Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333400 nr. 18

33 400 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Nr. 18 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2012

1. Inleiding

Deze Startnota geeft de vertaling van de financiële afspraken uit het Regeerakkoord en de aanpassingen daarop die volgen uit de motie Zijlstra-Samsom.1 Deze financiële afspraken tellen op tot een netto besparing van 16 miljard euro in 2017. Paragraaf 2 geeft een toelichting op de begrotingsregels die voor deze kabinetsperiode zullen gelden. Paragraaf 3 bevat de nieuwe uitgaven- en inkomstenkaders en de macro-economische kerngegevens waarop de kaders zijn gebaseerd. Daarnaast wordt ingegaan op de belastinguitgaven. Paragraaf 4 licht de verwachte ontwikkeling van het EMU-saldo en de EMU-schuld voor de jaren 2013–2017 toe. Paragraaf 5 bevat tot slot een toelichting op de verdeling van de ombuigingen en intensiveringen uit het Regeerakkoord.

Tegelijk met de Startnota ontvangt u een aantal nota’s van wijzigingen (Kamerstukken 33 400 V, nr. 15, 33 400 VI, nr. 74, 33 400 VII, nr. 10, 33 400 VIII, nr. 30, 33 400 IX, nr. 8, 33 400 XIII, nr. 23, 33 400 XV, nr. 14 en 33 400 XVI, nr. 92). Hierin wordt allereerst zoveel mogelijk de herverkaveling van beleidsterreinen verwerkt. In verband hiermee worden ook de begrotingen van Wonen en Rijksdienst (XVIII) en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) gecreëerd. Voor zover niet alle herverkavelingen bij nota’s van wijzigingen verwerkt kunnen worden, zullen de resterende herverkavelingen door middel van incidentele suppletoire begrotingen, in te dienen begin 2013, in de begrotingen 2013 worden opgenomen. In bijlage 5 is een compleet overzicht van de herverkavelingen opgenomen.

Voor het overige wordt in de nota’s van wijzigingen een beperkt aantal wijzigingen aangebracht voor 2013, die voortvloeien uit het Regeerakkoord voor zover hiervoor geen amendementen zijn ingediend. De fiscale maatregelen die in 2013 ingaan, zijn bij nota van wijzigingen verwerkt in het Belastingplan 2013 c.a.

Het kabinet heeft afgesproken dat de benodigde wet- en regelgeving voor de uitvoering van bijlage A van het Regeerakkoord (inclusief maatregelen uit het zogenaamde basispad) in het eerste jaar van de kabinetsperiode aan de Staten-Generaal zal worden voorgelegd.

2. Begrotingsregels 2013–2017

Het doel van de begrotingsregels is zowel een doelmatige allocatie van middelen, als een beheersing van de overheidsfinanciën. Bijlage 1 bevat de begrotingsregels 2013–2017, zoals die zijn vastgesteld door het kabinet. De belangrijkste uitgangspunten van het trendmatig begrotingsbeleid blijven ongewijzigd. In het Regeerakkoord is gekozen voor een beperkte aanpassing van de budgettaire spelregels, mede op basis van de adviezen uit het veertiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte. Dit betreft onder andere:

  • De Europese begrotingsregels zijn leidend (zie regel 5);

  • Een meevallerformule indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het Stabiliteits- en Groeipact en het feitelijk EMU-saldo een meerjarig overschot laat zien. Van het overschot wordt 75 procent bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal 25 procent ingezet worden voor lastenverlichting (zie regel 6);

  • Het buiten het kader plaatsen van de rentelasten op de staatsschuld. De Europese vereisten zijn ook leidend bij rentetegenvallers (regel 22);

  • Aanscherping van de regels met betrekking tot garanties: garanties zijn in eerste aanleg de financiële verantwoordelijkheid van het verantwoordelijke departement (regel 25);

  • Incidentele wijzigingen van de premies zorgverzekeringswet worden niet langer gecompenseerd via incidentele lastenverlichting dan wel lastenverzwaring, maar structurele wijzigingen wel (regel 34).

3. Uitgavenkader, inkomstenkader en belastinguitgaven

Macro-economische veronderstellingen en budgettaire kerngegevens

De ramingen voor de inkomsten, uitgaven en daarmee het EMU-saldo zijn gebaseerd op de macro-economische ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) na doorrekening van het Regeerakkoord. Tabel 1 geeft een overzicht van de gehanteerde macro-economische veronderstellingen voor deze Startnota.

Tabel 1 Macro-economische veronderstellingen
 

2013–2017

Mutaties per jaar

 

Volume bbp (%)

Inflatie (Consumentenprijsindex in %)

2

Contractloon marktsector (%)

Prijs nationale bestedingen (%)

Niveau in eindjaar

 

Werkloze beroepsbevolking (%)

Lange rente (%)

Eurokoers ($)

1,25

Olieprijs ($ per vat)

103

Bron: Actualisatie Economische Verkenning 2013–2017 (CPB)

Op basis van deze macro-economische veronderstellingen komt het kabinet tot de budgettaire kerngegevens voor de komende kabinetsperiode – zie tabel 2. Zie eveneens bijlage 2 voor een uitgebreidere toelichting van het uitgavenkader.

Tabel 2 Budgettaire kerngegevens (in miljarden euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

237,4

245,9

251,9

258,0

264,6

           

Netto uitgaven onder het uitgavenkader

243,7

254,2

259,5

264,0

266,9

Rijksbegroting in enge zin

104,2

107,6

109,3

110,7

111,5

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

73,3

76,9

80,2

80,9

80,9

Budgettair Kader Zorg

66,2

69,7

70,0

72,4

74,6

Overige netto uitgaven

6,3

3,4

3,6

5,0

6,3

Gasbaten

-12,0

-11,2

-10,7

-10,4

-10,0

Rentelasten

9,7

9,8

9,7

10,3

11,1

Zorgtoeslag

4,8

4,5

4,7

5,0

5,4

Overig

3,8

0,2

0,0

0,0

-0,3

Totale netto uitgaven

250,0

257,6

263,1

269,0

273,2

           

EMU-saldo centrale overheid

-12,6

-11,7

-11,3

-10,9

-8,6

           

EMU-saldo lokale overheden 1

-3,4

-5,4

-1,9

-1,6

-1,3

           

Feitelijk EMU-saldo

-16,0

-17,1

-13,2

-12,5

-9,9

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

-2,6%

-2,7%

-2,0%

-1,9%

-1,4%

           

EMU-schuld

440

457

466

475

481

EMU-schuld (in procenten bbp)

70,3%

70,9%

70,7%

70,4%

69,5%

           

Bruto Binnenlands Product (bbp)

625

644

659

675

693

X Noot
1

Zie de toelichting over het BTW-compensatiefonds in paragraaf 5 voor de verklaring van de ontwikkeling van het saldo van lokale overheden.

Verwerking Regeerakkoord

De maatregelen uit het Regeerakkoord tellen op tot een netto besparing van 16 miljard euro in 2017. Tabel 3 geeft een overzicht van de verdeling van deze maatregelen over de inkomsten- en uitgavenzijde van de begroting. De bedragen komen overeen met de bedragen uit de eerste tabel (Samenvatting financieel beeld) in bijlage A bij het Regeerakkoord.

Tabel 3 Verwerking maatregelen Regeerakkoord (in miljarden euro)
 

2017

Uitgaven

-9,0

   

Lasten ( – = lastenverzwaring)

-4,4

Waarvan inkomstenkader exclusief zorg

-4,8

Waarvan zorg

0,4

   

Inkomsten niet lastenrelevant

-2,6

Totaal

-16,0

De verwerking van de maatregelen aan de uitgavenzijde wordt toegelicht in tabel 4 en de daarop volgende tabellen voor de deelkaders. De verwerking van de maatregelen aan de inkomstenzijde wordt toegelicht in tabel 8 en de daarbij horende paragraaf. De niet lastenrelevante inkomsten zijn opgenomen in de EMU-saldo raming.

Het uitgavenkader

Bij het opstellen van het uitgavenkader wordt een onderscheid gemaakt naar drie deelkaders. Het kader Rijksbegroting in enge zin (RGB-eng) heeft betrekking op alle uitgaven en niet-belastingontvangsten van de rijksbegroting, die niet tot de inkomstenkant van de begroting en de andere twee budgetdisciplinesectoren gerekend worden. Het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) heeft betrekking op het totaal van de uitgaven in die sector. Tot slot vallen de collectieve zorguitgaven onder het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Voor de kaders SZA en BKZ betreft het zowel de uitgaven die via de rijksbegroting worden gefinancierd, als de uitgaven die door premies worden betaald.

In tabel 2 zijn het uitgavenkader en de bijbehorende deelkaders voor de komende kabinetsperiode gepresenteerd. Hierbij geldt dat uitgaven die meetellen voor het EMU-saldo in beginsel ook meetellen bij de uitgaven onder het uitgavenkader. Hierdoor wordt de beheersbaarheid van de overheidsfinanciën vergroot. De feitelijke ontwikkeling van de uitgaven zal de komende jaren worden getoetst aan de hand van deze kaders.

Het uitgavenkader is afgeleid van de (netto) uitgavenraming voor de komende jaren. Hierin zijn de mutaties voortvloeiend uit het Regeerakkoord en de macro-economische doorwerking verwerkt. Het uitgavenkader legt aan het begin van de kabinetsperiode de ontwikkeling van de uitgaven vast voor elk van de komende vijf jaren. Gedurende de kabinetsperiode wordt het uitgavenkader aangepast voor de jaarlijkse prijsstijging. Net zoals in de vorige kabinetsperiode wordt hiervoor de CPB-raming van de prijsindex van de nationale bestedingen (pNB) gebruikt.

Tabel 4 geeft aan hoe de netto ombuigingen uit het Regeerakkoord zijn verwerkt onder de deelkaders. De eerste regel in tabel 4 komt overeen met de eerste regel uit tabel 3. De budgettaire verwerking onder het uitgavenkader wijkt op drie aspecten af van die in het Regeerakkoord (eerste gedeelte van tabel 4):

  • Vanwege de motie Zijlstra-Samsom vervalt de besparing op de uitvoeringskosten Zorgtoeslag (maatregel E43 in bijlage A bij het Regeerakkoord);

  • De lasten samenhangende met de SDE+ regeling (maatregel C15) lopen in het lastenkader. In het Regeerakkoord worden deze lasten zodoende opgeteld bij de besparing aan de lastenzijde. Deze lasten worden voor het EMU-saldo aan de uitgavenzijde van de begroting geboekt, als netto uitgaven niet relevant voor het uitgavenkader. In de budgettaire verwerking worden daardoor de lasten dus opgeteld bij de besparing aan de uitgavenzijde;

  • Als laatste wordt gecorrigeerd voor het afschaffen van de PBO’s (maatregel G83). De besparing samenhangende met het afschaffen van de PBO’s slaat neer bij de overige centrale overheid. Dit geldt voor de uitgavenbesparing en voor de lastenverlichting. Deze maatregel leidt daarmee niet tot een besparing op de Rijksuitgaven, die leidend zijn bij de vaststelling van het uitgavenkader. Hiervoor wordt in onderstaande tabel gecorrigeerd.

Het tweede gedeelte van de tabel 4 geeft vervolgens de verdeling van de netto ombuigingen uit het Regeerakkoord over de deelkaders weer.

Tabel 4 Aansluiting netto ombuigingen uit de financiële paragraaf (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Financiële paragraaf Regeerakkoord

         

Netto ombuigingen Regeerakkoord

527

-12

-3 293

-5 874

-8 998

Afwijkende verwerking

         

Waarvan motie Zijlstra-Samsom

0

15

15

15

15

Waarvan SDE+

0

0

-20

-80

-395

Waarvan afschaffen PBO’s

0

215

222

229

238

Netto ombuigingen Regeerakkoord na verwerking

527

218

-3 076

-5 710

-9 140

           

Maatregelen Startnota

         

Maatregelen RBG-eng

390

-282

-725

-1 552

-2 438

Maatregelen SZA

9

981

1 022

192

-706

Maatregelen BKZ

145

-463

-2 975

-3 891

-5 222

Maatregelen niet-kaderrelevant

-18

-18

-398

-458

-773

Netto ombuigingen Regeerakkoord na verwerking

527

218

-3 076

-5 710

-9 140

In de tabellen 5, 6 en 7 wordt de opbouw van de afzonderlijke deelkaders weergegeven. Voor alle jaren vormen de (kaderrelevante) meerjarencijfers, zoals gepresenteerd in de departementale begrotingen en de Miljoenennota 2013, het uitgangspunt. Hierin zijn zowel de door het vorige kabinet en de Tweede Kamer voorgenomen maatregelen als de op dat moment bekende macro-economische meerjarenramingen van het CPB verwerkt. Op deze stand zijn alle maatregelen uit het Regeerakkoord en macro-economische doorwerkingen van het Regeerakkoord verwerkt. Tot slot zijn er ook boekingen van «technische aard», zoals uitgaven die voorheen in het uitgavenkader vielen en op grond van de nieuwe begrotingsregels buiten het kader worden gebracht of vice versa. Deze mutaties leiden tot een nieuwe stand Startnota. De stand Startnota vormt het uitgavenkader voor de komende kabinetsperiode. Toekomstige overschrijdingen ten opzichte van deze stand moeten onder het kader worden ingepast.

Tabel 5 laat zien hoe de kaderstand Rijksbegroting in enge zin is opgebouwd ten opzichte van de stand van de uitgaven sinds de Miljoenennota 2013. De stand Startnota geldt voor de komende kabinetsperiode als uitgavenplafond.

Tabel 5 Opbouw kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Stand Miljoenennota 2013

113 585

117 786

117 866

122 403

126 410

Maatregelen Regeerakkoord

390

-282

-725

-1 552

-2 438

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

107

131

-521

-1 703

-2 846

Overig

-9 856

-10 033

-7 323

-8 424

-9 674

Stand Startnota

104 227

107 602

109 297

110 724

111 452

De maatregelen uit het Regeerakkoord slaan ten dele neer onder het uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin; de netto besparing in 2017 bedraagt 2,4 miljard euro. De maatregelen uit het Regeerakkoord hebben eveneens een macro-economische doorwerking. Deze doorwerking is meegenomen in de berekening van de huidige kaderstand. Onder RBG-eng betreft deze doorwerking met name de nominale ontwikkeling en de doorwerking op de huurtoeslag. Tot slot zijn mutaties van een meer technische aard geboekt («Overig» in tabel 5). Deze mutaties betreffen voornamelijk het buiten het uitgavenkader plaatsen van de rentelasten en de overheveling van het BTW-compensatiefonds naar het gemeente- en provinciefonds.

Tabel 6 geeft de opbouw van het SZA-kader weer. Ook onder het kader SZA slaan maatregelen uit het Regeerakkoord en de gerelateerde macro-economische doorwerking neer. De maatregelen uit het Regeerakkoord raken zowel aan begrotingsgefinancierde uitgaven als premiegefinancierde uitgaven; de macro-economische doorwerking betreft grotendeels de nominale ontwikkeling en de doorwerking op de werkloosheidsuitgaven.

Tabel 6 Opbouw kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Stand Miljoenennota 2013

73 068

75 061

76 691

78 575

80 538

Maatregelen Regeerakkoord

9

981

1 022

192

-706

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

149

520

2 152

1 837

748

Overig

80

378

358

309

313

Stand Startnota

73 306

76 940

80 222

80 912

80 892

Ook voor de raming van het BKZ is de stand begroting 2013 als uitgangspunt genomen (zie tabel 7). Daarna zijn, net als bij de twee andere deelkaders, de maatregelen uit het Regeerakkoord geboekt. De macro-economische doorwerking bestaat grotendeels uit een wijziging in de nominale ontwikkeling van de zorguitgaven als gevolg van de doorrekening van het Regeerakkoord door het CPB.

Tabel 7 Opbouw Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Stand Miljoenennota 2013

65 801

69 276

72 548

77 215

82 272

Maatregelen Regeerakkoord

145

-463

-2 975

-3 891

-5 222

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

236

838

383

-1 001

-2 537

Overig

0

17

17

43

43

Stand Startnota

66 181

69 667

69 973

72 366

74 556

Bij de vaststelling van de kaders is EMU-saldoneutraal rekening gehouden met de voorgenomen overstap van de UMC’s van pensioenfonds ABP naar PGGM per 1 januari 2014. Hierop vindt geen nacalculatie plaats. Hierbij is uitgegaan van lastendekkende sectorfondspremies. In het geval de UMC’s onverhoopt later van pensioenfonds switchen, zal de incidentele vrijval ten goede komen aan het generale beeld.

Het inkomstenkader

Ook aan de inkomstenkant geldt een kader. Het kabinet legt via het inkomstenkader aan het begin van de kabinetsperiode vast wat de lastenontwikkeling over de kabinetsperiode wordt en wijkt hier over de kabinetsperiode niet van af. Hiermee zijn beleidsmatige wijzigingen in de EMU-saldo relevante collectieve lasten begrensd. Dit betekent dat mee- en tegenvallende inkomsten ten gunste of ten laste komen van het EMU-saldo. Hierdoor ademt het EMU-saldo mee met de economische ontwikkeling, hetgeen bijdraagt aan de automatische stabilisatie van de conjunctuur.

In het inkomstenkader wordt de lastenontwikkeling over de kabinetsperiode vastgelegd. De ontwikkeling wordt weergegeven in mutaties, dat wil zeggen de verandering ten opzicht van het voorgaande jaar. Het lastenkader moet over de kabinetsperiode sluiten. Tijdelijke afwijkingen van het inkomstenkader dienen zoveel mogelijk te worden vermeden. Tabel 8 geeft het inkomstenkader voor de periode 2013–2017 weer. De totale lastenontwikkeling over de periode 2013–2017 komt uit op 15,6 miljard euro.

Tabel 8 Inkomstenkader 2013–2017 (in miljarden euro; + = lastenverzwaring)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Cum. 2013–2017

 

Mutaties

 

Basispad exclusief zorg

6,5

0,9

-1,2

0,2

0,0

6,4

Regeerakkoord exclusief zorg

0,3

2,3

1,6

0,1

0,5

4,8

Zorg

1,8

-0,2

1,8

0,5

0,5

4,4

Totaal

8,6

2,9

2,3

0,8

1,0

15,6

De stijging van de lasten gedurende de kabinetsperiode wordt voor een deel veroorzaakt door de afspraken uit de vorige kabinetsperiode en in het Begrotingsakkoord 2013. Daarnaast wordt een fors deel van de stijging van de lasten veroorzaakt door de stijging van de zorgpremies die het gevolg is van de stijging van de zorguitgaven in de curatieve zorg. De zorgpremies voor de curatieve zorg zijn lastendekkend waardoor een stijging van het zorggebruik van burgers zich vertaalt in hogere zorgpremies.

Verder heeft het kabinet in het Regeerakkoord tot maatregelen besloten die leiden tot een netto lastenverzwaring in belastingen en premies van 4,8 miljard euro over de kabinetsperiode. Op de arbeidsmarkt worden diverse maatregelen genomen om de werking van deze markt te verbeteren. Dit heeft effect op de belastingen en premies. Zo worden de WW en het ontslagrecht aangepast, waardoor de WW-premie stijgt met 1,3 miljard. Hier staat tegenover dat de ontslagkosten voor werkgevers dalen. De arbeidskorting voor werkenden wordt met 500 euro verhoogd. Op de woningmarkt worden eveneens hervormingen doorgevoerd. De aanpassing van de hypotheekrenteaftrek wordt teruggesluisd met een verlenging van de derde belastingschijf. Op de huurmarkt wordt meer ruimte voor huurverhoging gegeven, met name voor scheefwoners en wordt de verhuurdersheffing geïntensiveerd. Ook aanpassingen in de fiscale behandeling van de pensioenen leiden tot een lastenverzwaring. Tot slot neemt het kabinet verschillende maatregelen om duurzame groei te bevorderen. Hiertoe wordt onder andere de SDE+ regeling uitgebreid.

Belastinguitgaven

In lijn met het Regeerakkoord zullen de belastinguitgaven in enge zin worden bijgehouden. De benchmark voor het monitoren van de belastinguitgaven in enge zin wordt bepaald door de raming in de Miljoenennota 2013, aangevuld met de maatregelen uit het Regeerakkoord. In bijlage 4 is de benchmark opgenomen. De maatregelen uit de lastentabel van het Regeerakkoord zijn verwerkt, voor zover het belastinguitgaven betreft. De benchmark zal in volgende Miljoenennota’s worden aangepast als bij nadere invulling van beleid ook belastinguitgaven een rol spelen. Dit bijgestelde kader wordt bij het hoofdbesluitvormingsmoment voor de lasten vergeleken met de dan actuele raming om te bepalen of sprake is van een substantiële afwijking.

4. EMU-saldo en EMU-schuld

Figuur 1 plaatst de ontwikkeling van het saldopad in historisch perspectief; figuur 2 geeft voor dezelfde periode de ontwikkeling van de EMU-schuld weer. In beide figuren zijn de referentiewaarden uit het Stabiliteits- en Groeipact door middel van een stippellijn opgenomen.

Figuur 1: Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1970

Figuur 1: Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1970

De verwachte jaarlijkse verbetering van het EMU-tekort vertaalt zich in de ontwikkeling van de schuldpositie van Nederland: de schuld stabiliseert en zal naar verwachting na 2014 licht dalen.

Figuur 2: Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1970

Figuur 2: Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1970

Het structurele saldo is het saldo na correctie voor de conjunctuur en geeft een beeld van de structurele ontwikkeling van de overheidsfinanciën. Het structurele saldo is over de gehele kabinetsperiode beter dan het feitelijke saldo.

Tabel 9 Ontwikkeling feitelijk en structureel EMU-saldo en EMU-schuld vanaf 2013
 

2013

2014

2015

20161

20171

Feitelijk EMU-saldo Miljoenennota 2013

-2,7

-3,1

-2,7

-2,9

-2,8

Maatregelen Regeerakkoord

0,1

0,5

1,4

1,9

2,3

Macro-economische doorwerking Regeerakkoord

0,0

-0,1

-0,7

-0,9

-0,9

Feitelijk EMU-saldo Startnota

-2,6

-2,7

-2,0

-1,9

-1,4

Structureel EMU-saldo Miljoenennota 2013

-1,2

-1,8

-1,8

-2,4

-2,9

Maatregelen Regeerakkoord

0,1

0,5

1,4

1,9

2,3

Conjunctureel effect

-0,1

-0,1

-0,5

-0,6

-0,6

Structureel EMU-saldo Startnota

-1,2

-1,4

-0,9

-1,1

-1,2

EMU-schuld Miljoenennota 2013

71,9

72,2

72,2

72,4

72,2

Effect Regeerakkoord

-0,1

-0,2

-1,0

-2,1

-3,7

Noemereffect

-0,4

-0,1

0,4

1,0

2,0

Overige schuldmutaties

-1,0

-1,0

-1,0

-0,9

-0,9

EMU-schuld Startnota

70,3

70,9

70,7

70,4

69,5

X Noot
1

De beginstanden voor 2016 en 2017 zijn afkomstig uit het MLT-basispad van het CPB zoals dat gepubliceerd is in hoofdstuk 10 van de Actualisatie analyse economische effecten financieel kader Regeerakkoord.

Zowel het feitelijk als het structureel EMU-saldo spelen een rol in de voor Nederland geldende Europese saldodoelstellingen zoals geformuleerd in de buitensporigtekortprocedure in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP).

Bij de huidige macro-economische en beleidsuitgangspunten verbetert het feitelijke EMU-saldo met 1,2 procent bbp over de gehele kabinetsperiode. Het feitelijke tekort wordt naar huidige inzichten in 2013 beneden de 3% bbp gebracht, in lijn met de afspraken uit de buitensporigtekortprocedure. In de periode daarna worden met dit akkoord forse stappen gezet richting feitelijk evenwicht. Daarnaast verbetert het structurele EMU-saldo met gemiddeld 0,9% bbp per jaar in de periode 2011–2013, meer dan de gemiddeld ¾% bbp per jaar die gedurende deze periode gevraagd wordt in de aanbeveling van de Raad aan Nederland in de buitensporigtekortprocedure. Dankzij deze maatregelen wordt de EMU-schuld gestabiliseerd en na 2014 op een dalend pad gebracht. Ook dit sluit aan bij voornoemde aanbeveling.

Wanneer Nederland uit de buitensporigtekortprocedure is ontslagen, gaan de verdere eisen aan het structureel tekort gelden volgens de preventieve arm van het SGP. Dit zal naar verwachting in 2014 gebeuren. Lidstaten in de preventieve arm van het SGP worden geacht geleidelijk aan naar de lidstaatspecifieke middellangetermijndoelstelling (MTO) toe te bewegen. Het Regeerakkoord bevat met in totaal voor 2,3% bbp aan maatregelen een grote beleidsinspanning voor de jaren na 2013.

Een goede beheersing van de het uitgaven- en inkomstenkader is benodigd om het begrotingssaldo niet te laten ontsporen, en om de overheidsschuld op een houdbaar pad te brengen. Maar tevens is het van belang om de risico’s binnen de rijksbegroting zoveel mogelijk te beheersen. Het kabinet zal de komende kabinetsperiode onverminderd doorgaan met het reeds ingezette risicobeleid, zo geldt nog steeds een strikt «nee, tenzij»-beleid bij het aangaan van garanties en worden garantieoverzichten nog steeds periodiek gepresenteerd. Daarnaast zal regelmatig integraal inzicht gegeven worden in de (financiële) risico’s binnen de begroting. De in de vorige Startnota aangekondigde Commissie Risicoregelingen zal rond de zomer met haar eindrapportage komen.

5. Nadere verdeling ombuigingen en intensiveringen

In bijlage 3 wordt per begrotingshoofdstuk aangegeven waar de ombuigingen neerslaan. De afgesproken intensiveringen worden conform de afspraak uit het Regeerakkoord op de aanvullende begrotingspost van het Rijk gereserveerd. De intensiveringen worden na uitwerking van concrete en doelmatige beleidsplannen in tranches overgeheveld naar departementale begrotingen. Op de aanvullende begrotingspost zal een reservering worden aangehouden voor de indexering van de intensiveringen die aldaar worden gereserveerd.

De taakstelling Rijksoverheid (incl. ZBO’s) heeft betrekking op de personele en materiële uitgaven en is toebedeeld aan de departementale begrotingen. Hierbij is de taakstelling van de baten-lastendiensten en ZBO’s toegerekend aan de begrotingen van de opdrachtgevende departementen. Een deel van de departementale taakstelling kan gerealiseerd worden met behulp van vijf projecten zoals genoemd in het Regeerakkoord. De verdeling tussen apparaat- en programma uitgaven staat vast. Deze verdeling kan uitsluitend nog gewijzigd worden bij Voorjaarsnota 2013, en dan enkel en alleen indien besparingen voortvloeien uit de vijf SGO-projecten, zoals vermeld onder maatregel A1 in bijlage A van het Regeerakkoord.

Interdepartementaal Beleidsonderzoek Gehandicaptenzorg

Vanwege de substantiële samenloop tussen de taakopdracht van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Gehandicaptenzorg en de maatregelen in het Regeerakkoord op het terrein van de langdurige zorg wordt dit in september jl. gestarte onderzoek beëindigd.

BTW-compensatiefonds

In het Regeerakkoord is afgesproken dat het BTW-compensatiefonds (BCF) wordt afgeschaft. Dit betekent dat in 2014 de laatste betalingen uit het BCF worden gedaan en er met ingang van 2014 geen vorderingen meer kunnen ontstaan op het BCF, zodat het fonds per 2015 daadwerkelijk is opgeheven. De afschaffing van het BCF gaat gepaard met een taakstellende korting van 350 miljoen euro. De BCF-raming zoals opgenomen in de begroting 2013 is met ingang van 2015 structureel verminderd met deze taakstellende korting. Het bedrag dat resteert (ongeveer 2,7 miljard euro) wordt voor 2015 e.v. verdeeld over het Gemeentefonds, het Provinciefonds en de aanvullende begrotingspost. Het bedrag dat gereserveerd is op de aanvullende begrotingspost, 150 miljoen euro, is bedoeld voor het «bruteren» van specifieke uitkeringen die ooit genetteerd zijn. Als bij de uiteindelijke verdeling over departementale begrotingen blijkt dat dit bedrag te hoog dan wel te laag is ingeschat, komt dit ten gunste of ten laste van het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

Het EMU-saldo lokale overheden is in 2014 neerwaarts vertekend ten bedrage van 3,1 mld euro vanwege de opheffing van het BCF (er zijn geen gevolgen voor het totale EMU-saldo; het EMU-saldo van het Rijk is evenveel opwaarts vertekend). Door de opheffing komt de jaarlijkse kastransactiecorrectie tussen Rijk en lokale overheden voor de opgebouwde BTW-rechten te vervallen (in het EMU-saldo worden de opgebouwde BTW-rechten niet op kasbasis geregistreerd maar op het moment dat de rechten worden opgebouwd; op kasbasis zijn er in 2014 geen gevolgen). Bij de invoering van het BCF heeft zich in 2003 een opwaartse vertekening voorgedaan van 0,3% bbp van het EMU-saldo van de lokale overheden en een neerwaartse vertekening van het EMU-saldo van het Rijk met -0,4 procent bbp.

De minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Bijlage 1 Begrotingsregels 2013–2017

Inleiding

De begrotingsregels zijn de budgettaire spelregels waaraan de coalitie zich aan het begin van een regeringsperiode committeert om een verantwoord financieel beleid te kunnen voeren. Het doel van de begrotingsregels is zowel een doelmatige allocatie van middelen, als een beheersing van de overheidsfinanciën. De begrotingsregels equiperen de coalitie tot het voorkomen van een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo en de EMU-schuld, d.w.z het voorkomen (of terugdringen) van een overschrijding van de in het Stabiliteits- en Groeipact opgenomen referentiewaarden (maximaal een EMU-tekort van 3 procent bbp en maximaal 60 procent bbp voor de EMU-schuld) en het respecteren van de doelen rondom de Medium-Term Objective (MTO). Het bereiken van gezonde overheidsfinanciën is een gezamenlijk doel van Rijk en medeoverheden, waarin beiden een verantwoordelijkheid hebben.

Het kabinet houdt zich aan Europese begrotingsafspraken van het Stabiliteits- en Groeipact. Het bedrag van 16 miljard netto besparingen, conform de aanbeveling van de Studiegroep Begrotingsruimte, stelt het kabinet in staat deze afspraken na te komen en leidt – in combinatie met onderliggende structurele hervormingen – tot een houdbaarheidsoverschot, zodat toekomstige schokken kunnen worden opgevangen en de Nederlandse economie weerbaar wordt voor financiële schokken.

De belangrijkste uitgangspunten van het trendmatig begrotingsbeleid blijven ongewijzigd:

  • Er geldt een scheiding tussen inkomsten en uitgaven.

  • Voor de uitgaven geldt een onderscheid in drie sectoren (Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng), Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (SZA) en het Budgettair Kader Zorg (BKZ)).

  • Voor elke sector wordt een reëel uitgavenkader vastgesteld.

  • Elke sector behoort eventuele overschrijdingen binnen het desbetreffende uitgavenkader te compenseren.

  • Voor de inkomsten wordt een reëel inkomstenkader vastgesteld en wordt uitgegaan van automatische stabilisatie. Concreet betekent dit dat een meevaller bij de inkomsten niet wordt gebruikt voor extra uitgaven. Andersom hoeft er niet direct bezuinigd te worden op de uitgaven wanneer er sprake is van een tegenvaller aan de inkomstenkant.

In het Regeerakkoord is gekozen voor een aanpassing van de budgettaire spelregels mede op basis van de adviezen uit het veertiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte. In dit document worden de begrotingsregels voor de inkomsten- en uitgavenkant van de begroting beschreven. Deze set regels is gebaseerd op de gebruikelijke, in het verleden gehanteerde, regels over uitgaven en inkomsten en geven een technische uitwerking van de afspraken die zijn gemaakt in het Regeerakkoord. Dit betreft onder andere1:

  • De Europese begrotingsregels zijn leidend(zie regel 5);

  • Een meevallerformule indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het Stabiliteits- en Groeipact en het feitelijk EMU-saldo een meerjarig overschot laat zien. Van het overschot wordt 75 procent bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal 25 procent ingezet worden voor lastenverlichting (zie regel 6);

  • Het buiten het kader plaatsen van de rentelasten op de staatsschuld, en daarmee het vervallen van de rentemeevallerformule. De Europese vereisten zijn ook leidend bij rentetegenvallers (regel 22);

  • Aanscherping van de regels met betrekking tot garanties: garanties zijn in eerste aanleg de financiële verantwoordelijkheid van het verantwoordelijke departement (regel 25).

  • Incidentele wijzigingen van de premies zorgverzekeringswet worden niet langer gecompenseerd via incidentele lastenverlichting dan wel lastenverzwaring, maar structurele wijzigingen wel (regel 34).

Algemene regels

Bovengenoemde uitgangspunten worden hieronder verder uitgewerkt, waarbij een onderverdeling wordt gemaakt naar algemene regels, regels die specifiek gelden voor de uitgavenkant, en regels die specifiek gelden voor de inkomstenkant van de begroting. De begrotingsregels omvatten zowel de uitgaven- als de inkomstenkant van de collectieve sector.

1. De begrotingsregels gaan gedurende de kabinetsperiode uit van een scheiding tussen de inkomsten en uitgaven.

Voor de uitgavenkant betekent dit dat wordt uitgegaan van een vast reëel uitgavenkader. De relevante uitgaven dienen gedurende de kabinetsperiode binnen dit kader te blijven. Tijdens een kabinetsperiode moeten uitgavenintensiveringen voor alle jaren van de meerjarencijfers gedekt worden door extensiveringen. Voor de inkomstenkant geldt een reëel inkomstenkader en wordt uitgegaan van automatische stabilisatie. Inkomstenmeevallers komen ten gunste van het EMU-saldo, inkomstentegenvallers belasten het EMU-saldo. Uitzondering hierop zijn opgenomen in regel 8.

2. Tot de inkomstenkant van de begroting worden de inkomsten gerekend die vallen onder de definitie van een collectieve last.

Een collectieve last is een in Nederland door de overheid opgelegde verplichte betaling aan een overheid waar geen concrete, individuele en met de betaling samenhangende tegenprestatie tegenover staat of waarbij het gaat om een eigen bijdrage voor een voorziening waarvan het gebruik verplicht is.

3. Tot de uitgavenkant van de begroting worden zowel de uitgaven als de niet-belastingontvangsten gerekend.

Het uitgavenkader bevat alle voor het EMU-saldo relevante uitgaven en niet-belastingontvangsten, behalve de uitgaven en niet-belastingontvangsten die expliciet uitgezonderd worden in begrotingsregel 13.

4. Besluitvorming over de hoofdlijnen van de uitgaven- en inkomstenkant van de begroting vindt plaats in het voorjaar bij het hoofdbesluitvormingsmoment.

Op één moment in het jaar wordt door het kabinet integraal besloten over de hoofdlijnen van de uitgaven- en inkomstenkant van de begroting voor zowel het uitvoeringsjaar als het begrotingsjaar. Dit hoofdbesluitvormingsmoment is in het voorjaar. In augustus vindt er nog besluitvorming plaats over de koopkracht en de inkomstenkant van de begroting.

5. Europese begrotingsafspraken zijn leidend.

Het kabinet houdt zich aan de Europese begrotingsafspraken van het Stabiliteits- en Groeipact. De belangrijkste daarvan zijn dat het tekort maximaal 3% bbp bedraagt, dat een verbetering van het structurele saldo wordt gerealiseerd totdat de MTO wordt bereikt, en dat de schuld zich conform de gestelde eisen ontwikkelt.

6. Meevallerformule

Indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het Stabiliteits- en Groeipact en het feitelijk EMU-saldo na de besluitvorming over de lastenkant in augustus een meerjarig overschot laat zien, dan wordt 75 procent van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 25 procent van het overschot boven de 0 procent bbp worden gegeven.

7. Sanctie ter beheersing van EMU-saldo OPL

Wanneer het EMU-tekort van de lokale overheden bijdraagt aan een (dreigende) overschrijding van de Europese grenzen voor het totale EMU-saldo1 kan de minister van Financiën ingrijpen, wanneer het bestuurlijk overleg financiële verhoudingen tussen Rijk, VNG, IPO en UvW niet het gewenste resultaat oplevert. De minister van Financiën kan als ultimum remedium een korting opleggen op het gemeente- en/of provinciefonds. Deze sanctiebepaling zal worden vervangen door de sanctiebepalingen van de Wet Hof, zodra deze van kracht is geworden.

8. Statistische correcties

Statistische correcties blijven bij de toetsing van de desbetreffende kaders buiten beschouwing (zowel bij het inkomsten- als het uitgavenkader). De desbetreffende kaders worden in dat geval opgehoogd of verlaagd, zodat de mutatie geen invloed heeft op de budgettaire ruimte (onder het desbetreffende kader). Er zijn verschillende statistische correcties te onderscheiden. Voor alle statistische correcties geldt dat de mutaties per saldo (ten minste) EMU-saldoneutraal dienen te zijn.

  • Statistische correctie tussen inkomsten en uitgaven

    Bij de wijziging in financiële vormgeving van beleid (van inkomsten naar uitgaven en v.v.) moeten het voorzieningenniveau en de doelgroep nagenoeg gelijk blijven.

  • Statische correctie bij enveloppe-middelen

    Met enveloppe-middelen die gecreëerd zijn in een Regeerakkoord mag tussen de uitgaven- en inkomstenkant geschoven worden bij de specifieke uitwerking van het beoogde beleid.

  • Statistische correctie bij systeemwijzigingen

    Hierbij gaat het om majeure hervormingen waarbij een collectief arrangement anders wordt vormgegeven met zowel aan de uitgaven- als aan de inkomstenzijde mutaties.

9. De budgettaire kaders worden aangepast voor mutaties in de prijs Nationale Bestedingen (pNB).

Voor toetsing van de feitelijke uitgavenontwikkeling en het inkomstenkader worden de in reële termen gedefinieerde budgettaire kaders aangepast aan de nominale ontwikkeling. Als maatstaf voor de nominale ontwikkeling wordt de prijscomponent van de Nationale Bestedingen (pNB) gebruikt. Het inkomstenkader en de budgetdisciplinekaders voor het begrotingsvoorbereidingsjaar worden vastgesteld bij het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) en worden in augustus bijgesteld op basis van de Macro Economische Verkenning (MEV). Het kader voor het lopende jaar wordt definitief vastgesteld bij Voorjaarsnota. Wijzigingen nadien in de pNB worden niet meegenomen in de bijstelling van het kader voor het lopende jaar.

Regels die betrekking hebben op de uitgaven en de niet-belastingontvangsten

10. De begrotingsregels voor de uitgaven hebben betrekking op de drie sectoren: de Rijksbegroting in enge zin, de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid en de Zorgsector.

Compensatie tussen de afzonderlijke budgetdisciplinesectoren kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden indien de Ministerraad daartoe besluit. Voor de Rijksbegroting in enge zin worden deze regels ook toegepast op de afzonderlijke begrotingen met de daarbij behorende meerjarencijfers.

11. Afbakening budgetdisciplinesectoren

Uitgangspunt bij het vaststellen van het uitgavenkader is dat uitgaven die meetellen voor het EMU-saldo ook meetellen bij de uitgaven onder het uitgavenkader. Balansverkortingen die relevant zijn voor het EMU-saldo zijn daardoor eveneens relevant voor het uitgavenkader. Uitgangspunt voor de drie budgetdisciplinesectoren zijn de relevante uitgaven minus de relevante niet-belastingontvangsten (NBO). Eigen betalingen in de Zorgsector worden gezien als niet-belastingontvangsten en worden behandeld aan de uitgavenkant van de begroting.

12. Niet-belastingontvangsten

Op grond van begrotingsregel 3 worden de niet-belastingontvangsten als negatieve uitgaven beschouwd. Niet-belastingontvangsten die meetellen voor het EMU-saldo worden betrokken bij de toetsing aan het uitgavenkader, met uitzondering van hetgeen vermeld in begrotingsregel 13. Heffingen van de centrale overheid die vallen onder de definitie van collectieve lasten (zie begrotingsregel 2) worden verantwoord aan de inkomstenkant van de begroting.

13. Niet-kaderrelevante uitgaven en niet-belastingontvangsten

In uitzondering op begrotingsregels 3 en 12 zijn niet relevant voor het uitgavenkader: de uitgaven en ontvangsten van het FES, het saldo van het Diergezondheidsfonds, en het BTW-compensatiefonds, de delfstofbaten en veilingopbrengsten. De rijksbijdragen aan de sociale fondsen, de rentebetalingen aan de sociale fondsen en de premiebijdragen zijn om boekhoudkundige dubbeltellingen te voorkomen niet relevant. De zorgtoeslag, ETS-opbrengsten en SDE+-heffing zijn niet relevant voor het uitgavenkader, wel voor het inkomstenkader.

14. Voor elk van de drie budgetdisciplinesectoren gelden de budgettaire kaders als maatstaf voor de bepaling van over- en onderschrijdingen in de desbetreffende sector.

15. Een overschrijding van de vastgelegde verplichtingenbedragen is slechts toegestaan indien en voor zover de kaseffecten daarvan passen binnen, respectievelijk opgevangen kunnen worden binnen de voor het begrotingsjaar afgesproken (kas)ramingen en de bijbehorende meerjarencijfers.

16. Dreigende overschrijdingen dienen door passende en tijdige maatregelen zoveel mogelijk te worden voorkomen.

17. Iedere overschrijding dient te worden gecompenseerd, met inachtneming van gemaakte afspraken over eindejaarsmarges en compensatie over de jaren heen.

In het kader van de eindejaarsproblematiek kunnen binnen een begroting tot een bepaalde omvang gelden van het ene naar het andere begrotingsjaar worden geschoven. Deze zogeheten eindejaarsmarge bedraagt maximaal 1,0 procent van de (gecorrigeerde) bruto-uitgaven1.

De fasering van compensatiemaatregelen kan voorlopen op de fasering van de problematiek. Het is ook mogelijk dat de compensatie in de tijd achterloopt, namelijk indien een parallelle fasering van compensatiemaatregelen en problematiek redelijkerwijs niet mogelijk is en alle mogelijkheden voor een regulier en doelmatig kasbeheer zijn uitgeput. Hiervoor wordt een maximale termijn gehanteerd: de duur van de meerjarenramingen (zie begrotingsregel 32). Voorstellen tot intertemporele compensatie lopen mee in de besluitvorming op het hoofdbesluitvormingsmoment. Mutaties van louter statistische aard (zie begrotingsregel 8) blijven bij de toetsing van de feitelijke uitgavenontwikkeling aan de budgettaire kaders buiten beschouwing.

18. Overschrijdingen worden specifiek gecompenseerd.

Specifieke compensatie betekent dat compensatie in de betrokken regeling of elders op de betrokken begroting binnen de sector RBG-eng of binnen elk van de twee andere sectoren (BKZ en SZA) gevonden moet worden. Voor compensatie in de premiegefinancierde zorg waarvoor vrije tarieven gelden, staat de overheid bijvoorbeeld het treffen van pakketmaatregelen en eigen betalingen ter beschikking. Voor de overige zorg staan daarnaast onder andere prijs- en volumemaatregelen ter beschikking. De bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de overschrijding zich voordoet, doet in dezelfde budgettaire brief of begroting voorstellen voor specifieke compensatie. Een saldo van tegenvallers boven meevallers op een begroting of binnen een budgetdisciplinesector dient specifiek te worden gecompenseerd via ombuigingen.

19. Meevallers mogen dienen als compensatie voor tegenvallers, maar niet voor beleidsintensiveringen.

Meevallers mogen alleen worden ingezet voor tegenvallers voor zover het niet betreft meevallers bij – tijdens de kabinetsperiode – generaal aan de begroting toegevoegde middelen. Over de aanwending van per saldo meevallers op een begroting of in een budgetdisciplinesector besluit de Ministerraad.

20. Over- en onderschrijdingen worden tijdig aan de minister van Financiën gemeld.

Over- en onderschrijdingen worden, los van de reden of oorzaak, zo snel als mogelijk schriftelijk aan de minister van Financiën gemeld. Deze regel geldt ook voor geplande intensiveringen of ombuigingen, deelname aan Europees beleid, of zaken waarop voorafgaand toezicht geldt.

21. Ruimte onder het uitgavenkader, ontstaan door (tijdelijke) meevallers als gevolg van een gunstiger macro-economische ontwikkeling (zoals een lager volume in de sociale zekerheid of een ruilvoetwinst), mag niet structureel worden aangewend.

22. Rentelasten op de staatsschuld vallen buiten het uitgavenkader.

Rente-uitgaven (en -ontvangsten) samenhangende met de staatsschuld zijn niet relevant voor het kader. Dit bevordert de werking van de automatische stabilisatoren, doordat rentemeevallers niet automatisch leiden tot extra ruimte onder het uitgavenkader en direct worden ingezet ten gunste van het EMU-saldo. Indien op basis van CEP en/of MEV blijkt dat de -3% bbp voor het feitelijk EMU-saldo wordt doorkruist, dan worden de rentetegenvallers ten opzichte van de laatste raming gecompenseerd met uitgavenmaatregelen.

23. Mutaties met een generale behandeling

Dividenden, vastgoed1 en rente (niet samenhangende met de staatsschuld), alsmede mutaties in de omvang van het budget voor Ontwikkelingssamenwerking vanwege BNP-aanpassing, EU-afdrachten, loon- en prijscompensatie en de groei van het gemeente- en provinciefonds worden via het generale beeld verwerkt.

Wanneer opbrengsten uit staatsvermogen zoals rente, dividend, delfstofbaten en veilingopbrengsten een subsidie-element bevatten in de zin dat er sprake is van mogelijke gederfde opbrengsten als gevolg van beleid, dan dient het subsidie-element op zijn minst vooraf inzichtelijk gemaakt te worden ten behoeve van het hoofdbesluitvormingsmoment.

24. Ingrepen Financiële Sector

Alle kosten en opbrengsten van interventies in de financiële sector met als doel het stabiel houden van het financiële systeem zijn niet relevant voor het uitgavenkader. Ook de kosten en opbrengsten van maatregelen genomen met het oog op de financiële stabiliteit van het Eurogebied zijn niet relevant voor het uitgavenkader. Dit geldt ook voor garantiepremies en mogelijke schade-uitkeringen uit hoofde van de garantieregeling voor uitgifte van middellang schuldpapier van banken. Hiermee komen alle kosten en opbrengsten van de interventies in de financiële sector direct ten laste of ten gunste van de staatsschuld.

25. Voor nieuwe garanties en leningen (regelingen) is het «nee, tenzij beleid» van kracht.

Garanties en leningen worden alleen verstrekt indien het Rijk eraan hecht risico’s te dragen die niet in de markt kunnen worden gedragen, of indien het rijk doelmatigheidsvoordelen bewerkstelligt. Voor nieuwe garantieregelingen, dan wel aanpassingen in bestaande regelingen dient een toetsingskader ingevuld te worden. Garantieregelingen (en overige risicoregelingen) zijn volledig voor rekening van het betreffende vakdepartement, hetgeen betekent dat schades uit het specifieke beeld moeten worden gecompenseerd. Het betreffende vakdepartement dient voor risicoregelingen een kostendekkende premie te vragen, die een reële weergave vormt van het risico. Nieuwe (verhogingen van) premies worden door het vakdepartement gestort in een begrotingsreserve, voor zover dit nog niet gebeurt.

Alle garantieregelingen vallen onder het voorafgaand toezicht van de minister van Financiën. Nieuwe garanties en leningen (regelingen), dan wel de aanpassingen in bestaande regelingen, zijn altijd onderdeel van de besluitvorming in de ministerraad, in principe bij het hoofdbesluitvormingsmoment.

Alle garantieregelingen worden onderworpen aan een periodieke toets. Deze toets heeft ten doel enerzijds het herbezien van het nut en de noodzaak van de regeling (heroverweging), en anderzijds de actualisatie van de kwantificering van de risico’s en de beprijzing (herwaardering).

26. Niet oormerken van ontvangsten en beleid ten aanzien van begrotingsfondsen

Vanwege de scheiding van uitgaven en ontvangsten én de integrale afweging tussen de diverse uitgavencategorieën is het oormerken van uitgaven en ontvangsten niet wenselijk. Begrotingsfondsen dienen van een voeding voorzien te zijn die volgt uit het gewenste niveau van de uitgaven.

27. Specifieke uitkeringen1

Voor nieuwe specifieke uitkeringen geldt dat hierover expliciet besloten moet worden in de Ministerraad.

Bij het BTW-Compensatiefonds (BCF) kunnen gemeenten en provincies onder bepaalde voorwaarden de door hen betaalde btw terugontvangen. Dit betekent dat nieuwe geldstromen voor nieuwe taken of voor intensiveringen aan gemeenten en provincies exclusief de te declareren btw-component verstrekt moeten worden aan de eindontvanger, om te voorkomen dat de btw-component dubbel wordt vergoed (de eerste keer als onderdeel van de nieuwe geldstroom en de tweede keer door declaratie van de btw bij het BCF).

Concreet betekent dit dat het vakdepartement in kwestie voor nieuwe geldstromen of voor intensiveringen van bestaande taken en daarmee samenhangende geldstromen zorgt voor een volledige dekking van de geldstroom inclusief de btw-component. De btw-component wordt vervolgens door het vakdepartement afgedragen aan de begroting van het BCF; de nieuwe geldstroom exclusief btw wordt verstrekt aan de gemeente(n) of provincie(s) in kwestie.

28. Publiek Private Samenwerking

Conform EU-regelgeving kunnen projecten alleen als Publiek Private Samenwerking (PPS) worden bestempeld wanneer er voldoende risico’s overgedragen worden aan de private sector. Ingeval van PPS vindt een budgettair neutrale omzetting plaats van het (kas) budget (van een departement) in (meerjarige) beschikbaarheidbudgetten van een departement. Technisch gezien betekent dit een verlaging van het uitgavenkader (van het begrotingstotaal van het desbetreffende ministerie) in de jaren waarin een kasbudget voorhanden is en een per saldo even grote verhoging van het uitgavenkader (van het begrotingstotaal van het desbetreffende ministerie) in de jaren waar een beschikbaarheidvergoeding nodig is, met dien verstande dat de efficiencywinst ten gunste van het desbetreffende departement komt. Voor het infrastructuurfonds geldt dat de toegestane uitgavenruimte voor beschikbaarheidsvergoedingen 20 procent is.

29. Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge creëert de mogelijkheid binnen een begroting tot een bepaalde omvang gelden van het ene naar het andere begrotingsjaar te schuiven binnen de sector Rijk. Dit ter voorkoming van een ondoelmatige besteding van middelen aan het einde van het jaar. De eindejaarsmarge bedraagt 1,0 procent van het gecorrigeerde begrotingstotaal. In overleg met Financiën kan een hogere eindejaarsmarge worden vastgesteld. Voor de bepaling van het gecorrigeerde begrotingstotaal wordt uitgegaan van de bruto-uitgaven stand Ontwerpbegroting.

Voor de begrotingsfondsen geldt deze eindejaarsmarge niet.

De hoogte van het feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge wordt in eerste instantie bepaald bij Voorlopige Rekening. De overgehevelde bedragen worden bij de Voorjaarsnota aan de begrotingen toegevoegd. De definitieve omvang van het feitelijk gebruik wordt bepaald op basis van de Slotwet.

Gelijktijdig met het toevoegen bij Voorjaarsnota wordt, onder de veronderstelling dat ook het komende jaar gebruik zal worden gemaakt van de eindejaarsmarge, op een aanvullende post een ramingstechnische veronderstelling opgenomen (de zogenaamde in=uit-taakstelling). De combinatie van de toevoeging aan de begrotingen en de ramingstechnische veronderstelling, bewerkstelligt dat het totale uitgavenbeeld niet wijzigt. Onderuitputting die optreedt na de Voorjaarsnota kan worden aangewend ter realisatie van de taakstelling.

30. Consolidatiesaldo baten-lastendiensten

Onderuitputting in de liquide middelen van baten-lastendiensten komt tot uitdrukking in het consolidatiesaldo van deze diensten. Dit geldt ook voor onderdelen van het Rijk die – zonder de status van baten-lastendienst – werken met een baten-lastenstelsel. Het consolidatiesaldo van baten-lastendiensten is net zoals de leen- en depositofaciliteit niet relevant voor het uitgavenkader. Door op het hoofdbesluitvormingsmoment de plannen van baten-lastendiensten te toetsen, wordt de relatie met het EMU-saldo in het oog gehouden.

31. Leenaanvragen RWT’s

De leenaanvragen van RWT's (en andere voor geïntegreerd middelenbeheer in aanmerking komende instellingen) in het kader van geïntegreerd middelenbeheer dienen door een RWT bij de betreffende vakminister te worden ingediend. Het is de taak van het vakdepartement om te toetsen op onder meer budgettaire inpasbaarheid, nut en noodzaak van de lening en of de lening wel wordt aangewend voor de publieke taak.

32. Opbouw meerjarencijfers en extrapolatie

De ramingen van de uitgaven voor het begrotingsjaar en elk van de vier daaropvolgende jaren (de meerjarenramingen) bestaan uit:

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die zijn aangegaan tot en met het lopende begrotingsjaar of in dat jaar zullen worden aangegaan;

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in het eerstvolgende begrotingsjaar zullen worden aangegaan;

  • De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in de jaren volgend op het eerstvolgende begrotingsjaar moeten worden aangegaan, omdat deze een technisch noodzakelijke voortzetting vormen van reeds eerdere aangegane verplichtingen;

  • De overige verplichtingen, voortvloeiend uit bestaand beleid of afspraken op kabinets- of ministerieel niveau die in de jaren volgend op het eerstvolgend begrotingsjaar worden aangegaan.

Voor het extrapoleren van de meerjarencijfers gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1. Bij de ramingen wordt rekening gehouden met bestaande wettelijke regelingen.

  • 2. Het extrapolatiejaar voor de departementale begrotingen en fondsen wordt beleidsarm geëxtrapoleerd. De demografische ontwikkeling is bepalend voor het beleidsarm extrapoleren. In alle gevallen moet het gaan om aan te gane verplichtingen en daaruit voortvloeiende uitgaven op grond van de voortzetting van bestaand of ongewijzigd beleid, of om uitgaven die door expliciete besluiten van de minister van Financiën of het kabinet zijn geaccordeerd. Indien bestaand beleid niet noodzakelijkerwijze impliceert dat nieuwe verplichtingen worden aangegaan (bijvoorbeeld bij projecten of eenmalige investeringen), dient te worden verondersteld dat geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan, tenzij is besloten om het beleid te continueren.

  • 3. Voor de economische groei wordt aangesloten bij de gemiddelde ontwikkeling uit de kabinetsperiode, zoals verondersteld is bij het opstellen van de uitgavenkaders.

  • 4. Het extrapolatiejaar wordt kwantitatief (met prestatiegegevens) onderbouwd. Wanneer geen expliciete andersluidende afspraken bestaan, dienen het volume en de prijs die ten grondslag liggen aan de ramingen, constant gehouden te worden.

  • 5. Het extrapolatiejaar wordt ook kwalitatief (welke programma's, projecten, bijdragen, etc.) onderbouwd.

  • 6. De ramingen dienen te zijn gebaseerd op het in ongewijzigd tempo realiseren van meerjarige projecten.

  • 7. Wanneer reeds is afgesproken dat instrumenten een afloop kennen, dient deze afloop tot uiting te komen in de extrapolatie.

Regels die betrekking hebben op de inkomsten

33. Maatregelen aan de inkomstenkant van de begroting worden gemeten volgens de definitie van de inkomstenindicator.

De inkomstenindicator wordt gedefinieerd als het budgettaire effect van elke wijziging in bestaand overheidsbeleid op de voor het EMU-saldo relevante collectieve inkomsten. De definitie van de collectieve inkomsten is conform de definitie in de Nationale Rekeningen van het CBS.

Dit betekent dat de zorgpremies worden meegenomen in de meting van de inkomstenindicator. Deze worden berekend op basis van de gemiddelde nominale premie voor een polis van het basispakket. Vanwege de nauwe samenhang met de zorgpremie, wordt de zorgtoeslag ook meegenomen in de meting van de inkomstenindicator.

34. Voor de beheersing aan de inkomstenkant geldt een reëel inkomstenkader.

Het inkomstenkader is vastgesteld in het regeerakkoord. Gedurende de kabinetsperiode dient de ontwikkeling van de inkomstenindicator gelijk te zijn aan het inkomstenkader. Tijdelijke afwijkingen van het inkomstenkader dienen zoveel mogelijk te worden vermeden.

Met incidentele lastenmutaties als gevolg van de zorgpremies wordt als volgt omgegaan. Incidentele lastenstijgingen als gevolg van een incidentele stijging van de zorgpremies worden (na de doorwerking van de zorgtoeslag) niet teruggesluisd met lagere incidentele lasten elders. Structurele stijgingen zullen wel worden teruggesluisd.

35. Afwijkende boekingen voor het inkomstenkader

Het inkomstenkader wordt aangepast voor intertemporele effecten die betrekking hebben op de omkeerregel (op basis van de netto-contante waarde methode). Aanpassing van het inkomstenkader voor intertemporele effecten van overige maatregelen dient met grote terughoudendheid te worden toegepast, zowel wat betreft het effect op het EMU-saldo als het type maatregelen waarop de methode wordt toegepast.

Particuliere betalingen komen niet ten goede aan de overheid en worden daarom niet meegenomen bij de meting van de inkomstenindicator. Wel geldt dat bij een financieringsverschuiving tussen publiek en privaat als gevolg van een systeemwijziging waarbij de rechten en plichten ongewijzigd blijven, het mogelijk is om zowel het inkomstenkader als het uitgavenkader statistisch te corrigeren1. Deze financieringsverschuiving dient neutraal te zijn voor het EMU-saldo.

Het inkomstenkader kan statistisch worden gecorrigeerd voor evident boekhoudkundige financieringsverschuivingen tussen de uitgaven- en de inkomstenkant (zie regel 8, statistische correcties).

36. Beheersing belastinguitgaven

Beheersingskader

De zogenoemde «belastinguitgaven» en de budgettaire derving van andere fiscale regelingen vallen om praktische redenen niet onder een met de uitgaven vergelijkbaar strikt beheersingskader. Beleidsmatige mutaties aan de inkomstenkant en nieuwe fiscale regelingen worden geboekt onder het inkomstenkader.

Toetsingskader belastinguitgaven.

Voor de introductie van nieuwe dan wel intensiveringen van bestaande belastinguitgaven en de evaluatie van deze regelingen geldt een restrictief toetsingskader, zoals opgenomen in de RBV. Met behulp van het toetsingskader kan worden afgewogen of (de intensivering van) een fiscale maatregel al dan niet de voorkeur heeft.

Budgettering van individuele belastinguitgaven

Voor nieuwe belastinguitgaven en intensiveringen van bestaande belastinguitgaven geldt dat het budgettaire beslag van een dergelijke maatregel wordt gebudgetteerd indien uitvoerbaar. Voor bestaande belastinguitgaven worden bij een evaluatie de mogelijkheden van (nadere) budgettering bezien.

Monitoring van individuele belastinguitgaven

In een bijlage van de Miljoenennota is het budgettaire beslag van belastinguitgaven (in enge zin) en van de inkomstenbeperkende regelingen eigen woning en pensioenen opgenomen. Het budgettaire beslag van de belastinguitgaven in enge zin wordt tevens afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling. Bij substantiële opwaartse afwijkingen van de endogene ontwikkeling ten opzichte van de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling kan dit aanleiding geven tot maatregelen, waarbij deze maatregelen niet relevant zijn voor het inkomstenkader.

Bijlage 2 Budgettaire kaders en kerngegevens

Tabel 1 Budgettaire kerngegevens (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

237 411

245 883

251 857

258 047

264 550

           

Netto uitgaven onder het uitgavenkader

243 715

254 210

259 492

264 003

266 900

Rijksbegroting in enge zin

104 227

107 602

109 297

110 724

111 452

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

73 306

76 940

80 222

80 912

80 892

Budgettair Kader Zorg

66 181

69 667

69 973

72 366

74 556

Overige netto uitgaven

6 273

3 378

3 617

4 971

6 266

Gasbaten

-12 000

-11 200

-10 700

-10 400

-10 000

Rentelasten

9 710

9 809

9 695

10 312

11 130

Zorgtoeslag

4 803

4 538

4 664

5 050

5 387

Overig

3 760

231

-42

9

-251

Totale netto uitgaven

249 988

257 588

263 109

268 974

273 166

           

EMU-saldo centrale overheid

-12 577

-11 705

-11 252

-10 926

-8 616

           

EMU-saldo lokale overheden

-3 401

-5 380

-1 901

-1 601

-1 301

           

Feitelijk EMU-saldo

-15 978

-17 085

-13 153

-12 527

-9 917

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

-2,6%

-2,7%

-2,0%

-1,9%

-1,4%

           

EMU-schuld (in miljarden euro)

440

457

466

475

481

EMU-schuld (in procenten bbp)

70,3%

70,9%

70,7%

70,4%

69,5%

           

Bruto binnenlands product (in miljarden euro)

625

644

659

675

693

Tabel 2 Vaststellen totale uitgavenkader (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

1. Raming totale uitgavenkader Regeerakkoord

243 715

254 210

259 492

264 003

266 900

2. Raming deflator prijs Nationale Bestedingen (pNB) MLT 2013–2017

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

3. Reële ijklijn

237 933

243 049

243 790

244 605

244 290

4. Actuele raming prijs Nationale Bestedingen (pNB)

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

5. Statistische correcties

0

0

0

0

0

6. Uitgavenkader in lopende prijzen

243 715

254 210

259 492

264 003

266 900

Tabel 3 Vaststellen kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

1. Raming kader RBG-eng Regeerakkoord

104 227

107 602

109 297

110 724

111 452

2. Raming deflator prijs Nationale Bestedingen (pNB) MLT 2013–2017

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

3. Reële ijklijn

101 754

102 878

102 683

102 589

102 011

4. Actuele raming prijs Nationale Bestedingen (pNB)

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

5. Overboekingen

0

0

0

0

0

6. Statistische correcties

0

0

0

0

0

7. Kader RBG-eng in lopende prijzen

104 227

107 602

109 297

110 724

111 452

Tabel 4 Vaststellen kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

1. Raming kader SZA Regeerakkoord

73 306

76 940

80 222

80 912

80 892

2. Raming deflator prijs Nationale Bestedingen (pNB) MLT 2013–2017

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

3. Reële ijklijn

71 567

73 562

75 368

74 967

74 040

4. Actuele raming prijs Nationale Bestedingen (pNB)

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

5. Overboekingen

0

0

0

0

0

6. Statistische correcties

0

0

0

0

0

7. Kader SZA in lopende prijzen

73 306

76 940

80 222

80 912

80 892

Tabel 5 Vaststellen Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

1. Raming kader BKZ Regeerakkoord

66 181

69 667

69 973

72 366

74 556

2. Raming deflator prijs Nationale Bestedingen (pNB) MLT 2013–2017

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

3. Reële ijklijn

64 611

66 609

65 739

67 049

68 240

4. Actuele raming prijs Nationale Bestedingen (pNB)

1,0243

1,0459

1,0644

1,0793

1,0926

5. Overboekingen

0

0

0

0

0

6. Statistische correcties

0

0

0

0

0

7. Kader BKZ in lopende prijzen

66 181

69 667

69 973

72 366

74 556

Tabel 6 Netto uitgaven Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro)
   

2013

2014

2015

2016

2017

1

De Koning

40

40

40

40

40

2A

Staten-Generaal

133

131

133

131

127

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

107

106

101

99

97

3

Algemene Zaken

56

54

56

55

55

4

Koninkrijksrelaties

89

86

84

82

72

5

Buitenlandse Zaken

11 005

11 041

11 426

11 560

11 730

6

Veiligheid en Justitie

10 649

10 350

10 028

9 846

9 574

7

Binnenlandse Zaken

528

464

443

409

361

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

31 740

32 038

31 722

31 280

31 233

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

17

17

17

17

17

9B

Financiën

1 905

2 224

2 004

1 887

1 709

10

Defensie

7 296

7 090

7 053

7 070

7 057

12

Infrastructuur & Milieu

9 897

10 333

9 319

9 626

9 472

13

Economische Zaken

4 804

4 378

4 119

4 040

4 241

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

498

468

391

391

391

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

3 869

3 759

3 554

3 408

3 344

17

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

75

73

63

64

59

18

Wonen & Rijksdienst

2 332

2 523

2 675

2 887

3 124

50

Gemeentefonds

16 486

16 188

17 805

17 833

17 746

51

Provinciefonds

1 138

964

1 087

1 064

1 068

55

Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

88

879

942

1 114

1 284

61

Accres Provinciefonds

7

72

77

91

105

64

BES-fonds

32

32

32

32

32

65

Deltafonds

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

952

1 699

2 252

2 831

3 192

81

Arbeidsvoorwaarden

192

1 300

1 863

2 450

2 991

84

Indexering WSF

15

31

46

59

70

86

Algemeen

277

1 263

1 966

2 360

2 263

 

HGIS1

(4 868)

(4 736)

(4 903)

(4 794)

(4 407)

 

Totaal Netto Rijksbegroting in enge zin

104 227

107 602

109 297

110 724

111 452

X Noot
1

In deze tabel zijn de netto uitgaven Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale netto uitgaven voor Internationale Samenwerking zijn tussen haakjes vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 7 Netto uitgaven sociale zekerheid (in miljoenen euro)
   

2013

2014

2015

2016

2017

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

19 625

20 215

20 771

20 649

20 537

AP

Aanvullende posten

327

1 238

1 650

1 904

2 142

 

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

19 953

21 453

22 422

22 553

22 679

             

40

Sociale Verzekeringen

53 354

55 487

57 801

58 360

58 213

 

Netto premiegefinancierde uitgaven

53 354

55 487

57 801

58 360

58 213

             
 

Netto uitgaven kader SZA

73 307

76 940

80 222

80 912

80 892

Tabel 8 Netto uitgaven zorg (in miljoenen euro)
   

2013

2014

2015

2016

2017

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

630

630

302

287

297

50

Gemeentefonds (WMO)

1 477

1 388

502

333

333

AP

Aanvullende posten

22

160

989

1 113

1 409

 

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

2 130

2 178

1 794

1 732

2 038

             

41

Premiegefinancierde uitgaven Zorg

64 051

67 490

68 180

70 634

72 517

 

Netto premiegefinancierde uitgaven

64 051

67 490

68 180

70 634

72 517

             
 

Netto uitgaven kader Zorg

66 181

69 667

69 973

72 366

74 556

Tabel 9 Overige netto uitgaven (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Gasbaten

-12 000

-11 200

-10 700

-10 400

-10 000

Rentelasten

9 710

9 809

9 695

10 312

11 130

Zorgtoeslag

4 803

4 538

4 664

5 050

5 387

BTW-compensatiefonds

2 895

3 079

0

0

0

Landbouw- en overige bestemmingsheffingen

-388

-390

-387

-425

-741

Klimaatverandering en luchtkwaliteit (ETS)

-120

-200

-200

-200

-200

SDE+

-118

-218

-318

-432

-501

Werkgeversbijdrage kinderopvang

-1 088

-1 101

-1 115

-1 128

-1 128

Bemiddelingskosten zorgverzekeraars

2 145

2 195

2 232

2 268

2 303

Netto opbrengsten interventies financiële sector

-690

-699

-512

-464

-459

Ktv's rijk

1 312

-2 349

338

463

545

Overige posten

-187

-86

-80

-72

-70

Totaal overige netto uitgaven

6 273

3 378

3 617

4 971

6 266

Tabel 10 Netto gecorrigeerde rijksuitgaven (NGRU), van begroting naar accres (in miljoenen euro)
   

2013

2014

2015

2016

2017

1

De Koning

40

40

40

40

40

2A

Staten-Generaal

133

131

133

131

127

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

107

106

101

99

97

3

Algemene Zaken

56

54

56

55

55

4

Koninkrijksrelaties

89

86

84

82

72

5

Buitenlandse Zaken

11 005

11 041

11 426

11 560

11 730

6

Veiligheid en Justitie

10 649

10 350

10 028

9 846

9 574

7

Binnenlandse Zaken

528

464

443

409

361

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

31 740

32 038

31 722

31 280

31 233

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

17

17

17

17

17

9B

Financiën

1 905

2 224

2 004

1 887

1 709

10

Defensie

7 296

7 090

7 053

7 070

7 057

12

Infrastructuur & Milieu

9 897

10 333

9 319

9 626

9 472

13

Economische Zaken

4 804

4 378

4 119

4 040

4 241

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

20 123

20 683

21 162

21 040

20 929

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

4 499

4 389

3 856

3 695

3 641

17

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

75

73

63

64

59

18

Wonen & Rijksdienst

2 332

2 523

2 675

2 887

3 124

50

Gemeentefonds

17 963

17 577

18 307

18 165

18 078

51

Provinciefonds

1 138

964

1 087

1 064

1 068

AP

Aanvullende Posten

1 914

6 674

9 818

11 953

13 487

A

Totaal netto uitgaven1

126 309

131 233

133 512

135 009

136 170

             

B

Totaal correcties2

-36 272

-36 849

-38 777

-39 384

-39 671

             

C

Totaal netto gecorrigeerde rijksuitgaven (=A+B)

90 038

94 384

94 735

95 625

96 498

             
 

Accres (in procenten) ((Ct-Ct-1)/Ct-1)

0,11%3

4,83%

0,37%

0,94%

0,91%

X Noot
1

Het totaal van de netto uitgaven bestaat uit de netto begrotingsgefinancierde uitgaven onder de deelkaders RBG-eng, SZA en BKZ.

X Noot
2

Tabel 11 geeft een overzicht van de correcties.

X Noot
3

De netto gecorrigeerde rijksuitgaven in 2012 bedragen 89 943 miljoen euro. Voor het accrespercentage voor 2013 geldt: (90 038 – 89 943)/89 943 = 0,11%.

Tabel 11 Correcties voor NGRU (in miljoenen euro)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Studieleningen en radiofrequenties

1 420

1 275

1 091

724

690

Rentelasten

0

0

0

0

0

EU-afdrachten (inclusief landbouwheffingen)

-6 957

-7 350

-7 640

-7 884

-8 068

HGIS

-4 868

-4 736

-4 903

-4 794

-4 407

WWB

-5 261

-5 435

-5 223

-5 324

-5 373

GF/PF

-17 720

-18 103

-19 910

-20 102

-20 202

WMO en opleidingsfonds

-2 130

-2 178

-1 793

-1 733

-2 038

           

Overboekingen RBG-eng – GF/PF

545

662

689

535

534

Overige financieringsverschuivingen

-1301

-984

-1086

-808

-808

Totaal correcties

-36 272

-36 849

-38 777

-39 384

-39 671

Bijlage 3 Departementale tabbladen

1. De Koning

 

In miljoenen euro

             

1

De Koning

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

39,9

39,8

39,7

39,6

39,6

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

39,9

39,8

39,7

39,6

39,6

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

   

2A. Staten-Generaal

 

In miljoenen euro

             

2A

Staten-Generaal

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

135,9

133,9

135,8

135,471

132,5

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

0,0

0,0

-1,1

-2,3

-2,6

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-1,1

-2,3

-2,6

2018

                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

135,9

133,9

135,8

134,3

130,2

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

   

2B. Hoge Colleges van Staat

 

In miljoenen euro

             

2B

Hoge colleges van Staat

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

111,9

111,0

106,3

105,8

105,6

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

0,0

0,0

-1,9

-3,7

-4,4

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-1,9

-3,7

-4,4

2018

                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

111,9

111,0

106,3

104,0

101,9

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

   

3. Algemene Zaken

 

In miljoenen euro

             

3

Algemene Zaken

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

62,2

60,9

62,2

61,8

61,5

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

-1,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

0,0

0,0

-1,0

2018

                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

62,2

60,9

62,2

61,8

61,5

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

6,6

6,5

6,5

6,5

6,5

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

6,6

6,5

6,5

6,5

6,5

   

4. Koninkrijksrelaties

 

In miljoenen euro

             

4

Koninkrijksrelaties

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

277,5

257,1

256,5

240,0

272,9

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

0,0

0,0

0,0

-1,0

-1,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

0,0

-1,0

-1,0

2018

                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

277,5

257,1

256,5

240,0

271,9

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

32,9

32,2

31,8

31,8

31,8

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

32,9

32,2

31,8

31,8

31,8

   

5. Buitenlandse Zaken

 

In miljoenen euro

             

5

Buitenlandse Zaken

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

7 389,7

7 794,6

8 097,4

8 354,2

8 551,4

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
 

Van EZ naar BZ1

10,2

9,7

9,5

9,5

9,5

9,4

 
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

7 389,7

7 794,6

8 097,4

8 354,2

8 551,4

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

718,5

725,2

731,3

739,8

754,6

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

718,5

725,2

731,3

739,8

754,6

   
X Noot
1

De budgetten behorend bij de herverkaveling van de EZ-begroting naar de BH&OS- en BZ-begroting worden toegevoegd aan de totaalstand van de HGIS (zie tabblad HGIS).

6. Veiligheid en Justitie

 

In miljoenen euro

             

6

Veiligheid en Justitie

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

11 157,8

10 918,3

10 759,9

10 721,8

10 622,9

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

-33,0

-65,0

-174,0

-310,0

-365,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-109,0

-245,0

-300,0

2018

B11

Doelmatiger strafrechtsketen

 

-30,0

-60,0

-60,0

-60,0

-60,0

 

F61

WW/ontslag (ten opzichte van basispad)

 

-3,0

-5,0

-5,0

-5,0

-5,0

 
                 
 

Herverkaveling

814,2

788,5

693,3

673,2

651,4

642,0

 
 

van BZK naar VenJ

814,2

788,5

693,3

673,2

651,4

642,0

 
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

11 972,0

11 673,8

11 388,2

11 221,0

10 964,3

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

1 362,1

1 364,8

1 343,2

1 355,2

1 365,2

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

0,0

70,0

70,0

70,0

70,0

 

I91

Doorberekenen kosten strafzaken en detentie aan veroorzaker

   

60,0

60,0

60,0

60,0

 

J103

Afromen kansspelbelasting

   

10,0

10,0

10,0

10,0

 
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

1 362,1

1 364,8

1 413,2

1 425,2

1 435,2

   

7. Binnenlandse Zaken

 

In miljoenen euro

             

7

Binnenlandse Zaken

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

4 789,8

4 541,0

4 484,4

4 556,5

4 648,2

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

48,0

128,0

188,0

188,0

203,0

1 563,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-64,0

-142,0

-174,0

2018

A3

Verlaging topinkomens publieke sector

     

-10,0

-10,0

-10,0

 

B12

AIVD

 

-10,0

-23,0

-35,0

-45,0

-45,0

 

J95

Terugdraaien maatregel reiskostenaftrek (doorwerking huurtoeslag)

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

 

J98

Witteveen opbouwpercentage- 0,4% (doorwerking toeslagen)

   

-6,0

-10,0

-12,0

   

J102

Maatregel huurmarkt (huurtoeslag)

45,0

135,0

225,0

315,0

420,0

1 800,0

2032

J106

Invoering Winstbox (doorwerking toeslagen)

   

-11,0

-11,0

-11,0

-11,0

 
                 
 

Herverkaveling

-3 994,2

-4 115,7

-4 159,7

-4 346,3

-4 582,5

-4 724,7

 
 

Van Financiën naar BZK

2,5

2,5

2,5

2,1

1,7

1,5

 
 

Van BZK naar VenJ

-814,2

-788,5

-693,3

-673,2

-651,4

-642,1

 
 

Van BZK naar SZW

-180,9

-129,0

-120,7

-119,5

-121,4

-112,1

 
 

Van BZK naar W&R

-3 001,7

-3 200,6

-3 348,2

-3 555,8

-3 811,3

-3 972,0

 
                 
 

Overig

0,0

6,0

13,0

76,0

155,8

   
 

Doorwerking (voornamelijk effect WW/WWB-ontwikkeling)

 

6,0

13,0

76,0

155,8

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

843,6

559,3

525,7

474,2

424,5

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

712,7

985,5

1 388,7

698,7

668,6

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

-606,5

-590,1

-585,4

-583,1

-604,4

-592,8

 
 

Van Financiën naar BZK

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

 
 

Van BZK naar SZW

-27,6

-4,4

-4,4

-5,9

-8,9

-11,9

 
 

Van BZK naar W&R

-579,1

-585,8

-581,2

-577,4

-595,7

-581,1

 
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

106,2

395,4

803,3

115,6

64,2

   

8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

In miljoenen euro

             

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

34 007,0

34 257,6

34 210,7

34 283,1

34 564,1

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

263,0

104,0

-174,0

-675,0

-940,0

-2 201,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-24,0

-54,0

-67,0

2018

D17

Schrappen subsidies

 

-100,0

-200,0

-200,0

-200,0

-200,0

 

D19

Leerwegondersteunend onderwijs

   

-15,0

-50,0

-50,0

-50,0

 

D20

Afschaffen wettelijk verplichte maatschappelijke stages

     

-50,0

-55,0

-55,0

 

D21

Afschaffen gratis schoolboeken

   

-85,0

-275,0

-275,0

-275,0

 

D22

Minder opleidingen en macrodoelmatigheid mbo

       

-60,0

-120,0

2020

D23

Samenvoegen kenniscentra mbo

   

-40,0

-80,0

-80,0

-80,0

 

D24

Minder opleidingen hoger onderwijs (inclusief kunstopleidingen)

     

-70,0

-90,0

-130,0

2019

D25

Verminderen overhead in het hoger onderwijs

 

-15,0

-33,0

-50,0

-65,0

-65,0

 

D26

Sociaal leenstelsel basisbeurs bachelor/masterfase hbo/wo met cohortgarantie

     

-15,0

-55,0

-810,0

2035

D27

OV Kaart -> kortingskaart (incl mbo 18-)

     

-5,0

-45,0

-425,0

2035

D28

Effect vereenvoudiging Wet studeren is investeren

 

1,0

-9,0

-14,0

-19,0

-33,0

2019

D31

Schrappen maatregel langstudeerders (plus teruggaaf 2012)

263,0

220,0

230,0

230,0

230,0

230,0

 

F64

Hervorming kindregelingen

   

-20,0

-20,0

-20,0

-19,0

2018

G81

Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en topsectoren

 

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

 

I92

Publieke omroep

     

-50,0

-100,0

-100,0

 
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

15,0

137,0

7,0

-313,0

-363,0

882,0

 

I92

Publieke omroep

 

142,0

142,0

142,0

142,0

142,0

 

D30

Verdubbeling intensivering leerkrachten vo

15,0

20,0

30,0

35,0

     

D26

Sociaal leenstelsel (niet-kaderrelevant)

 

-75,0

-420,0

-610,0

-770,0

0,0

2026

D26

Sociaal leenstelsel (niet-kaderrelevant)

 

50,0

255,0

390,0

515,0

530,0

2021

D27

OV Kaart (niet-kaderrelevant)

     

-480,0

-460,0

0,0

2035

D27

OV Kaart (niet-kaderrelevant)

     

210,0

210,0

210,0

2016

                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

34 285,0

34 498,6

34 043,7

33 295,1

33 261,1

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

1 190,5

1 251,2

1 296,2

1 356,2

1 402,8

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

1 190,5

1 251,2

1 296,2

1 356,2

1 402,8

   

9A. Nationale Schuld

 

In miljoenen euro

             

9A

Nationale Schuld

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

19 119,4

20 053,7

23 681,3

26 187,9

29 299,9

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

-665,3

-1 098,9

-1 281,5

-1 521,9

-3 748,0

   
 

Effect RA op financiering Nationale Schuld

-665,3

-1 098,9

-1 281,5

-1 521,9

-3 748,0

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

18 454,1

18 954,8

22 399,8

24 666,0

25 551,9

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

2 042,3

3 333,5

2 770,7

3 657,0

4 126,7

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

-7,1

35,7

87,5

-35,9

-164,3

   
 

Effect RA op financiering Nationale Schuld

-7,1

35,7

87,5

-35,9

-164,3

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

2 035,2

3 369,2

2 858,2

3 621,1

3 962,4

   

9B. Financiën

 

In miljoenen euro

             

9B

Financiën

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

10 891,0

9 253,3

8 121,3

7 870,8

7 637,1

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

2,0

-3 114,5

-3 162,3

-3 223,2

-3 246,2

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-50,0

-112,0

-136,0

2018

G82

Doorberekenen kosten toezicht AFM/DNB

   

-38,0

-38,0

-38,0

-38,0

 

A10

Btw compensatiefonds

             
 

wv taakstellende korting

   

-350,0

-350,0

-350,0

-350,0

 
 

wv naar AP ivm brutering SPUKS

   

-150,0

-150,0

-150,0

-150,0

 
 

wv overboeking naar GF

   

-2 282,2

-2 282,1

-2 282,0

-2 282,0

 
 

wv overboeking naar PF

   

-297,3

-297,3

-297,3

-297,3

 

I93

Belasting- en invorderingsrente

 

2,0

3,0

5,0

6,0

7,0

2018

                 
 

Herverkaveling

-86,8

-85,4

-84,7

-84,3

-83,9

-83,6

 
 

Van Financiën naar W&R

-84,3

-82,9

-82,2

-82,2

-82,1

-82,1

 
 

Van Financiën naar BZK

-2,5

-2,5

-2,5

-2,1

-1,7

-1,5

 
                 
 

Overig

0,0

91,0

83,0

71,0

61,0

   
 

ING back-up faciliteit (door bijstelling Eurokoers ($))

 

91,0

83,0

71,0

61,0

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

10 804,2

9 260,9

5 005,0

4 695,1

4 391,0

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

6 620,2

5 445,7

5 096,8

3 636,1

3 343,9

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

71,0

169,0

214,0

248,0

314,0

 

I90

Taakstelling MRB (hogere boete bij herhaaldelijk te laat betalen)

 

50,0

70,0

70,0

70,0

70,0

 

I93

Belasting- en invorderingsrente

 

21,0

99,0

144,0

178,0

244,0

2019

                 
 

Herverkaveling

-175,4

-174,5

-174,0

-174,0

-174,0

-174,0

 
 

Van Financiën naar BZK

-0,2

-0,2

-0,2

-0,2

-0,2

-0,2

 
 

Van Financiën naar W&R

-175,2

-174,3

-173,8

-173,8

-173,8

-173,8

 
                 
 

Overig

-174,6

-47,9

8,8

61,9

78,4

   
 

ING back-up faciliteit (door bijstelling Eurokoers ($))

 

92,0

84,0

71,0

61,0

   
 

Winstafdracht DNB (door bijstelling macro-economische veronderstellingen)

-174,6

-139,9

-75,2

-9,1

17,4

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

6 270,2

5 294,3

5 100,6

3 738,0

3 496,3

   

10. Defensie

 

In miljoenen euro

             

10

Defensie

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

7 566,4

7 580,1

7 504,0

7 503,9

7 510,0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

-60,5

-60,5

-77,5

-99,5

-108,5

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-17,0

-39,0

-48,0

2018

G81

Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en topsectoren overige departementen

 

-1,0

-1,0

-1,0

-1,0

-1,0

 

H86

Defensie

             
 

w.v. HGIS1

 

-190,5

-190,5

-190,5

-190,5

-190,5

 
 

w.v. overig

 

-59,5

-59,5

-59,5

-59,5

-59,5

 
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

7 566,4

7 519,6

7 443,5

7 426,4

7 410,5

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

372,4

345,2

306,1

272,1

265,0

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

372,4

345,2

306,1

272,1

265,0

   
X Noot
1

De ombuiging op het HGIS-deel (crisisbeheersingsoperaties) van de defensiebegroting wordt in mindering gebracht op de totaalstand van de HGIS (zie tabblad HGIS).

12. Infrastructuur en Milieu

 

In miljoenen euro

             

12

Infrastructuur en Milieu

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

9 858,8

10 575,5

9 573,2

9 923,0

9 816,7

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

0,0

-252,0

-252,0

-295,0

-350,0

-371,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-43,0

-98,0

-119,0

2018

G81

Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en topsectoren overige departementen

 

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

 
 

Korting IF (tbv sociale agenda)1

0,0

-250,0

-250,0

-250,0

-250,0

-250,0

 
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

9 858,8

10 323,5

9 321,2

9 628,0

9 466,7

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

176,1

258,2

241,4

219,9

213,3

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

             
                 
 

Herverkaveling

             
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

176,1

258,2

241,4

219,9

213,3

   
X Noot
1

De verdeling van de 250 mln over de modaliteiten zal voor 1 maart 2013 bekend gemaakt worden (aansluitend op motie De Rouwe). De op de aanvullende post gereserveerde middelen voor OV en intensivering regionaal Spoor uit het Begrotingsakkoord (100 mln) zullen hierbij worden betrokken en zullen vervolgens bij Voorjaarsnota structureel worden toegevoegd aan de IenM begroting. In het licht van de taakstelling van 250 mln is, in afwijking van het Regeerakkoord, afgesproken (motie Elias/Kuiken) dat de beschikbaar gestelde resterende investeringsruimte van het Infrastructuurfonds wordt verhoogd van 80% naar 100%.

13. Economische Zaken

 

In miljoenen euro

             

13

Economische Zaken

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

5 049,6

4 678,5

4 447,0

4 372,5

4 305,8

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

18,0

-2,0

2,0

-28,0

243,0

2 251,0

 

A1

Rijksoverheid (incl. ZBO’s)

     

-35,0

-79,0

-96,0

2018

C15

SDE+ regeling

   

20,0

80,0

395,0

2 420,0

2020

C15

COVA

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

 

D18

Beëindiging specifieke subsidies onderwijsvernieuwing groen onderwijs na 2015

     

-55,0

-55,0

-55,0

 

G81

Subsidies bedrijven

             
 

wv Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en topsectoren

 

-46,0

-52,0

-52,0

-52,0

-52,0

 
 

wv Verlagen uitgaven ondernemerspleinen

 

-5,0

-15,0

-15,0

-15,0

-15,0

 

G83

Afschaffen PBO's

 

31,0

31,0

31,0

31,0

31,0

 
                 
 

Herverkaveling

-6,8

-7,7

-6,0

-6,0

-5,9

-5,9

 
 

Van VWS naar EZ

3,5

2,0

3,5

3,5

3,5

3,5

 
 

Van EZ naar BZ

-10,2

-9,7

-9,5

-9,5

-9,5

-9,4

 
 

Van EZ naar BH&OS1

-89,2

-82,0

-68,4

-66,1

-60,5

-61,5

 
                 
 

Overig

             
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

5 060,8

4 668,8

4 443,0

4 338,5

4 542,9

   
                 
 

Niet-belastingontvangsten

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

12 806,0

12 586,4

12 793,7

12 673,3

12 212,5

   
                 
 

Mutaties Regeerakkoord

18,0

93,0

138,0

198,0

538,0

2 563,0

 

C15

SDE+ regeling (niet-relevant voor uitgavenkader; wel voor inkomstenkader)

   

20,0

80,0

395,0

2 420,0

2020

C15

COVA (niet-relevant voor uitgavenkader; wel voor inkomstenkader)

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

 

G84

Boetes marktwerking (NMa)

 

75,0

100,0

100,0

125,0

125,0

 
                 
 

Herverkaveling

             
 

Van EZ naar BH&OS1

-14,3

-9,3

-5,2

-1,8

-1,8

-1,8

 
                 
 

Overig

0,0

-550,0

-1 150,0

-1 250,0

-1 150,0

   
 

Aardgasbaten

 

-550,0

-1 150,0

-1 250,0

-1 150,0

   
                 
 

Stand Startnota (excl. HGIS, cat. 2)

12 824,0

12 129,4

11 781,7

11 621,3

11 600,5

   
X Noot
1

De budgetten behorend bij de herverkaveling van de EZ- en de BZ-begroting naar de BH&OS-begroting worden toegevoegd aan de totaalstand van de HGIS (zie tabblad HGIS).

15. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

In miljoenen euro

             

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2013

2014

2015

2016

2017

struc

struc in

 

Uitgaven

             
                 
 

Stand MN 2013 (excl. HGIS, cat. 2)

30 224,5