Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 40, item 10

10 Mestvisie

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 1 december 2011 over de mestvisie.

De heer Koopmans (CDA):

Voorzitter. Wij hebben een goed debat gehad over prima beleid. Ik heb nog een klein puntje; vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verplichting een vanggewas te telen direct na oogst van maïs geteeld op zand- en lössgrond is ingevoerd om stikstof vast te leggen;

overwegende dat wegens aaltjesbestrijding het gewenst is grond te ontsmetten voordat nieuw gewas wordt ingezaaid;

overwegende dat er aanwijzingen zijn dat grondontsmetting de mineralisatie en nitrificatie beperkt en daarmee de uitspoeling van nitraat;

overwegende dat de Commissie van Deskundigen Meststoffen (CDM) advies is gevraagd over de effectiviteit van dit proces in vergelijking met de teelt van een vanggewas;

verzoekt de regering, indien CDM aangeeft dat het uitspoelingsrisico na ontsmetten vergelijkbaar is met vanggewas, onmiddellijk de regels aan te passen en niet te wachten op het 5e Actieprogramma Nitraat,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 3 (33037).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de dierproductierechten en de melkquota in 2015 wil afschaffen waardoor er naar verwachting nog meer mest geproduceerd zal worden in Nederland;

constaterende dat mestverwerking volgens het Landbouw Economisch Instituut economisch niet rendabel is en dat het boeren op hoge kosten jaagt;

constaterende dat boeren, met name de kleine gezinsbedrijven, zelf oproepen om de dierproductierechten en melkquota te behouden;

spreekt uit dat er zonder een begrenzing aan de productie van mest geen einde zal komen aan de mestproblematiek;

verzoekt de regering, af te zien van het voornemen om de dierproductierechten en melkquota af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 4 (33037).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Mijn tweede en laatste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een groei van het aantal dieren in de veehouderij zal leiden tot nog hogere mestproductie waarmee de druk op de mestmarkt verder zal toenemen met stijgende lasten voor boeren en milieu tot gevolg;

verzoekt de regering, de aantallen dieren in de veehouderij in Nederland niet te laten stijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 5 (33037).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. Het is fijn dat het zo voorspoedig gaat met het schema vandaag, maar het is wel wat haasten als je uit een AO wordt gehaald om hier het woord te voeren. Ik heb een motie over het koper- en zinkgehalte in diervoeder en een over het doorrekenen van scenario's met een percentage mestverwerking.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat zware metalen accumuleren in de bodem en daar schade toe kunnen brengen aan de bodemvruchtbaarheid;

constaterende dat het kabinet maatregelen neemt om onnodig hoge gehalten aan fosfor en stikstof in voer terug te dringen;

verzoekt de regering om in overleg met de sector en met behoud van dierenwelzijn, te streven naar een verlaging van het koper- en zinkgehalte in het diervoeder en de Kamer te informeren over de voortgang van deze verlaging;

verzoekt de regering tevens om ook in Europees verband in te zetten op een verlaging van het koper- en zinkgehalte in diervoeder, zodat het speelveld gelijk blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 6 (33037).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is om boeren te verplichten om een percentage mest aan te bieden voor mestverwerking, maar dat het kabinet nog geen percentage hiervoor heeft vastgesteld;

van mening dat de gevolgen hiervan voor ondernemer en omgeving duidelijk moeten zijn;

verzoekt de regering, een aantal scenario's percentage mestverwerking door te rekenen op de economische en ecologische effecten, en de Kamer daarover te informeren alvorens een definitief besluit hierover te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (33037).

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik heb een tweetal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering ook veehouders die al hun op het bedrijf geproduceerde mest regionaal af kunnen zetten, wil verplichten een deel van de mest te laten verwerken;

overwegende dat deze verplichting regionale afzet en kringlopen afremt en het aantal vervoersbewegingen, inclusief administratieve lasten, laat toenemen;

van mening dat onnodige vervoersbewegingen en administratieve lasten voorkomen moeten worden;

verzoekt de regering, veehouders die op hun bedrijf geproduceerde mest in een straal van 30 km af weten te zetten, te ontzien van de verplichte mestverwerking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Gesthuizen, Van Gerven, Jacobi en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7 (33037).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, een prognose te laten maken van het effect van het nieuwe mestbeleid op het aantal vervoersbewegingen in Nederland;

verzoekt de regering tevens, na invoering de effecten op de nettovervoersbewegingen in Nederland te blijven monitoren en aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Gesthuizen, Van Gerven en Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (33037).

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb een tweetal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er grote verschillen zijn in milieukwaliteit en aantallen dieren met bijbehorende uitdagingen in de verschillende delen van het land;

constaterende dat er provincies zijn die zich grote zorgen maken over negatieve gevolgen van afschaffing van het dierrechtenstelsel, bijvoorbeeld voor de al bereikte milieuwinst, omdat zij na afschaffing van dierrechten geen instrument meer hebben voor regulering en totaal afhankelijk zullen worden van generiek beleid van het Rijk;

verzoekt de regering, alvorens het dierrechtenstelsel definitief af te schaffen, afspraken te maken met provincies over verplichtingen, beschikbare instrumenten en aansprakelijkheidsverdeling, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wiegman-van Meppelen Scheppink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (33037).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering van plan is het stelsel van dierrechten in 2015 af te schaffen en in plaats daarvan sterk wil leunen op mestverwerking;

overwegende dat het dierrechtenstelsel effectief is gebleken in het reguleren van de hoeveelheid mest, en mestverwerking wel kansen biedt, maar nog niet als volwaardig alternatief kan dienen voor het dierrechtenstelsel;

verzoekt de regering, het dierrechtenstelsel niet af te schaffen voordat een aantoonbaar werkbaar alternatief geïntroduceerd kan worden, bijvoorbeeld op basis van mestverwerking, en de Kamer hierover begin 2014 uitgebreid te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wiegman-van Meppelen Scheppink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (33037).

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Voorzitter. Mijn motie gaat over de relatie water en mest. De motie heet: water duurder door mestbeleid.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende de toenemende vervuiling van grondwater als gevolg van mest in vooral de waterwingebieden op de hoge zandgronden;

overwegende dat zo'n 60% van het kraanwater gewonnen wordt uit grondwater en de drinkwaterwinning door de toename van vervuiling van mest steeds hogere zuiveringskosten heeft;

verzoekt de regering, de kwaliteit van het drinkwater leidend te laten zijn voor mestnormen in het gebied,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jacobi en Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (33037).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 4 van mevrouw Ouwehand ontraad ik. De veronderstellingen en de constateringen in deze motie onderschrijven wij niet. Punt.

De motie op stuk nr. 5 die verzoekt de aantallen dieren in de veehouderij in Nederland niet te laten stijgen, ontraad ik. Er is geen enkele aanleiding toe om dat te doen.

De motie op stuk nr. 7 zie ik als ondersteuning van beleid.

De motie op stuk nr. 8 ontraad ik echt ten stelligste, want dit is de bijl aan de wortel van het nieuwe mestbeleid. Wij lopen hiermee het grote risico dat in feite de innovatieve sector nieuwe mestverwerking niet tot stand komt. Daarom ontraad ik de motie ten zeerste. Het is een heel onverstandige motie.

De motie op stuk nr. 9 ontraad ik. Wij hebben geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er spectaculaire veranderingen optreden bij de vervoersbewegingen ten gevolge van het nieuwe mestbeleid. Ik ontraad de motie, die ook tot administratief gedoe leidt.

De motie op stuk nr. 10 ontraad ik evenzeer. De motie is niet nodig. Het kan in het gangbare systeem van verantwoordelijkheden tussen Rijk en provincie over ruimtelijke ordening en dergelijke worden geregeld.

De motie op stuk nr. 11 zie ik als ondersteuning van beleid. Wij gaan een systeem van dierrechten niet eerder afschaffen dan dat wij duidelijkheid en zekerheid hebben over het goed functioneren van het nieuwe mestbeleid. Daarom hebben wij gezegd dat geprobeerd moet worden om op 1 januari 2013 het nieuwe beleid te introduceren. Dan hebben wij ook de tijd om het te beoordelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Even over de motie op stuk nr. 10. Ik vind het jammer dat die zo sterk wordt ontraden. Ik zou zeggen, op het moment dat wij de overtuiging hebben dat het goed is te regelen, moeten afspraken met de provincie ook heel snel te regelen zijn. Volgens mij kun je er toch niet onderuit om dit even goed af te kaarten met de provincies en heel goed duidelijk te maken hoe het precies zit met de sturingsinstrumenten, zodat daarover geen onduidelijkheid bestaat.

Staatssecretaris Bleker:

Op heel veel punten verandert er niets. Ik noem het nieuwe mestbeleid en de verplichte mestverwerking. Dat betekent niet dat het instrumentarium van gemeenten en provincie voor milieu en ruimte verandert. Dat systeem blijft gewoon bestaan en is toereikend.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De staatssecretaris heeft de motie op stuk nr. 9 ontraden. Meent de staatssecretaris daarmee te zeggen dat de Kamer überhaupt niet meer van de effecten van de maatregelen op de hoogte hoeft te worden gesteld?

Staatssecretaris Bleker:

Nee, dat beoog ik niet te zeggen. In de motie wordt het kabinet tevens gevraagd na invoering de effecten op de netto-vervoersbeweging in Nederland te blijven monitoren en daarover aan de Kamer te rapporteren. Een prognose te laten maken van het effect van het nieuwe mestbeleid op het aantal vervoersbewegingen? Als wij na verloop van tijd constateren dat sprake is van intensiveringen van vervoersbewegingen, wat niet het gevolg is van het nieuwe mestbeleid maar vooral van de locaties van de mestverwerkingsinstallaties, zullen wij de Kamer daarover informeren. Er is geen noodzaak om nu een prognose te doen. Wij moeten dan de vervoerders bereid vinden om daarover informatie te verschaffen. Die extra administratieve last vinden wij niet nodig. Daarom ontraad ik de motie.

Staatssecretaris Atsma:

Voorzitter. Drie moties zijn blijven liggen.

De motie van de heer Koopmans gaat over de uitspoelingsrisico's voor het vanggewas. Als het oordeel van de commissie van deskundigen is dat de risico's verwaarloosbaar zijn, dan vindt ook het kabinet dat wij niet moeten wachten op het Vijfde actieprogramma. Ik zie de motie als ondersteuning van beleid.

De motie van mevrouw Van Veldhoven op stuk nr. 6 gaat over de verlaging van het koper- en zinkgehalte. In die motie word ik opgeroepen om met de sector in overleg te gaan en het onderwerp in Europa op de agenda te zetten. Ik zie de motie als ondersteuning van beleid.

In de motie van mevrouw Jacobi op stuk nr. 12 wordt mij gevraagd het drinkwater leidend te maken bij de mestnormering. De kwaliteit van het drinkwater staat altijd centraal in het beleid. Wat dat betreft kan ook deze motie worden gezien als ondersteuning van beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Stemmingen over de moties vinden plaats bij de eindstemming.