Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331839 nr. 290

31 839 Jeugdzorg

Nr. 290 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2013

In het Algemeen Overleg van 21 maart 2013 (Kamerstuk 31 839, nr. 287) hebben we de eerste rapportage van de Transitiecommissie Stelselwijziging Jeugd (TSJ) met uw Kamer besproken. Zoals toegezegd in het AO informeren wij u met bijgevoegd Transitieplan Jeugd over de verdere voorbereiding op de invoering van het nieuwe jeugdstelsel per 1 januari 2015. In deze brief informeren wij u ook over de bestuurlijke afspraken over de continuïteit van zorg en de wijze waarop wij invulling geven aan de aangenomen moties in het VAO van 4 april 2013 (Handelingen II 2012/13, nr. 71, debat over rapport commissie-Samson) over de transitie jeugdstelsel.

1. Transitieplan Jeugd

Het bijgevoegde Transitieplan Jeugd beschrijft de stappen die door het Rijk, VNG/gemeenten en IPO in samenwerking met zorgverzekeraars en veldpartijen gezet worden voor een verantwoorde transitie (overgang) naar het nieuwe jeugdstelsel1. Daarnaast geeft het plan aan hoe Rijk, VNG en IPO de transitie en transformatie van de zorg voor jeugd zullen ondersteunen en faciliteren.

Conform de aanbevelingen van de TSJ wordt in het Transitieplan ingegaan op de procesplanning, de programmastructuur, de wijze van sturing, de verantwoordelijkheidsverdeling en de implementatie. In het Transitieplan komen ook de thema’s aan de orde waarvoor uw Kamer in het AO van 21 maart 2013 bijzondere aandacht heeft gevraagd: wetgeving, overgangsmaatregelen, beleidsinformatie, kwaliteit en toezicht, regionale samenwerking, landelijke afspraken en ondersteuning.

Het Transitieplan is als gezamenlijk afsprakenkader van Rijk, VNG en IPO een belangrijk sturingsinstrument voor de stelselwijziging jeugd. Het plan biedt inzicht in de belangrijkste activiteiten, inclusief mijlpalen en verantwoordelijkheidsverdeling, ten behoeve van een succesvolle transitie. Op basis van het Transitieplan kunnen risico’s en kritieke paden worden gemonitord. Wij bespreken de voortgang van het Transitieplan periodiek in een bestuurlijk overleg met IPO en VNG en zullen zo nodig het plan bijstellen en extra ondersteuning bieden. Wij zullen uw Kamer periodiek over de voortgang van de transitie informeren.

Wetgevingstraject

Het Transitieplan Jeugd is een uitwerking van de Transitieagenda die de Tweede Kamer in maart 2012 heeft ontvangen. Alle stappen in het Transitieplan zijn uiteraard onder voorbehoud van de parlementaire instemming met het voorstel voor de Jeugdwet dat begin april 2013 voor advies is voorgelegd aan de Raad van State (RvS). Na ommekomst van het advies van de RvS kan het wetsvoorstel naar verwachting nog voor het zomerreces bij uw Kamer worden ingediend.

De in het Transitieplan opgenomen planning van de parlementaire behandeling is krap. Met de bestuurspartijen is afgesproken dat het wetsvoorstel uiterlijk 1 januari 2014 in het Staatsblad wordt gepubliceerd om gemeenten en het veld een jaar voorbereidingstijd te bieden. In het besef dat uw Kamer over haar eigen planning gaat, hopen wij op een voorspoedige behandeling van het voorstel voor de Jeugdwet.

Motie Bergkamp en Ypma over afspraken en doelstellingen transformatie in het transitieplan2

Hoofddoel van de stelselwijziging Jeugd is het realiseren van een omslag (transformatie) in de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en gezinnen naar:

  • 1. Preventie en uitgaan van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden (eigen kracht) van jeugdigen en hun ouders, met inzet van hun sociale netwerk.

  • 2. Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren door ondermeer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen.

  • 3. Eerder de juiste hulp op maat te bieden, om het beroep op dure gespecialiseerde hulp en justitiële maatregelen te verminderen.

  • 4. Integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt «één gezin, één plan, één regisseur»; door ontschotting van budgetten ontstaan meer mogelijkheden voor betere samenwerking en innovaties in ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en gezinnen.

  • 5. Meer ruimte voor professionals om de juiste hulp te bieden en vermindering van regeldruk; betrokken professionals die sociale netwerken in de omgeving van het gezin weten in te schakelen en die kunnen samenwerken met vrijwilligers en familieleden en hun kracht weten te benutten.

Gemeenten en hun samenwerkingspartners zijn primair verantwoordelijk om de beoogde transformatie te realiseren. Decentralisatie van de bestuurlijke verantwoordelijkheid naar gemeenten en ontschotting van budgetten schept hiertoe de noodzakelijke randvoorwaarden. In hoofdstuk 3 van het Transitieplan wordt ingegaan op de wijze waarop Rijk en VNG de transitie en transformatie stimuleren en faciliteren via ondermeer het Transitiebureau Jeugd. Mede op basis van de ondersteuningsbehoefte van gemeenten wordt een transformatieagenda opgesteld en uitgewerkt in samenwerking met de landelijke cliëntenorganisaties, beroepsgroepen, brancheorganisaties en kenniscentra.

Motie Bergkamp over afspraken over uitwisseling van gegevens in het transitieplan3

Paragraaf 4.3 van het Transitieplan gaat in op de verwerking van persoonsgegevens en de beleidsinformatie. Alle deelprojecten in het kader van het project beleidsinformatie voorzien in een privacy impact assessment (PIA), zodat de verworvenheden ervan kunnen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het project. Voor de horizontale informatie uitwisseling heeft de VNG samen met KING het project Verkenning Informatievoorziening Sociaal Domein (VISD) opgezet. Ook in dat project heeft privacyproblematiek de volle aandacht.

Het gaat bij beleidsinformatie om informatie op stelselniveau, ketenniveau en niveau van het individu. In het Transitieplan komen aan de orde: beleidsinformatie t.b.v. stelselverantwoordelijkheid rijk (en gemeenten), gegevensstandaarden jeugddomein, keteninformatie justitiële jeugdketens en eenmalige gegevensoverdracht. In aanvulling op de Wet bescherming persoonsgegevens zal het voorstel voor de Jeugdwet regels bevatten voor de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens voor alle terreinen die deze wet beslaat. Het betreft preventie, alle jeugdhulp, het AMHK en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. Gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en het AMHK zijn verantwoordelijk voor een veilige en zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens. Zij kunnen bij het treffen van technische en organisatorische maatregelen voor een veilige en zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens de Cbp-publicatie Richtsnoeren beveiliging van persoonsgegevens van 19 februari 2013 als leidraad nemen.4

2. Continuïteit van zorg in de overgangssituatie

Motie Voordewind cs over continuïteit van zorg voor pleegkinderen5

Het is belangrijk dat in de overgangsperiode de hulpverlening aan jeugdigen en hun ouders is geborgd. Uitgangspunt is dat gemeenten vanaf de inwerkingtreding van deze wet verantwoordelijk zijn voor alle jeugdigen en ouders die een beroep doen op jeugdhulp. Jeugdigen of ouders die vóór 1 januari 2015 (jeugd)zorg ontvangen of reeds een recht op (jeugd)zorg hadden ontvangen, blijven dit in 2015 ontvangen bij dezelfde aanbieder. Voor pleegzorg geldt daarbij géén termijn en wordt in het voorstel voor de Jeugdwet tevens geregeld dat de jeugdige niet zonder inhoudelijke redenen geconfronteerd mag worden met een verandering van pleegouders. Hiermee wordt de continuïteit van pleegzorg voor het individuele pleegkind geborgd en wordt uitvoering gegeven aan de motie Voordewind.

Bestuurlijke afspraken overgangsmaatregelen

Met IPO en VNG hebben we afspraken gemaakt over de continuïteit van zorg voor jeugdigen die reeds zorg ontvangen, het beperken van de frictiekosten en de infrastructuur om jeugdigen in zorg continuïteit van zorg te kunnen bieden. De bestuurlijke afspraken houden in dat gemeenten in alle regio’s een regionaal transitie arrangement opstellen in overleg met de huidige financiers en de relevante aanbieders. In dit arrangement staat uitgewerkt hoe de samenwerkende gemeenten de zorgcontinuïteit realiseren. Uiterlijk 31 oktober 2013 moeten deze transitie arrangementen zijn opgesteld. De TSJ beoordeelt de regionale arrangementen en zal het aan Rijk en VNG kenbaar maken als dit arrangement niet voldoet. Als de TSJ constateert dat de continuïteit van zorg niet lijkt te worden gerealiseerd dan zal het Rijk een aanwijzing geven aan de betreffende regio.

Onderzoeken frictiekosten

Ter voorbereiding van de bestuurlijke besluitvorming over overgangsmaatregelen hebben wij in mei 2012 opdracht gegeven voor drie onderzoeken naar de aard en omvang van de mogelijke frictiekosten van de stelselwijziging. Bijgevoegd doen we u de rapportages van deze drie onderzoeken ter kennisneming toekomen.6

Frictiekosten zijn in deze onderzoeken gedefinieerd als mogelijke wachtgelden voor personeel van instellingen, provincies en Rijk en mogelijke kapitaallasten van afbouw of ombouw van gebouwen in eigendom van instellingen, kosten in verband met opzeggen huur en kosten voor ICT/automatisering. In de eindrapportage Frictiekosten transitie jeugdzorg, afgerond in januari 2013, zijn voor drie scenario’s de frictiekosten geschat. Naast het bepalen van de frictiekosten is ook een schatting gemaakt van de benodigde budgetruimte van gemeenten in de onderscheiden overgangsscenario’s. In de berekeningen zijn aannames gedaan over varianten in het toekomstig gemeentelijk beleid, waar nog weinig over bekend was ten tijde van het onderzoek. Daarnaast bleken er voor de onderbouwing van aannames over arbeidsmarktfactoren en de gebouwenmarkt niet altijd voldoende recente en specifiek voor de jeugdzorg beschikbare gegevens te zijn. De resultaten bevatten daarmee een mate van onzekerheid. Daarbij zijn factoren op het niveau van individuele instellingen niet meegenomen, omdat ze gepaard gingen met te veel onzekerheden. Het onderzoek beperkt zich dan ook tot uitspraken op het niveau van de verschillende jeugdzorgsectoren.

Naast de hiervoor beschreven onzekerheden, is het ook goed te benadrukken dat de frictiekosten waarover in dit rapport wordt gerapporteerd, niet onafwendbaar zijn. Ze zijn namelijk niet alleen afhankelijk van onbeïnvloedbare factoren, maar zijn deels ook beïnvloedbaar. Zo kunnen jeugdzorginstellingen maatregelen nemen om omzetveranderingen op te vangen en zo (toekomstige) frictiekosten te beperken. Ook gemeenten kunnen met hun beleidskeuzes invloed uitoefenen op de omzetveranderingen van instellingen. Dat is ook de reden waarom wij nu al met VNG en IPO de afspraken hebben gemaakt die hiervoor zijn genoemd. Vroegtijdig inzicht bij alle betrokken partijen hoe de transitie gaat verlopen zal van grote invloed zijn op het beperken van frictiekosten omdat tijdig geanticipeerd kan worden.

Arbeidsmarkteffectrapportage (AER) transitie jeugdstelsel

Uitgangspunt is dat gekwalificeerd personeel zoveel mogelijk behouden blijft, bij voorkeur voor de jeugdhulp en anders voor de zorg in algemene zin. De bijgevoegde arbeidsmarkteffectrapportage -gestart in september 2012 en afgerond in januari 2013 – geeft een eerste indicatie van de mogelijke gevolgen van het nieuwe jeugdstelsel voor de werkgelegenheid.7 Het onderzoek is gebaseerd op interviews met koplopergemeenten, jeugdzorgaanbieders en branche- en beroepsorganisaties. Met een nulmeting is de huidige situatie op de arbeidsmarkt voor jeugdzorg en welzijn in beeld gebracht. Vervolgens is een aantal scenario’s doorgerekend om inzicht te krijgen in de arbeidsmarkteffecten van de transitie. De rapportage laat zien dat de transitie niet alleen leidt tot minder «netto» werkgelegenheid, maar ook tot «bruto» verschuivingen van personeel tussen aanbieders en tussen branches naar een eventuele nieuwe eerste lijn en toegang. Voor werknemers betekent dit mogelijk andere arbeidsvoorwaarden en omstandigheden en daarmee gepaard gaande onzekerheid. Dit kan echter ook leiden tot meer uitdaging en loopbaanperspectief voor medewerkers, meer tevredenheid over werk door integrale werkwijze, ander scholingsaanbod en meer samenwerking. Naar verwachting wordt in toenemende mate gewerkt met tijdelijke contracten vanwege onzekerheid van zorgaanbieders over contracten na 2014 en verder.

3. Overig

Naar aanleiding van de vraag tijdens het Algemeen Overleg van 11 april 2013 of onderzoek naar diagnose en behandeling van jeugd- lvb onderdeel kan uitmaken van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector hebben wij contact opgenomen met zowel ZonMw als het kenniscentrum VOBC. Het blijkt dat er bij het kenniscentrum VOBC al het nodige bekend is over de diagnose en behandeling van lvb-jongeren. Met financiering van ZonMw zijn of worden op dit moment al een aantal onderzoeken uitgevoerd. Ook in het themadossier licht verstandelijk beperkte jeugd van het Nederlands Jeugdinstituut staat de nodige kennis. Er is echter nog wel kennis nodig over het verder ontwikkelen en verbeteren van de bestaande werkwijzen rond het screenen, diagnosticeren en behandelen van opvoed- en opgroeiproblemen van LVB-ers. Het vertalen van deze kennis naar de praktijk, met name ook gericht op de inbedding van de behandeling in een integraal proces van signalering, behandeling en nazorg door professionals, vergt nog aandacht. We hebben ZonMw gevraagd om lacunes in de kennis over de aanpak van opvoed- en opgroeiproblemen van LVB-ers een plek te geven in het lopende ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector binnen de programmalijn hulpmiddelen waarbinnen effectonderzoek naar instrumenten en interventies wordt uitgevoerd.

Bij deze brief is tevens gevoegd het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg 2013 – 20158. In dit Beleidskader, dat voorvloeit uit de Wet op de Jeugdzorg, is het Rijksbeleid opgenomen zoals dat voor de provinciale jeugdzorg voor de jaren 2013 en 2014 geldt. Het nieuwe beleid voor de jeugdzorg krijgt vorm in de bestuurlijke afspraken zoals beschreven in het bijgevoegde Transitieplan Jeugd.

Eind april heeft uw Kamer vooruitlopend op de Jeugdwet het wetsvoorstel professionalisering (Kamerstuk 33 619) ontvangen dat ziet op een wijziging van de Wet op de jeugdzorg per 1 januari 2014. Doel van het wetsvoorstel is de kwaliteit van de provinciale jeugdzorg naar een hoger niveau te tillen. Hoewel dit geen geringe opgave is voor de sector willen wij in het belang van kwaliteit van de zorg voor jeugd het professionaliseringstraject met kracht voort zetten. Voor de zomer kunt u in het kader van de voorhangprocedure op grond van artikel 109 van de Wet op de jeugdzorg het concept van een algemene maatregel van bestuur tegemoet zien met een nadere invulling van dit wetsvoorstel.

Naar verwachting kunnen wij uw Kamer vóór het zomerreces verder nog doen toekomen onze visie op de vormgeving van het toezicht in het nieuwe jeugdstelsel, het tweede rapport van de TSJ met onze reactie daarop en het voorstel voor de Jeugdwet.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Kamerstuk 31 839, nr. 278.

X Noot
3

Kamerstuk 31 839, nr. 279.

X Noot
5

Kamerstuk 31 839, nr. 279.

X Noot
6

Eindrapport Frictiekosten transitie jeugdzorg, Panteia, 31 januari 2013; Financiële vraagstukken «feiten en cijfers »transitie nieuw stelsel jeugd, Capgemini, oktober 2012; Juridische vraagstukken transitie nieuw stelsel jeugd, Berenschot, 15 juli 2012, Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
7

Eindrapport arbeidsmarkteffectrapportage transitie jeugdzorg, Panteia, 31 januari 2013, Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
8

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer