Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 39, pagina 3762-3764

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 9 december 2009 over maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik dien twee moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer heeft uitgesproken dat aan bedrijven die door de overheid gesteund worden, dient te worden gevraagd om inzichtelijk te maken dat zij niet betrokken zijn bij het schenden van alle vier de fundamentele arbeidsrechten in relatie tot hun toeleveranciers;

constaterende dat de regering bij de uitvoering van deze motie, zich beperkt tot een informatieverplichting over slechts twee van de vier arbeidsrechten, te weten kinderarbeid en dwangarbeid, omdat op die vlakken door veel landen de ILO-normen zijn geratificeerd en er wetgeving is;

constaterende dat de regering meent dat er van wetgeving niet altijd sprake is als het gaat om de andere twee arbeidsrechten, te weten de vrijheid van vakvereniging c.q. collectief onderhandelen en non-discriminatie;

overwegende dat er in een substantieel aantal landen evenwel wel sprake is van wetgeving die de uitoefening van een of beide van deze twee andere arbeidsrechten mogelijk maakt;

van mening dat het kunnen uitoefenen van deze laatste twee arbeidsrechten van wezenlijk belang is voor de opbouw van arbeids- en mensenrechten in het algemeen;

verzoekt de regering:

  • - het Nederlandse bedrijfsleven te ondersteunen bij het bepalen of er sprake is van wetgeving die de uitoefening van een of beide van deze twee andere arbeidsrechten mogelijk maakt in de landen van hun toeleveranciers;

  • - bij toegang tot het buitenlandinstrumentarium de verplichting om inzichtelijk te maken dat hun toeleveranciers niet betrokken zijn bij het schenden van de fundamentele arbeidsrechten ook voor een of beide andere arbeidsrechten te laten gelden, voor zover er geen strijdigheid is met de wet in het land waar de toeleveranciers actief zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76(26485).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat richtlijn 400 van de Raad voor de Jaarverslaggeving expliciet stelt dat alle stakeholders informatie omtrent maatschappelijke aspecten kunnen eisen;

overwegende dat onder stakeholders ook ngo's kunnen vallen;

van mening dat een toelichting over de maatschappelijke aspecten van de onderneming een noodzakelijke stap is in het vormgeven van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

verzoekt de regering, nader uiteen te zetten hoe niet-gouvernementele organisaties met een beroep op de richtlijn 400 van de Raad voor de Jaarverslaggeving informatie kunnen opvragen van de onderneming aangaande de maatschappelijke aspecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77(26485).

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Nee, het is kerstregime. De kern daarvan is dat u gewoon begrijpt wat er wordt bedoeld. Dat doet u ook wel, want ik begrijp het ook. Wat wilt u dan vragen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik zou graag willen weten wat de consequentie is van wat wordt voorgesteld in de eerste motie, vergeleken met de huidige situatie.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De staatssecretaris heeft expliciet aangegeven dat er een motie ligt waarin wordt gevraagd om het niet schenden van vier arbeidsrechten. Twee van die arbeidsrechten kunnen niet worden nageleefd door bedrijven omdat dat in een aantal landen niet mag, niet kan of verboden is. Daarom stel ik voor om het alleen te doen voor de landen waarvoor dat expliciet verboden is.

De voorzitter:

Dank u wel. Dit moet voldoende zijn voor de heer Jan Jacob van Dijk, maar hij is het er niet mee eens. Dat kan gebeuren.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik mag hier het woord voeren namens mijn collega Ortega-Martijn. Zelf heb ik niet bij deze, ongetwijfeld boeiende, commissievergadering mogen zijn. Namens mevrouw Ortega-Martijn dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet in zijn reactie op de motie-Voordewind c.s. (31263, nr. 16) en de motie-Ortega-Martijn c.s. (31700, nr. 38) een belangrijke stap zet in het stellen van sociale eisen aan overheidssteun;

overwegende dat het kabinet in eerste instantie eisen stelt aan het financieel buitenlandinstrumentarium en dat de motie-Voordewind c.s. en de motie-Ortega-Martijn c.s. zich richten op alle vormen van overheidssteun;

van mening dat de overheid zich in aansluiting op het duurzaam inkoopbeleid op termijn ook zou moeten richten op naleving van basale mensenrechten en milieubescherming als voorwaarden voor overheidssteun;

van mening dat bedrijven enige tijd moet worden gegund om in hun productieketen naleving van arbeidsrechten, mensenrechten en milieunormen te implementeren;

van mening dat per geval moet worden bekeken in hoeverre de toeleveringsketen te beïnvloeden is en dat daarbij mede de criteria frequentie, intensiteit en kenbaarheid tot uitgangspunt genomen moeten worden;

verzoekt de regering:

  • - een plan van aanpak te presenteren met een tijdpad waarin wordt aangegeven wanneer bij andere vormen van overheidssteun uitsluiting van kinder- en dwangarbeid wordt geëist van bedrijven, inclusief van ondernemingen waar de Nederlandse Staat in deelneemt;

  • - op termijn te eisen van bedrijven die overheidssteun ontvangen dat zij hun beleid en de naleving hiervan met betrekking tot alle fundamentele arbeidsnormen en, in aansluiting op het duurzaam inkoopbeleid, mensenrechten en internationale milieunormen openbaar maken, tenzij het bedrijf is aangesloten bij een erkend multistakeholder-keteninitiatief;

  • - hierbij, indien mogelijk, verder te kijken dan de eerste wezenlijke toeleverancier,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Anker, Ortega-Martijn, Kalma, Gesthuizen en Vendrik.

Zij krijgt nr. 78(26485).

De heer Kalma (PvdA):

Voorzitter. Ik dien een motie in over het realiseren van een duurzaamheidsagenda met de financiële sector.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tien Nederlandse banken op 26 november jongstleden een gezamenlijke verklaring hebben ondertekend waarin zij pleiten voor het invoeren van een langjarig wettelijk systeem dat alle marktspelers vertrouwen geeft om fors te investeren in duurzame energieprojecten;

overwegende dat banken een spilfunctie kunnen bekleden bij het realiseren van de ambities van de regering met betrekking tot duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

overwegende dat ook pensioenfondsen door middel van hun investerings- en beleggingsbeleid een grote bijdrage kunnen leveren aan het verwezenlijken van deze ambities;

verzoekt de regering om met de Nederlandse banken en pensioenfondsen voor de zomer van 2010 tot een gemeenschappelijke agenda te komen over de rol van de financiële sector bij het realiseren van een duurzame energievoorziening en van mvo in bredere zin,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kalma, Ortega-Martijn en Jan Jacob van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79(26485).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Heemskerk:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de ingediende moties. Ze zijn wel erg lang. Het vraagt nogal wat om ze allemaal in één keer te verwerken als je ze zo ingediend krijgt, maar laat ik toch mijn best doen.

In haar motie vraagt het lid Gesthuizen de overheid bedrijven te ondersteunen ten aanzien van wetgeving. Dat doen we al en dat blijven we doen, namelijk via de EVD. Het tweede deel van de motie vraagt ons extra dingen te doen op het terrein van het buitenlandinstrumentarium. Daar vraagt de heer Anker ook om in zijn motie. Ik heb er begrip voor dat kleine fracties niet overal bij aanwezig kunnen zijn. Mevrouw Ortega was bijvoorbeeld helaas niet aanwezig bij het overleg over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik kan me dan ook voorstellen dat er sprake is van een misverstand. Als de voorzitter het mij toestaat, zal ik proberen daar kort op te reageren.

Iedereen in deze Kamer onderschrijft het belang van de vier ILO-normen, inclusief het tegengaan van discriminatie en het recht op vrije vakbonden. Helaas is dat in een aantal landen nog niet overal gerealiseerd. Dat komt bijna altijd doordat de overheden daar hun zaken niet op orde hebben. Dat is dan ook het primaire kanaal om invloed uit te oefenen: van overheid tot overheid. Bedrijven zijn geen politieke partijen, maar zij opereren natuurlijk wel in een maatschappelijke omgeving. Ook bedrijven hebben een inspanningsverplichting, aan de Nederlandse inkoopkant en bij het buitenlandinstrumentarium, om zich te verbinden aan die vier ILO-normen. Dat gebeurt via de OESO-richtlijnen. De SER is dat aan het intensiveren en de rapportage daarover zijn wij ook verder aan het intensiveren. Ik denk dat wij goed moeten kijken wat wij bedrijven opdragen en wat de taak van de staten is. Dat is echt een groot verschil.

Er begint onrust te ontstaan, gezien ook de brandbrief die de heer Wientjes van VNO-NCW heeft gestuurd. Hij roept de Kamer nu op tot een boycot. Het zou immers niet goed zijn voor die landen. Ik weet zeker dat Nederlandse bedrijven bijna altijd betere werkgevers zijn dan bedrijven uit andere landen, in de meest brede zin van het woord. Wij hebben daarover een debat gevoerd en daarover stuur ik nog een voortgangsrapportage. Ik heb ook gezegd dat de bedrijven voor alle vier de ILO-normen een inspanningsverplichting hebben en dat wij die op twee specifieke punten hebben aangescherpt, namelijk op het punt van kinderarbeid en op het punt van dwangarbeid bij de eerste toeleverancier. Dan heb je daar nog beter grip op.

Ik vind dat de Kamer dit alles nu doorkruist door er extra dingen bovenop te doen, maar ik sluit niet uit dat er sprake is van een misverstand. Daarom vraag ik de Kamer om de motie-Anker aan te houden, anders zal ik de motie-Anker c.s. ontraden evenals de motie van mevrouw Gesthuizen op basis van het tweede verzoek. Ik ontraad die moties echt en ik vraag de leden om ze aan te houden tot het algemeen overleg dat eind januari over dit onderwerp zal worden gevoerd.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik houd mijn eerste motie aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Gesthuizen stel ik voor, haar motie (26485, nr. 76) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik neem dit nog in beraad.

De voorzitter:

Dit wordt dus nog overwogen.

Staatssecretaris Heemskerk:

Voorzitter. In haar tweede motie verzoekt mevrouw Gesthuizen de regering, nader uiteen te zetten hoe niet-gouvernementele organisaties informatie kunnen opvragen over de maatschappelijke aspecten. Die motie zie ik als ondersteuning van beleid. Ik zal dit meenemen in de brief aan de Kamer over Richtlijn 400. Er zijn veel mogelijkheden voor ngo's om informatie op te vragen. Het is ook belangrijk dat bedrijven rapporteren over wat zij hoe en waarom doen.

Tot slot de motie-Kalma c.s. waarin de regering wordt verzocht ...

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Betekent dit dat de staatssecretaris de motie van mevrouw Gesthuizen overneemt? Zal hij doen wat in de motie staat?

Staatssecretaris Heemskerk:

Ik zal dit meenemen. Ik zie deze motie als ondersteuning van beleid.

In de motie-Kalma c.s. wordt de regering verzocht een gemeenschappelijke agenda op te stellen. Ik weet dat het Holland Financial Centre "sustainability" zoals het dat in goed Frans noemt, als prioriteit heeft, ook als een onderscheidend element van de Nederlandse financiële sector. Het lijkt mij belangrijk dat wij daar een nog concretere invulling aan geven. In die zin zie ik deze motie als ondersteuning van beleid. Ik laat het oordeel over aan de Kamer.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik schors de vergadering tot kwart voor elf. Ik zou eerder willen beginnen, maar dat kan niet, want de minister is er nog niet.

De vergadering wordt van 10.30 uur tot 10.45 uur geschorst.