Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 39, item 41

41 Evaluatie uitwerking raadgevend referendum

Aan de orde is het VAO Evaluatie uitwerking raadgevend referendum (AO d.d. 14/12). 

De voorzitter:

Dit VAO voeren we met dezelfde minister. Ik geef het woord aan de eerste spreker, de heer Amhaouch van het CDA. De spreektijden zijn nog steeds twee minuten, inclusief het indienen van moties, die bij voorkeur kort en bondig zijn. 

De heer Amhaouch (CDA):

Voorzitter. In deze zaal, in dit huis, is regelmatig de buitenlandse financiering van politieke partijen en campagnes aan de orde geweest. Ook door andere partijen is dit eerder aan de orde gesteld. In augustus nog heb ik samen met collega Omtzigt namens het CDA in het kader van de referendumcampagne vragen gesteld over de tonnen sponsoring vanuit het buitenland van een aantal organisaties. Dat vinden wij onwenselijk. Collega Öztürk heeft bij de begrotingsbehandeling een motie ingediend die vrij resoluut was: echt alles stoppen. Wij vragen met de volgende motie om de zaak te beperken, conform de richtlijnen van de Raad van Ministers van de Raad van Europa. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Raad van Ministers van de Raad van Europa in 2003 aanbevelingen heeft gedaan over het stellen van regels voor buitenlandse financiering van politieke partijen en politieke campagnes; 

overwegende dat buitenlandse financiering van politieke partijen in andere landen, zoals Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, reeds aan beperkingen onderhevig is; 

verzoekt de regering, voorstellen te doen om buitenlandse financiering van politieke partijen en politieke campagnes, waaronder referenda, te beperken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Amhaouch, Öztürk, Van Raak, Veldman, Bisschop en Fokke. 

Zij krijgt nr. 22 (34270). 

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Als ik minister-president Rutte zou vragen hoe je "nee" moet spellen, zou hij waarschijnlijk zeggen: j-a. Ik vraag hoe deze minister dat zou doen. Het is wel schandalig hoe de regering, en overigens ook een meerderheid van deze Kamer, is omgegaan met de stem van de bevolking. Ik zie niet alleen dat tijdens het referendum veel gemeenten minder stemhokjes hebben ingericht, maar ook dat een aantal gemeenten nu zegt: goh, de vorige keer konden we met minder toe, dus dan doen we dat bij de komende landelijke verkiezingen ook. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat bij het afgelopen referendum zo'n 1.000 stembureaus minder ingesteld zijn dan bij reguliere verkiezingen; 

constaterende dat ook de Kiesraad stelt dat het onwenselijk is als kiezers in de ene gemeente substantieel meer moeite moeten doen om hun stem in persoon uit te brengen dan in een andere; 

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat het aantal stembureaus niet verminderd wordt ten opzichte van de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raak. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 23 (34270). 

En weer zie ik de minister energiek reeds achter het spreekgestoelte staan. Ik verleen hem graag het woord. 

Minister Plasterk:

Voorzitter. De motie-Amhaouch c.s. op stuk nr. 22 zou ik als ondersteuning van het beleid beschouwen, ware het niet dat ik mij niet kan vinden in twee woorden. In de motie wordt gevraagd om nog eens onderzoek te doen naar en voorstellen te doen over het mechanisme van het financieren van politieke partijen. Dat ziet op de Wet financiering politieke partijen en die gaan we binnenkort evalueren. Dan kun je het nog als ondersteuning van het beleid zien dat er nog eens bekeken wordt of datgene wat we nu hebben, namelijk volledige transparantie over giften uit het buitenland van meer dan €4.500, voldoende waarborgen biedt tegen onwenselijke financiering vanuit het buitenland of dat men verdergaande stappen zou willen zetten. Dat zou overigens een wetswijziging met zich meebrengen. Maar goed, in het dictum staat niet dat dat zou moeten gebeuren, dus strikt genomen zou ik daar nog mee kunnen leven. Zoals bekend wordt in de huidige wet gesteld dat financiering vanuit het buitenland transparant moet zijn. Ik ben dan ook niet indiscreet, ik geef geen informatie, als ik zeg dat door één politieke partij over het afgelopen jaar €100.000 vanuit het buitenland is ontvangen. Dat is gepubliceerd. Dat was voor de PVV. Dat gaat om één partij en één bedrag. Het is de vraag of je daar een verbod op zou willen instellen. Maar goed, dat kan aan de orde komen bij de evaluatie van de Wet financiering politieke partijen die sowieso gaat plaatsvinden. Het oordeel daarover zou ik dus aan de Kamer kunnen laten. 

In het dictum staat echter "waaronder referenda". Dat is een stuk ingewikkelder, want de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van burgers om zich te uiten brengen met zich mee dat ze natuurlijk zelf mogen weten of ze een krantje uitbrengen. Wanneer zij daarvoor financiering van hun neef uit België ontvangen, dan is er geen wettelijke grondslag om daaraan beperkingen op te leggen. Voor politieke partijen hebben we de Wet financiering politieke partijen, maar voor burgers, voor stichtingen of voor organisaties van burgers hebben we geen enkele grondslag om een beperking op te leggen wanneer ze uit België €100.000 krijgen en daar een krantje van drukken om voor Greenpeace of voor welk ander mooi doel dan ook een standpunt bij te dragen aan een referendumcampagne. Omdat het dictum die mogelijkheid openlaat, omdat we dan ook zouden moeten overwegen om dat te gaan regelen voor politieke campagnes, waaronder referenda, ontraad ik de motie zoals die nu voorligt uiteindelijk dus toch. 

Mocht er een neiging zijn om dat eruit te halen, maar die bespeur ik niet, dan zou ik misschien tot een ander advies komen. Zoals de motie nu luidt, ontraad ik haar echter, want ik kan voorspellen dat het wettelijk en grondwettelijk kader geen ruimte laat om dat te gaan verbieden. Met enige spijt ontraad ik de motie dus. 

De voorzitter:

Even voor de Handelingen. De aanname van de minister dat er geen wijziging in de motie zou worden aangebracht, stoelde op het nadrukkelijke nee-schudden door de indiener. 

Minister Plasterk:

In de motie-Van Raak op stuk nr. 23 wordt verwezen naar de discussie over het aantal stemhokjes. We hebben daar al een aantal debatten over gevoerd. Ik houd toch overeind dat het inrichten van het verkiezingsproces uiteindelijk een gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Gemeenten moeten die ook uit de lumpsum van het Gemeentefonds betalen. Daarom is het niet aan de Kamer om finale uitspraken over het aantal stembureaus te doen. Ik geloof overigens dat we het erover eens zijn dat het onwenselijk zou zijn om het aantal stembureaus ineens dramatisch naar beneden te brengen, maar het voortouw in dezen ligt echt bij de gemeenten. Aangezien het dictum absoluut is, moet ik deze motie in deze vorm toch ontraden. 

De heer Van Raak (SP):

Maar wat doet de minister dan met de opmerkingen van de Kiesraad? Die heeft een evaluatie uitgevoerd naar het Oekraïnereferendum en die heeft gezegd dat het onwenselijk is dat in sommige gemeentes flink wordt bezuinigd op stemhokjes, omdat er dan grote verschillen ontstaan tussen gemeentes. Dat geldt natuurlijk ook voor landelijke verkiezingen. Wat nu als blijkt dat gemeentes zeggen: de vorige keer konden we met minder toe; we houden geld over en dat gaan we lekker aan allerlei andere dingen besteden? Waarom voelt de minister geen verantwoordelijkheid daarvoor? 

Minister Plasterk:

De verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er een toegankelijk stemproces inclusief een fatsoenlijk aantal stemlokalen is, is door de wetgever bij gemeenten belegd. Het is nooit zo geweest dat de Tweede Kamer daar finale getallen aan hangt. Mag ik erop wijzen dat dit kabinet nu vierenhalf jaar zit? Dat is een uitzondering. Als dit kabinet twee jaar zou hebben gezeten, zoals gemiddeld in de afgelopen jaren, dan zouden er twee keer zo veel Kamerverkiezingen zijn georganiseerd. De kosten daarvan landen volledig bij de gemeenten en worden niet apart vergoed. Het zit weleens mee en het zit weleens tegen wat betreft het vergoeden van het aantal stemlokalen. We hebben de gemeenten nu voor 40 miljoen gematst, doordat dit kabinet almaar is blijven zitten en er geen Kamerverkiezingen zijn uitgeschreven. Ik reken erop dat ze, als er verkiezingen komen, een fatsoenlijk aantal stembureaus zullen inrichten. Dat is ook hun wettelijke taak. Maar ik ontraad de Tweede Kamer om te zeggen dat nooit enige gemeente dat aantal in wat voor mate dan ook zou mogen verminderen, want daar kunnen goede redenen voor zijn. 

De voorzitter:

De heer Van Raak, ten laatste. 

De heer Van Raak (SP):

De minister zegt dat de inrichting van verkiezingen en het aantal stembureaus de verantwoordelijkheid zijn van gemeenten. Maar stel dat een gemeente echt niet zijn best doet en het aantal stemhokjes halveert of nog meer terugbrengt. Dan zegt de minister in de huidige redenering dat dit het goed recht is van de gemeenten en dat zij dat zelf moeten weten. Wanneer is er een verantwoordelijkheid van de minister of van de Tweede Kamer? Het kan toch niet zo zijn dat de gemeenten zeggen dat zij het lekker met één stemhokje of misschien wel geen stemhokjes doen? 

Minister Plasterk:

Het is niet wat de minister zegt, maar wat de wet zegt. In de wet wordt de verantwoordelijkheid voor het inrichten van de stemlokalen en de aantallen stemlokalen bij het gemeentebestuur gelegd. In het algemeen overleg verwees de heer Van Raak naar de gemeente Doetinchem, waar men naar verluidt het voornemen zou hebben om het aantal stemlokalen terug te brengen. Ik heb toen geïnformeerd of er ook leden van de SP in de gemeenteraad van Doetinchem zitten. Dat bleek het geval. Ik zou die zorgen vooral telefonisch aan de raadsleden van Doetinchem doorbellen. Het lijkt mij dat het college van B en W zich dan moet verantwoorden over het kennelijke voornemen — want ik weet niet of dat het geval is — om het aantal stemlokalen te verminderen. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn komst. Wij zullen vanavond stemmen over de moties. 

De vergadering wordt van 16.56 uur tot 17.03 uur geschorst.