32 336 Dierproeven

Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 december 2011

In het Algemeen Overleg (AO) dierproeven van 8 december j.l. heb ik u antwoord toegezegd op een aantal vragen waarover tijdens het AO gesproken is. Daarnaast geef ik in deze brief ook antwoord op eerder door u gestelde vragen. Ten slotte bied ik hierbij de aanbiedingsbrief en het «Actieplan dierproeven en alternatieven» aan (bijlage 1 en 2). Deze vervangen de eerdere documenten. Dit aangezien de eerder verzonden versie een bijstelling behoefde.

Openheid van commerciële instellingen

Tijdens het AO stelde u de vraag over openheid betreffende proefdiergebruik door commerciële instellingen.

Met het publiceren van de jaarrapportage van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) «Zo Doende» over proefdieren en dierproeven beoog ik een overzicht van de verrichte dierproeven in algemene zin te geven. Ook de dierproeven en proefdieren van de commerciële instellingen zijn hierin opgenomen. Het is niet de bedoeling om tot een bedrijf herleidbare informatie te verstrekken.

De herkomstgegevens en fokgegevens van professionele proefdierfokkers zijn niet opgenomen omdat deze dieren in dat geval dubbel geteld zouden worden: hetzelfde dier wordt dan in de tabel onder de herkomst bij de fokker als onder de herkomst bij de vergunninghouder geteld. In mijn eerder brief (VGP/3088071) gaf ik verder aan dat in de rest van Europa niets wordt geregistreerd over dieren in voorraad; er is sprake van onevenredige benadeling als de handelsgegevens van de enige fokker in Nederland gepubliceerd worden en de gegevens van concurrerende fokkers over de grens niet.

De Europese richtlijn 2010/63/EU betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doelen worden gebruikt, maakt aanpassing van de Wet op de dierproeven noodzakelijk. Deze ziet ook toe op meer openheid in de Europese Unie. Zo schrijft de richtlijn voor dat een niet-technische samenvatting van projecten met een vergunning openbaar gemaakt moet worden. Hierin worden de doelstelling van het onderzoek, de diersoort en het aantal dieren vermeld. Het wetsvoorstel stuur ik begin 2012 aan de Ministerraad.

De inzet van apen door het Ministerie van Defensie

Tijdens het AO vroeg u mij naar het beleid van het Ministerie van Defensie m.b.t. apen. Op dit moment vinden geen proeven plaats en zijn er ook geen plannen om dit te gaan doen. Echter, Defensie wil het doen van proeven in de toekomst niet geheel uitsluiten, als daar bijzondere aanleiding toe bestaat.

Mijn antwoord is tot stand gekomen na overleg met de Minister van Defensie.

Ambassadeur alternatieven voor dierproeven

Tijdens het AO werd voorgesteld een ambassadeur Alternatieven voor dierproeven aan te stellen. Ik vind dit een interessant idee en zal het onderzoeken. In het voorjaar van 2012 kom ik hierover bij u terug.

Het meten van resultaten

Tijdens het AO benadrukte u het belang van inzicht in resultaten die geboekt worden met de uitvoering van de activiteiten in het «Actieplan dierproeven en alternatieven». Ik deel uw mening hierover. Tijdens het AO gaf ik aan dat ik monitoring, gezien de beperkte beïnvloedingsmogelijkheden op de reductie en de beperkte beschikbare middelen, als bijzonder complex beschouw. Ik zal daarom onderzoeken welke mogelijkheden er zijn waarmee toch inzicht in resultaten gegeven zou kunnen worden. Daartoe zal ik de Centrale Commissie Dierproeven om advies vragen. In het voorjaar van 2012 kom ik hierover bij u terug.

Reactie op brief van Merck n.a.v. AO dierproeven op 26 april 2011

Tijdens het AO van 26 april 2011 ben ik gevraagd in overleg te treden met initiatiefnemers uit het veld voor alternatieven voor dierproeven. Daarbij werd ook het initiatief opgestart vanuit MSD over «realisatie datasharing en publicatie van negatieve data» genoemd (Tweede Kamer 2011Z09897/2011D28900).

Naast de brede betrokkenheid van het veld bij het opstellen van het «Actieplan dierproeven en alternatieven» heb ik geen overleg met individuele initiatiefnemers. Hiervoor lopen programma’s bij onderzoeksinstituten. Ik ken het voorstel van Merck wel inhoudelijk. Het voorstel sluit op hoofdlijnen aan bij mijn visie en de invulling van het programma «Meer Kennis met Minder Dieren» van ZonMw.

Overigens is het voorstel van MSD in augustus 2011 ingediend in het NWO-programma «Investeringen Middelgroot», dat medisch onderzoek betreft. Begin januari 2012 wordt duidelijk welke voorstellen voor honorering in aanmerking zijn gekomen.

De verplichte artikel 9 cursus bij biomedische opleidingen

De artikel 9 cursus is opgezet voor mensen die dierexperimenteel onderzoek gaan uitvoeren. Deze cursus Proefdierkunde is verplicht voor iedere onderzoeker die dierexperimenten opzet of uitvoert. Studenten die nog geen cursus hebben afgerond mogen alleen onder toezicht van een artikel 9 functionaris werken.

Een onderzoeker kan een beroep doen op het zogenaamde generaal pardon, dat al dan niet wordt verleend door de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit. Er moet wel aangetoond kunnen worden dat de betrokkene zich al voor 2 juli 1985 met dierproeven bezighield.

Enkele universiteiten hebben de artikel 9 cursus structureel ingebed in het kerncurriculum. Dit gebeurt vanuit de ratio dat bijvoorbeeld dierenartsen en artsen, ook als zij zelf geen dierexperimenten uitvoeren, toch veel te maken krijgen met de producten van dierexperimenten. Zij zullen daarom de kwaliteit van dierexperimenteel onderzoek moeten kunnen beoordelen, op basis van een gereflecteerde ethische afweging.

Het invullen van deze curricula valt onder de verantwoordelijkheid van de universiteiten.

Mijn antwoord is tot stand gekomen na overleg met het Ministerie van OCW.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. I. Schippers

Naar boven