Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 39, pagina 3827-3828

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 3 december 2009 over PGO en subsidiebeleid.

Mevrouw Van Dijken (PvdA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het belang van PGO-organisaties als derde partij in de zorg onomstreden is;

van mening dat voor deze positie van PGO-organisaties adequate financiering gewenst is;

overwegende dat ook zorgverzekeraars belang hebben bij een sterke rol van PGO-organisaties;

verzoekt de regering, met zorgverzekeraars in overleg te treden over de mogelijkheid en wenselijkheid van medefinanciering van PGO-organisaties uit de middelen voor de Zorgverzekeringswet en de Kamer voor 1 juni 2010 over de uitkomsten van dit overleg te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dijken en Vendrik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40(29214).

Mevrouw Willemse-van der Ploeg (CDA):

Voorzitter. Ik wil twee moties indienen. De eerste luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de doelstellingen van de PGO-systematiek voor de projectsubsidies als volgt luiden: kennis & innovatie, maatschappelijke participatie, kwaliteit & transparantie, het verspreiden van kennis & kunde over bepaalde aandoeningen;

van oordeel dat deze doelstellingen niet alleen dienen te worden gelinkt aan ziekte maar ook aan het levensbrede domein van patiënten, mensen met een handicap en ouderen;

overwegende dat mensen meer zijn dan hun chronische ziekte, hun beperking of hun leeftijd;

constaterende dat bij de toekenning van de projectsubsidies in de eerste tranche meer is gefocust op de ziekterichting dan dat het levensbrede terrein is bediend;

verzoekt de regering om bij de toekenning van de projectsubsidies vanaf de tweede tranche op alle doelstellingen het levensbrede terrein volwaardig mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Willemse-van der Ploeg, Wiegman-van Meppelen Scheppink en Van Dijken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41(29214).

Mevrouw Leijten (SP):

Aan overbodige moties hebben wij niets. Dit is toegezegd in het debat. Waarom dient mevrouw Willemse hierover een motie in?

Mevrouw Willemse-van der Ploeg (CDA):

Omdat nu is gebleken dat het niet zo is. Ik wil gewoon zeker stellen dat bij de tweede tranche het volwaardig wordt meegenomen op alle terreinen die in de projectsubsidies ook expliciet zijn genoemd, en niet alleen op maatschappelijke participatie. Dat is te smal voor ons.

Voorzitter. Mijn tweede motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er op dit moment nog geen gelijkwaardigheid is van de koepels in het PGO-veld;

constaterende dat het Platform GGz en het Platform VG een inhaalslag zullen moeten maken om de gelijkwaardigheid concreet te realiseren;

constaterende dat er in de Kamer een breed draagvlak is om gelijkwaardigheid van de koepels te bevorderen;

overwegende dat een financiële impuls een belangrijke voorwaarde is om die gelijkwaardigheid tussen de koepels te kunnen realiseren;

verzoekt de regering om, vooruitlopend op de nieuwe landelijke koepelstructuur in het PGO-veld, de nevengeschiktheid van het Platform GGz en het Platform VG te bevorderen door middel van een tijdelijke financiering zodat er ook bij genoemde koepels sprake kan zijn van een toekomstgericht werken aan de versterking van de derdepartijrol,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Willemse-van der Ploeg, Van Dijken en Vendrik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42(29214).

Minister Klink:

Voorzitter. Ik begin met de motie-Van Dijken/Vendrik op stuk nr. 40. In het algemeen overleg op 3 december heb ik toegezegd dat ik er voor 1 mei volgend jaar op terugkom en dat ik zal kijken naar de invulling van een sterke derdepartijrol. Wij zullen integraal nog eens beoordelen wat dat betekent voor de passende vormgeving van de topstructuur van het PGO-veld en een daarbij aansluitende evenwichtige wijze van bekostiging. De vraag welke financieringswijze daarbij past, neem ik graag mee. Dat doe ik, zoals ik ook tijdens het algemeen overleg stelde, vanwege het feit dat op dit moment premies opgebracht worden om verzekerden zorg te kunnen leveren. Daarvoor is niet voor niks gekozen, maar wij zullen dat desalniettemin nog eens heroverwegen, zoals in deze motie wordt gevraagd.

Ik zei toentertijd ook dat dit niet tot extra middelen leidt, en dat er opnieuw – voor zover de verdeling aan de orde is en je het uit de premies financiert – toch een evenwichtiger verdeling moet komen. Dat kan gerealiseerd worden door een structuur die dat waarborgt. Ik wil in die zin geen verwachtingen wekken op basis van mijn argumentatie dat dit verdelingsmechanisme en het extra geld en dergelijke, uiteindelijk kaderstellend zullen zijn voor mijn heroverweging. Dat is uiteraard afhankelijk van het oordeel van de Kamer over deze motie. Dat oordeel laat ik aan de Kamer.

Dan de motie-Willemse c.s. op stuk nr. 42, over de gelijkwaardigheid van de platforms. Ik heb in mijn brief van 14 december aangegeven dat ik de afgelopen jaren diverse stappen heb gezet om die platforms in een meer gelijkwaardige positie te brengen. Het daarbij gaat om de ggz en de verstandelijk gehandicapten. In mijn brief geef ik aan dat ik in samenspraak met het PGO-veld een visie zal ontwikkelen over de vraag hoe de derdepartijrol kan worden versterkt. Daarbij zal ik dus ook ingaan op de passende vormgeving van de topstructuur, die ik zojuist al noemde in mijn antwoord aan mevrouw Van Dijken. De gelijkwaardige positie van deze partij komt daarbij uiteraard aan de orde.

Ik onderken nogmaals dat op dit moment nog geen sprake is van een gelijkwaardige positie, want dat was een behoorlijk punt in het debat. Er zal weliswaar in 2010 een inhaalslag moeten worden gemaakt, in de wetenschap dat in 2009 en daarvoor wel de nodige stappen in die richting zijn gezet. Vooruitlopend op de te ontwikkelen visie zal ik desalniettemin met de NPCF en de CG-Raad werkafspraken maken in het kader van de subsidiëring van hun jaarplannen. Uit het oogpunt van gelijkwaardigheid vind ik het goed om daarbij ook direct het Platform VG en het Landelijk Platform GGz te betrekken. In die context kunnen dan afspraken worden gemaakt over een evenwichtige inzet van subsidiebudget, met aandacht voor hun bestaande en ook hun nieuwe taken. Van die nieuwe taken zeggen zij dat daarvoor op dit moment nog onvoldoende geld is. Dat is een tweede stap in vervolg op wat er tot nu toe gebeurd is, in aanloop naar de visie op de topstructuur. Daarbij streef ik naar het waarborgen van de gelijkwaardigheid. Ik zie deze motie als ondersteuning van wat ik van plan ben en ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer.

Dan kom ik bij de motie van mevrouw Willemse-van der Ploeg op stuk nr. 41, over het meenemen van het levensbrede terrein in de toekenning van de projectsubsidies. Ik vind dat zij het in de motie buitengewoon goed uitdrukt. Mensen zijn inderdaad meer dan hun chronische ziekte en ook meer dan hun handicap. Er dient dan ook financiële support te komen, casu quo financiële ondersteuning, voor zaken die dat "meer" raken. Ik ben dat met haar eens. Dan kan gedacht worden aan openbaar vervoer en pensioengerelateerde onderwerpen. In die zin is deze motie mij buitengewoon sympathiek. Wij komen dan echter wel op een breed terrein terecht, zodat hiermee ook andere departementen zijn gemoeid. Ik zie deze motie als ondersteuning van hetgeen ik wil. Mensen zijn inderdaad meer dan een chronische ziekte of een handicap en het is goed dat daarvoor publieke erkenning komt, ook in termen van subsidies. Ik laat het oordeel over de motie over aan de Kamer. Ik ben het dus met de strekking van de motie eens, maar ik wijs er wel op dat wij dan gezamenlijk moeten streven naar grotere betrokkenheid van andere departementen bij deze levensbrede terreinen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, dit debat af te ronden en vanavond bij de eindstemming over de moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.