelijkheid er wel is, zullen de consequenties voor de CHW worden bezien.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer