Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 40, item 17

17 Kindermishandeling

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 15 december 2011 over kindermishandeling.

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Vandaag hebben we een brief gekregen van de staatssecretaris, waarin zij meldt dat zij in gesprek is met de zorgverzekeraars over het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem. We hebben dus nog geen oplossing. Van de instelling heb ik begrepen dat de zorgverzekeraars niet willen garanderen dat deze zorg overeind blijft. We hebben dus geen garantie of deze korting wel of niet doorgaat. Echter, ook als de zorgverzekeraars gaan compenseren in opdracht van de staatssecretaris, komt de instelling alsnog ruim twee ton tekort. Daarom ben ik genoodzaakt, de volgende motie in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat op het Kinder- en Jeugdtraumacentrum te Haarlem en de multidisciplinaire aanpak financieel niet gekort wordt, zodat getraumatiseerde kinderen de behandeling kunnen krijgen die zij nodig hebben en de multidisciplinaire aanpak kindermishandeling gewaarborgd blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Arib. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (31015).

Mevrouw Dijkstra (D66):

Voorzitter. Ik heb zelf niet aan het debat deelgenomen, maar ik vervang mijn collega Koşer Kaya. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het van belang is om het effect van de invoering van een verplichte meldcode bij huiselijk geweld en/of kindermishandeling op het voorkomen en aanpakken ervan in kaart te brengen en te beoordelen;

verzoekt de regering om een jaarlijkse evaluatie van de werking van de verplichte meldcode te houden, te beginnen aan het einde van 2012, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijkstra en Koşer Kaya. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (31015).

Mevrouw Arib (PvdA):

Het wetsvoorstel ligt in de Kamer. Ik zou de motie best willen steunen, maar het wetsvoorstel over een verplichte meldcode moet nog worden behandeld.

Mevrouw Dijkstra (D66):

Ik ben bang dat ik geen antwoord op deze vraag heb, omdat ik last minute ben gevraagd om deze motie in te dienen. Het spijt mij.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Misschien kan mevrouw Dijkstra overwegen om de motie aan te houden, anders is het een beetje raar. Wij hebben verslag uitgebracht en het onderwerp is klaar voor plenaire behandeling. Het lijkt mij netter om de motie daarbij te betrekken.

Mevrouw Dijkstra (D66):

Ik kom daar straks op terug. Ik laat het nog weten.

De voorzitter:

U kunt het ook altijd nog bij de Griffie doen. Ik begrijp dat u even wilt overleggen met de deelnemer aan het algemeen overleg.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie wil nog ingaan op twee punten die zijn blijven liggen bij het AO over kindermishandeling. Het ene punt betreft asielzoekerscentra en de meldcode en het andere punt betreft de vog's, met name voor kerkelijke vrijwilligers. Daarom dien ik de volgende twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat is besloten dat de vog voor bepaalde vrijwilligersgroepen die met kinderen/jongeren werken, gratis wordt;

constaterende dat het niet zeker is of kerkelijke instellingen hier ook onder vallen;

verzoekt de regering, de vog-aanvraag ook voor medewerkers van kerkelijke instellingen die met kinderen/jongeren werken, gratis te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (31015).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling van toepassing is voor beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg, het onderwijs, de maatschappelijke ondersteuning, de langdurige zorg en de justitie, maar niet van toepassing is op medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

constaterende dat uit onderzoek blijkt dat kinderen van vluchtelingen en asielzoekers een verhoogd risico lopen op kindermishandeling;

verzoekt de regering, de verplichte meldcode kindermishandeling ook van toepassing te laten zijn op medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (31015).

Mevrouw Dijkstra (D66):

Ik heb geen vraag voor de heer Voordewind, maar wil slechts aangeven dat ik mijn motie aanhoud.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Dijkstra stel ik voor, haar motie (31015, nr. 71) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

Voorzitter. Naar aanleiding van de motie-Kooiman/Arib op stuk nr. 70 wil ik graag nog iets toelichten. Over dit onderwerp is verwarring ontstaan. Er is zelfs op de televisie gesuggereerd dat ik zou kunnen besluiten om het traumacentrum open te houden of te sluiten. Dat is helemaal niet aan de orde. Ik wil dus graag herhalen wat ik vorige week in het AO met de Kamer heb gezegd: het is niet mijn rol om de financiering van individuele voorzieningen zoals het traumacentrum te borgen. Dat is een kwestie van de zorgverzekeraar en de aanbieder. Zij moeten er samen voor zorgen dat de zorg waarop aanspraak mogelijk is op grond van de Zorgverzekeringswet, beschikbaar is. Zoals toegezegd tijdens het AO, heb ik hierover contact opgenomen met de zorgverzekeraar. Dat heb ik diverse malen gedaan, zo kan ik vertellen. Samen met de minister van VWS heb ik de Kamer hierover vandaag een brief geschreven. De kortingen voor de ggz vallen namelijk onder het beleid van de minister van VWS. Ik lees dat uit de brief voor om enige verwarring te voorkomen: "De zorgverzekeraar heeft bij het doorvoeren van de bezuinigingsmaatregelen in de GGZ zo veel mogelijk een landelijk uniforme werkwijze gehanteerd. Hierdoor is er in Haarlem een heel specifiek knelpunt ontstaan. De zorgverzekeraar wil bewerkstelligen dat voor de kwetsbare groep van mishandelde kinderen de continuïteit van de zorg gewaarborgd blijft. De verzekeraar is hierover in gesprek met het betreffende traumacentrum". Zorgverzekeraar en aanbieder zijn dus met elkaar in gesprek om invulling te geven aan die verantwoordelijkheid. Op grond daarvan behoud ik mijn rol in dat geheel. Ik vervul die vol overgave. Ik vind de motie wel sympathiek en belangrijk, maar het is niet mijn rol. Ik ontraad derhalve het aannemen van de motie.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind dit iets te gemakkelijk. Bij de poli kindermishandeling in Utrecht was er ook een probleem met de zorgverzekeraar en daarbij strijkt de staatssecretaris met haar hand over haar hart en zorgt zij ervoor dat er 1 mln. wordt vrijgemaakt. Deze staatssecretaris zegt dat zij staat voor de behandeling van mishandelde kinderen. Desnoods trekt zij zelf een overbruggingsbudget uit om ervoor te zorgen dat de behandeling van deze zwaar getraumatiseerde kinderen niet op de tocht komt te staan. Daarom gaat het hier. Het maakt mij niet uit hoe het wordt geregeld, als het maar wordt geregeld. Daarom heb ik deze motie ingediend.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

In de motie wordt de suggestie gewekt dat ik daarin een doorslaggevende rol kan spelen. Daarom ontraad ik het aannemen van de motie. Ik wil juist helder maken dat die suggestie onterecht is. Die schept verkeerde verwachtingen bij verschillende mensen en dat zou ik niet willen. Binnen mijn mogelijkheden en binnen mijn rol zet ik mij ten volle in om te zorgen dat de zorg voor deze kinderen gegarandeerd is. Dat is gekoppeld aan het feit dat deze organisatie voorbeeldig is in een pilot over een heel specifieke multidisciplinaire aanpak, die ik van harte toejuich.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik wijs op de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. Dit is de staatssecretaris die gaat over de behandeling van mishandelde kinderen. Deze staatssecretaris kan er ook voor kiezen om, voor de tussentijd waarin wij er met de zorgverzekeraar niet uitkomen, een overbruggingsbudget vrij te maken. Ik heb daarvoor samen met mevrouw Arib een motie ingediend. Als de staatssecretaris toezegt desnoods met een overbruggingsaanbod te komen zodat deze hulp gegarandeerd kan blijven, is die motie niet nodig. Wat wij niet willen, is dat die kinderen deze hulp straks mislopen en dat de multidisciplinaire aanpak kindermishandeling zo de prullenbak in kan.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

Het is niet nodig dat VWS hiervoor geld beschikbaar stelt. Het is aan partijen om dat bedrag te overbruggen. Partijen zijn buitengewoon gemotiveerd om het aanbod voor de kinderen te continueren. Wij weten inmiddels hoe het probleem is ontstaan. Het heeft te maken met de indicatiestelling. Vanaf het moment dat dit bekend is, is dat dus niet meer aan de orde. Ik ga ervan uit dat het verschil tussen partijen wordt uitonderhandeld. Het zou heel verkeerd van mij zijn om daarin te treden met geld vanuit mijn begroting. Dat zou een verkeerd precedent scheppen.

Ik kom dan bij de motie van de D66-fractie op stuk nr. 71.

De voorzitter:

Die motie is aangehouden.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

De motie van de heer Voordewind op stuk nr. 72 is voor staatssecretaris Teeven.

Wat de heer Voordewind in zijn motie op stuk nr. 73 vraagt, heb ik in het AO toegezegd. Het gaat om extra aandacht voor kinderen in de centra van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Ik heb toegezegd dat ik dat zou bespreken met mijn collega Leers, omdat wij uit het prevalentieonderzoek weten dat mensen die van verre komen en getraumatiseerd zijn, mogelijk meer stress in hun gezin hebben en dat de kinderen daardoor risico lopen. Deze motie is dus overbodig.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, trekt u uw motie nu in of houdt u haar aan?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het feit dat de staatssecretaris het met de minister voor Immigratie en Asiel gaat bespreken, is voor mij nog geen reden om mijn motie in te trekken. Dan weet ik namelijk nog steeds niet wat ermee gebeurt. Stel dat de staatssecretaris zegt: ik ga er bij de minister alles aan doen om ook meldcode bij het COA te realiseren. Dan kan ik mijn motie aanhouden totdat ik daarover zekerheid heb.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

In dit soort gevallen realiseren wij een meldcode. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat dit inderdaad hetgeen is dat ik met minister Leers zal bespreken. De motie is overbodig, want ik zal dat met minister Leers bespreken.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan houd ik mijn motie aan tot de uitkomst van het gesprek met de minister voor Immigratie en Asiel.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (31015, nr. 73) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Voor een reactie op de motie op stuk nr. 72 is het woord aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. De heer Voordewind vroeg zich terecht af of kerkelijke instellingen er wel onder vallen. Nee, kerkelijke instellingen vallen niet onder de brief die ik vandaag naar de Kamer heb gezonden, omdat zij een bron van inkomsten hebben. Zij zijn dus geen vrijwilligersorganisatie zoals Scouting Nederland. Een vrijwilligersorganisatie heeft geen bron van inkomsten en zou er wel onder vallen. De heer Voordewind heeft dus gelijk als hij zegt: wij twijfelen erover. Die twijfel kan ik wegnemen. Er is dus ook geen dekking voor de motie op stuk nr. 72. Wij hebben daarover in het debat over vog's van gedachten gewisseld. Ik heb gezegd om welke instellingen het concreet gaat, namelijk vrijwilligersorganisaties die met kinderen werken. Dat hebben wij geregeld, in lijn met de toezegging die ik mevrouw Van Toorenburg van de CDA-fractie heb gedaan.

Ik wil wel het volgende doen. Na het reces komen de minister van Veiligheid en Justitie en ik in een gezamenlijke brief terug op het rapport van de commissie-Deetman. Wij zullen het onderwerp in kwestie in die discussie meenemen. Met het rapport in het achterhoofd, is het zinvol om te bekijken of wij er een oplossing voor kunnen vinden. Is die toezegging voor de heer Voordewind voldoende om zijn motie aan te houden en te wachten op die brief? Daarna kan hij zijn motie naar ons oordeel altijd nog in stemming brengen. Ik moet zijn motie echter dringend ontraden als de heer Voordewind toch besluit om haar vandaag in stemming te brengen. Er is namelijk geen dekking voor deze motie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Bronnen van inkomsten van kerken zijn ook weer van mensen afhankelijk. Dat is een relativering, maar ik begrijp de woorden van de staatssecretaris goed. Hij zet zich in ieder geval in om te bekijken of het kan worden geregeld. Daarom houd ik mijn motie aan, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Teeven:

Na het reces sturen de minister en ik een brief over het rapport van de commissie-Deetman.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (31015, nr. 72) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Tijdens de eindstemming zullen wij over de resterende motie stemmen.