Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-XVI nr. 2

33 000 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2012

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

Blz

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Het beleid

12

2.1

De beleidsagenda

12

2.2

De beleidsartikelen

38

 

Artikel 41 Volksgezondheid

38

 

Artikel 42 Gezondheidszorg

60

 

Artikel 43 Langdurige zorg

87

 

Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning

105

 

Artikel 45 Jeugd

118

 

Artikel 46 Sport en bewegen

128

 

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

137

2.3

De niet-beleidsartikelen

143

 

Niet-beleidsartikel 97 Algemeen

143

 

Niet-beleidsartikel 98 Apparaatsuitgaven

147

 

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en onvoorzien

155

     

3.

Begroting baten-lastendiensten

156

 

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

156

 

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

160

 

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

165

 

JeugdzorgPlus-instelling Almata

168

 

JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst

172

     

4.

Bijlagen

176

4.1

Financieel Beeld Zorg

176

4.2

ZBO’s en RWT’s

199

4.3

Lijst met afkortingen

203

4.4

Trefwoordenregister

208

     

Internetbijlagen

 

1.

Verdiepingshoofdstuk

 

2.

Moties en toezeggingen

 

3.

Overzicht subsidies

 

4.

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

 

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2012 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2012. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2012.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2012 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende diensten die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de JeugdzorgPlus-instellingen Almata en De Lindenhorst.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van deze baten-lastendiensten voor het jaar 2012 vastgesteld. De begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

E. I. Schippers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2012 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Beleidsagenda;

  • Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;

  • Begroting baten-lastenadministratie;

  • Diverse bijlagen, waaronder het Financieel Beeld Zorg en de verdiepingsbijlage.

Daarnaast wordt een aantal bijlagen digitaal bij deze begroting aan de Staten-Generaal aangeboden.

Wijzigingen ten opzichte van begroting vorig jaar (groeiparagraaf)

De VWS-begroting is ten opzichte van vorig jaar op een aantal punten gewijzigd.

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (Kamerstuk 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie moet leiden tot meer inzicht in financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en moet een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma laten zien.

De meeste veranderingen zullen pas in de begroting 2013 worden doorgevoerd. In 2012 geldt dit echter al voor een paar wijzigingen:

  • In de beleidsagenda is aan het eind een totaaloverzicht van de beleidsdoorlichtingen opgenomen;

  • In deze begroting zijn de beleidsartikelen 45 (Jeugd) en 46 (Sport en bewegen) alvast ingevuld volgens de nieuwe voorschriften;

  • In deze begroting is een nieuw niet-beleidsartikel opgenomen (artikel 97 Algemeen). Hierop staan de programma-uitgaven die voorheen op artikel 98 stonden (met uitzondering van de bijdragen aan ZBO’s; die staan nu op de beleidsartikelen);

  • De begroting bevat een centraal apparaatsartikel, waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan. Dit is artikel 98 van deze begroting;

  • In paragraaf 3 van artikel 98 Apparaatsuitgaven is aangegeven hoe de taakstelling Rijk bij VWS is ingevuld;

  • De bedrijfsvoeringsparagraaf is vervallen. De onderwerpen die in de bedrijfsvoeringparagraaf stonden, zijn nu in de toelichting van artikel 98 Apparaatsuitgaven opgenomen;

  • Als extra nieuwe bijlage is een subsidieoverzicht opgenomen. Deze wordt digitaal aangeboden aan de Tweede Kamer.

Nederlands Vaccin Instituut (NVI)

Het NVI, in 2004 opgericht en vanaf 2006 een baten-lastendienst met definitieve status, bevindt zich in een transitieproces. Dit proces is in gang gezet naar aanleiding van een besluit van de minister in 2009 en daarop volgende brieven van januari en december 2010. De belangrijkste onderdelen van deze brieven zijn:

  • Privatisering van de productie; het verkoopproces is eind 2010 opgestart en zal conform de huidige planning nog in 2011 worden afgerond;

  • Integratie van de inkoop, opslag en distributie en de onderzoek- en ontwikkelingstaak in het RIVM; dit is geformaliseerd per 1 januari 2011;

  • Definitieve positionering van de ondersteunende diensten; besluitvorming en implementatie hiervan is voorzien voor 2011.

Een en ander impliceert dat met ingang van 2012 alle activiteiten van het NVI elders zijn ondergebracht. Deze VWS-begroting 2012 bevat daarom geen NVI-paragraaf meer.

De inmiddels aan de Tweede Kamer aangeboden jaarrekening 2010 is de laatste integrale jaarrekening waarin alle samenstellende delen van het NVI volledig en voor het hele jaar voorkomen. Over 2011 zal nog een laatste jaarrekening worden opgesteld voor de in 2011 nog resterende activiteiten en periode dat deze publiek waren. Deze jaarrekening behelst dan tevens de eindbalans in het kader van de opheffing van het NVI als baten-lastendienst. Het formele opheffingsbesluit zal daarna in de Staatscourant worden gepubliceerd.

Invulling motie-Schouw

De motie-Schouw verzoekt onder andere het Ministerie van VWS om aan te geven hoe wordt omgegaan met de aanbeveling van de Europese Commissie om maatregelen te nemen waarbij de pensioengerechtigde leeftijd wordt gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting en het verbeteren/de houdbaarheid van de publieke financiën op lange termijn in relatie tot de vergrijzing.

Door onder andere de vergrijzing, de toename van het aantal chronisch zieken en technologische ontwikkelingen neemt de vraag naar zorg de komende jaren toe. Daarmee stijgen ook de zorguitgaven. In de VWS-begroting wordt aandacht besteed aan de toekomstbestendigheid van de zorg, bijvoorbeeld in paragraaf 1 en 6 van de beleidsagenda.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

De beleidsinformatie bestaat uit beleidsindicatoren en kengetallen. Beleidsinformatie wordt alleen opgenomen indien zinvol en relevant.

De begroting van 2012 is een overgangsjaar wat betreft de beleidsinformatie. De beleidsartikelen 45 (Jeugd) en 46 (Sport en bewegen) zijn opgesteld volgens de nieuwe begrotingssystematiek van «Verantwoord Begroten». Ook de beleidsinformatie is daarbij aangepast. De overige beleidsartikelen zijn volgens de «oude» begrotingssystematiek opgesteld.

Beleidsinformatie bij Verantwoord Begroten

Bij «Verantwoord Begroten» wordt de beleidsinformatie aangepast aan de verschillende rollen in de verantwoordelijkheid van de minister.

Indien sprake is van een duidelijk verband tussen de uitgaven op het beleidsartikel, de inzet en invloed van de minister en een gewenste maatschappelijke uitkomst (de ambitie van de minister; de streefwaarde), worden de te bereiken beleidsresultaten toegelicht met beleidsindicatoren.

Wanneer dit verband niet te leggen is en de minister geen doorslaggevende invloed heeft op de uiteindelijke beleidsresultaten, wordt volstaan met algemene kengetallen over ontwikkelingen op het beleidsterrein. Kengetallen kennen geen streefwaarde.

Beleidsinformatie bij de «oude» begrotingssystematiek

In de begroting wordt het principe gevolgd dat de beleidsdoelen worden geformuleerd in termen van te realiseren effecten (outcome) of in daarvan afgeleide prestatiegegevens (output). Per beleidsartikel wordt bij de algemene doelstelling (AD) of, wanneer dat beter past, bij de operationele doelstelling (OD) effect- of prestatiegegevens gepresenteerd. Indien geen zinvolle en relevante indicator kan worden bepaald is het «comply or explain- beginsel» van toepassing. Dit houdt in dat wordt uitgelegd (explain) waarom bij sommige artikelen geen indicatoren zijn opgenomen (comply).

Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt ingegaan op de onderwerpen uit de strategische agenda van de minister en de staatssecretaris van VWS (zie kamerstukken 32 620, nr. 1 en 2). Aan het eind van de beleidsagenda is een meerjarige planning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

Beleidsartikelen (artikel 41 t/m 47)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

De tabel budgettaire gevolgen van beleid betreft een meerjarige tabel met de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten. De uitgaven worden vervolgens onderverdeeld naar operationele doelstelling. Per doelstelling wordt onderscheid gemaakt naar de financiële instrumenten die de minister tot zijn beschikking heeft. De te onderscheiden financiële instrumenten zijn:

  • Garantieverplichtingen;

  • Bekostiging;

  • Subsidie(regelingen);

  • Opdrachten;

  • Bijdragen aan baten-lastendiensten;

  • Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s;

  • Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties, medeoverheden;

  • Bijdragen aan begrotingsfondsen/sociale fondsen.

De artikeloverstijgende uitgaven zijn niet over de beleidsartikelen verdeeld, maar budgettair opgenomen onder de meest relevante operationele doelstelling van de beleidsartikelen, zoals ZonMw op artikel 41 Volksgezondheid.

Budgetflexibiliteit

De tabel budgetflexibiliteit biedt inzicht in de mate waarin de begrote uitgaven nog vrij inzetbaar zijn of in hoeverre hiervoor al verplichtingen zijn aangegaan.

Niet-beleidsartikelen

De niet-beleidsartikelen bestaan uit artikel 97 (Algemeen), 98 (Apparaatsuitgaven) en 99 (Nominaal en onvoorzien).

Op artikel 97 worden de uitgaven voor internationale samenwerking, de verzameluitkering en de uitgaven voor strategisch onderzoek RIVM begroot.

Artikel 98 betreft het centrale apparaatsartikel. Hierop worden de apparaatsuitgaven van het moederdepartement begroot.

Artikel 99 is een technisch-administratief artikel, waarop de loon- en prijsbijstelling en taakstellingen worden geplaatst die nog aan de beleidsartikelen dienen te worden toebedeeld.

Budgettair Kader Zorg en de begroting van VWS

In voorliggende begroting zijn, naast de begrotingsuitgaven van het Ministerie van VWS, ook de collectief gefinancierde zorguitgaven opgenomen. Hieronder wordt het onderscheid tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven toegelicht en wordt de relatie tussen het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en de begroting van VWS verduidelijkt.

Begrotingsgefinancierde uitgaven versus premiegefinancierde uitgaven

De begroting van VWS omvat zowel begrotingsuitgaven, die uit belastinginkomsten worden betaald, als uitgaven die voornamelijk door middel van premies worden gefinancierd. Het onderscheid tussen beide categorieën is van belang voor de ministeriële verantwoordelijkheid en het budgetrecht van de Staten-Generaal.

De minister van VWS voert zelf het beheer over de begrotingsgefinancierde middelen. Dat wil zeggen: VWS gaat zelf alle verplichtingen aan en verricht de uitgaven rechtstreeks ten laste van de begroting. Bij de premiegefinancierde zorguitgaven is dat anders; hieraan liggen voornamelijk individuele beslissingen ten grondslag van de partijen die bij de zorg betrokken zijn. Zorgaanbieders leveren zorg aan patiënten/cliënten en declareren de kosten bij zorgverzekeraars en zorgkantoren. VWS is verantwoordelijk voor de randvoorwaarden en de regelgeving en ziet toe op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg, maar verricht de uitgaven niet zelf.

Op de begrotingsgefinancierde uitgaven is het budgetrecht van de Staten-Generaal onverkort van toepassing. De Eerste en Tweede Kamer hebben het recht de uitgaven te beoordelen, goed te keuren of te verwerpen. De Tweede Kamer heeft tevens het recht van amendement. Zo bepalen de Staten-Generaal samen met het kabinet welk deel van de belastinginkomsten wordt besteed aan zorggerelateerde uitgaven.

De premiegefinancierde zorguitgaven maken geen deel uit van het wetslichaam en de begrotingsstaat van de begroting. Het budgetrecht is op deze uitgaven niet van toepassing. Gezien het maatschappelijk belang van de premiegefinancierde zorguitgaven worden deze uitgaven wel als beleidsinformatie toegelicht bij de beleidsartikelen. In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) is een integraal overzicht opgenomen van alle premiegefinancierde zorguitgaven.

Overzicht 1: Uitgaven begroting VWS naar financieringsbron

Overzicht 1: Uitgaven begroting VWS naar 				  financieringsbron

Het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en de begroting

Het BKZ bestaat uit alle uitgaven die op basis van een wettelijke aanspraak dan wel een subsidie op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) worden gemaakt. Een deel van de begrotingsuitgaven wordt ook toegerekend aan het BKZ. Het gaat daarbij om een deel van de uitgaven van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de uitgaven voor zorg, jeugd en welzijn in Caribisch Nederland en het Opleidingsfonds. Daarnaast omvat het BKZ de uitgaven die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar worden gesteld. Het gaat dan om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de reserveringen voor onder meer loon- en prijsbijstelling op de aanvullende posten van de minister van Financiën.

De begroting van VWS bevat uitgaven voor onder meer preventie, jeugdzorg en sport. Ook uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening, worden rechtstreeks ten laste van de begroting gebracht. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de ZBO’s Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Deze uitgaven worden gerekend tot de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin (Rbg-eng).

Financiering van het bruto-BKZ

Onderstaand overzicht (overzicht 2) maakt inzichtelijk dat het onderscheid tussen uitgaven op de begroting van VWS die worden toegerekend aan de budgetdisciplinesector Rbg-eng en de uitgaven die worden toegerekend aan het BKZ niet één op één overeenkomt met het onderscheid tussen begrotingsgefinancierde uitgaven en premiegefinancierde uitgaven. Het BKZ omvat immers zowel een begrotingsgefinancierd deel als een premiegefinancierd deel. De begrotingsgefinancierde uitgaven binnen het BKZ worden betaald uit belastingopbrengsten. De zorguitgaven worden gefinancierd uit premie-inkomsten, rijksbijdragen, eigen bijdragen en het verplicht eigen risico voor de basisverzekering van de Zvw.

Overzicht 2: Onderscheid tussen Budgettair Kader Zorg (BKZ) en begroting

Overzicht 2: Onderscheid tussen Budgettair Kader Zorg (BKZ) en begroting

Samenstelling van de BKZ-uitgaven

Tabel 1 geeft een overzicht van de bruto-BKZ-uitgaven uitgesplitst naar artikel. In overzicht 3 is deze uitsplitsing visueel gepresenteerd.

Tabel 1 Verdeling van de bruto-BKZ-uitgaven per artikel (bedragen x € 1 000 000)

Begrotingshoofdstuk

Artikel

Omschrijving

2012

Premie (P)/Begroting (B)

H16

41

Volksgezondheid

111,8

P

 

42

Gezondheidszorg

36 012,9

P

 

43

Langdurige zorg

25 980,1

P

 

44

Maatschappelijke ondersteuning

187,6

P

 

99

Nominaal en onvoorzien

1 624,6

P

H16

42.2

Zorgopleidingen

1 119,5

B

 

42.3

Wtcg

616,7

B

 

42.4

Caribisch Nederland

39,9

B

H50

 

Wmo

1 441,5

B

H80/81

 

Loon- en prijsbijstelling

53,3

B

   

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2012

67 187,9

 

Bron: VWS, NZa-productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Overzicht 3: Totaaloverzicht van alle BKZ-uitgaven

Overzicht 3: Totaaloverzicht van alle BKZ-uitgaven

Tabel 2 geeft de samenstelling van het bruto-BKZ weer, maar dan uitgesplitst naar premiegefinancierde uitgaven en begrotingsgefinancierde uitgaven. Het verplicht eigen risico en de eigen betalingen worden als niet-belastingontvangsten gerekend tot het BKZ. De BKZ-uitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-BKZ-uitgaven die worden getoetst aan het Budgettair Kader Zorg dat is vastgesteld in de Startbrief van het kabinet. Overzicht 4 geeft de samenstelling visueel weer.

Tabel 2 Samenstelling van het bruto-BKZ (bedragen x € 1 000 000)
 

2012

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2012

67 187,9

Premiegefinancierd

63 917,0

waarvan Awbz

27 076,5

waarvan Zvw

36 840,5

Begrotingsgefinancierd

3 270,9

waarvan Wmo

1 441,5

waarvan Zorgopleidingen

1 119,5

waarvan Wtcg

616,7

waarvan Caribisch Nederland

39,9

waarvan Overig

53,3

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2012

3 641,6

waarvan Eigen risico Zvw

1 798,9

waarvan Eigen bijdrage Zvw

146,2

waarvan Eigen bijdrage AWBZ

1 696,5

waarvan Terugontvangsten Zorgopleidingen

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2012

63 546,3

Bron: VWS, NZa-productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Overzicht 4: Samenstelling van het bruto-BKZ

Overzicht 4: Samenstelling van het bruto-BKZ

AWBZ-fonds en Zvw-fonds

De rijksbijdragen (de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK), de rijksbijdrage ten behoeve van 18-minners in de Zvw en de rijksbijdrage ten behoeve van de abortusklinieken) worden rechtstreeks vanuit de begroting gestort in het AWBZ-fonds en het Zvw-fonds. Omdat zowel de begroting als de fondsen onderdeel uitmaken van de collectieve sector gaat het hier om per saldo budgetneutrale verschuivingen binnen de collectieve sector. De rijksbijdragen worden om die reden wel op de begroting verantwoord, maar worden niet tot een budgetdisciplinesector gerekend.

De premie-inkomsten (nominale premie Zvw, AWBZ-premie inkomensafhankelijke bijdrage) worden gerekend tot de collectieve lasten en tellen daarom mee in de inkomstenindicator van het kabinet. Dit betekent dat iedere verandering in de hoogte van de premies wordt gecompenseerd door lastenverzwaring of lastenverlichting elders.

Verschuivingen tussen budgetdisciplinesectoren en tussen premiemiddelen en begrotingsmiddelen

Met enige regelmaat vinden overboekingen plaats tussen de budgetdisciplinesectoren (deelkaders) Rbg-eng en BKZ. Dergelijke overboekingen zijn budgetneutraal en de deelkaders worden hiervoor technisch gecorrigeerd. Tevens vinden verschuivingen plaats tussen begrotingsgefinancierde uitgaven en premiegefinancierde uitgaven. De eventuele gevolgen van dergelijke verschuivingen voor de hoogte van premies worden gecompenseerd binnen het inkomstenkader.

Alle medische vervolgopleidingen waarvoor VWS (eerst)verantwoordelijk is, staan op de begroting van VWS. De zogenoemde eerste en tweede trancheopleidingen worden tot het BKZ gerekend, terwijl de andere opleidingen (huisartsen, physician assistants, nurse practitioners) tot het Rbg-eng behoren. Om hier meer uniformiteit in aan te brengen worden de huisartsopleidingen met ingang van deze begroting overgeheveld van Rbg-eng naar het BKZ. Het Fonds Ziekenhuis Opleidingen, dat in 2011 van start is gegaan, valt eveneens onder het begrotingsgefinancierde deel van het BKZ. Hiermee is het grootste deel van de middelen dat beschikbaar wordt gesteld voor medische vervolgopleidingen onder één budgettair kader gebracht.

2. HET BELEID

2.1 De beleidsagenda 2012

1. De maatschappelijke opgave in de zorg

Iedere Nederlander moet kunnen rekenen op goede zorg. Zorg die van hoge kwaliteit, toegankelijk én betaalbaar is. Nu, en in de toekomst. De Nederlandse gezondheidszorg doet het gelukkig – ook naar internationale maatstaven – behoorlijk goed, dankzij al die mensen die zich elke dag met hart en ziel inzetten om de patiënt de juiste zorg te bieden. Mede daardoor leven we steeds langer en in betere gezondheid. Dat neemt niet weg dat we een aantal problemen en daarmee een maatschappelijke opgave hebben die moet worden aangepakt.

De zorgkosten stijgen de laatste jaren sneller dan de economie groeit en drukken daardoor steeds meer op de collectieve uitgaven. Door onder andere de vergrijzing, de toename van het aantal chronisch zieken en technologische ontwikkelingen neemt de vraag naar zorg de komende jaren alleen nog maar toe. Daarmee stijgen ook de zorguitgaven. Een structurele aanpak is dus noodzakelijk om deze uitdaging het hoofd te bieden. Naast de vijftien miljard euro1 extra die dit kabinet investeert in de zorg, zet het daarom ook flinke stappen in het hervormingsproces van de zorg. Het kabinet ziet zich daarbij voor een grote maatschappelijke opgave gesteld: hoe houden we de zorg toegankelijk, verhogen we de kwaliteit en beheersen we tegelijkertijd de zorguitgaven?

De kwaliteit en houdbaarheid van zorg hangen voor een groot deel af van het functioneren van de arbeidsmarkt in de zorg. Het is essentieel dat er voldoende en goed opgeleid personeel beschikbaar is en dat zorgverleners op de juiste plek worden ingezet. De beschikbaarheid van zorgverleners staat onder meer als gevolg van de dubbele vergrijzing en ontgroening van de samenleving onder druk. Het is noodzakelijk om op verschillende fronten in actie te komen. Daarom trekt dit kabinet jaarlijks 852 miljoen euro extra uit om de kwaliteit van zorg te verbeteren. Met dit bedrag kunnen zittende medewerkers scholing krijgen en zorgen in 2014 twaalfduizend extra medewerkers dagelijks voor ouderen, gehandicapten en chronisch psychiatrische patiënten. Maar daarmee zijn we er nog niet. We moeten alle mogelijkheden benutten om te voorkomen dat een personeelstekort realiteit wordt. We moeten slimmer gebruik maken van nieuwe (technologische) ontwikkelingen – bijvoorbeeld e-health –, zelfzorg maximaal stimuleren en andere arbeidsbesparende alternatieven inzetten.

Daarnaast ligt de maatschappelijke opgave er in om de zorg anders, beter en toekomstbestendig te organiseren. Zowel in de curatieve zorg als in de langdurige zorg moet het beleid gericht zijn op maximale aandacht en kwaliteit voor de patiënt tegen een betaalbare premie door een zo efficiënt mogelijke organisatie van de zorg. Zorgverleners moeten de zorg afstemmen op de behoeften en vermogens van patiënten. Dat kan alleen als er ruimte is om maatwerk te bieden en gerichte keuzes te maken, met de bijbehorende verantwoordelijkheden.

Deze analyse is niet nieuw; er zijn al verschillende ontwikkelingen in gang gezet. Dit kabinet onderscheidt zich door nu echt werk te maken van de omslag in de zorg en de herinrichting van het zorglandschap, zodat we de zorg voor de toekomst gezond en betaalbaar houden. Zowel in de curatieve als de langdurige zorg pakken we door op belangrijke dossiers. Dat vraagt met het oog op de toekomst om gevoelige keuzes.

De organisatie van de curatieve zorg moet klantvriendelijker en eenduidiger, maar moet ook minder gaan kosten. Het leidend principe is daarbij: dichtbij wat kan en verder weg waar nodig. Eenvoudige zorg (basiszorg) moet daarom dicht bij de burger worden georganiseerd en toegankelijk en bereikbaar zijn voor mensen die het op dat moment nodig hebben. Patiënten zijn voor eenvoudige handelingen beter af en goedkoper uit in de eerste lijn.

Voor specialistische zorg blijft de patiënt naar het ziekenhuis gaan. Ziekenhuizen leggen zich toe op complexere zorg en topzorg. Door zich te specialiseren in complexe aandoeningen, gaat de kwaliteit van de behandeling omhoog. Doordat niet meer alle ziekenhuizen zich hoeven toe te leggen op bepaalde specialisaties, en dus niet allemaal dezelfde investeringen hoeven te doen in dure gespecialiseerde apparatuur, levert dit kostenbesparingen op. Om uitgaven te beheersen en kwaliteit en doelmatigheid te verbeteren, voert het kabinet voor de ziekenhuiszorg prestatiebekostiging in en breiden we de vrije prijsvorming uit. Tegelijkertijd moeten zorgverzekeraars selectiever inkopen. Als stimulans daarbij geldt dat ze meer risico dragen en de achterafcompensaties (de zogenoemde ex-post risicoverevening) worden afgebouwd.

In de langdurige zorg werken we aan een grote cultuuromslag door een structuurverandering. De zorgbehoefte van de cliënt zal, meer dan nu het geval is, centraal komen te staan. Uitgangspunt is dat cliënten de zorg ontvangen die zij nodig hebben. In een instelling als de zorgbehoefte daarom vraagt, thuis als dat kan. Het eindperspectief is een AWBZ van hoge kwaliteit voor de mensen met een langdurige vraag naar zorg. Cliënten in instellingen krijgen via de Beginselenwet zorginstellingen een sterkere positie. Onderdelen van de AWBZ worden gedecentraliseerd naar gemeenten. Hierdoor kan de ondersteuning meer op maat worden geboden, dichter bij de cliënt en beter afgestemd op lokale mogelijkheden. De zorgkantoren worden opgeheven en de uitvoering van de AWBZ wordt in handen gelegd van de zorgverzekeraars, waarmee de cliënt over meer keuzevrijheid en sturingsmogelijkheden beschikt. Op deze manier is ook de aansluiting tussen de langdurige zorg en de curatieve zorg beter gewaarborgd. Daarnaast wordt regelgeving waar mogelijk vereenvoudigd of afgeschaft. Het gebruik van het persoonsgebonden budget (pgb) wordt beperkt, maar wel wettelijk verankerd.

Het kabinet wil de zorg voor jeugd beter laten aansluiten op de eigen kracht van kinderen, jongeren en hun ouders. Zoals overeengekomen in het Regeerakkoord wordt het jeugdstelsel ingrijpend gewijzigd. Door de verantwoordelijkheid te decentraliseren naar gemeenten wordt het stelsel laagdrempeliger, integraler en efficiënter.

De maatschappelijke opgave is een stevige en vraagt forse inspanningen van alle betrokken partijen. Samen met iedereen die in de zorg werkt, wil het kabinet maatregelen nemen om deze opgave het hoofd te bieden. In de volgende hoofdstukken gaan we in op onze plannen voor 2012 en geven we een doorkijkje naar de rest van de kabinetsperiode. Wij sluiten daarbij aan op de eerder aan de Tweede Kamer verzonden strategische beleidsbrieven «Zorg die werkt» en «Vertrouwen in de zorg».

2. Dicht bij de burger

Het kabinet wil dat basisvoorzieningen in Nederland dichtbij zijn georganiseerd. Dit geldt ook voor de eenvoudige zorg, ondersteuning, sport, jeugd en participatie. Mensen willen dichtbij naar de huisarts, de prikpoli of de sportvereniging. Bovendien is in de huidige situatie de geboden zorg niet altijd het juiste antwoord op de soms eenvoudige behoefte van mensen aan zorg en ondersteuning.

a. Basiszorg dichtbij en toegankelijk

Het kabinet komt in 2012 met maatregelen om een krachtige impuls te geven aan de toegankelijkheid van eenvoudige zorg. Die zorg moet dicht bij huis beschikbaar zijn en goed bereikbaar als dat nodig is. Steeds vaker zullen de zorgaanbieders die in gezondheidscentra samenwerken, deze zorg bieden. Daarbij is het van groot belang dat de verbinding tussen de eerstelijnszorg, de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning sterker wordt en meer gericht op buurt of regio.

Ook kan de eerste lijn een belangrijke rol spelen bij de verlening van medisch specialistische zorg. Eenvoudige ingrepen en behandelingen moeten uit de ziekenhuizen worden teruggebracht naar de eerste lijn. Daarnaast kan eenvoudige medisch specialistische zorg meer dan nu het geval is, ook in de buurt worden verleend, in een buitenpoli van het ziekenhuis of in een gezondheidscentrum.

Het aantal chronisch zieken neemt de komende jaren sterk toe. Ook bij de behandeling van deze groep kan de eerste lijn een grotere rol spelen. Nieuwe professionals die speciaal zijn opgeleid om chronisch zieken te begeleiden en te behandelen, verlichten de taak van de huisarts. Die kan zich daardoor richten op patiënten met een zorgvraag waar zij nu voor naar de tweede lijn gaan. Zo beperken we het onnodige gebruik van dure specialistische zorg. De specialist in het ziekenhuis krijgt hierdoor ruimte om meer patiënten te behandelen met complexere, specialistische zorgvragen.

Ook in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) is een fundamentele omslag nodig die we mede met versterking van goede basiszorg in de buurt kunnen bereiken. Dat is nu meer dan ooit nodig, omdat de uitgaven in negen jaar meer dan verdubbeld zijn: van 2,5 miljard euro in 2000 naar 5,5 miljard euro in 2009. Elk jaar komen er meer dan tien procent patiënten bij in de ggz. Geestelijke ziekten komen echter even vaak voor als tien jaar geleden. Onderstaande tabel laat zien dat vergeleken met andere westerse landen een groot aandeel van het bruto binnenlands product (BBP) naar de behandeling van psychische- en gedragsstoornissen gaat.

Uitgaven aan de GGZ als aandeel van BBP

Uitgaven aan de GGZ als aandeel van BBP

Ongeveer een derde van de mensen met lichte psychische klachten krijgt nu onnodig een behandeling in de tweedelijns geestelijke gezondheidszorg (ggz). Omdat deze zorg kwalitatief beter en ook nog eens goedkoper kan worden verleend in de eerste lijn, is het gewenst dat meer mensen een behandeling in de eerste lijn krijgen. Voor behandelingen in de eerste lijn moesten mensen al een eigen bijdrage betalen; voor behandeling in de tweede lijn moeten patiënten met ingang van 2012 ook een eigen bijdrage betalen. Die bijdrage is hoger dan die voor de eerstelijns ggz, zodat cliënten worden gestimuleerd om bij voorkeur behandeling te zoeken in de eerste lijn. Daarbij moet in de ggz worden beloond naar prestatie, zodat het leveren van maatwerk aan de patiënt, innovatie en hard werken lonen.

Bovendien moet er in de ggz meer nadruk worden gelegd op preventie, tijdig signaleren, zelfzorg, e-mental health en het stimuleren van kortdurende behandelingen. Naar verwachting kunnen we daarmee zwaardere en langdurige psychische behandelingen voorkomen. Om extramuralisering in de ggz te stimuleren is, op basis van advies van de NZa, voor 2011 de mogelijkheid gecreëerd om het schot tussen AWBZ en Zvw flexibel toe te passen. Daarmee is herschikking van financiële middelen op instellingsniveau mogelijk. De NZa is gevraagd om een aanvullend advies voor de langere termijn.

b. Zorgzaamheid dicht bij huis

Mensen willen zoveel mogelijk de regie over hun eigen leven voeren, zorg en ondersteuning het liefst dicht bij huis ontvangen en deze zorg en ondersteuning inpassen in hun dagelijkse situatie. Het kabinet geeft deze regie terug zodat cliënten in hun directe omgeving met familie, vrienden, vrijwilligers en alle zorgverleners afspraken kunnen maken over de zorg en ondersteuning die ze nodig hebben.

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), uitgevoerd door gemeenten, regelt dat mensen de voorzieningen, hulp en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben om te kunnen participeren in de samenleving. Gemeenten hebben de plicht om te zorgen dat iemand zo goed mogelijk kan deelnemen aan de maatschappij, de zogenoemde compensatieplicht. Gemeenten brengen in samenspraak met de burger in kaart welke ondersteuning iemand nodig heeft. Daarbij is de eigen kracht en de ondersteuning uit het eigen netwerk het uitgangspunt.

Extramurale begeleiding

Gemeenten staan dichterbij hun burgers dan het rijk. Daarom zal de extramurale begeleiding, die nu nog deel uitmaakt van de AWBZ, onder de Wmo komen. De gemeente kan ondersteuning op maat bieden bijvoorbeeld in de eigen wijk of buurt. De gemeente zal daarbij verbindingen leggen met bijvoorbeeld de schuldhulpverlening, woningaanpassingen, re-integratie en bijstand of het woonbeleid. Het zogeheten Transitiebureau van VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) helpen gemeenten, aanbieders en cliënten(organisaties) zich voor te bereiden op de overgang. In de bestuursafspraken 2011– 2015 met gemeenten staat deze overheveling beschreven.

In 2012 gaan we verder met de voorbereiding van de decentralisatie van extramurale begeleiding naar de Wmo. Per 1 januari 2013 geldt dat mensen die vanaf dat moment voor het eerst begeleiding nodig hebben een beroep moeten doen op de Wmo. Dit geldt ook voor cliënten van wie de AWBZ-indicatie in 2013 afloopt en die om een nieuwe – of een herindicatie vragen. Vanaf 2014 valt iedereen die begeleiding nodig heeft onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.

Laagdrempelig CJG in elke gemeente

Met de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) is de basis gelegd voor het laagdrempelig en in de nabije omgeving aanbieden van opvoedingsondersteuning voor ouders met opgroeiende kinderen. In 2012 gaan we door met de inhoudelijke ontwikkeling van de CJG’s.

De ondersteuning en hulp die het CJG biedt, is zo veel mogelijk gericht op het versterken van de gewone opvoeding, de eigen kracht en autonomie van jongeren en hun ouders. Om nieuwe taken op het terrein van de zorg voor jeugd goed te kunnen uitvoeren, is het van belang dat gemeenten samenwerken. Hiervoor ontvangen zij ook in 2012 ondersteuning in de vorm van handreikingen en advies.

Cliëntondersteuning binnen handbereik

Gemeenten zijn uit hoofde van de Wmo verantwoordelijk voor cliëntondersteuning, maar hebben niet de middelen voor alle doelgroepen. Cliëntondersteuning voor gehandicapten bijvoorbeeld wordt op dit moment uitgevoerd door MEE. Veel voorzieningen op het vlak van participatie komen bij de gemeenten te liggen en dus dicht bij de burger. Daarom krijgen gemeenten geleidelijk meer zeggenschap over de middelen en capaciteit van MEE.

c. Veilig sporten en bewegen in de buurt

In het Regeerakkoord en de beleidsbrief «Sport en bewegen in Olympisch perspectief» zijn veel ambities voor het sportbeleid opgenomen. Om aan die ambities invulling te kunnen geven is extra geld vanuit de loterij opbrengsten beschikbaar gekomen. Voor 2012 tot en met 2014 is jaarlijks 10 miljoen euro toegevoegd aan het sportbudget van VWS. Daarvan is minimaal 6 miljoen euro per jaar afkomstig uit de Staatsloterij. Daarnaast worden vanuit de Lotto extra opbrengsten gegenereerd voor de georganiseerde sport (via NOC*NSF); minimaal 4 miljoen euro in 2013 en minimaal 9 miljoen euro vanaf 2014.

Sporten in de buurt

We hechten veel waarde aan sport en bewegen als basis voor een gezonde en actieve leefstijl. Sport is gezond, leuk, ontspant en brengt mensen bij elkaar. Overgewicht is een toenemend probleem in Nederland. Sporten is goed tegen overgewicht en depressies en heeft een positieve invloed op de levensstijl van mensen. Daarom moet iedere Nederlander kunnen sporten en bewegen in de buurt. Dat kan niet altijd, want in veel gemeenten zijn de sportvelden naar de rand van de bebouwde kom gedrukt. We moeten er nu gezamenlijk voor zorgen dat er voldoende mogelijkheden om te bewegen in de buurt komen. Dat gaat verder dan een trapveldje.

Met de sportsector, de gemeenten en het bedrijfsleven wordt gewerkt aan het vormgeven van het programma Sport en Bewegen in de buurt dat per 1 januari 2012 van start gaat. Met dit programma willen we vraaggericht sport- en beweegaanbod in de buurt stimuleren dat ook bijdraagt aan de gezondheid van het individu en de leefbaarheid van de buurt. Dat doen we door het uitbreiden van het aantal combinatiefunctionarissen en het verbreden van hun inzet. Combinatiefunctionarissen zijn mensen die nu worden ingezet om lokaal onderwijs, sport en cultuur te verbinden. Wij willen dat deze mensen zich in ieder geval ook richten op verbinding van zorg, welzijn en buitenschoolse opvang met de sport. Bovendien beoogt het programma dat sportverenigingen meer vraaggericht aanbod en meer aanbod in de buurt realiseren en publiek-private samenwerking te stimuleren. Tot slot start in het najaar van 2011 een Taskforce, die zich zal richten op het wegnemen van belemmeringen rond sport en bewegen in de buurt. Deze Taskforce zal eind 2011 haar eerste bevindingen rapporteren en in 2012 aan de slag gaan met het wegnemen van de geconstateerde belemmeringen.

Een veilig sportklimaat

Naast de bereikbaarheid van sportfaciliteiten is het belangrijk dat iedereen kan sporten zonder last te hebben van intimidatie of geweld. Mensen die geweld plegen tegen officials in de sport, krijgen zwaardere straffen. Samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie, partners uit de sport, gemeenten en MOgroep Welzijn hebben we het actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» opgesteld. We pakken ongewenst gedrag en excessen in de sport aan en creëren een veiliger sportklimaat. Voor de uitvoering van dit plan is tot en met 2016 zeven miljoen euro per jaar beschikbaar.

Topsport en Olympisch plan

We hebben de ambitie om bij de beste tien topsportlanden van de wereld te behoren. Daarom investeren we onder meer in de inkomensvoorziening voor (gehandicapte) topsporters en in een betere aansluiting van onderwijs op de Centra voor topsport en onderwijs. Ook wil het kabinet de economische en maatschappelijke betekenis van sport verder benutten door Nederland internationaal op de kaart te zetten (Holland Branding).

Het vizier is erop gericht om in 2016 een gefundeerd besluit te kunnen nemen over de mogelijke organisatie van de Olympische en Paralympische Spelen in 2028 in Nederland. Om een dergelijk besluit voor te kunnen bereiden, worden onder meer verkennende studies uitgevoerd. Het gaat daarbij onder andere om uitwerking en verdieping van de ruimtelijke varianten voor de Olympische Hoofdstructuur.

3. Betere en betaalbare zorg

Door gericht te investeren in betere kwaliteit en slimmer te werken, kunnen we goede zorg voor mensen nu en in de toekomst garanderen. De vraag naar zorg neemt de komende jaren alleen maar toe en de zorguitgaven zullen een steeds groter deel van de collectieve en private uitgaven beslaan. Dat gaat ten koste van andere uitgaven, zowel op rijksniveau als in de persoonlijke levens van mensen. Daaraan zitten grenzen. Het kabinet trekt deze kabinetsperiode weliswaar vijftien miljard extra uit voor zorg, maar er is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat de kostenontwikkeling wordt beheerst en binnen de afspraken blijft.

Hervorming: Kwaliteit ouderenzorg is één van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Dit doen we onder andere door de versterking van patiëntenrechten in de Wet cliëntenrechten zorg en de Beginselenwet zorginstellingen en door extra medewerkers te werven en bij te scholen voor ouderenzorg. We nemen extra maatregelen om de veiligheid van ouderen beter te garanderen en verbeteren het toezicht door de IGZ. We bevorderen de inzet van zorg in de buurt en optimaliseren de schaalgrootte van instellingen.

a. Betere kwaliteit, veiligheid en meer transparantie

Extra personeel en opleiding

Voor het leveren van goede zorg is het essentieel dat er voldoende en goed opgeleid personeel beschikbaar is. Daarom stelt het kabinet vanaf 2012 jaarlijks 852 miljoen euro extra beschikbaar voor de langdurige zorg. Met dit bedrag krijgen instellingen meer financiële armslag en kunnen medewerkers die al in de intramurale zorg werken worden opgeleid of extra medewerkers worden opgeleid en aangenomen. Het is van groot belang dat deze extra middelen doelmatig worden besteed en daadwerkelijk leiden tot meer handen aan het bed. Daarom is een bestuurlijk convenant afgesloten met de zorgverzekeraars, de werkgevers in de zorg en de beroepsverenigingen. Hierin wordt de ambitie vastgelegd dat op peildatum 31 december 2013 twaalfduizend extra medewerkers zijn aangenomen, of in opleiding zijn.

Patiëntveiligheid

Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat ze goede en veilige zorg krijgen. En zorg daarop kunnen beoordelen. Daarvoor is inzicht in kwaliteit en veiligheid van zorgaanbieders noodzakelijk. Doelstelling is de kwaliteit en veiligheid van de zorg te verbeteren door het invoeren van veiligheidsprogramma's in alle ziekenhuizen, eerstelijns-organisaties en ggz-instellingen. Het in 2007 opgezet veiligheidsmanagementsysteem moet leiden tot een vermindering van vermijdbare schade en sterfte in de zorg. Hier trekt het kabinet in 2012 bijna 3,5 miljoen euro voor uit. De ambitie van de sector is de vermijdbare sterfte in 2012 met vijftig procent te verminderen ten opzichte van 2004. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ziet erop toe dat alle ziekenhuizen eind 2012 over een geaccrediteerd veiligheidsmanagementsysteem beschikken. Zo nodig zal op verzoek van de IGZ hiertoe in voorkomende gevallen een aanwijzing worden gegeven.

Kwaliteitsinstituut voor de zorg

Zorg – zowel curatief als langdurig – wordt soms onnodig verleend, is van wisselende kwaliteit en wordt niet altijd gegeven door de juiste zorgverlener. Mensen hebben er onvoldoende zicht op wie wel of niet goede zorg levert, omdat de kwaliteit van zorg nog weinig transparant is. De praktijkvariatie is groot. Hierdoor maken we te veel kosten en krijgen mensen niet altijd de juiste zorg. Daarom zijn er professionele standaarden nodig, die vanuit het perspectief van de patiënt beschrijven hoe een samenhangend zorgproces eruit hoort te zien. Van preventie tot nazorg. Die standaarden geven inzicht in wanneer welke zorg geïndiceerd is en het gepast gebruik daarvan, hoe een integraal zorgpad er uit ziet, de geldende richtlijnen, kwaliteits- en veiligheidsnormen en verwachte uitkomstindicatoren.

Voor diabetes, COPD, overgewicht en cardiovasculair risicomanagement (hartfalen) is een begin gemaakt met zorgstandaarden. Ook voor andere aandoeningen, zoals depressie, dementie en astma, ontwikkelen we in 2012 standaarden. In de langdurige zorg zijn de inzichten van verzorgers en verplegers nog te weinig expliciet. Juist hun inzichten, die het dichtst staan bij de beleving van de cliënt, zullen bijdragen aan kwaliteitscriteria die echt de «belevingstemperatuur» van de zorg weergeven.

In 2012 integreren we een kwaliteitsinstituut in het College voor zorgverzekeringen (CVZ) dat de professionele standaarden zal coördineren. Een aantal nu los van elkaar opererende organisaties op het gebied van kwaliteit verdwijnt dan. Het instituut moet ingrijpen als standaarden niet op tijd klaar zijn of niet bruikbaar zijn. De kwaliteit van zorg wordt inzichtelijker voor burgers, professionals, Inspectie en zorgverzekeraars. We verwachten dat daardoor de kwaliteit in zowel de geneeskundige als de langdurige zorg toeneemt. Met ingang van 2013 moet het Kwaliteitsinstituut operationeel zijn. Vooruitlopend daarop zullen in 2012 enkele pilots worden uitgevoerd om met de relevante veldpartijen professionele standaarden te ontwikkelen.

Transparantie

Alleen wanneer duidelijk is welke kwaliteit zorgaanbieders leveren, is het voor cliënten en verzekeraars mogelijk een goede keuze te maken. Daarom wordt in de Wet cliëntenrechten zorg het recht op keuze-informatie wettelijk verankerd. Keuzes van patiënten en zorgverzekeraars zullen zorgaanbieders aanzetten om de kwaliteit van zorg verder te verbeteren. Ook de service en bejegening door zorgaanbieders moeten inzichtelijk zijn.

Doelstelling is dat er een beperkte set indicatoren is, die zo veel mogelijk iets zegt over de resultaten van de geboden zorg. Het project «Zichtbare Zorg» houdt eind 2012 op te bestaan. De functie om partijen te faciliteren in de totstandkoming van publieke (keuze)informatie zal daarna worden overgenomen door het Kwaliteitsinstituut bij het CVZ. In 2012 zullen de resultaten van de bestaande trajecten gericht op het verbeteren van transparantie worden geconsolideerd. Veldpartijen zijn zelf verantwoordelijk om in overleg met elkaar afspraken te maken over het openbaar maken van kwaliteitsinformatie. Zo zullen aanbieders en inkopers meer aandacht geven aan cliënttevredenheid en medewerkerstevredenheid als indicator.

IGZ-toezicht

De IGZ houdt toezicht op de naleving van regels en normen om zo risico’s te verminderen. De IGZ krijgt de komende jaren een grotere rol en ontvangt daarom met ingang van 2012 jaarlijks tien miljoen euro extra.

De IGZ zal meer toezicht houden op de zorg voor kwetsbare groepen, met de nadruk op de zorg voor ouderen. De IGZ voert daartoe meer inspecties uit op de werkvloer, zowel onaangekondigd als aangekondigd, en maakt gebruik van «mystery guests». De IGZ zal daarbij tevens papieren verantwoording terugdringen, ingegeven vanuit het overheidsbrede standpunt om administratieve lasten terug te dringen en een evenwichtiger verhouding te realiseren tussen papieren beoordeling en inspecties ter plekke.

Ook versterkt de IGZ het toezicht op de ontwikkeling en verkoop van geneesmiddelen om de veiligheid te vergroten. Verder houdt de IGZ nauwlettend toezicht op nieuwe toetreders, zodat ook zij die verantwoorde zorg leveren die we van alle zorgaanbieders verwachten.

De IGZ maakt een omslag, van een reactieve naar een proactieve toezichthouder. De inspectie zal meer dan voorheen bovenop de zorguitvoering moeten zitten. Beroepsbeoefenaren en instellingen in de zorg die niet goed functioneren worden nadrukkelijk gevolgd en daar waar nodig streng aangepakt. Met de extra middelen wordt de IGZ in staat gesteld om zaken sneller af te handelen.

Ouderen in veilige handen

Zoals in het Regeer- en Gedoogakkoord opgenomen, zet dit kabinet in op extra maatregelen om ouderenmishandeling tegen te gaan en trekt daarvoor de komende jaren tien miljoen euro uit. Met het actieplan «Ouderen in veilige handen» willen wij geweld en mishandeling gepleegd door professionals tegengaan, maar ook geweld dat is gepleegd in huiselijke kring. Het plan richt zich op een verplichte verklaring omtrent gedrag voor betaald zorgpersoneel, een richtlijn ouderenmishandeling, een meldplicht voor ouderenmishandeling en voortzetting van het project «stop ouderenmishandeling».

b. Gelijkwaardige relatie professional en cliënt

Wet cliëntenrechten zorg / Beginselenwet zorginstellingen

De rechten en plichten van cliënten worden geregeld in verschillende wetten. Om de wetgeving te stroomlijnen en om de rechten van cliënten in relatie tot de zorgaanbieder te versterken, heeft het vorig kabinet het wetsvoorstel Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) ingediend. Deze wet geldt zowel voor de langdurige als voor de curatieve zorg. De wet bevordert de overzichtelijkheid voor cliënten, cliëntenorganisaties, zorgaanbieders en verzekeraars. Cliënten krijgen daarnaast recht op keuze-informatie, er komt een laagdrempelige en niet-vrijblijvende behandeling van klachten en geschillen waar burgers zonder hoge kosten hun recht kunnen halen en de medezeggenschap van bewoners van instellingen wordt verbeterd. Verder stelt de Wcz aanvullende eisen aan het bestuur en toezicht van zorginstellingen. Goed bestuur (oftewel good governance) wordt gestimuleerd door onder andere één lid van de raad van bestuur expliciet aanspreekpunt te maken voor kwaliteit, door het toezichthoudend orgaan meer controlemogelijkheden te geven bij ingrijpende besluiten en het mogelijk te maken voor het bestuur om aanwijzingen te geven aan zorgverleners.

Met de Beginselenwet zorginstellingen komt de dialoog tussen zorgverlener en cliënt in de langdurige zorg centraal te staan en krijgt deze een wettelijke basis. Mensen die gebruik maken van de intramurale AWBZ hebben recht op bespreking, actualisering en evaluatie van hun zorgplan. In het zorgplan van bewoners van instellingen moeten over de wijze waarop de cliënt zijn leven wenst in te richten goede en afdwingbare afspraken worden gemaakt waar de cliënt de zorgaanbieder ook aan kan houden. Ook het zelfbeschikkingsrecht voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van zorg moet goed gewaarborgd zijn.

Bovendien krijgen mensen met deze wet het recht direct de IGZ in te schakelen als zij ernstige klachten hebben over hun persoonlijke verzorging of persoonlijke bejegening. Verder staan in het wetsvoorstel maatregelen die mensen moeten beschermen tegen mishandeling door medewerkers van instellingen. We willen het wetsvoorstel in het najaar van 2011 naar de Tweede Kamer sturen.

c. Zorg belonen naar prestatie

Hervorming: De invoering van prestatiebekostiging in de medisch specialistische zorg is één van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Onderdeel hiervan is het uitbreiden van de vrije prijsvorming en de invoering van DOT-zorgproducten. Verzekeraars gaan meer risico lopen, doordat de macronacalculatie per 2012 wordt afgeschaft. De risicoverevening achteraf wordt tussen 2012 en 2015 geleidelijk afgeschaft. Winstuitkering in de zorg wordt onder voorwaarden mogelijk.

Prestatiebekostiging ziekenhuizen

Ziekenhuizen ontvangen nu nog een budget dat voor een groot deel vaststaat en geen relatie heeft met geleverde prestaties. Zij krijgen bijvoorbeeld een vast bedrag per opname, per ligdag of per bezoek aan een polikliniek. Zij worden voor dit vaste deel niet extra beloond als zij de kwaliteit van een behandeling verbeteren, maatwerk leveren of de zorg doelmatiger organiseren. Dat gaan we veranderen: voor de medisch specialistische zorg voeren we met ingang van 2012 prestatiebekostiging in. Ook vergroten we per 2012 het vrije segment naar circa 70 procent.

De jaren 2012 en 2013 vormen voor het kabinet een transitieperiode waarin we een verantwoorde en zorgvuldige overgang maken naar een eindmodel van belonen naar prestatie, vrije prijsvorming, keuzevrijheid en dynamiek. In de transitieperiode worden grote schommelingen in de omzet als gevolg van de invoering van prestatiebekostiging en de overstap naar DOT-zorgproducten gedempt. Zorgvuldigheid is daarbij belangrijk: daarom corrigeren we de schommelingen in het eerste jaar voor 95 procent en in het tweede jaar voor 70 procent. Dat betekent dat er zelfs in het eerste jaar van de overgang ruimte blijft voor groei en krimp op basis van prestatie. Zo kunnen de ziekenhuizen zich maximaal blijven inzetten voor de patiënt.

Ziekenhuizen stappen over van ruim 40 000 dbc’s naar ongeveer 4 000 DOT-zorgproducten. Een DOT beschrijft beter en beknopter dan een dbc welke prestaties een ziekenhuis levert.

De verzekeraars gaan meer risico dragen om ervoor te zorgen dat zij scherper op prijs, kwaliteit en aantal behandelingen inkopen. De macronacalculatie wordt per 2012 afgeschaft. De ex-post risicoverevening wordt stapsgewijs afgebouwd. Ook hier geldt een overgangsfase. In 2015 is het eindmodel bereikt.

Hoofdlijnenakkoord ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra, zorgverzekeraars, overheid

Het kabinet heeft met de zorgaanbieders en verzekeraars een akkoord op hoofdlijnen gesloten om samen de verantwoordelijkheid te nemen om de doelmatigheid te vergroten, te stoppen met onnodige behandelingen en de kwaliteit te verbeteren. De ambitie is om de structurele uitgavengroei in de ziekenhuissector in de periode 2012 tot 2015 te beperken tot 2,5 procent (exclusief loon- en prijsbijstelling), zonder dat er wachtlijsten ontstaan. Dat is een aanzienlijke opgave, waarbij de volledige medewerking van alle betrokken partijen noodzakelijk is. Dit kan niet zonder de organisatie van de zorg grondig te herzien: dichtbij wat kan, specialiseren waar moet. Het is beter als artsen en andere zorgverleners routine krijgen in het doen van hoogcomplexe behandelingen, waardoor de kans op een geslaagde operatie en daarmee de kwaliteit voor de patiënt toeneemt. Dat kan alleen als zorgverleners meer specialiseren. Dat is ook doelmatig, want niet ieder ziekenhuis hoeft dure apparatuur aan te schaffen voor een enkele patiënt. Ook het aantal hersteloperaties neemt zo sterk af. Het kabinet zal in 2012 zeer intensief in gesprek blijven met alle partners om deze ambities waar te maken.

Prestatiebekostiging in de curatieve geestelijke gezondheidszorg

Voor de tweedelijns curatieve geestelijke gezondheidszorg is de inzet om in 2013 over te gaan op prestatiebekostiging. Op die manier komt er een einde aan het dubbele administratiesysteem en aan het ongelijke speelveld van nieuwe aanbieders en aanbieders die al langer bestaan. Het doorvoeren van de omslag op een verantwoorde manier is een grote opgave en vergt een zorgvuldig traject dat alleen samen met de sector kan worden doorlopen. Er moet gewerkt worden aan het voldoende vervullen van de randvoorwaarden om prestatiebekostiging optimaal te laten werken. Het kabinet zet in op een brede beleidsagenda die in het najaar van 2011 met de sector wordt opgesteld voor de curatieve ggz en vervolgens wordt uitgevoerd. Daarin zullen ook zorginhoudelijke beleidsthema’s als versterking van de eerstelijns curatieve ggz, preventie, zelfmanagement, e-health, ambulantisering en patiëntveiligheid een plaats krijgen.

AWBZ: betalen voor resultaat

Mensen moeten de zorg krijgen die bij hen past. De afgelopen jaren hebben zorgaanbieders een grote inzet gepleegd om een financiering in te voeren die gericht is op de individuele cliënt, de zogenoemde zorgzwaartepakketten (ZZP’s). Op dit moment staat in een ZZP beschreven welke soort en hoeveel zorg is geïndiceerd. Dit zegt echter niets over of deze zorg ook zo wordt geleverd en wat het resultaat is. Bekostigen op resultaat stimuleert aanbieders om maatwerk en kwaliteit aan de cliënt te leveren, uitgaande van mogelijkheden in plaats van beperkingen. Daarmee is resultaatfinanciering een logische volgende stap op de ZZP’s. Het model voor resultaatfinanciering werken we de komende maanden uit. Als onderdeel van de aanpassing van de AWBZ-financiering gaat het kabinet vanaf 2012 integrale tarieven voor de langdurige zorg hanteren.

d. Juiste zorgverlener op de juiste plaats

Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar zorg moeten we alle zorgverleners inzetten daar waar ze het beste tot hun recht komen. Nieuwe beroepsbeoefenaren – verpleegkundig specialisten en physician assistants – zijn speciaal opgeleid om eenvoudige en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Dit leidt tot hogere kwaliteit, zorg dichter bij huis, minder werkdruk en een beter carrièreperspectief. Het aantal chronisch zieken stijgt de komende jaren enorm en daarom is er vooral in de chronische zorg behoefte aan extra, deskundig personeel, dat deze patiënten behandelt en begeleidt. De nieuwe beroepen spelen hierop in. Daarom komen er meer opleidingsplaatsen voor nieuwe beroepen. De komende tijd wordt onderzocht hoe we deze taakherschikking financieel het beste kunnen faciliteren.

In 2025 hebben we een kwart meer artsen nodig. We onderzoeken samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op welke wijze en in welk tempo er vanaf 2012 meer artsen kunnen worden opgeleid. Over de uitwerking van de verhoging van opleidingsplaatsen van basisartsen, zorgmasters en medisch specialisten worden momenteel gesprekken gevoerd met de HBO-raad en VSNU.

Bescherming van zorgverleners

De vermindering van agressie en geweld heeft hoge prioriteit bij het kabinet. Agressie en geweld tegen zorgverleners is onacceptabel. Inmiddels zijn de straffen op geweld tegen medewerkers met een publieke taak drie keer zo hoog. Maar agressie komt nog te vaak voor. Op de werkvloer moet er meer aandacht komen voor maatregelen tegen agressie. Slachtoffers moeten juridisch goede hulp krijgen. Werkgevers moeten bijstand verlenen bij het doen van de aangifte en aandacht hebben voor nazorg. Daar waar het kabinet werkgevers en werknemers kan ondersteunen, zullen we dit doen.

e. E-health

Het kabinet zet in op e-health gericht op kwaliteitsverbetering en dienstverlening, arbeidsbesparing en doelmatigheid. Onder e-health verstaan we het toepassen van ICT, internet en mobiele technologie op het gebied van gezondheid en zorg. E-health draagt bij aan het versterken van de eigen regie doordat patiënten met een chronische aandoening thuis of op het werk op afstand worden gemonitord of begeleid. Dit betekent voor mensen met bijvoorbeeld diabetes of hartfalen meer vrijheid en dat de verpleegkundige efficiënter kan worden ingezet. Zo kan e-health delen van de zorgketen vervangen, kosten besparen en bovendien bijdragen aan oplossingen voor de arbeidsmarktproblematiek.

De implementatie van e-health toepassingen komt nog te langzaam op gang, terwijl er al bewezen effectieve toepassingen zijn. Het is nodig om in te zetten op drie aspecten: bekostiging, cultuur en organisatie en standaardisatie en interoperabiliteit.

Het kabinet wil de implementatie van e-health een flinke impuls geven. Met het actieprogramma «Zorg voor innoveren» geven we opdracht de belangrijkste knelpunten in wet- en regelgeving op te lossen. Het veld zelf heeft een nationale implementatie agenda e-health aangekondigd. Het kabinet wil waar mogelijk deze agenda ondersteunen en wil tevens inzetten op het verbeteren van de online dienstverlening door zorgaanbieders. In 2012 starten we tevens met een e-health monitor om de voortgang op dit thema te volgen.

In de ggz is specifiek aandacht nodig voor de bekostiging van anonieme e-health toepassingen. VWS financiert de ontwikkeling van Keurkring, een instrument om de kwaliteit van e-mental health programma’s te beoordelen.

f. Een toekomstbestendige langdurige zorg

Hervorming: De herziening in de AWBZ is één van de hervormingen uit het Regeerakkoord. Het persoonsgebonden budget wordt beperkt en krijgt een wettelijke verankering. We bereiden het scheiden van wonen en zorg voor. De ambitie is om de uitvoering van de AWBZ per 2013 te laten uitvoeren door zorgverzekeraars. Onderzocht wordt hoe de toegang tot de AWBZ per 2013 kan worden beperkt voor mensen met een IQ tussen de 70 en 85.

De meest kwetsbare mensen in onze samenleving moeten op goede zorg kunnen blijven rekenen. Door toegenomen zorggebruik, stijgende kosten, een dreigend tekort aan zorgpersoneel en omvangrijke bureaucratie is de houdbaarheid van de ABWZ onder druk komen te staan. Iedere burger betaalt nu maximaal 330 euro AWBZ-premie per maand: een bedrag dat zonder maatregelen zou verdubbelen indien we ervoor kiezen de stijgende uitgaven uit de premiegelden te betalen.

Onderstaande tabel laat zien dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen samen met Zweden de hoogste kosten kent voor langdurige zorg. Bovendien groeien die uitgaven bij ongewijzigd beleid (veel) sterker dan in andere EU-landen. Naast de eerder in deze beleidsagenda genoemde maatregelen om de kwaliteit te verbeteren, brengen we de AWBZ terug naar de kern.

% van BBP besteed aan langdurige zorg nu, en bij ongewijzigd beleid in 2050

% van BBP besteed aan langdurige zorg nu, en bij ongewijzigd beleid in 2050

Wettelijke verankering persoonsgebonden budget (pgb)

Het pgb is een waardevol instrument voor personen met een levenslange zorgvraag. Het recht op een pgb wordt per 1 januari 2014 wettelijk vastgelegd. Het pgb en zorg in natura worden dan gelijkwaardige alternatieven en we voegen beide budgetten samen. Het wetsvoorstel gaat medio 2012 naar de Tweede Kamer.

De sterke groei van de pgb-uitgaven van de afgelopen jaren is echter niet vol te houden. Als we geen maatregelen treffen, gaat het pgb aan zijn eigen succes ten onder en worden we met een tekort van bijna 900 miljoen euro in 2015 geconfronteerd. Daarom komen vanaf 2012 alleen mensen die recht hebben op een verblijf in een zorginstelling, nog in aanmerking voor een pgb. De huidige budgethouders behouden hun pgb tot uiterlijk 1 januari 2014. Het recht op AWBZ-zorg blijft behouden. De verwachting is thans dat reguliere aanbieders van zorg in natura in belangrijke mate in de behoefte van de betreffende pgb-houders kunnen voorzien. De maatregelen van het kabinet zijn een belangrijke impuls om dit aanbod meer te richten op de specifieke wensen en behoeften van de cliënt. Daar waar een en ander (nog) niet het geval kan zijn, is het streven om binnen de contracteerruimte mogelijkheden te bieden tot maatwerk. In dit kader is het van belang dat zorgkantoren vanaf 2012 ook rechtstreeks zelfstandigen zonder personeel mogen contracteren.

Het scheiden van wonen en zorg

Het kabinet gaat wonen en zorg van elkaar scheiden. De AWBZ gaat dan alleen nog over zorg. Bewoners van instellingen krijgen hierdoor meer keuzevrijheid en zorginstellingen zullen zich beter richten op de woonwensen van cliënten. Om het scheiden van wonen en zorg in te kunnen voeren, is het nodig om stapsgewijs (vanaf 2012) standaardnormen vast te stellen voor kosten van huisvesting.

Cliënten betalen uiteindelijk zelf de kosten voor wonen. Ter compensatie van deze kosten verlaagt het kabinet de eigen bijdragen. Ook komen cliënten in aanmerking voor huurtoeslag als hun inkomenspositie hier aanleiding toe geeft. Het streven is om per 1 januari 2014 te starten met het scheiden van wonen en zorg voor mensen met een lichte zorgvraag.

Uitvoering AWBZ door zorgverzekeraars

Wij zijn voornemens vanaf 1 januari 2013 zorgverzekeraars de AWBZ voor hun eigen verzekerden te laten uitvoeren. De cliënt krijgt daarmee de beschikking over één loket waar hij met elke zorgvraag terecht kan, of dat nu zorg is vanuit de Zorgverzekeringswet of zorg vanuit de AWBZ.

Door de AWBZ door zorgverzekeraars voor eigen verzekerden te laten uitvoeren, ontstaat er een directe klantrelatie tussen cliënt en zorgverzekeraar. De cliënt krijgt de vrijheid om te kiezen via welke zorgverzekeraar hij zijn AWBZ-zorg wil laten regelen; hij is niet meer gebonden aan het zorgkantoor in zijn regio. De zorgverzekeraar zal zich ook daarom meer moeten richten op de wensen van de individuele cliënt en diens zorgvraag, dit hoort in onze visie ook bij «good governance». De zorgverzekeraars zijn beter in staat om de cliënt in de hele keten te volgen. In 2012 bereiden we deze overgang voor.

Verlaging IQ-grens

Het kabinet onderzoekt hoe vanaf 1 januari 2013 de toegang tot de AWBZ kan worden beperkt voor mensen met een IQ tussen de 70 en 85, zoals afgesproken in het Regeerakkoord. Het kabinet wil dat de zorg en ondersteuning voor deze mensen dichterbij en meer vanuit het eigen sociale netwerk wordt georganiseerd.

g. Goede zorg waarderen en blijven verbeteren

Organisaties in de zorg hebben te maken met een veranderende samenleving, zoals de krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk, en het daarmee samenhangende overheidsbeleid. Zij moeten veel inspanningen plegen om zich voortdurend te verbeteren. Wij spreken er onze waardering voor uit dat zij dit doen. Goede zorg verdient het om onder de aandacht te worden gebracht. Wij willen zorgaanbieders ondersteunen in het verbeteren van de kwaliteit van zorg en zorgvernieuwing. Om dit te realiseren wordt voortgebouwd op diverse lopende programma’s ter stimulering van kwaliteitsverbetering, verhoging van arbeidsproductiviteit en effectiviteit.

In voor Zorg!

Het programma «In voor Zorg!» laat kennis en praktijk goed op elkaar aansluiten, zodat kwaliteit en doelmatigheid van zorg beter worden. «In voor Zorg!» verzamelt innovaties en richtinggevende goede voorbeelden in de langdurige zorg en stelt informatie daarover beschikbaar aan het veld. Op dit moment zijn al vele zorgaanbieders aan de slag met het programma «In voor Zorg!». Andere programma’s zijn Zorg voor Beter, Transitieprogramma in de Langdurige Zorg, het Nationaal Programma Ouderenzorg en Welzijn nieuwe stijl.

h. Een toekomstbestendige jeugdzorg

We willen dat de jeugd gezond en veilig opgroeit, zich ontwikkelt en meedoet. We gaan consequent uit van kansen en mogelijkheden. We stimuleren dat jongeren hun talenten goed gebruiken. De ondersteuning en zorg voor jeugd en gezin kan beter dan nu aansluiten bij de eigen kracht van jongeren, hun ouders en hun sociale omgeving. Het kabinet wil de zorg voor jeugd laagdrempeliger, integraler en efficiënter maken. Alle zorg voor de jeugd die nu nog valt onder het Rijk, de provincies, de AWBZ en de Zvw komt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Door decentralisatie naar gemeenten komen de budgetten in één hand en ontstaan in de uitvoering meer mogelijkheden voor preventie, integrale ondersteuning en afstemming met school en werk. Het wetsvoorstel dat dit regelt wordt eind 2012 aangeboden aan de Tweede Kamer. Gemeenten zullen in het komende jaar nadrukkelijk aandacht besteden aan het versterken van het lokaal preventief jeugdbeleid.

Kinderen en jongeren met relatief lichte opvoed- of psychiatrische problemen komen nog te vaak terecht in dure vormen van gespecialiseerde zorg voor jeugd, terwijl eerdere lichte zorg en begeleiding had volstaan. Het beroep op gespecialiseerde zorg en de kosten hiervan stijgen navenant. Aan de andere kant wordt door de complexiteit van het huidige jeugdstelsel een deel van de jeugd met zware en complexe problematiek onvoldoende geholpen. Deze analyse, gebaseerd op de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg en het rapport van de parlementaire werkgroep «Jeugdzorg dichterbij» uit 2010 heeft geleid tot de afspraak in het Regeerakkoord om het jeugdstelsel ingrijpend te wijzigen.

Tijdens deze kabinetsperiode wordt een aantal omvangrijke hervormingen doorgevoerd: passend onderwijs, decentralisatie jeugdzorg, de AWBZ en de Wet werken naar vermogen. Deze hervormingsmaatregelen hangen sterk met elkaar samen en kunnen elkaar in hun effect versterken. Door met name de regie en financiering in één hand te leggen kan efficiënter worden samengewerkt door betrokken uitvoeringsinstanties, ook als het gaat om kwetsbare groepen. Gezien de samenhang tussen de verschillende maatregelen hebben de bewindspersonen van VWS, OCW, BZK, SZW en VenJ afgesproken de hervormingsmaatregelen in samenhang uit te werken en te volgen. Met de VNG en gemeenten wordt momenteel bekeken welke groepen het mogelijk betreft.

4. Ruimte voor de mensen in de zorg

Zorgverleners, zorgbestuurders en goede, particuliere initiatieven hebben meer ruimte nodig. Er zijn onvoldoende mogelijkheden om te innoveren en te investeren in betere zorg. De hoge administratieve lasten zijn een van de belemmeringen die zij ervaren. Ook ontbreekt het aan voldoende dynamiek in de zorg: Door meer mogelijkheden te bieden voor het aantrekken van privaat kapitaal bij investeringen, kunnen we de zorg vitaler maken.

a. Meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor zorgaanbieders

Zorgaanbieders krijgen veel meer ruimte en kansen om patiënten betere zorg te geven. Om betere kwaliteit te leveren, zijn investeringen nodig. Momenteel zijn ziekenhuizen hiervoor afhankelijk van banken. Dit is een te eenzijdige afhankelijkheid. Waarom kunnen pensioenfondsen bijvoorbeeld wel investeren in het buitenland en niet in de Nederlandse zorg? Dat is een gemiste kans. Daarom gaan we de mogelijkheden om privaat kapitaal aan te trekken in de curatieve zorg vergemakkelijken conform het Regeerakkoord. Eind 2011 komt het kabinet met een wetsvoorstel om onder randvoorwaarden vanaf 2013 winstuitkering in de ziekenhuiszorg toe te staan. Met risicodragend kapitaal kunnen we de doelmatigheid, kwaliteit en dienstverlening in de ziekenhuiszorg verbeteren. Er worden strikte eisen gesteld aan winstuitkering. Er wordt geen winst uitgekeerd gedurende de eerste drie jaar na het moment van investeren en pas na een positieve beoordeling van minimumkwaliteitseisen en van de financiële reserves. Met deze eisen dragen we bij aan het waarborgen van de publieke belangen.

Innovatie

De stijgende vraag naar zorg, een dreigend arbeidsmarkttekort en continue kostenstijgingen vragen om slimme oplossingen. Maar vaak liggen er nog drempels voor zorginnovatie. Door die weg te nemen, kunnen zorgondernemers het innovatieproces gemakkelijker doorlopen. In 2012 komt er een centraal informatiepunt zorginnovatie. Hier kunnen burgers en professionals terecht voor informatie over het zorginnovatieproces, wet- en regelgeving en goede voorbeelden.

Zorginnovatie gaat vaak traag. Nieuwe behandelmethoden vinden vaak moeizaam hun weg naar het verzekerde pakket. Daar gaan we in 2012 wat aan doen. Het verzekerde pakket wordt stringenter beheerd, waarbij toelating van innovaties tot het verzekerde pakket eenduidiger, samenhangend en consequenter wordt beoordeeld; verouderde behandelingsmethoden worden uit het pakket verwijderd.

Continuïteit cruciale zorg na faillissement

Zorgaanbieders zijn vrij om zelf keuzes te maken. Zij krijgen daarvoor ook steeds meer ruimte. Bij deze vrijheid hoort ook de verantwoordelijkheid voor de financiële gevolgen van de keuzes. Dat was altijd al zo: Nederland kent van oudsher particuliere zorgaanbieders. En die kunnen verkeerde beslissingen nemen, die hen in financieel zwaar weer brengen. Niet duidelijk is wat daarin de rol van de overheid moet zijn. Dat geeft verwarring en valse verwachtingen. Daarom heeft het kabinet gesteld dat wanneer zorgaanbieders in financiële problemen komen of failliet gaan de overheid hen niet komt redden. Alleen de continuïteit van cruciale zorg blijft gewaarborgd. Concreet gaat het daarbij om ambulancezorg, basisspoedeisende hulp, acute verloskunde, crisisdienst binnen de ggz en voor de langdurige zorg over zorgfuncties die in een specifieke situatie cruciaal zijn. De Nza ontwikkelt een kader om te toetsen of zorgverzekeraars of zorgkantoren hebben aangetoond dat er, ondanks hun inspanning in het kader van hun zorgplicht, na faillissement geen vervangend aanbod voor cruciale zorg gevonden kan worden. Dat geeft de mensen die afhankelijk zijn van cruciale zorg de garantie dat zij die zorg hoe dan ook krijgen. Hiermee is de rolverdeling helder en weet iedereen waar hij aan toe is. Ook de premiebetaler, die weet dat hij niet hoeft op te draaien voor slecht management van zorgaanbieders.

b. Vereenvoudigen en verminderen verantwoordingslasten

We willen minder bureaucratie in de gezondheidszorg. Minder verantwoordingslasten dragen bij aan een efficiëntere bedrijfsvoering. Het opruimen van overbodige bureaucratie maakt bovendien het werken in de zorg aantrekkelijker. Als vertrouwen het uitgangspunt is in het beleid, is minder verantwoordingsinformatie nodig. De zorgaanbieder kan dan meer tijd besteden aan het verlenen van zorg en hulp aan de cliënt in plaats van aan het invullen van formulieren. Vertrouwen is echter geen blind vertrouwen. Waar het vertrouwen willens en wetens wordt geschaad, grijpen toezichthouders hard in, oftewel high trust, high penalty.

In de langdurige zorg gaat een experiment van start met regelarme instellingen. Zorgaanbieders zijn opgeroepen om regels waarvan zij last hebben bij het kwalitatief beter of meer doelmatig maken van de zorg te melden, zodat we waar mogelijk deze regels kunnen wegnemen. Wij willen met enkele instellingen in de langdurige zorg afspraken maken om voor een periode van twee jaar hinderende regels buiten werking te stellen. Tevens kijken we kritisch naar de AWBZ-brede zorgregistratie en bekijken we met zowel Zorgverzekeraars Nederland als VNG of we voorwaarden en regels die zorgkantoren en gemeenten aan zorgaanbieders stellen, kunnen standaardiseren. Ook voor de curatieve zorg zal het kabinet de mogelijkheden van regelarme instellingen nader onderzoeken.

In de curatieve zorg gaat het nieuwe declaratiesysteem voor ziekenhuizen, DOT, in per 2012. Met het nieuwe declaratiesysteem vervangen we met ingang van 2012 de ruim 40 000 diagnosebehandelingcombinaties (dbc) door ongeveer 4 000 nieuwe dbc-zorgproducten. Deze dbc-zorgproducten zijn een verbetering van de bestaande dbc’s. Doordat de dbc-zorgproducten specialisme overstijgend zijn gedefinieerd, wordt de zorg herkenbaarder en transparanter en het systeem eenvoudiger. Met de maatregelen geeft VWS invulling aan de kabinetsdoelstelling om in 2012 de regeldruk met tien procent te verminderen.

Vereenvoudiging indicatiestelling

De huidige wijze van indicatiestelling voor AWBZ-zorg gaat gepaard met te veel administratieve lasten. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft de afgelopen jaren gewerkt aan een vereenvoudiging van de indicatiestelling, maar verdere stappen zijn nodig. Sinds april 2011 blijft de indicatie voor mensen met een stabiele en langdurige zorgvraag niet vijf, maar vijftien jaar geldig. Ook hebben sinds deze datum zintuiglijk gehandicapten geen indicatie meer nodig voor behandeling. Vanaf 1 oktober 2011 kunnen zorgaanbieders voor mensen boven de tachtig jaar die voor verblijf in aanmerking komen, volstaan met een melding bij het CIZ.

Regeldruk in de jeugdzorg

Op basis van een onderzoek naar de ervaren regeldruk bij cliënten en professionals in de jeugdzorg, pakken we dat probleem samen met de sector in 2012 aan. We vereenvoudigen de manier waarop de jeugdzorg verantwoording aan de overheid aflegt. Met minder regels hebben professionals meer plezier in hun werk, is er meer tijd voor contacten met cliënten en is er minder onnodig papierwerk.

5. Eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht

Dit kabinet wil niet de indruk wekken dat het mogelijk is om verantwoordelijkheden van burgers over te nemen. Dit geeft mensen valse verwachtingen wat uit kan lopen op een deceptie. De overheid kan eenvoudigweg veel verantwoordelijkheden niet waarmaken. Daarom moet de overheid niet langer keuzes willen maken voor burgers, maar hen juist optimaal in staat stellen zelf die keuzes te maken. En daarmee voorkomen dat alledaagse vragen zorgvragen worden.

a. Zelf beslissen over leefstijl

Mensen bepalen zelf hoeveel en wat ze eten, hoeveel ze bewegen en hoe ze omgaan met hun gezondheid. De overheid heeft een belangrijke rol in het verschaffen van betrouwbare en doelgerichte informatie en het makkelijk maken van gezonde keuzes.

We stimuleren goede initiatieven om de gezonde keuzes aantrekkelijk en toegankelijk te maken, zoals een gezond aanbod en verbetering van productsamenstelling en goede informatie voor consumenten via het voedselkeuzelogo van de levensmiddelenindustrie, cateraars en supermarkten. Bij de inrichting van de openbare ruimte zijn goede voorbeelden die uitnodigen tot bewegen (denk aan het realiseren van goede fietsvoorzieningen en de OV-fiets om het voor- en natransport voor de reiziger in het openbaar vervoer te verbeteren en een autovrije zone rond school waardoor ouders en kinderen genoodzaakt zijn te voet of met de fiets naar school te komen). Bij het convenant Gezond Gewicht en het convenant tegen gehoorbeschadiging slaat de gehele sector de handen ineen ten behoeve van een gezonder leven.

Het is belangrijk dat jongeren op school leren wat wel en wat niet gezond is en dat zij weerbaar worden tegen de dagelijkse verleidingen. Door middel van betrouwbare informatie over leefstijl, de schoolverpleegkundigen en het bevorderen van gezond gedrag op school en in de buurt (en zo de mogelijkheid te bieden om voor gezond te kiezen), wil de overheid een stevige basis voor het verdere leven leggen. Grenzen stellen is gerechtvaardigd, maar onvoldoende. Grenzen handhaven krijgt van dit kabinet meer aandacht, waarbij jongeren zullen merken dat een verbod niet vrijblijvend is. Voor jongeren onder de zestien jaar is het naar verwachting vanaf het voorjaar van 2012 strafbaar alcohol in het bezit te hebben op de openbare weg en in horecagelegenheden.

Ten aanzien van leefstijl wordt de focus verlegd van «praten over» (massamediale programma’s, subsidiëren van organisaties en projecten) naar «doen», zoals daadwerkelijk bewegen in de buurt op een schoolplein of sportveld onder begeleiding van een coach. De komende jaren zullen we dan ook meer nadruk leggen op sport en bewegen in de buurt als onderdeel van een gezonde leefstijl.

b. Eigen kracht benutten

We moeten de eigen kracht van de samenleving benutten. De eigen kracht van mensen zien we in de bijna vijf miljoen Nederlanders die zich regelmatig vrijwillig inzetten voor de samenleving. VWS sluit een overeenkomst met het Nederlands vrijwilligerswerk als afsluiting van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk. In 2012 bepalen we samen met de sector de prioriteiten voor het eerste jaar.

Van de vijf miljoen vrijwilligers zijn er bijna 500 000 mensen actief in de zorg. Het samenspel tussen de betaalde krachten en de vrijwilligers kan nog verder worden verbeterd. De beleidsbrief over vrijwilligerswerk die nog in 2011 verschijnt, zal onder meer ingaan op onze inzet voor vrijwilligers in de zorg.

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Veel mensen zetten zich langs de weg van cliëntenorganisaties (de zogenoemde pg-organisaties) vrijwillig in voor mensen met een aandoening of beperking. Deze organisaties zorgen er met hun unieke ervaringskennis voor dat mensen met een aandoening of beperking zoveel mogelijk hun eigen kracht kunnen benutten door zelf regie over hun eigen leven te voeren. Dit draagt bij aan betere kwaliteit van zorg en maatschappelijke participatie. Wij waarderen die inzet, maar zien ook ruimte voor verbetering en beperken daarom de subsidiestroom aan deze organisaties. Met de nieuwe financieringssystematiek wil het kabinet vanaf 1 januari 2012 aan de ene kant zorgen voor een bijdrage aan een structurele financiële basis voor deze organisaties, maar aan de andere kant organisaties maximaal uitdagen en belonen voor samenwerking.

Mantelzorgers

Naar verwachting zal in de toekomst een groter beroep worden gedaan op mantelzorgers. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau zijn 450 000 van de 2,6 miljoen mantelzorgers overbelast. Dit aantal is te hoog. Wij willen gemeenten en instellingen voor mantelzorgondersteuning instrumenten aanreiken om iets aan die overbelasting te doen.

We onderzoeken wat gemeenten aan mantelzorgondersteuning doen. Dit onderzoek moet inzicht bieden in het bestaan van eventuele leemten in de infrastructuur voor mantelzorgondersteuning. Er zullen gesprekken plaats gaan vinden met partijen om te kijken welke ontwikkelingen relevant zijn voor mantelzorg en hoe daarmee kan worden omgegaan. Deze activiteiten moeten leiden tot een plan van aanpak om de ondersteuning van mantelzorgers te versterken. Hierop zal worden ingegaan in de beleidsbrief over mantelzorg die eind 2011 gereed is.

Maatschappelijke opvang

We willen ervoor zorgen dat zo veel mogelijk dak- en thuislozen re-integreren in de samenleving. Hiermee voorkomen we ook onnodige zorgkosten en kosten op het gebied van overlast en criminaliteit. Het kabinet wil dat er minder daklozen komen; waarbij de focus ligt op de vermindering van het aantal zwerfjongeren. Daarbij worden mensen aangesproken op hun eigen kracht. Het voorkómen van dakloosheid heeft prioriteit; samenwerking met bijvoorbeeld welzijnsorganisaties en schuldhulpverlening is essentieel. Gemeenten worden in 2012 ondersteund via een uitkering uit het Gemeentefonds en verspreiding van goede voorbeelden en expertise.

Eigen kracht van jongeren

Het kabinet wil jongeren weerbaar maken en stimuleren dat zij hun talenten goed gebruiken. Ook moeten we gebruik maken van de kracht van de sociale omgeving: ouders moeten kunnen aankloppen bij familie, vrienden en buren voor alledaagse vragen over hun kinderen. En als ze er zo niet uitkomen, moeten ze bij de Centra voor Jeugd en Gezin gemakkelijk antwoord kunnen krijgen op hun vragen.

De zogenoemde Eigen Kracht conferenties kunnen daaraan bijdragen.

Het kabinet stimuleert de discussie over alledaags opvoeden in de Opvoedweek, het ZonMw-programma «Vrijwillige inzet voor en door jeugd en gezin» en de vernieuwing van het jeugdwelzijnswerk.

c. Fusies

Het is van belang dat mensen in instellingen elkaar kennen wanneer zij daar wonen of werken. Ook moeten rollen en verantwoordelijkheden tussen verzekeraars, zorgaanbieders en cliënt duidelijk zijn. Op beide fronten komt dit kabinet in actie.

Zorgspecifieke fusietoets

In de afgelopen jaren hebben sommige fusies in de zorg geleid tot instellingen die groter zijn dan bedrijfsmatig optimaal is. De efficiency, de cliëntgerichtheid en de kwaliteit van zorg zijn daardoor in een aantal gevallen onder druk komen te staan. Dit kabinet houdt scherper toezicht op voorgenomen fusies in de zorg en neemt maatregelen om de kwaliteit en bereikbaarheid te waarborgen.

Dit gebeurt door de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders en direct belanghebbenden bij een fusie te stimuleren. We willen de interne besluitvorming verbeteren door een verplichte fusie-effectrapportage, voorafgaand aan de (eventuele) toets van de NMa op grond van de mededingingswet. Ook letten we door een verplichte fusietoets meer dan voorheen op het fusieproces en op de directe risico’s van de fusie voor de kwaliteit en de bereikbaarheid van de zorg. Het kabinet komt eind 2011 met een wetsvoorstel om deze maatregelen te verankeren.

Verticale integratie

De patiënt en verzekerde is het beste gebaat bij een systeem waarbij de rollen tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder gescheiden blijven. We willen dan ook niet dat verzekeraars zorgaanbieders overnemen. Een verzekeraar koopt zorg in die kwalitatief goed en doelmatig moet zijn. Wanneer deze verzekeraar óók zorgaanbieder is, zou hij inkoopbesluiten kunnen nemen die niet in het belang van de patiënt en verzekerde zijn. Er zijn wel uitzonderingen: verzekeraars hebben een zorgplicht. Om daaraan te voldoen kan het nodig zijn tijdelijk zelf zorg te leveren. Ook kan zorg een kwaliteitsimpuls krijgen door tijdelijk aanbod van de zorg door de zorgverzekeraar als zorgaanbieders dat nalaten. Na afronding van overleg met de Europese Commissie, dat nodig is om de wetgeving goed op de Europese regels te laten aansluiten, komt het kabinet zo spoedig mogelijk met een wetsvoorstel om verticale integratie te voorkomen.

d. Geweld in afhankelijkheidsrelaties wordt niet geaccepteerd

Geweld in afhankelijkheidsrelaties kan volwassenen en kinderen grote schade toebrengen. Het schaadt ook het vertrouwen in de zorg als bij misbruik professionals betrokken zijn. Daarom pakken we partnergeweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling, eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking daadkrachtig aan. Uitgangspunt van de aanpak is dichtbij de mensen zelf en zoveel mogelijk op lokaal niveau. Door misstanden eerder te signaleren en mishandeling te melden, kan het geweld worden gestopt en krijgen slachtoffers sneller bescherming en hulp.

De verschillende advies- en meldpunten van geweld in afhankelijkheidsrelaties gaan nauwer samenwerken. We streven ernaar dat de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling op 1 januari 2012 van kracht wordt. Het stelsel van de opvang wordt verbeterd. Ouderenmishandeling wordt krachtig aangepakt. De activiteiten om kindermishandeling tegen te gaan, staan in het nieuwe Actieplan Aanpak Kindermishandeling dat najaar 2011 gereed is.

6. Financieel beeld op hoofdlijnen

Het kabinet zet in 2012 flinke stappen om de zorguitgaven te beheersen. Zo zijn met de ziekenhuissector en de medisch specialisten afspraken gemaakt over een beheerste uitgavenontwikkeling. De zorguitgaven mogen deze kabinetsperiode stijgen met vijftien miljard euro2. Het kabinet treft maatregelen om ervoor te zorgen dat aan het einde van deze kabinetsperiode niet méér dan dit bedrag wordt uitgegeven. Gegeven de verwachte ontwikkeling van de collectieve zorguitgaven is het ook op langere termijn noodzakelijk de groei om te buigen.

Ontwikkeling collectieve zorguitgaven

We geven steeds meer uit aan zorg. In 1970 waren de collectieve zorguitgaven bijna drie procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP), in 2000 bedroeg dit zes procent. In 2012 komen we naar verwachting uit op circa tien procent 3. Ook wordt een steeds groter deel van de totale collectieve uitgaven besteed aan de zorg. In 1970 was dit minder dan zeven procent, in 2012 is dit bijna 21 procent.

Ontwikkeling collectieve zorguitgaven vanaf 1970

Ontwikkeling collectieve zorguitgaven vanaf 						1970

Bij voortzetting van de huidige stijging van de zorguitgaven is deze bijna drie keer zo hoog als de geraamde toekomstige groei van de totale economie. Een dergelijke groei soupeert nagenoeg alle collectieve groeiruimte op en is zowel op de middellange als de lange termijn onhoudbaar. Om die reden hebben de bewindspersonen van VWS en de minister van Financiën op 1 december 2010 de Taskforce beheersing zorguitgaven in het leven geroepen. Deze ambtelijke Taskforce zal voor de zomer van 2012 nadere voorstellen ontwikkelen, die de beheersing op middellange termijn kunnen vergroten en komt tevens met aanbevelingen die de houdbaarheid op langere termijn bevorderen c.q. die leiden tot een lager groeipad van de collectieve zorguitgaven. De SER is gevraagd om begin 2013 een advies uit te brengen hoe kan worden gewaarborgd dat de zorg betaalbaar blijft voor toekomstige generaties en er geen onoplosbare knelpunten ontstaan.

De collectieve zorguitgaven stijgen jaarlijks als gevolg van de vergrijzing, de toename van het aantal chronisch zieken en technologische ontwikkelingen. Voor deze kabinetsperiode is afgesproken dat de zorguitgaven met circa vijftien miljard euro mogen groeien. Met deze extra middelen kan de toegankelijkheid van de zorg worden gewaarborgd en kan de kwaliteit op een hoog niveau blijven. Om aan het einde van deze kabinetsperiode niet méér dan de vastgestelde vijftien miljard euro extra uit te geven, worden verschillende maatregelen getroffen.

Voornaamste tegenvallers en maatregelen 2012

Bovenop de bij het Regeerakkoord beschikbaar gestelde groei heeft een extra uitgavenstijging van circa 1,1 miljard euro plaatsgevonden. De voornaamste tegenvallers doen zich voor bij instellingen voor medisch specialistische zorg, de huisartsen, de curatieve ggz, de pgb’s en zorg in natura.

Het kabinet treft vanaf 2012 maatregelen om deze structurele tegenvallers op te vangen. Uitgangspunt daarbij is dat overschrijdingen zoveel mogelijk worden teruggehaald in de sectoren waar zij zich voordoen. Met medisch specialisten en ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra zijn in het voorjaar van 2011 afspraken gemaakt om te komen tot een meerjarige beheerste uitgavenontwikkeling. Dit heeft ertoe geleid dat (een groot deel van) de geconstateerde overschrijdingen kan worden geredresseerd. In andere sectoren grijpt het kabinet in door tariefskortingen in te voeren, het uit het basispakket halen van behandelingen of het invoeren of verhogen van eigen betalingen. Zo wordt bij de huisartsen een tariefskorting doorgevoerd, worden dieetadvisering en stoppen met roken uit het pakket gehaald en wordt de Wtcg inkomensafhankelijk gemaakt. Alle maatregelen die dit kabinet treft zijn erop gericht de collectieve zorguitgaven te beheersen en de zorg zo doelmatig en effectief mogelijk in te richten, zodat de groei van de zorguitgaven zich voltrekt conform het afgesproken bedrag van vijftien miljard euro. Met de in deze beleidsagenda beschreven hervormingsagenda werkt het kabinet ook aan de structurele verbetering van de houdbaarheid van de zorg en de verbetering van de kwaliteit van zorg.

Mutaties in de bruto-BKZ-uitgaven en ontvangsten sinds de ontwerpbegroting 2011 (bedragen x € 1 000 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2011

61 107,5

62 615,1

65 926,0

69 951,3

74 470,7

79 573,5

 
               

1. Mutaties Startnota

 

235,1

605,1

730,0

392,6

– 1 632,4

 
               

Bruto-BKZ-uitgaven Startnota

61 107,5

62 850,2

66 531,1

70 681,3

74 863,3

77 941,1

 
               

Mee-/tegenvallers, maatregelen en intensiveringen

688,6

1 297,5

128,0

– 233,1

– 536,1

– 297,6

 

2. Actualisering zorguitgaven

628,9

1 073,0

1 013,1

1 246,1

1 376,1

1 675,1

 

3. Tariefmaatregel huisartsen

   

– 132,0

– 132,0

– 132,0

– 132,0

 

4. Verlaging eerdere korting ziekenhuizen

 

235,2

235,2

235,2

235,2

235,2

 

5. Hoofdlijnenakkoord instellingen voor medisch specialistische zorg

   

– 265,0

– 265,0

– 265,0

– 265,0

 

6. Verlaging eerdere tariefskorting medisch specialisten

 

42,4

42,4

42,4

42,4

42,4

 

7. Korting academische component

   

– 10,0

– 20,0

– 30,0

– 40,0

 

8. Afzien van pakketopname beweegkuur

   

– 69,0

– 30,0

– 19,0

– 9,0

 

9. Pakketuitname dieetadvisering

   

– 42,0

– 42,0

– 42,0

– 42,0

 

10. Pakketuitname maagzuurremmers

   

– 75,0

– 75,0

– 58,0

– 58,0

 

11. Pakketuitname stoppen met roken

   

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

 

12. Tariefkorting logopedie

   

– 6,0

– 6,0

– 6,0

– 6,0

 

13. Invoering darmkankerscreening

     

16,6

40,0

61,4

 

14. Maatregel fysiotherapie

   

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

 

15. Tariefmaatregel verloskunde

   

– 4,0

– 4,0

– 4,0

– 4,0

 

16. Kosten oneigenlijk gebruik SEH verhalen op patiënt

     

– 10,0

– 10,0

– 10,0

 

17. Maatregel farmaceutische hulp

 

– 42,0

– 42,0

– 57,0

– 57,0

– 57,0

 

18. Hulpmiddelen

 

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

 

19. Maatregelen ggz

   

– 393,0

– 393,0

– 393,0

– 393,0

 

20. Rechtmatigheid Zvw

 

– 7,0

– 7,0

– 7,0

– 7,0

– 7,0

 

21. Ramingsbijstelling kapitaallasten

   

34,0

52,0

30,5

16,0

 

22. Niet doorgaan maatregel minimale eigen betalingen AWBZ

   

80,0

80,0

80,0

80,0

 

23. Besparingsverlies beperken doelgroep AWBZ

   

20,0

       

24. Maatregel persoonsgebonden budgetten

   

– 119,0

– 290,0

– 843,0

– 919,0

 

25. Inzet taakstellende intensiveringsmiddelen

   

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

 

26. Caribisch Nederland

 

22,5

15,2

15,2

14,5

14,1

 

27. Tekort budget Wtcg

   

50,0

50,0

50,0

50,0

 

28. Inkomensafhankelijke Wtcg

     

– 250,0

– 250,0

– 250,0

 

29. Diverse mutaties

59,7

– 46,5

– 127,9

– 319,6

– 218,8

- 209,8

 
               

Technische en macro-economische mutaties

427,2

265,2

528,8

308,5

– 284,2

199,2

 

30. Macro loon- en prijsbijstelling

 

116,8

288,8

103,5

75,9

– 18,0

 

31. IJklijnmutaties

– 41,6

148,4

96,8

61,8

65,1

74,0

 

32. Financieringsmutatie

468,8

           

33. Technische mutatie ggz

   

143,2

143,2

143,2

143,2

143,2

               

Totaal mutaties

1 115,8

1 562,7

656,8

75,4

– 251,9

– 98,4

 
               

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2012

62 223,3

64 412,9

67 187,9

70 756,7

74 611,4

77 842,7

82 099,4

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2011

2 908,2

3 183,9

3 464,4

3 607,9

3 765,0

3 935,7

 
               

34. Mutaties Startnota

     

80,0

80,0

– 185,0

 
               

BKZ-Ontvangsten Startnota

2 908,2

3 183,9

3 464,4

3 687,9

3 845,0

3 750,7

 
               

Tegenvallers, maatregelen en intensiveringen

100,4

71,9

177,2

107,2

107,2

105,2

 

35. Actualisering zorguitgaven

80,0

85,0

85,0

       

36. Ramingbijstelling eigen risico Zvw

 

– 33,0

– 54,0

– 20,0

– 20,0

– 22,0

 

37. Ramingbijstelling eigen bijdrage AWBZ

     

– 19,0

– 19,0

– 19,0

 

38. Eigen bijdrage Zvw

   

146,2

146,2

146,2

146,2

 

39. Diverse mutaties

20,4

19,9

         
               

Technische en macro-economische mutaties

23,7

           

40. IJklijnmutaties

23,7

           
               

Totaal mutaties

124,1

71,9

177,2

107,2

107,2

105,2

 
               

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2012

3 032,3

3 255,8

3 641,6

3 795,1

3 952,2

3 855,9

4 028,7

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2011

58 199,3

59 431,2

62 461,6

66 343,4

70 705,7

75 637,8

 

Mutatie in de netto-BKZ-uitgaven

 

235,1

605,1

650,0

312,6

– 1 447,4

 

Netto-BKZ-uitgaven Startnota

58 199,3

59 666,3

63 066,7

66 993,4

71 018,3

74 190,4

 

Mutatie in de netto-BKZ-uitgaven

991,7

1 490,8

479,6

– 31,8

– 359,1

– 203,6

 

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2012

59 191,0

61 157,1

63 546,3

66 961,6

70 659,2

73 986,8

78 070,7

Bron: VWS, NZa productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Tabel Beleidsdoorlichtingen

Artikel/Operationele doelstelling

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Toelichting

41 Volksgezondheid

               

41 AD Een goede volksgezondheid, waarbij mensen gezond leven en zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid

           

Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) 2010, deelrapport Effecten van preventie

41 OD 1 Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten

       

   

Voedselveiligheid 2014

41 OD 2 Er is een doelmatig systeem van publieke gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

         

 

Leefstijlbeleid 2015

41 OD 3 De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectieziekten en chronische ziekten

   

       

Screeningsbeleid 2012

41 OD 4 Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij medisch wetenschappelijk onderzoek

   

     

Euthanasiewet 2012

Wet medisch -wetenschappelijk onderzoek met mensen 2012

Embryowet 2013

41 OD 5 Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl

         

 

Leefstijlbeleid 2015

                 

42 Gezondheidszorg

               

42 AD Een goed werkend en innoverend zorgstelsel, gericht op een optimale combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid voor de burger

               

42 OD 1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

           

Beleidsdoorlichting art. 42.OD 1 samen met art. 43 OD 1 m.u.v. 2017/2018 Evaluatie WCZ en Beginselenwet zorg

42 OD 2 Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren

 

 

 

IBO curatieve ggz in 2010 afgerond

IBO UMC’s is gestart in augustus 2011 en wordt in 2012 afgerond

Veiligheidsprogramma 2014

Opleidingsfonds 2016

42 OD 3 Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket voor noodzakelijke zorg aan

         

Heroverweging cure in 2010 afgerond

42 OD 4 De burgers van Caribisch Nederland kunnen gebruik maken van voorzieningen voor zorg en welzijn

         

 

Deze operationele doelstelling bestaat pas sinds de begroting 2011

                 

43 Langdurige zorg

               

43 AD Zorgen dat voor mensen met een langdurige of chronische aandoening van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard zorg van goede kwaliteit beschikbaar is en dat deze zorg tegen voor de samenleving aanvaardbare maatschappelijke kosten wordt geleverd

           

Heroverweging care in 2010 afgerond

43 OD 1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

 

       

Subsidiesystematiek PGO-organisaties 2011

Beleidsdoorlichting art. 43.OD 1 samen met art. 42 OD 1 m.u.v. 2017/2018 Evaluatie WCZ en Beginselenwet zorg

43 OD 2 Voor iedere cliënt is de noodzakelijke zorg beschikbaar

 

       

Indicatiestelling

43 OD 3 De zorg is effectief en veilig en wordt door de cliënt positief ervaren (kwalitatief goede zorg)

 

   

Stagefonds 2011

Evaluatie AMvB zorgplanbespreking 2012

Palliatieve zorg 2013

In voor zorg 2014

43 OD 4 De kosten van de zorg zijn maatschappelijk aanvaardbaar

     

     

Wtcg

Monitor AWBZ

                 

44 Maatschappelijke ondersteuning

               

44 AD Alle burgers participeren in de samenleving

       

   

Onderzoek Wmo door het SCP

44 OD 1 Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden

               

44 OD 2 Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

               

44 OD 3 Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning

               

44 OD 4 Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

               
                 

45 Jeugd

               

45 AD Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving

               

45 OD 1 Kinderen en hun ouders/verzorgers zijn positief betrokken bij hun leefomgeving en krijgen zo nodig laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien aansluitend op hun eigen kracht

         

 

Actieplan Kindermishandeling.

45 OD 2 Kinderen met ernstige opgroeiproblemen en ouders/verzorgers met opvoedproblemen krijgen op tijd de noodzakelijke en passende zorg

         

2010 en 2015 Jeugdstelsel

                 

46 Sport en bewegen

               

46 AD Een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd

 

       

Uitvoering Sportbeleid (mei 2011)

Sport- en beweegbeleid (2016)

46 OD 1 Voor iedere burger die dat wil is een passend sport- en beweegaanbod in de buurt aanwezig, dat bovendien veilig en toegankelijk is

               

46 OD 2 Ondersteunen van de ambitie van de georganiseerde sport om als Nederland bij de beste 10 topsportlanden van de wereld te behoren

               

46 OD 3 Voorbereiden van een gefundeerd besluit over de kandidaatstelling voor de organisatie van de Olympische en Paralympische Spelen 2028 in Nederland

               
                 

47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII

               

47 AD De (im)materiële zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen Wereldoorlog II is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WOII, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven

               

47 OD 1 Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening in een situatie van structureel dalende werklast

       

   

Uitvoering uitkering door Sociale verzekeringsbank in verband met overdracht taken in 2011

47 OD 2 De herinnering aan WOII blijft levend en veel mensen – waaronder jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WOII, mede in relatie tot grondrechten, democratie, (internationale) rechtstaat en vrijheid

       

   

Uitvoering taken Nationaal Comité in verband met overdracht taken in 2011

2.2 De beleidsartikelen

Artikel 41 Volksgezondheid
41.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen gezond leven en zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid.

Belangrijkste beleidsontwerpen 2012

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2012

In 2012 wordt verder uitvoering gegeven aan de landelijke nota gezondheidsbeleid «Gezondheid dichtbij» (Kamerstuk 32 793, nr. 2). De uitgangspunten en beleidsvoornemens worden vertaald in concrete activiteiten die verderop in dit artikel aan bod komen. In het kader van de gezondheidsbescherming blijft het kabinet actief inzetten op de voedsel- en productveiligheid, het verminderen van infectieziekten (inclusief zoönosen) en crisisbeheersing. We dragen zorg voor een goede landelijke organisatiestructuur, zodat we alert kunnen blijven op bestaande en nieuwe gezondheidsrisico’s in de omgeving en, indien nodig, kunnen ingrijpen. De verbetering van risicocommunicatie tijdens rampen en crises is hierbij een belangrijk aandachtspunt.

In de landelijke nota Gezondheidsbeleid zijn de prioriteiten op het gebied van gezondheid en preventie benoemd. Overgewicht, diabetes, depressie, roken en schadelijk alcoholgebruik blijven belangrijk, maar er wordt een omslag gemaakt in de manier waarop deze speerpunten worden opgepakt. Gezondheid moet weer iets van de mensen zelf worden. De kracht ligt bij het individu en zijn directe woon-, werk- en leefomgeving. Betrokkenheid van het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, het onderwijs en zorgverleners bij het stimuleren van gezond gedrag wordt vergroot. Het makkelijker toegankelijk maken van gezonde keuzes is daarbij de leidraad. Het kabinet draagt hieraan op verschillende manieren bij. Er wordt gezorgd voor een toegankelijke en betrouwbare kennisinfrastructuur waardoor partijen over relevante informatie kunnen beschikken over gezondheidseffecten en effectieve interventies, goede voorbeelden kunnen uitwisselen en praktische instrumenten kunnen ontwikkelen en verspreiden. De centra van het RIVM en de ZonMw-programma’s hebben hierin een belangrijke positie. We kiezen uitdrukkelijk voor implementatie en praktische toepassing: de inspanningen moeten meer zichtbaar worden in de dagelijkse praktijk en beter aansluiten bij behoeften van degenen die kennis en informatie in de praktijk gebruiken. Indien partijen belemmeringen in wet- en regelgeving ervaren om meer aan preventie en gezondheid te doen of praktische verbindingen te leggen, gaat het kabinet met hen bekijken hoe we dit kunnen oplossen.

Het kabinet kiest voor een positieve benadering en wil – met gemeenten, de sportsector en private partijen – realiseren dat mensen meer mogelijkheden krijgen om dicht in de buurt en veilig te bewegen, spelen en sporten. De opgebouwde netwerken rondom de BeweegKuur kunnen hiervoor benut worden. Aan de verdere opbouw van de infrastructuur rondom de BeweegKuur heeft het kabinet in 2011 een laatste grote impuls gegeven, opdat mensen die vanuit de gezondheidszorg worden verwezen naar de BeweegKuur ook daadwerkelijk aanbod krijgen. Zo kunnen mensen die medische belemmeringen hebben om te bewegen, dit verantwoord oppakken. Bewegen is goed voor zowel de lichamelijke als geestelijke gezondheid en heeft een positieve invloed op een gezonde leefstijl.

Ook worden verbindingen gelegd tussen partijen om activiteiten te versterken en (financiële) middelen te bundelen. Vooral op het gebied van publiek-private samenwerking (PPS) is nog een wereld te winnen. Een andere bijdrage die vanuit de rijksoverheid kan worden verwacht is, wanneer dit van belang is, het stellen en handhaven van grenzen. Voorbeelden zijn de leeftijdsgrenzen voor alcohol en tabak en de handhaving van de rookvrije horeca.

Een voorwaarde om mensen in staat te stellen zelf voor hun gezondheid te zorgen is een toegankelijk en kwalitatief hoogstaand zorgaanbod waar mensen met vragen en problemen terecht kunnen. De gezondheidszorg dient zich meer te richten op het bevorderen van gezondheid. Het kabinet wil bijvoorbeeld bevorderen dat gezondheidsrisico’s (zowel op individueel als collectief niveau) tijdig worden gesignaleerd en dat effectieve interventies en innovatieve behandelwijzen worden toegepast. Herkenbare en toegankelijke zorgvoorzieningen in de buurt of digitaal bereikbaar (e-health) kunnen hieraan bijdragen. Zorg en preventie moeten meer worden afgestemd. Uitgangspunt zijn behoeften en wensen van de mensen en niet de stelsels of sectoren die zorg leveren. Samenwerking met zorgverzekeraars (inkopers in het kader van de Zvw en in de toekomst ook de AWBZ), gemeenten (verantwoordelijk voor de Wmo, het sportbeleid en delen van de Wpg) en het Rijk (directe verantwoordelijkheid voor delen van de Wpg en systeemverantwoordelijk) is hierbij cruciaal. Het aanbieden van bevolkingsonderzoeken is de directe verantwoordelijkheid van het Rijk. Hierin blijven we investeren. Het kabinet heeft besloten om bevolkingsonderzoek naar darmkanker in te voeren. In 2012 en 2013 vinden de voorbereidingen plaats waarna de grootschalige screening onder alle 55- tot 75-jarigen van start kan gaan.

De jeugd heeft de toekomst. Hier wordt extra aandacht aan besteed. Naast bevordering van (het aanleren van) een gezonde leefstijl, vroege signalering van risico’s en inzet op weerbaarheid om dagelijkse verleidingen te weerstaan, vindt het kabinet dat het stellen van grenzen en het handhaven daarvan belangrijk is. Een voorbeeld daarvan is het strafbaar stellen van het bezit van alcohol voor jongeren onder de 16 jaar, zoals dat wordt voorgesteld in de wijziging van de Drank- en Horecawet. Hiermee worden jongeren zelf ook verantwoordelijk als zij onder de 16 jaar alcohol bij zich hebben op straat of in het café.

De beschikbare middelen worden anders ingezet. Dat betekent keuzes vanuit de bovengenoemde uitgangspunten, bundeling van activiteiten en nadruk op praktische toepassing. Massamediale campagnes passen hier niet in.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn verantwoordelijk voor het:

  • Beschermen van consumenten tegen onveilige consumentenproducten en levensmiddelen;

  • Bevorderen van tijdige opsporing van (risico’s op) ziekten;

  • Beschermen van burgers tegen (de gevolgen van) infectieziekten en rampen;

  • Effectueren van een doelmatige en effectieve publieke gezondheidszorg;

  • Bevorderen van herkenbare, laagdrempelige voorzieningen in de buurt waar de verbinding wordt gelegd tussen preventie, curatieve zorg en maatschappelijke ondersteuning;

  • Bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek;

  • Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven door de gezonde keuze makkelijker te maken;

  • Bevorderen van veilig gedrag en een veilige omgeving ter voorkoming van letsels door ongevallen in de privésfeer.

Externe factoren

Externe factoren

Veel ziekte overkomt mensen. Maar ziekte is ook vaak te voorkomen. Door burgers zelf en via de wijken, op scholen, in de sport, op het werk en in de zorg. Om de beleidsdoelen te bereiken, is samenwerking van belang met andere ministeries, gemeenten, het bedrijfsleven, scholen, werkgevers en werknemers, zorgverzekeraars en -aanbieders (beroepsgroepen), maatschappelijke organisaties en de sportsector.

Binnen de overheid is een aantal actoren werkzaam op het terrein van de volksgezondheid:

  • Gemeenten staan voor de collectieve preventie op lokaal niveau. Elke vier jaar brengen gemeenten, in het kader van de Wet publieke gezondheid, een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid uit. Bij de vormgeving en uitvoering van het lokaal gezondheidsbeleid spelen GGD’en een belangrijke rol;

  • Het RIVM is een expertise- en regiecentrum voor de publieke gezondheid. Daartoe zijn er centra voor Infectieziektebestrijding, Bevolkingsonderzoek, Gezond Leven en Gezondheid en Milieu. Daarnaast is met het onderbrengen van de publieke delen van het voormalige NVI, het RIVM verantwoordelijk voor de inkoop en levering van vaccins voor de Nederlandse vaccinatieprogramma’s, zoals het Rijksvaccinatieprogramma en het Nationaal Programma Grieppreventie;

  • De nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) handhaaft de wettelijke regels voor eet- en drinkwaren alcohol, tabak, en consumentenproducten;

  • De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt onder meer toezicht op de volksgezondheid en verricht onderzoek naar de staat van de volksgezondheid.

Het nationale preventiebeleid is deels afhankelijk van ontwikkelingen in EU-verband of op mondiaal niveau. Nederland is actief op het terrein van voedsel- en productveiligheid, gezonde voeding en infectieziektebestrijding in EU- en WHO-verband.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Het volksgezondheidsbeleid wordt gemeten met de indicatoren absolute levensverwachting en levensverwachting in goed ervaren gezondheid.

Het RIVM brengt vierjaarlijks de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen en tweejaarlijks de Zorgbalans uit, die inzicht bieden in de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid.

Indicator outcome
 

2000

2003

2005

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2012

1. Absolute levensverwachting in jaren:

               

– mannen

75,5

76,2

77,2

78,0

78,3

78,5

78,8

≥ 78,8

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

82,3

82,3

82,6

82,7

≥ 82,7

2. waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

               

– mannen

61,5

62,4

62,5

64,7

63,7

65,3

≥ 65,3

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

63,4

63,5

63,8

≥ 63,8

Bron

1. CBS-Statline. De levensverwachting van in Nederland geboren meisjes in 2010 bedroeg 82,7 jaar. Dat is 4 jaar hoger dan die van jongens (78,8 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 6,1 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,2 jaar ouder geworden. De verklaring is de sterke daling van de sterfte: ondanks de vergrijzing is in de periode 2002–2007 het aantal sterfgevallen ieder jaar gedaald. De cijfers voor 2010 zijn voorlopige cijfers.

2. CBS StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981

De cijfers over 2010 worden in het najaar 2011 verwacht. Voor het berekenen van levensverwachting in als goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

41.2 Budgettaire gevolgen van beleid
41.2.1 Begrotingsuitgaven
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

834 556

652 159

618 733

592 512

568 364

559 086

562 959

               

Uitgaven

792 731

679 904

630 570

597 459

571 711

560 673

562 959

               

41.1 Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten

80 418

73 192

77 530

74 101

69 501

66 618

65 880

               

Subsidies

   

3 670

3 440

3 850

3 850

3 850

waarvan onder andere:

             

Stichting Voedingscentrum

   

1 547

1 333

1 333

1 333

1 333

Alternatieven voor dierproeven

   

500

750

1 000

1 000

1 000

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

73 520

70 321

65 311

62 428

61 690

Nieuwe Voedsel en Warenautoriteit

   

73 520

70 321

65 311

62 428

61 690

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

220

220

220

220

220

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

   

120

120

120

120

120

Bijdrage College Toetsing Bestrijdingsmiddelen (CTB)

   

120

120

120

120

120

               

41.2 Er is een doelmatig systeem van publieke gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

208 969

201 838

153 455

129 474

104 770

102 813

101 244

               

Subsidies

   

9 765

9 543

9 736

9 723

9 723

waarvan onder andere:

             

Algemeen en strategisch gezondheidsbeleid

   

2 359

2 722

2 459

2 477

2 504

Pharos

   

3 144

3 096

3 053

3 000

3 000

Jeugdgezondheidszorg

   

1 049

1 077

1 091

1 148

1 175

Nederlands Centrum Jeugdgezondheid

   

1 862

1 834

1 806

1 777

1 777

Voorbereid zijn op crises en rampen

   

1 338

835

1 333

1 330

1 330

               

Opdrachten

   

11 300

5 700

0

0

0

CBRN Weerstandsverhoging

   

11 300

5 700

0

0

0

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

13 692

12 734

12 292

11 899

11 839

RIVM: Opdrachtverlening programma's volksgezondheid

   

13 692

12 734

12 292

11 899

11 839

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

118 698

101 497

82 742

81 191

79 682

ZonMw: Programmering

   

117 316

100 115

81 360

79 809

78 300

ZonMw: Overhead

   

1 382

1 382

1 382

1 382

1 382

               

41.3 De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten

445 668

345 983

343 257

338 096

341 633

336 145

340 604

               

Subsidies

   

18 156

14 428

13 825

13 401

13 601

waarvan onder andere:

             

Preventie Chronische Ziekten

   

1 626

1 196

664

627

627

Instellingen op het terrein van de preventie van chronische ziekten

   

2 030

2 011

1 990

1 626

1 626

Nationaal Actieprogramma Diabetes

   

2 500

0

0

0

0

Preventie en bestrijding van infectieziekten

   

3 822

3 560

3 665

3 735

3 935

Instellingen die de seksuele gezondheid bevorderen

   

7 549

7 041

6 895

6 812

6 812

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

   

325 101

323 668

327 808

322 744

327 003

waarvan onder andere:

             

RIVM/Opdrachtverlening:

             

– Centrum infectieziektebestrijding

   

34 156

32 001

31 479

31 049

30 710

– Centrum bevolkingsonderzoek

   

10 313

9 679

9 498

9 366

9 366

– Centrum Gezondheid en Milieu

   

2 632

2 595

2 558

2 531

2 520

– Centrum Gezond Leven

   

3 610

2 610

2 438

2 438

2 438

– Vaccinologie

   

38 298

36 369

33 148

27 279

26 168

– RSV-vaccin

   

8 215

5 895

6 074

- 3 500

- 3 500

RIVM/Uitvoering subsidieregeling Publieke Gezondheid:

             

– Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

   

56 884

57 955

58 969

59 979

60 877

– Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

   

30 966

30 868

30 724

31 052

30 964

– Nationaal programma grieppreventie

   

58 742

59 718

60 552

61 627

62 554

– Pre- en postnatale screening bij zwangeren en pasgeborenen

   

20 327

20 123

20 116

20 176

19 047

– Screening op Familiaire hypercholesterolemie

   

2 140

2 032

0

0

0

– Invoering darmkankerscreening

   

5 231

9 044

15 682

22 606

28 382

– Soa-bestrijding/Seksualiteitshulpverlening

   

29 140

28 965

28 965

28 965

28 965

RIVM/Ontwikkelingen technologie/demografie

   

11 696

14 847

16 986

18 657

17 993

RIVM/Uitvoering subsidieregeling VWS-subsidies

   

11 086

9 537

9 189

9 089

9 089

               

41.4 Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij medisch-wetenschappelijk onderzoek

16 986

18 708

17 536

17 416

17 385

17 142

17 276

               

Subsidies

   

1 078

920

920

702

1 061

Beleid Medische Ethiek

   

1 078

920

920

702

1 061

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

2 201

2 201

2 201

2 201

2 201

CIBG: Uitvoeringstaken Medische Ethiek

   

2 201

2 201

2 201

2 201

2 201

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

14 257

14 295

14 264

14 239

14 014

waarvan onder andere:

             

CVZ: Rijksbijdrage financiering abortusklinieken

   

12 346

12 346

12 346

12 346

12 346

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

   

1 661

1 629

1 598

1 573

1 566

               

41.5 Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl

40 690

40 183

38 792

38 372

38 422

37 955

37 955

               

Subsidies

   

21 110

20 834

20 887

20 435

20 435

waarvan onder andere:

             

Trimbos-instituut

   

4 699

4 574

4 574

4 574

4 574

Stivoro

   

1 288

0

0

0

0

Stichting Informatievoorziening Zorg

   

1 180

1 101

962

944

944

Stichting Consument en Veiligheid

   

3 100

2 899

2 899

2 899

2 899

Gezonde voeding en gezond gewicht

   

2 845

2 784

2 549

2 549

2 549

Letsel

   

1 479

1 478

1 478

1 478

1 478

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

   

2 776

3 124

2 520

2 520

2 520

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

nVWA: activiteiten in het kader van kabinetsbeleid leefstijl

   

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

               

Bijdrage aan medeoverheden

   

16 682

16 538

16 535

16 520

16 520

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

   

16 682

16 538

16 535

16 520

16 520

               

Ontvangsten

17 234

11 110

9 710

9 710

9 810

9 810

9 710

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven die op dit artikel worden verantwoord, heeft 66% betrekking op bijdragen aan baten-lastendiensten. Hiervan betreft 82% de opdrachtverlening aan het RIVM (onder andere voor de uitvoering van de Subsidieregeling publieke gezondheid en de opdrachtverlening aan Centra en programma’s op het terrein van de volksgezondheid) en 18% aan de nVWA voor het toezicht op de veiligheid van voedsel en producten.

Verder heeft 21% van de uitgaven betrekking op bijdragen aan ZBO’s en RWT’s. Daarvan is 89% bestemd voor ZonMw voor de uitvoering van programma’s op het terrein van gezondheid, preventie en zorg en 9% voor het CVZ voor de financiering van de abortusklinieken.

De overige uitgaven bestaan uit subsidies (8%), opdrachten (2%) en bijdrage aan medeoverheden (3%).

De uitgaven zijn noodzakelijk voor de uitvoering van de Wet publieke gezondheid en de landelijke nota gezondheidsbeleid «Gezondheid dichtbij» (Kamerstuk 32 793, nr. 2) die onlangs is verschenen. De middelen zijn derhalve in beginsel niet alternatief aanwendbaar.

41.2.2 Premiegefinancierde zorguitgaven

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premiegefinancierde zorguitgaven op het terrein van de volksgezondheid. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de eerste suppletoire begroting 2011 en de begroting 2012 verwerkt. Voor 2011 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2012 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voor zover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

41 Volksgezondheid (bedragen x € 1 000 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Preventieve zorg (uitvoeren Rijksvaccinatieprogramma)

95,3

109,3

109,4

109,4

109,4

109,4

109,4

Volksgezondheid onverdeeld

   

2,4

5,1

7,8

9,2

9,2

Totaal

95,3

109,3

111,8

114,5

117,2

118,6

118,6

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

-

14,7%

2,3%

2,4%

2,4%

1,2%

0,0%

41.3 Operationele doelstellingen

Er zijn vijf operationele doelstellingen op het gebied van volksgezondheid:

  • 1. Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten;

  • 2. Er is een doelmatig systeem van publieke gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid;

  • 3. De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten;

  • 4. Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch-wetenschappelijk onderzoek;

  • 5. Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl.

41.3.1 Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten

Motivering

Motivering

Ons voedsel is veiliger dan ooit. Toch is het zaak alert te blijven. Nieuwe ziekten en bacteriën kunnen de gezondheid van mensen bedreigen. Het huidige hoge niveau van veiligheid van ons voedsel en onze producten moet minimaal behouden en onderhouden worden. De aandacht voor voedselveiligheid is nu gericht op het in stand houden en de ontwikkeling van nieuwe risicobeoordelingen en/of van signalering van nieuwe risico’s. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van voedingsmiddelen en producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De overheid is er voor kaderstelling, normstelling en het toezicht hierop. De nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) moet de regels voor de veiligheid van voedsel en producten controleren en daarop handhaven. De rijksbrede taakstelling dwingt de nVWA in samenwerking met haar opdrachtgevers tot scherpe keuzes in de uitoefening van het publieke toezicht. Door inzet van vernieuwend en efficiënt toezicht wil de nVWA een goede afspiegeling van de markt hebben en houden. Door gebruik te maken van veel informatie van systemen uit de markt kan de nVWA haar toezicht uitvoeren.

De belangrijkste doelstellingen voor voedsel- en productveiligheid zijn:

  • Gezondheidsschade door onveilig voedsel en onveilige producten moet voorkomen worden. Doelstelling is het handhaven en zo mogelijk verbeteren van het huidige beschermingsniveau van de consument met betrekking tot voedsel- en productveiligheid;

  • Voorkomen van gezondheidsschade door nieuwe veiligheidsrisico’s. Het gaat hierbij onder meer om nieuwe voedingsmiddelen («novel foods») en nieuwe technologieën, zoals nanotechnologie.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Voor deze operationele doelstelling wordt geen indicator opgenomen. Reden hiervoor is dat de resultaten van dit beleidsterrein niet zinvol in één of enkele indicatoren samengevat kunnen worden.

Instrumenten ter voorkoming van onveilig voedsel

Aanscherpingen en verdere uitwerking van het stelsel van regelgeving voor voedselveiligheid zijn in Brussel nog altijd aan de orde. Door nieuwe inzichten vanuit de risicobeoordeling door met name de European Food Safety Autority (EFSA) blijft aandacht voor en inzet op aanvullende normstelling voor voedselpathogenen nodig. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor de toenemende aanwezigheid van antibioticaresistente bacteriën in voedingsmiddelen en de risico’s hiervan voor de consument. Ook wordt het stelsel van normen op het vlak van contaminanten en additieven in voedingsmiddelen bewaakt en regelmatig aangepast. Ten slotte moet VWS blijvend voorbereid zijn en snel kunnen reageren in het geval van voedselincidenten en -crises op het vlak van voedselveiligheid. Recente voorbeelden hiervan zijn ESBL op kippenvlees, groenten en fruit; mogelijke radioactiviteit Japanse voedingsmiddelen; de EHEC-bacterie op kiemgroenten en dioxine in Duits diervoeder. Het Europees belang in deze is groot in verband met open grenzen. Verbetering van de informatie-uitwisseling en betere afstemming van beleid is één van de doelstellingen van het kabinet. De EU heeft daar een expliciete rol in.

Om de veiligheid van het voedsel op een hoog niveau te houden en daar waar nodig te verbeteren, wordt ingezet op aanpassing van diverse instrumenten, waaronder regelgeving, onderzoek, adequaat toezicht en goede voorlichting/communicatie:

  • Het in EU-verband realiseren van criteria en normen voor de aanwezigheid van pathogenen (Salmonella en Campylobacter) en afspraken maken ten aanzien van het gebruik van antibiotica in de dierlijke sectoren. Een relevant aandeel van de ziektegevallen wordt veroorzaakt door virussen die zich via voedsel verspreiden. In mondiaal verband (Codex Alimentarius) worden richtlijnen voor virussen in voedsel opgesteld;

  • In 2012 blijft de Europese harmonisatie van regelgeving voor enzymen in levensmiddelen een aandachtspunt. Ook moet in 2012, conform de vereisten vanuit de EU-verordening voor additieven, de feitelijke inname van additieven nauwkeurig worden bepaald;

  • Toezicht op de veiligheid van voedsel is één van de hoofdtaken van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). Hiertoe wordt ook in 2012 nadrukkelijk ingezet op efficiënt en effectief toezicht door gebruik te maken van informatie van bedrijven en kwaliteitssystemen (horizontaal toezicht, tweedelijnstoezicht, systeemtoezicht);

  • De communicatie over de veiligheid van voedsel door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM (CIB), het Voedingscentrum Nederland (VCN) en nVWA wordt in 2012 voortgezet.

Instrumenten ter voorkoming van onveilige producten

Met de Europese wetgeving voor de veiligheid van producten is inmiddels twintig jaar ervaring opgedaan. Begin 2010 is het New Legislative Framework (NLF) vastgesteld door de Europese Raad en het Europese Parlement met als doel enerzijds de bestaande productwetgeving beter op elkaar af te stemmen en anderzijds een eerste belangrijke stap te zetten in de harmonisatie van het markttoezicht op Europese productwetgeving. In 2012 wordt hier verder invulling aan gegeven. Ook wordt de Algemene Productveiligheid Richtlijn (APV) voor consumentenproducten herzien met als doel alerter te kunnen reageren op onveilige producten, waarvoor geen specifieke Europese veiligheidseisen bestaan.

Ook voor productveiligheid zijn regelgeving, onderzoek, toezicht en communicatie/voorlichting de belangrijkste instrumenten om het niveau van veiligheid te handhaven en zo nodig te verbeteren:

  • Het stelsel van Europese regelgeving wordt herzien, zodat een beter geïntegreerd systeem kan ontstaan om de veiligheid van producten in Europa te garanderen. In 2012 wordt een voorstel voor de herziening van Algemene productveiligheidsrichtlijn verwacht. Essentieel hierbij is dat de verantwoordelijkheid voor de veilige producten bij het bedrijfsleven ligt. Zeer relevant zijn de buitengrenscontroles en de noodzaak tot verdere intensivering van de samenwerking tussen de nVWA en de douane. Immers 80% van de producten is afkomstig uit derde landen met China als belangrijkste exporteur. Nederland heeft als poort van Europa een bijzondere verantwoordelijkheid. Hiervoor is in 2011 een memorandum of understanding met China getekend. Daaraan wordt invulling gegeven door de buitengrenscontroles meer aan te laten sluiten op de exportcontroles in het land van herkomst. Ook wordt de kennis bij importeurs van deze producten met betrekking tot de Europese productwetgeving en het zaken doen in ontwikkelingslanden versterkt;

  • Voor nanotechnologie wordt onderzoek gedaan naar de mogelijke risico’s. Doel van VWS is het beschermen van de consument tegen de eventuele risico’s van nanotechnologie in levensmiddelen en producten. Door vervolgonderzoek doet het RIVM verder onderzoek naar de aanwezigheid van nanodeeltjes in het lichaam;

  • Aan bedrijven en consumenten wordt voorlichting gegeven over de gewijzigde gevaarsetikettering van producten ter bescherming van de consument tegen risico’s van chemische stoffen en het veilig omgaan door het bedrijfsleven met de chemische risico’s van producten. Er wordt bijgedragen aan het vaststellen en implementeren van de Europese Global Harmonized System Verordening voor de indeling en etikettering van stoffen en preparaten (EU GHS verordening voor bedrijven en consumenten);

  • De communicatie over productveiligheid door de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit en de Stichting Consument en Veiligheid wordt in 2012 voortgezet.

Instrumenten ten behoeve van de alternatieven voor dierproeven

  • Het beleid, zoals verwoord in de kabinetsvisie alternatieven voor dierproeven (Kamerstuk 30 168, nr. 4) wordt in 2012 voortgezet. In 2012 en verder is er een intensivering van de beschikbare middelen voor alternatieven van dierproeven. In september 2011 is een actieplan gepresenteerd naar aanleiding van de programmeringstudie en de trendanalyse dierproeven. Dit actieplan geeft invulling aan de inzet van de intensivering;

  • De Europese dierproevenrichtlijn (2010/63/EU) moet voor 10 november 2012 geïmplementeerd zijn in nationale regelgeving. Het uitgangspunt van VWS bij de implementatie is het handhaven van het huidige beschermingsniveau vanuit de Wet op de dierproeven (Wod).

41.3.2 Een doelmatig systeem van publieke gezondheidszorgvoorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid

Motivering

Het Ministerie van VWS wil bijdragen aan een goede volksgezondheid en anticiperen op (dreigende) volksgezondheidsproblemen door een goed systeem voor publieke gezondheidszorg te creëren en in stand te houden. Een keten van preventie en zorg die goed op elkaar aansluit is daarbij essentieel. Deze verantwoordelijkheid wordt ingevuld door:

  • Het bevorderen van effectieve landelijke, regionale en lokale voorzieningen voor publieke gezondheidszorg;

  • Het bevorderen van een effectieve jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor alle jeugdigen (0–19);

  • Het verbeteren van de paraatheid van zorgvoorzieningen voor grootschalig optreden bij crises en rampen.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator (output)
 

2005

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2012

1. Percentage gemeenten met een 2e nota gezondheidsbeleid

14%

45,8% (juli)

71,2% (juli)

90,5% (dec)

2. Percentage gemeenten met een 3e nota gezondheidsbeleid

15%

3. Congruentie GGD’en /GHOR met veiligheidsregio’s

68% (mei)

76% (jan)

88% (jan)

100%

4. Iedere regio één directeur publieke gezondheid voor zowel GGD als GHOR

100%

Bron

1. RIVM: Nationale Atlas Volksgezondheid

2. De 3e landelijke nota Gezondheidsbeleid is op 25 mei 2011 naar de Kamer gezonden (Kamerstuk 32 793, nr. 2).

3. RIVM, Nationale Atlas Volksgezondheid. Het betreft hier de congruentie van de buitengrenzen van de GGD’en met de veiligheidsregio’s. Dit betekent dat de buitengrenzen van GGD’en gelijk zijn aan de buitengrens van één veiligheidregio.

4. Deze directeur is integraal aanspreekbaar voor lokaal bestuur en veiligheidsregio.

Instrumenten voor effectieve landelijke, regionale en lokale voorzieningen voor publieke gezondheidszorg

Gemeenten staan voor adequaat lokaal gezondheidsbeleid

Gemeenten zijn in eerste instantie aan zet om hun lokaal gezondheidsbeleid vorm te geven. Elke vier jaar brengen zij, in het kader van de Wet publieke gezondheid (Wpg), een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid uit. De nieuwe landelijk nota Gezondheidsbeleid (Kamerstuk 32 793, nr. 2) geeft gemeenten hiervoor aangrijpingspunten en handvatten. In 2012 wordt het proces ingezet om de kwaliteit van de gemeentelijke nota’s te verbeteren en een duidelijkere koppeling te maken tussen de landelijke en lokale nota’s. Hiervoor worden bestaande ondersteuningsmogelijkheden benut, zoals die van het RIVM en ZonMw. Er worden regionale bijeenkomsten georganiseerd waar best practices en ervaringen worden uitgewisseld. Belangrijke onderwerpen zijn: het bevorderen van bewegen en sport, preventieve activiteiten voor de jeugd, het stimuleren van publiek-private samenwerking, de verbinding tussen verschillende beleidsterreinen en gezondheid en de realisatie van «gezondheid in de buurt».

Versterken publieke gezondheidszorg

Het kabinet gaat in samenspraak met gemeenten een implementatietraject starten om de publieke gezondheidszorg te verbeteren en gezondheid prominenter op de lokale beleidsagenda te plaatsen. Nadruk komt in 2012 te liggen op het bevorderen van de praktische toepassing van instrumenten die de afgelopen jaren zijn ontwikkeld. Samenwerking tussen RIVM, ZonMw en GGD’en is hierbij cruciaal. Vanaf 1 januari 2012 is ook de gewijzigde Wet publieke gezondheid volledig in werking. De wet maakt een krachtiger positie van de publieke gezondheidszorg mogelijk, doordat een verbinding gelegd wordt tussen reguliere (publieke) zorg en zorg onder crisisomstandigheden. De wet introduceert een Directeur publieke gezondheid (Dpg) die zowel de GGD als de organisatie voor Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallenen Rampen (GHOR) aanstuurt. De Dpg is de centrale figuur die met private zorgpartijen afspraken maakt over de bestrijding van crises en is ook voor het openbaar bestuur het centrale aanspreekpunt voor alle medische aspecten van een crisis. De functie van Dpg maakt het mogelijk om de expertise en netwerken van de GGD in de reguliere publieke gezondheidszorg te koppelen aan de (voorbereiding op) opgeschaalde zorg. Er wordt een communicatietraject gestart om de Wpg, alsook de nieuwe landelijke nota Gezondheidsbeleid en de landelijke speerpunten onder de aandacht van de verantwoordelijke bestuurders te brengen.

De kracht van de publieke gezondheidszorg wordt ook vergroot door verbindingen te leggen met andere sectoren. We zetten in op een betere fysieke, organisatorische en inhoudelijke verbinding tussen de publieke gezondheidszorg, eerstelijnszorg, AWBZ- en Wmo-voorzieningen.

Gezond in de stad

Vanaf 2010 wordt in het kader van de decentralisatie-uitkering «Gezond in de stad» jaarlijks € 5,0 miljoen beschikbaar gesteld aan de grote gemeenten (G31). Via deze decentralisatie-uitkering als onderdeel van het stedenbeleid ontvangen zij extra middelen die kunnen worden ingezet om gezondheidsproblemen aan te pakken via een wijkgerichte aanpak.

Instrumenten voor een effectieve jeugdgezondheidszorg voor alle jeugdigen (0–19)

De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) biedt aan alle kinderen preventieve gezondheidszorg (bijvoorbeeld Rijksvaccinatieprogramma en screeningen). Daarnaast volgt de JGZ de fysieke, psychisch-sociale en cognitieve ontwikkeling van alle jeugdigen. Ze ondersteunt ouders bij de normale ontwikkeling, signaleert stoornissen en risico’s en geleidt indien nodig de jeugdige (en de ouders) door naar de juiste ondersteuning of behandeling. Dit gebeurt steeds vaker vanuit een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). De JGZ werkt daarbij samen met de andere partijen in het CJG en andere (medische) hulpverleners.

Vernieuwing Jeugdgezondheidszorg

Om toegerust te zijn op veranderingen in de samenleving, de organisatie van de zorg voor jeugd en de verwachtingen van ouders ontwikkelt de JGZ nieuwe werkwijzen. Het Rijk stimuleert dit via het ZonMw-programma «Vernieuwing uitvoeringspraktijk Jeugdgezondheidszorg» en een subsidie aan het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ). Het ZonMw-programma loopt van 2010 tot en met 2013. Hiervoor is in totaal € 5 miljoen beschikbaar. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid is in 2011 gestart en bevordert de kwaliteit van de uitvoering van de JGZ (bijvoorbeeld via het bevorderen van de invoering van effectieve interventies in de praktijk). Hiervoor is in 2012 € 1,9 miljoen beschikbaar.

Digitalisering dossiers

Eind 2011 werken naar verwachting op één na alle JGZ-organisaties geheel of gedeeltelijk met digitale dossiers. Hiervoor is via het Gemeentefonds in 2012 € 20 miljoen beschikbaar, samen met de Verwijsindex Risicojongeren. Het digitaliseringstraject richt zich in 2012 in belangrijke mate op de overdracht van JGZ-dossiers tussen JGZ-organisaties (bijvoorbeeld bij verhuizing van een kind).

Instrumenten voor een verbeterde paraatheid van zorgvoorzieningen voor grootschalig optreden bij crises en rampen

Wet publieke gezondheid (Wpg)

De gewijzigde Wet publieke gezondheid die vanaf 1 januari 2012 van kracht zal zijn, is een belangrijk instrument om de voorbereiding van de zorg onder crisisomstandigheden te verbeteren. Belangrijke wijzigingen zijn dat het werkgebied van de GGD gelijk moet zijn aan dat van de veiligheidsregio en dat er in de toekomst nog maar één aanspreekpunt is voor de voorbereiding en uitvoering van de zorg onder crisisomstandigheden, zowel voor zorgpartijen als voor het openbaar bestuur. Dit maakt het voor de verantwoordelijke besturen makkelijker om, op basis van eenduidige adviezen, besluiten te nemen over de gecoördineerde inzet van zorg.

CBRN weerstandsverhoging

Doel is het nemen van weerstandsverhogende maatregelen gericht op het verminderen of voorkomen van de kans dat personen of groeperingen zich ongewenst toegang verschaffen tot chemische, biologische, radioactieve en/of nucleaire agentia (CBRN) (€ 11,3 miljoen). Dit valt binnen de doelstellingen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).

41.3.3 Minder vermijdbare ziektelast door een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten

Motivering

Motivering

Het Ministerie van VWS wil de gevolgen van ziekten vermijden door ziekten te voorkomen, tijdig op te sporen en complicaties tegen te gaan door:

  • Te zorgen voor een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden;

  • Te zorgen voor een goede voorbereiding op grote uitbraken van ziekten, waaronder een grieppandemie;

  • Het inrichten van een kwalitatief hoogwaardig Rijksvaccinatieprogramma (RVP) en het in stand houden van een hoge vaccinatiegraad;

  • Het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen;

  • Het bevorderen van een goede organisatie van en deelname aan bevolkingsonderzoeken;

  • Het bevorderen van herkenbare, laagdrempelige voorzieningen in de buurt waar de verbinding wordt gelegd tussen preventie, curatieve zorg en maatschappelijke ondersteuning;

  • Het voorkomen van resistentievorming bij pathogenen4 en het voorkomen van overdracht van deze resistente pathogenen;

  • Het zorgen voor een geïntegreerd aanbod van voorzieningen op het gebied van seksuele gezondheid, bestaande uit curatieve soa-zorg voor hoogrisicogroepen en seksualiteitshulpverlening voor jongeren.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator (output)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2012

1. Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij de soa-poli’s van de GGD

12,8%

13,3%

12,7%

13,2%

13,2%

13,7%

≥ 14%

2. Percentage deelname aan Rijksvaccinatieprogramma

95,8%

94,3%

94,0%

94,5%

95,2%

95,0%

≥ 95%

3. Percentage deelname aan griepvaccinatieprogramma (seizoensgriep)

76,9%

74,5%

73,5%

71,5%

70,4%

68,9%

≥ 72%

4. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek borstkanker

81,7%

81,9%

82,4%

82,0%

81,5%

80,7%

≥ 83%

5. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

65,5%

66,0%

66,0%

≥ 65%

6. Percentage deelname aan hielprik

99,9%

99,9%

99,8%

99,8%

≥ 99%

Bron

1. RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding. Betreft het percentage bezoekers van soa-poli’s, waarbij een (of meer) soa is gevonden.

2. Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2011 – RIVM rapport 210021014.

Voor het verslagjaar 2010 is dit percentage 95,0%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2007 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd.

3. www.nivel.nl. De cijfers vanaf 2008 zijn niet vergelijkbaar met voorgaande jaren, onder andere doordat de leeftijdsgrens van 65 naar 60 is verlaagd in het najaar 2008.

4. Landelijk Evaluatieteam Bevolkingsonderzoek Borstkanker (LETB). Erasmus MC.

5. Erasmus MC. Landelijke Evaluatie Bevolkingsonderzoek naar Baarmoederhalskanker (LEBA). Rapportage 2009. Het cijfer over 2009 wordt in 2011 verwacht.

6. TNO, evaluatie van de neonatale hielprikscreening bij kinderen geboren in 2009. Het cijfer over 2010 wordt begin 2012 verwacht.

Instrumenten voor een goede structuur voor infectieziektebestrijding

Opdrachtverlening aan het RIVM/Centrum voor infectieziektebestrijding

Het RIVM/Centrum voor Infectieziektebestrijding heeft de volgende taken:

  • Coördinatie en ondersteuning van de uitvoering op het gebied van infectieziektebestrijding, -onderzoek en vaccinonderzoek, ook op het gebied van zoönosen en vectorgebonden aandoeningen (€ 34,2 miljoen);

  • Financiering van een aantal instellingen, die zich inzetten voor infectieziektepreventie en -bestrijding (€ 8,2 miljoen);

  • Coördinatie van aanvullende voorzieningen op het gebied van de seksuele gezondheid (€ 29,1 miljoen).

Bevorderen seksuele gezondheid (inclusief preventie van soa/hiv)

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS (rechtstreeks, dan wel via het RIVM/Centrum voor infectieziektebestrijding) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen (€ 7,6 miljoen).

Onderzoeksprogramma’s via ZonMw

  • Programma infectieziektebestrijding (€ 2,0 miljoen);

  • Priority Medicines Antimicrobiële Resistentie (€ 2,9 miljoen);

  • Vijfjarig programma «Seksuele gezondheid van de jeugd» (€ 0,4 miljoen).

Instrumenten voor een goede organisatie van en deelname aan vaccinatieprogramma’s

Nationaal Programma Grieppreventie via de Subsidieregeling publieke gezondheid

Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60+-ers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 58,7 miljoen).

Rijksvaccinatieprogramma

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) heeft tot doel de vaccinatie van alle kinderen in de leeftijdscategorie van 0–12 jaar die in Nederland wonen. De ziekten waartegen gevaccineerd wordt zijn: difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP), infectie met Haemophilus Influenzae type B (Hib), bof, mazelen en rodehond (BMR), meningokokken C infecties (Men C), pneumokokken infecties en de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (meisjes). Voorts wordt met ingang van 2012 voor alle kinderen Hepatitis B toegevoegd aan het Rijksvaccinatieprogramma.

Instrumenten voor een goede structuur rondom de preventie van chronische ziekten

Nationaal Actieprogramma Diabetes (NAD)

Het vierjarige programma (2009–2013) NAD heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het terugdringen van de groei van het aantal diabetespatiënten en het verminderen van de complicaties (€ 2,5 miljoen).

Kengetal
 

1994

2000

2004

2007

2009

2010

Verwachting

2012

Aantal patiënten diabetes mellitus

306 000

414 000

609 000

740 000

> 850 000

Bron

RIVM/Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2010, deelrapport Effecten van preventie.

Dit zijn schattingen van het aantal patiënten met diabetes type 1 en type 2 samen. De schattingen van de prevalentie zijn gebaseerd op het aantal gediagnosticeerde patiënten door de huisarts in vijf huisartsenregistraties. Door onderrapportage en toename van obesitas wordt de komende jaren een forse toename van het aantal patiënten verwacht. Dit cijfer wordt onregelmatig geactualiseerd.

Preventieprogramma via ZonMw

De kern van de eerdere preventieprogramma’s was de kennis over (kosten)effectieve preventie en de toepassing ervan te vergroten en vernieuwende en kansrijke (kosten)effectieve preventiemogelijkheden te ontwikkelen. In juni 2009 is opdracht gegeven aan de uitvoering van het vierde preventieprogramma. Met dit programma geeft ZonMw invulling aan de visie op preventie (Kamerstuk 22 894, nr. 134) en levert een bijdrage aan het versterken van de preventiecyclus. Dit is een vierjarige cyclus waarmee specifieke doelstellingen en uitvoering van het Nederlandse gezondheidsbeleid worden vastgelegd, uitgevoerd en bijgesteld. Dit programma legt nog meer dan haar drie voorgangers, verbindingen tussen preventie en andere sectoren (wonen, werken, leren), in het bijzonder tussen de publieke en de eerstelijnsgezondheidszorg en daarmee ook tussen de preventieprogramma’s en andere programma’s van ZonMw. Daarnaast zal dit programma inspelen op de nieuwe landelijke nota gezondheidsbeleid (€ 10,0 miljoen).

Programma diseasemanagement chronische ziekten via ZonMw

Bij diseasemanagement wordt een sluitende keten gevormd van diagnostiek, behandeling en begeleiding. Ook vroege opsporing en preventie bij mensen met een verhoogd risico op chronische ziekten en zelfmanagement maken er deel van uit. Het doel van dit programma is kennis te verzamelen over diseasemanagement bij chronische aandoeningen en ervaring op te doen met de toepassing ervan in de praktijk. Dit programma kent ook een praktijkdeel, waarin multidisciplinaire transmurale zorggroepen die gaan werken volgens de diseasemanagement aanpak (€ 0,4 miljoen) ondersteund en gevolgd worden. Het programma loopt tot en met 2012.

Interventiestrategieën chronische ziekten

Het aantal mensen met chronische ziekten zal in de komende jaren fors toenemen. In 2012 worden daarom de volgende preventieve interventies (verder) ontwikkeld:

  • Depressiepreventie. De NZa wordt binnenkort gevraagd om een advies hoe de functie basis geestelijke gezondheidszorg, dichtbij huis, versterkt kan worden. Uitgangspunt is dat het veld de ruimte krijgt om zelf de zorg rondom de patiënt te organiseren;

  • Zelfmanagement chronische ziekten. Het gaat hier om een programmatisch aanbod om chronische patiënten beter in staat te stellen hun eigen ziekte te managen. Als effectief zelfmanagement beschikbaar is, moet dit onderdeel worden van de zorgstandaarden;

  • Zorgstandaarden. Het uitbouwen en implementeren van zorgstandaarden geeft patiënten, zorgaanbieders en verzekeraars een goed instrument voor de inhoud, organisatie en transparantie van patiëntgerichte integrale zorg voor chronische aandoeningen. Het coördinatieplatform zorgstandaarden houdt zich bezig met alle aangelegenheden in relatie tot vraagstukken met en rond zorgstandaarden, de werkzaamheden houden direct verband met de ontwikkeling van het kwaliteitsinstituut zorg;

  • Gezondheid en arbeid is een thema dat in samenwerking met sociale partners en gezondheidssector zal worden uitgewerkt. Met het coördinatieplatform zorgstandaarden zal een afspraak worden gemaakt over het ontwikkelen van een module arbeid en gezondheid ten behoeve van de zorgstandaarden.

Instrumenten voor een goede organisatie van en het bevorderen van deelname aan bevolkingsonderzoeken

Uitvoeren van bevolkingsonderzoeken en screeningsprogramma’s via de Subsidieregeling publieke gezondheid

De inzet van VWS betreft het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker, screening op familiaire hypercholesterolemie, bloedonderzoek bij zwangeren en de hielprik en gehoorscreening bij pasgeborenen (€ 110,3 miljoen). Het RIVM/Centrum voor Bevolkingsonderzoek voert de bekostiging, landelijke aansturing en coördinatie uit (€ 10,3 miljoen).

Gezondheidswinst realiseren door vroegopsporing van (risicofactoren voor) aandoeningen via het Nationaal Programma Bevolkingsonderzoek

Met de nieuwe landelijke nota Gezondheidsbeleid is besloten om vanaf 2013 een bevolkingsonderzoek naar darmkanker stapsgewijs in te voeren (zie brief van 1 juni 2011 over invoering bevolkingsonderzoek darmkanker, Kamerstuk 32 793, nr. 3). In 2012 en 2013 vinden hiervoor de voorbereidingen plaats. Op 24 mei 2011 kwam de Gezondheidsraad met een advies over de verbetering van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Het standpunt hierop volgt in september 2011. Met ingang van 1 mei 2011 is de neonatale hielprikscreening uitgebreid met screening naar Cystic Fibrosis (taaislijmziekte, CF). Ook wordt het screeningsprogramma voor zwangere vrouwen, prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (PSIE) verbeterd.

41.3.4 Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch-wetenschappelijk onderzoek

Motivering

Motivering

Het kabinet wil patiënten, cliënten en proefpersonen beschermen bij de voortschrijding van (technologische) ontwikkelingen in de gezondheidszorg.

In 2012 zal een aantal evaluaties van regelgeving worden afgerond. Het gaat daarbij om de evaluatie van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO), de Embryowet in samenhang met de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting, de Wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en de Regeling preïmplantatie genetische diagnostiek. De bevindingen vanuit deze wetsevaluaties zullen worden voorzien van een kabinetsstandpunt. Aan het parlement zal naar verwachting in 2012 een wetsvoorstel ter wijziging van de WMO worden aangeboden, zoals toegezegd in het standpunt over het advies van de commissie Doek (medisch-wetenschappelijk onderzoek bij minderjarigen).

In 2012 zal het voorstel van wet betreffende zeggenschap over lichaamsmateriaal aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De abortushulpverlening zal in 2012 verdere aandacht vragen vanwege het verbeteren van de financieringsstructuur daarvan en van de opleiding van de hulpverleners.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Voor deze operationele doelstelling wordt geen indicator opgenomen. Reden hiervoor is dat de resultaten van dit beleidsterrein niet goed aan één of enkele indicatoren te relateren zijn.

Instrumenten ethisch verantwoord handelen

Het laten uitvoeren van periodieke wetsevaluaties

Het periodiek evalueren van de praktijk en wet- en regelgeving biedt de mogelijkheid om tijdig te kunnen bijsturen zodat praktijk en beleid goed op elkaar kunnen gaan aansluiten.

Verbeteren van de abortushulpverlening en -registratie

Het doel is het verbeteren van de hulpverlening aan vrouwen die ongewenst zwanger zijn door onder meer het ondersteunen van de richtlijnontwikkeling voor abortusartsen, het opzetten van een kwaliteitssysteem en een onderzoeksprogramma bij ZonMw. Ook de financieringsstructuur van de abortushulpverlening zal worden verbeterd. Het ontwikkelen van een kwaliteitsbeleid door de klinieken en de beroepsgroepen en het wijzigen van de financieringssystematiek zijn van belang om de klinieken in staat te stellen een solide bedrijfsvoering te realiseren.

Verbeteren van mogelijke knelpunten in de toetsing van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen

Het doel is het opheffen van mogelijke knelpunten op het terrein van de toetsing van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Daarmee wordt de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek bevorderd en de veiligheid van proefpersonen beter geborgd.

Zonodig bevorderen van de ontwikkeling van nieuwe en actualisering van bestaande richtlijnen voor vruchtbaarheidstechnieken door de betrokken beroepsgroep(en)

Het bevorderen van dergelijke richtlijnen en standpunten heeft tot doel professionals houvast te geven bij het nemen van mogelijk moreel beladen beslissingen.

Stimuleren van onderzoek naar ethische vraagstukken in de (gezondheids)zorg

Het doel is het vergroten van belangwekkende kennis over ethische vraagstukken in de (gezondheids)zorg en zorgverlening, onder meer door het onderzoeksprogramma «Ethiek en Gezondheid» bij ZonMw (€ 0,4 miljoen), alsmede het programma Maatschappelijk Verantwoord Innoveren bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Stimuleren van innovatief onderzoek naar (nieuwe) medische technologieën met een belangrijke ethische component

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het nog tot 2022 lopende ZonMw-onderzoeksprogramma Translationeel Adult Stamcelonderzoek (€ 1,4 miljoen).

Bijdrage aan de baten-lastendienst Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG)

Deze bijdrage is nodig voor het beheer van regionale toetsingscommissies Euthanasie en de centrale deskundigheidscommissie«Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bijpasgeborenen». Ook fungeert het CIBG als aanspreekpunt voor kinderen die verwekt zijn met geslachtscellen van derden, hun ouders en artsen, indien zij vragen hebben over het register donorgegevens kunstmatige bevruchting (€ 2,2 miljoen).

Rijksbijdrage aan het College voor zorgverzekeringen (CVZ)

Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de financiering van abortusklinieken (€ 12,3 miljoen). Deze regeling zal worden aangepast om financiële problemen bij klinieken te kunnen voorkomen.

Bijdrage aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) is een bij wet (Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Embryowet) ingestelde commissie en waarborgt de bescherming van proefpersonen betrokken bij medisch-wetenschappelijk onderzoek, via toetsing aan de daarvoor vastgestelde wettelijke bepalingen en met inachtneming van de voortgang van de medische wetenschap (www.ccmo-online.nl). Zij is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen op 1 maart 2006, treedt de CCMO tevens op als bevoegde instantie (€ 1,7 miljoen).

41.3.5 Meer mensen kiezen voor een gezonde leefstijl

Motivering

Een goede gezondheid is belangrijk voor een actieve bijdrage aan de maatschappij. Een goede gezondheid is van invloed op schoolprestaties, schoolverzuim en schooluitval en op arbeidsprestaties (arbeidsproductiviteit en arbeidsverzuim) en is een belangrijke factor voor arbeidsparticipatie, maatschappelijke participatie en sociale integratie.

De eigen gezondheid is van mensen zelf. Al lijken professionals deze verantwoordelijkheid soms over te willen nemen. Mensen maken hun eigen leefstijlkeuzes. De overheid zal zich richten op:

  • Het tegengaan van versplintering en verkokering, het bundelen van krachten;

  • Het benutten van (zorg)structuren en intensivering van de inzet van jeugdgezondheidszorg met op maat adviezen en verwijzing naar lokale mogelijkheden;

  • Aandacht voor weerbaarheid en gezonde basis voor de jeugd;

  • Inzet om de gezonde keuze, de makkelijke en aantrekkelijke keuze te maken in samenwerking met private partners;

  • Betrouwbare, toegankelijke informatie, toegesneden op informatiebehoefte en aandacht voor het bundelen van leefstijlinterventies.

Startpunt Jeugd

Waar volwassenen eigen keuzes maken, heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid ten opzichte van de jeugd. De jeugd heeft de toekomst en investeren in hen loont. Dit kabinet wil de jeugd toerusten om op latere leeftijd zelf verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Het kabinet wil op positieve wijze laten zien dat gezond leven leuk is en dat het jezelf uiteindelijk veel oplevert. De jongere zelf is het startpunt. Dit betekent een andere manier van communiceren.

Het kabinet zet in op het positief stimuleren van gezond gedrag en weerbaarheid van jongeren zelf. Reeds ontwikkelde interventies worden zo veel mogelijk in samenhang ingezet. Goede gewoonten en gedragingen die in de jonge jaren zijn aangeleerd, bieden meer perspectief voor de toekomst. Daarom vindt het kabinet het stellen van grenzen en het bevorderen van een gezonde leefstijl voor de jeugd gerechtvaardigd. We zien hierbij ook een belangrijke rol voor ouders, zij zijn immers primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Ook gemeenten hebben hier een verantwoordelijkheid.

Bij het aanleren van een gezonde leefstijl vanuit weerbaarheid, verdienen drie thema’s extra aandacht: gezond gewicht, riskant en problematisch middelengebruik en seksuele gezondheid. Het kabinet kiest vanuit bovenstaande visie voor een op leefstijl gerichte aanpak om:

  • Jongeren een gezonde basis te geven;

  • Jongeren weerbaar te maken zodat ze om leren gaan met verleidingen uit het dagelijks leven;

  • Jongeren goede informatie op maat te geven die aansluit bij hun leefwereld;

  • Het voortouw te nemen in het stellen van grenzen;

  • Vroegtijdig te signaleren wanneer jongeren in problemen dreigen te raken door ongezond gedrag (met name problematisch middelengebruik) zodat ze gericht kunnen worden geholpen.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren. Indicatoren over sport en bewegen staan vermeld in artikel 46.

Indicator (outcome)
 

2001

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde 2012

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

72%

73%

72%

73%

≥ 73%

2. Overgewicht bij volwassenen

47%

≤ 47%

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 2–8 jaar

14,5%

≤ 14,5%

4. Overgewicht bij kinderen leeftijd 9–17 jaar

10,3%

≤ 10,3%

5. Obesitas bij volwassenen

11%

≤ 11%

6. Obesitas bij kinderen leeftijd 2–8 jaar

3,9%

≤ 3,9%

7. Obesitas bij kinderen leeftijd 9–17 jaar

       

2,4%

≤ 2,4%

8. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt.

89,3%

90,0%

89,6%

90,4%

≥ 91,1%

9. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

25,6%

35%

≥ 38%

10. Aantal problematische drugsverslaafden per 1 000 inwoners

3,1

1,6

≤ 1,6

11. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700 000

650 000

650 000

640 000

630 000

Bron

1. TNS NIPO onderzoek, zie www.stivoro.nl

2. t/m 7. VTV 2010, www.vtv.nl

8. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek

9. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos Instituut, zie www.trimbos.nl

10. Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2009. Utrecht: Trimbos Instituut, 2010, zie www.trimbos.nl

11. Letselinformatiesysteem 2001–2009 (Consument en Veiligheid) en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl.

Instrumenten ter bevordering van een gezonde leefstijl

Het Ministerie van VWS zet diverse instrumenten in ter bevordering van een gezonde leefstijl:

  • RIVM/Centrum Gezond Leven heeft onder meer de taak ondersteuning te organiseren aan lokale professionals in gezondheidsbevordering. Deze ondersteuning bestaat uit informatie op het internet, een servicedesk, ontmoetingen, uitwisselingen en advisering op maat door een pool van experts;

  • Programma Gezonde Slagkracht (ZonMw). Dit programma biedt gemeenten op de leefstijlonderwerpen alcohol, drugs, tabak en overgewicht de mogelijkheid om samen met lokale/regionale gezondheidspartners initiatieven te implementeren die de lokale gezondheid verbeteren;

  • Inzet op gezonde keuze, de makkelijke keuze. Projecten en activiteiten worden gericht op een gezonde omgeving, een gezond aanbod en betrouwbare informatie. Publiek-private samenwerking speelt hierin een belangrijke rol;

  • Dwarsverbanden met sport en bewegen in de buurt (zie artikel 46.3.1);

  • Diverse gezondheidsbevorderende instellingen en preventieprogramma’s.

Instrumenten ter bevordering van gezonde voeding

Een gezond voedingspatroon is niet alleen van belang ter voorkoming van overgewicht, maar ook ter voorkoming van chronische ziekten (kanker, hart- en vaatziekten, diabetes en osteoporose). Bij gezonde voeding gaat het om een juiste energiebalans en een zo laag mogelijke inname van verzadigde vetzuren, transvetzuren en zout (natrium) en voldoende consumptie van vis, groente, fruit en volkoren graanproducten. Veel mensen kunnen hun voedingsgewoonten nog verbeteren en maar weinig mensen hebben een gezond voedingspatroon (VTV 2010). Het Ministerie van VWS zet in op twee lijnen:

  • Het stimuleren van een productaanbod – in retail, via cateraars en bij horeca – waarbij de gezonde keuze een makkelijke en aantrekkelijke keuze is. Aandachtspunt hierbij is het verlagen van de hoeveelheden zout (natrium) en verzadigde vetzuren en/of transvetzuren. Eind 2011 verschijnt een nieuwe voedselconsumptiepeiling (VCP) die inzicht geeft in de consumptie in Nederland. Deze resultaten worden vanaf 2012 gebruikt om met het bedrijfsleven te kijken waar de mogelijkheden liggen om het productaanbod door zelfregulering gezonder te maken. Eind 2012 zal de voortgang op dit dossier beoordeeld worden en worden zo nodig mogelijkheden voor wettelijke normen verkend;

  • Informatievoorziening over gezonde voeding aan consumenten, rechtstreeks of via zorgprofessionals is van belang. Een begrijpelijk etiket maakt hier onderdeel van uit. Daarvoor is inzet in de EU nodig bij invulling van regelgeving op het gebied van informatievoorziening (claims, etikettering e.d.).

Beide doelstellingen worden in samenwerking met partners uit de private sector vorm gegeven.

Instrumenten ter voorkoming van overgewicht (inclusief obesitas)

Overgewicht is het resultaat van een verstoorde energiebalans. Het percentage mensen met overgewicht bevindt zich op een hoog niveau. Overgewicht komt vaak voor in combinatie met andere ongezonde factoren. Doelstelling is het tot staan brengen van de stijgende trend in het aantal volwassenen met overgewicht en obesitas en het keren van de stijgende trend in het aantal kinderen met overgewicht en obesitas. Daarom worden in 2012 de volgende maatregelen genomen:

  • Uitvoering convenant «Gezond Gewicht» (CGG). Met speciale aandacht voor de integrale lokale aanpak van overgewicht. Het deelconvenant «Jongeren op Gezond Gewicht» (JOGG), dat circa 15 gemeenten per jaar volgens de Epode 5-aanpak ondersteunt (met verbinding naar CGL en ZonMw programma «Gezonde Slagkracht») en het deelconvenant school, dat onder andere een impuls geeft aan de implementatie van het concept gezonde schoolkantine, spelen hierbij een belangrijke rol;

  • Inzet om de gezonde keuze, de makkelijke keuze te maken. Het doel is een omgeving die uitnodigt tot gezond eet- en beweegpatroon. Dit krijgt invulling door middel van het stimuleren van een gezond aanbod in supermarkten en kantines (op school, werk of sportvereniging). Publiek-private samenwerking speelt hierin een belangrijke rol. Aandacht voor de fysieke omgeving wordt in samenhang en verbinding met andere thema’s en departementen invulling gegeven, zoals het programma «Sport en bewegen in de buurt» en de programma’s «Groene Schoolpleinen» en «Natuursprong» van het Ministerie van EL&I en het experiment «Gezonde Wijk» van het Ministerie van BZK;

  • Versterken relatie preventie en zorg. Voorlichting over gezond gewicht en het duurzaam behoud ervan wordt via zorgprofessionals, Centra voor Jeugd en Gezin, scholen en andere actoren verbonden aan de begeleiding van doelgroepen. Multidisciplinaire benadering en implementatie van de zorgstandaard overgewicht en obesitas vallen ook onder deze pijler.

Bovenstaande maatregelen moeten in samenhang gelezen worden met activiteiten ter bevordering van veilige en verantwoorde lichaamsbeweging in artikel 46.3.1.

Instrumenten gericht op het ontmoedigen van roken, alcohol en drugs

Roken veroorzaakt nog steeds de grootste ziektelast en blijft daarmee de belangrijkste vermijdbare doodsoorzaak. Gezien de jaarlijkse sterfte en ziektelast als gevolg van roken wordt gestreefd naar een afname van het aantal mensen dat rookt, vooral bij jongeren. Het percentage zware drinkers is de laatste jaren gestabiliseerd, maar het alcoholgebruik onder jongeren blijft een groot volksgezondheidsprobleem. Als jongeren drinken, drinken ze veel. De maatschappelijke schade als gevolg van alcoholgebruik is groot (verkeersslachtoffers, agressie, overlast, huiselijk geweld, etcetera).

Het drugsgebruik in de algemene bevolking is het afgelopen decennium nagenoeg stabiel gebleven. Het cannabisgebruik onder jongeren vertoont recentelijk zelfs een lichte daling. Ondanks de dalende trend neemt de hulpvraag als gevolg van problematisch cannabisgebruik toe, zowel onder jongeren als onder ouderen.

Het beleid ter vermindering van de gezondheidsschade door drugs- en alcoholgebruik is gericht op grotere toepassing van e-health interventies voor verslaafden, op meer samenhang in de aanpak van multiproblematiek en op het stimuleren van betere nazorg.

In 2012 worden de volgende instrumenten ingezet:

  • Ondersteuning van preventieactiviteiten, onder andere de drugs- en alcoholinfolijn, de gezonde school en genotmiddelen, activiteiten gericht op het vergroten van de weerbaarheid van jongeren en voorkomen jeugdroken;

  • Continueren van de handhaving van de rookvrije horeca. Ook voor 2012 blijft dit een belangrijke prioriteit van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit. De bestuurlijke boete voor de handhaving van de rookvrije horeca is verdubbeld;

  • Implementatie van de gewijzigde Drank- en Horecawet (indien de Staten-Generaal daarmee akkoord gaan), vooral decentralisatie toezicht naar gemeenten en het strafbaar stellen van jongeren voor het aanwezig hebben van alcoholhoudende drank op straat of in het café;

  • Realiseren van nazorgtrajecten voor jongeren die met een alcoholintoxicatie in het ziekenhuis worden opgenomen;

  • Via het partnership vroegsignalering alcohol wordt ingezet op tijdige detectie door zorgverleners van beginnende alcoholproblematiek;

  • Implementatie van de richtlijn vroegsignalering problematisch drugsgebruik (jongeren) in de verschillende jeugdketens.

Om een integrale aanpak te bewerkstelligen met betrekking tot preventieactiviteiten op het gebied van alcohol, roken en drugs, is het noodzakelijk om de activiteiten op deze terreinen te bundelen bij één instituut. De subsidies aan STIVORO en STAP zullen worden afgebouwd. Inzet gericht op preventie van schadelijk middelengebruik en verslaving wordt bij het Trimbos-instituut belegd, zodat integraal beleid kan worden vormgegeven. In 2012 zal dit beleid worden ingezet.

Instrumenten ter voorkoming van gezondheidsschade door ongevallen

Ongevallen en letsels staan op de gedeelde derde plek als het gaat om het aantal verloren levensjaren (VTV 2010). Om het aantal letsels en ongevallen in de privésfeer te beperken worden in 2012 de volgende maatregelen gecontinueerd:

  • Voorlichting en ondersteuning door Stichting Consument en Veiligheid (CenV). CenV ontwikkelt en implementeert met nationale en lokale partijen maatregelen die ongevallen in de privésfeer moeten voorkomen en heeft daarbij een coördinerende rol ten aanzien van sportblessurepreventie (zie ook artikel 46.3.1);

  • Voortzetten van kosteneffectief beleid en het versterken van de intersectorale en interdisciplinaire aanpak. Dit betekent dat diverse sectoren via interventies samenwerken en zich richten op de aanpak van letsels in de settings wonen, kinderopvang, school, wijk, sport, vervoer en werk en dat door middel van diverse inspanningen op het gebied van veiligheid in het verkeer, op het werk en in de privésfeer verbindingen worden gelegd. Het gaat bijvoorbeeld om valpreventie in verzorgingshuizen, sportblessurepreventie of de veiligheid in en om scholen.

Artikel 42 Gezondheidszorg
42.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een goed werkend en innoverend zorgstelsel gericht op een optimale combinatie van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid voor de burger.

Belangrijkste beleidsonderwerpen in 2012

Belangrijkste beleidsonderwerpen in 2012

In dit artikel wordt het beleid inzake de curatieve zorg verwoord. Om de algemene doelstelling te realiseren zal ingezet worden op:

  • Het transparant maken van geleverde kwaliteit door zorgaanbieders (42.3.1);

  • Bevorderen dat de cliënt sneller en beter zijn recht kan halen (42.3.1);

  • De voorbereiding van het oprichten van een nationaal kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (42.3.2);

  • De invoering van prestatiebekostiging bij ziekenhuizen (42.3.2);

  • De versterking van de eerste lijn en zorg dichtbij huis (42.3.2);

  • Zorg belonen naar prestatie, onder andere door invoering van vrije tarieven apotheekhoudenden (42.3.3);

  • De versterking van de zorgprocessen zelfmanagement en e-health (42.3.2);

  • Het bevorderen van patiëntveiligheid en medicatieveiligheid (42.3.2);

  • Het versterken van de eerstelijns ggz (42.3.2).

Voor zover de invoering van het beleid additionele administratieve lasten met zich meebrengt, zal VWS bezien in hoeverre deze extra regeldruk zo beperkt mogelijk kan worden gehouden en zal tevens naar compensatie zoeken voor de extra administratieve lasten.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor:

  • Het scheppen van randvoorwaarden om de kwaliteit, de toegankelijkheid, de veiligheid en de betaalbaarheid van de curatieve zorg te waarborgen voor de burger.

Deze verantwoordelijkheid wordt onder andere ingevuld door:

  • Het versterken van de positie van de patiënt, zodat deze in staat is om zijn rol als zorgconsument te vervullen;

  • Het scheppen van randvoorwaarden om het innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen;

  • Een goed werkend stelsel, waarin zorgverzekeraars in staat worden gesteld een betaalbaar verzekerd pakket aan te bieden.

Externe factoren

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling van dit artikel hangt af van een goed samenspel van veel partijen: zorgprofessionals, cliënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders. Daarnaast spelen Europese wet- en regelgeving en internationale afspraken een rol.

Het kabinet stimuleert partijen deze rol in te vullen onder meer door het zorgstelsel te moderniseren, zodanig dat het prikkelt tot kwaliteitsverbetering, innovatie en doelmatigheid. Verder stimuleert het kabinet hen door het verspreiden van goede voorbeelden, het verrichten van onderzoek en het leveren van bijdragen (in middelen en door medewerking) aan projecten in de zorg. De prikkels en programma’s versterken elkaar.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Bij de algemene doelstelling ten aanzien van de curatieve zorg is in de begroting geen beleidsrelevante indicator opgenomen. Het is namelijk niet mogelijk om de werking van het gehele stelsel van curatieve zorg in Nederland in één of enkele indicatoren samen te vatten. Het stelsel is daarvoor te veelzijdig.

De prestaties van het stelsel worden gemonitord met de zorgbalans (zie hiervoor www.rivm.nl). De zorgbalans schetst aan de hand van ongeveer honderd indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Ook geven de volgende monitors inzicht in de werking van het gezondheidszorgstelsel: monitor cure (www.nza.nl; monitors en marktscans) en de marktscan zorgverzekeringsmarkt (jaarlijks, jaar 2010 zie Kamerstuk 29 689, nr. 360).

42.2 Budgettaire gevolgen van beleid
42.2.1 Begrotingsuitgaven
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

14 026 292

8 567 022

8 139 946

7 660 536

7 933 872

7 641 639

7 873 567

               

Uitgaven

13 899 056

8 627 389

8 163 594

7 669 169

7 936 097

7 641 639

7 873 567

               

42.1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

3 787

3 050

929

919

910

900

900

               

Subsidies

   

929

919

910

900

900

               

42.2 Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren

1 298 696

1 459 444

1 431 107

1 425 328

1 468 446

1 491 735

1 494 763

               

Subsidies

   

1 316 542

1 338 377

1 392 252

1 437 636

1 439 904

waarvan onder andere:

             

Opleidingen (fzo, pa/np, 1 e en 2 e tranche zorgopleidingen, huisartsenopleidingen)

   

1 142 594

1 210 059

1 271 322

1 319 637

1 324 173

Integrale kankercentra

   

30 700

30 700

30 700

30 700

30 700

Arbeidsmarktbeleid

   

25 112

13 026

13 312

13 110

13 111

ICT in de zorg en Innovatie

   

23 848

9 557

7 395

7 431

8 194

Nederlands Kanker Instituut

   

17 081

16 900

16 719

16 538

16 538

Subsidies beroepen en opleidingenstructuur

   

14 453

11 888

12 180

12 476

12 472

UMCG: Lifelines

   

9 500

6 100

4 600

2 802

0

Nederlandse Transplantatiestichting

   

4 894

4 813

4 732

4 650

4 650

Stichting Patiëntvertrouwenspersoon

   

4 675

4 604

4 532

4 461

4 461

Zwangerschap en geboorte

   

4 143

1 026

1 026

1 026

1 026

Stichting Pathologisch anatomisch landelijk geautomatiseerd archief (PALGA)

   

3 636

3 586

3 535

3 484

3 484

Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg

   

3 500

3 500

3 500

3 500

3 500

Patiëntveiligheid curatieve zorg

   

3 212

2 392

504

0

0

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

   

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

Nederlands Huisartsen Genootschap project NHGDOC

   

2 354

2 130

949

909

0

Anonieme e-mental health (meerjarig gereserveerd binnen premie)

   

2 000

2 000

0

0

0

Uitvoering Wet verplichte ggz

   

1 600

0

0

0

0

Frictiekosten Revalidatiezorg

   

1 500

1 000

1 100

0

0

Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

   

1 400

980

980

980

980

Nivel Landelijk Informatie Netwerk Eerstelijnszorg (LINEL)

   

1 341

529

0

0

0

Stichting Lareb

   

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

Nivel Monitor schade in ziekenhuizen

   

1 117

170

0

0

0

Capaciteitsorgaan

   

1 093

1 068

1 043

1 018

1 018

Familievertrouwenspersoon

   

1 080

0

0

0

0

               

Opdrachten

   

16 356

9 654

9 969

10 224

10 984

waarvan onder andere:

             

Arbeidsmarkt, beroepen en opleidingenstructuur

   

3 664

2 188

2 372

2 367

2 367

Campagne «Nederland zegt JA»

   

1 600

1 600

1 600

1 600

1 600

ICT in de zorg en Innovatie

   

1 349

697

345

350

427

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

61 043

39 831

28 759

10 759

10 759

Agentschap NL: innovatieprogramma

   

50 284

29 072

18 000

0

0

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register, SVB-Z, donorregister en Farmatec

   

10 759

10 759

10 759

10 759

10 759

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

37 166

37 466

37 466

33 116

33 116

CVZ: Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

   

32 616

32 616

32 616

32 616

32 616

ZonMw: Goed Geneesmiddelen Gebruik en Gezond Ouder Worden

   

3 300

4 350

4 350

0

0

ZonMw: Regieraad Kwaliteit van Zorg

   

1 250

500

500

500

500

               

42.3 Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket voor noodzakelijke zorg aan

12 596 573

7 117 239

6 687 049

6 195 579

6 416 354

6 095 371

6 325 571

               

Bekostiging

   

6 528 646

6 046 359

6 274 359

5 953 777

6 184 389

Rijksbijdrage 18-

   

2 379 000

2 455 400

2 545 900

2 672 300

2 685 000

Zorgtoeslag

   

4 149 646

3 590 959

3 728 459

3 281 477

3 499 389

               

Subsidies

             

waarvan onder andere:

   

15 105

13 223

10 663

10 623

10 623

Stichting DBC-Onderhoud

   

14 219

12 987

10 555

10 516

10 516

               

Opdrachten

   

35 053

32 703

30 702

30 646

30 646

waarvan onder andere:

             

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

   

31 000

30 000

28 000

28 000

28 000

Communicatie aanspraak zorgverzekering

   

945

744

786

768

768

Risicoverevening

   

1 578

1 359

1 407

1 387

1 387

Uitvoering stelsel

   

644

364

402

384

384

               

Bijdrage aan baten-lastendiensten

   

15 088

12 765

12 765

12 765

12 765

CJIB i.v.m. onverzekerden

   

810

810

810

810

810

CJIB i.v.m. wanbetalers

   

14 278

11 955

11 955

11 955

11 955

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

   

89 057

86 429

83 765

83 460

83 048

Beheerskosten zorg-ZBO's

   

83 345

81 094

78 430

78 125

77 713

SVB: onverzekerden

   

1 530

1 530

1 530

1 530

1 530

CVZ: onverzekerden

   

1 860

1 860

1 860

1 860

1 860

CVZ: wanbetalers

   

2 322

1 945

1 945

1 945

1 945

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

   

4 100

4 100

4 100

4 100

4 100

Bijdrage C2000 (BZK)

   

4 100

4 100

4 100

4 100

4 100

               

42.4 De burgers van Caribisch Nederland kunnen gebruik maken van voorzieningen voor zorg en welzijn

0

47 656

44 509

47 343

50 387

53 633

52 333

               

Bekostiging

   

39 909

42 743

45 787

49 033

47 733

Zorgkosten

   

35 537

38 371

41 415

44 661

43 361

Jeugdzorg

   

4 372

4 372

4 372

4 372

4 372

               

Subsidies en opdrachten

   

4 600

4 600

4 600

4 600

4 600

               

Ontvangsten

771 192

93 385

22 926

27 401

20 226

20 226

20 226

waarvan onder andere:

             

Ontvangsten wanbetalers

   

16 600

13 900

13 900

13 900

13 900

Budgetflexibiliteit

80% van de geraamde begrotingsuitgaven op artikel 42 betreft de uitgaven aan de Zorgtoeslag en de Rijksbijdrage voor verzekerden onder de 18 jaar.

16% van de geraamde begrotingsuitgaven op artikel 42 betreffen instellingssubsidies en projectsubsidies. Instellingssubsidies zijn op korte termijn niet alternatief aanwendbaar. Om deze middelen alternatief aanwendbaar te maken moeten deze subsidies conform de daarvoor geldende regelgeving worden afgebouwd. Deze middelen kunnen dus ook pas op termijn worden aangewend voor alternatieve doelen. Ten aanzien van projectsubsidies geldt dat het grootste deel daarvan op korte termijn is verleend en niet alternatief aanwendbaar. Op langere termijn zijn de uitgaven bestuurlijk gebonden. Om deze bestuurlijk gebonden posten alternatief aanwendbaar te maken dienen afspraken en toezeggingen te worden herzien.

2% van de geraamde begrotingsuitgaven op artikel 42 betreffen uitgaven aan ZBO’s en RWT’s. Het betreft hier uitgaven van taken waartoe de minister wettelijk gehouden is deze uit te voeren en deze zijn in die zin grotendeels juridisch verplicht. Alternatieve aanwending is daarom niet mogelijk.

1% van de geraamde begrotingsuitgaven wordt uitgegeven aan bijdragen aan baten-lastendiensten voor diverse uitvoeringstaken en aan opdrachtverleningen voor beleidsondersteunende activiteiten.

Ten behoeve van opdrachten is 1% van de begrotingsuitgaven op artikel 42 geraamd.

42.2.2 Premiegefinancierde zorguitgaven

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premiegefinancierde zorguitgaven op het terrein van de gezondheidszorg. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de eerste suppletoire begroting 2011 en de begroting 2012 verwerkt. Voor 2011 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2012 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voor zover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

42 Gezondheidszorg (bedragen x € 1 000 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Extramurale zorg

4 337,5

4 370,8

4 121,6

4 223,1

4 326,2

4 475,2

4 475,2

Huisartsenzorg

2 219,0

2 310,4

2 104,6

2 103,6

2 103,6

2 103,6

2 103,6

Tandheelkunde en tandheelkundige specialistische zorg

876,7

788,3

787,2

787,2

787,2

787,2

787,2

Paramedische hulp

730,9

725,5

640,3

640,8

641,0

641,0

641,0

Verloskunde en kraamzorg

456,8

491,7

501,7

506,8

507,6

508,3

508,3

Dieetadvisering

54,1

54,9

         

Extramurale zorg onverdeeld

   

87,8

184,7

286,8

435,1

435,1

               

Ziekenhuizen, medisch specialisten en overig curatief

19 191,3

19 273,0

19 660,8

20 222,9

20 770,5

21 457,2

21 438,4

Algemene en categorale ziekenhuizen

12 099,4

12 196,6

         

Academische ziekenhuizen

2 884,4

3 080,4

         

Academische component

647,0

681,2

689,9

702,4

715,8

739,4

739,4

Medisch specialisten

2 211,3

2 095,4

         

ZBC's

559,5

573,2

         

Overig curatieve zorg

629,7

648,4

245,7

252,6

260,9

271,3

271,3

Instellingen voor medisch specialistische zorg

   

16 704,0

17 122,0

17 550,0

17 989,0

17 961,0

Vrijgevestigde medisch specialisten

   

1 979,0

2 028,0

2 079,0

2 131,0

2 131,0

Ziekenhuizen, medisch specialisten en overig curatief onverdeeld

160,0

– 2,2

42,2

117,9

164,8

326,5

335,7

               

Ziekenvervoer

588,6

571,0

583,2

597,4

627,3

668,1

668,1

Ambulancevervoer

471,3

450,0

438,5

425,3

426,9

426,9

426,9

Overig ziekenvervoer

117,3

121,0

121,0

121,0

121,0

121,0

121,0

Ziekenvervoer onverdeeld

   

23,7

51,1

79,4

120,2

120,2

               

Genees- en hulpmiddelen

6 609,5

6 935,0

6 926,5

7 375,8

7 793,6

8 235,3

8 223,3

Farmaceutische hulp

5 215,2

5 459,8

5 391,4

5 772,3

6 117,1

6 482,5

6 470,5

Hulpmiddelen

1 394,3

1 475,2

1 535,1

1 603,5

1 676,5

1 752,8

1 752,8

               

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

3 897,1

4 094,7

3 826,6

3 961,8

4 095,5

4 244,5

4 193,0

Geneeskundige ggz door instellingen

3 545,2

3 654,5

3 328,0

3 340,9

3 341,8

3 341,8

3 341,8

Geneeskundige ggz door vrijgevestigden

351,9

357,5

263,1

262,8

262,8

262,8

262,8

Geneeskundige ggz onverdeeld

 

82,7

235,5

358,1

490,9

639,9

588,4

               

Overig

             

Multidisciplinaire zorgverlening

240,9

347,8

336,3

344,3

352,5

364,3

364,3

Grensoverschrijdende zorg

546,4

568,6

557,9

547,9

569,0

600,7

600,7

Beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw

5,6

5,8

         

Totaal

35 416,9

36 166,7

36 012,9

37 273,2

38 534,6

40 045,3

39 963,0

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

2,1%

– 0,4%

3,5%

3,4%

3,9%

– 0,2%

42.3 Operationele doelstellingen

Er zijn vier operationele doelstellingen op het gebied van de gezondheidszorg:

  • 1. De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt;

  • 2. Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren;

  • 3. Zorgverzekeraars bieden alle burgers een betaalbaar verzekerd pakket van noodzakelijke zorg aan;

  • 4. De burgers van Caribisch Nederland kunnen gebruik maken van voorzieningen voor zorg, jeugd en welzijn.

42.3.1 De positie van de burger in het zorgstelsel wordt versterkt

Motivering

Motivering

Door informatie over zorgaanbieders en zorgverzekeraars toegankelijk en vergelijkbaar te maken kan de cliënt bewuster kiezen. De zeggenschap van burgers/cliënten wordt op die manier vergroot. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars worden daardoor gestimuleerd zich te onderscheiden op kwaliteit en prijs. Het kabinet realiseert dit door instrumenten in te zetten die leiden tot:

  • Meer transparantie over de kwaliteit van de zorg;

  • Het verbeteren van de rechtspositie van burgers in het zorgstelsel.

Beleidsrelevante indicatoren en kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en kengetallen

In eerdere jaren werd voor de doelstelling «meer transparantie over de kwaliteit» het aantal aandoeningen, waarvan burgers op www.kiesbeter.nl kunnen zien welke kwaliteit ziekenhuizen bieden, vermeld. Deze indicator is niet meer opgenomen in de begroting, omdat de focus van het programma Zichtbare Zorg – waarbinnen indicatoren worden ontwikkeld en geïmplementeerd – meer wordt gelegd op kwaliteit dan op kwantiteit en daarmee op de daadwerkelijke informatieve waarde van indicatoren dan op de hoeveelheid indicatoren.

Instrumenten

Hieronder vallen activiteiten op het gebied van het programma Zichtbare Zorg, het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording, het waarborgen van de continuïteit van zorg, het beleid rond de schaalgrootte van zorginstellingen, de Wet cliëntenrechten zorg, de Beginselenwet zorginstellingen, geschilbeslechting en het beleid met betrekking tot patiëntenorganisaties. Dit betreft zorgbreed beleid. Zie 43.3.1 voor een toelichting op de instrumenten en de geraamde middelen.

42.3.2 Zorgaanbieders worden gestimuleerd om het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren

Motivering

Motivering

Om te zorgen dat de burger de zorg krijgt waar hij conform het verzekerde pakket recht op heeft, bevat het zorgstelsel prikkels die zorgaanbieders moeten aanzetten tot het leveren van een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg. Een kwalitatief hoogwaardige zorg is veilig en toegankelijk. Om het zorgaanbod ook op de langere termijn aan te laten sluiten op de behoefte van de burger en op de demografische en technologische ontwikkelingen, vindt het kabinet het beschikbaar krijgen van nieuwe- en het verbeteren van bestaande medische producten en processen via innovatie noodzakelijk. Daarnaast kan innovatie van zorg leiden tot een verbetering van de arbeidsproductiviteit, waardoor werknemers in de zorg meer tijd kunnen besteden aan de patiënt en zelf minder belast worden.

Hiervoor zet het kabinet in op:

  • De kwaliteit en veiligheid van het zorgaanbod;

  • De toegankelijkheid van het zorgaanbod;

  • De randvoorwaarden voor innovatie van de zorg.

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

Beleidsrelevante indicatoren en -kengetallen

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator (outcome)
 

2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

1. Percentage huisartsen dat de CQ1-index meet

Voorbereiding

Voorbereiding

Pilotjaar

>50%

2. Aantal verwijzingen van huisartsen naar de tweedelijn (per 1 000 patiënten)

200

(2009)

174

174

174

3. Aantal multidisciplinaire samenwerkingsverbanden in de eerstelijn

1 782

(2009)

1 800

1 870

4. Ontwikkeling ketenzorgindicatoren

Data2 beschikbaar op zorgniveau voor:

– diabetes mellitus

Data beschikbaar op zorgniveau voor:

– diabetes mellitus

– COPD

– cardiovasculair risicomanagement

Data beschikbaar op huisartspraktijk-niveau voor:

– diabetes mellitus

– COPD

– cardiovasculair risicomanagement

Data beschikbaar op huisartspraktijk-niveau voor:

– diabetes mellitus

– COPD

– cardiovasculair risicomanagement

5. Aantal vermijdbare incidenten in ziekenhuizen

30 000

(2 004)

15 000

15 000

15 000

6. Vermijdbare sterfte in ziekenhuizen (meting bij huidige stand technologie)

1 735

(2 004)

900

900

900

7. Percentage ambulances dat binnen 15 minuten ter plaatse is bij spoed/ levensbedreigende situaties

92%

(2 009)

≥ 95%

≥ 95%

≥ 95%

8. Percentage poliklinieken waar je binnen drie weken een afspraak hebt

74,3%

(2 009)

80%

80%

80%

9. Percentage ziekenhuizen dat de ICD-103 heeft ingevoerd bij de registratie van diagnosen

5%

30%

60%

100%

10. Uitgavengroei honoraria medisch specialisten exclusief loon- en prijsbijstelling

bestuurlijke afspraken

≤ 2,5%

≤ 2,5%

≤ 2,5%

11. Uitgavengroei ziekenhuizen exclusief loon- en prijsbijstelling

bestuurlijke afspraken

≤ 2,5%

≤ 2,5%

≤ 2,5%

12. Aantal transplantaties (exclusief transplantaties met levende donoren)

650

700

750

800

13. Percentage ggz-instellingen waar een familievertrouwenspersoon beschikbaar is

40%

60%

60%

60%

14. Percentage ggz-instellingen dat de CQ-index meet

       

– Ambulant

Verplicht 75%

Verplicht >90%

Verplicht >90%

Verplicht 100%

– Klinisch/langdurig

Facultatief

Verplicht >30%

Verplicht >60%

Verplicht >90%

15. Score ggz-instellingen op de indicator «bejegening patiënten»

       

– Ambulant

Stabilisatie gemiddelde

Stabilisatie gemiddelde

Stabilisatie gemiddelde

Stabilisatie gemiddelde

– Klinisch/langdurig

Facultatief

Verplicht/nulmeting

Verplicht/ stabilisatie

Verplicht/ stabilisatie

Bron

1. VWS

2. Nivel, Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH) (jaarlijkse meting). De streefwaarde is gebaseerd op een stabiel blijvend aantal verwijzingen naar de tweede lijn, ondanks de toenemende druk op de eerstelijnszorg.

3. NIVEL, Monitor Multidisciplinaire Samenwerking 2010.

4, 5 en 6. VWS

7. RIVM, Zorgbalans, (jaarlijkse meting).

8. RIVM, Zorgbalans.

9. VWS, NZA. Per 2014 wordt gebruik ICD-10 voor ziekenhuizen verplicht.

10 en 11. Op basis van bestuurlijke afspraken met en convenant tussen VWS, NVZ en Orde Medisch Specialisten.

12. Nederlandse Transplantatie Stichting, jaarlijkse meting. Doelstelling is 25% meer transplantaties in 2014 bij een gelijkblijvend potentieel (vergeleken met het gemiddelde van 2005–2007, 635 transplantaties).

13. Website landelijke Stichting Familievertrouwenspersoon (www.stichting-fvp.nl).

14 en 15. Eindrapportage kernset prestatie-indicatoren ggz, Zichtbare zorg.

X Noot
1

Consumer Quality Index. Dit is een gestandaardiseerde systematiek voor het meten van ervaringen van patiënten/consumenten met de zorg.

X Noot
2

Data betreffen data voorgaand verslagjaar.

X Noot
3

ICD-10 staat voor de 10e revisie van de International Classification of Diseases en Related Health Problems. Hiermee kunnen ziekenhuizen ziektebeelden en diagnoses van patiënten eenvoudig registreren.

Kengetal
 

2009

Geraamd 2012

Percentage burgers dat binnen 4 weken een afspraak heeft voor aanmelding bij een tweedelijns ggz-aanbieder

72%

80%

Bron

Rapport «Wachttijden in ggz-instellingen», GGZ Nederland in opdracht van VWS.

Instrumenten ten behoeve van kwaliteit en veiligheid van het zorgaanbod

Kwaliteitsinstituut voor de zorg

Zorg wordt soms onnodig verleend, is van wisselende kwaliteit of wordt op de verkeerde plaats gegeven. Vermijdbare kosten zijn hiermee gemoeid en de burger krijgt vaak niet de zorg die voor hem passend is. Er is weinig systematisch inzicht in gemeten kwaliteitverschillen en prikkels om partijen in de richting van goede kwaliteit en betere doelmatigheid te sturen zijn nog onvoldoende. Om dit op te lossen kunnen zorgaanbieders kwalitatief goede en doelmatige zorg in zorgstandaarden beschrijven. Deze zorgstandaarden beschrijven, vanuit patiëntperspectief, een samenhangend zorgproces voor de electieve, chronische en langdurige zorg. Van preventie tot nazorg. De zorgstandaarden zijn voorzien van indicatoren voor meting van variatie in indicaties en variatie in resultaten van behandeling.

Het in 2013 op te richten Kwaliteitsinstituut voor de zorg krijgt als taak zorgaanbieders deze zorgstandaarden te laten ontwikkelen (zie Kamerstuk 32 620, nr. 14). Het instituut krijgt doorzettingsmacht indien zorgstandaarden niet tijdig of onvolledig worden voorgelegd aan het instituut. Het instituut ontwikkelt een standaard, waarin de kwaliteitseisen vastliggen waaraan de zorgstandaarden worden getoetst. Het instituut zorgt dat voldoende prikkels om de zorgstandaard toe te passen worden aangebracht, door een relatie te leggen met prestatiebeschrijvingen en pakketbeheer. In 2012 wordt gestart met de voorbereidingen van het Kwaliteitsinstituut voor de zorg.

Regieraad Kwaliteit van Zorg

Zorg dient bij voorkeur via algemeen aanvaarde, zo mogelijk «evidence based» standaarden te worden verleend. Om onnodige variatie zoveel mogelijk te voorkomen heeft de Regieraad Kwaliteit van Zorg een agenderende, faciliterende en stimulerende rol bij het beschrijven van criteria voor kwalitatief goede, veilige en doelmatige zorg. De Regieraad ontwikkelt instrumenten en procedures om het veld te ondersteunen. De ondersteuning van de Regieraad is bij ZonMw ondergebracht (€ 1,2 miljoen). De bestaande taken en de positie van de Regieraad zullen vanaf 2013 worden ondergebracht in het Kwaliteitsinstituut voor de zorg.

Patiëntveiligheid

Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat ze goede en veilige zorg krijgen wanneer dat nodig is en zorg kunnen kiezen die het beste bij hen past. Daarvoor is inzicht in kwaliteit en veiligheid van zorgverleners noodzakelijk. Doelstelling is de kwaliteit en veiligheid van de zorg te verbeteren door het invoeren van veiligheidsprogramma's in alle ziekenhuizen, eerstelijnsorganisaties en curatieve ggz-instellingen. Deze programma’s focussen enerzijds op de implementatie van een veiligheidsmanagementsysteem en anderzijds op concrete acties voor risicovolle thema’s. Hiermee moet er een duidelijke reductie in vermijdbare schade en sterfte behaald worden. Voor de curatieve zorg is hier in 2012 bijna € 3,5 miljoen voor uitgetrokken.

Patiëntveiligheid/medicatieveiligheid

In de afgelopen jaren zijn diverse activiteiten in gang gezet om de medicatieveiligheid te verbeteren. In het najaar van 2011 zal de herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelgebruik (IPCI/Harm) worden uitgebracht en zullen de resultaten bekend worden van de reeds uitgevoerde activiteiten om de medicatieveiligheid te verbeteren. Aan de hand van deze uitkomsten zal nader worden bepaald welke activiteiten VWS nog kan ondersteunen/faciliteren om de medicatieveiligheid nog een stap verder te brengen. Uitgangspunt bij mogelijke activiteiten zijn de in de Harm Wrestling studie (Rapport expertgroep medicatieveiligheid 2009, www.rijksoverheid.nl) benoemde meest risicovolle geneesmiddelengroepen.

Aanpak problematiek vervalste medische producten

In 2012 en volgende jaren wordt de beleidsagenda vervalste medische producten, die in juli 2011 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstuk 29 477, nr. 172), uitgevoerd. De beleidsagenda heeft tot doel de handel in en het gebruik van vervalste medische producten te bemoeilijken en te voorkomen. Grotendeels zal het werk worden verzet door veldpartijen, maar er zijn ook activiteiten die door verschillende overheidsdiensten zullen worden opgepakt. In de beleidsagenda zelf is nader uitgewerkt wie wat zal doen. Het Ministerie van VWS zal in 2012 de nieuwe Europese regelgeving implementeren. Daarnaast wordt ingezet op het creëren van bewustwording, zowel bij het algemeen publiek als bij professionals in de keten. Nu ontbreekt nog te vaak het besef dat geneesmiddelen en medische hulpmiddelen vervalst kunnen zijn. Vooral in de medische hulpmiddelensector is nog weinig bekend over de omvang van de vervalsingenproblematiek. In 2012 zal daarom samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg een meldweek worden georganiseerd.

Geneesmiddelenbewaking

Geneesmiddelenbewaking houdt in het systematisch verzamelen van gegevens over bijwerkingen en het gebruik van geneesmiddelen, nadat die zijn toegelaten tot de markt. Dit is nodig om te kunnen vaststellen of de balans tussen werkzaamheid en veiligheid van een geneesmiddel in de praktijk positief is en blijft. Per 21 juli 2012 zullen de Verordening 1235/2010 en de Richtlijn 2010/84/EU in werking treden. Door deze nieuwe regelingen wordt de samenwerking tussen de EU-lidstaten op het terrein van de geneesmiddelenbewaking beter gestroomlijnd. De nieuwe regels zullen worden geïmplementeerd in de Nederlandse Geneesmiddelenwet.

Veiligere toepassing van medische technologie

In 2011 is het rapport «Medische Technologie at risk» verschenen dat in opdracht van VWS door de Expertgroep medische technologie is uitgebracht. Dit rapport wordt, voorzien van een standpunt en een actualisering van de stand van zaken met betrekking tot medische technologie, in het najaar van 2011 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het rapport toont aan dat de organisatie van de zorginstelling een cruciale rol speelt bij verdere verbetering van de toepassing van medische technologie (governance). Vanuit dit oogpunt zal verder worden gewerkt aan het verbeteren van de veilige toepassing van medische technologie door versterking van de governancerol binnen de zorginstellingen op dit terrein.

De eisen voor veiligheid, kwaliteit en functionaliteit, waaraan een medisch hulpmiddel moet voldoen voordat het op de markt mag komen, zijn vastgelegd in de Europese Richtlijnen voor Medische Hulpmiddelen. De Europese Commissie heeft aangekondigd dat zij in de eerste helft van 2012 een voorstel zal indienen om deze richtlijnen te wijzigen. Het kabinet wil de flexibiliteit en innovatievriendelijkheid van het huidige Europese systeem behouden en is daarom geen voorstander van meer gedetailleerde regels. Wel wil het kabinet aanscherping op enkele punten, zoals betere vastlegging en transparantie van klinische gegevens, betere afstemming tussen lidstaten over het toezicht en een betere afstemming tussen geneesmiddel- en medische hulpmiddelregelgeving met betere procedures voor producten waarvan niet op voorhand duidelijk is onder welk wettelijk regime ze vallen.

Zwangerschap en geboorte

In navolging van de adviezen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte (brief Zwangerschap en geboorte van 14 december 2010, Kamerstuk 32 279, nr. 10) is in 2011 al begonnen met fors in te zetten op een verbetering van de perinatale gezondheid in Nederland. Dat moet er mede toe leiden dat de bovengemiddelde babysterfte in ons land drastisch wordt teruggedrongen. Er zijn meerdere maatregelen ingezet. Er is een beroepsgroepoverstijgend en gezaghebbend College Perinatale Zorg opgericht. Dit college is in juni 2011 van start gegaan en gaat onder andere aan de slag met multidisciplinaire richtlijnen. Om de overdracht tussen de verloskundigen en gynaecologen te bevorderen is gestart in 2011 met het verder ontwikkelen van een digitaal perinataal dossier. Hiervan worden in 2012 de eerste resultaten verwacht. In maart 2011 is een twee jaar durende proef van de lokale aanpak van babysterfte met behulp van lokale overheden gestart. Voor het verbeteren van de samenwerking in de perinatale keten is de NZa gevraagd om in 2012 een advies uit te brengen over integrale bekostiging voor perinatale zorg. Een belangrijk onderdeel van de aanpak van de babysterfte is het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek via het vier jaar durende ZonMw programma «Zwangerschap en geboorte». Dit programma is in het voorjaar van 2011 van start gegaan met de eerste call en bestaat onder andere uit onderzoek door pilots naar het kinderwensconsult en extra echoscopie in het derde trimester van de zwangerschap. Ook wordt geïnvesteerd in het verbeteren van de voorlichting over gezond zwanger worden aan vooral groepen in achterstandssituaties door een algemene folder kinderwens (preconceptiezorg) die begin van 2011 beschikbaar is gekomen. Het RIVM is gevraagd om samen met beroepsgroepen en andere partijen een aantal vervolgactiviteiten in 2011 en 2012 uit te voeren ter ondersteuning van professionals. Van het veld wordt verwacht om serieus aan de slag te gaan met het doorvoeren van een kwaliteitsslag, bijvoorbeeld door het verplicht thuisbezoeken van de zwangere vrouw, het verbeteren van 7x24uurs bereikbaarheid van verloskundige zorg, het deelnemen aan regionale verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV’s), deelname aan de Perinatale Audit en Perinatale Registratie. In 2012 is voor de maatregelen zwangerschap en geboorte in totaal circa € 8 miljoen beschikbaar. (Deze middelen worden deels verantwoord onder artikel 41).

Stichting familievertrouwenspersoon

Op dit moment zijn in een aantal ggz-instellingen familievertrouwenspersonen werkzaam die familieleden en naasten voorzien in advies, bijstand en informatie over de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg. In 2010 is de landelijke Stichting Familievertrouwenspersoon opgericht die tot doel heeft om in iedere ggz-instelling een familievertrouwenspersoon beschikbaar te laten zijn. De familievertrouwenspersonen komen in dienst van de landelijke Stichting Familievertrouwenspersoon, waardoor de kwaliteit gewaarborgd is. Er is een landelijke helpdesk ingesteld. Voor de operationalisering van de landelijke Stichting Familievertrouwenspersoon is in 2012 een bedrag van circa € 1,1 miljoen beschikbaar.

Bevolkingsonderzoek Nemesis II

Sinds 1 januari 2007 vindt een onderzoek plaats onder de volwassen Nederlandse bevolking naar het ontstaan en het beloop van psychische stoornissen. Dit bevolkingsonderzoek bestaat uit drie verschillende meetmomenten, waardoor ontwikkelingen in de tijd kunnen worden gevolgd. In de periode 1 januari 2007 tot 1 januari 2010 heeft de eerste meting plaatsgevonden en nu vindt van 1 januari 2010 tot 1 januari 2013 de tweede meting plaats. Op basis van de data van de eerste en tweede meting worden jaarlijks twee achtergrondstudies uitgevoerd en gepubliceerd, die rechtstreeks van belang zijn voor de beleidsontwikkeling in de geestelijke gezondheidszorg. Voor de tweede meting is circa € 2,3 miljoen beschikbaar. Hierna is een derde meting noodzakelijk om het beloop en ontstaan van psychische stoornissen goed te kunnen meten en onderzoeken. De derde meting zal worden uitgevoerd in de periode 2013 tot 2016.

Instrumenten voor een toegankelijk zorgaanbod

Orgaandonatie

Het tekort aan donororganen vraagt om continuering van het huidige beleid dat is gebaseerd op de voorstellen uit het Masterplan Orgaandonatie (Kamerstuk 28 140, nr. 48). Hierbij staat centraal dat niemand zich meer afzijdig kan houden. De verbetervoorstellen uit het Masterplan hebben onder andere geleid tot de ontwikkeling van een voorlichtingscampagne, die in 2009 is gestart en ook in 2012 nog doorloopt. De campagne «Nederland zegt Ja» staat naast een aantal verbetervoorstellen voor donorwerving in ziekenhuizen. Op dit moment lopen er pilots rond deze verbetervoorstellen. Na evaluatie zullen de succesvol gebleken pilots in 2012 landelijk worden geïmplementeerd. De doelstelling blijft om in 2013 25% meer postmortale transplantaties te verrichten bij een gelijkblijvend donorpotentieel ten opzichte van het gemiddeld aantal (635) van 2005–2007.

Basiszorg dichtbij en toegankelijk

De zorgvraag groeit en het aantal chronische zieken neemt toe. Tegelijkertijd willen mensen zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen functioneren. Daartoe moeten zij ook in staat worden gesteld. Goed toegankelijke basiszorg, die zoveel mogelijk in de buurt geleverd wordt is daarvoor een belangrijke voorwaarde. Dat geldt ook voor de verbindingen die gelegd moeten worden tussen basiszorg dichtbij, maatschappelijke ondersteuning die vanuit de gemeente wordt geleverd en de langdurige zorg. Goed toegankelijke basiszorg is ook van belang om ervoor te zorgen dat niet onnodig gebruik wordt gemaakt van dure specialistische zorg.

Basiszorg is momenteel sterk in beweging. Een positieve trend is dat het aantal samenwerkingsverbanden de afgelopen vier jaar met circa 20% is toegenomen. Betere zorg en meer doelmatigheid is hierdoor mogelijk. De introductie van de integrale bekostiging voor drie chronische ziekten 6 in 2010 was een extra stimulans. De basiszorg is echter ook zeer divers georganiseerd. Zo is de mate waarin zorg afgestemd is op de behoeften van de regionale en lokale bevolking nog te vaak afhankelijk van initiatieven van individuele koplopers. Wil de basiszorg haar positie in het zorglandschap goed kunnen vervullen, dan is versterking en verbetering nodig.

Het Ministerie van VWS wil het volgende bereiken om de basiszorg nog beter te laten aansluiten op de behoeften van mensen:

  • Stimuleren eigen regie en verantwoordelijkheid van zorgvragers;

  • Het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de basiszorg;

  • Stimuleren van de totstandkoming van samenhangende zorg, met afstemming tussen zorgaanbieders, verzekeraars en gemeenten;

  • Het substitueren van relatief eenvoudige, niet complexe zorg van het ziekenhuis naar de buurt.

In het najaar van 2011 zal de brief «Basiszorg dichtbij en toegankelijk» naar de Tweede Kamer worden gestuurd. De maatregelen in de brief zullen onder andere betrekking hebben op bekostiging van de basiszorg. Er zal veel aandacht zijn voor de samenwerking van de partijen die bij de inrichting van betere basiszorg zijn betrokken: in de eerste plaats de zorgverleners, zorgverzekeraars en gemeenten. Zorgverzekeraars spelen via hun inkoopbeleid een cruciale rol bij de organisatie van de zorg. Ook zal een beroep worden gedaan op de burger, die een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn gezondheid en de zorg die hij daarbij zoekt.

Basiszorg geestelijke gezondheidszorg

Ongeveer 30% van de mensen met lichte psychische klachten wordt behandeld in de duurdere tweedelijns geestelijke gezondheidszorg. Voorstel is om de bekostiging van de eerstelijn zodanig in te richten dat meer mensen in de eerstelijns geestelijke gezondheidszorg behandeld kunnen worden in plaats van in de tweedelijn. Het is daarbij belangrijk preventie, vroegsignalering en het aanbieden van e-health en kortdurende face-to-face behandelingen te stimuleren en ervoor te zorgen dat binnen de eerstelijn en tussen de eerste en de tweedelijn goed wordt samengewerkt. Dit voorkomt het ontstaan van zwaardere en langdurige psychische problematiek.

De NZa is om advies gevraagd om een model te ontwikkelen dat de geestelijke gezondheidszorg in de eerstelijn helpt te versterken. Eind 2011 wordt dit advies door de NZa opgeleverd. De Tweede Kamer wordt hierover begin 2012 geïnformeerd.

Eerstelijns diagnostiek

Adequate diagnostiek dicht bij huis voorkomt onnodige verwijzingen, onnodige diagnostiek en onnodige behandelingen die daaruit voort kunnen vloeien in de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Met eerstelijns diagnostiek wordt bedoeld: het maken van echo’s, ECG’s, MRI’s, fundusfoto’s (oogonderzoek) of bloedonderzoek ten behoeve van aanvragen van eerstelijnszorgverleners, zoals de huisarts. Het beleid is erop gericht de diagnostiek in de eerstelijn te versterken. De serviceverlening aan de patiënt wordt hiermee verbeterd door snelle adequate diagnostiek dicht bij huis te laten plaatsvinden volgens het «one-stop shop concept». Deze versterking kan onnodige diagnostiek en dure behandelingen (praktijkvariatie) in de tweedelijn voorkomen. Op dit moment is er een aantal verkeerde prikkels in het systeem, waardoor zorgverzekeraars geen of nauwelijks actief inkoopbeleid ten aanzien van diagnostiek voeren.

De NZa is om advies gevraagd om een model te ontwikkelen dat de diagnostiek in de eerstelijn helpt te versterken. Eind 2011 wordt dit advies door de NZa opgeleverd. De Tweede Kamer wordt hierover begin 2012 geïnformeerd.

Suïcidepreventie

De Stichting 113online ontvangt een subsidie van het Ministerie van VWS. De Stichting 113online voorziet in online- en telefonische hulpverlening aan personen met suïcidale klachten. De hulpverlening vindt voornamelijk plaats op basis van anonimiteit. Adequate hulpverlening aan mensen met suïcidale klachten past in het huidige suïcidepreventiebeleid. VWS heeft de inspanningsverplichting op zich genomen om het aantal suïcides met vijf procent per jaar te verminderen. De hulpverlening aan mensen met suïcidale klachten, levert hieraan een substantiële bijdrage.

Anonieme e-mental health

Voor anonieme e-mental health is maximaal € 2 miljoen per jaar beschikbaar. Ten tijde van het opstellen van de teksten voor de begroting wordt nog onderzocht op welke wijze dit bedrag zal worden ingezet voor anonieme e-mental health. Deze inzet zal tijdelijk zijn in afwachting van de komst van een structurele (financieel begrensde) oplossing voor de financiering van anonieme e-mental health.

Opleidingen en taakherschikking

Met het Opleidingsfonds wordt de bekostiging van onder meer de opleidingen tot huisarts (circa € 150 miljoen), tot medisch specialist en een aantal andere zorgberoepen (circa € 852 miljoen) geregeld.

Doel van het Opleidingsfonds is zorg te dragen voor een ruim voldoende aanbod aan beroepsbeoefenaren teneinde de zorg goed te laten functioneren. Om de gewenste capaciteit te bereiken wordt gestuurd op instroom.

Kengetal
 

2008

2009

2010

2011

2012

1. Aantal personen dat instroomt in het eerste jaar van de huisartsenopleiding

538

582

588

618

720

2. Aantal personen dat instroomt in het eerste jaar van de opleiding tot medisch specialist

950

1 059

1 057

1 209

1 450

Bron

1. SBOH /MSRC, Capaciteitsorgaan. De cijfers tot en met 2010 hebben betrekking op de gerealiseerde instroom, de cijfers 2011 en 2012 zijn de streefwaarden voor de toegestane instroomcapaciteit.

2. SBOH /MSRC, Capaciteitsorgaan. De cijfers tot en met 2010 hebben betrekking op het aantal personen dat is ingestroomd in het eerste jaar van de opleidingen vallend onder de subsidieregeling zorgopleidingen eerste tranche (zijnde de erkende medisch specialismen, inclusief de erkende bètaberoepen en tandzorg specialismen, maar exclusief psychiatrie). De cijfers 2011 en 2012 zijn de streefwaarden ten aanzien van de toegestane instroomcapaciteit. Vanaf 2012 vallen psychiatrie en SEH (spoedeisendehulparts) onder de 1e tranche. Het betreft respectievelijk 172 en 59 instroomplaatsen.

De juiste zorgverlener op de juiste plaats. Bij taakherschikking gaat het er om dat zo optimaal mogelijk gebruik wordt gemaakt van (nieuwe) beroepen, zoals de verpleegkundig specialist, om te voldoen aan de (toenemende) zorgvraag. Op deze wijze wordt op een efficiënte en effectieve wijze gebruik gemaakt van alle talenten in de gezondheidszorg.

In samenwerking met de ziekenhuissector is het Fonds Ziekenhuisopleidingen opgericht. Dit fonds (circa € 117 miljoen) is bedoeld om buiten de reguliere ziekenhuisbekostiging om opleidingen van gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel apart te bekostigen. Aanleiding daarvoor zijn (dreigende) arbeidsmarkttekorten bij deze functies.

Arbeidsmarktbeleid

Ook in de komende jaren zal de zorgvraag en daarmee de vraag naar personeel groeien terwijl de beroepsbevolking in 2012 slechts beperkt groeit. Hiermee wordt de arbeidsmarktproblematiek urgenter en is het voeren van een gedegen arbeidsmarktbeleid des te belangrijker. Met een gedegen arbeidsmarktbeleid kan ervoor gezorgd worden dat er nu en in de toekomst voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel beschikbaar komt en blijft. De primaire verantwoordelijkheid voor het arbeidsmarktbeleid in de zorgsector ligt bij de zorginstellingen en sociale partners. De overheid heeft hierin een ondersteunende rol. Vanuit deze verantwoordelijkheidsverdeling heeft het kabinet vier speerpunten om de instroom en het behoud van zorgverleners te bevorderen:

  • Investeren in de zorg;

  • Zorg voor opleidingen;

  • @nders werken;

  • Bescherming van zorgverleners.

Om de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel te waarborgen is de zorg voor opleidingen van belang. Het Opleidingsfonds, het Stagefonds (zie 43.3.3) en het Fonds Ziekenhuisopleidingen zijn waardevolle instrumenten om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. Deze instrumenten zullen daarom ook de komende periode worden ingezet. Het kabinet blijft ook de zij-instroom van 30-plussers uit mbo-opleidingen in de zorg stimuleren.

Als we in de zorg op dezelfde wijze blijven werken als nu, dreigen er arbeidsmarkttekorten te ontstaan die niet opgevuld kunnen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van verschillende regio’s door het voeren van regionaal arbeidsmarktbeleid. Het is van belang dat zorgverleners blijven investeren in nieuwe zorgconcepten en taakherschikking. Hierdoor is het mogelijk de kwaliteit van de zorg in de toekomst te waarborgen en nemen de carrièremogelijkheden toe. Dit maakt het vak aantrekkelijker en beperkt de uitstroom. Ook zijn meer waardering voor medewerkers en minder verantwoordingslasten van belang om de zorg beter, efficiënter en aantrekkelijker te maken.

Agressie en geweld zijn niet te tolereren, ook niet in de zorg. Het belemmert zorgverleners in het uitvoeren van hun taak, waardoor het recht op gezondheids- en geestelijke zorg in de knel komt. Gelet op hun bijzondere taak verdienen zorgverleners daarom extra bescherming en steun. Aan de vermindering van agressie en geweld wordt dan ook een extra impuls gegeven, aanvullend op het programma Veilige Publieke Taak (VPT) van het Ministerie van BZK.

Kengetal
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

1. Werkgelegenheidsontwikkeling Zorg en Welzijn

2,70%

2,00%

3,80%

3,50%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

14

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240 000

251 000

260 000

268 000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

4,30%

4,00%

4,10%

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

Bron

1. CBS

2. CBS en CFI/DUO, bewerking Panteia/SEOR/Etil

3. CBS (gemiddelde is hier niet 2003–2007, maar 2005–2007). Het gegeven 2010 is afkomstig van Panteia/SEOR/Etil.

4. Koppeling werknemersenquêtes Prismant met SSB (CBS). Er is nog geen informatie over 2010 bekend.

5. Vernet, bewerking Panteia/SEOR/Etil.

Bovenstaande tabel laat een relatief gunstige ontwikkeling van de arbeidsmarktsituatie voor de zorg zien. Mede door de financiële crisis is het relatief eenvoudig voor zorginstellingen om personeel te vinden. Dit is terug te zien in de hoge werkgelegenheidsgroei en de daling van de vacaturegraad. Daarnaast is het positief dat meer mbo- en hbo-studenten kiezen voor een opleiding in de zorg en welzijn sector. Het netto verloop laat zien dat zorginstellingen goed in staat zijn om hun personeel te behouden voor de zorg. Het ziekteverzuim is sinds 2003 gedaald van 6,1% naar 4,8% in 2010, waarmee het nog maar 0,5% boven het Nederlands gemiddelde ligt. Rekening houdend met de inherente gezondheidsrisico’s van het werk in de zorg is 4,8% een redelijk laag percentage.

Doelmatigheidsmaatregelen

Stringent pakketbeheer en lage ziektelast

Pakketbeheer beoogt een bijdrage te leveren aan de financiële houdbaarheid van de zorg. Daarom kiest het kabinet voor stringenter pakketbeheer. Zorg die niet bewezen effectief is dient uit het verzekerde pakket van de Zvw te worden verwijderd en mag dan ook niet langer ten laste van de Zvw worden gebracht. Ook moet er ruimte zijn voor innovaties die van belang zijn voor de vernieuwing van de zorg en die bijdragen aan die houdbaarheid. In 2012 wordt hiermee een eerste stap gezet. Een aantal aandoeningen, waarvoor langdurige fysiotherapie niet effectief is, wordt van de chronische lijkst voor fysiotherapie geschrapt.

Het Regeerakkoord gaat er vanuit dat met behulp van stringent pakketbeheer de uitgaven worden beperkt met € 30 miljoen in 2012; € 40 miljoen in 2013; € 50 miljoen in 2014 en vanaf 2014 structureel € 70 miljoen.

Het CVZ is op 7 maart 2011 verzocht in te gaan op de wijze waarop de systematiek van stringent pakketbeheer kan worden verbeterd. Aan het CVZ is gevraagd om zijn uitvoeringstoets voor 1 november 2011 uit te brengen. Daarin zal worden ingegaan op vragen uit het Regeerakkoord die moeten leiden tot een meer expliciete besluitvorming, de toepassing van het kosteneffectiviteitcriterium, het voorschrijven van toestemming als de zorgaanbieder afwijkt van de richtlijnen, evenals uitvoerbaarheid. Aansluitend is een snelle reactie gewenst, zodat het CVZ hiermee rekening kan houden bij de voorbereiding van het pakketadvies dat in het voorjaar 2012 wordt uitgebracht.

Voor de komende jaren is het de bedoeling dat het CVZ jaarlijks in zijn uit te brengen pakketadvies voorstellen doet die de gewenste besparing opbrengen.

Daarnaast is het de bedoeling van het kabinet om de behandeling van aandoeningen met een lage ziektelast uit het basispakket te halen. Ook hier gaat het om de uitwerking van één van de maatregelen uit het Regeerakkoord. Het CVZ is gevraagd uiterlijk in januari 2012 een uitvoeringstoets uit te brengen. In het jaar 2015 moet deze maatregel leiden tot een structurele beperking van het pakket van € 1,3 miljard. Het kabinet is voornemens om in maart 2012 een plan van aanpak aan de Tweede Kamer toe te zenden. Met de motie Van der Veen (Kamerstuk 32 500, nr. 28) is daar om verzocht.

Stepped care en zorgstandaarden

Stepped care 7en zorgstandaarden zijn beide instrumenten om te komen tot meer doelmatigheid en tot meer gepast gebruik in de zorg. In het voorbije jaar is de aandacht voor doelmatig handelen in de zorgsector sterk toegenomen. Terugdringing van praktijkvariatie, richtlijn conform handelen, selectief inkopen van zorg op basis van minimale productie cijfers en verscherping van het rechtmatigheidtoezicht zijn andere voorbeelden die moeten leiden tot meer gepast gebruik. Om de potentiële doelmatigheidswinsten daadwerkelijk te realiseren is medewerking van de sector noodzakelijk en onvermijdelijk.

Op 20 juni 2011 hebben acht partijen tezamen een intentieverklaring gepubliceerd waarin zij stellen mogelijkheden te zien voor meer gepast gebruik in de zorg en zeggen toe zich gezamenlijk te zullen inspannen om die doelmatigheidswinsten ook daadwerkelijk te realiseren. Deze partijen zijn: DBC-Onderhoud, CVZ, KNMG, NPCF, NZa, Regieraad, ZN en ZonMw. Sinds 2010 hebben de partijen mogelijke doelmatigheidsprojecten verkend en dat heeft concrete projecten opgeleverd waarmee de partijen voortgaan, zoals een registratiesysteem voor en praktijkvariatie bij amandelknippen. De uitwerking van de deelprojecten zal in de komende periode plaatsvinden.

Instrumenten voor innovatie

ICT en Innovatie

In het realiseren van optimale randvoorwaarden voor zorginnovatie en e-health 8 zal worden samengewerkt met het CVZ, de NZa en ZonMw. Voor bredere toepassing van de mogelijkheden van e-health en adequate informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieders is het belangrijk de ontwikkeling en toepassing van uniforme standaarden in de zorg te bevorderen. Hiertoe wordt een opdracht verstrekt aan Nictiz. Om de positie van de patiënt te versterken en de privacy en beveiliging te borgen zal wet- en regelgeving worden aangevuld op basis van een juridische analyse. Met de Sectorale Berichten Voorziening in