Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333204 nr. 33

33 204 Wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de vaststelling van de eigen bijdragen voor zorg of voorzieningen op grond van die wetten

Nr. 33 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 juni 2013

Per 1 januari 2013 is de vermogensinkomensbijtelling (hierna: VIB) op de eigen bijdrage AWBZ/WMO van kracht. Ik heb 4 april j.l. met uw Kamer gedebatteerd over «de ongewenste effecten van de vermogensinkomensbijtelling in de AWBZ» (Handelingen II 2012/13, nr. 71, item 13, blz. 53–69 en item 15, blz. 73–92).

Ik heb u in dit debat toegezegd met een brief terug te komen op een aantal zaken.

Met deze brief voldoe ik aan deze toezegging; in deze brief zal ik achtereenvolgens ingaan op de onderwerpen letselschade, de eigen onverkochte woning, het persoonsgebonden budget (hierna: pgb) en de extra vrijlating bij langdurig verblijf in een instelling (voor niet-AOW’ers). Daarnaast zal ik in deze brief terugkomen op de motie van het lid Van der Staaij (Kamerstuk 33 204, nr. 28.)

Letselschade

In de Wet inkomstenbelasting 2001 is geregeld welke vermogensbestanddelen in de grondslag van box 3 vallen en welke vermogensbestanddelen daarvan zijn vrijgesteld. Dit werkt ook door naar de VIB, want voor de vaststelling van de VIB is immers volledig aangesloten bij de grondslag van box 3. Het recht op een letselschadevergoeding of een reeds ontvangen letselschadevergoeding valt in de grondslag van box 3 en telt op dit moment dus mee bij de vaststelling van de VIB.

Uw Kamer heeft mij gevraagd naar de mogelijkheid om letselschade alsnog uit te zonderen van de VIB. Ik heb uw Kamer toegezegd dat ik bereid ben om, conform de vermogenstoets bij de zorgtoeslag, letselschadevergoedingen en bepaalde uitkeringen voor bepaalde groepen (zie bijlage 1 voor de volledige lijst) met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 uit te sluiten van de VIB. Conform de regeling bij de zorgtoeslag zal de uitzondering met betrekking tot de letselschade gelden tot 1 januari 2023 én verder alleen voor letselschadevergoedingen die vóór 11 oktober 2010 zijn toegekend.

Voor de letselschadevergoedingen kan geen gebruik gemaakt worden van gegevens van de Belastingdienst, omdat niet wordt bijgehouden welk gedeelte van het vermogen uit een letselschadevergoeding bestaat.

De Belastingdienst/Toeslagen is voor de vermogenstoets bij de zorgtoeslag afhankelijk van door burgers zelf verstrekte informatie dat hun vermogen geheel of gedeeltelijk bestaat uit een letselschadevergoeding. Aangezien de vermogenstoets bij de zorgtoeslag afwijkt van die voor de VIB, zullen voor de VIB andere burgers in aanmerking komen dan voor de vermogenstoets bij de zorgtoeslag. De inschatting is dat deze maatregel zeer geringe budgettaire gevolgen heeft.

Bovenstaande betekent ook dat, naar analogie van de vermogenstoets bij de zorgtoeslag, cliënten zelf bij het CAK dienen te melden dat het vermogen of een deel daarvan uit een letselschadevergoeding bestaat. Een letselschadevergoeding is een vergoeding die wordt uitgekeerd als compensatie voor schade die voortvloeit uit lichamelijk en/of psychisch letsel. Het CAK zal hiervoor een systeem moeten inrichten waarbij mensen met een letselschadevergoeding zich met bewijsmateriaal melden bij het CAK. Het CAK voert vervolgens een eigen toets uit met betrekking tot letselschadevergoedingen. Doordat het CAK de uitzondering van letselschade handmatig zal verwerken, is de uitzondering met terugwerkende kracht mogelijk. Deze maatregel vergt wijziging van het Bijdragebesluit zorg en het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Het conceptbesluit zal na het zomerreces op grond van artikel 6, zesde lid van de AWBZ aan uw Kamer wordt overgelegd.

De eigen onverkochte woning

Voor cliënten die al langer in een instelling wonen en een onverkocht huis hebben telt het aandeel van de waarde van de woning in box 3 per 1 januari 2013 mee voor de VIB (wanneer het onverkochte huis op 1 januari 2011 in box 3 meetelde). Voor hen kunnen de gevolgen van de invoering van de VIB als een onaangename verrassing zijn gekomen. Voor nieuwe cliënten van intramurale zorginstellingen is er een langere aanpassingsperiode. Nieuwe cliënten met een nog niet verkochte voormalige eigen woning (en zonder fiscaal partner die in de woning van de cliënt woont), hebben vier jaar de tijd voordat de niet verkochte woning mee gaat tellen voor de VIB1.

Ik heb uw Kamer toegezegd dat voor cliënten met een onverkocht huis die voor 1 januari 2013 al in een AWBZ instelling verbleven, een betalingsregeling kan worden gehanteerd. Voor deze groep cliënten die het vermogen niet direct liquide kan maken, kan het CAK op aanvraag een betalingsregeling treffen.

Deze betalingsregeling betekent dat deze cliënten uitstel van betaling tot op het moment van verkoop van de woning, met een maximum van vier jaar bij het CAK kunnen aanvragen. Het gaat hier uitsluitend om uitstel van betaling van het hogere bedrag dat zij als gevolg van de VIB moeten betalen en het uitstel geldt tot uiterlijk 31 december 2016. Deze cliënten hebben zo de tijd om het vermogen dat in hun onverkochte huis zit, liquide te maken. Het CAK zal er binnen het reguliere incassoproces voor zorgdragen dat cliënten de opgelegde eigen bijdrage zullen voldoen zodra zij het vermogen in het huis liquide hebben gemaakt. Doordat het CAK de betalingsregeling handmatig zal verwerken, kan deze betalingsregeling met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 worden ingevoerd.

Het pgb

Uw Kamer heeft aangegeven het onwenselijk te vinden wanneer het in december betaalde voorschot op het pgb voor het komende jaar als vermogen meetelt voor de berekening van de eigen bijdrage AWBZ en Wmo, omdat het pgb bedoeld is om zorg in te kopen. Zoals ik reeds heb aangegeven sluit de vaststelling van het vermogen voor de VIB aan bij het vaststellingsmoment voor het vermogen in box 3. Hierbij is het peilmoment om vast te stellen wat het box 3 vermogen is van een burger 1 januari van het jaar. Zo lang de budgethouder onder de vrijstellingsgrenzen van box 3 blijft is er geen grondslag voor de VIB.

Er zijn twee zorgkantoren die het pgb als voorschot overmaakten in de maand december. De budgethouders die een pgb ontvangen van maximaal € 75.000,– per jaar en die vermogen in box 3 hebben, zullen hierdoor maximaal € 80,– als eigen bijdrage als gevolg van de VIB meer moeten betalen2.

Ik heb aangegeven dat ik bereid was om hierover met de zorgkantoren te praten.

Inmiddels hebben deze zorgkantoren toegezegd geen voorschotten meer over te maken in december. Per 2014 is er dus geen sprake meer van een fiscaal vermogen als gevolg van een voorschot op het pgb voor het nieuwe jaar. Doordat de VIB uitgaat van het vermogen op 1 januari van het jaar t-2, betekent dit dat bij het bepalen van de eigen bijdrage in 2016, het voorschot geen onderdeel meer uitmaakt van het vermogen van de cliënt.

Echter, dit betekent ook dat de voorschotten die reeds uitbetaald zijn in december 2011 en december 2012, respectievelijk opgenomen in het vermogen van 2012 en 2013, nog meetellen bij de berekening van de VIB voor 2014 en 2015. Terugwerkende kracht is hier niet goed mogelijk. Een waterdicht systeem kan niet worden gegarandeerd, omdat rekening moet worden gehouden met deze correctie bij herhaaldelijk beschikbaar komende gegevens. Dit alles overwegende wegen de kosten niet op tegen de te behalen baten.

Langdurig verblijf in een instelling

Uw Kamer heeft mij gevraagd of het mogelijk is om iets te doen voor cliënten die langdurig in een instelling verblijven en die (of: waarvoor de ouders) speciaal voor dit doel spaargeld opzij hebben gezet. Ik heb u in het debat aangegeven dat ik bereid was te bezien of er een extra vrijlating van € 10.000,– kan worden ingevoerd voor cliënten die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt (hierna: niet-AOW’ers) en die zorg met verblijf ontvangen en de eigen bijdrage voor zorg met verblijf moeten betalen. Voor deze groep heeft de VIB immers de grootste en meest langdurige effecten. Met deze extra vrijlating is een budgettair beslag van € 17 miljoen gemoeid. In het kader van de besluitvorming met betrekking tot de Voorjaarsnota heb ik hiervoor dekking kunnen bewerkstelligen.

Ik heb voor de uitvoeringstechnische consequenties navraag gedaan bij het CAK. Doordat de VIB uitgaat van de grens van het belastingvrije vermogen zoals deze geldt voor box 3, kan de VIB in het geval van een extra vrijlating van € 10.000,- voor het vermogen van niet-AOW’ers niet alleen maar gebaseerd worden op gegevens van de Belastingdienst. Het CAK zal zelf het bedrag dat de Belastingdienst aanlevert moeten verlagen met een bedrag van € 10.000,–. Deze nieuwe vrijlating zal geautomatiseerd worden uitgevoerd. Dit vergt systeemaanpassing bij het CAK en goede uitleg aan cliënten van het CAK over deze afwijking van de grondslag sparen en beleggen. Ook vergt deze maatregel aanpassing van het Bijdragebesluit zorg. Het ontwerpbesluit zal na het zomerreces op grond van artikel 6, zesde lid van de AWBZ aan uw Kamer wordt overgelegd. Het streven is dat deze maatregel per 1 januari 2014 in werking treedt.

Reactie Motie van der Staaij

Bij deze voorzie ik uw Kamer mede namens de staatssecretaris van Financiën van een reactie. In de motie Van der Staaij3 wordt de regering verzocht te bezien of er grondslagen zijn die de draagkracht naar vermogen evenwichtiger kunnen benaderen dan de grondslag voor box 3. Voor de VIB in de AWBZ, alsmede voor de vermogenstoetsen van de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget, wordt voor de definitie van «vermogen» aansluiting gezocht bij de rendementsgrondslag van box 3. Voor aansluiting bij dit vermogen is in de eerste plaats gekozen omdat dit begrip bekend is bij de Belastingdienst vanuit de aangifte inkomstenbelasting. Dit bevordert de uitvoerbaarheid van genoemde regelingen en beperkt de administratieve lasten. Er hoeft immers geen nadere informatie te worden opgevraagd bij de gebruikers van de AWBZ.

Een ander argument waarom voor het box 3-vermogen is gekozen, is dat de grondslag van box 3, dat in de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt gedefinieerd als de grondslag sparen en beleggen, het vermogen is dat een belastingplichtige geacht wordt aan te houden als spaar- en beleggingsvermogen. Anders dan vermogensbestanddelen die in box 1 en box 2 vallen (vermogen dat tot op zekere hoogte «beclaimd» is, hierbij kan worden gedacht aan ondernemingsvermogen of de eigen woning), vertegenwoordigt het box 3-vermogen de vermogens-bestanddelen die tot op zekere hoogte vrij beschikbaar zijn. Het kabinet is dan ook van mening dat box 3 de best beschikbare grondslag is om de draagkracht naar vermogen te kunnen bepalen.

Voorts wordt in de motie Van der Staaij gevraagd naar de visie van het kabinet op de wenselijkheid van de doorwerking van specifieke fiscale vrijstellingen in andere regelingen, buiten de fiscaliteit. In grote lijnen meent het kabinet dat deze doorwerking gewenst is. Fiscale vrijstellingen en bijvoorbeeld aftrekposten vinden normaal gesproken hun rechtvaardiging in het streven om belasting te heffen naar draagkracht; dezelfde draagkracht die ook relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen. Daarnaast pleit ook de uitvoerbaarheid van regelingen voor een zoveel mogelijk uniform begrippenkader. Daarop worden soms uitzonderingen gemaakt. Voor de regelingen waarin wordt aangesloten bij de rendementsgrondslag voor box 3 is wel op onderdelen afgeweken van die grondslag. Zo valt te denken aan het niet laten doorwerken van de fiscale vrijstelling voor groen beleggen.

Voor de vermogenstoetsen van de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget is de keuze gemaakt deze beleggingen wel mee te tellen voor wat betreft het voor die vermogenstoetsen in aanmerking te nemen vermogen. Deze fiscale vrijstelling werkt daarmee niet door naar deze regelingen. Daarnaast gelden voor deze vermogenstoetsen ook uitzonderingen voor een aantal eenmalige uitkeringen of schadevergoedingen van burgers die fiscaal gezien wel deel uit maken van de rendementsgrondslag van box 3. Ik heb deze hiervoor genoemd bij uitzonderingen in verband met letselschade die ik wil gaan regelen. Behalve de letselschade worden ook deze uitkeringen op verzoek van de burger buiten beschouwing gelaten.

Voor wat betreft de toeslagen wordt dus op onderdelen afgeweken van de rendementsgrondslag van box 3. Daarbij is wel de keuze gemaakt om afwijkingen op uniforme wijze van toepassing te laten zijn voor alle toeslagen met een vermogenstoets. Deze geharmoniseerde aanpak van de in aanmerking te nemen draagkracht maakt de betreffende regelingen transparanter voor de burger en beter uitvoerbaar voor de overheid. Het kabinet is van mening dat dit uitgangspunt ook ten grondslag moet liggen aan afwegingen om af te wijken van de rendementsgrondslag van box 3 in andere regelingen.

Voor wat betreft de VIB heb ik u reeds toegezegd om conform de regelgeving van de vermogenstoets bij de zorgtoeslag een uitzondering te maken voor letselschadevergoedingen en de andere in bijlage 1 genoemde uitkeringen.

Ik heb ook onderzocht of bij de VIB eveneens aangesloten kan worden bij de andere afwijkingen van de rendementsgrondslag van box 3, zoals deze gelden bij de toeslagen. Voor wat betreft de groene beleggingen geldt dat de benodigde gegevens (de hoogte van de groene beleggingen) op dit moment niet geautomatiseerd uitgewisseld kunnen worden tussen de Belastingdienst en het CAK. Op korte termijn kan hier bij de VIB dus niet bij worden aangesloten.

De Belastingdienst en het CAK zullen mij nader informeren of, hoe, wanneer en tegen welke kosten zij dit mogelijk kunnen maken. Ik zal dan nader bezien of het aansluiten bij de uitzonderingen van de toeslagen eveneens wenselijk is bij de VIB.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

Bijlage 1

Het gaat bij de andere uitzonderingen dan de letselschadevergoedingen om:

  • immateriële schadevergoedingen;

  • schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet;

  • vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (Stcrt. 2000, 16), die zijn uitgekeerd aan de slachtoffers zelf;

  • uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

  • uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op 19 november 2001, gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg;

  • uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds, opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

  • uitkeringen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • uitkeringen van de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • uitkeringen van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • uitkeringen uit het DES-Fonds die zijn verstrekt aan slachtoffers van het gebruik van DES-preparaten;

  • tegemoetkomingen op grond van de Regeling tegemoetkoming financiële gevolgen in verband met functionele invaliditeit nieuwjaarsbrand Volendam (Stcrt. 2003, 42) en bijdragen op grond van de Regeling tegemoetkoming in kosten nieuwjaarsbrand Volendam II (Stcrt. 2004, 188), uitgekeerd aan de getroffenen zelf;

  • vergoedingen op grond van de compensatieregeling van de Rooms-Katholieke Kerk Nederland voor slachtoffers van seksueel misbruik;

  • bijzondere uitkeringen van het Ministerie van Defensie op grond van artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen of op grond van artikel 21a van het Besluit bijzondere militaire pensioenen.


X Noot
1

Voor deze nieuwe cliënt blijft de woning – op grond van fiscale wetgeving – de eerste twee jaar na opname in een verpleeg- of verzorgingshuis in box 1. Als de woning leeg staat in afwachting van verkoop, is deze periode zelfs tijdelijk (tot 1 januari 2014) drie jaar, op basis van een regeling van het Ministerie van Financiën. Daarna duurt het nog twee jaar voordat de WOZ-waarde minus de hypotheekschuld van de woning wordt betrokken bij de berekening van de eigen bijdrage als gevolg van de VIB, omdat de VIB uitgaat van het vermogen op 1 januari van het jaar t-2.

X Noot
2

In 1.5% van de gevallen (ongeveer 40 personen) is het pgb hoger dan € 75.000,– en zou de budgethouder, mits in bezit van een vermogen boven de vrijstellingsgrenzen, meer moeten bijdragen dan de genoemde € 80. Het merendeel van de budgethouders zal echter (ver) onder de € 80 aan extra eigen bijdrage betalen.

X Noot
3

Kamerstuk 33 204, nr. 28.