36 Preventiebeleid

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 30 mei 2013 over preventiebeleid.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Voorzitter. Mijn fractie houdt nog wat zorgen over de invulling van het Nationaal Programma Preventie. Mijn CDA-collega Bruins Slot zal straks moties inbrengen om te komen tot een structurele financiering en tot inventarisatie van regelgeving. Onder die moties staat ook mijn naam. Ik dien zelf de volgende moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een beperkte zoutreductie van 3% in 2011 laat zien dat er onvoldoende voortgang wordt gemaakt in het terugdringen van de overmatige en ongezonde zoutconsumptie in Nederland;

verzoekt de regering, met supermarkten en sectoren op het gebied van in ieder geval soepen, chips, sauzen, bakkerswaren en kant-en-klaarmaaltijden om tafel te gaan zitten voor het maken van sectorbrede afspraken over zoutreductie;

verzoekt de regering voorts, doelen voor zoutreductie te formuleren waarop wetgeving volgt als die doelen niet gerealiseerd worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pia Dijkstra, Dik-Faber en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op verzoek van de Kamer een Nationaal Programma Preventie tot stand komt;

overwegende dat voor een succesvolle uitrol van dit programma een enthousiast boegbeeld gewenst is, zoals bij de Aanpak Jeugdwerkloosheid;

verzoekt de regering, na uitwerking van het Nationaal Programma Preventie een Ambassadeur Preventie aan te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pia Dijkstra en Bruins Slot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor een succesvol Nationaal Programma Preventie een stip op de horizon noodzakelijk is, maar dat een langetermijnvisie tot 2025 ontbreekt;

verzoekt de regering, in overleg met veldpartijen een visie te formuleren met afrekenbare gezondheidsdoelen en een nulmeting op ten minste de terreinen hart- en vaatziekten, diabetes, overgewicht, roken, drinken, depressie en bewegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pia Dijkstra en Bruins Slot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (32793).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik heb vier moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Taskforce Sport en Bewegen pleit voor een loket waar men met vragen terechtkan om belemmeringen die de sportsector ervaart weg te nemen;

constaterende dat groene speelpleinen en speelnatuur uitnodigen om te bewegen en zo helpen om kinderen in beweging te krijgen en te houden;

verzoekt de regering, binnen dit informatieloket over sport en bewegen ook relevante informatie en goede voorbeelden rond speelnatuur en groene schoolpleinen op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het percentage kinderen met overgewicht in Nederland toeneemt en een groot deel van de kinderen een gebrek aan lichaamsbeweging heeft;

overwegende dat groene schoolpleinen een gunstig effect hebben op het welzijn, het concentratievermogen en het beweeggedrag van kinderen;

constaterende dat de regering ieder kind in Nederland beweegvriendelijke en groene schoolpleinen gunt;

verzoekt de regering, beleid te ontwikkelen gericht op 100% groene schoolpleinen in 2020,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende het belang van groene schoolpleinen en speelnatuur voor de gezondheid van kinderen;

verzoekt de regering, in de begroting voor 2014 ambitieuze, concrete en afrekenbare doelen op te nemen over het percentage scholen dat een groen schoolplein heeft en/of het percentage speelnatuur in de woonomgeving van kinderen, en hiervoor voldoende middelen vrij te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Verenigde Naties een groennorm aanbevelen van 48 m2 per inwoner, omdat dit het welzijn van mensen bevordert;

constaterende dat deze groennorm in veel gemeenten nog niet behaald wordt;

verzoekt de regering, in kaart te brengen in welke gemeenten de aanbevolen groennorm van de Verenigde Naties niet gehaald wordt en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren;

verzoekt de regering tevens, bij de begroting voor 2014 duidelijk te maken welke impuls zal worden gegeven aan de vergroening van steden en dorpen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78 (32793).

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Voorzitter. Het CDA complimenteert de beide bewindspersonen dat zij op een voortvarende manier het voorstel van D66 en CDA voor een nationaal preventieprogramma willen uitwerken. Het is tijd dat wij wat betreft de volksgezondheid meer gaan denken in termen van gezondheid en gedrag dan in termen van ziekte en zorg. Dan mijn moties, die voor zichzelf spreken.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Nationaal Programma Preventie (NPP) op dit moment over onvoldoende middelen beschikt voor een succesvolle uitrol;

verzoekt de regering, ten bate van het NPP op basis van publiek-private samenwerking een preventiefonds op te richten waaruit initiatieven tot structurele borging van preventie kunnen worden gefinancierd en daarbij startgeld in te leggen, te beginnen met het inzetten van de structurele meevaller van 18 miljoen euro die is vrijgevallen als gevolg van de gelijkstelling van de gemiddelde honorariumomzet van kaakchirurgen aan die van medisch specialisten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Pia Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79 (32793).

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De tweede motie ziet op het zodanig aanpassen van de regelgeving dat die uitdaagt tot een gezonde leefomgeving en gezond bewegen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat regelgeving een belangrijke bijdrage kan leveren tot het aanzetten tot gezond gedrag, zoals regelgeving met betrekking tot de leefomgeving en het Bouwbesluit;

overwegende dat het niet per definitie om meer regelgeving gaat, maar om regelgeving die stimulans geeft om gezond gedrag te bevorderen;

verzoekt de regering, een inventarisatie van regelgeving te maken die primaire preventie kan bevorderen en in het Nationaal Programma Preventie een voorstel tot wijziging van regelgeving te doen die het streven van primaire preventie ondersteunt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Pia Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 80 (32793).

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Mijn laatste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat afspraken over reclames voor kinderen tussen 7 en 12 jaar massaal genegeerd worden;

overwegende dat kinderen in die leeftijdscategorie erg beïnvloedbaar voor kidsmarketing zijn;

overwegende dat dergelijke guerrillamarketing het gezag van ouders ondermijnt;

verzoekt de regering, in overleg te gaan met de branchevereniging en het bedrijfsleven om bindende afspraken te maken over kidsmarketing tussen 7 en 12 jaar op televisie, internet en sociale media en bij onvoldoende voortgang tot regelgeving over te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bruins Slot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 81 (32793).

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dien drie moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor een goede behandelrelatie van belang is dat de zorgverlener en patiënt elkaar goed kunnen begrijpen;

overwegende dat in sommige complexe medische situaties het taalniveau van de patiënt onvoldoende toereikend is om ervoor te zorgen dat de zorgverlener en de patiënt elkaar kunnen begrijpen;

overwegende dat de privacy van een patiënt in de weg kan staan aan het gebruik van niet-professionele tolken, zoals een ouder, kind, familielid of vriend, en dat een professionele tolk is aangewezen;

verzoekt de regering, te onderzoeken welk kostenbeslag een financiële regeling voor de vergoeding van de inzet van tolken zal hebben voor uitsluitend die situaties waarin:

  • - de patiënt onvoldoende Nederlands spreekt;

  • - de aard van de zorgvraag een professionele tolk vereist;

  • - de patiënt aantoonbaar geen professionele tolk kan betalen;

verzoekt de regering tevens, de Kamer hierover bij de begroting voor 2014 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 82 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een groene leefomgeving positieve effecten heeft op de gezondheid, de arbeidsproductiviteit en het ziekteverzuim;

overwegende dat uit het rapport Groen, gezond en productief van KPMG duidelijk wordt dat 10% meer groen in de leefomgeving een kostenbesparing van bijna 400 miljoen euro kan opleveren;

van mening dat de conclusies en aanbevelingen van het rapport een belangrijke rol moeten spelen in de uitwerking van het preventiebeleid;

verzoekt de regering, een integrale reactie te geven op de conclusies en aanbevelingen van het rapport, en het inzicht dat is verkregen op basis van het KPMG-rapport te benutten door dit mee te nemen in de uitwerking van het Nationaal Programma Preventie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 83 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een groene leefomgeving positieve effecten heeft op de gezondheid, de arbeidsproductiviteit en het ziekteverzuim en dat deze positieve effecten het grootst zijn voor vrouwen, ouderen en laagopgeleiden;

constaterende dat er vooral in stedelijke gebieden weinig groen in de leefomgeving is;

verzoekt de regering, in overleg met gemeenten en provincies een norm te ontwikkelen voor de hoeveelheid groen in stedelijke gebieden, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 84 (32793).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil allereerst de staatssecretaris bedanken voor de toezeggingen die hij heeft gedaan voor het vergroten van het aantal JOGG-gemeenten. De stip op de horizon is 408 JOGG-gemeenten. Dat zou fantastisch zijn. Ik wil hem ook bedanken voor zijn toezeggingen over de strijd tegen gehoorschade bij jongeren.

Ik dien ook drie moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Schijf van Vijf een belangrijk middel is om goede voorlichting te geven over gezond eten;

constaterende dat de Schijf van Vijf niet is toegespitst op specifieke doelgroepen, zoals vegetariërs en mensen met niet-westerse eetpatronen;

overwegende dat een actualisatie van de Schijf van Vijf past binnen de doelstellingen van dit kabinet om de voedselconsumptie te verduurzamen;

verzoekt de regering, in overleg te gaan met de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum met als doel voor 1 januari 2015 een nieuwe Schijf van Vijf te ontwikkelen;

verzoekt de regering tevens, het verduurzamen van de voedselconsumptie en het bereiken van specifieke doelgroepen als doelen mee te nemen bij de ontwikkeling van de nieuwe Schijf van Vijf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 85 (32793).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat niet bekend is dat het overmatig consumeren van energiedrankjes schadelijk is voor de gezondheid;

van mening dat meer bewustwording op dit gebied wenselijk is;

verzoekt de regering, in het Nationaal Programma Preventie op te nemen hoe de verkoop van energiedrankjes aan kinderen ontmoedigd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 86 (32793).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dan kom ik op mijn derde en laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland ongunstig scoort als het gaat om frequentie en duur van borstvoeding;

overwegende dat het geven van borstvoeding de gezondheid van de baby en de moeder ten goede komt, bijvoorbeeld als het gaat om allergieën, en daarmee een eenvoudige en effectieve manier van preventie vormt;

verzoekt de regering, de voordelen van het geven van borstvoeding mee te nemen bij het Nationaal Programma Preventie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 87 (32793).

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Voorzitter. De fractie van de Partij van de Arbeid kijkt terug op een goed overleg over de eerste schets van het Nationaal Programma Preventie. Het is goed om vroeg in de ontwikkeling betrokken te zijn. Je kunt immers aan de voorkant nog het beste meesturen.

Over de zoutreductie wil ik de minister daarom op dit moment in het proces meegeven dat de Partij van de Arbeid straks in de uitwerking wil kunnen herkennen dat de vrijblijvendheid eraf is. De PvdA wil dat de minister laat zien dat het haar menens is. Een platform stelt straks de norm vast, maar de minister zal in de uitwerking moeten laten zien dat zij bereid is om de stok achter de deur echt te gaan gebruiken. Daarom is er daarover van de fractie van de Partij van de Arbeid nu geen motie.

Tot slot heb ik een motie waarin ik expliciet de koppeling maak tussen de Wet publieke gezondheid en de sociaal-economische gezondheidverschillen. Die motie lees ik nu voor.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de GGD's een belangrijke lokale positie hebben in het tegengaan van sociaal-economische gezondheidsverschillen;

constaterende dat de staatssecretaris heeft toegezegd in het Nationaal Programma Preventie een hoofdstuk op te nemen over het tegengaan van sociaal-economische gezondheidsverschillen;

constaterende dat gemeenten volgens de Wet publieke gezondheid iedere vier jaar een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid moeten opstellen;

verzoekt de regering, in de uitwerking van het Nationaal Programma Preventie op te nemen op welke wijze het tegengaan van sociaal-economische gezondheidsverschillen en de Wet publieke gezondheid concreet en optimaal met elkaar verbonden kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wolbert. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 88 (32793).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik hoor mevrouw Wolbert aangeven dat zij op dit moment geen moties over de reductie van zout in voeding steunt, maar dat zij wel concrete stappen van het kabinet verwacht en die terug wil zien in de uitwerking van het preventieprogramma. Tegelijkertijd sprak zij over een stok achter de deur. Ik neem aan dat die stok achter de deur toch iets als wetgeving moet zijn, een normering vastgelegd in wetgeving. Hoe kijkt mevrouw Wolbert daarnaar?

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Ik snap die vraag heel goed, maar dat is precies de reden dat ik het laat bij de opmerking dat wij helemaal vooraan in het proces zitten. Ik heb het daarover uitvoerig gehad tijdens het algemeen overleg. De minister heeft gezegd dat zij een norm gaat laten vaststellen door het platform. Zij zei dat de vrijblijvendheid ervan af is. Ik wil nu graag zien hoe de minister dat gaat uitwerken. Ik geef haar vooraan in het proces mee dat voor de Partij van de Arbeid zichtbaar moet zijn dat de vrijblijvendheid eraf is. Hoe de minister dat gaat uitwerken, wacht ik graag af. Daarvoor zitten wij zo mooi vooraan in het proces.

De voorzitter:

Mevrouw Dik-Faber, wij gaan het algemeen overleg niet dunnetjes overdoen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dat was ik niet van plan. Ik heb alleen nog niet duidelijk gekregen wat nou precies de stok achter de deur is. Daarop krijg ik graag een reactie.

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Ik moet in herhaling vallen. Als ik in dit stadium had gevonden dat er een wet achter moet liggen, zou ik de motie die straks langsgaat, wel hebben gesteund. Ik zeg uitdrukkelijk dat de Partij van de Arbeid niet met een motie komt. De minister heeft uitgebreid toegezegd in het algemeen overleg dat zij daarop terug zal komen, het uit gaat werken en ons allemaal goed gehoord heeft. Dan moeten wij haar die ruimte bieden.

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ongeveer twintig jaar geleden heeft de SP een rapport het licht doen zien over de sociaal-economische gezondheidsverschillen in Nederland. Toen constateerden wij dat rijke mensen en mensen met een hoge opleiding gemiddeld vier jaar langer leefden en ruim twaalf jaar langer beschikten over een als goed ervaren gezondheid. Wat zijn de cijfers heden ten dage? Het verschil tussen rijk en arm in te verwachten levensjaren is zeven jaar geworden. Het verschil in als gezond ervaren levensjaren schommelt rond de twintig jaar. De sociaal-economische gezondheidsverschillen zijn de afgelopen twintig jaar groter geworden in plaats van kleiner. Het is toch heel erg raar dat die verschillen zijn gegroeid, terwijl de welvaart is toegenomen ten opzichte van 1990? Niet iedereen heeft daar in gelijke mate van geprofiteerd, zeker niet als het gaat om gezondheid. Juist in een preventieprogramma moet veel aandacht worden besteed aan dat element. Dat moet tot uitgangspunt van beleid worden gemaakt om de vergroting van die verschillen te verkleinen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat sociaal-economische gezondheidsverschillen eerder toenemen dan afnemen;

spreekt uit dat het verkleinen van sociaal-economische gezondheidsverschillen als uitgangspunt moet worden opgenomen in het Nationaal Programma Preventie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Gerven en Leijten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 89 (32793).

Het woord is aan de minister.

Minister Schippers:

Voorzitter, we hebben nog niet alle moties.

De voorzitter:

Dat weet ik. Die zullen zo worden overhandigd.

Minister Schippers:

Voorzitter. Ik kom meteen te spreken over de moties. Ik vond het overigens ook een heel prettig en constructief debat, omdat we aan het begin van het proces proberen om gezamenlijk iets op te bouwen.

In de motie-Dijkstra c.s. op stuk nr. 72 wordt de regering verzocht, met supermarkten en een aantal sectoren brede afspraken te maken en doelen te formuleren. Dat heb ik toegezegd in het debat. Deze motie is dus feitelijk overbodig.

De voorzitter:

Mevrouw Dijkstra, graag een korte reactie.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Ik zal het heel kort houden. In die motie heb ik ook gevraagd om wetgeving als die doelen niet gerealiseerd worden. Die harde toezegging heb ik niet gehoord tijdens het AO.

Minister Schippers:

Dat zeg ik eigenlijk al een tijdje. Als er niet wordt geleverd, rest ons niets anders. Daar is het gewoon te belangrijk voor. Mensen moeten een normaal voedingspatroon kunnen hebben, zonder te veel zout binnen te krijgen. Ik heb dat al eerder aangegeven. Ik heb dit toegezegd. Mevrouw Dijkstra kan de motie natuurlijk aanhouden. Zij kan die motie te zijner tijd in stemming brengen als zij vindt dat ik het niet goed doe. Maar het is wel precies de toezegging die ik in het debat heb gedaan.

De staatssecretaris zal de motie-Dijkstra/Bruins Slot op stuk nr. 73 behandelen.

In de motie-Dijkstra/Bruins Slot op stuk nr. 74 wordt de regering verzocht, in overleg met veldpartijen een visie te formuleren met afrekenbare gezondheidsdoelen en een nulmeting op bepaalde terreinen. Het gaat hierbij om de terreinen die in de preventienota vastgesteld zijn, zoals hart- en vaatziekten. Dit betreft eigenlijk ook een toezegging die we hebben gedaan in het debat, namelijk om een visie te formuleren over de langere termijn. Wij gaan het gewoon doen, dus mevrouw Dijkstra en mevrouw Bruins Slot zouden deze motie kunnen aanhouden en later in stemming kunnen brengen als zij niet tevreden zijn met onze prestaties op dit punt.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Het spijt me, voorzitter, maar ik wil er toch nog iets aan toevoegen. We hebben het over een nulmeting op een aantal terreinen. De minister heeft inderdaad gezegd: we komen met een visie. We preciseren het in deze motie echter. Wil de minister daarop nog een reactie geven?

Minister Schippers:

In het debat hebben we aangegeven dat we zullen komen met doelstellingen, zodat we ook kunnen bekijken in hoeverre we die doelstellingen gerealiseerd hebben. Dat is net iets anders dan een nulmeting. Dat ben ik met mevrouw Dijkstra eens. Wíj hebben de doelstellingen toegezegd.

De voorzitter:

Wat is het advies over de motie?

Minister Schippers:

Ik zeg het toe.

In de motie op stuk nr. 75 wordt de regering verzocht om binnen het informatieloket over sport en bewegen ook relevante informatie en goede voorbeelden rond speelnatuur en groene schoolpleinen op te nemen. Het is in lijn met staand beleid dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Eerlijk gezegd vind ik dit een overbodige motie.

Ik ga naar de motie op stuk nr. 79. De staatssecretaris zal de tussenliggende moties doen. In de motie wordt verzocht om een preventiefonds op te richten op basis van publiek-private samenwerking en daarvoor startgeld ten bedrage van 18 miljoen in te leggen. Deze motie is ongedekt en daarom ontraad ik haar.

De voorzitter:

Mevrouw Bruins Slot, kort graag.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik beperk me tot een feitelijkheid, voor de Handelingen. We hebben deze constructie van CDA en D66 voorgelegd aan onze financieel woordvoerders, van wie er één ooit hoofd Begrotingsbeleid van Financiën was. Zij hebben aangegeven dat deze constructie in ieder geval past binnen de geldende begrotingsregels. Dat wilde ik er nog wel even bij opmerken.

Minister Schippers:

Dat betekent wel dat we bij de overschrijdingen, die we ook moeten compenseren, 18 miljoen euro tekortkomen. Sterker nog, we moeten altijd oppassen dat we bij VWS niet veel meer tekortkomen. Maar er zijn meevallers en er zijn tegenvallers. Dat moet wel tegen elkaar worden weggestreept.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Het gaat hier om een structurele meevaller per 2015. Ik ben verrast om te horen dat de minister al structurele tegenvallers heeft in 2015. We werken er in de Kamer hard aan om de begroting van VWS controleerbaar en houdbaar te houden. Dat delen we. Het is dus teleurstellend om te merken dat de minister nu al uitgaat van tegenvallers.

Minister Schippers:

We zijn in de afgelopen twintig jaar door schade en schande wijs geworden in de zorg. Het is altijd zeer bijzonder als we geld overhouden. Ik ben dus inderdaad heel zuinig. Als we ergens geld aan uitgeven, dan moeten we het ook dekken met iets wat hard is. Anders loopt het in de zorg helemaal uit de hand.

In de motie op stuk nr. 82 van mevrouw Voortman wordt de regering verzocht om te onderzoeken welk kostenbeslag een financiële regeling voor de vergoeding van de inzet van tolken zal hebben voor uitsluitend die situaties waarin de patiënt onvoldoende Nederlands spreekt, de aard van de zorgvraag een professionele tolk vereist en de patiënt aantoonbaar geen professionele tolk kan betalen. Het bedrag voor de tolken bedroeg 17 miljoen euro. Dat weet de Kamer. Ik moet wel een nadere uitwerking van de motie hebben, wil ik er een oordeel over kunnen hebben. Ik laat het oordeel aan de Kamer, maar ik vind dat de Kamer preciezer moet aangeven wat ik dan moet onderzoeken. Dit zijn heel algemene en veel nog nader in te vullen dingen. Ik vind het echter positief als de Kamer mij vraagt: kunt u ons een rekening geven als ik deze wensen heb? De Kamer zegt namelijk niet: ik dien een ongedekte motie in. Ik zou het kunnen uitrekenen, maar dan vraag ik wel om er even met elkaar naar te kijken.

De voorzitter:

Mevrouw Voortman, een korte toelichting.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De minister verzoekt om het nader toe te lichten. Ik kan haar op mijn beurt toezeggen dat ik dat zal doen.

Minister Schippers:

Dan laat ik het oordeel aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 85 wordt de regering verzocht om het verduurzamen van de voedselconsumptie en het bereiken van specifieke doelgroepen als doelen mee te nemen bij de ontwikkeling van de nieuwe Schijf van Vijf. We hebben het in het debat ook hierover gehad. Ik heb een evaluatie gevraagd aan de Gezondheidsraad. Die is in 2015 gereed. Pas als die gereed is, past het Voedingscentrum de Schijf van Vijf eventueel aan, als daartoe aanleiding bestaat. Als de Kamer nieuwe verzoeken heeft, dan komen die mee in een volgende evaluatie. Het wordt namelijk met een cyclus van twee jaar geëvalueerd. Nu loopt er een evaluatie die in 2015 haar vruchten zal afwerpen. Het lijkt me niet handig om dat te doorkruisen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De ChristenUnie vindt 2015 rijkelijk laat. De evaluatie loopt, maar als het Voedingscentrum pas in 2015 aan de slag gaat met het toepassen van de conclusies, dan wordt het misschien eind 2015, begin 2016 voordat wij een nieuwe voedingschijf hebben, terwijl het zo'n adequaat instrument is om de samenleving te informeren over gezonde voeding. Uit de motie spreekt meer urgentie. Wij zouden graag zien dat Gezondheidsraad en Voedingscentrum samen optrekken, zodat wij al voor 2015 een nieuwe Schijf van Vijf hebben.

Minister Schippers:

Ik ontraad de motie. Wij vragen de Gezondheidsraad periodiek naar deze evaluatie. Die gebeurt grondig. Ik ga daar dan niet halverwege zo'n proces doorheen vliegen met ad-hocverzoeken. Dat lijkt mij echt onverstandig.

Ik kom op de motie op stuk nr. 87. Daarin wordt de regering verzocht om de voordelen van borstvoeding mee te nemen in het Nationaal Programma Preventie. De informatie wordt door het Voedingscentrum beschikbaar gesteld en verspreid. Vrouwen die zwanger zijn, worden heel goed geïnformeerd over het belang van borstvoeding. Ik vind dus dat momenteel al voldaan wordt aan het verzoek van de motie. Daarmee vind ik de motie dus overbodig.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik zou graag van de minister willen weten wat haar bezwaar is tegen opneming in het Nationaal Programma Preventie.

Minister Schippers:

Ik vind het belangrijk dat wij in dat programma dingen doen waarvan wij zeggen: als wij er een rode draad doorheen doen, hebben wij in plaats van een druppel een golf. Dan krijgen wij een zichzelf versterkend proces. De dingen lopen heel erg goed. Er is heel veel aandacht voor de belangrijke voordelen van borstvoeding, aandacht waarom ook door de fractie van de ChristenUnie in het verleden is gevraagd. Het loopt heel erg goed; er wordt heel veel aandacht aan besteed. Ik spreek uit ervaring. Als je zwanger bent, krijg je echt een lesje over hoe belangrijk het is en wat je kind mist als je het niet doet. Als dat al zo geaard is in ons systeem, dan moeten wij ons focussen op de dingen die niet goed gaan en die versterking behoeven.

De voorzitter:

Dat was uw laatste interruptie, mevrouw Dik-Faber, maar ik zie dat u …

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb nog een heel korte opmerking. De minister heeft ongetwijfeld gezien dat Nederland laag scoort in internationale lijstjes over borstvoeding. Volgens mij is er dus nog wel een slag te maken.

Minister Schippers:

Uiteindelijk is het de vrouw die beslist. Wij kunnen er slechts goede voorlichting over geven en aandacht voor vragen en uitleggen wat het belang is. Dat is onze taak.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik begin met de motie van mevrouw Dijkstra en mevrouw Bruins Slot op stuk nr. 73, waarin gevraagd wordt om de aanstelling van een preventie-ambassadeur. Ik heb daar twee problemen mee. Wij spreken over heel veel verschillende doelgroepen, dus het is de vraag of één ambassadeur daar wel het juiste antwoord op is. Bovendien heb ik een sterke voorkeur om eerst met elkaar te bepalen welk beleid wij gaan voeren en pas dan te bekijken op welke manier wij de implementatie verder kunnen helpen. Ik zou het mij kunnen voorstellen dat de motie wordt aangehouden totdat wij het Nationaal Programma Preventie hebben. In dit stadium ontraad ik de motie.

Ik kom op de motie op stuk nr. 76 over groene schoolpleinen, die ik in samenhang wil bezien met de motie op stuk nr. 77. In het Nationaal Programma Preventie zullen wij toewerken naar ambitieuze en meetbare doelstellingen, inclusief nulmeting. Nu wordt er één element uitgehaald, namelijk 100% groene schoolpleinen in 2020, terwijl wij nog met elkaar moeten praten over de inhoud van de doelstellingen. Ik wil de motie op stuk nr. 76 ontraden. Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 77, waarin gevraagd wordt om al in de begroting voor 2014 ambitieuze doelstellingen op te nemen. Ik hecht eraan om eerst de doelstellingen te formuleren en daarna over het Nationaal Programma Preventie te spreken. Op basis daarvan kunnen wij bekijken hoe wij de doelen kunnen bereiken. Laten wij eerst het huidige plan voor de schoolpleinen tot uitvoering brengen. Ik ontraad de motie.

Dan de motie op stuk nr. 78, waarin de regering wordt gevraagd om bij de begroting voor 2014 duidelijk te maken welke impuls zal worden gegeven aan de vergroening van steden en dorpen. Ik zou die motie in dit stadium willen ontraden in het spoor van de besprekingen die wij over het Nationaal Programma Preventie zullen hebben. Ik heb al toegezegd en wil dat bij dezen herhalen, dat ik hierover in overleg met EZ zal treden. Overigens is dit natuurlijk ook een belangrijke taak voor de gemeenten. Vooruitlopend op het Nationaal Programma Preventie zou ik de motie willen ontraden.

Dan kom ik op de motie van mevrouw Bruins Slot en mevrouw Dijkstra over de inventarisatie van regelgeving die primaire preventie kan bevorderen. Wat betreft de algemene stelling dat we een inventarisatie van regelgeving gaan maken die primaire preventie kan bevorderen, zou ik zeggen: hebt u nog een paar jaar? Want dan is er nog wel wat rijksregelgeving en lokale regeling nodig. Dus dat is, lijkt mij, ondoenlijk. Wel heb ik in het debat toegezegd om in overleg met andere departementen te kijken naar de mogelijkheid om daar waar regelgeving preventie kan bevorderen en stimuleren, dat ook in het Nationaal Programma Preventie op te nemen. Dus ik zou mij kunnen voorstellen dat met deze toezegging de motie overbodig zou kunnen zijn.

De motie op stuk nr. 81 verzoekt mij om in overleg te treden met de branchevereniging om kidsmarketing tegen te gaan. Volgens mij heb ik in het debat gezegd dat ik al afspraken aan het maken ben met de branchevereniging. We hebben er ook al over van gedachten gewisseld in termen van een "laatste waarschuwing". Ik heb op dat punt de toezegging gedaan dat het overleg met de branche tot het beoogde resultaat moet leiden en dat we anders tot regelgeving zullen overgaan.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

De toezegging wordt nu helemaal helder. In het algemeen overleg bleef het bij mij nog een beetje boven de markt hangen of de staatssecretaris nu echt een stap vooruit ging zetten of dat hij een surplace maakte met betrekking tot de eerdere initiatieven die zijn genomen, Wanneer verwacht hij aan de Kamer te kunnen rapporteren wat uit die overleggen komt?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kijk nu even een beetje in de lucht. Ik hoor mijn gedachten "dit najaar" zeggen. Dus ik stel voor dat we dat in het najaar doen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Dan houd ik mijn motie aan en dan hoop ik dat er voor de begrotingsbehandeling een brief ligt.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Bruins Slot stel ik voor, haar motie (32793, nr. 81) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Dan kom ik te spreken over de motie over het KPMG-onderzoek. Eigenlijk heb ik op dat punt al een toezegging gedaan. Ik heb nog wel een kanttekening bij de formulering in de motie dat de conclusies en aanbevelingen van het rapport een belangrijke rol moeten spelen in de uitwerking van het preventiebeleid. Er zijn meerdere rapporten die een belangrijke rol moeten spelen in het preventiebeleid. Ik heb al toegezegd dat ik de conclusies en aanbevelingen van het KPMG-rapport zal meenemen in de uitwerking van het Nationaal Programma Preventie. Dus gelet op mijn toezegging zou ik deze motie als overbodig willen bestempelen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De staatssecretaris zegt nu dat hij heeft toegezegd dat hij deze conclusies en aanbevelingen zal meenemen. Dan vat ik dat zodanig op dat hij er dus een reactie op zal geven in het Nationaal Programma Preventie. Bij dezen trek ik de motie in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Voortman (32793, nr. 83) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kan die toezegging inderdaad bevestigen.

Dan kom ik op de motie van mevrouw Voortman op stuk nr. 84, waarin de regering wordt verzocht, in overleg met gemeenten en provincies een norm te ontwikkelen voor de hoeveelheid groen in stedelijke gebieden, en de Kamer hierover te informeren. Ik heb al gezegd dat met name de vergroening van steden een belangrijk element zou kunnen zijn in het wat breder kijken naar de preventie, dat we er ook aandacht aan zullen geven in het Nationaal Programma Preventie en dat ik graag met gemeenten en provincies daarover nader overleg zal voeren. Ik weet echter niet zeker of we nu al moeten zeggen dat we er een norm voor gaan ontwikkelen. Laten we dat nou even bekijken bij de ontwikkeling van het Nationaal Programma Preventie. Ik zou mij kunnen voorstellen dat mevrouw Voortman dat even afwacht en dat zij haar motie op dat punt aanhoudt. Ik zie dat ze daar nog over gaat nadenken.

De motie van mevrouw Dik-Faber op stuk nr. 86 heeft betrekking op de energiedrankjes. Het Voedingscentrum geeft nu al informatie over energiedrankjes. Mevrouw Dik-Faber zegt zelf in haar motie dat niet bekend is dat het overmatig consumeren van energiedrankjes schadelijk is voor de gezondheid. Ik vind het dan ook wat voorbarig om nu te regelen dat dit ontmoedigd moet worden. Ik stel voor dat we met elkaar kijken of de informatie die het Voedingscentrum over de energiedrankjes geeft, adequaat is. De motie zou ik dan ook willen ontraden met de toezegging dat ik met het Voedingscentrum ga kijken of we nu al goede informatie geven.

In de motie-Wolbert op stuk nr. 88 worden eigenlijk twee dingen gevraagd. Hoe gaan we in het nationale preventieplan het tegengaan van sociaaleconomische gezondheidsverschillen opnemen? Hoe ga je dat combineren met de Wet publieke gezondheidszorg? Ik heb al een toezegging gedaan over het doorlichten van de Wet publieke gezondheidszorg. Ik zou het te vroeg vinden om in de Wet publieke gezondheidszorg normen en risicogroepen op te nemen waarmee de gemeenten al rekening moeten houden. Ik heb twee toezeggingen gedaan. We gaan kijken hoe die sociaaleconomische gezondheidsverschillen kunnen worden tegengegaan en ik ga kijken of die Wet publieke gezondheidszorg niet verder opgepoetst moet worden en hoe we de verbinding tussen die twee kunnen leggen. Die toezegging herhaal ik. Als mevrouw Wolbert dat bedoelt, denk ik dat ik dat heb toegezegd. Ik vind het te vroeg om te zeggen dat dit betekent dat we in de Wet publieke gezondheidszorg nu al gemeenten bepaalde normen gaan opleggen.

Mevrouw Wolbert (PvdA):

In die motie staat dat ik constateer dat de staatssecretaris een hoofdstuk gaat wijden aan het tegengaan van sociaaleconomische gezondheidsverschillen, dat klopt, maar de motie vraagt om te onderzoeken hoe het tegengaan van sociaaleconomische gezondheidsverschillen kan worden gekoppeld aan de Wet publieke gezondheidszorg, zodat deze optimaal en concreet met elkaar verbonden kunnen worden. Dat is wat ik vraag.

Staatssecretaris Van Rijn:

Zonder dat we nu al vastleggen wat er in die wet komt te staan?

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Nee, dat vraagt de motie niet.

Staatssecretaris Van Rijn:

Als dat de interpretatie is, laat ik het oordeel aan de Kamer.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 89, die uitspreekt dat het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen uitgangspunt zou moeten zijn van het nationale preventieplan. Volgens mij heb ik letterlijk gezegd dat dit een van de uitgangspunten is. Dat hebben we met zoveel woorden opgenomen in de agenda voor het Nationaal Programma Preventie. Ik heb het reeds toegezegd, maar ik wil het bij dezen nog even herhalen. Om die reden vind ik de motie overbodig.

De voorzitter:

Dat is de motie-Van Gerven/Leijten op stuk nr. 89. De heer Van Gerven heeft zich verontschuldigd, want hij moest naar een algemeen overleg.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Als u mij toestaat, wil ik even terugkomen op de motie op stuk nr. 86, want volgens mij is er sprake van een misverstand. Er staat inderdaad: constaterende dat niet bekend is dat het overmatig consumeren van energiedrankjes schadelijk is voor de gezondheid. Daarmee heb ik niet willen wijzen op onderzoek door wetenschappers, maar willen aangeven dat energiedrankjes wel degelijk schadelijk zijn voor de volksgezondheid, maar dat men zich daar in de samenleving onvoldoende van bewust is. Ik zal de motie in die zin ook aanpassen. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris of hij na deze uitleg wil overwegen om de vermindering van het gebruik van energiedrankjes op te nemen in het preventieprogramma.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik zeg toe dat ik in overleg met het Voedingscentrum zal bekijken hoe het zit met de schadelijkheid van energiedrankjes en de voorlichting daarover. Obesitas is een van de onderwerpen in het nationale preventieplan. Dan kan ik toezeggen dat ik ook aan dit onderwerp aandacht zal besteden. Misschien kan de motie na deze toezegging worden ingetrokken, ik doe maar een suggestie.

De voorzitter:

Het is aan mevrouw Dik-Faber om de motie in te trekken, aan te houden of in stemming te brengen. Dat horen we voor dinsdag, denk ik.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van dit VAO. Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd.

De vergadering wordt van 18.46 uur tot 19.45 uur geschorst.

Voorzitter: Van Miltenburg

Naar boven