Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33400-XVI nr. 2

Gepubliceerd op 20 september 2012



33 400 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2013

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

Pagina

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

1.1

Beleidsagenda 2013

13

1.2

Beleidsartikelen

33

 

Artikel 1 Volksgezondheid

33

 

Artikel 2 Curatieve zorg

47

 

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg

58

 

Artikel 4 Zorgbreed beleid

69

 

Artikel 5 Jeugd

80

 

Artikel 6 Sport en bewegen

99

 

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II

96

 

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

102

1.3

Niet-beleidsartikelen

107

 

Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

107

 

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

111

 

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

118

1.4

Begroting baten-lastendiensten

120

 

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

120

 

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

125

 

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

129

 

JeugdzorgPlus-instelling Almata Ossendrecht

133

 

JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst / Almata

136

     

2.

Financieel Beeld Zorg

140

     

3.

Bijlagen

222

3.1

ZBO’s en RWT’s

222

3.2

Verdiepingshoofdstuk Begroting

226

3.3

Moties en toezeggingen

237

3.4

Subsidieoverzicht

264

3.5

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

267

3.6

Lijst met afkortingen

269

3.7

Trefwoordenregister

274

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende diensten die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de JeugdzorgPlus-instellingen Almata Ossendrecht en De Lindenhorst / Almata.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastendiensten voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. I. Schippers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. Leeswijzer

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2013 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Beleidsagenda;

  • Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;

  • Begroting baten-lastendiensten;

  • Financieel Beeld Zorg;

  • Diverse bijlagen.

Wijzigingen ten opzichte van begroting vorig jaar (groeiparagraaf)

De VWS-begroting is ten opzichte van vorig jaar op een aantal punten gewijzigd.

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel budgettaire gevolgen van beleid. Door de nieuwe indeling kunnen in sommige tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2011 en 2012. Een aantal financiële gegevens over 2012 is wel opgenomen in de verdiepingsbijlage.

Tegelijkertijd met de invoering van Verantwoord Begroten is de indeling van de VWS-begroting gewijzigd. Zo zijn de beleidsartikelen over maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg samengevoegd tot artikel 3 en zijn er twee nieuwe beleidsartikelen geïntroduceerd. Het betreft artikel 4 Zorgbreed beleid en het artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten. Ook de nummering van de (niet-)beleidsartikelen is gewijzigd: 1 t/m 11 in plaats van 41 t/m 47 en 97 t/m 99.

Artikel 4 Zorgbreed beleid bevat onderwerpen die betrekking hebben op diverse beleidsterreinen van VWS, zoals arbeidsmarktbeleid, de beheerskosten van de zorgbrede ZBO’s en RWT’s, de instrumenten met betrekking tot het versterken van de positie van de cliënt, kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling en zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland.

Op het nieuwe artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten worden de Zorgtoeslag, Wtcg en de uitgaven in het kader van de fiscale regeling tegemoetkoming specifieke zorguitgaven verantwoord.

In artikel 10 zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement onderverdeeld naar eigen personeel, inhuur externen, uitgaven ICT en bijdrage SSO’s. Met ingang van de begroting 2014 zullen ook de apparaatsuitgaven van de inspecties, SCP en de adviesraden van VWS nader worden onderverdeeld.

Wijzigingen in de begrotingsstructuur

Omschrijving

Was 2011

Was 2012

Wordt 2013

Programma-uitgaven Volksgezondheid

Artikel 41

Artikel 41

Artikel 1 Volksgezondheid

Met uitzondering van de bijdragen aan ZonMw en de premiegefinancierde uitgaven.

CCMO

Artikel 98

Artikel 41

       

Programma-uitgaven Curatieve zorg

Artikel 42

Artikel 42

Artikel 2 Curatieve zorg.

Met uitzondering van de begrotingsuitgaven arbeidsmarktbeleid, positie van de cliënt, beheerskosten zorgbrede ZBO’s/RWT’s, zorgtoeslag, zorg, welzijn en jeugdzorg Caribisch Nederland en de premiegefinancierde uitgaven.

       

Programma-uitgaven Langdurige zorg

Artikel 43

Artikel 43

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg

Met uitzondering van positie cliënt, (beheerskosten) Wtcg en TSZ-regeling en de premiegefinancierde uitgaven.

     

Programma-uitgaven Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 44

Artikel 44

Met uitzondering van premiegefinancierde uitgaven (MEE).

       

Arbeidsmarkt

Artikel 42

Artikel 42

Artikel 4 Zorgbreed beleid

Positie cliënt

Artikel 42 en 43

Artikel 42 en 43

Beheerskosten zorgbrede ZBO’s en RWT’s

Artikelen 42, 43 en 98

Artikelen 42, 43 en 98

Bijdragen aan ZonMw

Artikel 41

Artikel 41

       

Programma-uitgaven Jeugd

Artikel 45

Artikel 45

Artikel 5 Jeugd

       

Programma-uitgaven Sport en bewegen

Artikel 46

Artikel 46

Artikel 6 Sport en bewegen

       

Programma-uitgaven Oorlogsgetroffenen en herinnering WOII

Artikel 47

Artikel 47

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering WOII

       

Zorgtoeslag

Artikel 42

Artikel 42

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

Wtcg

Artikel 43

Artikel 43

TSZ-regeling

Artikel 43

Artikel 43

       

Programma-uitgaven Internationale Samenwerking

Artikel 98

Artikel 97

Artikel 9 Algemeen

Verzameluitkering

Artikel 98

Artikel 97

Strategisch onderzoek RIVM (en NVI)

Artikel 98

Artikel 97

       

Apparaatsuitgaven Volksgezondheid

Artikel 41

Artikel 98

Artikel 10 Apparaatsuitgaven (kerndepartement)

Apparaatsuitgaven Curatieve zorg

Artikel 42

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Langdurige zorg

Artikel 43

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 44

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Jeugd

Artikel 45

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Sport en bewegen

Artikel 46

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Oorlogsgetroffenen en herinnering WOII

Artikel 47

Artikel 98

Apparaatsuitgaven Internationale Samenwerking

Artikel 98

Artikel 97

Personeel en materieel kernministerie

Artikel 98

Artikel 98

       

Inspectie voor de Gezondheidszorg

Artikel 98

Artikel 98

Artikel 10 Apparaatsuitgaven (inspecties)

Inspectie Jeugdzorg

Artikel 98

Artikel 98

       

Sociaal en Cultureel Planbureau en Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

Artikel 98

Artikel 98

Artikel 10 Apparaatsuitgaven (SCP en raden)

Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

Artikel 98

Artikel 98

Gezondheidsraad

Artikel 98

Artikel 98

       

Uitgaven Nominaal en onvoorzien

Artikel 99

Artikel 99

Artikel 11 Nominaal en onvoorzien

       

Premiegefinancierde uitgaven

Artikelen 41 t/m 44 en bijlage Financieel Beeld Zorg

Artikelen 41 t/m 44 en bijlage Financieel Beeld Zorg

Hoofdstuk 2 van de begroting Financieel Beeld Zorg

In de begroting 2013 zijn daarnaast aanpassingen doorgevoerd in het Financieel Beeld Zorg (FBZ). Zo is een technische leeswijzer toegevoegd, waarin de relatie tussen de begroting en het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en het onderscheid tussen premiegefinancierde en begrotingsgefinancierde middelen wordt toegelicht. Het FBZ zelf heeft een meer beleidsmatige focus gekregen en omvat een integraal overzicht van de ontwikkelingen binnen het BKZ. Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie Van der Veen (TK 32 710 XVI, nr. 7) en aan de conclusies en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer uit het rapport Uitgavenbeheersing in de zorg.

Invulling motie-Schouw

De motie-Schouw (TK 21 501-20, nr. 537) verzoekt onder andere het Ministerie van VWS om aan te geven hoe wordt omgegaan met de aanbeveling van de Europese Commissie om de geplande hervorming van de langdurige zorg ten uitvoer te leggen en deze, gezien de vergrijzing van de bevolking, met verdere maatregelen ter beteugeling van de kostenstijging aan te vullen.

Paragraaf III van de beleidsagenda heeft betrekking op de langdurige zorg. In onderdeel «c. Afremmen uitgavengroei» wordt beschreven welke maatregelen in de langdurige zorg worden genomen om de betaalbaarheid van de zorg te verbeteren.

Beleidsartikelen

Tabel rol en verantwoordelijkheden

Welke rol speelt de minister bij het bereiken van het doel? Hier moet duidelijk worden waar de minister zelf verantwoordelijk voor is, wat de belangrijkste instrumenten zijn en welke wet- en regelgeving van toepassing is.

Voor de keuze van de rol van de minister zijn vier typologieën van toepassing. Het gaat om stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren. Aangezien het gaat om typologieën sluit de rol van de minister in veel gevallen niet geheel één op één aan bij een van de beschreven rollen; de meest van toepassing zijnde rol is bepaald en omschreven.

Budgetflexibiliteit

Het verschil tussen totale programma-uitgaven en de juridisch verplichte programma-uitgaven geeft de mate aan waarin de programma-uitgaven nog niet juridisch verplicht zijn. Dit vormt een indicatie voor de mate van de budgetflexibiliteit: de ruimte die budgettair technisch bezien beschikbaar is voor een alternatieve besteding. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de beleidsartikelen is door middel van een percentage aangeven hoeveel procent van de programma-uitgaven juridisch verplicht is.

Budgettair Kader Zorg en de begroting van VWS

In voorliggende begroting zijn, naast de begrotingsuitgaven van het Ministerie van VWS, ook de collectief gefinancierde zorguitgaven opgenomen. Hieronder wordt eerst ingegaan op de ministeriële verantwoordelijkheid bij de zorguitgaven. Vervolgens wordt het onderscheid tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven toegelicht en wordt de relatie tussen het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en de begroting van VWS verduidelijkt.

Ministeriële verantwoordelijkheid en budgetrecht van de Staten-Generaal

De minister van VWS beheert zelf de begrotingsgefinancierde middelen. Dat wil zeggen: VWS gaat zelf alle verplichtingen aan en verricht de uitgaven rechtstreeks ten laste van de begroting. Bij de premiegefinancierde zorguitgaven is dat anders; hieraan liggen vooral individuele beslissingen ten grondslag van de partijen die bij de zorg betrokken zijn. Zorgaanbieders leveren zorg aan patiënten/cliënten en declareren de kosten bij zorgverzekeraars en zorgkantoren. VWS is verantwoordelijk voor de randvoorwaarden en de regelgeving. VWS ziet toe op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg, maar verricht de uitgaven niet zelf.

Op de begrotingsgefinancierde uitgaven is het budgetrecht van de Staten-Generaal van toepassing. De Eerste en Tweede Kamer hebben het recht de uitgaven te beoordelen, goed te keuren of te verwerpen. De Tweede Kamer heeft tevens het recht van amendement. Zo bepalen de Staten-Generaal samen met het kabinet welk deel van de belastinginkomsten wordt besteed aan zorggerelateerde uitgaven.

De collectieve zorguitgaven betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden voor een belangrijk deel uit premies gefinancierd. Zij worden daarom aangeduid als premiegefinancierde zorguitgaven. Deze uitgaven maken op grond van de Comptabiliteitswet geen onderdeel uit van de rijksbegroting. Zij worden niet opgenomen in de begrotingsstaat van de VWS-begroting. Het budgetrecht is op deze uitgaven niet van toepassing. De uitgaven maken wel deel uit van het beheersingsregime van het Budgettair Kader Zorg. In de begrotingsstukken van VWS wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de zorguitgaven en de beleidsontwikkelingen. In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) is een overzicht opgenomen van alle uitgaven die onder het Budgettair Kader Zorg vallen. Hierin wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de uitgaven in het Budgettair Kader Zorg.

Overzicht 1: Zorguitgaven naar financieringsbron

Overzicht 1: Zorguitgaven naar financieringsbron

Het Budgettair Kader Zorg (BKZ)

Het Budgettair Kader Zorg is het kader waarbinnen de zorguitgaven moeten blijven, overeenstemmend met de afspraken in het kabinet. De BKZ-uitgaven bestaan uit de zorguitgaven op grond van de Zvw en de AWBZ. Een deel van de begrotingsuitgaven van VWS wordt ook toegerekend aan het BKZ. Tot deze categorie horen een deel van de uitgaven aan de zorgopleidingen, de uitgaven van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord. Verder vallen onder de bruto-BKZ-uitgaven middelen die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Ten slotte zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post in de Miljoenennota voor onder meer loon- en prijsbijstelling voor de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven.

Het verplicht eigen risico en de eigen bijdragen worden samen gerekend als niet-belastingontvangsten. De bruto-BKZ-uitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-BKZ-uitgaven. Het Budgettair Kader Zorg is het kader voor de netto-BKZ-uitgaven.

Begroting VWS

De VWS-begroting bevat uitgaven voor onder meer preventie, jeugdzorg en sport. Ook uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening, komen rechtstreeks ten laste van de begroting. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de Zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Deze uitgaven worden gerekend tot de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng).

Overzicht 2 toont het onderscheid tussen het BKZ, de begrotingsuitgaven en de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven. De grote bol betreft de uitgaven die onder het Budgettair Kader Zorg vallen. Het grootste deel hiervan zijn premiegefinancierde uitgaven op grond van de AWBZ en de Zvw. De kleine bol betreft de VWS-begroting. Een deel daarvan wordt gerekend tot het kader Rijksbegroting in enge zin of behoort niet tot een van de drie uitgavenkaders (de rijksbijdragen en de zorgtoeslag). De overlap tussen de twee bollen bestaat uit uitgaven die onderdeel uitmaken van de begroting van VWS, maar worden toegerekend aan het Budgettair Kader Zorg (Wtcg, uitgaven Caribisch Nederland en zorgopleidingen). De uitgaven op grond van de Wmo maken ook onderdeel uit van het Budgettair Kader Zorg. Deze uitgaven worden echter verantwoord op het Gemeentefonds.

Overzicht 2: Onderscheid tussen Budgettair Kader Zorg (BKZ) en VWS-begroting

Overzicht 2: Onderscheid tussen Budgettair Kader Zorg (BKZ) en VWS-begroting

Tabel 1 geeft een overzicht van de bruto-BKZ-uitgaven. In overzicht 3 is deze uitsplitsing visueel gepresenteerd.

Tabel 1 BKZ-uitgaven naar vindplaats (bedragen x € 1 miljard)

Vindplaats

Artikel

Omschrijving

2013

Premie (P) / Begroting (B)

FBZ

 

Zvw

41,0

P

FBZ

 

AWBZ

27,3

P

Begroting VWS

4

Zorgopleidingen

0,2

B

Begroting VWS

4

Zorg Caribisch Nederland

0,1

B

Begroting VWS

8

Wtcg

0,4

B

Gemeentefonds/BZK

 

Wmo

1,5

B

Aanvullende Post Miljoenennota/ Begroting VWS

 

Loon- en prijsbijstelling

0,0

B

   

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2013

70,5

 

Bron: VWS, NZa productieafspraken en (voorlopige) realisatiegegevens, CVZ (voorlopige) financieringslasten Zvw en AWBZ.

Overzicht 3: Bruto BKZ-uitgaven

Overzicht 3: Bruto BKZ-uitgaven

Tabel 2 toont de bruto-BKZ-uitgaven en BKZ-ontvangsten, maar dan uitgesplitst naar financieringsbron. Het verplicht eigen risico en de eigen bijdragen zijn niet-belastingontvangsten. De bruto-uitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-BKZ-uitgaven. Deze netto-BKZ-uitgaven worden getoetst aan het Budgettair Kader Zorg, dat is vastgesteld in de Startnota van het kabinet.

Tabel 2 Samenstelling van de bruto-BKZ-uitgaven en de BKZ-ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)
 

2013

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2013

70,5

Premiegefinancierd

68,3

waarvan AWBZ

27,3

waarvan Zvw

41,0

Begrotingsgefinancierd

2,1

waarvan Wmo

1,5

waarvan Zorgopleidingen

0,2

waarvan Wtcg

0,4

waarvan zorg Caribisch Nederland

0,1

waarvan Overig

0,0

BKZ-ontvangsten standontwerpbegroting 2013

4,7

waarvan Eigen bijdrage Zvw

2,9

waarvan Eigen bijdrage AWBZ

1,8

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting

65,8

Bron: VWS, NZa productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Financiering van de zorguitgaven en de sociale fondsen

De collectieve zorguitgaven worden gefinancierd uit premies (nominale ziektekostenpremie, inkomensafhankelijke bijdrage en AWBZ-premie), belastingmiddelen (rijksbijdragen), vanuit de begroting (rijksbijdrage voor de financiering van de premie voor jongeren onder de 18 jaar, Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) en Rijksbijdrage financiering abortusklinieken), het verplicht eigen risico in de Zvw en eigen bijdragen. De premie-inkomsten worden gerekend tot de collectieve lasten en tellen daarom mee in de inkomstenindicator van het kabinet. Dit betekent dat iedere verandering in de hoogte van de premies wordt gecompenseerd door lastenverzwaring of lastenverlichting elders.

De Zvw en de AWBZ zijn volksverzekeringen, waar iedere ingezetene in Nederland verplicht premie voor betaalt en aanspraken aan ontleent. Een deel van de financiering loopt via de sociale fondsen, het Zorgverzekeringsfonds (ZVF) en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Deze fondsen maken geen onderdeel uit van de rijksbegroting, maar behoren wel tot de sector overheid. Veranderingen in de financiële positie van de fondsen hebben daarom invloed op het EMU-saldo. De fondsen worden gevoed met premies die door het kabinet worden vastgesteld (de inkomensafhankelijke bijdrage en de AWBZ-premie) en de rijksbijdragen. Ook een eventueel exploitatietekort in het ZVF of het AFBZ kan worden gezien als financiering van de zorguitgaven. Het exploitatiesaldo van de fondsen telt mee in het EMU-saldo en de EMU-schuld van het Rijk. Het Rijk moet hiervoor meer (of minder) lenen.

De nominale ziektekostenpremie wordt niet door het kabinet vastgesteld en wordt rechtstreeks door burgers betaald aan zorgverzekeraars. Het ZVF werkt als een verzekeringsfonds voor zorgverzekeraars. Uit het AFBZ worden de aanspraken betaald die burgers en instellingen hebben op grond van de AWBZ.

In het Financieel Beeld Zorg is aandacht voor de financiering van de zorguitgaven en de financiële positie van de fondsen.

1.1 Beleidsagenda 2013

I. Inleiding

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een sobere invulling van de Beleidsagenda 2013 waarbij wordt ingegaan op de relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld. Centraal in de Beleidsagenda staan de afspraken en financiële gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013.

Onze gezondheidszorg levert ons veel op. We kunnen steeds meer mensen helpen en genezen en de zorg biedt ons ook een gevoel van zekerheid en geborgenheid. Daardoor leven we langer, zijn we langer gezond en blijven we langer zelfredzaam. Door goede zorg kunnen we ook langer werken en stijgt onze arbeidsproductiviteit. Onze gezondheidszorg wordt steeds beter. Elk jaar nemen de technologische mogelijkheden in de zorg toe, stijgt de kwaliteit en komen we tegemoet aan een grotere zorgvraag.

Een kwalitatief goede en toegankelijke gezondheidszorg in Nederland is voor iedereen van belang. Om dit in stand te kunnen houden is het noodzakelijk dat de zorg betaalbaar blijft. Nu betaalt een doorsnee gezin al meer dan 11 000 euro per jaar aan collectief verzekerde zorg. Dat is bijna een kwart van het gemiddelde inkomen. Blijven de zorguitgaven net zo stijgen als de afgelopen tien jaar dan zijn die in 2040 toegenomen tot bijna de helft van het gezinsinkomen.

Zonder nadere maatregelen stijgen de zorguitgaven in de periode 2012–2017 naar verwachting met 18 miljard euro van ruim 64 miljard tot 82 miljard. Naar verwachting bedragen zorguitgaven in 2013 ruim 13 procent van het bruto binnenlands product (bbp); een aandeel dat bij ongewijzigd beleid de komende jaren aanzienlijk zal toenemen. Stijgende zorguitgaven gaan ten koste van andere overheidsuitgaven of leiden tot hogere lasten, ook voor werkgevers.

De huidige financieel-economische situatie vraagt om een verantwoorde ontwikkeling van de overheidsuitgaven. Iedere sector zal moeten bijdragen aan de beheersing van de uitgaven; dit geldt zeker ook voor de zorg. Om de betaalbaarheid van de zorg beter te waarborgen, een te grote stijging van de zorgpremie te voorkomen en tegelijkertijd de kwaliteit op peil te houden of te verbeteren, zijn in de afgelopen kabinetsperiode met een hervormingsagenda voor de zorg al stevige stappen gezet.

Binnen de ingezette hervormingen staan de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning in de buurt voor mensen die dat nodig hebben centraal. Dit betekent niet alleen dat er wordt geïnvesteerd in goede basiszorg in de buurt, maar ook in samenwerking tussen de verschillende aanbieders van zorg en ondersteuning. Tegelijkertijd is het beleid erop gericht om meer invulling te geven aan de (keuze)vrijheid van patiënten, maatwerk beter mogelijk maken en het aanbod te flexibiliseren. Daarnaast wordt de eigen kracht van burgers en hun omgeving meer benut en worden de eigen verantwoordelijkheden van alle partijen in de zorg benadrukt. Ook is ingezet op het versterken van de kwaliteit van zorg door extra personeel en het stimuleren van e-health. Ten slotte zijn met veldpartijen afspraken gemaakt over een nieuwe invulling van de bekostiging van de zorg, waarbij voor het eerst duidelijke afspraken zijn gemaakt over volumebegrenzing.

Met het Begrotingsakkoord 2013 (TK 33 280, nr. 1) worden hieraan enkele nieuwe accenten toegevoegd en noodzakelijke aanvullende maatregelen getroffen zowel op het terrein van de langdurige als de curatieve (geneeskundige) zorg. In het akkoord is onder andere afgesproken dat de lichte AWBZ-zorg voor nieuwe cliënten niet meer in instellingen, maar thuis wordt geboden. Cliënten worden op deze manier zo lang mogelijk thuis verzorgd, wat aansluit bij het breed in de samenleving en politiek gedragen concept van zorg in de buurt. Om de doelmatigheid in de langdurige zorg te bevorderen wordt de uitgavenstijging in 2013 beperkt tot de groei van het zorggebruik als gevolg van de toename van de bevolking.

Bovendien draagt het Begrotingsakkoord 2013 bij aan het afremmen van de collectieve uitgavengroei in de curatieve zorg. Zo wordt in de curatieve zorg een vervangingsbijdrage per ligdag in een ziekenhuis geïntroduceerd en wordt het eigen risico verhoogd tot 350 euro. Bij de verhoging van het eigen risico worden de laagste inkomens volledig ontzien.

In de komende periode moet het maatschappelijk debat over de betaalbaarheid van de zorg verder worden gevoerd. Er zijn veel aanvullende mogelijkheden om de kosten in de zorg te beheersen, maar deze hebben ingrijpende consequenties. Om de bewustwording over de oorzaken en gevolgen van de stijgende zorguitgaven te vergroten is onlangs een «keukentafeldiscussie» gestart. Daarin wordt ook gekeken naar mogelijke opties en maatregelen waarmee we de problemen het hoofd kunnen bieden. Bij de «keukentafeldiscussie» willen we zeker ook gebruik maken van nieuwe, social media. De uitkomsten van de discussie – waarbij alle Nederlanders kunnen meepraten – kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het voor de toekomst behouden van een goede en toegankelijke gezondheidszorg.

Deze beleidsagenda gaat achtereenvolgens in op de curatieve zorg, de langdurige zorg, preventie, sport, jeugd en het terugdringen van (administratieve) lasten. De afsluitende paragraaf beschrijft het financieel beeld op hoofdlijnen.

II. Curatieve zorg

Inleiding

Goede en noodzakelijke zorg moet ook in de toekomst voor iedereen beschikbaar en betaalbaar blijven. De toenemende zorgvraag en oplopende kosten door technologische ontwikkelingen, de vergrijzing, het toenemend aantal chronisch zieken, het dreigende tekort aan personeel dwingen ons tot fundamentele en soms ingrijpende keuzes in de curatieve zorg.

Meer dan voorheen wordt van alle partijen – zorgaanbieders, zorgverzekeraars, overheid maar ook patiënten – een extra inspanning gevraagd om noodzakelijke verbeteringen door te kunnen voeren of de beheersbaarheid van zorguitgaven te vergroten. Met verschillende sectoren zijn afspraken gemaakt die niet alleen voor uitgavenbeheersing, maar ook voor kwaliteitsimpulsen moeten zorgen. Er wordt daarbij deels voortgebouwd op de ingezette lijnen, waarbij de juiste zorg op de juiste plaats wordt verleend en alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Zorgaanbieders zijn hierbij verantwoordelijk voor het aanbieden van doelmatige en gepaste zorg, zorgverzekeraars voor een doelmatige zorginkoop en de overheid is op systeemniveau verantwoordelijk voor de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Met het Begrotingsakkoord 2013 worden eigen bijdragen ingevoerd of verhoogd voor kosten die te overzien zijn of die kostenbewustzijn in de hand moeten werken.

a. Iedereen draagt bij

In 2011 is een akkoord gesloten met zorgaanbieders en zorgverzekeraars over een beheerste uitgavenontwikkeling in de ziekenhuiszorg. De ambitie is om de structurele uitgavengroei in de ziekenhuiszorg in de periode 2012 tot 2015 te beperken en zo rust in de sector te creëren. In het verlengde van de overeenkomst in de ziekenhuiszorg zijn in 2012 ook afspraken gemaakt met de huisartsen en de ggz. Doordat er naar verwachting ook in deze sectoren meer financiële rust komt, kan de focus komen te liggen op de dagelijkse uitvoering van de dienstverlening en kwaliteitsverbetering.

Bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord Ziekenhuizen/Medisch specialisten

Het hoofdlijnenakkoord vormt een doorbraak op het gebied van ziekenhuiszorg/medisch- specialistische zorg. Voor het eerst hebben alle betrokken partijen de verantwoordelijkheid genomen voor een beheerste uitgavenontwikkeling in de komende jaren, die niet ten koste gaat van de toegankelijkheid of de kwaliteit van de zorg. Gelet op het verbeterpotentieel dat er onder andere nog is op het gebied van (de organisatie van) zorg en de inkoop van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen, is de verwachting dat de komende jaren zal blijken dat er in deze sector meer mogelijk is voor hetzelfde geld.

Bestuurlijk akkoord curatieve geestelijke gezondheidszorg

De geestelijke gezondheidszorg (ggz) levert in Nederland een onmisbare bijdrage aan een gezonde, veerkrachtige en veilige samenleving. Het is belangrijk dat er in de ggz een goed en gevarieerd zorgaanbod bestaat om mensen met psychische aandoeningen te behandelen. Onlangs is daarom een akkoord gesloten met partijen in de ggz, zoals beroepsverenigingen, zorgaanbieders en verzekeraars maar ook met betrokkenheid van patiëntenorganisaties. Uitgangspunt is dat passende zorg op de juiste plek wordt verleend (TK 25 424, nr. 183). Er vindt een omslag plaats van klinisch naar ambulant, van tweede lijn naar eerste lijn en van huisarts naar meer zelfmanagement. Verzekeraars en zorgaanbieders gaan de beddencapaciteit verminderen. Dit betekent dat patiënten veel meer thuis met de juiste behandeling en ondersteuning worden geholpen. Verder zijn de betrokken partijen overeengekomen preventie, zelfmanagement en het herstelvermogen van de patiënt te stimuleren. De gehele tweedelijns-ggz stapt over op prestatiebekostiging, wat een bijdrage levert aan het terugdringen van administratieve lasten.

Partijen hebben afgesproken om voor 2013 en 2014 de jaarlijkse groei van de uitgaven in de ggz te beperken tot 2,5 procent. De afgelopen jaren lag de groei steeds op ruim 5 procent (exclusief nominale bijstellingen). Van de aanbieders in de ggz en de zorgverzekeraars wordt verwacht dat ze verantwoordelijkheid nemen voor het beperken van de stijgende zorguitgaven in deze sector. De afspraken over de uitgavengroei (inclusief afspraken over de monitoring van de gecontracteerde en niet gecontracteerde ggz) leiden tot een opbrengst van 75 miljoen euro in 2013 oplopend tot 100 miljoen euro vanaf 2014. Van deze opbrengst zal 15 miljoen euro worden ingezet voor een aanpassing van de eigen bijdrage in de ggz om zo de toegang tot deze zorg voor kwetsbare groepen te garanderen. Dit bedrag komt bovenop het bedrag van 40 miljoen euro dat hiervoor al is gereserveerd in het Begrotingsakkoord.

Bestuurlijk akkoord huisartsen

Met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) is een akkoord gesloten over de huisartsenzorg. Het akkoord betreft zowel de inhoud van de zorg als financiële aspecten. Afgesproken is dat de huisarts een centrale rol op zich neemt bij de verdere ontwikkeling van meer zorg in de buurt. Huisartsen stimuleren daartoe de invoering van innovatieve methoden, zoals e-health en flexibele openingstijden die zijn afgestemd op de patiënten die bij een praktijk zijn ingeschreven. Huisartsen zetten zich ook in om de verwijzingen naar medisch-specialistische zorg zo veel mogelijk te beperken. Hiertoe wordt de poortwachterrol van de huisarts versterkt en wordt de inschrijving op naam gehandhaafd, zodat de persoonlijke relatie tussen huisarts en patiënt behouden blijft. Ook onderzoeken we of een zogenoemd «meekijktarief» voor medisch specialisten uit het ziekenhuis die op verzoek van de huisarts meekijken kan helpen om te voorkomen dat mensen naar het ziekenhuis moeten. In dat geval hoeft er geen dbc te worden geopend. Huisartsen gaan voor 50 miljoen euro besparen op de uitgaven aan geneesmiddelen. Dit wordt gerealiseerd door doelmatiger medicijnen voor te schrijven. Dit betekent dat waar mogelijk de goedkoopste medicijnen worden voorgeschreven. Huisartsen onderkennen dat de doelstellingen van het onlangs afgesloten akkoord over de ggz gevolgen hebben voor hun praktijk en zullen hierop inspelen. Er komt extra geld beschikbaar voor de rol die praktijkondersteuners-ggz van huisartsen hierbij kunnen spelen. Huisartsen en kabinet willen meer samenwerkingsverbanden tussen huisartsenposten en spoedeisende hulpposten, zodat minder mensen onnodig gebruik maken van spoedeisende hulpvoorzieningen (TK 32 620, nr. 71).

Onderzoek norminkomens medisch specialisten

In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat er onderzoek wordt gedaan naar de wijze waarop de norminkomens van medisch specialisten (in loondienst en vrijgevestigd) meer in lijn kunnen worden gebracht met de inkomens van hun collega’s in andere landen. De onderzoeksopdracht valt uiteen in twee delen: een beschrijvende analyse van de relatieve inkomenspositie van Nederlandse specialisten en een inventarisatie van mogelijkheden (beleidsopties) om de inkomens van Nederlandse specialisten meer in lijn te brengen met hun collega's in andere landen. Een onafhankelijke commissie onder voorzitterschap van prof. dr. Meurs voert het onderzoek uit. De resultaten worden uiterlijk 1 oktober 2012 gepresenteerd.

b. Zorg op de juiste plek

Zorg en ondersteuning moeten daar plaatsvinden waar deze het meest doelmatig tegen de beste kwaliteit kunnen worden geleverd. Dat is waar mogelijk dichtbij mensen en onder eigen verantwoordelijkheid; en iets verder weg waar dat voor de kwaliteit van de zorg echt nodig is. De toename van het aantal chronisch zieken, stijgende kosten, toenemende medicalisering en een krimpende arbeidsmarkt maken het noodzakelijk om de zorg en ondersteuning anders te organiseren en te financieren.

De wijkverpleegkundige is de onmisbare schakel in buurten en wijken. Naast de afspraken die in het kader van de bestuurlijke akkoorden zijn gemaakt over de versterking van zorg in de buurt, hebben de Ministeries van BZK en VWS dan ook besloten de structurele middelen (10 miljoen euro per jaar) voor projecten rond wijkverpleegkundigen in ieder geval voor de komende twee jaar via het gemeentefonds beschikbaar te stellen in de vorm van een decentralisatie-uitkering. Hiermee hebben gemeenten de gelegenheid lopende projecten voort te zetten en de inzet van wijkverpleegkundigen te garanderen. Door het geld uit de BZK-begroting rechtstreeks aan gemeenten beschikbaar te stellen, kunnen deze per stad, wijk of buurt maatwerk bieden (TK 23 235, nr. 96).

c. Eigen bijdragen van burgers

Mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hun gezondheid. Zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, kunnen zij zelf dragen. Het wettelijk verzekerd pakket blijft beperkt tot noodzakelijke zorg die niet voor eigen rekening en risico kan komen. Internationale vergelijkingen laten bovendien zien dat zorggebruikers in Nederland relatief weinig bijdragen aan zorgkosten. Daarom worden in 2013 maatregelen getroffen die een beroep doen op deze eigen verantwoordelijkheid van burgers.

Hulpmiddelen

In 2013 wijzigt de verstrekking van een aantal medische hulpmiddelen, zoals loophulpmiddelen en hoortoestellen. Op advies van het College voor Zorgverzekeringen is besloten de rollator en andere eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen uit het basispakket te halen.

In 2013 worden de aanspraken ten aanzien van hoorhulpmiddelen functioneel omschreven en vervalt de maximumvergoeding. Zorgverzekeraars kunnen dan scherper inkopen. Dit leidt naar verwachting tot een fors lagere gemiddelde prijs voor hoortoestellen. Er komt een eigen bijdrage van 25 procent voor hoortoestellen. Door de functionele omschrijving en het vervallen van de maximumvergoeding is de verwachting dat de eigen bijdrage straks lager is dan de bijbetaling onder de huidige regeling. De maximale vergoeding bedraagt nu nog circa 500 euro terwijl de totale kosten per toestel vaak liggen tussen de 1 000 en 2 000 euro met als gevolg een bijbetaling van 500 tot 1 500 euro.

Eigen bijdrage verblijfskosten voor medisch-specialistische zorg

Cliënten die in een instelling voor medisch-specialistische zorg (ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra) verblijven, betalen vanaf 2013 een eigen bijdrage voor verblijfskosten van 7,50 euro per dag als gedeeltelijke compensatie voor niet-zorgkosten (voeding en verblijf). De eigen bijdrage geldt voor iedereen van 18 jaar en ouder. In de langdurige zorg en bij een langdurig ggz-verblijf is al sprake van vergelijkbare verblijfskosten.

Verhogen eigen risico met compensatie voor de lagere inkomens

Het eigen risico is in het Begrotingsakkoord 2013 met 115 euro verhoogd. Verhoging van het verplicht eigen risico betekent dat verzekerden een groter deel van de kosten zelf dragen en minder betalen via de nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage. Een verhoging van het eigen risico leidt ertoe dat het gemiddeld eigen risico met 61 euro stijgt en de premie en de inkomensafhankelijke bijdrage in totaal met ongeveer 61 euro daalt. De eerste 350 euro betaalt de gebruiker zelf, alle kosten daarboven worden gedekt uit premie-inkomsten. In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat de maximum zorgtoeslag met 115 euro per persoon verhoogd wordt als compensatie voor de verhoging van het eigen risico met 115 euro. Huishoudens met een inkomen tot het wettelijk minimumloon worden zo volledig gecompenseerd voor de verhoging van het verplicht eigen risico. Huishoudens met een inkomen boven het wettelijk minimumloon ontvangen minder extra zorgtoeslag en dus minder compensatie. Door deze maatregel kan de solidariteit in de zorg in stand blijven; tussen ziek en gezond en tussen arm en rijk. Door deze maatregel blijft een ruim pakket mogelijk waarvoor gezonde mensen evenveel premie betalen als zieke mensen die veel kosten hebben, terwijl de vormgeving van de maatregel ertoe leidt dat de verhoging van het verplicht eigen risico inkomensafhankelijk is.

Verzachten eigen bijdrage curatieve ggz

In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken de eigen bijdrage in de curatieve ggz te verzachten om zo de toegang tot deze zorg voor kwetsbare groepen te garanderen.

d. Kwaliteit en veiligheid

Investeren in opleidingen en taakherschikking

Er komen honderden extra opleidingsplaatsen voor artsen, medisch specialisten, verpleegkundig specialisten en physician assistents. Het verhogen van het aantal opleidingsplaatsen beoogt de toenemende vraag naar zorg op te vangen. Het aantal bekostigde opleidingsplaatsen stijgt met ruim 800 plaatsen. De initiële opleidingen geneeskunde laten in het studiejaar 2012–2013 al 200 extra studenten toe. Bij de medische vervolgopleidingen (voor specialisten) komen er ten minste 300 opleidingsplaatsen bij. De verplichte loting voor de opleiding geneeskunde wordt afgeschaft. In plaats hiervan komt een decentrale selectie. Zo wordt de kans groter dat zeer gemotiveerde en geschikte studenten de opleiding kunnen volgen.

Taakherschikking is een belangrijk onderdeel van het arbeidsmarktbeleid in de zorg. Mede om die reden stijgt het aantal plaatsen bij de hbo-masteropleidingen voor verpleegkundig specialisten en physician assistants de komende twee jaar structureel met 300 plaatsen naar 700 per jaar (TK 29 282, nr. 148).

Kwaliteitsinstituut

Het Kwaliteitsinstituut wordt onderdeel van het Zorginstituut Nederland en gaat per 1 januari 2013 van start. Het doel van het Kwaliteitsinstituut is het stimuleren van de ontwikkeling van professionele standaarden, richtlijnen en indicatoren. Kwaliteit is en blijft van het veld. Pas als veldpartijen het laten afweten, neemt het instituut zelf het initiatief. De onafhankelijkheid van het Zorginstituut wordt gegarandeerd doordat het een zelfstandig bestuursorgaan is. Het moet een «slim en slank» instituut zijn. Slim in de zin van het vormen van netwerken, kennisdeling en inbreng. Slank in de zin van een kleine sectie met een flexibele inzet van personeel.

De komst van het Zorginstituut werpt zijn schaduw al vooruit. In toenemende mate beginnen medische professionals (mede)verantwoordelijkheid te nemen voor de kosten van therapieën en geneesmiddelen. Zeker waar dit gebeurt in samenspraak met patiëntenorganisaties en de resultaten worden vastgelegd in richtlijnen, is de uitkomst doorgaans beter dan wat alleen met regels of verplichtingen had kunnen worden bereikt. Zowel in termen van kwaliteit als kosteneffectiviteit.

IGZ

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft de afgelopen jaren de nodige stappen gemaakt in de ontwikkeling naar een moderne toezichthouder. De IGZ dient daadkrachtig en proactief te zijn. Daarvoor is in de VWS Toezichtvisie IGZ van januari 2012 onder andere een nieuwe norm aangekondigd: binnen de termijn van één jaar dienen meldingen door de IGZ te zijn afgehandeld. Er mag alleen met goede redenen van worden afgeweken. Hierbij geldt het «pas toe of leg uit-principe». De IGZ investeert ook fors in het beter betrekken en goed omgaan met burgers, patiënten en cliënten. De IGZ voert meer inspecties uit op de werkvloer, zowel onaangekondigd als aangekondigd. Met een onderzoek naar de IGZ wordt de organisatie doorgelicht om na te gaan of deze robuust genoeg is om de toezichtvisie, met daarin nieuwe normen en eisen, en een aantal aandachtspunten van de Nationale ombudsman (No) uit te voeren. Verder wordt bezien of de processen en systemen hierop voldoende zijn berekend. Daarnaast kijkt de commissie-Sorgdrager in een ander onderzoek naar meldingendossiers en de afhandeling daarvan. Dit onderzoek moet een «herstel van vertrouwen» in de IGZ bewerkstelligen en tegelijkertijd lessen opleveren voor de uitvoering van de toezichtvisie en de aandachtspunten van de No. De resultaten van beide onderzoeken zullen in 2013 bij de ingezette omslag van de IGZ worden betrokken (TK 33 149, nr. 9).

III. Langdurige zorg

Inleiding

De langdurige zorg is gericht op mensen met een langdurige zorgbehoefte bijvoorbeeld zorg voor mensen met een beperking of zorg voor ouderen. In het Begrotingsakkoord 2013 is besloten tot maatregelen gericht op het anders organiseren van de langdurige zorg en het afremmen van de uitgavengroei. Desondanks nemen de AWBZ-uitgaven in 2013 toe.

a. Zorg dichtbij huis

Het is van belang dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en dat zij in hun eigen omgeving kunnen worden ondersteund en verzorgd. De huidige lichte intramurale zorg voor nieuwe cliënten wordt niet meer in instellingen geboden. Cliënten houden wel recht op zorg maar verblijf maakt er geen onderdeel meer van uit. Deze maatregel sluit aan bij het concept van zorg in de buurt en speelt in op de wens van de cliënt om zolang mogelijk in eigen huis te worden verzorgd.

De extramuralisering van de lichte intramurale zorg wordt in enkele jaren geleidelijk ingevoerd. Doordat de maatregelen alleen gelden voor nieuwe cliënten krijgen zorgaanbieders de tijd om het zorgaanbod aan te passen aan de al ingezette trend van meer zorg bij mensen thuis. Naast het extramuraliseren van de lichte intramurale zorg is in het Begrotingsakkoord 2013 afgesproken dat de verhoging van de intramurale tarieven in de ggz en de gehandicaptensector en de pgb-tarieven voor verblijfsgeïndiceerden per 2013 worden teruggedraaid. Dit betekent dat in totaal circa 0,3 miljard euro minder budget beschikbaar wordt gesteld voor deze sectoren. Tegenover het terugdraaien van de verhoging staat dat de voorgenomen IQ-maatregel niet wordt uitgevoerd. De maatregel «beperken doelgroep AWBZ» uit het regeerakkoord voorzag in het verlagen van het IQ-criterium voor recht op zorg van 85 naar 70.

De middelen voor het verbeteren van de kwaliteit van de ouderenzorg zijn in het Begrotingsakkoord behouden gebleven (structureel circa 0,4 miljard euro). Met veldpartijen worden de komende tijd zo helder mogelijke doelen geformuleerd om doelgericht te investeren in de extramurale en intramurale ouderenzorg.

Ingrepen in het persoonsgebondenbudget (pgb) zijn noodzakelijk om het instrument toekomstbestendiger en solide te maken. Nieuwe cliënten komen vanaf 2013 pas na een jaar zorg in aanmerking voor een pgb, tenzij op basis van de indicatie de verwachting is dat de zorgvraag langdurig is. Ook zal het zorgkantoor op basis van een pgb-plan op aangeven van de cliënt eerst bezien of er geen passende zorg in natura beschikbaar is. Het 10-uurs criterium komt te vervallen voor cliënten met de functies persoonlijke verzorging en/of verpleging (al dan niet in combinatie met begeleiding). Hiervoor is in het Begrotingsakkoord 150 miljoen euro extra uitgetrokken. Voor cliënten met alleen begeleiding en tijdelijk verblijf blijft het 10-uurscriterium gehandhaafd. Met ingang van 2014 zal het pgb niet meer worden overgemaakt op de bankrekening van de ciënt, maar komt het geld voor alle pgb-houders als trekkingsrecht beschikbaar en wordt het pgb bruto uitbetaald.

Bij het uitwerken van deze maatregelen en beleidsvoornemens is het van groot belang de effecten op mensen met een langdurige zorgvraag mee te wegen. Er zal daarom worden doorgegaan met het organiseren van ontmoetingsdagen met mensen die zorg krijgen én bieden.

b. Betere kwaliteit en zorg goed waarderen

Extra personeel

Om het voor zorginstellingen mogelijk te maken dat zij extra personeel kunnen aannemen en opleiden, zijn met ingang van 2012 extra middelen ter beschikking gesteld voor het verhogen van de maximum zzp-tarieven voor alle sectoren. Met het Begrotingsakkoord 2013 wordt de voorgenomen structurele investering in extra personeel voor de ouderenzorg voortgezet. Ook middelen die zijn toegevoegd aan het stagefonds, zijn behouden.

Wmo

De wijziging van de Wmo met het oog op de decentralisatie van de functies extramurale begeleiding en kortdurend verblijf is door de Tweede Kamer controversieel verklaard (TK 33 825, nr. 1). In 2013 zet het Transitiebureau op verzoek van de Tweede Kamer de voorbereidende activiteiten door om de positieve dynamiek bij gemeenten en veldpartijen te behouden (TK 33 127, nr. 59). Deze activiteiten zijn gericht op het versterken van de Wmo met het oog op bestaande en eventuele nieuwe taken, zoals het versterken van de positie van de lokale Wmo-raden. Ook worden gemeenten, zorgaanbieders en cliënten gericht voorbereid op een eventuele decentralisatie van extramurale begeleiding en kortdurend verblijf. Zo wordt in 2013 ingezet op het versterken van een coalitieaanpak tussen gemeenten, zorgaanbieders en cliëntenorganisaties en op het versterken van de samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars.

Cumulatie van effecten

In de voorbereiding van maatregelen op het terrein van ondersteuning wordt gericht ingezet op het leggen van verbindingen tussen de terreinen onderwijs, werk, zorg en welzijn. Mensen die maatschappelijke ondersteuning behoeven, hebben vaak op meer terreinen ondersteuning nodig. Bij het doorvoeren van maatregelen die kwetsbare groepen treffen, heeft het kabinet oog voor cumulatie-effecten.

Informele zorg en dienstverlening

Er wordt gesteefd naar een herordening van taken en verantwoordelijkheden tussen overheid en samenleving. De hiervoor vereiste cultuuromslag is breed ingezet met de Wmo, die uitgaat van de kracht van de lokale gemeenschap. Vrijwilligersbeleid is hier een onderdeel van en heeft een nauwe relatie met het burgerschapsbeleid van het Ministerie van BZK. In 2013 zal het Ministerie van VWS samen met het Ministerie van BZK én maatschappelijke partners activiteiten ontplooien om vrijwilligers beter te ondersteunen.

Tevens wordt ernaar gestreefd om informele zorgverleners (mantelzorgers) beter te ondersteunen. Ook hier is een brede coalitieaanpak het uitgangspunt. We gaan in overleg met werkgevers, gemeenten, huisartsen en andere professionals om afspraken te maken over het nog beter ondersteunen van mantelzorgers. Op basis van de in 2012 verschenen beleidsvisie (TK 30 169, nr. 26) zal in 2013 onder meer verder worden ingezet op mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid en het versterken van de sleutelrol van de huisarts bij het opsporen van mantelzorgers en het voorkomen van overbelasting bij deze zorgverleners.

Zorg en dwang

Het voorstel Wet Zorg en Dwang (TK 31 996, nr. 2) richt zich op mensen in de gehandicapten- en ouderenzorg, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een verstandelijke beperking of dementie. Centraal in het wetsvoorstel staat dat gedwongen zorg in principe niet mag (nee, tenzij). Iemand mag alleen onvrijwillig worden verzorgd (in instelling of in de thuissituatie) als sprake is van ernstig nadeel voor de cliënt zelf of voor anderen. Primair beoogt dit wetsvoorstel de rechtspositie van cliënten te versterken. Tweede belangrijke doelstelling is ervoor te zorgen dat er minder snel en minder lang dwang kan worden toegepast door de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid niet alleen expliciet in de wet op te nemen, maar ook te laten vastleggen in het zorgplan. Het wetsvoorstel draagt in de kern zorg voor een duidelijk en zorgvuldig afwegingskader en het op het juiste moment inzetten van de benodigde kennis en expertise.

c. Afremmen van de uitgavengroei

Ook in de langdurige zorg worden maatregelen genomen om de betaalbaarheid van de zorg te verbeteren.

Beperken AWBZ-uitgaven tot demografische groei

Om de doelmatigheid te bevorderen, blijft de uitgavenstijging in 2013 beperkt tot de geraamde demografische groei van het zorggebruik. Dit betekent dat op een totaal van circa 26 miljard euro voor de langdurige zorg, een bedrag van 150 miljoen euro structureel in mindering wordt gebracht. Voor de komende jaren is echter nog steeds sprake van groeiende AWBZ-uitgaven.

Betrekken van bovenbudgettaire vergoedingen bij AWBZ

De bovenbudgettaire vergoedingen – vergoedingen die door instellingen kunnen worden aangevraagd voor cliëntgebonden hulpmiddelen – zullen worden betrokken bij de contracteerruimte voor zorgkantoren. Dit moet de doelmatige besteding van deze middelen bevorderen.

Harmoniseren vervoerskosten instellingen

De AWBZ-vergoeding voor vervoer van en naar instellingen voor dagbesteding en behandeling blijkt uit onderzoek niet efficiënt besteed. Zo bestaan op dit moment onverklaarbare verschillen in vervoerkosten per aanbieder. De vervoerskosten voor instellingen worden geharmoniseerd per 1 januari 2013. Met de maatregel is de extra- en intramurale vergoeding gelijkgeschakeld voor alle sectoren. Hiermee wordt 150 miljoen euro bespaard.

Verhoging vermogensinkomensbijtelling AWBZ

De vermogensinkomensbijtelling wordt verhoogd tot twaalf procent. Vermogende cliënten moeten daardoor meer bijdragen aan de zorg die zij ontvangen.

d. Overig

Uitvoering AWBZ door Zorgverzekeraars (UAZ)

Het demissionaire kabinet heeft ervoor gekozen de beslissing ten aanzien van het al dan niet laten doorgaan van de Uitvoering van de AWBZ door Zorgverzekeraars (UAZ) over te laten aan een nieuw kabinet. Dit betekent dat de uitvoering van de AWBZ in 2013 een taak blijft voor de zorgkantoren.

Overheveling geriatrische revalidatiezorg

Wel wordt de geriatrische revalidatiezorg per 1 januari 2013 grotendeels overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). Revalidatiezorg voor ouderen valt nu nog onder de AWBZ. Deze zorg is altijd van korte duur en past daarom in beginsel beter in de Zvw. De overheveling levert winst op voor de patiënt, omdat de aansluiting tussen de behandeling in het ziekenhuis en de revalidatie soepeler zal verlopen. Ook ontstaat ruimte voor een veel gevarieerder zorgaanbod, zodat deze revalidatiezorg meer op maat kan worden geboden (TK 30 597, nr. 184).

Palliatieve zorg

In het Begrotingsakkoord 2013 wordt 10 miljoen euro extra uitgetrokken voor palliatieve zorg om patiënten met een levensbedreigende ziekte (en hun naasten) een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te geven. Als uitgangspunt geldt dat de middelen zoveel mogelijk bij de cliënt – op de werkvloer – terecht moeten komen. Bij de inzet van de middelen wordt aangesloten bij het door de Kerngroep Palliatieve Zorg aan de Tweede Kamer aangeboden Witboek Palliatieve Zorg. De middelen worden ingezet ten behoeve van de versterking van de zorg in de eerste en de tweede lijn, zodat de patiënt verzekerd is van integrale palliatieve zorg, zo dicht mogelijk rond hem georganiseerd. Praktijkgericht onderzoek zal worden gestimuleerd alsmede de verankering van palliatieve zorg in opleidingen. Tevens zijn de middelen bestemd voor een verhoging van het subsidieplafond gericht op vrijwilligerswerk in de palliatieve terminale zorg.

IV. Preventie

Inleiding

In het Begrotingsakkoord 2013 zijn ook afspraken gemaakt over extra uitgaven voor preventie. Preventie levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van leven. Het gaat hier om zorg dichtbij de cliënt en zijn of haar omgeving, die laagdrempelig en betrouwbaar moet zijn en kan bijdragen aan de gezondheid op lange termijn. Om het belang van dit type zorg te onderstrepen is in het Begrotingsakkoord 2013 90 miljoen euro uitgetrokken voor dieetadvisering, stoppen met roken, en het tegengaan van overgewicht bij kinderen.

Gezonde leefstijl

Vanuit de prioriteiten van de landelijke nota gezondheidsbeleid «Gezondheid dichtbij» zetten we positief in op het aantrekkelijk en toegankelijk maken van gezonde keuzes (TK 32 793, nr. 2). We doen dit samen met gemeenten, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, het onderwijs en zorgverleners. Daarbij is specifieke aandacht voor de jeugd en wordt een gezonde leefstijl gestimuleerd. Dat doen we onder andere door de inzet van social media en extra geld voor voorlichting op scholen. Het is belangrijk risico’s vroeg te signaleren en de weerbaarheid te vergroten om dagelijkse verleidingen te weerstaan. Verder is het van belang grenzen te stellen en die te handhaven. Een voorbeeld van het laatste is het strafbaar stellen van het bezit van alcohol voor jongeren onder de 16 jaar, zoals dat is geregeld in de Drank- en Horecawet die per 1 januari 2013 wordt gewijzigd. Hiermee zijn jongeren zelf ook verantwoordelijk als zij onder de 16 jaar alcohol bij zich hebben op straat of in het café.

Dieetadvisering

Vanaf 1 januari 2013 worden de eerste drie behandeluren dieetadvisering vergoed uit de basisverzekering. De aanspraak op dieetadvisering, als onderdeel van de gecoördineerde, multidisciplinaire zorg, wordt dan teruggebracht van vier naar drie behandeluren.

«Stoppen met roken»

Ook de medicijnen bij «stoppen met roken» worden, als onderdeel van een «stoppen met roken»-programma vanaf 1 januari 2013 weer opgenomen in de basisverzekering. Dit betekent dat naast de begeleiding bij stoppen met roken door bijvoorbeeld de huisarts, ook de combinatie van begeleiding en farmacologische ondersteuning (nicotinepleisters, e.d.) in het kader van het «stoppen met roken»-programma worden vergoed via het basispakket.

Tegengaan obesitas bij kinderen

Overgewicht is een toenemend probleem onder jongeren. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft overgewicht. Om dit tegen te gaan wordt fors geïnvesteerd in diverse bestaande programma’s voor overgewicht, jeugd en gezondheid. De inzet is primair gericht op voeding en bewegen. Waar mogelijk wordt – aansluitend bij de omslag in leefstijlbeleid – de verbreding gemaakt naar andere leefstijlthema’s. Zo wordt voor drie miljoen euro extra geïnvesteerd in het programma Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG), als onderdeel van het Convenant Gezond Gewicht. Via scholen wordt overgewicht op verschillende manieren aangepakt. Ook wordt via het programma Sport en bewegen in de buurt de sportimpuls bij jongeren verhoogd. Daarnaast krijgt de Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten een impuls via een extra individueel contactmoment. Tot slot wordt geïnvesteerd in betrouwbare informatievoorziening door de overheid over een gezonde leefstijl aan ouders en jeugd via Stichting Opvoeden.nl, de digitale informatiebank voor de Centra voor Jeugd en Gezin.

V. Sport

Sport en bewegen

Via het programma Sport en bewegen in de buurt zal de sportimpuls bij jongeren worden verhoogd. Onderdeel van dit programma is de inzet van de buurtsportcoaches. Dit initiatief kan in 2013 verder groeien tot circa 2 900 fte (TK 30 234, nr. 54). Met de uitbreiding en verbreding van de huidige impuls wil het kabinet bereiken dat meer mensen in de buurt kunnen sporten en bewegen. Maar ook dat sportverenigingen worden versterkt en er een verbinding wordt gelegd tussen sport en andere sectoren zoals onderwijs, welzijn, kinderopvang, zorg en het bedrijfsleven. Daarmee kunnen de sportbuurtcoaches tevens een bijdrage leveren aan het lokaal bevorderen van gezondheid en leefbaarheid.

De overheid steunt het klimaat voor topsport in Nederland. In 2013 worden de VWS-middelen voor topsport (met uitzondering van de middelen voor antidopingbeleid, evenementenbeleid en het Stipendium) met één subsidie aan NOC*NSF ter beschikking gesteld om zo aan de top 10-ambitie – zoals beschreven in de Sportagenda 2013 – uitvoering te kunnen geven. De inzet van NOC*NSF en de Rijksoverheid wordt hiermee gebundeld en de beschikbare middelen kunnen gerichter worden ingezet op succesvolle takken van sport.

VI. Jeugd

Stelselwijziging jeugdzorg

Met ingang van 1 januari 2015 worden gemeenten verantwoordelijk voor alle ondersteuning, hulp en zorg voor de jeugd. Gemeenten kunnen dan maatwerk bieden dat is afgestemd op de lokale en individuele situatie. Ook krijgen zij wettelijk de opdracht jeugdhulp herkenbaar en laagdrempelig aan te bieden waarbij aansluiting gezocht wordt bij het eigen probleemoplossend vermogen van jeugdigen, ouders en hun sociale omgeving. Het stelsel moet eenvoudiger en een integrale aanpak van problemen bevorderen.

In de brieven «Geen kind buiten spel» (TK 31 839, nr. 142) en de «Voortgangsbrief stelselwijziging jeugd» (TK 31 839, nr. 200) zijn de contouren uiteengezet van het nieuwe stelsel. Dat gaat uit van een systeem dat snel, goed en op maat functioneert en een eenvoudige en integrale aanpak van problemen door gemeenten bevordert. De hoofddoelen zijn dan ook tijdige ondersteuning en zorg op maat en betere samenwerking tussen hulpverleners rond jongeren en gezinnen. De decentralisatie van jeugdhulp naar gemeenten moet ook een cultuuromslag bevorderen naar demedicaliseren en ontzorgen en het voorkomen van onnodige problematisering en etikettering. De concretisering van onderdelen van het nieuwe stelsel worden in overleg met veldpartijen de komende tijd nader vorm gegeven. Een transitiebureau van VNG, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en VWS ondersteunt gemeenten, provincies, instellingen en andere partijen met de voorbereidingen van de stelselwijziging. Gegeven de brede consensus is het concept van de nieuwe jeugdwet medio 2012 in overleg met de Tweede Kamer voor consultatie naar het veld gestuurd.

Jeugdgezondheidszorg

Er zal een impuls worden gegeven aan het contactmoment Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten (met onder meer extra aandacht voor het tegengaan van obesitas bij kinderen). Het contactmoment richt zich naast aandacht voor gezond gewicht, op thema’s als veilig vrijen, het gebruik van alcohol en drugs, pesten en depressie. Met dit extra contactmoment kan de Jeugdgezondheidszorg passende zorg leveren voor jongeren in de leeftijd van het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. In sommige gemeenten lopen al projecten voor een contactmoment of meer zorg voor jongeren vanaf 14 jaar. Met deze extra middelen kunnen gemeenten bestaande activiteiten structureel verankeren, verder verbreden en uitbouwen. Gemeenten die nog geen contactmoment aanbieden aan adolescenten kunnen dit alsnog snel invoeren.

Daarnaast wordt in het najaar 2012 het advies van de Commissie Evaluatie Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg verwacht. Deze commissie heeft tot taak om te adviseren over de inhoud van een nieuw preventief gezondheidszorgpakket voor alle kinderen in Nederland. De opdracht komt voort uit de stelselwijziging jeugd. Op basis van dit advies wordt waar nodig de Wet en/of het Besluit Publieke Gezondheid aangepast in 2013. Inwerkingtreding van het nieuwe basistakenpakket is voorzien gelijktijdig met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de Jeugdhulp.

Aanpak kindermishandeling

De voorgenomen stelselwijziging jeugdzorg heeft ook gevolgen voor de aanpak kindermishandeling. In de nieuwe stelselopzet moeten gemeenten zorg dragen voor preventie, signaleren, melden en nazorg van zowel huiselijk geweld als kindermishandeling. Tevens organiseren zij op bovenlokaal niveau een meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling, met één frontoffice. Daarin worden de taken van de Steunpunten Huiselijk Geweld en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling gecombineerd. Gemeenten krijgen de ruimte om de schaal en werkwijze van deze meldpunten te bepalen.

Aanpak geweld in afhankelijkheidsrelaties

De aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld (TK 28 335, nr. 117) maakt onderdeel uit van een bredere aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties waartoe ook ouderenmishandeling, eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking behoren. Door middel van een interdepartementale aanpak wordt geweld tegen de verschillende groepen kwetsbare mensen met één duidelijke benadering aangepakt: voorkomen, signaleren, stoppen en schade beperken. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van opvang. Het kabinet zet zoveel mogelijk in op een algemene aanpak voor alle kwetsbaren, waar nodig aangevuld met specifieke acties voor specifieke groepen. Voor deze aanpak wordt in 2013 in totaal bijna 15 miljoen euro uitgetrokken. VNG en de Federatie Opvang voeren tot eind 2014 gezamenlijk het project «aanpak geweld in huiselijke kring» uit, met als doel te komen tot een flexibel, decentraal en toekomstbestendig stelsel van opvang van alle slachtoffers.

Het Actieplan «Ouderen in veilige handen», dat tot 2014 loopt, richt zich specifiek op ouderenmishandeling. VWS voert samen met andere partijen tien concrete acties uit die gericht zijn op preventie, signaleren, melden en de verbetering van de ondersteuning van slachtoffers (TK 29 398, nr. 36). In 2013 wordt de rijksoverheidscampagne «geweld in huiselijke kring» herhaald. De Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt in de loop van 2013 van kracht, afhankelijk van tijdige behandeling.

VII. Administratieve lasten en compacte overheid

In 2013 blijft het verminderen van administratieve lasten voor burgers en bedrijven een aandachtspunt. Ook VWS draagt hieraan bij. In de zorgsector kan door slimmer of minder beleid op papierwerk worden beperkt en in overbodige regels gesnoeid. Tegelijkertijd zet VWS zelf verdere concrete stappen op weg naar een meer compacte en efficiënte overheid.

Minder overhead en administratieve lasten in de langdurige en curatieve zorg

Personeel in de langdurige zorg moet minder tijd kwijt zijn aan papierwerk, zodat er meer tijd overblijft voor de zorg van de cliënt. In 2012 is het experiment met regelarme zorginstellingen van start gegaan. Daarbij wordt in kaart gebracht wat nodig is om onnodige bureaucratie in de langdurige zorg weg te nemen. De meeste experimenten starten op 1 januari 2013.

In de curatieve en eerstelijnszorg wordt geëxperimenteerd met nieuwe vormen van bekostiging. In het najaar van 2012 wordt een shortlist van de geselecteerde experimenten aan de Tweede Kamer gestuurd. Één van de criteria die zal worden gehanteerd bij het beoordelen van deze experimenten is het terugdringen van administratieve lasten.

In de langdurige zorg wordt daarnaast het plan «Meer tijd voor de cliënt» uitgevoerd. Dit betreft onder andere het zoeken naar alternatieven voor de minutenregistratie in de extramurale zorg. Deze zorg wordt al jarenlang als zeer tijdrovend ervaren. Ook wordt ingezet op een vereenvoudiging van toezichtlasten door het versimpelen van de administratieve rompslomp, bijvoorbeeld bij meldingen en het vereenvoudigen van verplichtingen daarbij. Tevens wordt de AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) vereenvoudigd en gemoderniseerd.

Tot slot wordt gewerkt aan het vereenvoudigen en stroomlijnen van het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV). Het JMV is bedoeld om de vraag naar informatie door verschillende partijen aan zorgaanbieders in zowel de curatieve als de langdurige zorg te bundelen. Deze vraag wordt met ingang vanaf 2013 beperkt tot strikt noodzakelijke informatie hetgeen een substantiële vermindering van de administratieve lasten voor aanbieders betekent. Door slimmere automatisering is het ook niet meer nodig om de gegevens uit de jaarrekening handmatig in te voeren in DiGiMV.

Complexiteitsreductie en versterken kennisagenda

Een compacte overheid vraagt om minder en eenvoudiger regels en een transparant sturingsconcept. In het afgelopen jaar is de bestuurlijke vormgeving van de zorgsector doorgelicht. Doel is een vermindering van de complexiteit van de aansturing. De doorlichting is in eerste instantie toegespitst op het takenpakket van zeven agentschappen en ZBO’s in het VWS-domein. In de vervolgaanpak die in 2013 zijn beslag moet krijgen, lopen nog 19 andere organisaties mee. VWS zet daarmee verdere stappen in het efficiënter en effectiever organiseren van haar uitvoeringsorganisaties.

Een compacte overheid heeft ook minder capaciteit voor begeleiding en reactie op kennis- en adviesrapporten. Dat betekent onder meer focus op kennis die nodig is voor beleidsvoorbereiding en implementatie van beleidsdoelen. In 2013 zal VWS met een samenhangende kennisagenda gerichter sturen op (het aantal) kennis- en onderzoeksvragen en daarmee een taakstelling op de adviesfunctie kunnen doorvoeren.

VIII. Financieel beeld op hoofdlijnen

Om te komen tot een verantwoorde ontwikkeling van de overheidsuitgaven, wordt van iedereen in de samenleving een bijdrage gevraagd. Voor de zorg geldt dat met zorgaanbieders de afgelopen periode afspraken zijn gemaakt om voor de komende jaren te komen tot een beheerste uitgavenontwikkeling. Voor burgers wijzigt het verzekerd pakket en wordt via de eigen bijdrage een aandeel gevraagd. Tegelijkertijd wordt er gericht geïnvesteerd in preventie en palliatieve zorg. De getroffen maatregelen leveren op termijn met twee miljard euro een aanzienlijke bijdrage aan het terugdringen van de overheidsuitgaven.

De uitgavengroei in de curatieve zorg wordt voor een aantal sectoren dankzij een aantal gesloten bestuurlijke akkoorden teruggebracht tot 2,5 procent (exclusief loon- en prijsbijstelling). Het gaat daarbij om instellingen voor medisch-specialistische zorg (ziekenhuizen, zbc’s), de curatieve ggz en de huisartsen. Dit is een forse opgave voor deze sectoren, die daarmee laten zien dat uitgavenbeheersing een gedeelde verantwoordelijkheid is.

In de langdurige zorg is de afgelopen periode ook gewerkt aan uitgavenbeheersing. Zo is de uitbreiding van de intramurale capaciteit onder de contracteerruimte gebracht. Ook is per 1 januari 2012 de contracteerplicht afgeschaft. Dit zorgt ervoor dat zorgkantoren niet meer verplicht zijn met alle zorgaanbieders in de regio contracten af te sluiten. Het komende jaar moeten de eerste effecten van deze beleidswijzigingen gaan optreden. Een belangrijke hervorming uit het Begrotingsakkoord 2013 betreft het extramuraliseren van lichte intramurale zorg. Cliënten worden hierdoor in de eigen omgeving geholpen en kunnen zo lang mogelijk thuis worden verzorgd. Op termijn levert dit een besparing op van circa 0,4 miljard euro.

Ook van burgers wordt een bijdrage gevraagd. Zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, kunnen cliënten zelf dragen. Het eigen risico wordt in het Begrotingsakkoord 2013 verhoogd met 115 euro tot 350 euro. Daarnaast wordt een compensatie gevraagd voor niet-zorgkosten (voeding en verblijf) wanneer men in een instelling voor medisch- specialistische zorg verblijft. Ook wijzigt de verstrekking van een aantal medische hulpmiddelen, zoals de rollator en andere loophulpmiddelen en hoortoestellen. Ten slotte wordt de vermogensinkomensbijtelling in de AWBZ verhoogd tot twaalf procent. Vermogende cliënten dragen daardoor meer bij aan de zorg die zij ontvangen.

In juni 2012 heeft de ambtelijke Taskforce Beheersing Zorguitgaven het rapport Naar beter betaalbare zorg uitgebracht. Het rapport doet aanbevelingen om de collectieve zorguitgaven op de middellange termijn beter te beheersen en op een houdbaar groeipad te krijgen. Hiervoor moet zorg terug naar de kern, moet zorg op de juiste plaats verleend worden en dienen alle partijen een grotere bijdrage aan de beheersing van de zorguitgaven te leveren. Daarnaast stelt het rapport dat voor een goede werking van het zorgsysteem adequate informatievoorziening noodzakelijk is. Het is aan een volgend kabinet om te besluiten over de aanbevelingen.

Belangrijke nieuwe beleidsmatige begrotingsmutaties

Opbouw uitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerpbegroting 2012

17 564 976

16 969 254

17 220 489

16 922 101

17 197 746

17 197 746

Mutatie nota van wijziging 2012

0

0

0

0

0

0

Mutatie amendement 2012

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2012

348 204

– 1 977 823

– 2 493 033

– 2 456 619

– 2 187 567

99 059

Nieuwe mutaties

185 045

719 886

1 078 748

1 642 475

1 915 594

621 094

Stand ontwerpbegroting 2013

18 098 225

15 711 317

15 806 204

16 107 957

16 925 773

17 917 899

Toelichting belangrijkste nieuwe beleidsmatige mutaties (bedragen x € 1000)
 

artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt € 26 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van obesitas bij kinderen. Deze middelen worden deels ingezet voor de Gezonde school (doorontwikkeling gezonde schoolmethode, meer inzet op de «voorschool», doorlopende leerlijn gezond gewicht, behoud van kennis over voeding en gezond gedrag binnen primair onderwijs en verspreiden van interventies gericht op een gezonde schoolomgeving).

1

0

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

               

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt € 26 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van obesitas bij kinderen. Deze middelen worden deels ingezet voor Jongeren op Gezond Gewicht: intensiveren en ook na 2014 continueren van het Convenant Gezond Gewicht, door eerder op te schalen en de aansluiting met de lokale zorgsector te verbeteren.

1

0

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

               

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt € 26 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van obesitas bij kinderen. Deze middelen worden deels ingezet om een impuls te geven aan het individueel contactmoment voor adolescenten (vanaf 14 jaar) en eventuele aanvullende (collectieve) activiteiten voor leerlingen in het voortgezet en middelbaar onderwijs door de Jeugdgezondheidszorg.

1

0

15 000

15 000

15 000

15 000

15 000

               

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt € 26 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van obesitas bij kinderen. Deze middelen worden deels ingezet voor betere informatievoorziening via centra voor Jeugd en Gezin over een gezonde leefstijl aan ouders en jeugd (Stichting Opvoeden.nl).

1

0

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

               

De uitgaven voor zorgkosten illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen vallen in de jaren 2012 en 2013 lager uit dan eerder geraamd.

2

– 5 000

– 5 000

0

0

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit betreft de inzet van eerder op de aanvullende post gereserveerde middelen voor de landelijke uitrol van pilots orgaandonatie in ziekenhuizen.

2

0

6 625

6 625

6 625

6 625

0

 

 

 

 

 

 

 

 

Overboeking naar het gemeentefonds: Betreft een structurele toevoeging aan de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang van € 7 miljoen voor de uitvoering van het actieplan «Ouderen in veilige handen» en € 7 miljoen voor de «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties».

3

– 14 000

– 14 000

– 14 000

– 14 000

– 14 000

– 14 000

               

Dit betreft een overboeking van de premie naar de begroting van voor de uitvoering van de pgb-maatregelen. Daarnaast zijn in 2013 en 2014 extra middelen beschikbaar voor intensivering van de fraudeaanpak.

3

0

30 000

30 000

15 000

15 000

15 000

               

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt structureel € 10 miljoen ter versterking van de palliatieve zorg. Bij deze versterking wordt aangesloten op de lijnen van het Witboek palliatieve zorg. De inzet van de middelen is gericht op de kwaliteit van zorg, consultatie en kennisontwikkeling en -verspreiding, met als uitgangspunt dat de middelen zoveel mogelijk bij de cliënt terecht komen. Daarnaast wordt de inzet van vrijwillige palliatieve zorg verder ondersteund door een ophoging van het subsidieplafond in de Regeling Palliatief Terminale Zorg.

3

0

10 000

10 000

10 000

10 000

10 000

               

In het Begrotingsakkoord 2013 is besloten vanaf 2013 toe te werken naar gelijkschakeling van de vergoeding voor (medisch) specialistische vervolgopleidingen. Dit betekent een structurele korting op het Opleidingsfonds  van € 15 miljoen in 2013 oplopend tot € 90 miljoen in 2016. Gezien de omvang van deze maatregel is besloten tot een stapsgewijze implementatie. In 2013 zal een doelmatigheidskorting van 2% op het vergoedingsbedrag worden opgelegd voor alle (medisch) specialistische vervolgopleidingen. De structurele invulling zal – met inachtneming van het aspect van toewerken naar gelijkschakeling – in een bestuurlijk overleg met betrokken partijen in het najaar nader worden uitgewerkt.

4

0

– 15 000

– 30 000

– 60 000

– 90 000

– 90 000

               

Met ingang van 2013 worden zorgopleidingen 1e en 2e tranche – met uitzondering van de publieke gezondheidszorg opleidingen – en de huisartsenopleiding in plaats van via begrotingssubsidies via beschikbaarheidsbijdragen gefinancierd. Om dat mogelijk te maken wordt het bijbehorende budget overgeheveld van begrotingsgefinancierd BKZ naar het premiegefinancierde BKZ. Het grootste deel gaat naar de Zvw, een beperkt deel naar de AWBZ.

4

0

– 1 023 353

– 1 052 701

– 1 062 277

– 1 034 203

– 1 077 657

               

Betreft een overheveling van het kader instellingen voor medisch specialistische zorg (premiegefinancierde BKZ ) naar het begrotingsgefinancierde BKZ, Fonds Ziekenhuisopleidingen (FZO) ten behoeve van het opleiden van gespecialiseerd verpleegkundigen en ondersteunend medisch personeel.

4

0

20 000

20 000

20 000

20 000

20 000

               

In het kader van het inkomensafhankelijk maken van de Wtcg worden uitvoeringskosten gemaakt. In de 1e suppletoire begroting 2012 zijn reeds middelen geraamd voor 2012, dit betreft de raming van de uitvoeringskosten in 2013.

4

0

4 119

0

0

0

0

               

Overboeking naar het Gemeentefonds: betreft een overboeking tot en met 2014 aan de decentralisatie-uitkering Jeugd voor de doorontwikkeling methodiek zoals toegepast in «De Nieuwe Kans» (€ 1,8 miljoen) en de financiering van de wijkschool (€ 2 miljoen).

5

– 3 800

– 3 800

– 3 800

0

0

0

               

Dit betreft de overheveling van de op de aanvullende post gereserveerde middelen voor de uitvoeringskosten en de transitiekosten van de regeerakkoordmaatregel (2010) overhevelen van zorg voor jeugd naar gemeenten.

5

0

0

0

41 000

40 000

27 000

               

Op basis van het Begrotingsakkoord 2013 komt € 26 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van obesitas bij kinderen. Deze middelen worden deels ingezet voor een geoormerkte verhoging van de Sportimpuls (onderdeel van het programma Sport en Bewegen in de Buurt) voor het kopiëren van interventies die gericht zijn op de aanpak van overgewicht bij kinderen.

6

0

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

               

Bij de uitgavenraming van de algemene tegemoetkomingen in het kader van de Wtcg is als gevolg van de aanpassing van criteria voor rechthebbenden (fysiotherapie) sprake van een meevaller in de jaren 2013 tot en met 2015.

8

0

– 20 600

– 37 300

– 34 900

0

0

               

Op grond van actuele inzichten met betrekking tot de uitbetaling van Wtcg-tegemoetkomingen is de inschatting dat er in 2012 € 38 miljoen meer en in 2013 € 38 miljoen minder benodigd zal zijn. Met het oog daarop wordt een bedrag van € 38 miljoen verschoven van 2013 naar 2012.

8

38 000

– 38 000

0

0

0

0

Opbouw ontvangsten (bedragen x € 1 000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerpbegroting 2012

45 839

50 326

43 263

106 272

106 175

106 175

Mutatie nota van wijziging 2012

0

0

0

0

0

0

Mutatie amendement 2012

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2012

50 423

13 213

8 713

8 713

8 713

8 713

Nieuwe mutaties

505

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2013

96 767

63 539

51 976

114 985

114 888

114 888

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Planning

Toelichting

 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

 

Artikel 1 Volksgezondheid

               

1. Gezondheidsbescherming

     

     

Voedselveiligheid (2014)

2. Ziektepreventie

   

       

Screeningsbeleid (2013)

3. Gezondheidsbevordering

       

   

Leefstijlbeleid (2015)

4. Ethiek

               
                 

Artikel 2 Curatieve zorg

               

1. Kwaliteit en (patiënt)veiligheid

     

     

Veiligheidsprogramma (2014)

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg

 

         

Taskforce Beheersing Zorguitgaven (2012)

3. Bevorderen werking van het stelsel

               
                 

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg

               

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid (mensen met beperkingen)

     

     

Onderzoek Wmo door SCP (2014)

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

   

       

IBO gehandicaptenzorg (2013)

                 

Artikel 4 Zorgbreed beleid

               

1. Versterken positie cliënt

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

               

3. Kwaliteit en transparantie en kennisontwikkeling

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

               

5. Zorg, welzijn (zorg, welzijn en jeugdzorg) en jeugdzorg op Caribisch Nederland

       

   

Rijksbreed onderzoek Caribisch Nederland (2015)

                 

Artikel 5 Jeugd

             

Jeugdstelsel (start in 2018, afronding in 2019)

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

2. Noodzakelijke en passende zorg

                 

Artikel 6 Sport en bewegen

       

 

Uitvoering sportbeleid (2011)

Sport en beweegbeleid (2016)

1. Passend sport- en beweegaanbod

   

2. Uitblinken in sport

   

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

   
                 

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II

               

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

     

     

Uitvoering taken door Nationaal Comité 4 en 5 mei (2014)

2. Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

     

     

Uitvoering uitkeringen door SVB (2014)

                 

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

               

1. Zorgtoeslag

               

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

               

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

               

Financieel Beeld Zorg

 

         

Taskforce Beheersing Zorguitgaven (2012)

IBO Universitair Medisch Centra (2012)

Toelichting:

In de begroting 2013 is sprake van een nieuwe indeling van de beleidsartikelen. Het Ministerie van VWS werkt aan een nieuwe meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen die aansluit bij de nieuwe begrotingsindeling. Daarbij is het uitgangspunt dat elk beleidsartikel periodiek geëvalueerd wordt in een beleidsdoorlichting, inclusief toelichting bij de beleidsterreinen waar een evaluatie niet zinvol of niet mogelijk is. In de begroting 2014 zal de nieuwe programmering worden opgenomen.

1.2 Beleidsartikelen

Artikel 1 Volksgezondheid
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

Kengetallen levensverwachting
 

2000

2003

2005

2007

2008

2009

2010

2011

1. Absolute levensverwachting in jaren:

               

– mannen

75,5

76,2

77,2

78,0

78,3

78,5

78,8

79,2

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

82,3

82,3

82,6

82,7

82,9

2. waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

               

– mannen

61,5

62,4

62,5

64,7

63,7

65,3

63,9

63,7

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

63,4

63,5

63,8

63,0

63,3

Bron absolute levensverwachting: CBS-Statline.

De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2010 bedroeg 82,7 jaar. Dat is 4 jaar hoger dan die van mannen (78,8 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 6,1 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,2 jaar ouder geworden.

Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: CBS StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981.

Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

Een belangrijke beleidsopgave van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – waar mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. Bij externe risicofactoren, zoals infectieziekten en rampen/crises ligt hier een belangrijke rol voor de overheid. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een baten-lastendienst van het Ministerie van EL&I ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet, de Tabakswet en de Wet op de Dierproeven.

Op het terrein van volksgezondheid heeft de minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de volksgezondheid. Met name de gemeenten hebben op het terrein van de publieke gezondheid een belangrijke eigenstandige verantwoordelijkheid. Belangrijke wet- en regelgeving voor gemeenten betreft de Wet Publieke Gezondheid, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet Veiligheidsregio’s, de Wet Kinderopvang, de Drank- en Horecawet en de Warenwet.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Gezondheidsbescherming:

– Voedsel- en productveiligheid

– Crisisbeheersing

– Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door RIVM

   

Opstellen en (doen) handhaven, via de NVWA, van het wettelijk kader voor bescherming consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen.

Opstellen wettelijk kader ter voorbereiding witte kolom op rampen en crises en in stand houden crisisinfrastructuur.

Het verder reduceren van antibioticagebruik, waar nodig in de gezondheidszorg en in de veehouderij in nauwe samenwerking met het Ministerie van EL&I.

(Doen) uitvoeren wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.

Ziektepreventie

– Bevolkingsonderzoeken

– Infectieziektebestrijding

– Jeugdgezondheidszorg

   

Opstellen wettelijk kader en doen handhaven kwaliteit Jeugdgezondheidszorg.

Doelmatigheid, kwaliteit en toegankelijkheid bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing levensbedreigende ziekten. Dit betreft onder andere borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere het Rijksvaccinatieprogramma en infectieziektebestrijding.

Gezondheidsbevordering

Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven door gezonde keuze makkelijker te maken en zorg te dragen voor betrouwbare informatie over gezonde leefstijl. Voorbeelden hiervan zijn de Jeugdimpuls, het Convenant Gezond Gewicht, JOGG, sport en bewegen in de buurt, de gezonde school en het extra contactmoment in de Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten.

 

Opstellen en (doen) handhaven via de NVWA en gemeenten van het wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak.

Inzetten op een gezonder aanbod van voeding en aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze een makkelijke keuze is. Dit om een gezond gewicht positief te stimuleren en letsels in de privésfeer te voorkomen.

Coördinatie interdepartementale drugsbeleid en verantwoordelijk voor het (wettelijk) kader voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.

 

Ethiek

 

Financiering secretariaten toetsingscommissies,

abortusklinieken (via subsidie AWBZ) en CCMO.

Formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

 
3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

In de landelijke nota gezondheidsbeleid «Gezondheid dichtbij» (TK 32 793, nr. 2) zijn de prioriteiten op het gebied van gezondheid en preventie benoemd. Concreet betekent dit in 2013:

  • Op het gebied van gezondheidsbescherming:

    Het verder reduceren van antibioticagebruik, waar nodig in de gezondheidszorg en in de veehouderij in nauwe samenwerking met het Ministerie van EL&I.

    Voorbereiding op uitbraken van zoönosen en bestrijding daarvan waar dit nodig is. Ook dit in samenwerking met het Ministerie van EL&I.

    De Europese samenwerking op grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid wordt in 2013 geïntensiveerd. Ook zal verdere aandacht uitgaan naar de preventie en bestrijding van infectieziekten in Caribisch Nederland.

    Ter bescherming van de gezondheid van jeugdigen zal per 1 januari 2013 de gewijzigde Drank- en Horecawet het bezit van alcohol voor jongeren onder de 16 jaar strafbaar stellen. Hiermee worden jongeren zelf ook verantwoordelijk als zij onder de 16 jaar alcohol bij zich hebben op straat of in het café.

    Er zal eind 2012 een besluit genomen worden of wetgeving nodig is om tot zoutreductie in voeding te komen.

  • Zorg en sport dichtbij in de buurt:

    In 2013 wordt het actieplan «Gezond Bedrijf» uitgevoerd in samenwerking met het Ministerie van SZW en wordt de Gezonde Wijk-aanpak samen met het Ministerie van BZK gecontinueerd.

    Vanaf februari 2012 is gestart met de uitvoering van het programma «Sport en bewegen in de buurt». Dit zal in 2013 worden voortgezet. Met dit programma wordt ondersteuning geboden aan gemeenten en andere partijen om in te zetten op het lokaal realiseren van sport- en beweegaanbod, afgestemd op de behoefte van bewoners. Eén van de onderdelen van het programma bestaat uit een structurele rijksbijdrage aan gemeenten voor het realiseren van (de verbrede inzet van) buurtsportcoaches.

  • Ziektepreventie:

    In 2013 zal de uitvoering van het nieuwe bevolkingsonderzoek naar darmkanker voor 55- tot 75-jarigen worden gestart.

    De landelijke aanpak perinatale sterfte wordt in 2013 vervolgd.

  • Gezonde leefstijl:

    Specifieke aandacht is er voor de jeugd, waarbij ingezet wordt op het bevorderen (het aanleren) van een gezonde leefstijl. Onder andere door de inzet van social media en extra budget voor voorlichting op scholen (Impuls gezonde leefstijl jeugd).

    Er wordt ingezet op betrouwbare en toegankelijke informatievoorziening voor burgers en professionals. De thema-instituten gaan op het terrein van leefstijl meer samenwerken wat betreft informatievoorziening aan de burgers. Deze samenwerking krijgt vorm in een werkplaats Publiekscommunicatie. De stichting Opvoeden.nl blijven we ondersteunen; die zorgt voor een database met betrouwbare gevalideerde informatie die de Centra voor Jeugd en Gezin kunnen gebruiken voor hun lokale website. Daarnaast wordt gewerkt aan een database met (effectieve) interventies van het Centrum Gezond Leven, bestemd voor professionals.

    Verder zal in 2013 worden doorgegaan met het aangaan van publiek-private samenwerking om de betrokkenheid van het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, het onderwijs en zorgverleners bij het stimuleren van gezond gedrag te vergroten.

  • Overgewicht is een groeiend probleem onder jongeren. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft overgewicht. Om dit tegen te gaan wordt fors geïnvesteerd in diverse bestaande programma’s die raken aan overgewicht, jeugd en gezondheid. De inzet is primair gericht op voeding en bewegen, maar daar waar mogelijk wordt – aansluitend bij de omslag in het leefstijlbeleid – een verbredingslag gemaakt naar andere leefstijlthema’s. Zo wordt voor € 3 miljoen aanvullend geïnvesteerd in het programma «Jongeren op Gezond Gewicht» (JOGG), als onderdeel van het Convenant Gezond Gewicht. Via scholen wordt overgewicht op verschillende manieren aangepakt (intensivering van € 5 miljoen). Ook wordt via het programma «Sport en bewegen in de buurt» de sportimpuls bij jongeren verhoogd (intensivering van € 2 miljoen). Daarnaast krijgt de Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten een impuls via een extra individueel contactmoment (intensivering van € 15 miljoen). Tot slot wordt geïnvesteerd in betrouwbare informatievoorziening vanuit de overheid over een gezonde leefstijl aan ouders en jeugd via Stichting Opvoeden.nl, de digitale informatiebank voor Centra voor Jeugd en Gezin (intensivering van € 1 miljoen) (TK 33 280, nr. 1).

  • Er wordt voorts in 2013 verder ingezet op alternatieven voor dierproeven zoals aangegeven in het Actieplan Dierproeven en Alternatieven 2011–2021 (TK 30 168, nr. 30).

Gezonde wijk loont

Lokale slagkracht maakt het verschil. Dertien steden hebben bijvoorbeeld de afgelopen drie jaar met succes het experiment Gezonde Wijk uitgevoerd als onderdeel van de wijkenaanpak. Zij voerden de experimenten uit met ondersteuning van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Opzet was de gezondheid van bewoners in wijken met achterstandsproblematiek te verbeteren met een langdurig gezamenlijke aanpak. De experimenten brengen hiermee het thema van VWS ‘Zorg en sport dicht in de buurt’ in de praktijk.

De ervaring en resultaten van dit traject kan andere gemeenten stimuleren. Als naslagwerk en bron van inspiratie zijn er diverse hulpmiddelen. Het e-boek Gezonde wijk in praktijk bundelt bijvoorbeeld de uitkomsten en ervaringen van de steden. Een belangrijk instrument waarmee steden aan de slag kunnen is een specifiek voor gezonde wijken ontwikkelde maatschappelijke kosten-batenanalyse. Deze analyse brengt in beeld wat de kosten en baten zijn van de aanpak. Dit is van meerwaarde; vaak wordt alleen naar de kosten gekeken, maar wat zijn de verwachte maatschappelijke effecten van gezondere bewoners in een stad? Iedere stad kan met het model aan de slag aan de hand van lokale gegevens en inzet.

Daarnaast staan goede voorbeelden, handige instrumenten en tips voor lokaal integraal gezondheidsbeleid in de Handreiking Gezonde Gemeente van het RIVM Centrum Gezond Leven.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

358 643

503 029

510 129

505 106

497 194

502 400

507 744

               

Uitgaven

476 582

514 696

515 780

508 538

498 781

502 400

507 744

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Gezondheidsbescherming

   

97 340

86 749

83 566

82 800

82 103

               

Subsidies

   

3 182

3 269

3 300

3 302

3 302

waarvan onder andere:

             

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid

   

2 265

2 112

2 143

2 143

2 143

Crisisbeheersing Volksgezondheid

   

828

1 066

1 064

1 064

1 064

               

Opdrachten

   

8 278

3 270

3 275

3 784

5 418

waarvan onder andere:

             

CBRN Weerstandsverhoging

   

5 500

0

0

0

0

Alternatieven voor dierproeven

   

649

875

875

875

875

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

85 760

80 090

76 871

75 594

73 263

waarvan onder andere:

             

Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit

   

70 526

65 725

62 982

62 296

61 599

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

   

14 144

13 334

12 858

12 778

12 778

               

Bijdragen aan medeoverheden

   

120

120

120

120

120

               

2. Ziektepreventie

   

345 500

349 253

342 898

347 361

353 402

               

Subsidies

   

9 920

9 514

9 358

9 559

9 559

waarvan onder andere:

             

Ziektepreventie

   

7 188

6 782

6 626

6 827

6 827

Jeugdgezondheid

   

2 732

2 732

2 732

2 732

2 732

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

320 580

324 739

318 540

322 802

328 843

waarvan onder andere:

             

RIVM/Opdrachtverlening Centra

   

65 780

64 179

61 192

62 053

62 104

RIVM/Uitvoering Subsidieregeling Publieke Gezondheid

   

209 054

214 764

224 062

229 838

237 746

RIVM/Ontwikkelingen technologie en demografie

   

26 261

26 293

23 465

21 090

19 172

RIVM/Uitvoering Kaderregeling VWS-subsidies

   

11 519

11 358

11 250

11 250

11 250

RSV-vaccin

   

5 895

6 074

– 3 500

– 3 500

– 3 500

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

15 000

15 000

15 000

15 000

15 000

Extra contactmoment Jeugdgezondheidszorg

   

15 000

15 000

15 000

15 000

15 000

               

3. Gezondheidsbevordering

   

54 209

53 991

54 060

54 060

54 060

               

Subsidies

   

35 177

32 776

32 398

32 333

32 333

waarvan onder andere:

             

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

   

7 920

6 831

6 707

6 707

6 707

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

   

12 250

11 685

10 972

10 907

10 907

Gezonde leefstijl jeugd

   

0

400

2 620

2 620

2 620

Letselpreventie

   

3 867

3 590

3 540

3 540

3 540

Subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid

   

5 131

4 495

2 854

2 854

2 854

Subsidies ter bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

   

3 172

3 123

3 074

3 074

3 074

               

Opdrachten

   

1 820

4 003

4 450

4 515

4 515

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

220

220

220

220

220

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

   

220

220

220

220

220

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

16 992

16 992

16 992

16 992

16 992

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

   

16 992

16 992

16 992

16 992

16 992

               

4. Ethiek

   

18 731

18 545

18 257

18 179

18 179

               

Subsidies

   

962

1 007

944

1 073

1 073

Beleid Medische Ethiek

   

962

1 007

944

1 073

1 073

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

3 085

3 085

3 085

3 085

3 085

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

   

3 085

3 085

3 085

3 085

3 085

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

   

14 684

14 453

14 228

14 021

14 021

CVZ: Rijksbijdrage abortusklinieken

   

13 050

12 850

12 650

12 450

12 450

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

   

1 634

1 603

1 578

1 571

1 571

               

Ontvangsten

10 277

10 903

10 903

11 003

11 003

10 903

10 903

waarvan onder andere

             

Bestuurlijke boetes

   

4 252

4 252

4 252

4 252

4 252

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Instrumenten

Gezondheidsbescherming

Opdrachten CBRN weerstandsverhoging

Er worden opdrachten verstrekt aan ziekenhuizen voor het programma «CBRN Weerstandsverhoging». Dit programma is gericht op het nemen van weerstandsverhogende maatregelen om de kans te verminderen of te voorkomen dat personen zich ongewenst toegang verschaffen tot chemische, biologische, radioactieve en/of nucleaire middelen (CBRN). De bijdrage 2013 bedraagt € 5,5 miljoen.

Opdracht Alternatieven voor dierproeven

Er is budget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het actieplan «Dierproeven en alternatieven» (TK 30 168 nr. 31) en voor het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven. De minister intensiveert haar beleid en maakt hiervoor een bedrag vrij oplopend tot 1,0 miljoen in 2014 en verder. Dit bedrag wordt deels uitgegeven ten laste van het beleidsterrein Ziektepreventie (onderdeel RIVM).

Bijdrage aan de baten-lastendienst Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De minister is opdrachtgever voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De baten-lastendienst NVWA1 heeft een centrale rol bij het bewaken van de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten op grond van de wettelijke normen en ontvangt hiertoe financiering van de minister van VWS (€ 70,5 miljoen in 2013). De belangrijkste financieringsstromen naar de NVWA betreffen de volgende terreinen:

Belangrijkste financieringsstromen van VWS naar de NVWA 2013

Beleidsterrein

Bedrag (x € 1 miljoen)

Voedselveiligheid

42,2

Productveiligheid

13,1

Alcohol en tabak

7,8

Kengetallen voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)

Toxoplasma gondii

2 000

Campylobacter spp.

1 300

Salmonella spp.

650

S. aureus toxine

630

C. perfringens toxine

450

Norovirus

240

Rotavirus

210

B. cereus toxine

97

Listeria monocytogenes

78

STEC O157

60

Giardia spp.

25

Hepatitis-A virus

15

Cryptosporidium spp.

10

Hepatitis-E virus

2

Totaal

5 800

Bron:

Nationaalkompas , RIVM. Betreft 2009. Het RIVM zal deze gegevens vanaf 2013 jaarlijks publiceren.

DALY=Disability Adjusted Life Year. Maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaar equivalenten). In deze maat komen de drie belangrijkste aspecten van gezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal wijkt hierdoor af van de som van de weergegeven getallen.

Bijdrage aan baten-lastendienst RIVM

Het RIVM heeft de wettelijke taak periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. Het RIVM rapporteert hierover in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Eens in de vier jaar geeft een samenvattend rapport inzicht in de belangrijkste epidemiologische parameters van het volksgezondheidsbeleid voor het heden, verleden en de toekomst. In het kader van de VTV wordt door het jaar heen informatie beschikbaar gesteld, onder meer via themarapporten en websites. Ook wordt informatie ter onderbouwing van beleid op het terrein van de volksgezondheid en zorg verzameld en gegenereerd. De bijdrage 2013 bedraagt € 14,1 miljoen.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw met betrekking tot het onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren»

Er wordt een bijdrage gegeven aan ZonMw voor het onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren» (MKMD) voor de financiering van de module Proefdiervrije Technieken. Hierin gaat het om projecten die zich richten op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën om meer kennis over humane systemen te verkrijgen zonder gebruik te maken van proefdieren. De middelen (circa € 1,9 miljoen in 2013) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de praragraaf «instrumonten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering van het preventieprogramma

In juni 2009 is opdracht gegeven aan de uitvoering van het vierde preventieprogramma. Met dit programma geeft ZonMw invulling aan de visie op preventie (TK 22 894, nr. 134) en levert een bijdrage aan het versterken van de preventiecyclus. Dit is een vierjarige cyclus waarmee specifieke doelstellingen en uitvoering van het Nederlandse gezondheidsbeleid worden vastgelegd, uitgevoerd en bijgesteld. Dit programma legt nog meer dan voorheen verbindingen tussen preventie en andere sectoren (wonen, werken, leren), in het bijzonder tussen de publieke en de eerstelijnsgezondheidszorg en daarmee ook tussen de preventieprogramma’s en andere programma’s van ZonMw. Deze middelen staan (circa € 9 miljoen in 2013) verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Ziektepreventie

Subsidies voor activiteiten op het terrein van ziektepreventie

De minister verleent op het terrein van de ziektepreventie subsidies (€ 7,2 miljoen) voor een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten door onder andere te zorgen voor:

  • een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden;

  • het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen.

Subsidies voor activiteiten op het terrein van Jeugdgezondheidszorg (JGZ)

De minister verleent op het terrein van de Jeugdgezondheidszorg subsidie (€ 2,7 miljoen) aan het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

Bijdragen aan baten-lastendienst RIVM

De minister van VWS is opdrachtgever en eigenaar van de baten-lastendienst het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM stelt zich tot doel om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen en te bevorderen. Het RIVM geeft hieraan uitvoering door middel van het (doen) uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en advisering op het terrein van volksgezondheid en het voeren van de regie op diverse terreinen van de publieke gezondheid:

  • Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het vervullen van zijn taken ten aanzien van de preventie en bestrijding van infectieziekten en het bevorderen van seksuele gezondheid door de ondersteuning van professionals bij een goede uitvoering (€ 47,4 miljoen);

  • Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het uitvoeren van zijn coördinerende taken gericht op de voorlichting over bevolkingsonderzoeken en pre- en neonatale screeningen en de kwaliteit van de uitvoering en monitoring ervan. Mensen die tot de betreffende doelgroep behoren, kunnen vrijwillig aan de bevolkingsonderzoeken deelnemen (€ 9,3 miljoen);

  • Het Centrum Gezondheid en Milieu (CGM) van het RIVM ontvangt financiële middelen om de minister en de regio’s bij te staan met gezondheidskundige advisering, advisering over het uitvoeren van gezondheidsonderzoek en risicoanalyses over mogelijke gezondheidseffecten en over psychosociale nazorg. Vragen over gezondheid en veiligheid in relatie tot milieu en het voorkomen van incidenten en rampen komen samen bij het CGM. Het CGM is erop gericht deze kennis waar nodig te ontwikkelen, te borgen en te ontsluiten voor professionals en bestuurders (€ 2,7 miljoen);

  • Het Centrum Gezond Leven (CGL) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het vervullen van zijn coördinerende en stimulerende rol naar de professionals en de thema-instituten op het terrein van de gezondheidsbevordering. De gemeente is verantwoordelijk voor het gemeentelijk gezondheidsbeleid samen met alle andere organisaties en professionals die hierbij lokaal een rol spelen (€ 2,6 miljoen). Ook coördineert het CGL de «Impuls gezonde leefstijl van de jeugd» (€ 3,5 miljoen).

Uitvoering van de subsidieregeling Publieke Gezondheid door baten-lastendienst RIVM

  • Het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker, screening op familiaire hypercholesterolemie, bloedonderzoek bij zwangeren en de hielprik en gehoorscreening bij pasgeborenen (€ 120,7 miljoen);

  • Het financieren van het Nationaal Programma Grieppreventie. Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60+-ers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 59,7 miljoen);

  • Het financieren van Soa-onderzoek en aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie (€ 28,6 miljoen).

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken, screeningen en vaccinatieprogramma's in procenten

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken, screeningen en vaccinatieprogramma's in procenten

Bron:

– RVP = percentage deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma.

– Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2012 – RIVM rapport 201001001.

Voor het verslagjaar 2011 is dit percentage 95,4%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2008 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd. Het RVP wordt betaald uit de premiegefinancierde uitgaven (zie Financieel Beeld Zorg).

– Griep = percentage deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie.

Monitor vaccinatiegraad Nationaal Programma Grieppreventie 2011. IQ Healthcare in opdracht van het Centrum voor bevolkingsonderzoek (RIVM)

– BK = percentage deelname aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Landelijk Evaluatieteam bevolkingsonderzoek borstkanker (LETB). Erasmus MC Rotterdam. Cijfers zijn nog niet gepubliceerd.

– BMHK = percentage deelname aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Landelijke Evaluatie Bevolkingsonderzoek naar Baarmoederhalskanker (LEBA). Rapportage 2011.

– PSIE = percentage deelname aan de Prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (Hielprik).

Evaluatie van de neonatale hielprik screening bij kinderen geboren in 2010.

– Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Bijdrage aan medeoverheden in verband met extra contactmoment Jeugdgezondheidszorg

In de Jeugdgezondheidszorg krijgt het contactmoment voor adolescenten vanaf 2013 een impuls van € 15,0 miljoen (TK 33 280, nr. 1). Dit extra individueel contactmoment is bestemd voor leerlingen op voortgezet en middelbaar onderwijs (vanaf 14 jaar) en kan zo nodig worden aangevuld met een extra gesprek, een groepsbijeenkomst of gerichte ondersteuning aan een leerkracht. Het contactmoment is gericht op een gezond gewicht (tegengaan van over- en ondergewicht), het bevorderen van seksueel gezond gedrag, de aanpak van sociaal-emotionele problematiek/het bevorderen van weerbaarheid en preventie van middelengebruik (waaronder alcohol).

Gezondheidsbevordering

Subsidies voor preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

Het Trimbos Instituut ontvangt subsidie voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik. Het gaat hierbij onder andere om voorlichting op school of via nieuwe media. Ook zet het Trimbos Instituut zich in om wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie te geven aan professionals en burgers. De bijdrage 2013 bedraagt € 7,9 miljoen.

Subsidies ter bevordering van een gezonde voedingskeuze en een gezond gewicht

Mensen moeten zo min mogelijk drempels ondervinden wanneer zij er voor kiezen om gezond te leven. Daartoe wordt onder andere subsidie verleend aan de Stichting Voedingscentrum Nederland. Het Voedingscentrum bevordert gezonde en meer duurzame voeding bij consumenten en stimuleert het bedrijfsleven tot een meer verantwoord voedselaanbod.

In het kader van het Convenant Gezond Gewicht (TK 31 899 nr. 15) werkt een aantal publieke en private partijen aan het realiseren van een daling van overgewicht en obesitas.

De totale bijdrage 2013 bedraagt € 12,3 miljoen.

Subsidies ter bevordering gezonde leefstijl jeugd

De minister wil extra aandacht besteden aan een gezonde leefstijl bij de jeugd. Het gaat hierbij om het aanleren en stimuleren van een gezonde leefstijl, inzet op weerbaarheid om dagelijkse verleidingen te weerstaan, vroege signalering van risico’s en het stellen van grenzen. Dit vindt onder andere plaats in het kader van de Impuls gezonde leefstijl jeugd («Jeugdimpuls»). Doel van de Jeugdimpuls is het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd via de setting school en door het vergroten van het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media. Dat gebeurt door te investeren in schoolprogramma’s, aan te sluiten bij de vraag en belangen vanuit het onderwijsveld, het aanbod voor schoolgezondheidsbeleid uit te breiden en het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media te vergroten. Het Centrum Gezond Leven coördineert deze aanpak. De middelen voor 2013 en 2014 zijn overgeboekt naar het CGL-budget dat wordt verantwoord onder Ziektepreventie.

De in het Begrotingsakkoord 2013 (TK 33 280, nr. 1) voorgestelde intensiveringen voor het tegengaan van obesitas bij kinderen sluiten ook logisch aan op de gezonde leefstijl voor de jeugd.

Subsidies voor letselpreventie

De Stichting VeiligheidNL ontvangt subsidie ( € 3,9 miljoen) van VWS voor het uitvoeren van haar activiteiten die zijn gericht op letselpreventie door middel van interventies en programma’s voor bijvoorbeeld jongeren en ouderen en de monitoring daarvan.

Subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (onder andere Stichting Ambulante FIOM), dan wel via het RIVM/Centrum voor infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers WPF, Soa-Aids Nederland en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen. De middelen aan het RIVM staan verantwoord onder Ziektepreventie.

Subsidies ter bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden (€ 3,2 miljoen).

Bijdragen aan medeoverheden en opdrachten in verband met heroïneverstrekking op medisch voorschrift

De minister verstrekt een financiële bijdrage (circa € 17,0 miljoen) aan gemeenten voor het binnen een gesloten systeem aanbieden van een behandeling, waarbij naast methadon medicinale heroïne wordt verstrekt aan een beperkte groep langdurig opiaatverslaafden. Deze behandeling leidt tot verbetering van de gezondheid en van de maatschappelijke re-integratie en helpt overlast en criminaliteit door ernstig opiaatverslaafden voorkomen. Om reden dat het een beperkte groep betreft, is deze behandeling niet in het reguliere zorgstelsel opgenomen. Binnen dit systeem zijn alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen om ongeoorloofd gebruik van medicatie te voorkomen.

Kengetallen Gezondheidsbevordering
 

2001

2007

2008

2009

2010

2011

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

72%

73%

72%

73%

76%

2. Overgewicht bij volwassenen ≥ 20 jaar

45,5%

46,9%

47,2%

48,2%

48,2%

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 2–20 jaar

   

13,1%

13,6%

12,8%

4. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt.

89,3%

90,0%

89,6%

89,6%

5. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

25,6%

36,5%

35,0%

38,4%

6. Aantal problematische drugsverslaafden per 1 000 inwoners

3,1

1,6

7. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700 000

650 000

650 000

640 000

600 000

8. Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij de soa-poli’s van de GGD

12,7%

13,2%

13,2%

13,7%

14,3%

Bron:

1. TNS-NIPO.

2. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek en lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981, via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek.

3. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek en lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981, via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek.

4. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek

5. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos-instituut, zie www.trimbos.nl .

6. Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2010, Trimbos-instituut, 2010, zie www.trimbos.nl .

7. Letselinformatiesysteem 2001–2010 VeiligheidNL en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl .

8. RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding: Betreft het percentage bezoekers van soa-poli’s, waarbij één (of meer) soa is gevonden.

Ethiek

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG

Vanuit haar verantwoordelijkheid voor wet- en regelgeving ten aanzien van ethisch handelen in de zorg financiert de minister een groot deel van de uitvoering van de uit de vigerende wetgeving voortvloeiende wettelijke taken. Het CIBG verzorgt de uitvoering van het secretariaat van de regionale toetsingscommissies euthanasie, de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en beheert de daarbij behorende registers (€ 3,1 miljoen).

Bijdragen aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen (CVZ) en ZBO Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De minister verstrekt een financiële bijdrage aan het CVZ voor het op grond van de regeling «subsidies AWBZ» verstrekken van subsidies aan abortusklinieken (€ 13,1 miljoen). De abortusklinieken dienen over een Waz-vergunning (Wet afbreking zwangerschap) te beschikken.

De CCMO ontvangt een financiële bijdrage van de minister voor het uitvoeren van zijn kerntaak (€ 1,6 miljoen). Deze kerntaak is gericht op het waarborgen van de bescherming van proefpersonen bij medisch-wetenschappelijk onderzoek door middel van toetsing aan de hiervoor geldende wettelijke bepalingen en protocollen.

Onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» via ZonMw

Het onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» richt zich op onderzoek naar mogelijke nieuwe toepassingsmogelijkheden van adulte (niet-embryonale) stamcellen. De middelen (circa € 1,4 miljoen in 2013) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

In het kader van haar handhavingsbeleid schrijft de NVWA bestuurlijke boetes uit. Het houdt in dat de overtreder de onvoorwaardelijke verplichting heeft tot het betalen van een geldsom aan de overheid wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens een van de aan het toezicht door de NVWA onderworpen wetten. De ontvangsten die hieruit voortvloeien worden geraamd op € 4,3 miljoen in 2013.

Artikel 2 Curatieve zorg
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

De minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), de wettelijke basis van dit stelsel. De uitgaven en ontvangsten op basis van de Zorgverzekeringswet komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg. Op begrotingsartikel 2 Curatieve zorg worden de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor curatieve zorg verantwoord. Het betreft veelal uitgaven die ondersteunend zijn aan de werking van het stelsel.

Om het zorgstelsel goed te laten functioneren is het samenspel van zorgprofessionals, cliënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders van groot belang. De minister van VWS richt zich in beginsel op het formuleren van de voorwaarden waarbinnen dit samenspel tot goede resultaten kan leiden en op het inzetten van aanvullende instrumenten waar het samenspel (nog) niet leidt tot voldoende kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van de curatieve zorg. Een deel van die instrumenten gaat gepaard met uitgaven die vanaf dit begrotingsartikel worden betaald. Het betreft subsidies, opdrachten en bijdragen, waarmee de minister een regisserende, stimulerende of financierende rol uitvoert. Hoe de minister invulling geeft aan deze rollen in het kader van de uitgaven die verantwoord zijn op dit begrotingsartikel staat beschreven in de volgende tabel. Het betreft hier een beschrijving van de meest van toepassing zijnde rol. In paragraaf 6 van dit begrotingsartikel staan de uitgaven in meer detail toegelicht.

Naast de uitgaven op dit begrotingsartikel worden er ook begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg verantwoord op andere begrotingsartikelen. Zo is de minister van VWS vanuit de verantwoordelijkheid voor curatieve zorg beleidsverantwoordelijk voor de zorgtoeslag. Deze middelen staan verantwoord op artikel 8, Tegemoetkoming specifieke kosten. De uitgaven voor het apparaat van het ministerie zelf en de financiering van de uitvoerende organisaties staan verantwoord in artikel 10 Apparaatsuitgaven respectievelijk artikel 4 Zorgbreed beleid.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

Kwaliteit en (patiënt)veiligheid

Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt) veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.

Het ondersteunen van initiatieven op het terrein van de Life Sciences and Health met als doel de beschikbaarheid van medische producten en materialen op termijn te bevorderen.

Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek en de financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen. Daarnaast wordt het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector (mede) gefinancierd.

Bevorderen van de beschikbaarheid van donororganen door het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie. Het financieren van bijwerkingenregistraties ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.

Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid van de zorg door het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.

 

Bevorderen van de werking van het stelsel (waaronder doelmatigheid)

Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.

Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening

Het financieren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren.

De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.

Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld BIG-register) die worden bijhouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.

3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

De activiteiten in 2013 betreffen een continuering van het bestaande beleid. Voor de beleidsprioriteiten met betrekking tot de Zorgverzekeringswet wordt verwezen naar het Financieel Beeld Zorg.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

2 528 281

2 645 517

2 769 858

2 827 669

2 944 176

3 135 010

3 367 757

               

Uitgaven

2 537 003

2 627 688

2 796 291

2 828 787

2 944 176

3 135 010

3 367 757

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98%

       
               

1. Kwaliteit en veiligheid

   

114 399

93 835

79 216

89 303

74 248

               

Subsidies

   

109 003

87 732

72 589

80 059

64 154

waarvan onder andere:

             

Integrale kankercentra

   

27 040

27 390

27 740

28 090

28 090

Nederlands Kanker Instituut

   

17 100

16 919

16 538

16 538

16 538

Patiëntveiligheid curatieve zorg

   

2 585

0

0

0

0

Subsidies in relatie tot zwangerschap en geboorte

   

1 651

1 701

1 678

1 478

1 478

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

   

2 808

2 757

2 702

2 702

2 702

Perinataal Webbased dossier

   

1 000

0

0

0

0

NICTIZ

   

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins en de teratologie informatie service

   

1 224

1 224

1 224

1 224

1 224

Nederlandse Transplantatie Stichting

   

3 691

3 691

3 285

3 285

3 285

Regio's landelijke implementatie pilots orgaandonatie

   

8 281

8 256

8 256

8 256

0

Stichting Life Sciences and Health

   

20 268

11 678

0

8 768

 

Topinstituut Pharma

   

9 118

0

0

0

0

UMCG ten behoeve van het project Lifelines

   

6 100

4 600

2 802

0

0

               

Opdrachten

   

2 019

2 797

3 343

6 032

6 932

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

3 177

3 106

3 022

3 003

2 953

waarvan onder andere:

             

CIBG: donorregister

   

3 104

3 030

2 972

2 953

2 953

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

   

150

150

212

159

159

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

   

50

50

50

50

50

               

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

   

2 613 111

2 670 559

2 800 693

2 981 440

3 229 242

               

Subsidies

   

14 536

11 408

11 378

10 479

10 481

waarvan onder andere:

             

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

   

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

Anonieme e-mental health

   

2 000

0

0

0

0

Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon

   

4 744

4 744

4 744

4 744

4 744

Stichting Familievertrouwenspersoon

   

1 080

1 080

1 080

1 080

1 080

Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

   

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

               

Bekostiging

   

2 565 500

2 619 900

2 750 200

2 932 000

3 179 800

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18

   

2 565 500

2 619 900

2 750 200

2 932 000

3 179 800

               

Opdrachten

   

4 508

5 684

5 548

5 400

5 400

               

Bijdrage aan baten-lastendienst

   

951

951

951

945

945

CIBG: Farmatec

   

951

951

951

945

945

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

27 616

32 616

32 616

32 616

32 616

CVZ: Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

   

27 616

32 616

32 616

32 616

32 616

               

3. Bevorderen werking van het stelsel

   

68 781

64 393

64 267

64 267

64 267

               

Subsidies

   

13 700

11 018

10 947

10 947

10 947

waarvan onder andere:

             

Stichting DBC-Onderhoud

   

12 822

10 390

10 351

10 351

10 351

               

Inkomensoverdrachten

   

30 000

28 000

28 000

28 000

28 000

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

   

30 000

28 000

28 000

28 000

28 000

               

Opdrachten

   

3 216

3 510

3 455

3 455

3 455

waarvan onder andere:

             

Risicoverevening

   

1 359

1 407

1 387

1 387

1 387

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

12 430

12 430

12 430

12 430

12 430

CJIB: onverzekerden

   

810

810

810

810

810

CJIB: wanbetalers

   

11 620

11 620

11 620

11 620

11 620

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

   

5 335

5 335

5 335

5 335

5 335

SVB: onverzekerden

   

1 530

1 530

1 530

1 530

1 530

CVZ: onverzekerden

   

1 860

1 860

1 860

1 860

1 860

CVZ: wanbetalers

   

1 945

1 945

1 945

1 945

1 945

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

   

4 100

4 100

4 100

4 100

4 100

VenJ: Bijdrage C2000

   

4 100

4 100

4 100

4 100

4 100

               

Ontvangsten

79 996

40 653

22 128

14 953

14 953

14 953

14 953

waarvan onder andere:

             

Ontvangsten wanbetalers

   

13 900

13 900

13 900

13 900

13 900

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Instrumenten

Kwaliteit en veiligheid

Subsidies voor integrale kankercentra

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) en het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ) ondersteunen ziekenhuizen in de regio om kwalitatief hoogwaardige oncologische zorg te kunnen leveren. Het totale subsidiebedrag voor beide instellingen bedraagt in 2013 € 27,0 miljoen. VWS verleent de subsidie onder andere voor de ondersteuning van regionale netwerken en werkgroepen van professionals, de consultdiensten, de kankerregistratie, trialondersteuning, wetenschappelijk onderzoek, het ontwikkelen van kwaliteitsindicatoren, de ontwikkeling van richtlijnen en bij- en nascholing.

Subsidie voor het Nederlands Kanker Instituut

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI) is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. Het wetenschappelijk onderzoek beweegt zich op een breed gebied dat fundamenteel biologische vraagstellingen, klinisch onderzoek, epidemiologie en psychosociaal onderzoek omvat. De combinatie van een focus op oncologie en de aanwezigheid van state of the art kennis en technologie, maakt dat het NKI goed past binnen het concentratie- en specialisatiebeleid van VWS. Het NKI krijgt in 2013 € 17,1 miljoen subsidie van VWS. Dit bedrag bestaat uit een instellingssubsidie van € 12 miljoen en een subsidie voor de kapitaallasten van € 5 miljoen.

Subsidies voor patiëntveiligheid curatieve zorg

De afgelopen jaren is door partijen en de overheid ingezet op een structurele verbetering van de veiligheid in de zorg met als doel minder (vermijdbare) schade en sterfte. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van verantwoorde zorg. Om dat te kunnen bereiken moet kwaliteit van zorg meetbaar en zichtbaar zijn, met veiligheid als integraal onderdeel daarvan. VWS financiert op tijdelijke basis een veiligheidsprogramma voor de sectoren (academische) ziekenhuizen, curatieve ggz-instellingen en zelfstandige behandelcentra (zbc’s). Deze veiligheidsprogramma’s lopen in 2013 af met uitzondering van het programma voor de zbc’s dat ook later is gestart. Deze programma’s richten zich op de implementatie van een veiligheidsmanagementsysteem (VMS) en op concrete acties op risicovolle thema’s. Het is aan zorgaanbieders, professionals, zorggebruikers en zorgverzekeraars om hun rol op te pakken en na afloop van de programma’s veiligheid als onderdeel van kwaliteit verder te integreren in de zorgprocessen en werkcultuur. Het VMS veiligheidsprogramma voor de ziekenhuizen (zie www. vmszorg.nl) heeft onder meer als doel dat alle 93 deelnemende ziekenhuizen eind 2012 een geaccrediteerd VMS hebben. Per 1 juni 2012 waren dat er 43 en de verwachting is dat op 1 januari 2013 bijna alle 93 ziekenhuizen geaccrediteerd zullen zijn. Voor de curatieve zorg zal VWS op het gebied van patiëntveiligheid in 2013 circa € 2,6 miljoen uittrekken.

In de afgelopen jaren zijn diverse activiteiten in gang gezet om de medicatieveiligheid te verbeteren. Aan de hand van de resultaten van de herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelgebruik (IPCI/Harm) zal nader worden bepaald welke activiteiten VWS nog kan ondersteunen/faciliteren om de medicatieveiligheid nog een stap verder te brengen.

Subsidies en opdrachten in relatie tot zwangerschap en geboorte

In navolging van de adviezen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte (TK 32 279, nr. 10) neemt het kabinet maatregelen om de perinatale gezondheid in Nederland te verbeteren. Dat moet er mede toe leiden dat de bovengemiddelde babysterfte in ons land drastisch wordt teruggedrongen. In 2013 is voor de maatregelen zwangerschap en geboorte in totaal circa € 2,0 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden deels verantwoord onder artikel 1 Volksgezondheid.

Subsidie ten behoeve van registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

Er wordt subsidie (€ 2,8 miljoen) verleend aan de Stichting Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) voor het in stand houden van een landelijke databank met alle pathologie-uitslagen in Nederland.

Subsidie Perinataal Webbased dossier

Het PWD-programma (Perinataal Webbased Dossier) werkt aan goede digitale gegevensuitwisseling in de perinatale zorg. Het programma richt zich vooralsnog op de uitwisseling tussen de professionals in de verloskundige keten en op uitwisseling tussen verloskundig professionals en de centrale registraties van het RIVM en de Stichting Perinatale Registratie Nederland. Het Ministerie van VWS heeft de KNOV, NVOG en Nictiz opdracht gegeven om een plan met een gezamenlijke koers voor de fase 2b op te stellen als vervolg op fasen 1 en 2a. In 2013 is hiervoor € 1,0 miljoen gereserveerd.

Subsidie aan Nictiz

Nictiz is het landelijke expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. Er wordt € 5,0 miljoen subsidie verleend aan Nictiz om een coördinerende functie te vervullen bij de ontwikkeling van ICT- en informatiestandaarden en implementatieondersteuning bij het gebruik van deze standaarden. Tevens fungeert Nictiz als kennis- en expertisecentrum en vervult het een verbindende rol bij de ontwikkeling en het gebruik van ICT in de zorg.

Subsidies voor de bijwerkingenregistratie voor vaccins en de Teratologie Informatie Service

De stichting Lareb ontvangt een subsidie van € 1,2 miljoen voor het systematisch verzamelen van gegevens over bijwerkingen van de in het Rijksvaccinatieprogramma gebruikte vaccins en het verstrekken van informatie over en het doen van onderzoek naar het gebruik van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap en de lactatieperiode (teratologie informatie service).

Subsidie aan de Nederlandse Transplantatie Stichting en orgaandonatieregio’s

De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) verzorgt onder andere voorlichting over donatie van weefsels en organen aan burgers en professionals en voert activiteiten uit rond donorwerving. Daartoe ontvangt de NTS circa € 3,7 miljoen subsidie in 2013. In de brief van 21 december 2011 (TK 28 140 nr. 81) is het voornemen geuit om de in de regio’s Groningen en Leiden uitgevoerde pilots landelijk uit te rollen en de pilot in Maastricht rond non-heart-beating donoren voort te zetten. De activiteiten zijn in 2012 voortgezet in de pilotregio’s en gestart in de overige regio’s. Voor het uitvoeren van deze activiteiten ontvangen de zeven Orgaandonatieregio’s en de NTS subsidies van in totaal € 21 miljoen, waarvan € 8,3 miljoen in 2013. De projecten worden in de periode 2012 – 2014 geëvalueerd.

Kengetallen orgaandonatie

Kengetallen orgaandonatie

Bron: Jaarverslag 2011 van de Nederlandse Transplantatie Stichting ( www.nts.nl ).

Het aantal transplantaties met organen van postmortale donoren is in 2011 toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor.

Subsidies aan de Stichting Life Sciences and Health, Lifelines en het Topinstituut Pharma

Uit de voormalige FES-gelden wordt subsidie verstrekt aan projecten op het gebied van Life Sciences and Health en het Topinstituut Pharma. In 2013 is hiervoor een bedrag van € 29,4 miljoen geraamd. Het Agentschap NL Innovatie verzorgt het subsidiebeheer voor de projecten Life Sciences and Health en het Topinstituut Pharma. Hiervoor ontvangt het agentschap een vergoeding van € 0,1 miljoen.

Uit de voormalige FES-gelden wordt tevens het Lifelines project bekostigd. Het LifeLines project heeft als doel te onderzoeken waarom sommige mensen gezond ouder worden en andere mensen al op jonge leeftijd problemen met hun gezondheid krijgen. Er is speciale aandacht voor chronische ziekten, zoals astma, diabetes en nierfalen. Daartoe wordt in de periode 2010–2015 een subsidie verstrekt aan het UMCG van € 40 miljoen, waarvan € 6,1 miljoen in 2013.

De bestaande stichting Life Sciences and Health, die is belast met de uitvoering van het Life Sciences and Health (LSH) programma uit de FES-ronde van 2009, wordt omgevormd tot het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI), dat voor de gehele topsector LSH invulling zal gaan geven aan het onder regie van de minister van EL&I ingezette Topsectorenbeleid. Het gaat hierbij om het op gang brengen en houden van publiek-private samenwerking en om het benutten van kansen voor onderzoek, productontwikkeling, productie en zorgverbetering in Nederland. Door VWS wordt ook bijgedragen aan het TKI-programma (innovatiecontract), zoals is aangegeven in de Bedrijfslevenbrief van 13 september 2011 (TK 32 637, nr. 15).

Bijdrage aan baten-lastendiensten CIBG ten behoeve van Donorregister

VWS verleent een bijdrage (€ 3,1 miljoen) aan de baten-lastendienst Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) voor het registeren van potentiële orgaandonoren in het Donorregister.

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies voor eerstelijns gezondheidscentra in Vinex-gebieden

Het is van belang dat er ondanks marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties geïntegreerde eerstelijnszorg wordt aangeboden. Daarom zullen gezondheidscentra waarbij sprake is van marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties contractueel worden belast met het aanbieden van die zorg bij wijze van dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat zij de taak hebben om op die locaties geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiertoe zullen zij gedurende de aanloopperiode (maximaal 5 jaar) ter compensatie subsidie ontvangen. Hiervoor is in 2013 circa € 2,0 miljoen beschikbaar.

Subsidies voor anonieme e-mental health

Voor de financiering van anonieme e-mental health is in 2012 en 2013 jaarlijks een subsidie van € 2,0 miljoen beschikbaar. Om dit geld te verdelen over het brede palet van anonieme e-mental health aanbieders is een beleidskader anonieme e-mental health opgesteld, waarop aanbieders subsidieaanvragen hebben ingediend. Dit beleidskader is een tijdelijke maatregel, waarmee in 2012 en 2013 subsidie wordt verstrekt aan een aantal aanbieders van anonieme e-mental health. Met deze tijdelijke maatregel is ruimte gecreëerd om een structurele oplossing, zoals een tender onder zorgverzekeraars uitschrijven, vorm te geven. Er wordt met het CVZ gesproken om dit verder uit te werken. Op deze manier wordt de financiering van anonieme e-mental health geborgd, echter niet binnen het reguliere bekostigingssysteem. Indien blijkt dat dit in de toekomst wel haalbaar is, kan een dergelijke oplossing alsnog worden overwogen (TK 27 529, nr. 108).

Subsidie Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon

De patiëntenvertrouwenspersoon (pvp) verleent cliënten die zijn opgenomen in een ggz-instelling advies, informatie en bijstand bij de handhaving van hun rechten. De werkzaamheden van de patiëntenvertrouwenspersoon hebben een wettelijke basis in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en het besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz. Met de subsidie (€ 4,7 miljoen) stelt VWS de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon in staat deze wettelijke taak onafhankelijk van de instellingen uit te voeren. De subsidie dekt zowel de bureaukosten van de stichting als de inzet van de vertrouwenspersonen.

Subsidie Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen

Op dit moment zijn in een aantal ggz-instellingen familievertrouwenspersonen (fvp) werkzaam die familieleden en naasten voorzien in advies, bijstand en informatie over de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg. VWS financiert de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP) in verband met de uitvoering van de motie TK 30 492, nr. 23, waarin werd verzocht om in iedere ggz-instelling een familievertrouwenspersoon beschikbaar te hebben. Het subsidiebedrag van € 1,1 miljoen is gebaseerd op gefaseerde introductie van de fvp in ggz-instellingen en landelijke uitrol van de familievertrouwenspersoon. Met deze subsidie van VWS worden de LSFVP, de werkzaamheden van familievertrouwenspersonen in ggz-instellingen en de landelijke helpdesk van de LSFVP gefinancierd.

Subsidie Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) is een organisatie die zich bezig houdt met het verspreiden van informatie en oplossingen voor een goed, veilig, betaalbaar, doelmatig en verantwoord medicijngebruik. Er wordt subsidie (€ 1,0 miljoen) verleend aan het IVM voor de ontwikkeling en het onderhoud van materialen voor het farmacotherapeutisch overleg tussen huisartsen en apothekers, om informatie over geneesmiddelen in relatie tot ongewenste beïnvloeding te verzamelen en dit toegankelijk te maken voor beroepsbeoefenaren en daarmee deze ongewenste beïnvloeding tegen te gaan en tot slot voor een benchmark voorschrijven door huisartsen.

Bekostiging Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18 –

Met de rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds wordt voorkomen dat huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar hoge zorglasten hebben (€ 2,6 miljard). Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie. De rijksbijdrage voorziet in de financiering van de premie van deze kinderen.

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG

Bij de door het CIBG verrichte taken op het gebied van productveiligheid gaat het om vergunning- en ontheffingsverlening op grond van de Geneesmiddelenwet, de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal en de Wet inzake bloedvoorziening (€ 1,0 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

Zorgaanbieders kunnen een bijdrage vragen aan het CVZ als zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen en de kosten niet verhaalbaar blijken op de patiënt. Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet gestelde voorwaarden. Voor compensatie aan de zorgaanbieders is in 2013 € 27,6 miljoen beschikbaar.

Bevorderen van de werking van het stelsel

Subsidie aan Stichting DBC-Onderhoud

De Stichting DBC-Onderhoud (DBCO) ontvangt een instellingssubsidie (€ 12,8 miljoen) voor de uitvoering van haar werkzaamheden aan de productstructuur somatiek en curatieve geestelijke gezondheidszorg. DBCO dient hiervoor een werkplan en een begroting in die vooraf met de NZa moeten worden besproken en goedgekeurd. Het convenant met DBCO is met ingang van 2013 beëindigd. De subsidierelatie met DBCO op basis van dit convenant zal worden herijkt.

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel (inkomensoverdracht)

Met de ambulancediensten zijn in de afgelopen jaren afspraken gemaakt over de vergoeding van het overgangsrecht ouderenregelingen. Deze regelingen zijn voor de werknemers bij de ambulancediensten afhankelijk van de verschillende CAO’s die voor de diensten golden (publiek, particulier en privaat). Met elk van de groepen is een overeenkomst gesloten, waarin is geregeld dat 95% van de kosten bij VWS gedeclareerd kan worden. Om verschillen in de tariefstelling ten gevolge van de ouderenregelingen te voorkomen, is ervoor gekozen de betalingen van alle drie deze regelingen via de begroting van VWS te laten verlopen (totaal € 30,0 miljoen in 2013).

Opdrachten Risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan de gewijzigde omstandigheden in de zorg. In 2013 wordt vooral het vereveningsmodel voor de curatieve geestelijke gezondheidszorg verbeterd. Verder zal aandacht besteed worden aan de aanbevelingen van de Commissie Evaluatie Riscoverevening Zvw en vindt er een kwantitatieve analyse plaats van de werking van het vereveningssysteem. Hiervoor is in 2013 circa € 1,4 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan baten-lastendienst CJIB en ZBO’s/RWT’s CVZ en SVB in verband met actieve opsporing onverzekerden

Het kabinet vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het CVZ door middel van vergelijking van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebouwd bestand van alle AWBZ-verzekerden en het referentiebestand verzekerden Zorgverzekeringswet (RBVZ) dat alle Zvw-verzekerden bevat. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald (€ 4,2 miljoen in 2013).

Bijdragen aan baten-lastendienst CJIB en ZBO/RWT CVZ in verband met terugdringen aantal wanbetalers

Op grond van de Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering worden wanbetalers die geen premie betalen bij zes maanden premieachterstand door de zorgverzekeraar overgedragen aan het CVZ. Via onder andere bronheffing betalen zij verplicht een bestuursrechtelijke premie van 130%. De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald. Van de bestuurlijke premie die wanbetalers betalen wordt 30/130 ste deel aangewend voor de uitvoering. In 2012 is een begin gemaakt met activiteiten die erop gericht zijn te voorkomen dat mensen in een bestuursrechtelijk premieregime terecht komen (door onder andere samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten). In 2013 zullen deze preventieve activiteiten, die ertoe strekken de betaal- en afloscapaciteit van de schuldenaar zo optimaal mogelijk aan te wenden voor aflossing van premieschulden, worden doorontwikkeld. Eveneens zullen in 2013 maatregelen worden (door)ontwikkeld ter optimalisering van het bestuursrechtelijke premieregime en het bevorderen van de uitstroom eruit (TK 33 077 nr. 1).

De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald (€ 13,6 miljoen in 2013).

Kengetallen onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet
 

2011

Raming 2012

Aantal onverzekerden eind december bij het CVZ

58 000

39 000

Aantal wanbetalers eind december bij het CVZ

318 000

293 000

Bron: maandrapportage CVZ.

Voor het jaar 2012 is de raming gebaseerd op de actuele cijfers uit de maandrapportage van het CVZ van 30 juni 2012.

Bijdrage aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor exploitatiekosten SLA C2000/GMS

VWS draagt 4,5% bij aan de exploitatiekosten van het digitale communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, C2000. Daarmee is het aandeel van de ambulancezorg gedekt. Deze kosten zijn structureel (€ 4,1 miljoen).

Ontvangsten

Ontvangsten wanbetalers en onverzekerden

De ontvangsten als gevolg van de aan wanbetalers opgelegde bestuursrechterlijke premie worden met ingang van 2012 voor 100/130ste deel toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds; 30/130ste deel hiervan wordt toegevoegd aan de begroting van VWS, waaruit de uitvoeringskosten worden gefinancierd. De ontvangsten als gevolg van de inning van bestuurlijke boetes in geval van onverzekerdheid worden toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds.

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg
1. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor zorg en ondersteuning voor mensen met een langdurige of chronische aandoening van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard. Dit met het oog op het zo lang mogelijk participeren in de samenleving en hun omgeving en behoud van eigen regie tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Kengetal: Participatie van mensen met een lichamelijke beperking

Kengetal: Participatie van mensen met een lichamelijke beperking

Bron: Rapportage participatiemonitor 2011, NIVEL.

De ontwikkeling van de participatie onder mensen met een lichamelijke beperking in Nederland voor de domeinen sociale contacten, wonen, werk, vrijetijdsbesteding, vervoer en opleiding was stabiel voor de periode 2007–2010. Mensen met een lichamelijke beperking zijn conform het NIVEL-rapport mensen met langdurige motorische en/of zintuiglijke beperkingen. De ernst van de beperking wordt vastgesteld aan de hand van de activiteiten die men nog (zelfstandig) kan doen. Het gaat om activiteiten op het gebied van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en mobiliteit, huishoudelijke activiteiten en om het zien en horen.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

De minister is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat randvoorwaarden schept om de toegankelijkheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid hiervan te waarborgen voor de burger. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vormen de wettelijke basis voor dit stelsel. De minister financiert de AWBZ en via het Gemeentefonds worden de Wmo, het verslavingsbeleid, de openbare geestelijke gezondheidszorg en de decentralisatie-uitkeringen vrouwenopvang en maatschappelijke opvang gefinancierd. De premie-uitgaven en ontvangsten op het terrein van langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ). Op dit begrotingsartikel worden de begrotingsuitgaven voor langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning verantwoord.

De minister stimuleert de ontwikkeling en brede verspreiding van innovaties en best practices op het gebied van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en ondersteunt initiatieven om de klantgerichtheid, de kwaliteit en het innoverend vermogen van zorgaanbieders te versterken.

De minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de AWBZ en door het verstrekken van instellingssubsidies aan partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

De minister regisseert de Wmo en de AWBZ door onder meer het stellen van wettelijke kaders, het maken van bestuurlijke afspraken en het monitoren van de uitkomsten. De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van het bovenregionaal vervoer en het mantelzorgcompliment.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid

Programma’s «Welzijn Nieuwe Stijl» en «de Kanteling».

Ondersteuningsprogramma zwerfjongeren.

Project Aanpak geweld in huiselijke kring, waaronder versterking.

Door subsidies en opdrachten verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van maatschappelijke ondersteuning.

Financiering Wet Maatschappelijke Ondersteuning, decentralisatie-uitkering vrouwenopvang en decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid, openbare geestelijke gezondheidszorg.

Subsidies en opdrachten voor kennis en advies (o.a. Movisie).

Bekostiging bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer.

Financiering mantelzorgcomplimenten en ondersteuning en versterking van de kwaliteit van mantelzorg.

Uitvoering acties uit de brief «Geweld In Afhankelijkheidsrelaties» en het Actieplan «Ouderen in veilige handen».

Beheer wettelijk kader Wmo en aanpassing Wmo: versterking positie slachtoffers geweld in huiselijke kring.

Voorbereiding ratificering VN Verdrag inzake de rechten van personen met een beperking.

Ontwikkeling wetgeving: Wet Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

De Sociale Verzekeringsbank verzorgt de uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning.

Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Programma’s «In voor Zorg» en «Ambient assisted living».

Implementatie kwaliteitskader verantwoorde zorg.

Nationaal programma ouderenzorg «Zorg voor Beter» en programma «Meer tijd voor de cliënt».

ZonMw-verbeterprogramma voor meer kwaliteit en een doelgerichte en efficiënte aanpak van palliatieve zorg.

Subsidies aan Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ),

Centra voor Consultatie en Expertise (CCE) en op grond van de regeling Palliatief Terminale Zorg.

Subsidies en opdrachten kennis en advies (o.a. Vilans).

Bekostiging bijdrage in kosten van kortingen.

Beheer wettelijk kader AWBZ.

Terugdringen administratieve lasten door programma «Meer tijd voor de cliënt».

Opstellen beleidsregels

indicatiestelling en kwaliteitseisen.

Wettelijke verankering pgb

Ontwikkeling regelgeving: Wet Zorg en Dwang.

Het CIZ verzorgt de indicatiestelling voor de AWBZ.

Het College voor zorgverzekeringen verzorgt de AWBZ-brede zorgregistratie.

3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

Voor 2013 ligt de nadruk op de volgende prioriteiten:

  • De gemeenten, aanbieders en cliënten- en patiëntenorganisaties zullen worden ondersteund bij de voorbereidingen van de mogelijke decentralisatie van begeleiding naar de Wmo.

  • De kennis die de afgelopen jaren is ontwikkeld voor een betere uitvoering van de Wmo, zal worden geïmplementeerd bij de beroepskrachten in de Wmo.

  • De horizontale verantwoording (art. 9 Wmo) zal worden verbeterd door een standaard cliëntervaringsonderzoek te ontwikkelen.

  • De positie van zwerfjongeren zal worden verbeterd door een ondersteuningsprogramma voor de centrumgemeenten (brief «Beleidsvoornemens maatschappelijke opvang en zwerfjongeren», TK 32 620, nr. 21).

  • De positie van (potentiële) slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties zal door een brede ketenaanpak worden versterkt (brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties», TK 28 345, nr. 117).

In de brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties» staat de brede aanpak beschreven. Een van de pijlers is het versterken van de positie van (potentiële) slachtoffers. In dat kader staat de ketenaanpak centraal. Geweld moet zoveel mogelijk worden voorkomen en waar het toch voorkomt zo vroeg mogelijk worden gesignaleerd en worden gestopt. Bij dat laatste hoort ook veilige opvang. Ten slotte moet de schade worden beperkt (inclusief nazorg). Een algemene, brede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties is het uitgangspunt. Waar nodig worden extra maatregelen genomen voor specifieke vormen van geweld, zoals ouderenmishandeling en kindermishandeling.

Onderdeel van de aanpak is de versterking van het beleid rondom geweld in huiselijke kring. Het bestaande stelsel vrouwenopvang wordt daartoe versterkt en verbreed. In dat kader gaan de centrumgemeenten regiovisies ‘aanpak geweld in huiselijke kring’ opstellen, waarin onder meer wordt ingegaan op kwaliteitsbeleid en toezicht. De positie van slachtoffers van huiselijk geweld wordt versterkt door een wijziging van de Wmo, de opvang van specifieke groepen zal worden gedecentraliseerd naar centrumgemeenten en de middelen van de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang zullen (uiterlijk vanaf 2015) volgens een nieuw model worden verdeeld.

Om signalering te bevorderen wordt de implementatie van de uitgangspunten van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (dossiernummer 33062) verder voortgezet, onder meer door een communicatiecampagne. Ook de uitvoering van het actieplan «Ouderen in veilige handen» (TK 29 389, nr. 30) zal in 2013 worden voortgezet en gaat gepaard met een voorlichtingscampagne onder ouderen.

  • De balans tussen formele en informele zorg wordt verbeterd en de mantelzorgers worden meer ondersteund door professionals en gemeenten (brief «Beleidsbrief mantelzorg», TK 30 169, nr. 26).

  • De overeenkomst voor de uitvoering van het bovenregionale gehandicaptenvervoer (BRV, nu bekend als Valys) loopt af per 1 april 2013. De Europese aanbesteding voor een nieuwe periode van het BRV zal in het najaar van 2012 worden afgerond en de toegang tot het BRV zal worden verscherpt.

  • In 2013 wordt de kwaliteit en doelmatigheid van de langdurige zorg verbeterd door de kennis uit het programma «In Voor Zorg!» te verspreiden en te implementeren.

  • Het Centrum voor Consultatie en Expertise zal frequenter aandacht schenken aan het behalen van de ontwikkelingsdoelen voor cliënten en specifiek meer aandacht schenken aan cliënten in de ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg. De kwaliteit van het leven van de cliënt moet voorop staan.

  • Onder het programma «Meer tijd voor de cliënt» vallen meerdere projecten. In 2013 zullen onder meer de 28 experimenten «regelarm» ten uitvoering worden gebracht en 700 meldingen van aanbieders in de langdurige zorg over regels die kwaliteits- of doelmatigheidsverbetering in de weg staan en die leiden tot onnodige bureaucratie in de zorg worden beoordeeld. Dit met het oog op een landelijke uitrol van de verbeteringen.

  • De bestaande modaliteiten die zorgen voor de vereenvoudiging van de indicatiestelling (onder andere de meldingen 80-plus) worden in 2013 verder onderzocht en bij een positief oordeel ingevoerd.

  • Om het pgb-instrument meer solide te maken wordt vanaf 2013 ingezet op het voeren van face-to-face-gesprekken bij de indicatiestelling, het invoeren van een bruto pgb per 1 januari 2014 en het pgb als trekkingsrecht. Aanvullend zal op basis van een risicoanalyse en fraudesignalen een plan van aanpak van fraude worden opgesteld en in 2013 worden uitgevoerd.

  • In 2013 wordt een breed actieplan tegen «onvrijwillige» zorg uitgevoerd. Dit in het licht van het wetvoorstel zorg en dwang dat ter behandeling voor ligt in de Tweede Kamer.

  • Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld om de palliatieve zorg te versterken. Bij deze versterking wordt aangesloten op de lijnen van het witboek palliatieve zorg. De inzet van de middelen is gericht op de kwaliteit van zorg, consultatie en kennisontwikkeling en -verspreiding, met als uitgangspunt dat de middelen zoveel mogelijk bij de cliënt terecht komen. Daarnaast wordt de inzet van vrijwillige palliatieve zorg verder ondersteund door een ophoging van het subsidieplafond in de Regeling Palliatief Terminale Zorg.

  • In 2013 vervolgt de werkgroep autisme haar werkzaamheden om het ondersteuningsaanbod beter aan te laten sluiten bij de behoefte aan zorg en ondersteuning.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

5 605 091

5 662 779

4 142 460

4 400 655

4 637 188

4 745 297

4 862 997

               

Uitgaven

5 638 049

5 670 392

4 142 604

4 400 655

4 637 188

4 745 297

4 862 997

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97%

       
               

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

   

187 880

177 595

171 359

171 223

171 223

               

Subsidies

 

 

42 600

35 046

33 388

33 279

33 279

waarvan onder andere:

             

Movisie

   

7 929

7 929

7 929

7 929

7 929

Mezzo

   

3 490

3 490

3 490

3 490

3 490

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

   

12 400

12 400

12 400

12 400

12 400

               

Bekostiging

 

 

430

430

430

430

430

               

Inkomensoverdrachten

 

 

66 415

65 409

65 409

65 409

65 409

Mantelzorgcompliment

   

66 415

65 409

65 409

65 409

65 409

               

Opdrachten

 

 

72 235

70 510

69 132

69 105

69 105

waarvan onder andere:

             

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

   

60 280

60 280

60 280

60 280

60 280

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

   

3 100

3 100

3 100

3 100

3 100

Evaluatie Wmo

   

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

 

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

SVB: uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning

   

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

 

3 200

3 200

3 200

0

0

VenJ: opvang minderjarige meisjes

   

2 000

2 000

2 000

0

0

Gemeentefonds: opvang speciale doelgroepen

   

1 200

1 200

1 200

0

0

               

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

   

3 954 724

4 223 060

4 465 829

4 574 074

4 691 774

               

Subsidies

   

213 981

207 192

188 193

184 125

185 445

waarvan onder andere:

             

Centrum Indicatiestelling Zorg

   

108 624

106 745

105 272

104 807

104 807

Uitvoeringskosten pgb-maatregelen

   

25 000

25 000

25 000

25 000

25 000

Aanpak fraude pgb

   

15 000

15 000

0

0

0

Subsidieregeling palliatieve zorg

   

18 810

18 810

18 810

18 810

18 810

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

   

9 350

8 500

8 500

8 500

8 500

Programma «In voor zorg!»

   

9 391

9 295

6 270

0

0

Stichting Centrum Consultatie en expertise

   

9 949

9 873

9 797

9 797

9 797

Vilans

   

5 100

0

0

0

0

Integraal kankercentrum Nederland

   

6 400

6 400

6 400

6 400

6 400

Programma «Meer tijd voor de cliënt»

   

619

858

0

0

0

               

Bekostiging

   

3 719 400

3 992 100

4 252 700

4 361 500

4 479 200

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

   

3 719 400

3 992 100

4 252 700

4 361 500

4 479 200

               

Opdrachten

   

19 307

21 768

22 936

26 449

25 129

waarvan onder andere:

             

Programma «Meer tijd voor de cliënt»

   

1 875

2 600

0

0

0

Programma «Kwaliteit palliatieve zorg»

   

1 900

1 900

1 900

0

0

Programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning»

   

4 000

4 000

4 000

4 000

0

Onwikkeling en evaluatie pgb

   

500

500

500

500

500

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

2 036

0

0

0

0

CIBG: Opdrachtgeverschap WTZi

   

2 036

0

0

0

0

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

   

0

2 000

2 000

2 000

2 000

CVZ: AWBZ-brede zorgregistratie

   

0

2 000

2 000

2 000

2 000

               

Ontvangsten

3 797

3 441

3 441

3 441

3 441

3 441

3 441

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Instrumenten

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Subsidie aan Movisie

Het kennisinstituut Movisie ontvangt in 2013 circa € 7,9 miljoen subsidie voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen bij de adequate uitvoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo.

Subsidie Mezzo

De vereniging Mezzo ontvangt subsidie voor het versterken van de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning (circa € 3,5 miljoen).

Inkomensoverdrachten en bijdrage aan ZBO/RWT SVB ten behoeve van het mantelzorgcompliment

Als blijk van waardering kunnen zorgvragers hun mantelzorger voordragen voor een mantelzorgcompliment (Regeling maatschappelijke ondersteuning). Hiervoor is in 2013 € 66,4 miljoen beschikbaar.

Er wordt een bijdrage aan de Sociale Verzekeringsbank verleend voor uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning op basis waarvan het mantelzorgcompliment wordt verstrekt (circa € 3,0 miljoen in 2013).

Kengetal: aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in een jaar

Kengetal: aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in een jaar

Bron:Sociale Verzekeringsbank.

Het aantal mantelzorgcomplimenten 2012 betreft een raming.

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken aanpak geweld in afhankelijkheidsrelaties inclusief ouderenmishandeling

Voor de uitvoering van het actieplan «Ouderen in veilige handen» is met ingang van 2012 structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang, zodat centrumgemeenten in staat worden gesteld om de lokale en regionale aanpak van ouderenmishandeling te versterken.

Daarnaast is nogmaals € 7 miljoen vanaf 2012 structureel toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering om onder meer de hulpverlening na een tijdelijk huisverbod te verbeteren en de Steunpunten Huiselijk Geweld en de ketenpartners in staat te stellen een toenemend aantal meldingen (en daaruit voortkomende hulpvraag) te verwerken.

De resterende middelen (€ 15,5 miljoen) zijn beschikbaar voor de uitvoering van diverse acties uit de brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties» (TK 28 345, nr. 117), zoals de introductie van een nieuw verdeelmodel, het doen ontwikkelen van regiovisies «geweld in huiselijke kring», het zorgvuldig overhevelen van de opvang van specifieke groepen slachtoffers naar het gemeentelijke domein en het borgen van kwaliteit. Daarmee wordt de ketenaanpak verstevigd.

Bijdragen aan begroting van Veiligheid en Justitie en het Gemeentefonds voor opvang specifieke groepen

Via de begroting van Veiligheid en Justitie wordt de opvang van minderjarige meisjes gefinancierd (€ 2,0 miljoen). De financiering van de pilots opvang voor specifieke groepen, waaronder ook de mannenopvang (€ 1,2 miljoen) via het Gemeentefonds blijft gehandhaafd, totdat (in 2015) de structurele oplossing (met gemeentelijke verantwoordelijkheid) is gerealiseerd.

Opdracht bovenregionaal gehandicaptenvervoer

Mensen met een mobiliteitsbeperking kunnen gebruik maken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (BRV, voorheen bekend als Valys) per (deel)taxi (€ 60,3 miljoen in 2013).

Kengetal: Valys indexcijfers

Kengetal: Valys indexcijfers

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2011, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale Openbaar Vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers. In 2011 was de klanttevredenheid over het BRV onverminderd hoog en stabiel (over het geheel genomen waarderen pashouders het reizen met het BRV met een 8,7).

Opdracht evaluatie Wmo

Het Sociaal en Cultureel Planbureau voert de tweede evaluatie van de Wet maatschappelijke opvang over de periode 2010–2013 uit (€ 1,2 miljoen).

Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidie aan het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Het Centrum Indicatiestelling Zorg verzorgt de onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling voor de AWBZ en ontvangt hiervoor in 2013 € 108,6 miljoen.

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is afgedaan binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is afgedaan binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Bron: Jaarverslag CIZ 2011.

Subsidies uitvoeringskosten pgb-maatregelen en aanpak fraude pgb en opdracht evaluatie pgb

Er worden extra middelen uitgetrokken (in totaal € 25 miljoen) voor de uitvoering van de afspraken over het pgb, zoals het realiseren van meer gesprekken met budgethouders, de invoering van de bruto pgb en het pgb als trekkingsrecht. Voor de intensivering van de aanpak van fraude is in 2013 en 2014 € 15,0 miljoen beschikbaar gekomen (zie TK 33 280, nr. 1). Hiervoor zal een plan van aanpak worden gemaakt dat in het najaar naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd. Evenals voorgaande jaren zal de evaluatie van de pgb-maatregelen worden gemonitord.

Subsidies en opdrachten ten behoeve van (kwaliteitsverbetering) palliatieve zorg

Vanaf 2013 wordt jaarlijks circa € 10 miljoen extra beschikbaar gesteld om de kwaliteit van de palliatieve zorg te verbeteren (TK 33 280, nr. 1). De extra middelen voor palliatieve zorg worden, met inachtneming van het witboek palliatieve zorg, ingezet volgens de volgende lijnen. Het subsidieplafond ten behoeve van de vrijwillige palliatieve terminale zorg (zoals vastgelegd in de Regeling palliatieve terminale zorg) wordt met 10% opgehoogd. De overige middelen zullen worden besteed aan versterking van de palliatieve zorg in ziekenhuizen door stimulering van consultteams. Daarnaast wordt de eerste lijn verder versterkt door laagdrempelige beschikbaarheid van specifieke deskundigheid en vroegtijdige signalering. Er zal bovendien een continuering van het ZonMw-onderzoeksprogramma worden opgezet, met nadruk op deskundigheidsbevordering van verzorgenden (in verpleeg- en verzorgingshuizen) en verankering in opleidingen. Afstemming wordt gezocht met de «kerngroep palliatieve zorg». Ten slotte zal extra aandacht zijn voor bijzondere doelgroepen en de versterking van mantelzorg.

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste levensfase per 30 juni van een jaar

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste levensfase per 30 juni van een jaar

Bron: VWS, op basis van subsidieregeling Palliatief Terminale Zorg.

De middelen uit de subsidieregeling Palliatief Terminale Zorg zijn bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die organisaties maken voor de coördinatie van vrijwilligers die ingezet worden in palliatief terminale situaties. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van het aantal zorginzetten in de periode voorafgaand aan de aanvraag.

Subsidie programma «In voor zorg!»

Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving, zoals een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk en het daarmee samenhangende overheidsbeleid. Het programma «In voor zorg!» helpt zorgorganisaties hun werkprocessen in te richten met het oog op deze toekomst. Het programma wordt uitgevoerd door Vilans, dat hiervoor een projectsubsidie ontvangt (€ 9,4 miljoen).

Subsidie aan stichting Centrum Consultatie en Expertise

De stichting Centrum Consultatie en Expertise ontvangt een subsidie van € 9,9 miljoen voor het bieden van perspectief aan individuele cliënten met een bijzondere zorgvraag door inzet van expertise en (tijdelijke) extra ondersteuning.

Subsidie aan Vilans

Vilans is het kenniscentrum voor de langdurende zorg. Samen met professionals in het veld ontwikkelt Vilans vernieuwende en praktijkgerichte kennis en vinden nieuwe inzichten en goede voorbeelden snel en succesvol hun weg in de praktijk. Het betreft een basisbudget en een programmabudget voor kennisactiviteiten (€ 5,1 miljoen).

Subsidie Integraal kankercentrum Nederland

Het Integraal kankercentrum Nederland voor Het Integraal Kankercentrum ontvangt een instellingssubsidie van € 6,4 miljoen om, als organisatie waarin deskundigheid over alle facetten van palliatieve zorg is samengebracht, de primaire zorgvraag te ondersteunen door middel van consultatie en ontwikkeling van na- en bijscholing.

Subsidies en opdrachten in het kader van het programma «Meer tijd voor de cliënt»

Het programma «Meer tijd voor de cliënt» richt zich op de aanpak van de bureaucratie in de langdurige zorg. In het kader van dit programma worden opdrachten (circa € 1,3 miljoen) en subsidies (€ 0,6 miljoen) verleend die het programma ondersteunen, zoals voor onderzoek en communicatie.

Bekostiging Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld om de lagere premieopbrengst van de AWBZ als gevolg van de grondslagverkleining van de AWBZ bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 te compenseren (€ 3,7 miljard).

Opdrachten Informatievoorziening Zorg en Ondersteuning

Op het terrein van de informatievoorziening wordt een aantal projecten uitgevoerd in samenwerking met onder andere VNG, Zorgverzekeraars Nederland en uitvoeringsorganisaties. Doel is onder meer bevordering van de standaardisering van gegevensuitwisseling Wmo en AWBZ, vereenvoudiging en modernisering van de AWBZ-brede zorgregistratie en beheer en verdere optimalisatie van de webvoorziening Regelhulp (circa € 4,0 miljoen).

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG in verband met WTZi

Het CIBG verleent in het kader van de uitvoering van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) toelatingen aan zorginstellingen. De Wtzi komt te vervallen op het moment dat de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) in werking treedt. Als gevolg van het controversieel verklaren van de Wcz is de invoeringsdatum onzeker geworden. Daarom zal in 2013 deze taak naar verwachting in dezelfde omvang door het CIBG moeten worden uitgevoerd als in 2012 (circa € 2,0 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor AWBZ-brede zorgregistratie

De AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) is een uniforme systematiek waarmee indicatieorganen, zorgkantoren en zorgaanbieders elektronisch informatie over cliënten kunnen uitwisselen. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) draagt zorg voor de specificaties van de AZR, de standaarden en de bedrijfsregels en begeleidt de implementatie van de AZR en ontvangt daarvoor een bijdrage van VWS.

Artikel 4 Zorgbreed beleid
1. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

De minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan. Daar waar publieke belangen in het geding zijn, die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de minister dat deze belangen worden behartigd.

De positie van de cliënt wordt versterkt. Ten eerste door de rechten van de cliënt te versterken door heldere, eenduidige wetgeving. Ten tweede door te stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen.

De verantwoordelijkheid van de minister wordt tevens ingevuld door te stimuleren dat er voldoende capaciteit aan zorgverleners beschikbaar komt en blijft. Daarvoor worden onder andere verbeteringen in de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorgopleidingen bevorderd, wordt de totstandkoming van een toekomstgericht opleidingscontinuüm met de juiste kwaliteit en gewenste instroom bewaakt en wordt er gestuurd op de totstandkoming van een innovatieve en kwalitatieve beroepenstructuur.

Ook zijn er randvoorwaarden gecreëerd om het innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen en wordt gezondheidsonderzoek en het gebruik van de ontwikkelde kennis gestimuleerd.

De IGZ houdt toezicht op ruim twintig wetten, waaronder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Geneesmiddelenwet. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

De minister heeft voor een goede werking van het zorgstelsel verschillende zelfstandige bestuursorganen opgericht die een taak hebben op het gebied van markttoezicht, pakketbeheer, kwaliteit en transparantie.

In Caribisch Nederland wordt een passend aanbod van zorg en jeugdzorg gerealiseerd.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Positie cliënt

Subsidieregeling voor organisaties van patiënten- en gehandicapten, zodat deze mensen kunnen helpen hun rol in het stelsel te spelen.

 

Zorgen voor adequate wet- en regelgeving die positie patiënt versterkt en privacy en beveiliging borgt.

 

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Stimuleren van verbeteringen in kwaliteit en toegankelijkheid zorgopleidingen.

Stimuleren van een logische opleidingsmatrix met de juiste samenhang tussen opleidingen.

Bevorderen van kwaliteit van individuele zorgverlening.

Bevorderen van een logische beroepenstructuur, gebaseerd op competenties en gericht op samenwerking.

Stimuleren van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel.

Financieren van het Fonds Ziekenhuisopleidingen en het Stagefonds.

Bewaken van de totstandkoming en het vasthouden van een toekomstgericht opleidingscontinuüm, met juiste kwaliteit en gewenste instroom.

Monitoren en sturen van de totstandkoming en het vasthouden van een innovatieve, kwalitatieve beroepenstructuur.

Constant optimaliseren van de inhoud en uitvoering van de Wet BIG.

Bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt die personeel weet te binden en te boeien en voldoende wervend is.

 

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Creëren randvoorwaarden om innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen.

Stimuleren van gezondheidsonderzoek en het gebruik van ontwikkelde kennis (o.a. ZonMw).

 

Zorg voor prikkels gericht op kwaliteitsverbetering, normen voor kwaliteit en transparantie.

Oprichten van een nationaal kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (zie CVZ).

 

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

   

Opstellen van wetgeving waarin taken van NZa, CVZ en andere organisaties worden vastgelegd.

Via CVZ, NZa en andere organisaties een bijdrage leveren aan de uitvoering van het stelsel.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Samen met betrokken partijen stimuleren van de verbetering van het aanbod van (jeugd)zorg, met name via de uitvoering van de Middel Lange Termijn Plannen die in 2008 samen met de eilandbesturen zijn vastgesteld.

Financieren zorg 100% en (mede)financieren jeugdzorg.

(Jaarlijks) evalueren van de aanspraken in kader van zorgregeling voor Caribisch Nederland en indien nodig aanpassen.

Voorbereiden regelgeving voor de jeugdzorg (financiering, kwaliteit) en realiseren van CJG op de drie eilanden.

Uitvoeren zorgregelgeving voor Caribisch Nederland door het Zorgverzekeringkantoor op Bonaire. Het Zorgverzekeringskantoor is een onderdeel van VWS.

3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

Positie cliënt

  • De positie van de cliënt wordt versterkt. Ten eerste door de rechten van de cliënt te versterken door heldere, eenduidige wetgeving. Daartoe heeft de regering voorstellen voor de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) en de Beginselenwet AWBZ-zorg (Baz) ingediend. De Tweede Kamer heeft deze voorstellen controversieel verklaard. Ten tweede door te stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen.

Opleidingen beroepenstructuur en arbeidsmarkt

  • De zorgvraag stijgt de komende jaren als gevolg van demografische en technologische ontwikkelingen. Om het zorgaanbod daarbij te waarborgen, zal de capaciteit van het zorgaanbod zowel kwalitatief als kwantitatief op niveau moeten liggen en aansluiten bij de behoeften van de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor het arbeidsmarktbeleid in de zorgsector ligt echter bij de zorginstellingen en sociale partners. De overheid heeft hierin een ondersteunende rol. Uitgaande van deze verantwoordelijkheidsverdeling zijn in de Arbeidsmarktbrief «Vertrouwen in professionals» (TK 29 282, nr. 128) de speerpunten voor de overheid geformuleerd op het terrein van de arbeidsmarkt.

  • Tot en met 2012 werden de medische vervolgopleidingen in het zogeheten Opleidingsfonds (inclusief de opleiding tot huisarts) via begrotingssubsidies gefinancierd. Met ingang van 2013 worden deze opleidingen, met uitzondering van de publieke gezondheidszorgopleidingen (Jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde, tbc- en infectieziektebestrijding) via een beschikbaarheidbijdrage op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (WMG) gefinancierd. De uitvoering geschiedt door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De betalingen lopen via het CVZ. In dit kader is het bij deze opleidingen horende budget van de begroting (meetellend in BKZ) overgeheveld naar de premiegefinancierde uitgaven (zie Financieel Beeld Zorg).

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

  • Er wordt naar gestreefd om per 1 januari 2013 het Kwaliteitsinstituut operationeel te laten zijn (TK 32 620, nr. 59). Het wetsvoorstel daartoe is in april 2012 aan de Tweede Kamer verzonden. Het instituut wordt ondergebracht bij het College voor zorgverzekeringen. Het Kwaliteitsinstituut stimuleert de ontwikkeling van professionele standaarden en ondersteunt het veld daarbij met kennis over het ontwikkelen van richtlijnen, standaarden en indicatoren. Het instituut borgt dat het cliëntperspectief centraal staat, dat cliënten, verpleegkundigen en verzorgenden op een gelijkwaardige wijze hun inbreng kunnen leveren en dat in de professionele standaarden voldoende aandacht wordt geschonken aan doelmatigheid van zorg en dat deze zijn voorzien van indicatoren, die iets zeggen over de kwaliteit van zorg, waarover aanbieders verplicht informatie moeten leveren. Het Kwaliteitsinstituut stelt door middel van een toetsingskader randvoorwaarden aan het proces van totstandkoming en de items die minimaal in de standaarden beschreven moeten staan. Indien het veld zijn verantwoordelijkheid niet neemt, zal het Kwaliteitsinstituut zelf opdracht geven voor het ontwikkelen van een professionele standaard.

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

  • Het CAK zal per 1 januari 2013 de publiekrechtelijke ZBO-status krijgen.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

  • In 2013 wordt verder gewerkt aan het verbeteren van het zorginkoopproces, de verzekerden administratie en het administratieve beheer.

  • De verbetering van de medische infrastructuur op het vlak van gebouwen en apparatuur is veelal onderdeel van de kwaliteitsprojecten. Het realiseren van deze plannen zal geleidelijk in de jaren 2013 en verder gestalte krijgen als onderdeel van de normale bedrijfsvoering van de diverse zorginstellingen.

  • Om de psychiatrie inclusief de verslavingszorg op de drie eilanden op te zetten en te ondersteunen in de uitvoering, zal Novadic Kentron in 2013 en 2014 de benodigde voorzieningen realiseren. Om versnippering te voorkomen en efficiency te maximaliseren zal ook de samenhang met andere zorgvoorzieningen, justitie, preventie en voorlichting en de zorg aan licht verstandelijk gehandicapten worden nagestreefd. Ook zal worden bezien of samenwerking met andere eilanden in het Caribisch gebied gewenst en mogelijk is.

  • In 2013 zal ook de jeugdzorg in het teken staan van verder bestendigen wat al in gang is gezet. De ambulante en residentiële jeugdzorg op Bonaire wordt verder doorontwikkeld en de pleegzorg wordt meer structureel georganiseerd. Op Saba en Sint Eustatius wordt de kwaliteit van de Centra voor Jeugd en Gezin en de bekendheid onder de bevolking verbeterd. In samenwerking met de Inspectie Jeugdzorg wordt het kwaliteitskader verder ontwikkeld en vastgesteld. Voor alle componenten van de jeugdzorg en gezinsvoogdij in Caribisch Nederland wordt naar een passende organisatievorm gezocht.

  • De Wet publieke gezondheid (Wpg) is aangepast aan de nieuwe bestuurskundige verhouding met Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Parallel hieraan wordt de versterking van de publieke gezondheidszorg ondersteund.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

1 887 934

1 763 637

739 733

739 121

743 555

753 351

762 661

               

Uitgaven

1 671 828

1 796 313

757 374

742 613

745 280

753 351

762 661

waarvan juridisch verplicht (%)

   

95%

       
               

1. Positie cliënt

   

35 437

27 068

25 769

25 682

25 682

               

Subsidies

   

30 948

22 386

20 179

20 092

20 092

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

   

30 948

22 386

20 179

20 092

20 092

               

Opdrachten

   

3 044

3 237

4 145

4 145

4 145

waarvan onder andere:

             

Ondersteuning cliëntenorganisaties

   

2 899

3 092

4 000

4 000

4 000

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

1 445

1 445

1 445

1 445

1 445

CIBG: uitvoering subsidieregeling

   

1 445

1 445

1 445

1 445

1 445

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

   

345 623

359 518

368 612

372 148

374 817

               

Subsidies

   

332 868

349 008

358 016

359 669

362 273

waarvan onder andere:

             

Fonds Ziekenhuisopleidingen

   

141 789

144 755

147 796

147 796

147 796

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

   

99 000

99 000

99 000

99 000

99 000

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

   

16 025

18 212

20 400

20 400

20 400

Vaccinatie stageplaatsen zorg

   

3 850

3 850

3 850

3 850

3 850

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

   

19 600

34 300

36 750

36 750

36 750

Ziekenhuisarts

   

3 493

5 842

628

0

0

Capaciteitsorgaan

   

1 650

1 625

1 599

1 599

1 599

Regionaal arbeidsmarktbeleid

   

7 500

7 500

7 500

650

0

Veilig werken in de zorg

   

1 669

1 669

1 669

0

0

               

Opdrachten

   

2 400

2 001

2 090

2 973

3 038

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

9 678

7 848

7 848

7 848

7 848

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register, SVB-Z

   

7 848

7 848

7 848

7 848

7 848

Agentschap NL: Innovatieprogramma

   

1 830

0

0

0

0

               

Bijdrage ZBO’s/ RWT

   

677

661

658

1 658

1 658

CVZ: sectie Zorgberoepen en opleidingen

   

0

0

0

1 000

1 000

               

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

   

109 197

90 469

84 565

83 039

83 039

               

Subsidies

   

4 990

5 011

4 827

4 943

4 943

Nivel

   

4 990

5 011

4 827

4 943

4 943

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

2 590

2 555

2 555

2 555

2 555

waarvan onder andere:

             

CIBG: Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording

   

800

800

800

800

800

RIVM: Zorgbalans

   

650

650

650

650

650

               

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

   

101 617

82 903

77 183

75 541

75 541

ZonMw: programmering

   

101 617

82 903

77 183

75 541

75 541

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

   

191 325

182 130

179 177

177 645

177 645

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

183 878

176 606

174 159

173 041

173 041

Centraal Administratie Kantoor

   

95 923

91 851

92 023

91 905

91 905

College voor zorgverzekeringen

   

51 436

48 686

48 886

47 886

47 886

Nederlandse Zorgautoriteit

   

32 356

31 906

29 087

29 087

29 087

College Sanering Zorginstellingen

   

2 713

2 713

2 713

2 713

2 713

College Bouw Zorginstellingen

   

1 450

1 450

1 450

1 450

1 450

               

Opdrachten

   

7 447

5 524

5 018

4 604

4 604

TNO centrum Zorg en Bouw

   

7 447

5 524

5 018

4 604

4 604

               

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

   

75 792

83 428

87 157

94 837

101 478

               

Bekostiging

   

75 792

83 428

87 157

94 837

101 478

Zorg en welzijn

   

71 142

78 747

82 443

90 123

96 764

Jeugdzorg

   

4 650

4 681

4 714

4 714

4 714

               

Ontvangsten

5 105

6 358

4 858

4 858

4 858

4 858

4 858

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Instrumenten

Positie cliënt

Subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Er worden subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal benut worden voor goede zorg en ondersteuning (€ 30,9 miljoen in 2013). Doel is het op collectief niveau inbrengen van cliëntenervaringen en het cliëntperspectief voor beter beleid, zorg en ondersteuning. Daarnaast kunnen patiënten en gehandicapten hun ervaringsdeskundigheid uitwisselen, zodat zij hun eigen leven met ziekte of beperking zo goed mogelijk kunnen inrichten en de zorg ontvangen die het beste bij hun behoeften past.

Opdracht voor ondersteuning cliëntenorganisaties

Met PGO-support, een onafhankelijke netwerkorganisatie die versterking en ondersteuning biedt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, is een overeenkomst gesloten voor de ondersteuning van de cliëntenorganisaties bij het opstellen van subsidieaanvragen en het inbrengen van het cliëntenperspectief (€ 2,9 miljoen in 2013).

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG voor de uitvoering van de subsidieregeling pg-organisaties

Aan het CIBG wordt een bijdrage (€ 1,4 miljoen) verleend voor alle werkzaamheden rond de uitvoering van de subsidieregeling pg-organisaties.

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Subsidies ziekenhuisopleidingen/Fonds Ziekenhuisopleidingen

Gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel zijn van cruciaal belang voor de dagelijkse zorg in ziekenhuizen. Dit personeel wordt veelal intern door ziekenhuizen opgeleid. Om te zorgen dat er voldoende opgeleid wordt, ontvangen ziekenhuizen een vergoeding voor de door hen geleverde opleidingsprestaties. De bijdrage 2013 bedraagt circa € 141,8 miljoen.

Subsidies stageplaatsen zorg/stagefonds

Om de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel te waarborgen is de zorg voor opleidingen van belang. Het Stagefonds is één van de instrumenten die VWS inzet om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. In 2013 en verder wordt het Stagefonds voortgezet met een budget van € 99,0 miljoen (TK 29 282, nr. 128).

Subsidies Publieke Gezondheidszorgopleidingen

Per 1 oktober 2012 treedt de subsidieregeling opleidingen Publieke Gezondheidszorg 2013–2017 in werking.

Op grond van deze regeling kan een instellingssubsidie worden verstrekt aan opleidingsinrichtingen die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid voor de profielen infectieziektebestrijding, Jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde of tuberculosebestrijding verzorgen.

In 2013 is hiervoor € 16,0 miljoen beschikbaar.

Tot en met het subsidiejaar 2012 wordt deze instellingssubsidie verstrekt op grond van de subsidieregeling Zorgopleidingen 2e tranche, die per 1 januari 2013 komt te vervallen.

Subsidies vaccinatie stageplaatsen zorg

Een ander instrument is de Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg. Deze regeling omvat circa € 3,9 miljoen en draagt eraan bij dat stagiairs voorafgaand aan hun stage gevaccineerd zijn tegen Hepatitis B. Dit voorkomt studie-uitval of -vertraging.

Subsidies opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar zorg moeten we alle zorgverleners inzetten daar waar ze het beste tot hun recht komen. Nieuwe beroepsbeoefenaren – verpleegkundig specialisten en physician assistants – zijn speciaal opgeleid om eenvoudige en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Er komen meer opleidingsplaatsen voor nieuwe beroepen. De bijdrage 2013 bedraagt € 19,6 miljoen.

De komende tijd wordt onderzocht hoe deze taakherschikking financieel het beste kan worden gefaciliteerd.

Kengetallen arbeidsmarkt
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

2011

1. Werkgelegenheidsontwikkeling zorg en welzijn

2,70%

2,00%

3,80%

3,50%

1,40%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

13

13

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240 000

251 000

260 000

268 000

271 000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

4,30%

4,00%

4,10%

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

4,80%

De arbeidsmarktgegevens laten zien dat de zorg haar goede positie weet te bestendigen. Mede door de huidige economische conjunctuur zijn er op dit moment beperkte knelpunten voor specifieke beroepen. De komende jaren wordt de druk op de arbeidsmarkt groter, ook voor de zorg.

Bronnen: CBS Statline, www.azwinfo.nl , Panteia, Vernet.

De jaren 2009 t/m 2011 betreffen voorlopige cijfers.

1. Groei werkgelegenheid (in fte, 2011 banen) 4e kwartaal ten opzichte van 4e kwartaal voorgaande jaar.

2. Betreft het aantal vacatures per 1 000 banen ultimo 3e kwartaal van elk jaar.

3. Het gemiddelde betreft 2005–2007 in plaats van 2003–2007.

4. Netto verloop betreft uitstroom uit de gehele sector zorg en welzijn. De cijfers over het netto verloop voor 2010 en verder zijn vooralsnog niet beschikbaar. In 2010 is gekozen voor andere, meer accurate, databronnen die ten grondslag liggen van de berekening van het netto verloop. Deze cijfers zijn voor 2010 en verder nog niet beschikbaar.

5. Het ziekteverzuim heeft alleen betrekking op de sector zorg (en niet op welzijn).

Subsidies ziekenhuisarts

Voor het leveren van goede zorg is het essentieel dat er voldoende en goed opgeleid personeel beschikbaar is. De toekomstige zorgvraag vereist aanpassing van het beroepenveld, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Met de introductie van ziekenhuisartsen c.q. ziekenhuisgeneeskunde verbetert de huidige situatie op ten minste drie dimensies, namelijk de kwaliteit van directe patiëntenzorg, de efficiency en effectiviteit van de ziekenhuiszorg en het carrièreperspectief van de basisarts. De ziekenhuisartsen zijn meer generalistisch opgeleide artsen (met een profielregistratie) die in de intramurale basiszorg de minder complexe taken van de medisch specialist kunnen overnemen. De nieuwe medische functie van «ziekenhuisarts» wordt via een subsidie aan de Stichting Opleiding Ziekenhuis Geneeskunde in een viertal pilots geïmplementeerd. De bijdrage 2013 bedraagt € 3,5 miljoen.

Subsidie Capaciteitsorgaan

Voor het opstellen van ramingen voor de opleidingscapaciteit van onder andere de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen, evenals de ramingen naar ggz-opleidingen, ontvangt het Capaciteitsorgaan jaarlijks een subsidie. In 2013 circa € 1,7 miljoen.

Subsidie regionaal arbeidsmarktbeleid

Het arbeidsmarktbeleid in de zorg dient op het lokale en regionale niveau gestalte te krijgen. Het is van belang dat zorginstellingen hierin gezamenlijk optrekken om daarmee de arbeidsmarktpositie van de zorg in de regio te versterken. Via Regioplus (de koepel van regionale werkverbanden in zorg en welzijn) wordt in 2013 een subsidie van € 7,5 miljoen beschikbaar gesteld. Met deze subsidie wordt in elke regio gewerkt aan een vijftal programmalijnen, te weten strategisch arbeidsmarktbeleid, werven met beleid, duurzame inzetbaarheid, kwalificeren voor zorg en welzijn en @nders werken.

Subsidie Veilig werken in de zorg

Nog te vaak is sprake van agressie tegen zorgpersoneel. Om instellingen te stimuleren meer en beter beleid te voeren tegen de verschillende vormen van agressie wordt tot en met 2015 via een subsidie aan sociale partners jaarlijks € 1,7 miljoen beschikbaar gesteld.

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG ten behoeve van UZI-register, BIG-register en SVB-Z

Het UZI-register maakt de elektronische identificatie van zorgverleners mogelijk. Het CIBG verzorgt de productie van UZI-middelen (pas of servercertificaat). Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS.

Zorgverleners kunnen zich registreren in het BIG-register. Het BIG-register verleent duidelijkheid aan bijvoorbeeld werkgevers en zorgconsumenten over de bevoegdheid van een zorgverlener. Het BIG-register komt voort uit de Wet BIG (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).

Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS.

Met de Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z) van het CIBG wordt het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in de zorg gefaciliteerd. Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS.

De bijdrage 2013 bedraagt € 7,8 miljoen.

Bijdragen aan baten-lastendienst Agentschap NL ten behoeve van het innovatieprogramma

Agentschap NL ontvangt ook in 2013 een bijdrage van VWS voor de uitvoering van het innovatie programma (€ 1,8 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen ten behoeve van de sectie Zorgberoepen en Opleidingen

De sectie Zorgberoepen en Opleidingen van het CVZ houdt zich bezig met het toekomstgericht en sectoroverstijgend rapporteren en signaleren van de gewenste ontwikkelingen van beroepen en opleidingen in de zorg. Hierbij gaat de sectie uit van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen over de zorgverlening en de vraag naar zorg. Nieuwe beroepen en bestaande beroepen met andere taken en daarmee taakherschikking zijn hiermee eveneens onderwerp van de sectie.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidie voor onderzoek van de gezondheidszorg

Voor onderzoek van de gezondheidszorg wordt subsidie verleend (circa € 5,0 miljoen) aan het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel).

Bijdrage aan baten-lastendienst CIBG voor het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording

Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. Zij zijn verplicht om een aantal gegevens aan te leveren aan de hiervoor bedoelde database. Alle partijen die een rol spelen binnen het zorgstelsel hebben toegang tot deze uniforme, digitale informatie via www.jaarverslagenzorg.nl . Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (€ 0,8 miljoen).

Bijdrage aan baten-lastendienst RIVM voor de Zorgbalans

De prestaties van het zorgstelsel worden gemonitord met de Zorgbalans (zie www.gezondheidszorgbalans.nl). De Zorgbalans schetst aan de hand van indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Het RIVM ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (circa € 0,7 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering programma’s

ZonMw is een intermediaire organisatie die op programmatische wijze projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laat uitvoeren. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit, relevantie en samenhang. In onderstaande tabel zijn de activiteiten uitgesplitst naar de verschillende beleidsterreinen waarop de programma’s bij ZonMw betrekking hebben.

Op de overige artikelen staan ook begrotingsposten op het gebied van Kennisontwikkeling en innovatie, bijvoorbeeld RIVM (artikel 1), Nivel (artikel 2), TI Pharma (artikel 2), Vilans (artikel 3) en Movisie (artikel 3).

Overzichtstabel geraamde programma-uitgaven ZonMw 2013–2017 (bedragen x € 1 000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere preventieprogramma en infectieziektebestrijding

52 327

37 942

37 304

36 655

35 645

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere doelmatigheidsprogramma en «Goed Gebruik Geneesmiddelen»

35 778

33 269

30 056

29 506

30 415

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg: onder andere «Ambient Assisted Living»

5 088

3 784

3 760

3 807

3 706

Artikel 5 Jeugd: onder andere «Effectief Werken in de Jeugdsector» en richtlijnen Jeugdgezondheidszorg

7 274

6 355

5 675

5 185

5 387

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere onderzoeksprogramma Sport

1 150

1 553

388

388

388

Totaal

101 617

82 903

77 183

75 541

75 541

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s NZa, CVZ, CBZ, CSZ en CAK voor de beheerskosten

Het betreft bijdragen in de beheerkosten van de volgende zelfstandige bestuursorganen:

  • Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft vijf wettelijke taken, te weten: de centrale betaling aan 3 500 AWBZ-instellingen (namens de zorgverzekeraars), het innen van de eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf (intramurale zorg) en de Zorg zonder Verblijf (extramurale zorg), het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), het uitkeren van de compensatie van het eigen risico zorgverzekeringswet en het uitvoeren van de maatregelen rond de eigen bijdrage regelingen in de wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. De bijdrage 2013 bedraagt € 95,9 miljoen;

  • Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft tot taak het uitvoeren van het pakketbeheer Zvw en AWBZ, fondsbeheer van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, het uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening) en de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ, het uitvoeren regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden) en met ingang van 1 januari 2013 maakt ook het Kwaliteitsinstituut onderdeel uit van het CVZ. De bijdrage 2013 bedraagt € 51,4 miljoen;

  • De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn Marktwerking in de zorg op gang brengen en bewaken, tarieven in de zorg reguleren en toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ. De bijdrage 2013 bedraagt € 32,4 miljoen;

  • Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. De bijdrage 2013 bedraagt € 2,7 miljoen;

  • De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het College Bouw Zorginstellingen (CBZ) komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. De bijdrage 2013 bedraagt € 1,5 miljoen.

Opdracht TNO Centrum Zorg en Bouw

Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, is er met TNO Centrum Zorg en Bouw een overeenkomst gesloten. De bijdrage 2013 bedraagt € 7,4 miljoen.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging zorg en welzijn

Per 1 januari 2011 is er één zorgverzekering voor iedereen in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat iedereen die legaal op Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont en/of werkt, ongeacht ziektebeeld en leeftijd is verzekerd voor ziektekosten en zorgkosten die in het Europese deel van Nederland uit de Zvw, inclusief een deel van de aanvullende verzekeringen, en AWBZ worden vergoed.

De totale geraamde kosten die naar verwachting in 2013 gemoeid gaan met de zorg en welzijn op Caribisch Nederland betreffen circa € 71,1 miljoen.

Bekostiging jeugdzorg

In 2013 is voor de jeugdzorg op Caribisch Nederland circa € 4,7 miljoen beschikbaar. Op alle drie de eilanden is een Centra voor Jeugd en Gezin.

Kengetallen (jeugd)zorg Caribisch Nederland
 

2011

Raming 2012

1. Aantal medische uitzendingen

11 271

7 382

2. Aantal verzekerden

21 843

22 500

3. Kosten per capita zorg

2 610

2 800

4. Aantal cliënten in de jeugdzorg inclusief cliënten Centra voor Jeugd en Gezin

2 067

Bron:

1 t/m 3. Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland.

4. Managementrapportage Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland, 1e kwartaal 2012 en Armoede in Caribisch Nederland, een verkenning, M. Drewes, mei 2012. Over 2011 zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar, omdat niet dezelfde definitie het uitgangspunt was.

Artikel 5 Jeugd
1. Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. De minister van VWS is verantwoordelijk voor het kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond en veilig opgroeien, zich ontwikkelen en participeren. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

De minister is verantwoordelijk voor het wettelijk kader rond zorg voor jeugd waarbinnen gemeenten, provincies, grootstedelijke regio’s, lokale en landelijke organisaties, bureaus Jeugdzorg, zorgverzekeraars en zorgaanbieders hun verantwoordelijkheden realiseren. Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) verantwoordelijk voor het preventief jeugdbeleid en het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Provincies zijn op grond van de Wet op de Jeugdzorg verantwoordelijk voor de geïndiceerde jeugdzorg. Deze vorm van zorg doet zich voor wanneer sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jongeren. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) respectievelijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vindt financiering plaats van Jeugd- geestelijke gezondheidszorg (Jeugd-ggz) respectievelijk de zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (Jeugd-lvb).

Daarnaast heeft de minister een bijzondere verantwoordelijkheid voor de JeugdzorgPlus. De minister is rechtstreeks verantwoordelijk voor de JeugdzorgPlus, zowel financieel als inhoudelijk. JeugdzorgPlus is een intensieve vorm van jeugdzorg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die zich aan de noodzakelijke behandeling dreigen te onttrekken. Het betreft hulp met dwang en drang voor jongeren voor wie een machtiging gesloten jeugdzorg is afgegeven door de kinderrechter.

Voorts hecht de minister een belang aan het in stand houden van een landelijke kennisinfrastructuur vanwege de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. Het gaat om het monitoren van en kennis voor beleidsontwikkeling, -implementatie en zorgvernieuwing rond het stelsel van jeugdvoorzieningen.

Ten aanzien van de verschillende onderdelen op het terrein van de zorg voor jeugd heeft de minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de jeugdzorg.

De Inspectie Jeugdzorg is verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Stimuleren van laagdrempelige opvoedondersteuning aan jongeren en ouders met opgroei- en opvoedvragen.

Het stimuleren van gemeenten om perspectief te bieden aan kwetsbare jongeren door verbetering van de samenhang in beleid en uitvoering tussen zorg, school en werk.

 

Samen met de minister van VenJ bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door middel van het opstellen en regisseren van het Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen Veilig» 2012–2016».

 

Noodzakelijke en passende zorg

Een landelijke kennisinfrastructuur in stand houden en hierbij het veld de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdzorg geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.

Het (mede-)financieren van een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat een Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod in te kopen voor kinderen en jongeren met een indicatie jeugdzorg.

Het financieren van benodigde JeugdzorgPlus capaciteit. Twaalf particuliere instellingen ontvangen subsidie voor het bieden van zorgaanbod in het gesloten kader.

 

Verantwoordelijk voor twee Rijksinstellingen die JeugdzorgPlus capaciteit aanbieden. De twee Rijksinstellingen (Almata en Lindenhorst) fuseren in 2013 en worden hierna geprivatiseerd.

3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

Stelselwijziging

  • Om de gewenste verschuiving van zware zorg naar lichte ondersteuning te realiseren, wordt alle ondersteuning, hulp en zorg voor jeugd die nu nog valt onder het Rijk, de provincies, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) gedecentraliseerd naar gemeenten. Een transformatie is nodig naar meer preventie en eerdere ondersteuning, uitgaan van de eigen kracht van jongeren en hun ouders, problemen minder snel medicaliseren, betere samenwerking rond gezinnen en zorg op maat. Door de decentralisatie zijn gemeenten beter in staat integraal beleid te ontwikkelen en maatwerk te bieden.

  • De Tweede Kamer heeft in het Algemeen Overleg van 20 juni 2012 op hoofdlijnen ingestemd met de nadere beleidskeuzes uit de voortgangsbrief stelselwijziging Jeugd van 27 april 2012 (TK 31 839, nr. 200), waarna het wetsvoorstel nieuwe jeugdwet in de zomer van 2012 in consultatie is gegaan. Na advisering door de Raad van State kan in de loop van 2013 parlementaire behandeling plaatsvinden. Invoering is voorzien per 1 januari 2015.

Aanpak Kindermishandeling en seksueel misbruik

  • Met het actieplan aanpak kindermishandeling Kinderen Veilig zijn drie accenten gelegd voor de periode 2012–2016: voorkomen, krachten bundelen door multidisciplinaire aanpak en het aanpakken van fysieke mishandeling en seksueel misbruik. In nauwe samenwerking met de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik wordt het actieplan uitgevoerd.

Kwaliteit en veiligheid in de jeugdzorg

  • Het verder professionaliseren van beroepsbeoefenaren via de lijnen van het implementatieplan professionalisering jeugdzorg 2010–2013 heeft ook in 2013 prioriteit. Belangrijk element hierbij is de wettelijke borging van registratie en tuchtrecht in de Wet op de jeugdzorg en aanpalende wetgeving. Het desbetreffende wetsvoorstel is in juli 2012 in consultatie gegaan.

  • In 2013 worden gemeenten waar nodig gefaciliteerd en ondersteund bij het vormgeven van hun kwaliteitsbeleid in de voorbereiding op de stelselwijziging jeugd.

  • Pleegzorgaanbieders besteden veel aandacht aan het verbeteren van de veiligheid van kinderen in pleeggezinnen. Zo wordt de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) aangepast. Nieuw is dat aspirant pleegouders toestemming verlenen voor het verstrekken van informatie over eerdere VGB-verzoeken. Aspirant pleegouders kunnen hierdoor niet verzwijgen dat ze bij een andere pleegzorgaanbieder actief zijn geweest of de selectieprocedure hebben doorlopen zonder positief resultaat.

  • Ook in de brede zorg voor jeugd is aandacht voor veiligheid. De Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) wordt wettelijk verplicht. Daarnaast vindt er overleg plaats met betrokken ministeries om te komen tot een eenduidige VOG voor alle sectoren waar professionals met kinderen werken.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

1 521 129

1 486 415

1 393 470

1 530 986

1 485 350

1 417 696

1 404 279

               

Uitgaven

1 868 447

1 493 975

1 533 547

1 530 986

1 485 350

1 417 696

1 404 279

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

   

37 595

37 774

41 580

41 575

41 575

               

Subsidies

   

30 813

30 736

30 510

30 510

30 510

waarvan onder andere:

             

Koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

   

22 300

22 300

22 300

22 300

22 300

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

   

6 900

6 850

6 750

6 750

6 750

Zorg voor jeugd

   

900

900

775

775

775

               

Opdrachten

   

4 958

5 234

5 481

5 481

5 481

waarvan onder andere:

             

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

   

1 450

1 700

1 700

1 700

1 700

Stelselwijziging

   

3 000

3 000

3 300

3 300

3 300

Aanpak kindermishandeling

   

440

440

440

440

440

               

Bijdrage baten-lastendienst

   

764

744

729

724

724

Verwijsindex

   

764

744

729

724

724

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

200

200

4 000

4 000

4 000

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

   

860

860

860

860

860

waarvan onder andere:

             

VenJ: Aanpak kindermishandeling

   

660

660

660

660

660

               

2. Noodzakelijke en passende zorg

   

1 495 952

1 493 212

1 443 770

1 376 121

1 362 704

               

Subsidies

   

232 401

208 371

209 587

209 587

209 587

waarvan onder andere:

             

JeugdzorgPlus

   

230 075

206 250

207 470

207 470

207 470

Jeugdzorg

   

2 300

2 100

2 100

2 100

2 100

               

Opdrachten

   

2 326

2 113

2 117

2 117

2 117

waarvan onder andere:

             

Jeugdzorg

   

2 300

2 100

2 100

2 100

2 100

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

1 255 225

1 276 728

1 226 066

1 158 417

1 145 000

Doeluitkering Jeugdzorg provincies en grootstedelijke regio's

   

1 255 225

1 276 728

1 226 066

1 158 417

1 145 000

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

   

6 000

6 000

6 000

6 000

6 000

JeugdzorgPlus

   

6 000

6 000

6 000

6 000

6 000

               

Ontvangsten

23 392

20 460

9 215

4 715

67 715

67 715

67 715

waarvan onder andere:

             

Ouderbijdrage jeugdzorg

0

0

0

0

63 000

63 000

63 000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Instrumenten

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Subsidie aan koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

Voor het regelen van opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten ontvangen internaten subsidie (circa € 22,3 miljoen).

Subsidies, opdrachten en bijdragen voor preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

  • Kennisontwikkeling

    Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) is het landelijk kennisinstituut voor jeugd- en opvoedingsvraagstukken en heeft tot doel deze kennis te verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden. Het NJi voert hiertoe onderzoeksprojecten uit, ontwikkelt kennis, methoden, instrumenten en richtlijnen voor professionals, ondersteunt de implementatie van kennis en voert opleidingsactiviteiten uit.

  • Participatie

    Jongerenparticipatie en talentontwikkeling zijn de kerntaken van NJR (de landelijke vereniging van jongerenorganisaties). Bij NJR werken jongeren aan (media)campagnes en projecten voor hun leeftijdgenoten. NJR geeft jongeren de kans om te laten zien wie ze zijn en wat ze kunnen; of dat nou in hun buurt of bij de Verenigde Naties in New York is. Ook adviseert NJR overheden en andere organisaties over jeugdbeleid.

  • Kinderrechten

    Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormt de basis van het jeugdbeleid. Op grond van artikel 42 van het Verdrag worden activiteiten gesubsidieerd die de rechten van kinderen algemeen bekend maken.

De bijdrage bedraagt circa € 6,9 miljoen in 2013.

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken Aanpak Kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd

De bijdrage 2013 aanpak kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd bedraagt circa € 3,0 miljoen (waarvan € 1,0 miljoen begroot is op artikel 1 Volksgezondheid onder Gezondheidsbevordering en het restant op dit artikel).

De aanpak van kindermishandeling is een belangrijk onderdeel van de brede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie is een nieuw actieplan voor de aanpak van kindermishandeling opgesteld voor de periode 2012 – 2016, «Kinderen Veilig». Een sluitende aanpak, van preventie, signalering en stoppen tot het beperken van de schade van kindermishandeling is hierin de leidraad. De aanbevelingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen over de aanpak van kinderpornografie zijn opgenomen in het actieplan. Samen met de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik wordt het actieplan uitgevoerd. De uitkomsten van het onderzoek van de Commissie-Samson zullen hierbij worden betrokken. Naast de Taskforce worden de middelen voor de aanpak kindermishandeling in 2013 onder andere besteed aan de publiekscampagne geweld in huiselijke kring, deskundigheidsbevordering en de toets van regionale initiatieven van een multidisciplinaire aanpak van kindermishandeling.

De implementatie van de wettelijk verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, een essentieel instrument voor het kunnen omgaan met signalen van kindermishandeling, wordt gefinancierd uit artikel 3.

Tevens zijn in het kader van zorg voor jeugd middelen beschikbaar op het gebied van adoptievoorziening en opvoedvraagstukken.

Kengetal: Aantal mishandelde kinderen en jeugdigen in Nederland

Kengetal: Aantal mishandelde kinderen en jeugdigen in Nederland

Bron: Universiteit Leiden en TNO. De Tweede Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling in Nederland anno 2010, in opdracht van het Ministerie van VWS.

In deze studie is onderzocht hoeveel kinderen tot 18 jaar in 2010 zijn mishandeld en om welke vorm van mishandeling het hierbij ging. In 2010 werden in heel Nederland naar schatting bijna 119 000 kinderen gerapporteerd als slachtoffer van kindermishandeling. De stijging ten opzichte van 2005 hangt vermoedelijk samen met de toegenomen politieke en publieke aandacht voor kindermishandeling waardoor professionals meer alert zijn op signalen van kindermishandeling.

Bijdragen aan medeoverheden voor kwetsbare jongeren

Helaas lukt het een te grote groep jongeren niet op eigen kracht hun weg te vinden. Ze vallen uit op school, hebben problemen met het vinden van werk, komen vanuit de jeugdzorg moeilijk aan de slag en komen te snel in de Wajong terecht. Deze kwetsbare jongeren hebben vaak te maken met een opeenstapeling van problemen. Om deze kwetsbare jongeren te ondersteunen zijn bijdragen beschikbaar (circa € 4,0 miljoen). Deze zijn bedoeld om de doelgroep te ondersteunen zodat zij perspectief houden op een zelfstandige toekomst. Van de beschikbare middelen is op verzoek van de Tweede Kamer € 3,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling van campus «de Nieuwe Kans» in Rotterdam en voor doorontwikkeling van het concept wijkschool.

Opdrachten preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

Er zijn middelen beschikbaar voor het uitvoeren van diverse ontwikkelingen en monitorinstrumenten. De belangrijkste hiervan zijn het uitvoeren van de Jeugdmonitor en het (door)ontwikkelen op het terrein van opvoeden (circa € 1,5 miljoen).

Opdrachten en bijdragen aan medeoverheden stelselwijziging

In de bestuursafspraken 2011–2015 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn afspraken gemaakt over het te ontwikkelen nieuwe wettelijk kader, de bestuurlijke voorwaarden voor decentralisatie naar gemeenten, de transitie naar het nieuwe stelsel en de beschikbare in- en uitvoeringskosten.

In het nieuwe stelsel van de zorg voor jeugd heeft de gemeente de integrale verantwoordelijkheid voor adequate ondersteuning van kinderen en gezinnen. De gemeente brengt partijen in de lokale en regionale opvoedingsomgeving bijeen, stimuleert en faciliteert om onnodig beroep op zwaardere vormen van zorg te voorkomen. Uitgangspunt is dat hulp zoveel mogelijk in de eigen sociale omgeving wordt geboden. Of dat hulp gericht is op terugkeer naar die omgeving en op het herstel van het gewone opvoeden/opgroeien. Als toch gespecialiseerde zorg nodig is, wordt deze op maat aangeboden.

Bijdragen aan ZBO/RWT ZonMw met betrekking tot het programma «Effectief werken in de jeugdzorg»

Vanaf 2013 gaat het programma «Effectief werken in de jeugdsector» van ZonMw van start. Het programma is een vervolg op het programma «Zorg voor jeugd». In het laatstgenoemde programma ligt de focus op de ontwikkeling van effectieve instrumenten en interventies in het kader van de psychosociale ontwikkeling van jeugdigen. Het nieuwe programma «Effectief werken in de jeugdsector» zal naast de rol van instrumenten en interventies tevens gericht zijn op de rol die de cliënt, de professional en de organisatie hebben op de effectiviteit van ondersteuning en zorg; evenals op de relatie die bestaat tussen deze dimensies. Deze middelen (€ 1,6 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw met betrekking tot het programma «Academische Werkenplaatsen Jeugd»

Ook ontvangt ZonMw geld voor het programma «Academische Werkplaatsen Jeugd». Het doel van dit programma is het bevorderen van samenwerking tussen onderzoek, praktijk en beleid. In 6 Academische Werkplaatsen wordt onderzoek gedaan rondom de thema’s CJG, ketensamenwerking en jeugdzorg. Het programma loopt van 2010 tot en met 2014. Deze middelen (€ 2,3 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan de Kinderombudsman

De Kinderombudsman heeft tot taak te bevorderen dat de kinderrechten in Nederland worden nageleefd door de overheid, door organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, jeugdzorg en de gezondheidszorg. Deze middelen (€ 1,5 miljoen) zijn reeds overgeboekt naar de begroting Hoge Colleges van Staat.

Noodzakelijke en passende zorg

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken voor JeugdzorgPlus

In de JeugdzorgPlus is een omslag nodig: iedere jongere die geplaatst wordt, komt in een traject dat erop gericht is om succesvol terug te keren naar de samenleving. Die omslag gaat het veld de komende jaren samen met andere overheden en organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en arbeid maken. Dit moet er ook toe leiden dat de gemiddelde verblijfsduur in een instelling voor JeugdzorgPlus vermindert. Belangrijke elementen in een traject zijn de tijdige beschikbaarheid van vervolgvoorzieningen en ambulante begeleiding. Voor 2013 is in totaal circa € 230,1 miljoen beschikbaar. Als uitvloeisel van het Begrotingsakkoord 2013 vindt vanaf 1 januari 2013 een budgettaire korting plaats van 2,65%2.

Subsidies/Opdrachten voor sturing, beleidsinformatie, financiering en kwaliteit jeugdzorg

De beroepsverenigingen, de HBO-raad, werkgevers en cliëntenorganisaties krijgen ondersteuning bij de uitvoering van het implementatieplan professionalisering jeugdzorg 2010–2013. Het implementatieplan bevat vier trajecten:

  • Wetgeving, de wettelijke borging van registratie en tuchtrecht in de Wet op de jeugdzorg en aanpalende wetgeving;

  • Zelfregulering, het in de praktijk vormgeven van de (her)registratie, ethische code en het tuchtrecht;

  • Onderwijs, de beroepsopleidingen worden beter aangesloten op de praktijk van de jeugdzorg;

  • Accreditatie en bij- en nascholing van medewerkers, de vijfjaarlijkse herregistratie door onder meer bij- en nascholing.

De implementatie is van toepassing op professionals uit de gehele jeugdzorg: Bureaus Jeugdzorg, zorgaanbieders, gesloten jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, de justitiële jeugdinrichtingen, de bureaus Halt en Nidos. Totaal circa € 4,7 miljoen in 2013.

Bijdrage aan medeoverheden voor doeluitkering jeugdzorg

De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Voor 2013 is circa € 1,26 miljard beschikbaar. Als uitvloeisel van het Begrotingsakkoord 2013 vindt vanaf 1 januari 2013 een budgettaire korting plaats van 2,65%3.

Met de doeluitkering zijn provincies en grootstedelijke regio’s in staat het Bureau Jeugdzorg te financieren en zorgaanbod in te kopen voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Van de zijde van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontvangen provincies middelen voor de hulpverlening aan gezinnen in het zogenoemde gedwongen kader.

Kengetal: Aantal unieke jeugdigen in de provinciaal gefinancierde jeugdzorg

Kengetal: Aantal unieke jeugdigen in de provinciaal gefinancierde jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus

In bovenstaande figuur is het aantal cliënten dat aan het begin van het jaar jeugdzorg kreeg, opgeteld bij de cliënten die in dat jaar instroomden. Daarbij zijn alle cliënten per jaar slechts één keer meegeteld. De cijfers zijn inclusief de cliënten die gebruik maakten van JeugdzorgPlus.

Kengetal: Aandeel gebruik residentieel in de provinciaal gefinancierde jeugdzorg

Kengetal: Aandeel gebruik residentieel in de provinciaal gefinancierde jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus

In bovenstaande figuur is het aandeel cliënten dat gebruik maakt van jeugdzorg met verblijf (verblijf accommodatie deeltijd, verblijf pleegzorg, verblijf accommodatie 24-uurs, JeugdzorgPlus) in de provinciaal gefinancierde jeugdzorg afgezet tegen het totale gebruik.

Deze figuren laten zien dat steeds meer kinderen gebruik hebben gemaakt van de geïndiceerde jeugdzorg. Ondanks een stijging van ook de residentiële vormen van jeugdzorg, slagen de provincies erin om deze groei vooral te laten plaatsvinden in ambulante vormen van jeugdzorg. Deze voorzieningen zijn minder kostbaar dan residentiële vormen van jeugdzorg. De gemiddelde verblijfsduur en de kosten zijn in deze figuren niet meegenomen.

Ontvangsten

De ontvangsten 2013 hebben voornamelijk betrekking op ontvangsten vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van overdracht accommodaties.

In totaal wordt voor 2013 circa € 9,2 miljoen aan ontvangsten geraamd.

Artikel 6 Sport en bewegen
1. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

2. Rol en verantwoordelijkheid minister

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de Rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Vanuit haar stimulerende rol op het beleidsterrein »Passend sport- en beweegaanbod» maakt de minister gebruik van een tweetal bestaande stelsels. Nederland heeft een sterke sportsector die in hoge mate zelforganiserend en zelfregulerend is. Daarbij is sprake van een landelijk netwerk met ruim 25 000 sportverenigingen, die aangesloten zijn bij landelijke sportbonden die zich verenigd hebben in de sportkoepel NOC*NSF. Deze verenigingen vertegenwoordigen circa 5 miljoen mensen. Ongeveer eenzelfde aantal landgenoten is actief in ongeorganiseerd verband. De gemeenten in Nederland zijn verantwoordelijk voor het lokale accommodatiebeleid en het lokale sport- en beweegbeleid. De gemeenten trekken jaarlijks ongeveer € 1 miljard uit voor sport.

Voor het beleidsterrein «Uitblinken in sport» faciliteert de minister de ambitie van de georganiseerde sport om bij de tien beste topsportlanden van de wereld te willen horen. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sportsector zelf. De Nederlandse Olympiërs eindigden dit jaar in Londen op plaats dertien in het medailleklassement. De paralympische sporters eindigden bij de beste tien landen.

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische Zomerspelen

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische Zomerspelen

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische Winterspelen

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische Winterspelen

Bron: De medailleklassementen van de Olympische zomer- en winterspelen worden opgesteld door het International Olympic Committee (IOC). De medailleklassementen geven aan in hoeverre Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de top tien sportlanden.

Voor het functioneren van de sportsector in Nederland zijn innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling van wezenlijk belang. Dat zijn essentiële hulpmiddelen bij zowel het realiseren van een passend sport- en beweegaanbod als bij het aangaan van de internationale competitie binnen de topsport.

Rol en verantwoordelijkheid minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Passend sport- en beweegaanbod

Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen uit verschillende sectoren, zodat op lokaal niveau een passend sport- en beweegaanbod tot stand komt en blijft.

Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die eraan bijdragen dat er voor iedere Nederlander een passend sport- en beweegaanbod in de buurt aanwezig is.

Uitblinken in sport

 

Het faciliteren en mede financieren van de top 10 ambitie. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport, ook tijdens topsportevenementen in eigen land.

Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

De rijksinzet op de Olympische speerpunten «Ruimtelijke ambitie» en «Economische betekenis van sport», en in het bijzonder het bevorderen van de economische en maatschappelijke spin-off van topsportevenementen.

Het (mede) financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Het financieel ondersteunen van de activiteiten van de Alliantie Olympisch Vuur1.

X Noot
1

In de Alliantie Olympisch Vuur werken NOC*NSF, de rijksoverheid, de G4, VNG, IPO, VNO-NCW en FNV samen aan de uitwerking van het Olympisch Plan 2028.

3. Prioriteiten 2013 en beleidswijzigingen

De uitwerking van de beleidsbrief «Sport en bewegen in Olympisch perspectief» (TK 30 234, nr. 37) is in 2012 op verschillende terreinen ter hand genomen. In 2013 worden enkele belangrijke vervolgstappen gezet:

  • Het aantal buurtsportcoaches wordt verder uitgebreid naar 2 362 fte in 373 gemeenten. Daardoor kunnen nog meer sportverenigingen versterkt worden en kunnen nog meer verbindingen gelegd worden met het onderwijs, de zorg, welzijn en buitenschoolse opvang.

  • De sportimpuls die in 2012 van start is gegaan via ZonMw zal vanaf 2013 een vervolg krijgen. Daarmee kan op meer plaatsen een vraaggericht sport en beweegaanbod in de buurt gecreëerd worden met publieke en private partners. Vanuit de extra middelen voor bestrijding van overgewicht bij kinderen is € 2 miljoen beschikbaar gesteld voor het kopiëren van interventies die gericht zijn op de aanpak van overgewicht bij kinderen (zie Begrotingsakkoord 2013, TK 33 280, nr. 1). Zie hiervoor ook artikel 1 Volksgezondheid.

  • Het programma «Naar een veiliger sportklimaat» wordt voortgezet.

  • Het Olympisch Plan 2028 wordt verder uitgevoerd. De nadruk ligt daarbij op de aspecten vitale en sportieve samenleving, excellent presteren en vergroten van de economische meerwaarde van sport.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

113 036

44 498

122 849

125 951

117 140

117 983

124 783

               

Uitgaven

97 408

81 752

135 000

133 428

124 713

124 783

124 783

waarvan juridisch verplicht (%)

   

86%

       
               

1. Passend sport- en beweegaanbod

   

86 524

85 030

80 172

80 242

80 242

               

Subsidies

   

29 833

28 339

29 481

29 551

29 551

Sport en bewegen in de buurt

   

16 515

15 020

16 162

16 232

16 232

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

   

7 094

7 094

7 094

7 094

7 094

Gehandicaptensport

   

3 153

3 153

3 153

3 153

3 153

Verantwoord sporten en bewegen

   

3 071

3 072

3 072

3 072

3 072

               

Bekostiging

   

9 357

9 357

9 357

9 357

9 357

Compensatie van betaalde energiebelasting

   

9 357

9 357

9 357

9 357

9 357

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

47 334

47 334

41 334

41 334

41 334

Sport en bewegen in de buurt

   

47 334

47 334

41 334

41 334

41 334

               

2. Uitblinken in sport

   

36 768

36 768

32 744

32 744

32 744

               

Subsidies

   

28 724

28 724

24 724

24 724

24 724

Topsportevenementen

   

8 785

8 785

4 785

4 785

4 785

Topsportprogramma's

   

18 700

18 700

18 700

18 700

18 700

Dopingbestrijding

   

1 239

1 239

1 239

1 239

1 239

               

Bijdragen aan internationale organisatie

   

193

193

193

193