Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 39, item 6

6 Gewasbeschermingsmiddelen

Aan de orde is het VAO Gewasbeschermingsmiddelen (AO d.d. 04/12). 

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Wij hebben met beide bewindspersonen gesproken over gewasbeschermingsmiddelen. Mijn fractie is heel blij met de toezegging dat staatssecretaris Dijksma begin volgend jaar met de Kamer gaat spreken over de harmonisatie van de gewasbeschermingsmiddelen en de wederzijdse erkenning. Er blijft nog één punt over. Daarover dien ik een tweetal moties in. Omwille van de tijd zal ik daar gelijk mee beginnen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de WHO heeft geconcludeerd dat stedelijke gebieden in toenemende mate te kampen hebben met ongedierte en door ongedierte overgedragen ziekten; 

constaterende dat het Kenniscentrum Dierplagen waarschuwt aangezien ratten erom bekend staan dat zij dragers zijn van bepaalde ziektekiemen; 

overwegende dat met het aanstaande verbod op buitenbestrijding van ongedierte de aspecten volksgezondheid, diergezondheid en voedselveiligheid onvoldoende zijn meegewogen; 

verzoekt de regering, het verbod op buitengebruik van rodenticiden met een jaar uit te stellen en in de tussenliggende periode met een alternatieve werkbare invulling te komen waarbij volksgezondheid, diergezondheid en voedselveiligheid zijn meegewogen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lodders, Geurts en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 281 (27858). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden het buitengebruik van rodenticiden per 1 januari 2015 enkel nog toestaat voor hen die volgens een gecertificeerd Integraal Plaagdier Management (IPM)-protocol werken; 

overwegende dat de principes van IPM leidend zijn bij de bestrijding van knaagdieren met een sterke nadruk op het uitvoeren van werings- en preventiemaatregelen; 

verzoekt de regering, te voorkomen dat de implementatie van het IPM-protocol voor buitengebruik van rodenticiden niet tot een toename van de administratieve lasten en nalevingskosten voor agrarische ondernemers leidt, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lodders, Geurts en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 282 (27858). 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. De zorgen in deze Kamer over het gebruik van landbouwgif zijn groot. Er liggen aangenomen moties die het kabinet oproepen om een verbod in te stellen op het gebruik van nieuwe soorten supergif, neonicotinoïden, die in verband worden gebracht met de bijensterfte. We willen dat glyfosaat uit de schappen wordt gehaald voor het gebruik door particulieren. Schimmelbestrijders die schimmelresistentie bij mensen kunnen veroorzaken, moeten van deze Kamer van de markt. En metam-natrium moet worden aangepakt. Er loopt een discussie met het kabinet over de mogelijkheden om deze moties uit te voeren. We zijn ook gehouden aan Europese regels in dit verband. Het kabinet heeft aangegeven om, wat goed gebruik is, de moties in principe wel te willen uitvoeren. Daarom heeft de Partij voor de Dieren een actieplan gemaakt waarin zij uiteenzet wat de routes nog kunnen zijn om de moties daadwerkelijk uit te voeren en deze gifstoffen van de markt te halen. Ik had het kabinet tijdens het algemeen overleg beloofd om het al uitgereikte actieplan van voetnoten met jurisprudentie te voorzien, zodat we precies weten op basis van welke Europese uitspraken die mogelijkheden beschikbaar zijn. Ik wil het actieplan bij dezen overhandigen. Ik heb een aantal extra exemplaren meegenomen voor de woordvoerders. 

De voorzitter:

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer. 

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.) 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik neem aan dat het actieplan nu ook naar de staatssecretarissen gaat, want die kunnen daarmee hun voordeel doen. 

De voorzitter:

Meestal moet u dat zelf geven. Maar ga u uw gang, want u hebt nog een kleine minuut. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik hoor graag van het kabinet op welke termijn het wil reageren op het actieplan en ik hoop dat we begin volgend jaar een forse stap kunnen zetten in het beëindigen van het gebruik van gevaarlijke gifstoffen in de Nederlandse landbouw. 

De heer Smaling (SP):

Voorzitter. Ik heb namens de SP een enkele kerstmotie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

kennisgenomen hebbende van de doelen in de tweede nota duurzame gewasbescherming; 

van mening dat er nog een flink gat zit tussen kennis en toepassing van geïntegreerde gewasbescherming; 

verzoekt de regering, in kaart te brengen hoe groot het gat is tussen laboratorium, collegezaal en praktijk, en aan te geven welke stappen gezet zullen worden om dit beter op elkaar aan te laten sluiten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Smaling. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 283 (27858). 

De heer Smaling (SP):

Gelukkig maar. Verder was het wat ons betreft een goed inhoudelijk debat. 

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter. Ik heb drie moties en ik begin daar gelijk mee. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat Nederland wereldwijd een van de belangrijkste spelers is op het gebied van landbouw- en groentezaden; 

overwegende dat zaadbehandeling in eigen land risiconeutraal is ten aanzien van mens, dier en milieu, onnodig gesleep met zaaizaden voorkomt en de concurrentiekracht van de land- en tuinbouw bevordert; 

constaterende dat de Europese Gewasbeschermingsverordening 1107/2009 het gebruik van met gewasbeschermingsmiddelen behandeld zaaizaad in de hele Europese Unie toestaat op voorwaarde dat in minimaal één lidstaat een toelating is verleend; 

verzoekt de regering om de wederzijdse erkenningsaanvragen voor de toelating van zaaizaadbehandelingen door middel van een eenvoudige administratieve procedure af te handelen zoals in andere Europese lidstaten gebruikelijk is, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 284 (27858). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de landsadvocaat stelt dat ook gewasbeschermingsmiddelen die zijn gebaseerd op laagrisicostoffen of middelen die worden aangeprezen als biologisch afbreekbaar of ecologisch verantwoord onder het verbod vallen; 

overwegende dat volgens de landsadvocaat vooropstaat dat een generiek verbod moet zijn gerechtvaardigd, ten aanzien van alle gewasbeschermingsmiddelen die daardoor worden geraakt; 

verzoekt de regering om de Kamer voor 1 maart 2015 te informeren over de criteria die de juridische basis zouden moeten zijn van het aangekondigde verbod op alle middelen die gebruikt worden buiten de landbouw, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 285 (27858). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat voor de Nederlandse sierteeltsectoren groene en laagrisicomiddelen een belangrijkere bijdrage kunnen leveren aan een duurzamere productie; 

constaterende dat Nederland in de EU het meest fijnmazige en gewasspecifieke systeem heeft voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt; 

verzoekt de regering om samen met het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden een op de grote diversiteit van de sierteeltsectoren gerichte, grofmazigere toelatingssystematiek uit te werken voor de sierteelt; 

en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 286 (27858). 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb één motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat basisstoffen zoals bier en melk kunnen worden gebruikt als gewasbeschermingsmiddel voor specifieke toepassingen, waarmee tevens een bijdrage wordt geleverd aan verdere vergroening van het middelenpakket; 

overwegende dat de registratieprocedure van basisstoffen tijdrovend en kostbaar is; 

verzoekt de regering om zich, in overleg met LTO en Bionext, in Europees verband in te zetten voor een versnelling van de registratie van basisstoffen, waarbij de registraties van specifieke basisstoffen en de daarmee gepaard gaande lasten tussen landen worden verdeeld, en de Kamer voor het meireces te informeren over de voortgang, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 287 (27858). 

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Goedemorgen, voorzitter. Ik ga meteen aan de slag. De eerste motie betreft de preventie van plaagdieren. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat resistentie, doorvergiftiging en versnippering van beleid een steeds groter probleem worden bij de bestrijding van plaagdieren; 

overwegende dat preventie van biociden en van plaagdieren, en met name van ratten en muizen, daarom van groot belang is; 

overwegende dat de samenhang tussen biociden (bij Infrastructuur en Milieu) en plaagdieren (bij Economische Zaken) meer prioriteit moet hebben; 

overwegende dat publieksvoorlichting en een efficiënt meldpunt voor overlast en advies bij gemeenten van groot belang is; 

overwegende dat samenhangend beleid winst betekent, voor overheden en burgers, op de gebieden van milieu, natuur, volks- en diergezondheid, voedselveiligheid, huisvesting en brandpreventie, alsmede van kostenbesparingen; 

verzoekt de regering om met een planmatige en samenhangende aanpak voor de preventie van plaagdieren en de preventie van biociden te komen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 288 (27858). 

De voorzitter:

Mijnheer Graus, ik geef iedereen vandaag de gelegenheid om één verduidelijkende vraag te stellen, omdat we zo veel VAO's hebben. 

De heer Graus (PVV):

Dat is namelijk wel nodig, want het punt van de stalbranden in combinatie met die plaagdieren heb ik in de Kamer ingebracht. U dient nu een motie in met exact dezelfde woorden, exact dezelfde strekking. Publieksvoorlichting, preventie van biociden: dat heb ik allemaal genoemd, en de motie daarover heeft de PvdA een paar maanden geleden niet gesteund. Dus ik vind dit toch wel echt te gortig worden. Met alle respect: ik meld dit bij de griffiers, ik meld het ook altijd aan u, maar ik vind dit echt te ver gaan. Continu worden mijn moties niet gesteund om een paar maanden later opnieuw te worden ingediend, en dan kunnen ze wel op steun rekenen. Ik ga goed in de gaten houden wie deze motie steunt. Die partijen bedrijven partijpolitiek en daarmee ga ik naar de pers. 

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Dat zou ik zeker doen. Volgens mij heeft de heer Graus het zelfs al gedaan. Moties kunnen nu eenmaal zo geformuleerd worden dat ze het wel of niet halen. In deze motie wordt gevraagd om een samenhangende, preventieve aanpak. Ik weet niet wat de heer Graus destijds heeft gevraagd, maar waarschijnlijk zijn we het voor 90% eens. 

De andere motie betreft duidelijkheid over lagerisicomiddelen. Deze heb ik nog nooit door de PVV ingediend zien worden, dus dat valt mee. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat bestrijdingsmiddelen voor gebruik op verharding begin 2016 verboden zullen worden; 

constaterende dat er een uitzonderingslijst komt voor laagrisicomiddelen die door de Europese Unie wordt samengesteld; 

constaterende dat de Europese Unie deze lijst waarschijnlijk pas rond 2020 klaar heeft; 

overwegende dat het onwenselijk is dat middelen tijdelijk verboden worden en over enkele jaren door middel van de Europese lijst van laagrisicomiddelen weer worden toegestaan; 

verzoekt de regering om de mogelijkheden voor het opstellen van een nationale lijst van criteria voor laagrisicomiddelen op een rij te zetten en daarbij ook voorbeelden binnen de EU, zoals de Franse situatie, in ogenschouw te nemen en de Kamer hierover te informeren; 

verzoekt de regering voorts om te bekijken of en, zo ja, welke stappen kunnen worden gezet om de duidelijkheid te geven rondom laagrisicomiddelen in afwachting van de Europese criterialijst, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 289 (27858). 

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Ik heb nog een motie. 

De voorzitter:

U hebt geen tijd meer om de motie in te dienen. 

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Dat is heel erg spijtig. 

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de termijn van de zijde van de Kamer. Er zijn negen moties ingediend. We wachten twee minuten, zodat de staatssecretarissen hun beantwoording kunnen voorbereiden. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De voorzitter:

De staatssecretaris van I en M is er nog niet. De staatssecretaris van Economische Zaken begint alvast met haar reactie op de moties die voor haar zijn ingediend. Het interruptieregime is: u kunt een verduidelijkende vraag, één verduidelijkende vraag, stellen bij de motie die u zelf hebt ingediend. 

Staatssecretaris Dijksma:

Voorzitter. Allereerst ga ik in op de vraag van mevrouw Ouwehand. Ze vroeg op welke termijn wij een reactie kunnen geven op het door haar ingediende actieplan, inclusief de juridische voetnoten. Mijn voorstel is om dat voor 1 maart te doen. Dat is een reële termijn om er goed naar te kijken. 

De heer Smaling noemde zijn motie op stuk nr. 283 een kerstmotie. Dan ben ik genegen om daar ook een kerstoordeel over te geven: oordeel Kamer. Misschien verschillen we van mening over hoe groot het gat precies is tussen kennis en toepassing en de uitvoering daarvan in de praktijk. Het is echter zeker mogelijk om dat in kaart te brengen. Ik ben bereid om dat te doen. 

De motie van de heer Geurts op stuk nr. 284 moet ik helaas ontraden. De wederzijdse erkenning van toelatingen is staand beleid en conform EU-regelgeving moeten toelatingen nationaal worden beoordeeld. Dat kan niet zomaar in een eenvoudige administratieve procedure. 

Hoe graag ik het ook anders zou willen, ook de motie van de heer Geurts op stuk nr. 286 moet ik ontraden. De toelating van middelen geschiedt op basis van EU-regelgeving. Dat is een vastgelegde systematiek. Daarvan kan niet worden afgeweken. 

Dit was mijn bijdrage. 

De heer Geurts (CDA):

Ik mag maar één vraag stellen, dus laat ik dan maar de motie op stuk nr. 286 pakken. Ik vind het wel bijzonder als je op voedingsmiddelen wel een middel mag toepassen maar niet in de sierteelt. Dat bedoel ik met "grofmazig". Kijk daar ook goed naar. Om een voorbeeldje te noemen: op bloemkool mag wel iets, maar datzelfde middel mag niet in de sierteelt worden toegepast. Als je potplant A hebt, mag het middel wel maar bij potplant B mag het middel niet. Dat bedoel ik met "grofmazig". Daar moet gewoon naar worden gekeken. 

Staatssecretaris Dijksma:

Ik wil op zichzelf best een keer bekijken of we er meer logica in zouden kunnen brengen, ook in de discussie op Europees niveau. Dat is echter iets anders dan nu te werken aan een ander systeem. Dat kan ik u niet zomaar beloven. Ik kan u wel toezeggen, ook dat in het kader van de kerst, dat ik de Kamer zal berichten hoe het precies zit, waarom die verschillen er zijn en of daar eventueel wel, of niet, iets aan te doen is. Daarover krijgt de Kamer dan in het voorjaar een brief van mij. 

De voorzitter:

Mijnheer Geurts, wilt u uw motie aanhouden? 

De heer Geurts (CDA):

Precies. Gelet op dit antwoord wil ik mijn motie op stuk nr. 286 aanhouden, in afwachting van het antwoord. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Geurts stel ik voor, zijn motie (27858, nr. 286) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Mansveld:

Voorzitter. Er ligt nog een aantal aan mij gerichte moties. De motie op stuk nr. 281 zie ik als een overbodige motie. Mevrouw Lodders vraagt een jaar uitstel. Buitengebruik blijft mogelijk vanaf 2015, want er is voor iedereen een overgangsperiode tot 2017 om aan de voorwaarden te voldoen. Mevrouw Lodders kent die voorwaarden. Ik heb die ook in de brief gezet. Daarom ontraad ik deze motie. 

De motie op stuk nr. 282 gaat over de implementatie van het IPM-protocol. Het Ctgb heeft aangegeven dat buitengebruik vanaf januari 2017 mogelijk is onder voorwaarden: men heeft dan een extra opleiding gevolgd en hiervoor een certificaat behaald. Van januari 2015 tot 2017 is het mogelijk het middel te gebruiken mits men zich aanmeldt bij de ILT. Overigens is ook dan al gewenst dat de middelen in het uiterste geval worden ingezet. Er zijn dus kosten. Die gelden ook voor de plaagdierbestrijders. Hoe hoog die kosten zijn, is echter niet aan te geven. De opleiding moet ook nog worden ontwikkeld. Ik zal in ieder geval in gesprek gaan met het Ctgb, LTO en de ILT om te bekijken hoe met voldoende kwaliteit — dat vind ik namelijk belangrijk — de opleiding zo efficiënt en kosteneffectief mogelijk kan worden ingericht. Ik ontraad de motie. 

Mevrouw Lodders (VVD):

Toen ik de motie indiende heb ik het woordje "niet" toegevoegd. De strekking van de motie is helder. De VVD-fractie bedoelt: de administratieve lasten en de nalevingskosten moeten niet vergroot worden. Ik handhaaf de motie. Ik wil wel aan de staatssecretaris vragen om zo snel mogelijk het overzicht van de nalevingskosten naar de Kamer te sturen. 

Staatssecretaris Mansveld:

Ik zal het gesprek aangaan en u laten weten wat de uitkomst daarvan is. Ik zal u laten weten welke inschatting van de nalevingskosten er te maken is. Ik vind nalevingskosten overigens iets anders dan administratieve lasten. Dat heb ik ook in de brief toegelicht. 

De motie-Geurts op stuk nr. 285 zie ik als ondersteuning van beleid. Ik zal de conceptwijziging van het activiteitenbesluit in het voorjaar aan de Kamer sturen en in de Nota van toelichting zal ik de criteria voor het verbod uiteenzetten. 

Dan heb ik nog de motie-Jacobi op stuk nr. 288. Ik ben van mening dat met het gebruik van rodenticiden zeer terughoudend omgegaan moet worden, gezien de grote milieurisico's. Daarom is het noodzakelijk dat we door preventie voorkomen dat plaagdieren overlast veroorzaken. Dat is zeker nu relevant in het licht van bijvoorbeeld de vogelgriep. De nieuwe eisen die het Ctgb stelt, zijn heel duidelijk: eerst preventie, dan niet-chemische methoden, zoals vallen, en pas in uiterste nood gif gebruiken. Het laatste deel van de motie wordt dus reeds opgepakt. Ik ben bereid om in 2015 met een planmatige en samenhangende aanpak te komen. Ik vat deze motie dus op als ondersteuning van beleid en laat het oordeel erover aan de Kamer. 

De motie-Jacobi op stuk nr. 289 gaat ook over de laagrisicomiddelen. Om het kort te houden: ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer. 

Staatssecretaris Dijksma:

Voorzitter, … 

De voorzitter:

Er is nog één motie niet geapprecieerd. Dat is de motie op stuk nr. 287. Hiervoor geef ik het woord aan de staatssecretaris van Economische Zaken. 

Staatssecretaris Dijksma:

Excuses, ik was vergeten om daar een oordeel over aan te bieden. Dat is heel onterecht. Ik laat het oordeel hierover aan de Kamer. Het betreft een toezegging die in het debat al gedaan is. Het lijkt me prima als de Kamer dat via een motie ondersteunt. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Hedenavond zal er gestemd worden over de ingediende moties.