Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33400-VIII nr. 2

Gepubliceerd op 19 september 2012



33 400 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2013

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

Blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

5

     

1.

Leeswijzer

5

     

2.

Beleidsagenda

9

     

3.

De beleidsartikelen

20

 

1.

Primair onderwijs

20

 

3.

Voortgezet onderwijs

26

 

4.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

34

 

6. en 7.

Hoger onderwijs

42

 

8.

Internationaal beleid

51

9.

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

55

 

11.

Studiefinanciering

61

 

12.

Tegemoetkoming studiekosten

70

 

13.

Lesgelden

72

 

14.

Cultuur

74

 

15.

Media

80

 

16.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

85

 

25.

Emancipatie

89

     

4.

De niet-beleidsartikelen

92

 

91.

Nominaal en onvoorzien

92

 

95.

Apparaatskosten

94

     

5.

Paragraaf inzake baten-lastendiensten

97

 

1.

Dienst Uitvoering Onderwijs

97

 

2.

Nationaal Archief

101

     

6.

Bijlagen

 
 

1.

RWT’s en ZBO’s

105

 

2.

Verdiepingshoofdstuk

109

 

3.

Moties en toezeggingen

145

 

4.

Subsidies

183

 

5.

Evaluatie en onderzoek

193

 

6.

Afkortingenlijst

200

 

7.

Trefwoordenregister

202

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten samen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastendiensten voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Wetsartikel 3

Artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 schrijft voor dat een meerjarige begrotingsreserve kan worden aangehouden ten laste van een beleidsartikel. De begrotingreserve is bestemd als budgettaire voorziening voor de garantstelling door het Ministerie van OCW voor ontstane restschuld bij onderwijsinstellingen die in gebreke blijven om gesloten leningen en kredieten, bedoeld in de artikelen 48, eerste lid, en 49, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 terug te betalen.

De begrotingsreserve inzake garantiestelling restschuld speelt een rol voor het universitair onderwijs, het hoger beroepsonderwijs, het middelbaar onderwijs, het voortgezet onderwijs en het primair onderwijs. Uit het oogpunt van administratieve doelmatigheid is het niet gewenst dat er vijf aparte begrotingsreserves worden aangehouden ten laste van de betrokken beleidsartikelen (1, 3, 4, 6 en 7). Om die reden wordt door middel van dit wetsartikel bepaald dat de begrotingsreserve gekoppeld kan worden aan het niet-beleidsartikel Apparaatskosten (artikel 95). Inhoudelijk is de begrotingsreserve bestemd om het begrotingsbeheer met betrekking tot de betrokken beleidsartikelen op een doelmatige wijze vorm te geven.

In het kader van de voorgenomen herziening van de Comptabiliteitswet zal een algemene wettelijke voorziening worden getroffen. Zolang die voorziening er nog niet is, zal jaarlijks in de begrotingswet van OCW deze afwijkingsbepaling worden opgenomen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2013 bevat de volgende onderdelen:

  • a. Beleidsagenda;

  • b. Beleidsartikelen;

  • c. Niet-beleidsartikelen;

  • d. Diensten die een baten-lasten stelsel voeren;

  • e. Verdiepingshoofdstuk;

  • f. Bijlagen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is begrotingsverantwoordelijk voor het groene onderwijs.

Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «verantwoord begroten» in de Tweede Kamer behandeld (Kamerstuk 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting worden alle begrotingsartikelen, inclusief de tabel Budgettaire gevolgen van beleid, gepresenteerd conform «verantwoord begroten». Door de nieuwe indeling kunnen in sommige tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2011 en 2012. Een aantal financiële gegevens over 2012 is wel opgenomen in de verdiepingsbijlage.

De veranderingen die in de begroting 2013 zijn doorgevoerd betreffen vooral:

  • De opbouw van de beleidsartikelen is aangepast conform de richtlijnen voor «verantwoord begroten».

  • Een wijziging bij de niet-beleidsartikelen vanwege het samenvoegen van drie artikelen.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is compacter geworden en meer toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de minister en de bijbehorende prestatie-indicatoren, en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing en monitoring van de toerusting en de presentaties van de O, C en W stelsels verwijzen we naar Trends in Beeld. Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW en Trends in Beeld. In Trends in Beeld zijn de relevante cijfers te vinden die inzicht geven in de kwaliteit en prestaties van de Nederlandse onderwijs, cultuur en wetenschapsstelsels en van emancipatie. In deze publicatie zijn ook onderzoeksresultaten van Education at a Glance opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO.

  • Begin oktober komt ook Cultuur in beeld uit. In deze publicatie wordt ingegaan op de veranderingen in het Nederlandse cultuurbeleid. Deze publicatie gaat dieper in op de gevolgen van het beleid en schetst de te verwachten ontwikkelingen in de culturele sector. Daarbij is er bijzondere aandacht voor de bijdrage van cultuur aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid, het financieel-maatschappelijk draagvlak, publieksbereik en de financiële verhoudingen tussen subsidieverstrekkers.

  • De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. In het jaarwerkplan van de Inspectie van het Onderwijs worden voorgenomen werkzaamheden gepresenteerd aan de Tweede Kamer.

  • Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de Voorjaarsnota (1e suppletoire begroting) en de Najaarsnota (2e suppletoire begroting).

  • Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB’s worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid.

  • De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW en de publicatie Kerncijfers. In Kerncijfers worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd. Daarin wordt uitgebreid stilgestaan bij de staat van het onderwijs.

a. Beleidsagenda

De presentatie van de beleidsagenda is sober van aard vanwege de demissionaire status van het Kabinet. Er is gekozen voor een beperkte technische invulling. Hierbij wordt vooral ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken.

b. Beleidsartikelen

De huidige begrotingsmethode «verantwoord begroten» richt zich duidelijker op de verantwoordelijkheid van de minister. De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Een algemene doelstelling met een toelichting daarop.

  • Vervolgens wordt een passage gewijd aan de verantwoordelijkheid van de minister.

  • Daarna wordt in de artikelen ingegaan op de beleidswijzigingen. Wanneer er geen beleidswijzigingen met financiële gevolgen zijn, is deze passage niet opgenomen in het artikel.

  • De tabel budgettaire gevolgen van beleid bevat een vaste indeling voor instrumenten volgens de voorschriften van «verantwoord begroten», dus naar soorten financiële instrumenten. Onder de tabel budgettaire gevolgen van beleid worden de instrumenten toegelicht.

  • In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in een percentage weergegeven.

b.1 De onderwijsartikelen

In 2011 zijn maatregelen aangekondigd om te komen tot een transparant, eenvoudig en prestatiegericht bekostigingsstelsel. Om dit doel te bereiken is een groot aantal bekostigings- en subsidieregelingen geschrapt.

Voor een deel is het verdwijnen van de bekostigings- en subsidieregelingen het gevolg van de aangekondigde maatregelen rond passend onderwijs en de maatregelen uit de subsidiebrief (Kamerstuk 32 500 VIII, nr. 160) die met de Tweede Kamer zijn besproken. Deze maatregelen worden voortvarend opgepakt. Wel komt als gevolg van het Begrotingsakkoord 2013 voor de doorvoering van de stelselwijziging passend onderwijs een jaar extra beschikbaar.

Ook is aangekondigd dat de transparantie over de bekostiging richting Tweede Kamer zal worden vergroot. In voorliggende begroting wordt daaraan uitvoering gegeven door in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid de onderdelen van de bekostiging nader uit te splitsen (hoofdbekostiging, prestatiebox, aanvullende bekostiging). In de toelichting wordt op deze onderdelen nader ingegaan.

b.2 Vereenvoudiging bekostiging po/vo

Voor het primair onderwijs wordt onderzocht hoe de personele en materiële bekostiging samengevoegd kunnen worden. De afgelopen periode is daarnaast ingezet op verdere versterking van het financiële management in de sector. Voor het voortgezet onderwijs is in het regeerakkoord de keuze gemaakt om het bekostigingsmodel te vereenvoudigen. In het afgelopen jaar is diverse keren gesproken met besturen in het voortgezet onderwijs en de VO-raad. Het veld hecht er sterk aan de gelegenheid te krijgen zelf met een voorstel te komen. Daarom is besloten de VO-raad de tijd te geven om met een reëel en uitvoerbaar «voorstel» te komen. Daaraan zijn wel diverse voorwaarden verbonden. Die zijn, naast de consequenties voor uitvoering, in de brief van december 2011 aan de Kamer gemeld.

b.3 Bekostiging mbo

Tevens is aangekondigd om prestatiegerichte elementen in de mbo-bekostiging in te voeren. Als gevolg van het Begrotingsakkoord blijft het wetsvoorstel «doelmatige leerwegen en moderniseren van de bekostiging» inhoudelijk ongewijzigd, maar worden de budgettaire gevolgen met een jaar vertraagd met het oog op een goed invoeringstraject. Voorgesteld wordt de nieuwe systematiek voor de bekostiging te laten gelden met ingang van het bekostigingsjaar 2015. Het wetsvoorstel voor het invoeren van een leeftijdsgrens van 30 jaar in het mbo is controversieel verklaard.

b.4 De prestatiebox

Voor wat betreft de prestatiegerichtheid van de bekostiging is aangekondigd dat gekoppeld aan de prestatieafspraken per sector de middelen uit de actieplannen worden ingezet via een prestatiebox. In het ho worden in 2012 voor de periode 2013–2016 prestatieafspraken gemaakt met de individuele hogescholen en universiteiten. In 2012 is in de sectoren po, vo en bve de prestatiebox ingevoerd. In de prestatiebox zijn naast nieuwe middelen ook geldstromen ondergebracht die eerder een apart regime kenden. In de verschillende beleidsartikelen wordt de prestatiebox nader toegelicht.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • Nominaal en onvoorzien;

  • Apparaatskosten.

Met ingang van de begroting 2013 zijn de artikelen 92 tot en met artikel 94 samengevoegd tot het artikel 95 Apparaatskosten. Hierin worden naast de apparaatsuitgaven van het kerndepartement ook de apparaatskosten van de baten-lastendiensten en een aantal ZBO’s en RWT’s zichtbaar.

d. Diensten die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastendienst «Dienst Uitvoering Onderwijs» en «Nationaal Archief».

e. Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2012 en de stand ontwerpbegroting 2013. De ondergrens voor het toelichten van mutaties is € 2,2 miljoen. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

f. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • Overzicht RWT’s en ZBO’s;

  • Verdiepingshoofdstuk;

  • Overzicht moties en toezeggingen;

  • Subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het ministerie;

  • Evaluatieoverzicht; het overzicht met evaluaties en onderzoeken is opgenomen in één centrale bijlage;

  • Afkortingslijst;

  • Trefwoordenlijst.

2. BELEIDSAGENDA

Inleiding

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een sobere presentatie van de beleidsagenda 2013. De beleidsagenda behandelt de relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken en gaat daarnaast kort in op een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

In de afgelopen twee jaar heeft het kabinet op de terreinen van OCW-beleid gewerkt langs drie hoofdlijnen: het versterken van de kwaliteit van het onderwijs, het stimuleren van een ambitieuze leercultuur waarbinnen sprake is van hoge verwachtingen naar scholen, universiteiten, docenten, ouders, leerlingen en studenten,het bevorderen van doelmatigheid en ondernemerschap op het vlak van media en cultuur.

Met het beleid dat het kabinet in gang heeft gezet, streeft het kabinet naar cultuurveranderingen in onderwijs, cultuur en wetenschap. Cultuurveranderingen die nodig zijn om de internationale en nationale uitdagingen waarvoor ons land staat, aan te kunnen gaan. Om aan de hoge verwachtingen van onderwijs te voldoen, hebben we goed gekwalificeerde docenten en schoolleiders nodig en zijn betrokken ouders van cruciaal belang. Hoge eisen aan opleiding training en begeleiding zijn nodig. Daarbij moeten we streven naar effectiviteit en efficiëntie, zowel in het stelsel als binnen instellingen. Onderwijs verdient het dat elke euro zo goed mogelijk wordt besteed. Scherpe keuzes voor kwaliteit en doelmatigheid zijn ook nodig in het wetenschappelijke onderzoek waarbij middelen gericht worden ingezet voor topsectoren en maatschappelijke uitdagingen.

In twee jaar tijd hebben we belangrijke ontwikkelingen in gang gezet die de stelsels, waar OCW verantwoordelijk voor is raken. Het gaat dan om de prestatieafspraken in het hoger onderwijs, de versterking van het middelbaar beroeps onderwijs, de invoering van Passend Onderwijs, de nieuwe visie op cultuurbeleid en de doelmatigheidsslag die binnen de publieke omroep gemaakt wordt.

In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap hebben we sterk ingezet op kwaliteit van onderwijs, profilering van instellingen en samenwerking in de driehoek onderwijs, onderzoek en ondernemerschap. Met de universiteiten en hogescholen maken we individuele prestatieafspraken over kwaliteit, profilering en valorisatie. Op deze wijze worden instellingen veel meer aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor maatschappelijk gewenste prestaties en daar ook op afgerekend. De universiteiten en hogescholen hebben zelf voorstellen ingeleverd voor prestatieafspraken. Een reviewcommissie beoordeelt deze voorstellen. De prestatieafspraken zullen per januari 2013 ingaan.

Ook in het middelbaar beroeps onderwijs wordt de kwaliteit versterkt, ondermeer door intensivering van de onderwijstijd, betere loopbaanbegeleiding, reductie van de complexiteit van het mbo (minder kwalificaties, aparte positionering entreeopleiding). Door het verkorte van mbo-4 opleidingen neemt de aantrekkelijkheid van de beroepskolom (doorstroom van vmbo, mbo, hbo) toe, daarmee wordt beoogd het beroepsonderwijs concurrerender te maken ten opzichte van het algemeen vormend onderwijs, teneinde de samenleving te kunnen voorzien van voldoende vakmensen (technici en medewerkers in de zorg) die de economie stutten.

Het kabinet heeft met passend onderwijs na jaren van intensieve voorbereiding een wetsvoorstel ingediend dat inmiddels door de Tweede Kamer is aangenomen, waarmee samenwerkingsverbanden van scholen samen kunnen bepalen hoe de middelen voor zorgleerlingen het beste in te zetten. Hiermee komt er meer ruimte voor maatwerk voor de kwetsbaarste leerlingen in het onderwijs. Scholen worden daarbij verplicht een passende onderwijsplek te bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De stelselwijziging Passend Onderwijs kent een breed draagvlak. De discussie richtte zich de afgelopen twee jaar op de voorgestelde bezuiniging van € 300 miljoen. Eerder was deze ombuiging al getemporiseerd om tot een zorgvuldigere invoering van het stelsel te kunnen komen. Inmiddels is in het begrotingsakkoord vastgelegd dat de ombuiging op passend onderwijs in zijn geheel niet wordt doorgezet en daarnaast is besloten dat voor de doorvoering van de stelselwijziging één jaar extra de tijd wordt genomen. OCW biedt op dit moment volop ondersteuning aan scholen om tot een zorgvuldige, goede vormgeving te komen van de samenwerkingsverbanden en de structuren die nodig zijn voor goed passend onderwijs.

De afgelopen kabinetsperiode heeft het kabinet een nieuwe visie op cultuurbeleid ontwikkeld. Ook wordt er € 200 miljoen bezuinigd. Vanaf 2013 zijn er minder middelen beschikbaar voor de culturele basisinfrastructuur en beschikken ook de cultuurfondsen over minder budget. Het kabinet kiest ervoor om niet de kaasschaaf te hanteren, maar om heldere keuzes te maken. Naast kwaliteit moeten publiek en ondernemerschap centrale thema’s zijn waar de cultuursector zich op richt. Op deze manier kan de internationale top van het Nederlandse cultuurleven op hoog niveau blijven opereren. Maar er blijft ook ruimte voor talentontwikkeling en een goede spreiding van cultuurvoorzieningen over het land is geborgd. De stelselwijziging binnen de cultuursector ligt op schema: Zoals gepland zal op Prinsjesdag bekend worden gemaakt welke gezelschappen in de basisinfrastructuur blijven of komen. Voor het kabinet blijft cultuureducatie waarbij kinderen en jongeren in aanraking worden gebracht met de rijkdom van cultuur, een belangrijk punt. Dit is van belang voor de persoonlijke ontwikkeling en voor de creativiteit van onze samenleving als geheel. Voor een goede invulling binnen het onderwijs is in een gezamenlijk advies van de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur een goede voorzet gegeven.

Op het omroepbestel wordt ruim € 125 miljoen bezuinigd. De wet die dit regelt is inmiddels aangenomen door de Eerste Kamer. Deze bezuiniging wordt met behoud van kwaliteit gerealiseerd door middel van fusies van verschillende omroepen. Van de huidige 21 organisaties blijven er 8 over. De omroepen hebben zelf een fusievoorstel gedaan dat door OCW is overgenomen: KRO en NCRV zullen samengaan, evenals de VARA en BNN, en TROS en AVRO. De EO, MAX en de VPRO blijven zelfstanding. Met de NOS en de NTR is het achttal compleet. Door deze bundeling van omroepverenigingen wordt de landelijke publieke omroep in staat gesteld om efficiënt en effectief te opereren. Het omroepenbestel wordt daarmee eenvoudiger en krachtiger. Onder de huidige regelgeving is het voor omroepverenigingen niet mogelijk te fuseren; de erkenningprocedure staat dit in de weg en de bestaande financieringssystematiek bestraft dit hard, doordat fuserende omroepen niet alleen een vaste voet verliezen, maar ook de financiering voor alle leden boven de 400 000. De wetswijziging om deze barriere weg te nemen ligt inmiddels bij de Raad van State. Wanneer deze wetswijziging wordt aangenomen ligt de vereenvoudiging van het omroepbestel op schema, kunnen de omroepen doorgaan met de fusies en de bezuinigingen verantwoord worden gerealiseerd.

Bij dergelijke ontwikkelingen, maar ook bij zaken als opbrengstgericht werken in het funderend onderwijs, het topsectorenbeleid, de creatieve industrie, de maatregelen op het vlak van emancipatie en het versterken van de positie van lhbt-ers, is continuïteit en tijd van belang om het beleid daadwerkelijk en succesvol te implementeren. Na een jaar van voorbereidingen onder meer door wetgeving en akkoorden met partijen in het veld, zijn we halverwege 2012 in de fase gekomen dat het beleid daadwerkelijk geïmplementeerd kan gaan worden binnen de instellingen. Hierbij is duidelijkheid en voortvarendheid van groot belang. Instellingen binnen de cultuursector, de publieke omroep en in het onderwijs moeten volop aan de slag kunnen met de implementatie van de veranderingen, hierbij ondersteund door het ministerie van OCW.

De inhoudelijke en financiële uitdagingen waarvoor instellingen voor onderwijs, cultuur en wetenschap staan, vragen om bestuur en management dat zichzelf scherp houdt op het zo goed en zo efficiënt mogelijk bereiken van de afgesproken doelen, zowel op het niveau van sectoren als binnen instellingen. Er wordt breed binnen het onderwijs ingezet op versterking van de noodzakelijke financiele deskundigheid.

Aansluiting ontwerpbegroting 2012 naar 2013

Deze financiële paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting.

Tabel 1 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde uitgavenbegroting 2012 (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerpbegroting 2013

34 208,7

34 074,6

34 325,0

34 278,0

34 350,4

34 631,5

Stand geautoriseerde begroting 2012

33 694,0

34 043,2

33 942,3

33 570,0

33 756,4

33 903,6

Totaal verschil

514,7

31,4

382,7

708,1

594,0

727,9

Leerlingen- en studentenontwikkeling

– 73,0

– 222,0

– 224,8

– 207,6

– 180,7

– 160,3

Ramingsbijstelling studiefinanciering

– 70,5

– 53,1

– 53,7

– 47,4

– 76,8

– 75,0

Dekking incidentele taakstelling

0,0

0,0

0,0

0,0

59,1

0,0

Reservering op nominaal en onvoorzien

136,3

258,5

258,7

234,5

174,3

207,6

Begrotingsakkoord 2013

0,0

– 245,0

– 75,0

175,0

– 30,0

– 25,0

Eindejaarsmarge

219,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Intertemporele compensatie

– 8,6

– 100,9

10,0

– 13,8

0,6

112,7

Diversen

– 0,4

– 0,5

– 0,5

– 0,5

– 0,6

– 0,6

Totaal bijstellingen

202,8

– 363,0

– 85,3

140,3

– 54,2

59,3

Technische bijstellingen:

           

Loon- en prijsbijstelling

270,6

278,7

279,7

275,7

277,1

278,4

Actieplan LeerKracht van Nederland (ilo)

0,0

63,5

126,4

188,2

189,4

189,9

Overige technische bijstellingen

41,3

52,2

61,8

103,8

181,8

200,2

Totaal technische bijstellingen

311,9

394,4

467,9

567,7

648,2

668,6

Totaal verschil

514,7

31,4

382,7

708,1

594,0

727,9

Tabel 2 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde ontvangstenbegroting 2012 (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerpbegroting 2013

1 169,9

1 190,5

1 251,2

1 296,2

1 356,2

1 402,8

Stand geautoriseerde begroting 2012

1 197,6

1 267,4

1 345,3

1 415,7

1 499,5

1 564,6

Totaal verschil

– 27,6

– 77,0

– 94,1

– 119,5

– 143,4

– 161,8

Leerlingen- en studentenontwikkeling

– 4,2

– 0,9

5,4

9,6

9,2

9,0

Ramingsbijstelling studiefinanciering

– 3,0

– 15,7

– 25,2

– 30,0

– 33,3

– 36,8

Rentemutatie studiefinanciering

– 20,5

– 20,0

– 20,1

– 24,6

– 26,4

– 23,7

Totaal bijstellingen

– 27,7

– 36,6

– 39,9

– 45,1

– 50,5

– 51,5

Technische bijstellingen

0,0

– 40,3

– 54,2

– 74,4

– 92,9

– 110,3

Totaal technische bijstelling

0,0

– 40,3

– 54,2

– 74,4

– 92,9

– 110,3

Totaal verschil

– 27,6

– 77,0

– 94,1

– 119,5

– 143,4

– 161,8

Toelichting:

Leerlingen- en studentenontwikkeling

In de begroting is, zoals gebruikelijk, de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen verwerkt. Deze referentieraming 2012 is lager dan de eerdere raming. Dit wordt veroorzaakt door demografische ontwikkelingen en nieuwe tel- en stroomgegevens 2011. Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de verdeling over de onderwijssectoren.

Ramingsbijstelling studiefinanciering

De raming voor studiefinanciering laat een meevaller zien. De meevaller komt voornamelijk voort uit minder geraamd gebruik van de aanvullende beurs, een lager geraamd bedrag aan omzettingen van prestatiebeurs in een gift en een meevaller bij de WTOS.

Dekking incidentele taakstelling

De incidentele taakstelling uit de begroting 2012 (€ 59,1 miljoen in 2016) is binnen de OCW-begroting gedekt.

Reservering op nominaal en onvoorzien

De meevallers bij de raming van de leerlingen- en studentenontwikkeling en de raming studiefinanciering zijn bij voorjaarsnotabesluitvorming, na aftrek van de incidentele taakstelling, geboekt op het artikel Nominaal en onvoorzien. Deze middelen worden volledig ingezet voor het Begrotingsakkoord 2013 (zie tabellen 3 en 4).

Begrotingsakkoord 2013

De gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor de OCW-begroting worden verderop in deze beleidsagenda toegelicht.

Eindejaarsmarge

De budgetten die in 2011 niet volledig tot besteding zijn gekomen, zijn voor 2012 aan de OCW-begroting toegevoegd. De eindejaarsmarge is ingezet ter dekking van een aantal overlopende verplichtingen uit 2011 en de taakstelling uit het Begrotingsakkoord 2013.

Intertemporele compensatie

Op diverse budgetten vinden intertemporele compensaties plaats omdat middelen in latere (of eerdere) jaren benodigd zijn.

Diversen

Dit betreft met name het aandeel van OCW in het masterplan kantoorhuisvesting Den Haag. In dit plan is besloten SZW en I&M te compenseren voor het vroegtijdig afkopen van hun huisvestingscontract en dit via het generale beeld bij voorjaarsnota te verwerken.

Loon- en prijsbijstelling

De loonbijstelling tranche 2012 is uitgekeerd aan de departementen. Het betreft alleen een vergoeding voor de ontwikkeling in de sociale werkgeverslasten en een specifieke compensatie voor de inkomensafhankelijke bijdrage (Iab) voor de zorgverzekeringswet. Daarnaast is de prijsbijstelling tranche 2012 uitgekeerd aan de departementen. Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de verdeling van de loon- en prijsbijstelling over de artikelen.

Actieplan LeerKracht van Nederland (ilo)

De middelen voor de verdere uitvoering van de maatregelen van het actieplan LeerKracht van Nederland zijn overgeheveld van de aanvullende post naar de OCW-begroting.

Overige technische bijstellingen

Het betreft overboekingen van en naar andere departementen en desalderingen met de ontvangsten. Daarnaast is er per saldo sprake van een toename van de niet-kader relevante uitgaven bij studiefinanciering. Op basis van realisatiecijfers worden minder spontane aflossingen verwacht, wordt er minder aanvullende beurs toegekend en is er meer onterecht uitgekeerde studiefinanciering ontdekt.

Rentemutatie studiefinanciering (ontvangsten)

De tegenvaller op de rente-inkomsten bij de studiefinanciering wordt veroorzaakt doordat er minder spontane aflossingen verwacht worden dan eerder geraamd.

Begrotingsakkoord 2013

Onderstaande tabel geeft de financiële gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor de OCW-begroting weer.

Tabel 3 Begrotingsakkoord 2013: gevolgen voor de OCW-begroting (bedragen x € 1 miljoen)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Struc

Intensivering kwaliteit onderwijs

30,0

30,0

30,0

30,0

30,0

30,0

Extra middelen voor kwaliteit leraren/schoolleiders

75,0

75,0

75,0

75,0

75,0

75,0

Totaal intensiveringen

105,0

105,0

105,0

105,0

105,0

105,0

             

Terugdraaien bezuiniging passend onderwijs

100,0

200,0

300,0

300,0

300,0

300,0

Terugdraaien prestatiebeloning onderwijs

– 10,0

– 30,0

– 70,0

– 220,0

– 235,0

– 250,0

Niet invoeren mbo leeftijdsgrens 30 jaar voor bekostiging

80,0

110,0

170,0

170,0

170,0

170,0

Mbo vereenvoudiging kwalificatiestructuur (1 jaar vertraagd)

30,0

20,0

90,0

5,0

5,0

0,0

Mbo kwaliteitsverbetering (1 jaar vertraagd)

– 110,0

– 40,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Studeren is investeren

0,0

0,0

20,0

50,0

70,0

120,0

Totaal terugdraaien/wijzigen maatregelen RA

90,0

260,0

510,0

305,0

310,0

340,0

             

Inhouden meevaller leerlingenraming

– 100,0

– 100,0

– 100,0

– 100,0

– 100,0

– 100,0

             

Departementale taakstelling

– 340,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

Totaal Begrotingsakkoord 2013

– 245,0

– 75,0

175,0

– 30,0

– 25,0

5,0

Toelichting:

Intensivering kwaliteit onderwijs en extra middelen voor en kwaliteit leraren/schoolleiders

Voor versterking van de kwaliteit van het onderwijs is een extra bedrag van € 30 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er een extra bedrag van € 75 miljoen beschikbaar om in te zetten voor versterking van de kwaliteit van leraren en schoolleiders.

In het primair en voortgezet onderwijs worden de middelen ingezet om een impuls te geven aan de kwaliteit en slagkracht van schoolleiders, onder meer door scholing en begeleiding. Deze impuls wordt ondersteund door registratie in het schoolleiderregister en certificering van opleidingen. Daarnaast wordt voor het versterken van de kwaliteit van de leraren en docenten extra geïnvesteerd in de aansluiting van pabo’s bij de wensen van schoolbesturen in het po, in de lerarenbeurs (vo en hbo: opscholing naar master-niveau), in de verdere professionalisering van het management en het onderwijspersoneel in het mbo en in de opscholing van hbo-docenten naar PhD-niveau. Tot slot wordt ingezet op meer differentiatie in het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs om scholen de stap te laten zetten van voldoende naar goed of zelfs uitstekend op het gebied van onderwijskwaliteit.

De middelen worden als volgt over de onderwijssectoren verdeeld: € 44,0 miljoen voor primair onderwijs (inclusief het (voortgezet) speciaal onderwijs), € 26,0 miljoen voor voortgezet onderwijs, € 15,0 miljoen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en € 20,0 miljoen voor hoger beroepsonderwijs (zie voor de verdeling over de beleidsartikelen het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk).

Wijzigen maatregelen regeerakkoord

Een aantal maatregelen uit het regeerakkoord wordt gewijzigd:

  • De ombuiging op passend onderwijs wordt niet doorgezet en voor de voorbereiding van de invoering van de stelselwijziging passend onderwijs komt één jaar extra beschikbaar;

  • De middelen voor prestatiebeloning in het onderwijs worden ingehouden;

  • De leeftijdsgrens van 30 jaar voor bekostiging in het mbo wordt niet ingevoerd;

  • De ombuiging «MBO vereenvoudiging kwalificatiestructuur, tegengaan vertraging, verkorten en intensiveren (doorlopende) leerlijnen, kenniscentra breder organiseren» en de intensivering «MBO kwaliteitsverbetering» worden beide één jaar vertraagd, met een aanpassing van het kasritme tussen 2013 en 2014;

  • De invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase en verlenging van de aflossingstermijn van studieleningen van 15 naar 20 jaar (beide onderdeel van Studeren is investeren) worden nu niet doorgevoerd.

Inhouden meevaller leerlingenraming

De meevaller bij de raming leerlingen- en studentenontwikkeling wordt voor € 100 miljoen ingehouden voor de dekking van het Begrotingsakkoord 2013.

Departementale taakstelling

Het aandeel van OCW in de departementale taakstelling bedraagt € 340,0 miljoen. Onderstaande tabel laat zien hoe OCW deze taakstelling invult.

Tabel 4 Dekking departementale taakstelling (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Restant meevaller leerlingenraming en studiefinanciering

– 136,3

– 158,5

– 158,7

– 134,5

– 74,3

– 107,6

Prestatiebeloning

0,0

– 10,0

– 10,0

– 10,0

0,0

0,0

Inzet eindejaarsmarge

– 35,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Taakstelling (vanaf 2014)

0,0

0,0

– 171,3

– 195,5

– 265,7

– 232,4

OV-jaarkaart

171,5

– 171,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Totaal taakstelling

0,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

– 340,0

Toelichting:

Restant meevaller leerlingenraming en studiefinanciering

Het restant van de meevaller bij de raming leerlingen- en studentenontwikkeling en de raming studiefinanciering dat is gereserveerd op het artikel Nominaal en onvoorzien, wordt ingezet ter dekking van de taakstelling uit het Begrotingsakkoord.

Prestatiebeloning

Uit de intensivering «Prestatiebeloning op basis van leerwinst» wordt voor de jaren 2013 t/m 2015 € 10 miljoen ingezet ter dekking van de taakstelling. De rest van de intensivering wordt ingehouden in het kader van het Begrotingsakkoord 2013 (zie tabel 3).

Inzet eindejaarsmarge

Een deel van de eindejaarsmarge wordt ingezet ter dekking van de taakstelling.

Taakstelling (vanaf 2014)

Het restant van de taakstelling wordt ingevuld met een (lumpsum)korting vanaf 2014. Voor de invulling van het restant van de taakstelling heeft het demissionaire kabinet gekozen voor een (lumpsum)korting vanaf 2014. Het is aan een volgend kabinet om er al dan niet voor te kiezen dit met specifieke maatregelen te beleggen. Zie het algemene deel van de verdiepingsbijlage voor de verdeling over de beleidsartikelen.

OV-jaarkaart

Een deel van de verplichtingen voor de reisvoorziening studenten voor 2013 wordt in 2012 vooruitbetaald.

Monitor streefdoelen

Box 1: Monitor streefdoelen onderwijs

  • 1. Gemiddelde score in basisvakken

    Primair onderwijs:

    • a) gemiddelde score CITO-eindtoets omhoog van 535,4 in 2010 naar het niveau van 537 in 20151

    • b) gemiddelde taalvaardigheidsscores in groep 8 van het bao hoger dan 250

    • c) gemiddelde rekenvaardigheidsscores in groep 8 van het bao hoger dan 250

    Voortgezet onderwijs:

    • d) gemiddelde PISA-score wiskunde van 526 in 2009 naar 536 in 2015 en 541 in 2018

    • e) gemiddelde PISA-score lezen van 508 in 2009 naar 516 in 2015 en 520 in 2018

    • f) gemiddelde PISA-score science van 522 in 2009 naar 526 in 2015 en 528 in 2018

  • 2. Excellente leerlingen en studenten

    • a) po: de grensscore voor de beste 20% van de leerlingen stijgt naar 545 in 2015 (2010: 543/544)

    • b) vo: de gemiddelde eindexamencijfers (CE+SE) van de 20% best presterende vwo-leerlingen van 7,6 in 2010 naar 7,8 in 2015

  • 3. Verhogen percentage deelnemers per mbo niveau dat de opleiding succesvol afrondt

    Jaarresultaat per niveau:

    • a) niveau 1: van 66% in 2008 naar 70% in 2015

    • b) niveau 2; van 62% in 2008 naar 70% in 2015

    • c) niveau 3; van 63% in 2008 naar 70% in 2015

    • d) niveau 4; van 65% in 2008 naar 70% in 2015

  • 4. Verhogen rendement

    • a) verminderen aantal voortijdig schoolverlaters van 42 600 in 2009 naar 35 000 in 2012 en 25 000 in 2016

    • b) hbo:

      verminderen studie-uitval (cohort 2010: 28,0% in 2011),

      verminderen switch (cohort 2010: 9,0% in 2011) en

      verhogen rendement n+1 (cohort 2006: 65,7% in 2011)

    • c) wo:

      verminderen studie-uitval (cohort 2010: 18,9% in 2011),

      verminderen switch (cohort 2010: 9,0% in 2011) en

      verhogen rendement n+1 (cohort 2007: 60,9% in 2011)

  • 5. Percentage opbrengstgerichte scholen

    • a) in po van 30% naar 60% in 2015 en naar 90% in 2018

    • b) in vo naar minstens 50% in 2015, en naar 90% in 2018

    • c) in het (v)so naar minstens 25% in 2012, minstens 50% in 2015 en minstens 75% in 2018

  • 6. Intensivering onderwijstijd

    • a) uitbreiding van het aanbod van VVE, schakelklassen en zomerscholen aan kinderen met risico op taalachterstand (bestuursafspraken gemaakt met de G37)

  • 7. Onderpresterende scholen / opleidingen

    • a) in po reductie van zeer zwakke scholen van 57 naar 35 in 2015; de taal- en rekenzwakke scholen van 238 naar 119 in 2015

    • b) in (v)so verdere reductie (zeer) zwakke scholen

    • c) in vo geen stijging van het aantal (zeer) zwakke scholen

    • d) in het mbo geen stijging van het aantal (zeer) zwakke opleidingen

  • 8. Aantal leraren, docenten dat over een master- of PhD-graad beschikt

    • a) hbo: percentage leraren / docenten dat op master- of PhD-niveau is opgeleid, bedraagt 80% in 2016 (in 2009 63%)

  • 9. Bekwame leraren en schoolleiders

    • a) in 2016 voldoen alle leraren in po en vo aan de bekwaamheidseisen op de onderdelen «afstemmen op verschillen en opbrengstgericht werken» (indicatoren van de onderwijsinspectie)

    • b) in 2016 voldoen alle schoolleiders po en vo en teamleiding/middenmanagement in het mbo aan de dan geldende bekwaamheidseisen

  • 10. Geregistreerde leraren

    In 2014 is 40% van de leraren in po, vo en mbo die voldoen aan de bekwaamheidseisen opgenomen in het register voor leraren. In 2018 is dat 100% en heeft het register civiel effect

  • 11. Deelname eindtoets basisonderwijs

    Vanaf voorjaar 2013 leggen alle leerlingen in het basisonderwijs de verplichte eindtoets af

  • 12. Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteit in mbo

    In 2012 is het percentage opleidingen mbo met voldoende examenkwaliteit 85% (2012: 63%)

  • 13. Tevredenheid studenten, docenten en bedrijfsleven

    • a) van mbo-studenten: indicator moet verder ontwikkeld worden

    • b) van mbo-docenten over organisatie/begeleiding studie: indicator wordt nog ontwikkeld

    • c) van bedrijfsleven over mbo onderwijs en mbo-afgestudeerden: indicator en streefwaarde volgen na aanbesteding en ontwikkeling

    • d) van hbo-studenten: 65,6% scoort 4 of 5 op algemene studenttevredenheid

    • e) van wo-studenten: 80,1 % scoort 4 of 5 op algemene studenttevredenheid

Box 2: Monitor streefdoelen wetenschap

  • 1. Mondiale top-5 positie op basis van citatiescores (2007–2010 3e positie mondiaal, op basis van een gemiddelde van 1,44)

  • 2. Inzet middelen NWO voor economische topsectoren/grand challenges cf. Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap: maximaal € 275 miljoen in 2015 (afhankelijk van private bijdragen en kwaliteitstoetsing)

  • 3. Versterken privaat-publieke samenwerking in kader van topsectorenaanpak: streefwaarde nog uit te werken

  • 4. Valorisatie versterken: streefwaarde is 2,5% van de publieke onderzoeksmiddelen in 2016

Box 3: Monitor streefdoelen cultuur en media

  • 1. Percentage cultuurproducerende instellingen in de BIS dat voldoet aan de eigen inkomstennorm van minimaal 17,5%: 100% in 2013

  • 2. Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (inclusief buitenland) voor 2013 af te leiden van de komende instellingsplannen

  • 3. Aantal bezoeken gesubsidieerde musea: 6 miljoen in 2013

  • 4. Aantal monumenten met een restauratiebehoefte: 10% in 2013

  • 5. % wekelijks gemiddeld publieksbereik landelijke publieke televisie is minimaal 85% in 2015

  • 6. Onderscheidende programmering publieke televisie: % zendtijd informatie en jeugd is minimaal 70% in 2015

  • 7. Bekendheid Kijkwijzer is minimaal 95% in 2015

Box 4: Monitor streefdoelen emancipatiebeleid

  • 1. Sociale acceptatie homoseksuelen van 91% in 2010 naar groter of gelijk aan 91% in 2014

  • 2. Aantal gemeenten waarmee bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over homo-emancipatiebeleid van 18 (2011) naar 36 (2014)

  • 3. Aantal scholen met gay-straight alliantie verdubbelt: van 150 (2011) naar 300 (2014)

Beleidsdoorlichtingen

Tabel 5 Beleidsdoorlichtingen

Artikel / Doelstelling

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Nieuwe ambities en beleidsdoelen

1, 3, 4, 6, 7, 11 en 12. Onderwijs

             

Prestaties van leerlingen en studenten omhoog

     

     

Scholen en instellingen met een ambitieus leerklimaat

     

     

Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk

     

     

Doelmatigheid en focus op het onderwijs

     

     

9. Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

             

Goed opgeleide en professionele leraren, docenten en schoolleiders

     

     

14. Cultuur

             

Een sterke cultuursector die ondernemend en innovatief is en goed zorgt voor ons erfgoed

     

     

15. Media

             

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod

     

     

16. Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

             

Behoud van kwaliteit wetenschap, wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

     

     

25. Emancipatie

             

Het bevorderen van emancipatie

     

     

Afgeronde en eerder toegezegde beleidsdoorlichtingen

4. Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

             

Leren & werken

           

Voortijdig Schoolverlaten

   

       

8. Internationaal beleid

Geen beleidsdoorlichting1

9. Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

             

Actieplan LeerKracht

 

         

13. Lesgeld

Geen beleidsdoorlichting2

14. Cultuur

             

Waarborgen aanbod en participatie

           

16. Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

             

Voldoende toegerust onderzoekstelsel

   

       

25. Emancipatie

Zie nieuwe ambities en beleidsdoelen

X Noot
1

Voor artikel 8 Internationaal beleid is geen beleidsdoorlichting gepland, omdat artikel 8 een restartikel is en geen beleidsartikel. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen. Er worden op onderdelen van dit artikel wel evaluaties uitgevoerd, die inzicht geven in de effectiviteit van het beleid.

X Noot
2

Het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft, ligt een beleidsdoorlichting niet in rede.

Belastinguitgaven

Tabel 5 Beleidsdoorlichtingen

Artikel / Doelstelling

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Afdrachtvermindering onderwijs

389

395

396

409

414

423

436

               

Vrijstelling kunstvoorwerpen

5

5

5

6

6

6

6

Aftrek kosten monumentenwoning

66

59

57

56

55

55

54

Verlaagd tarief informatiedragers

476

499

561

568

575

583

590

Verlaagd tarief bibliotheken c.a.

105

110

124

126

127

129

130

Verlaagd tarief circussen, bioscopen, theaters en concerten

74

120

175

180

184

189

193

Voor een toelichting op deze belastinguitgaven op OCW-terrein zij verwezen naar internetbijlage 4 van de Miljoenennota. Voor een toelichting op de mutaties in de belastinguitgaven zij verwezen naar het Belastingplan 2013.

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

Artikel

Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving. De overheid houdt hiervoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een primair onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren: De minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het primair onderwijsstelsel worden beschreven in het Onderwijsverslag 2010–2011 en in Trends in Beeld 2012.

Tabel 1.1 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Leerlingen basisonderwijs

             

geen gewicht

1 330,2

1 326,8

1 316,3

1 305,2

1 293,7

1 283,9

1 277,4

0.3

104,5

97,4

92,5

88,3

85,3

83,5

82,5

1.2

82,5

77,9

75,8

74,0

72,4

71,2

70,3

Subtotaal1

1 517,3

1 502,1

1 484,6

1 467,5

1 451,5

1 438,6

1 430,2

Leerlingen trekkende bevolking

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1 517,7

1 502,5

1 485,1

1 468,0

1 451,9

1 439,1

1 430,6

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

41,8

40,6

39,2

38,0

36,8

35,6

34,5

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

70,1

70,9

71,9

72,7

73,3

73,7

73,9

Ambulant begeleide leerlingen (bao, sbao, vo en mbo)

42,3

42,3

42,3

42,3

42,3

42,3

42,3

Bron: Referentieraming 2012, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

X Noot
1

Subtotaal geeft een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 1.2 (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. uitvoeringskosten en apparaatskosten (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs

5,1

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs

21,9

22,1

21,6

21,0

20,7

20,3

20,1

Totaal primair onderwijs

5,8

6,0

6,1

6,0

6,1

6,0

6,0

Bron: Referentieraming 2012, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

Passend onderwijs en LGF

Beleidswijzigingen

Het doel van passend onderwijs is voor ieder kind een passend onderwijsaanbod te realiseren. Daartoe krijgen de schoolbesturen een «zorgplicht». Waar mogelijk zal een leerling die extra ondersteuning nodig heeft in het regulier onderwijs opgenomen worden. Daarnaast blijft het speciaal onderwijs bestaan voor die leerlingen die dat nodig hebben.

De stelselwijziging is vormgegeven in het wetsvoorstel passend onderwijs. Dit wetsvoorstel is op 15 maart 2012 door de Tweede Kamer aanvaard. Na de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn de randvoorwaarden voor invoering van het nieuwe stelsel veranderd als gevolg van de val van het kabinet. De Eerste Kamer is hiervan per brief op de hoogte gesteld (Kamerstuk 33 106, B). De verandering van de randvoorwaarden houdt in dat de stelselwijziging passend onderwijs niet langer gepaard gaat met een bezuiniging van € 100 miljoen in 2013, € 200 miljoen in 2014 en structureel € 300 miljoen vanaf 2015. Daarnaast is er voor schoolbesturen een jaar extra de tijd om passend onderwijs inhoudelijk vorm te geven. Dit betekent dat de zorgplicht per 1 augustus 2014 van start gaat. Samenwerkingsverbanden krijgen dus meer tijd om het ondersteuningsplan op te stellen, het gesprek daarover te voeren met leraren, ouders en gemeenten, en om leraren beter toe te rusten. De huidige samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs en de regionale expertise centra (rec’s) blijven nog een jaar langer, tot 1 augustus 2014, in stand.

De behandeling van de wetsvoorstellen passend onderwijs en kwaliteit (voortgezet) speciaal onderwijs staat in de Eerste Kamer geagendeerd.

Begrotingsakkoord 2013

De gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor artikel 1 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 1.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1 000)
     

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen1

9 909 093

9 768 892

9 726 096

9 583 645

9 521 034

9 365 310

9 320 079

Waarvan garantieverplichtingen

 

6 097

         

Totale uitgaven1

9 549 482

9 764 011

9 727 312

9 584 861

9 522 251

9 366 527

9 321 296

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
                   

Bekostiging

9 105 352

9 234 422

9 179 182

9 043 596

8 982 308

8 828 563

8 783 369

Hoofdbekostiging

9 034 252

9 050 174

8 985 514

8 866 681

8 813 476

8 828 563

8 783 369

 

Bekostiging Primair Onderwijs

9 024 015

9 037 658

8 972 783

8 853 898

8 800 674

8 816 210

8 771 016

 

Bekostiging Caribisch Nederland

10 237

12 516

12 731

12 783

12 802

12 353

12 353

Prestatiebox

0

132 500

167 100

157 400

157 400

0

0

Aanvullende bekostiging

71 100

51 748

26 568

19 515

11 432

0

0

 

Conciërgeregeling

9 724

21 815

19 515

19 515

11 432

0

0

 

Subsidieregeling Passend Onderwijs

26 000

14 706

0

0

0

0

0

 

Onderwijstijdverlenging

14 584

15 227

7 053

0

0

0

0

 

Overig

20 791

           
                   

Subsidies

132 446

130 249

113 894

110 480

110 617

110 647

110 681

 

Regeling Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

21 500

23 862

23 862

23 862

23 862

23 862

23 862

 

Nederlands onderwijs buitenland

17 969

17 449

17 449

17 655

17 655

17 655

17 655

 

Herstart en Op de Rails

18 730

19 162

19 162

19 162

19 162

19 162

19 162

 

Basis voor Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek)

0

11 300

10 000

6 400

5 100

0

0

 

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

8 196

10 000

10 000

10 000

10 000

10 000

10 000

 

Overig

66 052

48 475

33 421

33 400

34 837

39 967

40 001

                   

Opdrachten

14 972

25 825

21 761

21 172

21 245

21 255

21 266

                   

Bijdrage aan baten/lastendiensten

26 700

33 654

31 550

29 121

27 857

25 890

25 863

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

26 700

33 654

31 550

29 121

27 857

25 890

25 863

                   

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

9 025

8 874

8 616

8 184

7 916

7 865

7 809

 

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds

6 775

6 674

6 416

5 984

5 716

5 665

5 609

 

UWV

2 250

2 200

2 200

2 200

2 200

2 200

2 200

                   

Bijdrage aan medeoverheden

260 987

330 987

360 987

360 987

360 987

360 987

360 987

 

Gemeentelijk onderwijsachterstanden-beleid

260 987

260 987

260 987

260 987

260 987

260 987

260 987

 

Convenant G37

0

70 000

95 000

95 000

95 000

95 000

95 000

 

Ondersteuning niet G37

0

0

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

                   

Bijdrage aan begrotingsfondsen/ sociale fondsen

0

0

11 321

11 321

11 321

11 321

11 321

 

Brede Scholen

0

0

11 321

11 321

11 321

11 321

11 321

Ontvangsten

20 668

1 661

1 661

1 661

1 661

1 661

1 661

X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatsuitgaven. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

Bekostiging

Toelichting op de instrumenten

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekosting voor de personele en materiële kosten die scholen maken. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen, de gemiddelde leeftijd van leraren en het aantal groepen. Daarnaast wordt in de bekostiging rekening gehouden met groei en grootte van de school (kleine scholentoeslag en directietoeslag). Met de groeibekostiging is circa € 55 miljoen gemoeid, met de kleine scholentoeslag circa € 100 miljoen en met de directietoeslagen circa € 200 miljoen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een beperkt aantal specifieke kenmerken van leerlingen, met name voor onderwijsachterstandenbeleid. Met het onderwijsachterstandenbeleid (zowel gewichten als impuls) is circa € 400 miljoen gemoeid.

Het (voortgezet) speciaal onderwijs ontvangt naast de basisbekostiging tevens ondersteuningsmiddelen per leerling. In de onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging tevens beschikbaar zijn voor lichte en zware ondersteuning. In de bedragen in de tabel zijn ook ondersteuningsmiddelen opgenomen die via andere instrumenten worden verstrekt.

Lichte ondersteuning betreft voornamelijk de ondersteuningsmiddelen voor het speciaal basisonderwijs (sbao). De middelen voor zware ondersteuning zijn onder te verdelen in middelen voor leerling-gebonden financiering en ondersteuningsmiddelen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so). In het kader van passend onderwijs gaan de middelen voor zware ondersteuning naar de samenwerkingsverbanden.

Tabel 1.4 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
   

2013

2014

2015

2016

Lichte ondersteuning

vrnl. sbao

360

360

360

350

Zware ondersteuning

lgf

400

400

400

400

 

(v)so

900

900

900

900

Totaal

 

1 660

1 660

1 660

1 650

Meer informatie over de bekostiging van het primair onderwijs is te vinden op: (http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/financiering-onderwijs/financiering-primair-onderwijs)

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan scholen in Caribisch Nederland.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de bestuurlijke afspraken met de PO-raad en de ambities uit de actieplannen «Basis voor Presteren» en «Leraar 2020, een krachtig beroep!» ontvangen schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld voor het realiseren van de doelstellingen op het gebied van opbrengstgericht werken, professionalisering van leraren en schoolleiders en cultuureducatie. De regeling is gepubliceerd in de Stcrt 2012, 1714.

Naast de middelen die voorheen onderdeel waren van de bestemmingsbox voor taal en rekenen en de middelen vanuit het programma «Cultuureducatie met Kwaliteit», wordt de prestatiebox gevoed door de intensiveringen voor het primair basisonderwijs uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte. Deze aanvullende middelen hebben betrekking op taal en rekenen, hoogbegaafden, toetsen en professionalisering van leraren en schoolleiders. Daarnaast zijn de middelen voor het programma wetenschap en techniek toegevoegd aan de prestatiebox.

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. De belangrijkste aanvullende bekostiging wordt verstrekt voor conciërges, de invoering van passend onderwijs en pilots onderwijstijdverlenging.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van verscheidene beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de subsidiebijlage).

De belangrijkste subsidies zijn de regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten, de regeling Nederlands onderwijs in het buitenland en de subsidies voor «Herstart», «Op de rails», «Basis voor presteren» («School aan Zet» en «Bèta en Techniek») en Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs. «Herstart» helpt thuiszittende kinderen bij een nieuwe start op school. «Op de Rails» helpt leerlingen die dreigen te ontsporen om op de rails te blijven. «School aan Zet» biedt in de periode 2012–2016 een programma aan dat is gericht op de ondersteuning van schoolbesturen en scholen bij de implementatie van de beleidsprioriteiten uit de actieplannen «Basis voor Presteren» en «Leraar 2020, een krachtig beroep!». De middelen zijn daarnaast bestemd voor het project «Meer Betere Bèta’s». De subsidie voor Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs wordt toegekend aan de samenwerkende landelijke organisaties op dit gebied.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De omvangrijkste opdracht is die voor het professionaliseren van VVE-personeel en het onderzoeken van de effecten van VVE over de periode 2010–2020. Deze loopt structureel af.

Bijdrage aan baten/lastendiensten

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De stichtingen Vervangingsfonds en Participatiefonds ontvangen middelen voor het beheren van de vervangings- en werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. De kosten die het Vervangingsfonds en het Participatiefonds vergoeden, worden gedekt uit de premieopbrengsten van schoolbesturen.

Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jongehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bestaat uit meerdere instrumenten, onder andere voor- en vroegschoolse educatie, schakelklassen en zomerscholen. Voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in de G37 zijn vanaf 2012 extra middelen beschikbaar gekomen. Met de G37 zijn afspraken gemaakt om de kwaliteit voor met name de voorschoolse educatie te verbeteren en daarnaast het aantal kinderen dat deelneemt aan voor- en vroegschoolse educatie, schakelklassen, kopklassen en zomerscholen van goede kwaliteit aanzienlijk uit te breiden (Kamerstuk 31 293, 136). Voor de gemeenten die niet onder de G37 vallen, zal het geld worden ingezet voor het opheffen van specifieke knelpunten op het gebied van VVE, schakelklassen en zomerscholen.

Bijdrage aan begrotingsfondsen/sociale fondsen

Aan het gemeentefonds worden jaarlijks middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties).

Artikel

ARTIKEL 3. VOORTGEZET ONDERWIJS

Artikel

Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs heeft de taak om voor kwalitatief goed onderwijs te zorgen. Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren: de minister draagt verantwoordelijkheid voor de toegankelijkheid van het onderwijs. Dit borgt zij door aan de onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs bekostiging te verstrekken en door middel van wet- en regelgeving.

Stimuleren: de minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door middel van het Bestuursakkoord VO-raad – OCW 2012–2015 (Kamerstuk 31 289, nr. 110), het beschikbaar stellen van aanvullende bekostiging en via wet- en regelgeving. Tevens maakt de minister gebruik van de dialoog met scholen, ouders, leerlingen en belangenorganisaties. Namens de minister ondersteunt het programma School aan Zet de scholen bij de realisatie van de met de sector overeengekomen (kwantitatieve en kwalitatieve) ambities.

Regisseren: de minister is eveneens verantwoordelijk voor (het borgen van) de onderwijskwaliteit van scholen. Borging van de kwaliteit verloopt (primair) via het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het stelsel voortgezet onderwijs worden beschreven in Trends in Beeld 2012.

Tabel 3.1 Kengetallen (aantallen/bedragen)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1.

Totaal aantal ingeschreven leerlingen1. Nader te verdelen in:

925 500

931 300

941 100

949 500

955 200

954 200

944 900

 

Vmbo, excl. lwoo (excl. «groen onderwijs»)

308 100

310 600

311 300

310 100

306 600

300 800

292 000

 

Lwoo, (excl. «groen onderwijs»)

86 900

86 800

87 700

88 300

88 700

88 800

87 900

 

Havo

241 800

244 000

248 700

253 400

257 700

259 500

259 700

 

Vwo

254 300

255 500

258 900

262 900

267 200

269 900

270 200

 

Pro

26 500

26 500

26 800

27 100

27 200

27 100

26 700

 

Vavo

7 900

7 900

7 700

7 700

7 800

8 100

8 400

2.

Uitgaven per leerling (x € 1)

7 539

7 707

7 566

7 526

7 467

7 401

7 410

3.

Totaal aantal scholen

647

649

650

650

650

650

650

4.

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1 430

1 435

1 448

1 461

1 470

1 468

1 454

Bron: DUO

X Noot
1

Op de teldatum. Ten behoeve van de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld.

Toelichting:

  • Om beter bij de bekostiging aan te sluiten, zijn de uitgaven per onderwijsdeelnemer – in afwijking van de vorige begrotingen – nu berekend door het totaal van de uitgaven van ieder jaar (bijvoorbeeld T) te delen door het aantal leerlingen per 1 oktober van ieder jaar daarvoor (in dit voorbeeld T-1). De uitgaven per onderwijsdeelnemer betreffen alleen de uitgaven die in deze begrotingsstand zijn geboekt op dit artikel (voortgezet onderwijs). De uitgaven per onderwijsdeelnemer zullen de komende jaren overigens nog toenemen door middelen die op artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid zijn gereserveerd voor o.a. het voortgezet onderwijs.

  • Een school kan bestaan uit meerdere vestigingen. Het aantal vestigingen is ruim het dubbele van het aantal scholen.

Beleidswijzigingen

In het Bestuursakkoord VO-raad – OCW 2012–2015 zijn de ambities voor het voortgezet onderwijs voor de periode tot en met 2015 vastgelegd, uitgedrukt in meetbare streef- en tussendoelen. Deze doelen vinden hun oorsprong in de professionaliseringsagenda van de VO-raad en de actieplannen «Beter Presteren» (Kamerstuk 32 500, nr. 176) en «Leraar 2020 – een krachtig beroep!» (Kamerstuk 32 500, nr. 176). Het kabinet zet hiermee gericht in op vijf thema’s: kernvakken en brede vorming, opbrengstgericht werken, excellentie en hoogbegaafdheid, professionele leraren die kunnen omgaan met verschillen en lerende organisatie en goed HRM-beleid.

Begrotingsakkoord

De gevolgen van het Begrotingsakkoord voor artikel 3 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen1

7 049 704

7 136 955

7 043 703

7 078 329

7 084 677

7 062 336

7 063 705

Waarvan garantieverplichtingen

9 000

4 000

         

Totale uitgaven1

6 942 483

7 164 072

7 074 820

7 109 446

7 115 794

7 093 453

7 094 822

Waarvan juridisch verplicht

   

99,95%

       
                   

Bekostiging

6 775 166

6 999 582

6 924 719

6 960 515

6 968 457

6 948 506

6 950 458

Hoofdbekostiging

6 467 886

6 653 926

6 563 846

6 600 312

6 625 414

6 733 910

6 735 796

 

Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

6 455 883

6 639 985

6 551 413

6 587 704

6 612 788

6 721 897

6 723 770

 

Bekostiging Caribisch Nederland

12 003

13 941

12 433

12 608

12 626

12 013

12 026

Prestatiebox

0

110 000

130 000

132 000

133 000

0

0

 

Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

0

110 000

130 000

132 000

133 000

   

Aanvullende bekostiging

307 280

235 656

230 873

228 203

210 043

214 596

214 662

 

Regeling kwaliteitsagenda VO

55 703

0

0

0

0

0

0

 

Regeling aanvullende bekostiging

maatschappelijke stage in het VO

55 233

47 308

47 893

48 091

51 176

55 729

55 795

 

Tijdelijke regeling subsidiëring

experimenten leergang vmbo-mbo2

2008–2013 incl. borgingscohort vmbo-mbo2

27 423

27 181

24 113

21 245

0

0

0

 

Regeling IGVO (Internationaal

Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

3 327

3 741

3 741

3 741

3 741

3 741

3 741

 

Regeling leerplusarrangement,

nieuwkomers en eerste opvang vreemdelingen

93 970

86 205

86 205

86 205

86 205

86 205

86 205

 

Regeling regionaal zorgbudget

en reboundvoorzieningen

65 123

66 885

66 885

66 885

66 885

66 885

66 885

 

Regeling visueel gehandicapten

1 071

1 206

1 206

1 206

1 206

1 206

1 206

 

Regeling doorontwikkeling vmbo/pro

4 600

2 300

0

0

0

0

0

 

Regeling bekostiging kenniscentra

voor leerwerktrajecten vmbo

830

830

830

830

830

830

830

                   

Subsidies

77 327

63 223

53 810

51 899

49 502

49 195

48 634

 

Stichting Kennisnet (basissubsidie)

PO, VO, BVE

20 847

20 500

19 229

19 967

19 964

19 963

19 963

 

ICT-projecten

11 026

1 858

1 090

700

700

700

700

 

Beter presteren (Scholen aan

Zet en Platform Beta en Techniek)

9 800

5 950

5 700

5 750

5 500

5 500

5 500

 

Onderwijs Bewijs

5 342

4 715

3 092

1 663

1 269

561

0

 

Regionale verwijzingscommissies VO

6 862

6 985

6 985

6 985

6 985

6 985

6 985

 

Overige projecten

23 450

23 215

17 714

16 834

15 084

15 486

15 486

                   

Opdrachten

374

374

374

374

374

374

374

 

In- en uitbesteding

374

374

374

374

374

374

374

                   

Bijdragen aan baten/lastendiensten

27 531

30 240

27 284

25 597

24 421

22 873

22 851

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

27 531

30 240

27 284

25 597

24 421

22 873

22 851

                   

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

61 525

69 806

68 339

70 855

72 824

72 289

72 289

 

ZBO: College voor Examens

3 604

3 472

3 321

3 321

3 321

3 321

3 321

 

SLOA: onderwijs ondersteunende

instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

57 921

66 334

65 018

67 534

69 503

68 968

68 968

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

560

847

294

206

216

216

216

 

GRAZ (ECML) en PISA

560

847

294

206

216

216

216

Ontvangsten

9 450

1 361

1 361

1 361

1 361

1 361

1 361

X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatskosten. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

Hoofdbekostiging

Toelichting op de instrumenten

Personele en materiële bekostiging

Het voortgezet onderwijs kent een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. De schoolbesturen ontvangen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen en de schoolsoort.

Voor leerlingen met een indicatie voor het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) of praktijkonderwijs (pro) ontvangen scholen extra bekostiging bovenop de reguliere bekostiging. Het pro is een vorm van voortgezet onderwijs die leerlingen voorbereidt op de arbeidsmarkt en is bedoeld voor leerlingen die naar verwachting géén vmbo-diploma kunnen halen. Voor de leerlingen pro zijn de volgende zorgmiddelen beschikbaar:

Tabel 3.3 Zorgmiddelen pro (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Praktijkonderwijs

119

117

115

113

111

109

Lwoo is bedoeld voor leerlingen die extra begeleiding behoeven in een van de leerwegen van het vmbo, opdat ze wel hun vmbo-diploma halen. Voor de extra begeleiding zijn de volgende middelen beschikbaar:

Tabel 3.4 Begeleidingsmiddelen lwoo (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Lwoo

399

404

410

415

419

419

Bekostiging Caribisch Nederland

Voor de komende periode is voor het onderwijs in Caribisch Nederland een eigen onderwijsagenda opgesteld. Jaarlijks zullen de betrokkenen de voortgang van acties uit de onderwijsagenda evalueren en zo nodig bijstellen. De Inspectie voor het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De rapportages van haar bevindingen zullen worden betrokken bij de evaluatie van de voortgang. De Eerste en Tweede Kamer zullen hierover op hoofdlijnen worden geïnformeerd.

Prestatiebox

Regeling Prestatiebox Voortgezet Onderwijs

Voor het realiseren van de bestuurlijke afspraken met de VO-raad en de ambities uit de actieplannen «Beter Presteren» en «Leraar 2020, een krachtig beroep» ontvangen schoolbesturen tot en met 2015 jaarlijks extra middelen via de prestatiebox (Staatsscourant 2012 nr. 215 d.d. 5 januari 2012). Via deze prestatiebox ontvangen scholen aanvullende middelen om de op deze thema’s gestelde doelen te realiseren. Het gaat voor de hele sector voortgezet onderwijs om een bedrag van € 110 miljoen in 2012, € 130 miljoen in 2013, € 132 miljoen in 2014 en € 133 miljoen in 2015.

Verantwoording over de besteding gebeurt via reguliere systematiek van de jaarrekening en het jaarverslag. De voortgang op sectorniveau wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van een jaarlijkse monitor. Op basis van de monitor in 2013 («midterm review») wordt besloten hoe het geld uit de prestatiebox in de jaren 2014 en 2015 beschikbaar wordt gesteld. Tegenvallende resultaten of onvoldoende (financiële) inspanningen op sectorniveau kunnen ertoe leiden dat er andere voorwaarden gaan gelden voor de besteding van de aanvullende middelen in de resterende jaren.

Aanvullende bekostiging

Regeling Kwaliteit Voortgezet Onderwijs

In de Kwaliteitsagenda Voortgezet Onderwijs is aangegeven welke prioriteiten en basisvoorwaarden nodig zijn om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Tot en met 2011 ontvingen scholen op grond van de Regeling Kwaliteit Voortgezet Onderwijs hiervoor een financiële bijdrage. De middelen voor de Kwaliteitsagenda Voortgezet Onderwijs zijn vanaf 2012 opgegaan in de middelen voor de Regeling Prestatiebox Voortgezet Onderwijs.

Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs

De maatschappelijke stage valt vanaf het schooljaar 2011–2012 onder de lumpsumbekostiging. Op 5 juli 2011 heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel hierover aangenomen (Kamerstuk 32 531, nr. A). Hierdoor is de maatschappelijke stage officieel een feit. Alle scholieren in het voortgezet onderwijs lopen vanaf september 2011 eens in hun schoolcarrière minimaal 30 uur maatschappelijke stage.

Tijdelijke regeling subsidiering experimenten leergang vmbo-mbo2 2008–2013, inclusief borgingscohort vmbo-mbo2

In het schooljaar 2008–2009 is het experiment vmbo-mbo2 (VM2) gestart. Het doel van dit experiment is om de overstap te vergemakkelijken van vmbo naar mbo voor een kwetsbare groep leerlingen uit de basisberoepsgerichte leerweg en daarmee voortijdig school verlaten te voorkomen. In 2013 wordt het experiment geëvalueerd.

Vanaf schooljaar 2010–2011 is het mogelijk om een borgingscohort te starten voor de reeds deelnemende VM2 scholen van het eerste en/of tweede cohort, die daadwerkelijk onderwijs voor de leergang VM2 verzorgen.

Regeling IGVO (Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

De beleidsregel IGVO geeft aan op welke wijze scholen een aanvraag kunnen doen voor erkenning en bekostiging van een opleiding voor internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs, hoe dat onderwijs moet worden ingericht en op welke wijze de minister dit onderwijs bekostigt. De financiële middelen bij deze regeling betreffen de toeslag die scholen per leerling per jaar ontvangen. Daarnaast worden leerlingen IGVO bekostigd als havo- en vwo leerlingen conform het bekostigingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs.

Regeling leerplusarrangement VO, nieuwkomers VO en eerste opvang vreemdelingen

Deze regeling bestaat uit 3 onderdelen:

  • Leerplusarrangement: scholen komen bij een bepaald percentage leerlingen uit achterstandswijken in aanmerking voor aanvullende bekostiging van het Leerplusarrangement. Scholen die te maken hebben met opeenstapeling van problemen (zoals veel leerlingen met een verhoogd risico van spijbelen, vertraging in de schoolloopbanen, voortijdig schoolverlaten, criminaliteit en/of jeugdzorgproblematiek), worden in staat gesteld om maatwerk te leveren om uiteindelijk even goed te presteren als de overige scholen.

  • Nieuwkomers: de aanvullende bekostiging is bestemd voor leerlingen die op enige teldatum korter dan een jaar, dan wel één tot twee jaar in Nederland zijn en die vreemdeling zijn volgens de Vreemdelingenwet 2000.

  • Eerste opvang vreemdelingen: de aanvullende bekostiging is bestemd voor vreemdelingen die op twee peildata als daadwerkelijk schoolgaand staan ingeschreven en die op beide peildata korter dan één jaar in Nederland verblijven.

Regeling regionaal zorgbudget, subsidie regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs 2006 en reboundvoorzieningen

Samenwerkingsverbanden VO (swv’s) ontvangen een regionaal zorgbudget voor niet-geïndiceerde leerlingen die toch extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast ontvangen de swv’s reboundmiddelen bestemd voor de tijdelijke herplaatsing van leerlingen.

Regeling visueel gehandicapten

Scholen krijgen op aanvraag aanvullende bekostiging voor leerlingen die als direct gevolg van een visuele handicap aanvullende begeleiding nodig hebben om het onderwijs aan de school te volgen.

Regeling doorontwikkeling vmbo/pro

Tot en met 2012 wordt jaarlijks aan scholen voor praktijkonderwijs een bedrag per school en een bedrag per leerling verstrekt om deel te nemen in netwerken waarin scholen samenwerken om de kwaliteit van het praktijkonderwijs te verbeteren en om een goede overdracht van leerlingen naar de arbeidsmarkt te bevorderen in samenwerking met arbeidsmarktinstanties, gemeenten, werkgevers en werknemersorganisaties.

Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

Vmbo-scholen kunnen leerwerktrajecten aanbieden in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Het leerwerktraject is een maatwerkroute binnen de basisberoepsgerichte leerweg; een combinatie van binnenschools en buitenschools leren zorgt voor een aantrekkelijk en inspirerend leerklimaat voor leerlingen.

De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn actief betrokken bij de totstandkoming van leerwerktrajecten in het vmbo. Hiervoor ontvangen zij jaarlijks een rijksbijdrage.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van verscheidene beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage 4: Subsidies).

De drie grootste subsidies zijn de subsidies voor Stichting Kennisnet en ICT projecten, voor het programma School aan Zet van het Platform Bèta en Techniek en voor de Regionale Verwijzingscommissies.

Opdrachten

In- en uitbesteding

Voor diverse ad hoc projecten is extra personeel of expertise aangewend.

Bijdragen aan baten/lastendiensten

DUO

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

ZBO: College voor Examens

Het College voor Examens (CvE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie, de staatsexamens voor VO en voor Nederlands als tweede taal (NT2). De taak van het CvE is om namens de overheid de kwaliteit van al deze examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze afname.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (inclusief examens)

Het budget van de onderwijsondersteunende instellingen bedraagt in 2013 totaal circa € 65 miljoen. De onderwijsondersteunende instellingen APS, CPS en KPC ontvangen voor in totaal circa € 10 miljoen voor praktijkgericht onderwijs onderzoek. CITO en SLO ontvangen samen circa € 55 miljoen voor examens, toets- en leerplanontwikkeling (incl. diagnostische tussentijdse toets) en normering.

De structuur van de huidige Wet Sloa (Stb. 1997, 290) zal na 2013 veranderen volgens accenten in het regeerakkoord. Voor CITO en SLO gaat dat om een sectoroverstijgende doorlopende leer- en toetslijn. In het onderwijsonderzoek zal een efficiëntere en sterkere kennisketen worden ontwikkeld. De financiering voor de onderwijsondersteunende instellingen zal hierdoor anders gaan lopen. De middelen voor de LPC worden ter beschikking gesteld aan een coördinatie- en regieorgaan voor onderwijsonderzoek onder auspiciën van NWO. SLO en CITO blijven subsidie ontvangen voor de activiteiten die ze op basis van de Wet SLOA uitvoeren.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

European Centre for Modern Languages (ECML) te Graz

Het European Centre for Modern Languages (ECML) is een mede door Nederland opgericht Europees expertisecentrum voor het talenonderwijs. Nederlandse sleutelfiguren op het vlak van talenonderwijs maken in workshops van dit centrum kennis met de nieuwste ontwikkelingen op dit gebied en verspreiden die kennis nationaal.

PISA

Nederland heeft zich internationaal verplicht tot deelname aan het internationale vergelijkend onderzoek van de OECD «Programme for International Student Assessment». Met de deelname aan het PISA project houdt OCW bij hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science». Als zodanig is PISA een toetssteen voor het succes van innovaties en de kennisinfrastructuur in Nederland.

Toetsing van leerlingen vindt eenmaal in de drie jaar plaats. Over de uitkomsten van PISA 2012 verschijnt eind 2013 de publicatie.

Artikel

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

Artikel

Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een middelbaar onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele deelnemers en bij de behoeftes van de maatschappij. De bve-sector omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het middelbaar beroepsonderwijs is een belangrijke leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een cruciale schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren: De minister is verantwoordelijk voor de financiering van het het middelbaar onderwijs door lumpsum bekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, prestatieafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

De verantwoordelijkheid voor de educatie is belegd bij de gemeenten, omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte. Educatie bestaat uit voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en basiseducatie. Gemeenten ontvangen via het Participatiebudget de rijksbijdrage educatie voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s. Per 2013 wordt de bekostiging van het volwassenenonderwijs gecentraliseerd.

De hoofdlijnen van het beleid voor het mbo in deze kabinetsperiode zijn uitgewerkt in het actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524, nr. 88).

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie worden beschreven in Trends in Beeld 2012.

Tabel 4.1 Kengetallen

Indicator

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1.

Aantal deelnemers mbo (excl. «groen onderwijs»)

480 977

476 772

477 305

474 599

468 387

466 556

 

bol

330 141

336 219

345 491

349 205

347 998

345 401

 

bbl (oud)

143 383

134 379

127 498

122 086

117 388

118 096

 

dt-bol

7 454

6 174

4 317

3 308

3 000

3 059

Bron: OCW-Referentieraming 2011

2.

Gewogen gemiddelde onderwijsuitgaven per mbo-deelnemer (x € 1 000)

7,4

7,4

7,5

7,6

7,6

7,6

Bron: Lumpsum budget/specifieke regelingen en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo

Beleidswijzigingen

De maatregel «MBO invoeren leeftijdsgrens 30 jaar voor bekostiging», waardoor de publieke bekostiging voor mbo-studenten van 30 jaar en ouder stopgezet zou worden, zal geen doorgang vinden. Het wetsvoorstel «bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs» blijft inhoudelijk ongewijzigd, maar wordt één jaar vertraagd met het oog op een goed invoeringstraject.

Begrotingsakkoord

De gevolgen van het Begrotingsakkoord voor artikel 4 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 4.2. Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen1

3 555 445

3 574 815

3 564 888

3 636 905

3 554 107

3 567 361

3 566 931

Waarvan garantieverplichtingen

104 200

21 147

 

 

 

 

 

Totale uitgaven1

3 476 052

3 491 167

3 500 665

3 555 068

3 629 906

3 563 101

3 568 894

Waarvan juridisch verplicht2

   

99%

       
               

Bekostiging

3 262 317

3 299 523

3 358 110

3 424 137

3 514 244

3 448 074

3 454 583

Hoofdbekostiging

2 954 378

3 020 540

3 098 315

3 129 111

3 263 280

3 190 410

3 196 919

 

Bekostiging roc's/overige

2 852 729

2 916 064

2 928 356

2 960 570

3 095 655

3 024 976

3 031 577

regelingen

 

Bekostiging kbb's

98 820

99 873

107 496

106 065

105 143

102 937

102 841

 

Bekostiging Caribisch

2 829

4 603

4 142

4 155

4 161

4 176

4 180

Nederland

 

Bekostiging vavo

0

0

58 321

58 321

58 321

58 321

58 321

Prestatiebox

0

4 100

30 700

123 800

123 800

123 800

123 800

 

Taal en Rekenen

0

0

0

56 600

56 600

56 600

56 600

 

Stagebox

0

0

26 600

26 600

26 600

26 600

26 600

 

VSV

0

4 100

4 100

40 600

40 600

40 600

40 600

Aanvullende bekostiging

307 939

274 883

229 095

171 226

127 164

133 864

133 864

 

Schoolmaatschappelijk werk

14 017

14 017

14 017

14 017

14 017

14 017

14 017

in het mbo

 

Versterken centrale en

0

1 584

13 612

13 612

13 612

13 612

13 612

uniforme toetsing

 

RMC's

31 599

31 885

31 885

31 885

31 885

31 885

31 885

 

Plusvoorzieningen overbelaste jongeren en wijkscholen

72

30 400

30 400

30 400

30 400

30 400

30 400

 

Programmagelden regio's

44 389

0

19 700

19 450

19 150

25 850

25 850

 

Convenanten met RMC-regio's

39 590

61 038

12 100

17 100

17 100

17 100

17 100

 

Aanvullende vergoeding

3 788

3 103

5 099

1 000

1 000

1 000

1 000

experimenten vmbo-mbo 2

 

Leerlinggebonden financiering

38 221

43 762

43 762

43 762

0

0

0

(LGF)

 

Taal en Rekenen

58 313

54 094

58 520

0

0

0

0

 

Stagebox

34 900

35 000

0

0

0

0

0

 

Innovatiebox

43 050

0

0

0

0

0

0

               

Subsidies

51 480

33 320

37 261

39 059

27 961

28 099

28 204

waarvan:

             
 

Actieplan Laaggeletterdheid

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

 

Pilots laaggeletterdheid

0

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

 

Sectorplan mbo-hbo techniek

400

400

400

3 065

735

0

0

 

Netwerkscholen

4 500

3 000

3 000

3 500

0

0

0

 

Innovatiearrangement

10 000

0

0

0

0

0

0

 

Stageoffensief

3 000

0

0

0

0

0

0

 

Loopbaanorientatie

1 740

3 760

3 000

3 000

3 000

3 000

3 000

 

Overige projecten

27 840

17 160

21 861

20 494

15 226

16 099

16 204

               

Opdrachten

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

 

In- en uitbesteding

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

6 441

               

Garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

 

Schatkistbankieren

0

0

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan baten/

lastendiensten

19 549

18 491

16 969

16 550

16 074

15 334

15 321

 

DUO

19 549

18 491

16 969

16 550

16 074

15 334

15 321

               

Bijdrage aan (inter)nationale orgamisaties/medeoverheden

12 756

13 064

19 877

6 874

3 179

3 146

2 338

 

Caribisch Nederland

12 756

13 064

19 877

6 874

3 179

3 146

2 338

               

Bijdrage aan begrotings

fondsen/sociale fondsen

115 863

111 604

53 283

53 283

53 283

53 283

53 283

 

Participatiebudget

115 863

111 604

53 283

53 283

53 283

53 283

53 283

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7 646

8 724

8 724

8 724

8 724

8 724

8 724

 

College voor Examens

411

363

363

363

363

363

363

 

Wet SLOA

7 235

8 361

8 361

8 361

8 361

8 361

8 361

               

Ontvangsten

11 108

2 000

0

0

0

0

0

X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatskosten. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

X Noot
2

De resterende middelen (1%) zijn grotendeels bestuurlijk gebonden

Hoofdbekostiging

Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging roc’s

Momenteel ligt het wetsvoorstel dat zich richt op het doelmatiger inrichten van mbo-opleidingen en de modernisering van de mbo-bekostiging in de Tweede Kamer. In het wetsvoorstel wordt een aantal maatregelen uit het actieplan mbo nader uitgewerkt. Het gaat om de maatregelen «verkorten en intensiveren van mbo-opleidingen», «afschaffen drempelloze instroom mbo-2» en «de herinrichting van mbo-1 opleidingen in entreeopleidingen». De nadere uitwerking van de bekostigingsvoorwaarden en verdeelmaatstaven wordt vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB). Beoogd wordt dit wetsvoorstel vanaf 2014 in werking te laten treden.

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). In het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan deze lumpsum wordt berekend. De middelen worden over de instellingen verdeeld op basis van het aantal studenten (80%) en het aantal diploma’s (20%). Bij de weging van de studenten wordt onderscheid gemaakt tussen bol, bbl en deeltijd-bol studenten. Het budget voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten is bedoeld voor studenten die extra begeleiding nodig hebben om hun studie succesvol af te ronden. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal studenten op de niveaus 1 en 2.

Bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven

Op de begroting zijn middelen beschikbaar voor de 16 kenniscentra (exclusief het groene onderwijs) om hun wettelijke taken uit te voeren. De kenniscentra dragen bij aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Dit doen zij door te beschrijven wat een beginnend beroepsbeoefenaar aan kennis en vaardigheden moet hebben om een diploma te kunnen behalen. Daarnaast dragen de kenniscentra zorg voor een toereikend aantal erkende bedrijven en organisaties dat de beroepspraktijkvorming verzorgt voor zowel de deelnemers in de beroepsbegeleidende als in de beroepsopleidende leerweg. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van de (wettelijke) werkzaamheden van de kenniscentra. Vanaf 2013 worden de middelen uit de stagebox bestemd voor de kbb’s structureel toegevoegd aan de bekostiging. Voor de bekostiging van de kenniscentra wordt beoogd per 2013 een nieuw bekostigingsmodel in te voeren. Dit verdeelmodel is gebaseerd op de wettelijke taken en de verdeling van de werklast over de kenniscentra.

Bekostiging Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op Bonaire middelbaar beroepsonderwijs aangeboden. Vanaf 1 augustus 2012 zal ook op St. Eustatius en Saba middelbaar beroepsonderwijs aangeboden worden (het gaat om een beperkt aantal opleidingen, vooralsnog alleen op niveau 2). Deze middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten, die middelbaar beroepsonderwijs volgen. In jaren 2012 t/m 2014 ontvangen de instellingen ook middelen om het beroepsonderwijs op de eilanden Saba en St. Eustasius op te starten en op alle drie de eilanden te verbeteren.

Bekostiging vavo

In het actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524, nr. 88, p. 7 en 8) is aangekondigd dat het educatie-onderdeel voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) budgetneutraal onder directe aansturing van het Rijk zal worden gebracht. Beoogde inwerkingtreding van de aanpassingen in wet- en regelgeving is 2013. In 2013 en 2014 is er een overgangsbekostiging, omdat de benodigde bekostigingsgegevens, vanwege de t-2 systematiek, pas voor het bekostigingjaar 2015 beschikbaar zijn.

Prestatiebox

Er is een prestatiebox ingevoerd om individuele resultaatafspraken met instellingen te kunnen maken. Instellingen krijgen een bijdrage uit de prestatiebox op basis van geleverde prestaties (Kamerstuk 31 524, nr. 88). De vsv-middelen voor mbo-instellingen zijn geoormerkt aan de prestatiebox toegevoegd. In de jaren 2012 en 2013 betreft dit € 4,1 miljoen en vanaf 2014 is dit € 40,6 miljoen. Vanaf 2013 worden de middelen voor de stagebox bestemd voor de mbo-instellingen structureel aan de prestatiebox toegevoegd.

Aanvullende bekostiging

Schoolmaatschappelijk werk

Voor schoolmaatschappelijk werk worden jaarlijks middelen aan het mbo-veld ter beschikking gesteld. Met deze middelen kunnen instellingen voor de studenten, die dit tijdelijk nodig hebben, snel en adequaat hulpverlening inschakelen. Hierdoor wordt het risico op uitval van deze student verkleind. De mbo-instellingen worden in 2013 voor het laatst ondersteund bij de verdere ontwikkeling van de zorgstructuur binnen hun instelling. Deze ondersteuning is geïntegreerd met de introductie van Passend Onderwijs in het mbo.

Versterken van centrale en uniforme toetsing

In het regeerakkoord is afgesproken de centrale en uniforme toetsing te intensiveren en de onafhankelijke examinering in het mbo te versterken,waarbij kernvakken centraal worden geëxamineerd. De standaardisering van examens voor de beroepsgerichte examenonderdelen wordt versterkt en de centrale examinering van Nederlandse taal, rekenen en Engels wordt gefaseerd ingevoerd. Dit sluit aan op de maatregelen uit het Actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524, nr. 88).

RMC’s

Dit is de bekostiging van de rmc-functie van 39 rmc-regio’s. De rmc-functie heeft tot taak met de niet meer kwalificatieplichtige vsv’ers uit vo en mbo contact te leggen en hen zoveel mogelijk terug te begeleiden naar school of naar een combinatie van school en werk. De daarvoor beschikbare middelen worden over de rmc-regio’s verdeeld volgens een verdeelsleutel die is vastgelegd in het «Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten». Het bedrag voor elke rmc-regio wordt uitgekeerd aan de rmc-contactgemeente van de regio.

Programmagelden regio’s/plusvoorziening

Op grond van de Regeling regionale aanpak ontvangt iedere RMC-regio subsidie voor een regionaal programma vsv met als doel het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Het programma bevat maatregelen die, blijkens een regionale analyse door de contactschool over de RMC-regio, zijn gericht op structurele borging van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten in het onderwijsproces van de onderwijsinstellingen en op het bevorderen van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen onderling en gemeenten in de RMC-regio.

Het regionaal programma vsv omvat ten minste één plusvoorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen en scholen uit die RMC-regio. Een plusvoorziening bestaat uit een gecombineerd programma van onderwijs (leidend naar het behalen van een startkwalificatie), zorg, hulpverlening en waar nodig arbeidstoeleiding. Deze voorziening is bedoeld voor jongeren tot 23 jaar, die zodanig ernstige problemen ondervinden op het gebied van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren dat zij de onderwijsinstelling zonder diploma dreigen te verlaten.

Convenanten met RMC-regio’s

In het regeerakkoord is afgesproken het aantal voortijdig schoolverlaters verder terug te brengen naar maximaal 25 000 in 2016. Om deze doelstelling te realiseren zijn in 2012 meerjarige prestatiegerichte convenanten afgesloten voor de periode 2012–2015. De convenantpartners zijn scholen in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijsonderwijs en de contactgemeenten van de 39 RMC-regio’s (regionale meld- en coördinatiefunctie vsv) en het Rijk. Op basis van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten (Staatscourant nr. 5841, 27 maart 2012) en de Regeling prestatiebox (Staatscourant nr. 5808, 26 maart 2012) ontvangen de onderwijsinstellingen een vaste vergoeding en een (variabele) prestatiesubsidie. De variabele vergoeding wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar per categorie beroepsopleiding. Toekenning vindt plaats als één of meer procentuele vsv-normen is behaald.

Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo

Het geld is bedoeld voor de projectorganisatie van het experiment met de leergang vmbo-mbo2 (VM2). In het schooljaar 2008–2009 zijn de eerste scholen gestart met een eerste cohort VM2. Het tweede cohort startte in schooljaar 2009–2010. Sinds het schooljaar 2010–2011 zijn er voor de deelnemende VM2 scholen zogenaamde «borgingscohorten». Op dit moment volgen circa 3 500 leerlingen een VM2 traject.

Het expertisecentrum beroepsonderwijs (ecbo) voert sinds de start van VM2 de monitor uit. De monitor brengt de ontwikkeling binnen VM2 in beeld. Dat gebeurt door middel van dataverzameling en analyse en aansluitend een rapportage. De monitor moet uitwijzen wat het resultaat van het experiment met de leergang VM2 is. Het onderzoek wordt afgerond in 2013. Een externe projectleider ondersteunt en begeleidt daarnaast de deelnemende VM2 scholen bij het experiment.

Leerlinggebonden financiering

Voor de ondersteuning en begeleiding van studenten met een beperking of chronische ziekte kunnen de mbo-instellingen leerlinggebonden financiering aanvragen. Op die manier worden ook deze studenten in staat gesteld hun opleiding succesvol af te ronden. De leerling gebonden financiering (LGF) wordt per 1 augustus 2014 toegevoegd aan de bekostiging voor de mbo-instellingen

Taal en rekenen

In het mbo worden vanaf het studiejaar 2013–2014 centrale examens Nederlandse taal en rekenen ingevoerd (Kamerstuk 31 332, nr. 16). De onderwijsinstellingen ontvangen in het kader van de «Regeling Intensivering taal- en rekenonderwijs» geld ten behoeve van de intensivering van het taal- en rekenonderwijs en de voorbereiding op de centrale examinering ervan.

Regeling stagebox

Vanaf 2013 worden de middelen (€ 35 000 000) uit de Regeling overgeheveld naar de prestatiebox Kamerstuk 31 524, nr. 88 en het budget dat betrekking heeft op de kenniscentra wordt onderdeel van de lumpsum voor de kenniscentra.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van verscheidene beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage 4: Subsidies).

Actieplan laaggeletterdheid

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid is jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van het Actieplan laaggeletterdheid 2012–2015 «Geletterdheid in Nederland» (Kamerstuk 28 760, nr. 22.).

Pilots laaggeletterdheid

Vanaf 2012 worden vanuit het educatiebudget middelen ter beschikking gesteld voor pilots laaggeletterdheid (Actieplan laaggeletterdheid 2012–2015 «Geletterdheid in Nederland», Kamerstuk 28 760, nr. 22, p. 6). In de pilots zullen nieuwe werkwijzen worden uitgeprobeerd, gebaseerd op ervaringen in het buitenland en op basis van wetenschappelijke inzichten, in de aanpak van laaggeletterdheid.

Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016

Dit betreft middelen voor het sectorplan mbo-techniek en het sectorplan hbo-techniek (Kamerstuk 32 123 VIII, nr. 148). Hiermee worden drie centers of expertise hbo en zes centra voor innovatief vakmanschap mbo opgericht. Deze centra, die met cofinanciering van bedrijven tot stand komen, zijn gericht op toponderwijs, toponderzoek en innovaties in het bedrijfsleven.

Netwerkscholen

Beroepsgericht onderwijs vraagt om bedrijfsvoering die daar goed op aansluit. Om te stimuleren dat mbo-instellingen hun bedrijfsvoering verder moderniseren, loopt van 2011 tot en met 2014 het experiment De Netwerkschool. Het doel van dit experiment is een bijdrage leveren aan het terugdringen van het lerarentekort door wetenschappelijk onderzoek te doen naar methoden om de arbeidsproductiviteit in het onderwijs te verhogen op het vlak van een slimmere organisatie van het onderwijs en effectieve inzet van ict.

Overige projecten

Hieronder vallen posten zoals internationalisering, gehandicaptenbeleid en kwaliteitsbeleid.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. Omdat bij deze opdrachten sprake is van een concreet eindproduct/resultaat is er sprake van uitbesteding.

Bijdrage aan baten/lastendiensten

DUO

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan medeoverheden

Verbetermiddelen Caribisch Nederland

Deze middelen worden ingezet voor het verhogen van de leerprestaties van de leerlingen op alle scholen in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Het gaat om incidentele investeringen en voorzieningen die (nog) niet uit de lumpsum bekostigd kunnen worden. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland.

Bijdrage aan begrotingsfondsen/sociale fondsen

Participatiebudget

Sinds 1 januari 2009 maakt het educatiebudget onderdeel uit van het Participatiebudget, een specifieke uitkering voor gemeenten. Het bedrag is gelijk aan de bijdrage van OCW aan het Participatiebudget die gemeenten moeten besteden aan de inkoop van educatieopleidingen bij roc’s. Het educatie-onderdeel voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) zal budgetneutraal onder directe aansturing van het Rijk worden gebracht. Beoogde inwerkingtreding van de aanpassingen in wet- en regelgeving is 2013.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

College voor Examens

Het College voor Examens (CvE) is een ZBO die verantwoordelijk is voor de examens rekenen en taal in het (middelbaar) beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet SLOA

Hieronder vallen posten zoals «Ontwikkeling staatsexamens cito» en het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo).

Artikel

ARTIKEL 6 en 7. HOGER ONDERWIJS

Artikel

Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren: De minister financiert het stelsel van het hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de prestatiebox, afzonderlijke subsidies en de inzet van andere instrumenten, zoals prestatieafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs vult de minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving en daarnaast op het functioneren van het accreditatiestelsel als geheel.

Kengetallen hoger onderwijs

Tabel 6.1 Kengetallen

(aantallen x 1 000)

2011/2012

2012/2013

2013/2014

2014/2015

2015/2016

1.

Ingeschreven studenten (inclusief langstudeerders, exclusief groen onderwijs) 1)

 

Hbo-voltijd bachelor

354,1

359,1

363,7

368,6

373,8

 

Hbo-voltijd master

2,7

2,9

3,2

3,5

3,6

 

Hbo-deeltijd bachelor

51,3

49,0

47,6

46,1

45,2

 

Hbo-deeltijd master

9,4

8,8

8,5

8,4

8,3

   

Totaal hbo

417,5

419,8

423,0

426,5

430,9

               
 

Wo-voltijd bachelor

152,3

153,1

154,5

155,5

156,5

 

Wo-voltijd master

75,5

76,8

78,3

80,1

82,0

 

Wo-deeltijd bachelor

4,2

3,7

3,5

3,3

3,2

 

Wo-deeltijd master

4,7

4,3

4,0

3,9

3,7

   

Totaal wo

236,7

238,0

240,3

242,8

245,4

Bron: Referentieraming 2012 (begroting)

2.

Gediplomeerden (inclusief langstudeerders, exclusief groen onderwijs) 1)

 

Hbo-voltijd bachelor

52,0

53,0

53,9

54,7

55,5

 

Hbo-voltijd master

1,1

1,1

1,1

1,3

1,3

 

Hbo-deeltijd bachelor

9,1

9,0

8,8

8,6

8,5

 

Hbo-deeltijd master

3,2

3,0

2,9

2,8

2,8

 

Totaal hbo

65,4

66,0

66,7

67,4

68,1

               
 

Wo-voltijd bachelor

26,5

26,7

26,9

27,2

27,3

 

Wo-voltijd master

30,6

30,8

31,2

31,6

32,3

 

Wo-deeltijd bachelor

0,6

0,6

0,5

0,5

0,5

 

Wo-deeltijd master

1,4

1,3

1,3

1,2

1,2

   

Totaal wo

59,1

59,4

60,0

60,5

61,4

Bron: Referentieraming 2012 (Radon)

(bedragen x € 1 000)

2013

2014

2015

2016

3.

Onderwijsuitgaven per student

       
 

Hbo

       
   

Onderwijsuitgaven per student 2)

6,0

6,0

6,0

6,0

   

Bedrag per student aan ontvangsten verhoogd collegegeld conform langstudeerdersmaatregel 3)

0,2

0,2

0,2

0,2

   

Totaal

6,2

6,2

6,2

6,2

 

Wo

       
   

Onderwijsuitgaven per student 2)

5,8

5,9

5,9

5,9

   

Bedrag per student aan ontvangsten verhoogd collegegeld conform langstudeerdersmaatregel 3)

0,3

0,3

0,3

0,3

   

Totaal

6,1

6,2

6,2

6,2

Toelichting:

  • 1. De Referentieraming 2012 is gemaakt met een nieuw ramingsysteem. Dit systeem maakt een grotere detaillering mogelijk, zodat nu ook voor het wo onderscheid kan worden gemaakt naar voltijd/deeltijd en voor zowel hbo als wo naar bachelor/master. Daarmee wordt aangesloten bij de bekostiging, die gebaseerd is op o.a. het aantal bekostigde studenten en graden bachelor en masteropleidingen. Vanaf de begroting 2013 worden dus de gediplomeerden van de bacher- en masteropleidingen afzonderlijk geteld (bij de begroting 2012 was dit nog niet het geval).

    Het aantal eerstejaars speelt bij de bekostiging geen rol meer en zijn in deze begroting niet (meer) als kengetallen opgenomen.

  • 2. De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2012 (overeenkomstig tabel 6.1, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren).

  • 3. Deze bedragen geven de ontvangsten per student weer van het verhoogde collegegeld conform de langstudeerdersmaatregel.

Vanaf het collegejaar 2012–2013 vindt er als gevolg van de collegegeldverhoging voor langstudeerders een verschuiving plaats van publieke naar private financiering. De geraamde ontvangsten van het verhoogde collegegeld als gevolg van de langstudeerdersmaatregel zijn in mindering gebracht op de budgetten van het hbo en het wo. Om de vergelijking met voorgaande begrotingen mogelijk te maken, zijn ook in deze begroting naast de publieke onderwijsuitgaven per student (2) ook de private onderwijsuitgaven als gevolg van de collegegeldverhoging voor langstudeerders (3) gepresenteerd.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in de beleidsagenda, in het Onderwijsverslag 2010–2011 (Kamerstuk 33 000 VIII, nr. 185) en in Trends in Beeld 2012.

In het jaar 2011 ondersteunden de bekostigde instellingen 668 niet-EER studenten uit het Profileringsfonds (Kamerstuk 31 821, nr. 44). In de toekomst zal deze informatie worden opgenomen in het jaarverslag (voor het eerst in 2013 met informatie over de aantallen in 2012).

Begrotingsakkoord

Beleidswijzigingen

De gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor artikel 6 en 7 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 6.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1 000)
     

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen1

2 503 819

2 483 912

2 468 852

2 502 380

2 540 849

2 575 700

2 575 509

Waarvan garantieverplichtingen

40 000

10 000

         

Totale uitgaven1

2 509 283

2 509 035

2 464 254

2 492 375

2 501 818

2 539 837

2 575 687

Waarvan juridisch verplicht

   

99,9% 2

       
                   

Bekostiging

2 466 582

2 461 746

2 423 882

2 451 193

2 461 938

2 505 431

2 541 294

Hoofdbekostiging

2 466 582

2 409 515

2 264 956

2 282 795

2 288 339

2 324 015

2 352 139

 

Onderwijsdeel hbo

2 384 034

2 322 429

2 177 865

2 202 640

2 218 242

2 254 083

2 282 114

 

Deel Ontwerp en ontwikkeling

69 748

68 605

68 607

68 671

68 613

68 448

68 541

 

Bekostiging tweede bachelor- en mastergraden in het hbo

1 219

2 000

2 000

       
 

Bekostiging experimenten open bestel

10 705

15 000

15 000

10 000

     
 

Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

876

1 481

1 484

1 484

1 484

1 484

1 484

Prestatiebox

 

52 231

158 926

168 398

173 599

181 416

189 155

 

Kwaliteit en profiel (behoort tot Onderwijsdeel hbo)

 

52 231

158 926

168 398

173 599

181 416

189 155

   

             

Subsidies

28 186

29 200

23 284

25 462

25 086

21 088

21 088

 

Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen

12 055

22 267

19 967

19 300

16 899

16 899

16 899

 

Regeling stimulering Bèta/techniek (Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016)

     

2 000

4 000

   
 

Studiekeuze-informatie hoger onderwijs

2 400

2 455

2 400

2 400

2 400

2 400

2 400

 

Bestuurlijk arrangement Hogeschool

Zeeland

2 000

           
 

Praktijkgericht onderzoek (Raak)

6 828

           
 

Overig

4 903

4 478

917

1 762

1 787

1 789

1 789

                   

Opdrachten

559

284

100

100

100

100

100

 

Uitbesteding

559

284

100

100

100

100

100

                   

Bijdragen aan baten/lastendiensten

13 956

17 805

16 988

15 620

14 694

13 218

13 205

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

13 956

17 805

16 988

15 620

14 694

13 218

13 205

Ontvangsten

3 948

5 124

1 213

1 213

1 213

1 213

1 213

X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatskosten. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (bedragen x € 1 000)
     

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

3 946 917

3 917 551

3 936 841

3 937 676

3 955 953

3 989 300

3 988 977

Waarvan garantieverplichtingen

35 000

0

         

Totale uitgaven

3 954 885

3 928 649

3 894 582

3 934 775

3 932 166

3 956 007

3 989 255

Waarvan juridisch verplicht

   

99,9% 1

       
                   

Bekostiging

3 888 292

3 874 338

3 843 622

3 891 841

3 897 239

3 923 633

3 956 211

Hoofdbekostiging

3 888 292

3 847 664

3 724 001

3 763 977

3 764 837

3 784 386

3 810 130

 

Onderwijsdeel wo

1 592 895

1 558 750

1 428 563

1 458 751

1 460 217

1 482 183

1 503 407

 

Onderzoeksdeel wo

1 705 386

1 707 741

1 705 386

1 712 926

1 711 355

1 707 027

1 709 290

 

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

585 754

576 979

585 552

592 300

593 265

595 176

597 433

 

Bekostiging tweede mastergraden in het wo

4 257

4 194

4 500

       

Prestatiebox

 

26 675

119 621

127 864

132 402

139 247

146 081

 

Kwaliteit en profiel

(behoort tot Onderwijsdeel wo)

 

26 675

119 621

127 864

132 402

139 247

146 081

                   

Subsidies

39 721

26 218

23 028

15 233

7 882

5 351

6 046

 

Subsidieregeling Sirius Programma2

10 929

11 543

10 302

7 954

2 407

   
 

Subsidieregeling Huygens Scholarship Programme

10 351

           
 

Subsidieregeling Libertas Noodfonds

1 000

765

745

605

265

   
 

Subsidieregeling Programma Akademie assistenten

954

957

         
 

3TU’s samenwerking

6 066

6 000

3 500

1 500

     
 

Toetsing en Toetsgestuurd leren

2 426

2 426

2 260

       
 

Overig

7 995

4 527

6 221

5 174

5 210

5 351

6 046

                   

Opdrachten

1 625

1 630

1 583

1 660

1 660

1 660

1 660

 

Uitbesteding

1 625

1 630

1 583

1 660

1 660

1 660

1 660

                   

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

3 270

3 986

3 874

3 724

3 608

3 586

3 561

 

Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

3 270

3 986

3 874

3 724

3 608

3 586

3 561

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

21 977

22 477

22 475

22 317

21 777

21 777

21 777

 

Organisaties excl. NVAO en SKI 123 (zie tabel 6.4)

21 977

22 477

22 475

22 317

21 777

21 777

21 777

Ontvangsten

25 117

16

 16

16

16

16

16

X Noot
1

De resterende 0,1% is vrijwel geheel bestuurlijk gebonden.

X Noot
2

Middelen zijn inclusief de oude middelen uit het Fonds Economische Structuurverkenning (fes). De middelen zijn bestemd voor zowel het hbo als het wo.

Tabel 6.4 Middelen organisaties1 (bedragen x € 1 000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

United Nations University (UNU)

874

882

882

882

882

Europees Universitair Instituut Florence

1 583

1 583

1 583

1 583

1 583

Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale

samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC)

17 266

16 943

16 063

15 798

15 798

Platform Bèta/techniek (PBT)

1 529

445

287

   

Stichting Handicap en Studie

499

504

504

504

504

Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF

2 500

2 500

2 500

2 500

2 500

Stichting Studiekeuze 123 (SKI 123)

2 400

2 400

2 400

2 400

2 400

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

249

255

255

255

255

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

249

255

255

255

255

Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

3 874

3 724

3 608

3 586

3 561

X Noot
1

In deze tabel zijn de subsidieontvangers vermeld en de bedragen waarop de subsidies ten hoogste kunnen worden vastgesteld. Voor zover geen andere juridische grondslag van toepassing is, vormt deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht voor de subsidieverlening aan deze subsidieontvangers.

Bekostiging

Toelichting op de financiële instrumenten

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen een rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek. Dit bedrag wordt jaarlijks via een verdeelsleutel aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsumbekostiging.

De rijksbijdrage is gebaseerd op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend (zie ook: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/financiering-onderwijs/financiering-hoger-onderwijs).

De rijksbijdrage voor het hoger onderwijs heeft een hoofdbekostiging en een prestatiebox. Daarnaast wordt bekostiging verstrekt voor tweede bachelorgraden hbo en tweede mastergraden hbo en wo (die parallel zijn gestart), experimenten open bestel hbo, en postinitiële masteropleidingen hbo.

Onderwijsdeel hbo en wo

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage om een dekkend aanbod aan geaccrediteerde opleidingen te verzorgen. Er is één bekostigingsmodel voor hbo en wo. De rijksbijdrage is met name gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s), zowel in het hbo als het wo zijn er drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),

  • b. een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en

  • c. een onderwijsopslag als percentage, waarin o.a. de langstudeerdersmaatregel wordt verwerkt.

Deel Ontwerp en ontwikkeling hbo en Onderzoeksdeel wo

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage voor ontwerp en ontwikkeling gebaseerd op bedragen voor lectoren bij lerarenopleidingen en een regulier bedrag.

Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,

  • b. een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerpcertificaten,

  • c. een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over o.a. sectorplannen en toponderzoeksscholen (inclusief de extra € 19,7 miljoen die per 2012 beschikbaar is gekomen voor de universiteiten met in begrip van de Wageningen Universiteit), en

  • d. een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De bekostiging bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, en uit een procentueel deel (o.a. voor huisvesting).

Bekostiging tweede bachelorgraden hbo en tweede mastergraden hbo en wo

In overleg met de VSNU en de HBO-raad worden tot en met 2013 tweede bachelor- en mastergraden hbo en tweede mastergraden wo bekostigd. Deze tweede studie moet parallel aan een eerste studie zijn gestart en het diploma moet ten minste zes maanden na het eerste diploma zijn behaald.

Bekostiging experimenten open bestel hbo

De middelen worden ingezet voor de bekostiging van experimenten open bestel. Doel van de experimenten open bestel is om kennis op te doen over de effecten van het toelaten tot de publieke financiering van andere dan de huidige bekostigde aanbieders in het hoger onderwijs, en over de voorwaarden waaronder in het publiek bekostigde stelsel ruimte kan worden gemaakt voor deze aanbieders. De experimenten eindigen 2014.

Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

De middelen zijn beschikbaar voor de afwikkeling van de tijdelijke financiering van (eerder goedgekeurde) arbeidsmarktrelevante hbo-masters in prioritaire gebieden.

Prestatiebox

Kwaliteit en profiel hbo en wo

Met ingang van 2013 worden er extra middelen ingezet voor kwaliteit en profiel, ter grootte van ongeveer 7% van de onderwijsbekostiging. Hiervan is 5% bestemd voor kwaliteit (voorwaardelijke financiering) en 2% voor profiel (selectief budget). Deze middelen worden in de periode 2013 – 2016 toegekend op basis van prestatieafspraken met de individuele universiteiten en hogescholen (zie ook de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap «Kwaliteit in verscheidenheid», Kamerstuk 31 288, nr. 194, en de Hoofdlijnenakkoorden OCW-HBO-raad en OCW-VSNU, Kamerstuk 31 288, nrs. 246 en 247).

Voor onderwijskwaliteit en studiesucces (kwaliteit) is er (inclusief het groen onderwijs) een bedrag van € 200 miljoen beschikbaar in 2013 oplopend naar € 245 miljoen in 2016. De afspraken worden gemaakt op basis van concrete indicatoren. Het is een voorwaardelijke financiering: indien er geen prestatieafspraak tot stand komt tussen OCW en de instelling, dan wordt de 5% voor kwaliteit niet toegekend en komt de instelling ook niet in aanmerking voor het 2%-budget voor profiel. Daarnaast kan een instelling bij het niet behalen van de overeengekomen prestatieafspraken in de periode in 2017 – 2020 (deels) gekort worden op het budget voor kwaliteit.

Voor het stimuleren van zwaartepuntvorming en profilering in het onderwijs (profiel) wordt met ingang van 2013 € 80 miljoen op jaarbasis (inclusief het groen onderwijs) selectief toegewezen aan de beste plannen: € 38 miljoen voor het wo en € 42 miljoen voor het hbo. Van het voor het hbo beschikbare bedrag is tenminste € 21 miljoen bestemd voor zwaartepuntvorming. Dit kan vorm krijgen door aansluiting bij centres of expertise. De € 2 miljoen die afzonderlijk was geraamd voor centres of expertise wordt hieraan toegevoegd. In 2014 vindt een tussentijdse beoordeling van de voortgang plaats (midterm review). Als dit onvoldoende is, kan een instelling in 2015 en 2016 het budget voor profiel niet meer toegekend krijgen.

In verband met de invoering van de prestatiebekostiging in het hoger onderwijs is een AMvB opgesteld en aan de Tweede Kamer voorgelegd.

Subsidies

Subsidieregeling bevordering kennisfunctie hogescholen (hbo)

Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Dit betekent dat de meest actuele kennis moet worden onderwezen en er een actieve rol moet worden vervuld bij kennisuitwisseling en kennisontwikkeling door zelf onderzoek te doen naar verbetering van de beroepspraktijk en professionals op te leiden die in staat zijn te innoveren. Ten behoeve van deze kennisontwikkeling en ter bevordering van het praktijkgericht onderzoek bij hogescholen worden met de subsidieregeling de volgende activiteiten in financiële zin ondersteund:

  • a. het praktijkgericht onderzoek bij hogescholen en

  • b. de kennisuitwisseling tussen enerzijds de hogescholen en anderzijds het midden- en kleinbedrijf, de publieke sector, buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven.

Subsidieregeling stimulering Bèta/techniek (Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016)

Hiermee worden de centres of expertise hbo en de centra voor innovatief vakmanschap mbo gefinancierd (zie ook het sectorplan mbo-techniek en het sectorplan hbo-techniek; Kamerstuk 32 123 VIII, nr. 148). Deze centra, die met cofinanciering van bedrijven tot stand komen, zijn gericht op toponderwijs, toponderzoek en innovaties.

Studiekeuze-informatie hoger onderwijs (ho)

Met deze middelen wordt gefaciliteerd dat aanstaande studenten via onder andere een website beschikken over deugdelijke vergelijkingsinformatie over de opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs, en de bijbehorende beroepsprofielen en arbeidsmarktperspectieven (zie ook tabel 6.4: Stichting Studiekeuze 123).

Subsidieregeling Sirius programma (ho)

Het onderwijs moet voor excellente studenten een passend en uitdagend aanbod bieden. Om excellentie verder te stimuleren, worden met de universiteiten en hogescholen prestatieafspraken gemaakt over het percentage studenten dat deelneemt aan excellent onderwijs.

Subsidieregeling Libertas Noodfonds (ho)

Het Libertas Noodfonds (Libertas Support Fund) is er voor studenten die niet in hun land van herkomst kunnen (blijven) studeren, omdat vanwege politieke redenen hen het studeren onmogelijk wordt gemaakt of zij daarin ernstig worden belemmerd. Met financiële steun uit het fonds kunnen zij hun studie aan een instelling voor hoger onderwijs in Nederland vervolgen. Op dit moment zijn er geen landen aangewezen wiens ingezetenen een beroep kunnen doen op het Libertas Noodfonds. De geraamde middelen hebben betrekking op de afwikkeling van eerder toegekende financiële steun aan studenten uit Zimbabwe en Wit-Rusland (deze landen waren eerder aangewezen).

3TU’s samenwerking (wo)

De middelen (het betreft hier middelen uit het voormalig Fonds Economische Structuurversterking) zijn beschikbaar voor de voortzetting van de focus die is bereikt met het onderzoek in de vijf centres of excellence (onderzoeksprogramma’s met leerstoelen en masterprogramma’s).

Toetsing en Toetsgestuurd Leren (ho)

Met de subsidie aan het programma «Toetsen en Toetsgestuurd Leren» wordt op het gebied van toetsen en toetsgestuurd leren een financiële ondersteuning gegeven voor: a. het initiëren, opschalen en verduurzamen van projecten, b. het bundelen en ontwikkelen van expertise, en c. het inrichten van een nationale technische infrastructuur.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo de subsidies en overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn, alsmede om subsidies die gedurende de uitvoeringsjaren op ad hoc basis worden toegekend.

Opdrachten

Uitbesteding (hbo en wo)

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek. Omdat bij deze opdrachten sprake is van een concreet eindproduct/resultaat is sprake van uitbesteding.

Bijdragen aan baten/lastendiensten

DUO

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdragen ZBO’s / RWT’s

Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid en geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. De hier geraamde middelen betreft de bijdrage die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Organisaties als bedoeld in tabel 6.4 (met uitzondering van de NVAO en SKI 123)

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij hogescholen en andere subsidieontvangers (bv. als gevolg van eindafrekeningen van toegekende subsidies).

Artikel

ARTIKEL 8. INTERNATIONAAL BELEID

Artikel

Algemene doelstelling

Algemene doelstelling: bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

Rol en verantwoordelijkheid

Bij het uitvoeren van die algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere – vaak daarbij aangesloten – organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etc. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals het Europees Platform, Neth-er en het Duitsland Instituut. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor internationaal beleid worden beschreven in Trends in Beeld 2012.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1 000)
     

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

HGIS-deel 2013

Verplichtingen1

12 591

7 354

8 573

15 972

15 901

16 532

16 578

1 037

Totale uitgaven1

16 543

17 101

16 969

17 122

16 601

16 557

16 578

1 037

Waarvan juridisch verplicht

   

90%

         
                     

Subsidies

1 641

1 610

1 471

1 491

1 021

1 021

1 021

314

Subsidieregelingen

1 641

1 610

1 471

1 491

1 021

1 021

1 021

314

 

Duitsland Instituut Amsterdamn (DIA)

800

732

707

707

707

707

707

 
 

Frans-Nederlandse academie (FNA)

194

114

 

20

       
 

Netherlands house for Education and Research (Nether)

500

450

450

450

       
 

Incidentele subsidies

voor het uitwisselen

van cultuur

147

314

314

314

314

314

314

314

                     

Opdrachten

140

442

373

390

380

336

357

 
 

Beleidsonderzoek en benchmarking

40

200

200

200

200

200

200

 
 

Incidentele Internationale activiteiten

100

242

173

190

180

136

157

 
                     

Bijdragen aan (inter)

nationale organisaties

14 262

14 549

14 625

14 741

14 700

14 700

14 700

223

 

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

1 549

2 199

2 191

2 189

2 148

2 148

2 148

133

 

Europees Platform

5 677

5 411

5 456

5 560

5 560

5 560

5 560

 
 

Nederlandse Taalunie

3 287

3 124

3 186

3 186

3 186

3 186

3 186

 
 

Europa College Brugge

30

30

30

30

30

30

30

 
 

Unesco

20

40

20

20

20

20

20

 
 

OESO CERI

74

76

76

76

76

76

76

 
 

Fulbright Center

408

408

408

408

408

408

408

 
 

SICA Cultureel Contact Punt

90

90

90

90

90

90

90

90

 

Stichting Ons Erfdeel

205

205

185

185

185

185

185

 
 

Nationaal Agentschap Leven Lang Leren (EU-programma)

1 731

1 748

1 748

1 762

1 762

1 762

1 762

 
 

Programma's Agentschap NL (inclusief uitvoeringskosten)

1 161

1 168

1 185

1 185

1 185

1 185

1 185

 
 

Incidentele EU-programma's en activiteiten

30

50

50

50

50

50

50

 
                     

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

500

500

500

500

500

500

500

500

 

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

500

500

500

500

500

500

500

500

Ontvangsten

16

99

99

99

99

99

99

 
X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatskosten. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

Subsidies

Toelichting op de instrumenten

  • Duitsland Instituut: genereert en verspreidt kennis over het veranderende Duitsland in Nederland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Zij doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (co-financiering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)).

  • Frans-Nederlandse Academie: financiering stopgezet. Middelen beschikbaar voor afbouw financiering.

  • NethER: Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie (o.a. TNO, KNAW, VSNU, MBO-Raad, NWO, Europees Platform). Hun gezamenlijke doel is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma’s te vergroten.

Opdrachten

  • Beleidsonderzoek en benchmarking: middelen ten behoeve van beleidsonderzoek, onder meer naar de effectiviteit van internationalisering en ten behoeve van benchmarking in het kader van de relevante internationale organisaties.

  • Incidentele internationale samenwerking: middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen.

Bijdragen aan Internationale Samenwerking

  • Om de Nederlandse belangen in het buitenland optimaal te behartigen is op sommige plekken in de wereld extra ondersteuning nodig vanuit Nederland, c.q. het ministerie van OCW. Dat geldt o.m. voor de PVEU en de PV Unesco, voor de Europese Commissie via het END-programma én op enkele bilaterale posten.

  • Het Europees Platform en Fulbright Center verzorgen voor het primair en voortgezet onderwijs, respectievelijk het hoger onderwijs mobiliteitsprogramma’s. Voor wat betreft het Europees Platform gaat het om programma’s voor docenten en leerlingen, bij het Fulbright Center gaat het om beurzen voor studie in de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

  • De Nederlandse Taalunie is de verdragsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van het Nederlands. Ze ondersteunt het leren van de Nederlandse taal in het buitenland, bewaakt de kwaliteit daarvan en houdt zomercursussen voor buitenlanders die Nederlands doceren of willen blijven spreken.

  • Europa College te Brugge is een postuniversitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancieerd door EU en EU-Lidstaten.

  • De post Unesco betreft de deelname aan diverse projecten in het kader van de Unesco.

  • OESO CERI betreft deelname diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

  • Het Cultural Contact Point geeft advies over de subsidieregelingen van het EU-cultuurprogramma en biedt begeleiding bij het doen van een aanvraag. Het is een uitvoerend orgaan ten behoeve van het EU-Cultuurprogramma en ondergebracht bij de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA).

  • Stichting Ons Erfdeel: De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen. Onder meer met behulp van het tijdschrift Ons erfdeel en het Jaarboek The Low Countries.

  • Nationaal Agentschap Leven Lang Leren: Het Agentschap is belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van de Europese mobiliteitsprogramma’s Comenius (voortgezet onderwijs), Erasmus (hoger onderwijs), Leonardo da Vinci (beroepsonderwijs) en Grundtvig (volwasseneneducatie).

  • Agentschap NL verricht uitvoerende taken, vooral waar het gaat om internationalisering van het (beroeps-) onderwijs op het scheidsvlak tussen onderwijs en bedrijfsleven. Voert ook projecten uit in kader van Turkije 2012 en Rusland 2013.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Internationale uitgaven OCW-breed

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen dient ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van de onderwijs-, cultuur- en wetenschapsbeoefening in Nederland én ter versterking van de Nederlandse positie op die terreinen in de wereld. Het is een doelstelling die nauw verweven is met de specifieke beleidsdoelstellingen op elk der onderscheiden terreinen. De daarbij behorende internationale uitgaven zijn dan ook grotendeels ondergebracht op de onderscheiden beleidsartikelen in de begroting. Het hier geboden overzicht betreft een samenvattend overzicht van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel, met daaraan gekoppeld een overzicht van de onderdelen van die uitgaven, die deel uit maken van de zogenoemde Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Tabel 8.2: Internationale uitgaven OCW (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Primair onderwijs (artikel 1)

20 291

20 455

20 440

20 440

20 440

20 440

20 440

Voortgezet onderwijs (artikel 3)

4 660

4 674

4 121

4 033

4 043

4 043

4 043

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4)

830

1 028

850

850

850

850

850

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

Wetenschappelijk onderwijs

(artikel 7)

87 582

72 929

72 907

72 426

71 543

71 543

71 543

Internationaal beleid (artikel 8)

16 543

17 101

16 969

17 122

16 601

16 557

16 578

Studiefinanciering (artikel 11)

55 165

49 152

50 152

50 152

50 152

50 152

50 152

Kunsten (artikel 14)

19 211

17 932

10 389

9 351

9 236

9 236

9 236

Cultureel erfgoed (artikel 14)

2 129

2 892

2 855

2 931

2 931

2 931

2 931

Media (artikel 14 en 15)

50 306

50 144

3 795

3 795

3 795

3 795

3 795

Onderzoek en wetenschappen

(artikel 16)

91 964

85 317

84 782

85 599

85 634

85 644

85 649

Totaal

352 134

325 077

270 713

270 152

268 678

268 644

268 670

Toelichting:

De uitgaven in de tabel zijn – waar nodig en relevant- toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Voor artikel 11 geldt dat de uitgaven voor internationale studiefinanciering niet afzonderlijk worden geraamd, maar meelopen in de uitgavenramingen, zoals opgenomen bij artikel 11.3.1 (Studiefinanciering; waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden). De gegeven bedragen zijn indicatief.

Tabel 8.3: Homogene groep internationale samenwerking (bedragen € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

3 453

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

61 643

57 845

57 845

57 845

57 845

57 845

57 845

Internationaal beleid (artikel 8)

887

1 044

1 037

1 045

1 039

1 039

1 039

Kunsten (artikel 14)

5 733

5 765

3 665

3 665

3 665

3 665

3 665

Cultureel erfgoed (artikel 14)

395

395

395

395

395

395

395

Media (artikel 14 en 15)

506

506

506

506

506

506

506

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

642

706

706

454

454

454

454

Totaal

73 259

69 714

67 607

67 363

67 357

67 357

67 357

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene Groep Internationale Samenwerking maken deel uit van de uitgaven opgenomen in tabel 8.2 «Internationale uitgaven OCW».

Artikel

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

Artikel

Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Regisseren: De minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken levert zij een bijdrage aan het zorgen van voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Zij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Stimuleren: De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van het in 2007 uitgebrachte actieplan «LeerKracht van Nederland» (kamerstuk 27 923, nr. 45) en het in mei 2011 uitgebrachte actieplan «Leraar 2020, een krachtig beroep»! (kamerstuk 32 500 VIII, nr. 176) en de op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenanten en bestuursakkoorden.

Financieren: De minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het financieren van de onderwijssectoren voor een betere beloning van docenten en van projecten op het gebied van arbeidsmarkt- en personeelsbeleid. Dit via aanvullende bekostiging, subsidies en opdrachten.

Indicatoren/kengetallen

Indicatoren voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in Trends in Beeld 2012.

Begrotingsakkoord

Beleidswijzigingen

De gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor artikel 9 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 9.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1 000)
   

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen1

310 054

322 827

422 534

471 660

509 688

652 240

799 548

Totale uitgaven1

270 983

322 827

422 534

471 660

509 688

652 240

799 548

Waarvan juridisch verplicht

   

92%

       
               

Bekostiging

113 636

126 967

219 104

287 511

328 174

477 962

630 990

Hoofdbekostiging

0

0

64 835

129 932

170 525

198 403

350 241

 

Beloning LeerKracht lumpsum po/vo/bve

0

0

64 835

129 932

170 525

198 403

350 241

Prestatiebox

0

21 640

34 140

37 240

37 240

158 100

158 100

 

Professionalisering po/vo/bve

0

21 640

34 140

37 240

37 240

158 100

158 100

Aanvullende bekostiging

113 636

105 327

120 129

120 339

120 409

121 459

122 649

 

Functiemix VO Randstadregio's

52 140

52 496

61 152

61 152

61 152

61 152

61 152

 

Salarismix MBO Randstadregio's

34 787

34 851

40 997

40 997

40 997

40 997

40 997

 

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

13 080

17 980

17 980

18 190

18 260

19 310

20 500

 

Loonkosten Onderwijsondersteunend personeel

13 629

0

0

0

0

0

0

               

Subsidies

142 767

177 679

185 331

166 104

163 576

156 466

150 751

 

Lerarenbeurs/zij-instroom

87 432

87 327

106 527

106 527

106 527

109 727

107 327

 

Prestatiebeloning

0

10 000

0

0

0

0

0

 

Stimuleren regionale samenwerkingsverbanden pabo’s en schoolbesturen

0

0

11 500

0

0

0

0

 

Verankering academische opleidingsschool

660

2 520

2 520

2 310

2 240

1 190

0

 

InnovatieImpuls Onderwijs

7 416

4 559

3 791

1 872

0

0

0

 

Stimulering Krachtig meesterschap

3 543

2 100

0

0

0

0

0

 

Educatieve minor

648

2 616

0

0

0

0

0

 

Afstemming onderwijsarbeids-arkt vo

6 248

4 213

0

0

0

0

0

 

G.O.- en vakbondsfaciliteiten po

5 465

5 488

5 488

5 488

5 488

5 488

5 488

 

Arbeidsmarkt-/kennisactiviteiten po

2 209

2 230

2 230

2 230

2 230

2 230

2 230

 

Onderwijscoöperatie

2 900

2 900

2 930

2 930

2 930

2 930

2 930

 

Open Universiteit (LOOK)

7 780

6 370

3 930

3 930

3 930

3 930

3 930

 

Promotiebeurs voor leraren

1 200

2 300

7 700

8 000

6 800

6 500

6 500

 

Projecten professionalisering

0

13 910

12 370

12 290

12 710

4 775

4 775

 

Projecten regionale arbeidsmarktproblematiek

0

2 000

4 000

6 000

6 000

6 000

6 000

 

Overige projecten

17 266

29 146

22 345

14 527

14 721

13 696

11 571

               

Opdrachten

3 656

3 910

3 864

3 940

3 940

3 940

3 940

 

Onderzoek, ramingen en communicatie

3 656

3 910

3 864

3 940

3 940

3 940

3 940

               

Bijdrage aan baten/lasten

diensten

3 072

6 338

6 302

6 172

6 065

5 939

5 934

 

Uitvoeringsorganisatie DUO

3 072

6 338

6 302

6 172

6 065

5 939

5 934

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7 852

7 933

7 933

7 933

7 933

7 933

7 933

 

Stichting Vervangingsfonds/Bedrijfsgezondheid

7 852

7 933

7 933

7 933

7 933

7 933

7 933

Ontvangsten

5 216

 

 

 

 

 

 

X Noot
1

De bedragen zijn exclusief apparaatsuitgaven. Deze zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 95 Apparaatskosten. Hierdoor wijken de totale uitgaven voor 2011 af van het jaarverslag 2011.

Hoofdbekostiging

Toelichting op de instrumenten

Beloning LeerKracht lumpsum

De investeringen in beloning van het onderwijspersoneel, ter verbetering van de arbeidsmarktpositie, voorvloeiend uit de convenanten LeerKracht van Nederland worden doorgezet. In totaal is in 2013 € 544 miljoen aan beloningsmaatregelen beschikbaar dat aan de lumpsum van de instellingen voor po, vo, mbo en ho wordt toegevoegd. Van dit bedrag is € 481 miljoen naar de onderwijssectoren overgeboekt (respectievelijk artikel 1 voor po, artikel 3 voor vo, artikel 4 voor mbo en artikel 6 voor ho).

Prestatiebox

Professionalisering po, vo en mbo

Voor de verdere verbetering van de professionele kwaliteit van leraren en schoolleiders in het po, vo en mbo worden in 2012 tot en met 2015 jaarlijks extra middelen ter beschikking gesteld. Hierover zijn afspraken gemaakt in de met de sectorraden afgesloten Bestuursakkoorden. De middelen voor po (in 2013 € 70,1 miljoen) en vo (in 2013 € 42 miljoen) zijn naar de sectoren overgeboekt en opgenomen in de prestatieboxen van die sectoren. De middelen voor het mbo (in 2013 € 34,1 miljoen, dit is inclusief de vanuit het Begrotingsakkoord 2013 toegevoegde middelen van € 14 miljoen) worden via een afzonderlijke subsidieregeling aan de sector ter beschikking gesteld.

Aanvullende bekostiging

Functiemix vo/Salarismix mbo Randstadregio’s

In de sectoren vo en mbo zijn aanvullend op de in de lumpsum op te nemen beloningsmaatregelen afspraken gemaakt over de versterking van de functie-/salarismix in de zogenaamde Randstadregio’s. Hier kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom) van grootstedelijke problemen. De middelen worden op grond van een ministeriële regeling in aanvulling op de lumpsum verstrekt aan instellingen in deze regio’s.

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en het afnemend veld te verbeteren zijn 56 opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor po, vo en mbo) erkend. Zij ontvangen jaarlijks aanvullende bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden.

Subsidies

Lerarenbeurs/zij-instroom

De lerarenbeurs – voor zowel opleidingskosten als de vervangingskosten tijdens het studieverlof – wordt ingezet voor geaccrediteerde bachelor- en masteropleidingen ter verkrijging van hogere kwalificaties voor leraren in het po, vo, mbo en ho. In 2013 is circa € 48 miljoen beschikbaar voor nieuwe beurzen, waarmee aan ruim 5 000 leraren een beurs kan worden toegekend. Dit is inclusief de extra beurzen die vanuit het Begrotingsakkoord 2013 voor het vo (structureel 200 extra) en het ho (structureel 700 extra) beschikbaar zijn gekomen.

De zij-instroom voorziet in een subsidie voor de opleiding van onbevoegde zij-instromers in het vo en mbo. Het budget in 2013 bedraagt € 8 miljoen, waarmee voor ruim 400 personen een zij-instroomtraject bekostigd kan worden.

Stimuleren regionale samenwerkingsverbanden pabo’s en schoolbesturen

Om de inhoudelijke aansluiting van de pabo op de behoeften van scholen in het po (afnemend veld) te versterken worden vanuit het Begrotingsakkoord 2013 middelen ingezet voor een subsidieregeling, gericht op de uitvoering van regionale plannen van aanpak.

Verankering academische opleidingsschool

De academische opleidingsschool is een opleidingsschool die het opleiden van leraren verbindt met praktijkgericht onderzoek en schoolontwikkeling. Voor de verdere ontwikkeling en verankering van de academische opleidingsschool ontvangen 35 projecten in de periode 2012–2016 een afzonderlijke aanvullende subsidie. Na afloop hiervan is het de bedoeling deze te integreren in de aanvullende bekostigingsregeling «Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen».

InnovatieImpuls Onderwijs

Het doel van dit project, dat doorloopt tot eind 2014, is tweeledig: het implementeren van innovatieve maatregelen in schoolorganisatie po en vo, gericht op verhoging van de arbeidsproductiviteit met behoud van onderwijskwaliteit en zonder verhoging van de werkdruk, en het meten van de effecten van deze maatregelen op de arbeidsproductiviteit.

G.O.- en vakbondsfaciliteiten po

Het bedrag voor de G.O.- en vakbondsfaciliteiten wordt, via de Stichting Financiering Structureel Vakbondsverlof Onderwijs (SFSVO), aan de scholen voor po beschikbaar gesteld voor de vergoeding van de kosten van vervanging van onderwijspersoneel, dat buitengewoon verlof is verleend voor deelname aan georganiseerd overleg en voor het verrichten van overige vakbondswerkzaamheden. De faciliteiten voor de sector po zullen op termijn, gelijk aan die voor de overige sectoren, worden opgenomen in de lumpsum van de instellingen.

Arbeidsmarkt-/kennisactiviteiten po

Met uitzondering van de sector po zijn de sectorale arbeidsmarktmiddelen opgenomen in de lumpsum van de betreffende sectorale instellingen. Voor de sector po zal dit niet eerder geschieden dan 2015, tot die tijd worden de sectorale po-arbeidsmarktmiddelen beschikbaar gesteld aan de door de sociale partners in het po opgerichte Stichting Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs.

Onderwijscoöperatie

De onderwijscoöperatie is van start gegaan op 1 oktober 2011 en wordt gevormd door de grootste onderwijsberoepsverenigingen in Nederland. Het belangrijkste uitgangspunt voor de coöperatie is dat deze van, voor en door de leraar is. Doel is het zorgen voor een krachtige beroepsgroep, met als speerpunten de bekwaamheid van de leraar (waaronder lerarenregister), de professionele ruimte van de leraar en een goed imago van het beroep. Om deze ambities te realiseren en te waarborgen is tussen de onderwijscoöperatie en OCW het Bestuursakkoord Beroepsgroep Leraren 2012–2015 gesloten, waarin ook afspraken zijn gemaakt over het door OCW ter beschikking stellen van financiële middelen.

Open Universiteit (LOOK)

Het Ruud de Moor Centrum gaat sinds medio 2012 verder onder een nieuwe naam: LOOK, Wetenschappelijk Centrum Leraren Onderzoek. Kernactiviteit is het doen van praktijkgericht onderzoek naar het professionaliseren van, voor en door leraren. Leraren doen actief mee aan het onderzoek en reflecteren op onderzoek. Doel is het versterken van de beroepsgroep leraren en daarmee de kwaliteit van het onderwijs als geheel, van wetenschap tot dagelijkse praktijk.

Promotiebeurs voor leraren

Leraren in het po, vo, mbo en ho worden in staat gesteld om onderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. De leraren krijgen, met behoud van salaris, vier jaar lang twee dagen per week vrij om te werken aan onderzoek. Vanuit het Begrotingsakkoord 2013 zijn voor het ho extra middelen (€ 5 miljoen) toegekend, waardoor voor de sector ho structureel 38 extra beurzen kunnen worden toegekend.

Projecten professionalisering

Ten behoeve van de begeleiding/ondersteuning van de instellingen voor po, vo en mbo bij de professionalisering van hun onderwijspersoneel en de borging ervan worden aan School aan Zet en MBO Diensten subsidies verstrekt voor de periode 2012–2015. Ook voor het Leraren- en schoolleidersregister worden middelen beschikbaar gesteld. Tenslotte worden via diverse subsidies projecten en plannen ter versterking van de kwaliteit van de lerarenopleidingen ondersteund.

Projecten regionale arbeidsmarktproblematiek

Via een vraaggestuurde aanpak wordt ondersteuning geboden aan regio’s, die acute knelpunten ervaren of verwachten op de onderwijsarbeidsmarkt. Een raming maakt inzichtelijke hoe deze markt zich regionaal ontwikkelt en welke knelpunten zich voordoen. Op basis hiervan stellen de betrokken besturen in de regio een plan van aanpak op met gerichte en concrete oplossingen voor de korte termijn. Bijvoorbeeld het beperken van de uitstroom uit het beroep of de uitval uit de lerarenopleidingen en het bieden van voldoende stageplaatsen door schoolbesturen.

Overige projecten

In de actieplannen «LeerKracht van Nederland» en «Leraar 2020 – een krachtig beroep!» is de noodzaak onderschreven dat er voldoende en goed opgeleide leraren komen en dat de professionele school, een school met een goed personeel- en opleidingsbeleid, verder ontwikkeld wordt. Daarom worden de komende jaren impulsen, experimenten, pilots en onderzoeken ondersteund naar o.a. het bereiken van nieuwe doelgroepen aan leraren, het personeel- en opleidingsbeleid bij scholen, de verbetering van de begeleiding van startende leraren en de verlichting van werkdruk door een andere organisatie van het onderwijs. Te noemen in dit verband zijn subsidies ten behoeve van de kennisbases en -toetsen, het programma 1e de Klas, het opzetten van een begeleidingsprogramma voor beginnende vo-leraren, de educatieve minor in het wo en uitbreiding kopopleiding in het ho. Ook wordt hieruit het gehele professionaliseringsprogramma voor leraren in Caribisch Nederland bekostigd.

Opdrachten

Onderzoek, ramingen en communicatie

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen aangewend.

Bijdrage aan baten/lastendiensten

DUO

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Stichting Vervangingsfonds/Bedrijfsgezondheid

Via deze subsidie investeert OCW in het arbeidsomstandighedenbeleid, (ziekte) verzuimbeleid en re-integratiebeleid (AVR-taken) in de sector po. Voor de overige sectoren loopt dit via de lumpsumbekostiging.

Artikel

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

Artikel

Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

Rol en verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren over studiefinanciering wordt verwezen naar Trends in Beeld 2012.

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering per maand in euro’s

Normbedragen ho

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

 

Uitwonend

Thuiswonend

basisbeurs

266,23

95,61

basisbeurs

246,00

75,39

aanvullende beurs

242,76

222,84

aanvullende beurs

329,33

309,40

maximaal leenbedrag

285,70

285,70

maximaal leenbedrag

164,21

164,21

collegegeldkrediet

142,75

142,75

collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

937,44

746,90

Totaal

739,54

549,00

Peildatum 1 januari 2012

Beleidswijzigingen

De uitkomst van het Begrotingsakkoord 2013 is dat de volgende elementen uit het wetsvoorstel Studeren is Investeren (Kamerstuk 33 145, nr. 2) geen doorgang vinden:

  • vervanging van de basisbeurs voor masterstudenten door een sociaal leenstelsel,

  • verlenging van de terugbetaalperiode van 15 naar 20 jaar,

  • meerdere vereenvoudigingen van de studiefinanciering.

Begrotingsakkoord

De gevolgen van het Begrotingsakkoord 2013 voor artikel 11 worden toegelicht in de beleidsagenda en het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Elementen die wel doorgang vinden (kamerstuk 33 145, nr. 32) zijn:

  • inkorten van het reisrecht voor ho-studenten van C+3 naar C+1,

  • verhoging boetebedrag bij onterecht bezit reisvoorziening,