32 463 Besluit tot wijziging van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in verband met aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs

Nr. 13 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 april 2012

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffende de stand van zaken dyslexie en dyscalculie d.d. 12 december 2011 (Kamerstuk 32 463, nr. 12).

Bij brief van 23 april 2012 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Bochove

Adjunct-griffier van de commissie, Bošnjaković-van Bemmel

Inhoudsopgave

Blz.

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

Inleiding

2

1.

Toezeggingen en aangenomen moties tijdens VSO

2

2.

Landelijke percentages dyslexie

5

3.

«Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie»

5

4.

Vervolgacties

6

 

Conclusie

7

II

Reactie van de minister

7

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister. In het verslag schriftelijk overleg (vso) van 7 september 20111 hebben deze leden nadrukkelijk gevraagd naar de percentages van het aantal dyslexie leerlingen. Zij danken de minister voor haar antwoord en zien aanleiding tot het stellen van de volgende vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderhavige brief. Zij vinden dat een diploma waard moet zijn wat erop staat en willen niet dat leerlingen met dyslexie en/of dyscalculie met een diploma het voortgezet onderwijs verlaten maar ze vervolgens door hun handicap kansloos blijken in het vervolgonderwijs. De leden willen echter evenmin dat deze leerlingen onnodig de pas wordt afgesneden met exameneisen die onvoldoende corresponderen met de moeilijkheden die hen in het vervolgonderwijs te wachten staan. Deelt de minister deze visie, zo vragen de leden.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief regering van 12 december 2011 betreffende de stand van zaken dyslexie en dyscalculie. De leden hebben hier enkele vragen bij.

De leden van de CDA-fractie zijn blij dat de minister snel reageert op de ingediende moties tijdens het eerdergenoemde vso van 7 september 2011. Niet alleen voorziet de minister de verschillende moties van een reactie, maar ondertussen is ook een eerste verkennend onderzoek naar dyslexie en dyscalculie op het voortgezet onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs afgerond en kunnen we de resultaten met dit schriftelijk overleg behandelen. Deze leden hebben nog een aantal vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken op het gebied van dyslexie en dyscalculie.

1. Toezeggingen en aangenomen moties tijdens VSO

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de minister de vrijstelling op grond van artikel 11, lid 2 van het Examenbesluit niet wil stimuleren en daarmee de gewijzigde motie van de leden Schouten en Biskop2 aan haar laars lapt. Welke overwegingen, die de minister nog niet naar voren heeft gebracht tijdens het debat van 7 september 2011 en die de Kamer op 13 september 2011 bij het aannemen van de motie dus nog niet had kunnen meewegen, liggen daaraan ten grondslag, zo vragen de leden.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de sectorraden met het oog op de ondersteuning van leerlingen door scholen betrokken zullen worden in een proces dat moet leiden tot een consistente aanpak in regelgeving, aanpassingen en hulpmiddelen. De leden vragen tot hoe ver deze betrokkenheid van de sectorraden gaat binnen de scholen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de kernvraag die tijdens het vso van 7 september 2011 aan de orde is gekomen en waar ook tijdens de begrotingsbehandeling in december nog aan is gerefereerd is: worden leerlingen met dyslexie of dyscalculie onnodig zwaar getroffen door de aanscherping van de slaag- en zakregeling in het voortgezet onderwijs? In de brief van de minister komen een aantal randvoorwaarden en maatregelen aan de orde, waarop de leden verderop nog nader zullen ingaan, maar het ultieme antwoord op de gestelde kernvraag blijft uit. Of de nieuwe regeling effect heeft op leerlingen met dyslexie en dyscalculie en of de genomen maatregelen effect sorteren, zal eerst blijken nadat – op grond van die nieuwe regeling – examens daadwerkelijk zijn afgenomen. Is de minister, zo vragen de leden, voornemens om na afname van de eerste examens conform de aangescherpte slaag- en zakregeling in het voortgezet onderwijs onderzoek te doen naar de effecten op de resultaten van leerlingen met dyslexie of dyscalculie.

De minister geeft voorts aan dat zij een betere benutting van artikel 11, lid 2 van het Examenbesluit (vrijstelling tweede vreemde taal) niet zal stimuleren, maar dat scholen worden geïnformeerd over dit artikel. Dat laatste, in actieve zin, was ook de bedoeling van de indieners van de motie. De achterliggende gedachte is niet dat er zoveel mogelijk gebruik gemaakt moet worden van dit artikel, maar dat het als een reële optie in beeld is. Er blijkt immers relatief weinig gebruik van gemaakt te worden. De leden vragen of de minister voldoende in beeld heeft of scholen goed op de hoogte zijn van de mogelijkheid van dit artikel 11 van het Examenbesluit.

De leden kunnen zich tevens vinden in hetgeen de minister zegt over de examens op verschillende niveaus. Deze leden zijn het met de minister eens, dat doorstroomrechten van een diploma alleen kunnen gelden als aan alle voorwaarden aan het behalen van dat diploma is voldaan.

Voorts merken de leden op dat het voor de leerlingen met dyslexie en hun ouders goed nieuws is dat vanaf schooljaar 2012/2013 vrijwel al het lesmateriaal in vrijwel alle gangbare bestandsformaten kan worden geleverd. Dit resultaat van de samenwerking tussen de uitgevers en de Stichting Dedicon is goed en het vooruitzicht dat die partijen zich met scholen en andere betrokken spelers in het veld inspannen om al in de ontwerpfase rekening te houden met toegankelijkheidseisen, zal de zaak alleen maar verbeteren. In haar brief schrijft de minister dat de GEU3 een voorstel zal doen aan hun leden voor aanlevering van de bronbestanden aan Stichting Dedicon zodat deze ze kan omzetten naar geschikte bestandsformaten voor dyslexiesoftware. Vraag is of dit voorstel al is gedaan en wat de reactie is geweest van de leden. Oftewel, is 2012–2013 als doelstelling een haalbare zaak? En beschikt Dedicon over de financiële middelen om de omzetting uit te voeren en daarbij voldoende kwaliteit te waarborgen, nu de opdracht die in 2009 aan Stichting Dedicon werd gegund in het kader van de aanbesteding «Productie, reproductie en distributie van aangepast lesmateriaal voor leerlingen met dyslexie in het primair en voortgezet onderwijs» afloopt aan het einde van dit schooljaar?

Evens constateren de leden dat Stichting Dedicon in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schoolboeken in de aangepaste leesvormen SEK («secure KES») en SprintPDF voor gebruik met de dyslexiesoftware Kurzweil 3000 en Sprint/Sprint Plus4 produceert. Stichting Dedicon kan met de van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verkregen opdracht, na de volledige productieperiode van drie jaar, voorzien in minder dan de helft van het actuele aanbod schoolboeken voor het primair en voortgezet onderwijs. Voor speciaal onderwijs, mbo en hoger onderwijs worden geen school- en studieboeken geschikt gemaakt voor dyslexiesoftware. Heeft de subsidieregeling wel voldoende effect gehad? Zijn scholen en ouders tevreden met het aanbod en de dienstverlening van Stichting Dedicon? Hoe verhoudt zich dit tot wat Stichting Dedicon beschikbaar maakt voor blinde en slechtziende leerlingen, zo vragen de leden. Tevens vragen de leden of de minister bekend is met het alternatieve plan dat door Stichting Toegankelijke Informatie in goed overleg met de GEU is ontwikkeld voor het sneller, goedkoper en op grotere schaal beschikbaar maken van schoolboeken voor dyslexiesoftware. Met dit particuliere initiatief wordt er naar gestreefd om de vele duizenden schoolboeken die ouders en scholen zelf reeds hebben gescand en geschikt gemaakt voor dyslexiesoftware via een landelijke beveiligde database ter beschikking te stellen aan alle leerlingen en studenten met dyslexie. En daarin ook meteen het speciaal onderwijs, mbo en hoger onderwijs te voorzien van de geschikte school- en studieboeken die er al bij individuele personen zijn. De leden vragen of de minister voornemens is dit sympathieke initiatief krachtig te ondersteunen.

De leden merken voorts op dat het beschikbaar hebben van materiaal van groot belang is. Zij merken daarbij wel op dat er nog steeds veel scholen zijn die geen dyslexiesoftware beschikbaar hebben. Uit het plan van aanpak, dat de minister vier jaar geleden aankondigde5, blijkt nog niet dat de beoogde kwaliteitsverbetering tot stand is gebracht. Is de minister bekend met de bovenschoolse integrale implementatietrajecten die diverse samenwerkingsverbanden in het kader van passend onderwijs succesvol met Lexima in gang hebben gezet, zo vragen de leden. Is de minister het ermee eens dat deze best practice voorbeelden navolging verdienen? Hoe gaat de minister dit aanpakken? En wie is verantwoordelijk voor de aanschaf van de dyslexiesoftware: de school of de ouders, zo vragen de leden.

Tevens stellen de leden vast dat de minister ruim een jaar geleden schreef: «In principe komen speciale voorzieningen die dyslectische leerlingen nodig hebben niet voor rekening van de ouders»6. Het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen jongeren met een handicap (artikel 5) bepaalt echter dat voorzieningen voor dyslexie zijn uitgesloten van vergoeding. Deze uitsluiting vormt een groot obstakel voor de toegang van veel dyslectische leerlingen en studenten tot de hulpmiddelen die zij nodig hebben. En daarmee worden zij de facto belemmerd in hun kansen op het behalen van een diploma. Volgens een student fiscaal recht is dit artikel in strijd met artikel 1 van de Grondwet én met de Wet gelijke behandeling chronisch zieken en gehandicapten. Hij heeft de Centrale Raad van Beroep verzocht het UWV7 opdracht te geven om bij vergoedingsaanvragen voor hulpmiddelen voor dyslectici het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen jongeren met een handicap buiten toepassing te laten. Is de minister bekend met deze beroepszaak? Is de minister het met de leden eens dat aan deze ongelijke behandeling van leerlingen en studenten met dyslexie een einde moet worden gemaakt, zo vragen zij.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen over de uitvoering van de eerdergenoemde motie van de leden Schouten en Biskop. In de motie wordt gevraagd om het artikel 11 van het Examenbesluit onder de aandacht te brengen van scholen. De leden vragen op welke manier dit is gebeurd. Worden scholen ook in bredere zin geïnformeerd over een betere doorstroom van bètatalent met dyslexie, inclusief de gevraagde informatie uit de motie, zo vragen de leden.

De leden hebben voorts enkele vragen over de uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Schouten en Ortega-Martijn8, waarin wordt gevraagd om gerichte afspraken te maken met de VO-raad9 over de gewenste en noodzakelijke ondersteuning van scholen voor leerlingen met dyslexie en/of dyscalculie en om de ongewenste afstroom naar lagere onderwijstypen te voorkomen. Op welke manier wordt de ondersteuning vormgegeven en hoe wordt dit gemonitord? Krijgt de Inspectie van het Onderwijs hierin een rol? Is de minister daarnaast ook bereid ouderorganisaties, zoals Balans en Woortblind, bij dit proces te betrekken, zo vragen deze leden

2. Landelijke percentages dyslexie

De leden van de VVD-fractie merken op dat de minister stelt dat het aantal leerlingen met dyslexie/dyscalculie verschillend verdeeld is over onderwijsniveaus en ongeveer 5% (vwo), 10% (havo) en 19% (vmbo) is. Deze verdeling wijkt af van de verdeling van intelligentieniveau, die per definitie normaal verdeeld is. Is de minister dat met de leden eens, en zo ja, wat is daar volgens de minister een redelijke verklaring voor? Is het mogelijk dat leerlingen met een hoog intelligentieniveau, ondanks hun intellectuele capaciteiten, afstromen naar een lager onderwijsniveau vanwege hun dyslexie/dyscalculie? Zo ja, zijn hier cijfers over bekend? Is de minister bereid deze aspecten mee te nemen in het vervolgonderzoek, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de PVV-fractie merken op dat met de (verwachte) protocollen voor dyslexie en dyscalculie criteria worden vastgesteld en richtlijnen worden gegeven voor het proces van indicering, totstandkoming van de deskundigenverklaring en de adequate begeleiding van deze leerlingen. De leden vragen wanneer deze te verwachten protocollen in werking zullen treden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de minister in haar brief een verklaring geeft voor de zeer wisselende percentages van leerlingen met dyslexie. De leden vragen of de minister ook kan aangeven wat het effect is van het opnemen van onderzoek naar en behandeling van dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering. Met name in het basisonderwijs lijkt er een aanzienlijke toename van dyslexieverklaringen te zijn, hetgeen zich op den duur zal doorzetten naar het voortgezet onderwijs. Verder merkt de minister op dat het aanwezig zijn van een dyslexieverklaring niet automatisch leidt tot inzet van hulpmiddelen of extra examentijd. Worden deze gegevens later nog verstrekt op basis van het nog lopende inspectieonderzoek, zo vragen de leden.

3. «Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie»

De leden van de VVD-fractie merken op dat de minister schrijft dat de daisyspeler steeds minder wordt gebruikt door de inzet van de laptop met speciale software. Kan zij aangeven in hoeverre scholen en uitgeverijen hierop anticiperen door het benodigde lesmateriaal digitaal beschikbaar te stellen voor deze software? Kunnen de uitgeverijen dit lesmateriaal ontwikkelen en de rechten van auteurs voldoende beschermen? Loopt men hier tegen uitvoeringsproblemen aan? Zo ja, welke? Is het waar dat moderne mogelijkheden veel goedkoper zijn en praktisch uitstekend toepasbaar, zo vragen de leden.

De leden van de PvdA-fractie menen dat dyslectische leerlingen er niet de dupe van mogen worden als hun school toevallig weinig prioriteit wenst te geven aan het dyslexiebeleid. Zij hebben vorig jaar een motie aangehouden10 waarin werd gevraagd om toezicht van de Inspectie van het Onderwijs op de gevolgen van het dyslexiebeleid van scholen voor de gelijkwaardigheid van diploma’s. Reden om de motie aan te houden, was dat de minister vond dat de motie te vroeg kwam en zij eerst de twee aangekondigde onderzoeken wilde afwachten en vervolgens wilde bekijken wat daaruit naar voren kwam. Kan de minister, nu het inspectierapport Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie is verschenen, haar politieke oordeel geven wat dit betekent voor de (on)gelijkwaardigheid van diploma’s, zo vragen de leden.

De leden hebben voorts met enige zorg kennisgenomen van de brief van prof. dr. Van Luit11, hoogleraar diagnostiek en behandeling van kinderen met dyscalculie aan de Universiteit van Utrecht. In de brief stelt Van Luit stelt dat verlenging van de examentijd voor leerlingen met dyscalculie, in tegenstelling tot leerlingen met dyslexie, allesbehalve afdoende is. Van Luit bepleit een vrijstelling voor de verplichte rekentoets, die middelbare scholieren binnenkort krijgen opgelegd als onderdeel van het eindexamen. Is het de bedoeling van de minister om een onoverkomelijke drempel op te werpen voor leerlingen met dyscalculie, met alle gevolgen van dien voor de ongediplomeerde uitstroom uit het voortgezet onderwijs? Op welke niveau zullen deze leerlingen nog een diploma kunnen behalen, zo vragen de genoemde leden.

De leden van de PVV-fractie merken op dat in de onderzoeksresultaten naar voren komt dat alle bezochte scholen aangeven dat de aanwezigheid van een dyslexieverklaring de basis is voor het toekennen van hulpmiddelen tijdens het centraal examen. Alle leerlingen voor wie een melding is gedaan voor het aangepast afleggen van het examen beschikken dan ook over een dyslexieverklaring. De leden vragen welke en hoeveel instellingen in Nederland bevoegd zijn tot het verlenen van een rechtsgeldige dyslexieverklaring aan schoolgaande kinderen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat uit het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat – als het gaat om de begeleiding van leerlingen met dyslexie – jaarlijks de zorg wordt afgestemd met leerling, ouders en docenten. Onduidelijk blijft in hoeverre deze afstemming ook leidt tot een aanpak die tot tevredenheid stemt bij de genoemde groeperingen. Wordt dit ook in het vervolgonderzoek meegenomen, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de minister het anticiperend gedrag van scholen op de verzwaarde exameneisen beziet, in het bijzonder om een te negatief slaag- en zakpercentage van de school te voorkomen. Schiet de minister, door het hoger leggen van de lat, haar doel niet voorbij, zo vragen de leden.

De leden vragen hoe groot de regering de mogelijkheid acht dat de strengere exameneisen, zonder enige vorm van compensatie c.q. dispensatie zullen leiden tot het niet kunnen behalen van een diploma. In dit kader vragen de leden hoe er met de groep leerlingen met dyslexie en dyscalculie omgegaan moet worden. Zullen zij ook als aparte groep meegenomen worden in het aangekondigde vervolgonderzoek? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat zij – ondanks de verscherpte exameneisen – toch hun diploma kunnen halen, zo vragen deze leden.

De leden vragen voorts wanneer er meer duidelijkheid komt over de compenserende maatregelen bij dyslexie en dyscalculie. Ziet de minister mogelijkheden daar waar extra hulpmiddelen noodzakelijk zijn en deze onvoldoende gefinancierd kunnen worden vanuit het schoolbudget, deze hulpmiddelen onder te brengen in het zorgverzekeringsstelsel waardoor het minder vrijblijvend wordt en het voor ouders betaalbaar is, zo vragen deze leden.

4. Vervolgacties

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister bereid is om in het vervolgonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en in het kader van het masterplan Dyslexie uitgebreid aandacht te besteden aan het onderpresteren door (hoog-)begaafde leerlingen die door hun dyslexie en/of dyscalculie in de middenmoot terecht komen en afstromen naar een, voor hun intelligentie, lager niveau.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Inspectie van het Onderwijs in het Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie signaleert dat veel scholen niet weten bij welke ondersteuning leerlingen met dyscalculie gebaat zijn en welke hulpmiddelen deze leerlingen mogen gebruiken tijdens het centraal examen. De minister kondigt aan dat in 2012 een Protocol voor Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie zal verschijnen. Hoe gaat dit protocol, mede in het licht van de stelling van de Inspectie van het Onderwijs dat wetenschappelijk nog niet is vastgesteld wat dyscalculie precies inhoudt, waarborgen dat scholen voortaan wel weten bij welke ondersteuning van leerlingen met dyscalculie gebaat zijn, zo vragen de leden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat over dyscalculie nog veel onduidelijkheid bestaat, niet alleen in het onderwijsveld, maar ook in wetenschappelijke kringen. Op welke termijn denkt de minister die duidelijkheid te kunnen geven? Naar verwachting, zo lezen de leden, verschijnt in 2012 het Protocol voor Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie voor het voortgezet onderwijs en het mbo. Om de examens op een deugdelijke wijze te kunnen voorbereiden en duidelijkheid te hebben over eventueel gebruik van hulpmiddelen is het, naar de mening van deze leden, noodzakelijk dat die duidelijkheid komt voor het begin van het schooljaar 2012/2013. Kan de minister dit toezeggen, zo vragen zij.

Conclusie

De leden van de CDA-fractie merken op dat de minister aan geeft dat het kabinet kiest voor betere prestaties over de gehele linie. Deze woorden hebben de volledige steun van de leden. Het vervolg van de zin luidt echter: aandacht (...) voor alle leerlingen; van leerlingen met een beperking tot de excellente leerlingen. Deze laatste impliciete tegenstelling is naar de mening van deze leden onjuist in dit kader. Leerlingen met dyslexie of dyscalculie kunnen ook excellente leerlingen zijn, mits zij al dan niet met hulpmiddelen in staat gesteld worden hun specifieke leerprobleem te overwinnen.

II Reactie van de minister

Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van het schriftelijk overleg over mijn brief betreffende de stand van zaken dyslexie en dyscalculie d.d. 12 december 2011 (Kamerstuk 32 463, nr. 12) in het licht van de aanscherping van de slaag- en zakregeling in het voortgezet onderwijs (Besluit tot wijziging van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in verband met aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs). Ik ben de leden van de verschillende fracties erkentelijk voor hun inbreng. In deze reactie ga ik in op de vragen en opmerkingen in het verslag van het schriftelijk overleg.

Antwoorden

In de inleiding geven de leden van de PvdA-fractie aan dat een diploma waard moet zijn voor wat erop staat en dat ze niet willen dat leerlingen met dyslexie en/of dyscalculie met een diploma het voortgezet onderwijs verlaten maar ze vervolgens door hun handicap kansloos blijken in het vervolgonderwijs. De leden willen echter evenmin dat deze leerlingen onnodig de pas wordt afgesneden met exameneisen die onvoldoende corresponderen met de moeilijkheden die hen in het vervolgonderwijs te wachten staan. De leden vragen of ik deze visie van de leden van de PvdA-fractie deel.

Ik onderschrijf de visie van de leden dat een diploma waard moet zijn voor hetgeen erop staat en heb ook al eerder aangegeven dat ik van mening ben dat leerlingen met dyslexie en/of dyscalculie met een optimale ondersteuning gedurende de gehele schoolloopbaan een gelijke kans moeten hebben om aan het einde van de totale onderwijs periode een diploma te kunnen behalen. Om hier aan tegemoet te komen wil ik in afstemming met het College voor Examens voor zover mogelijk komen tot consistentie in regelgeving, aanpassingen en toegestane hulpmiddelen over alle onderwijssectoren heen. Ik ben van mening dat de aanscherping van de exameneisen leiden tot een meer verantwoorde doorstroom naar het vervolgonderwijs. Tegelijkertijd vormt de aanscherping voor deze leerlingen een extra uitdaging, maar zoals ik heb aangegeven in het VSO van 7 september 2011 en in mijn brief van 12 december 2012 staat de waarde van het diploma voor mij buiten discussie en wil ik niet tornen aan de civiele waarden van onze diploma’s en de eisen die daaraan gesteld worden, ook niet voor leerlingen met dyslexie, dyscalculie en/of een eventuele andere niet objectief waarneembare lichamelijke handicap.

1. Toezeggingen en aangenomen moties tijdens VSO

De leden van de PvdA-fractie stellen in het verslag dat ik de vrijstelling op grond van artikel 11, lid 2 van het Examenbesluit Voortgezet Onderwijs (EB) niet wil stimuleren en daarmee de gewijzigde motie van de leden Schouten en Biskop2 aan mijn laars lap.

De leden vragen welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen, die ik nog niet naar voren heb gebracht tijdens het debat van 7 september 2011 en die de Kamer op 13 september 2011 bij het aannemen van de motie dus nog niet had kunnen meewegen.

Ik heb geen andere overwegingen dan die ik al in het debat van 7 september heb aangegeven. Ik ben nog steeds van mening dat het in het belang van alle jongeren in het vwo is (de vrijstelling genoemd in de motie geldt alleen voor leerlingen in het vwo), dat ze een tweede vreemde taal beheersen met het oog op een vervolgopleiding en een latere werkkring. Dit geldt ook voor vwo-leerlingen met dyslexie en ik acht het daarom niet wenselijk te stimuleren dat leerlingen met dyslexie bij voorbaat van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik gaan maken. Mijns inziens is op dit moment voldoende geborgd dat deze mogelijkheid in het veld bekend is. De informatie over deze mogelijkheid staat op vrijwel alle sites goed vermeld. Ook het College voor Examens heeft de indruk uit zijn veelvuldige contacten met scholen dat scholen zeer goed op de hoogte zijn van de mogelijkheid van artikel 11 (EB). Wel zijn er verschillen tussen scholen in de mate van toepassing van dit artikel. Het is aan de scholen zelf te bepalen of zij dyslectische leerlingen in staat willen stellen van deze vrijstelling gebruik te maken; er is veel voor te zeggen om als het haalbaar is de tweede moderne vreemde taal wel in het onderwijsprogramma op te nemen. Zoals ik in mijn brief betreffende de stand van zaken dyslexie en dyscalculie d.d. 12 december 2011 (Kamerstuk 32 463, nr. 12) en in mijn antwoord op een bovenstaande vraag van de PvdA-fractie heb aangegeven wil ik in afstemming met het College voor Examens, voor zover mogelijk, komen tot consistentie voor wat betreft regelgeving, aanpassingen en toegestane hulpmiddelen over de sectoren heen. Op dit moment wordt daaraan gewerkt. In afwachting daarvan zal in de voorlichting aan scholen daarover zeker ook aandacht zijn voor de vrijstellingsmogelijkheden die de regelgeving biedt (indien nodig zal bieden). Gezien het feit dat scholen op dit moment over het algemeen al goed op de hoogte zijn van de vrijstellingsmogelijkheden is stimulering van deze vrijstellingsmogelijkheid op dit moment naar mijn mening daarom niet opportuun. Ik kan me dan ook niet vinden in de constatering van de leden van de PvdA-fractie dat ik de motie van de leden Schouten en Biskop aan mijn laars lap. Dat is geenszins het geval maar zoals gezegd is de bekendheid van de vrijstellingsmogelijkheid in het veld op dit moment voldoende.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de sectorraden met het oog op de ondersteuning van leerlingen door scholen betrokken zullen worden in een proces dat moet leiden tot een consistente aanpak in regelgeving, aanpassingen en hulpmiddelen en de leden vragen tot hoever deze betrokkenheid van de sectorraden gaat binnen de scholen.

Het proces gericht op een consistente aanpak over de sectoren heen is in januari gestart. Het is van belang dat enerzijds de regelgeving van overheidswege recht doet aan alle leerlingen met een beperking en anderzijds dat de scholen in staat gesteld worden om binnen de kaders van regelgeving het onderwijs aan deze leerlingen optimaal vorm te geven. Goede voorlichting met inbreng van alle betrokkenen, waaronder vanzelfsprekend de sectorraden, is daartoe een voorwaarde. Zodra het proces verder is uitgewerkt zal dit zeker met de sectorraden worden afgestemd.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de kernvraag die tijdens het vso van 7 september 2011 aan de orde is gekomen en waar ook tijdens de begrotingsbehandeling in december nog aan is gerefereerd: worden leerlingen met dyslexie of dyscalculie onnodig zwaar getroffen door de aanscherping van de slaag- en zakregeling in het voortgezet onderwijs? De leden van de CDA-fractie vragen of ik voornemens ben om na afname van de eerste examens conform de aangescherpte slaag- en zakregeling in het voortgezet onderwijs onderzoek te doen naar de effecten op de resultaten van leerlingen met dyslexie of dyscalculie.

Ik heb er eerder op gewezen dat er aanwijzingen zijn dat leerlingen met dyslexie en dyscalculie niet onnodig zwaar getroffen worden bij de aanscherping van de uitslagregel. In mijn brief van 21 januari 2011 (Kamerstuk 2010–2011 32 463, nr. 4) heb ik al aangegeven dat uit de door PON uitgevoerde quickscan (2011) bleek dat de impact van de aanscherping voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie niet wezenlijk verschilde met die van leerlingen zonder deze beperking. In mijn brief van 2011 heb ik naar aanleiding van onderzoek aangegeven dat leerlingen met dyslexie, mits succesvol ondersteund met (auditieve) hulpmiddelen, eenzelfde kans hebben om aan de aangescherpte eis te voldoen. Ik ben me bewust dat de aangescherpte eisen mogelijk een extra inspanning vergen van scholen om deze leerlingen goed te begeleiden. Ik heb er alle vertrouwen in dat scholen het belang daarvan inzien en hierop maatregelen treffen en doe er alles aan om scholen hierin te faciliteren. Zo zijn er voor dyslexie voor het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het mbo al sinds lange tijd protocollen beschikbaar. Voor dyscalculie is er voor het primair onderwijs een protocol beschikbaar, een dergelijk protocol wordt op dit moment voor het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs ontwikkeld en zal naar verwachting medio 2012 beschikbaar zijn.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of ik voldoende in beeld heb of scholen goed op de hoogte zijn van de benutting van artikel 11, lid 2 van het Examenbesluit (vrijstelling tweede vreemde taal).

Wat betreft het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op de soortgelijke vraag van de leden van de leden van de PvdA-fractie.

Ik ben verheugd dat de leden van de CDA-fractie zich kunnen vinden in hetgeen ik heb aangegeven over de examens op verschillende niveaus en dat deze leden het met mij eens zijn dat doorstroomrechten van een diploma alleen kunnen gelden als aan alle voorwaarden voor het behalen van dat diploma is voldaan. Ook ben ik verheugd dat de leden tevreden zijn met mijn inspanningen om dyslectische leerlingen van aangepast lesmateriaal en adequate hulpmiddelen te voorzien.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of de GEU (Groep Educatieve Uitgeverijen) inmiddels een voorstel heeft gedaan aan hun leden voor aanlevering van de bronbestanden aan Stichting Dedicon kan ik melden dat dit voorstel inmiddels binnen de GEU aan de orde is geweest, maar nog niet aan alle leden van de GEU is voorgelegd. De planning is dat de uiteindelijke afstemming in juni plaatsvindt tijdens de ledenvergadering. Tot nu toe is er door de betrokken uitgevers (waaronder de grote uitgeverijen) positief op het voorstel gereageerd en worden de voorbereidingen voor levering van de bestanden getroffen. De streefdatum is nog steeds schooljaar 2012–2013.

De leden vragen ook of Dedicon over de financiële middelen beschikt om de omzetting uit te voeren en daarbij voldoende kwaliteit te waarborgen, nu de opdracht die in 2009 aan Stichting Dedicon werd gegund in het kader van de aanbesteding «Productie, reproductie en distributie van aangepast lesmateriaal voor leerlingen met dyslexie in het primair en voortgezet onderwijs» afloopt aan het einde van dit schooljaar. Ik kan u melden dat dit het geval zal zijn. De aanbesteding kent de optionele mogelijkheid om het project met een jaar te verlengen. Gegeven de lopende ontwikkelingen en de contacten met de uitgevers heb ik besloten om tot verlenging met een jaar over te gaan om de continuering van de dienstverlening te waarborgen en tegelijkertijd voldoende tijd en ruimte te bieden voor de gesprekken tussen Dedicon en uitgevers. Begin 2013 zal opnieuw bekeken worden of voortzetting van deze dienstverlening wenselijk is.

Deze leden vragen ook of de subsidieregeling wel voldoende effect heeft gehad. In 2009 is een aanbesteding gedaan om lesmateriaal in het primair en voortgezet onderwijs ook digitaal toegankelijk te maken voor dyslexiesoftware. Hierin is overigens ook het (voortgezet) speciaal onderwijs meegenomen. De productie van bestanden verloopt op schema. In totaal worden in drie jaren ongeveer 2000 titels geproduceerd voor de twee meest gebruikte dyslexiesoftwarepakketten (4000 unieke bestanden). In de aanbesteding was sprake van 1880 titels (3760 bestanden). Dedicon heeft bij de productie voorrang gegeven aan veelgevraagde en veelgebruikte titels.

Gedurende de looptijd van het project zijn zowel de bekendheid als het gebruik van de voorziening toegenomen. Het aantal klanten is gestegen en het aantal leveringen per klant is toegenomen. Voor leerlingen met dyslexie is het, naast deze voorziening, ook mogelijk om uit de bestaande collectie van Dedicon boeken te bestellen. Veel materiaal is in gesproken (Daisy-)formaat beschikbaar, dat ook door leerlingen met dyslexie wordt gebruikt.

Het komende jaar zal een evaluatie worden uitgevoerd op de effectiviteit van de subsidie.

Op de vraag of scholen en ouders tevreden zijn met het aanbod en de dienstverlening van Stichting Dedicon kan ik u bevestigend antwoorden. Dedicon voert regelmatig klanttevredenheidsonderzoeken uit. In januari 2012 is onderzoek gedaan naar de tevredenheid van klanten over de bestanden voor dyslexiesoftware. Ruim 250 scholen en 450 leerlingen en ouders vulden een online vragenlijst in. De bestanden worden door scholen gewaardeerd met een rapportcijfer van 7,3; door leerlingen en ouders met een 7,4.

Uit het onderzoek blijkt dat de bestanden van Dedicon dyslectische leerlingen en scholieren een goede ondersteuning bieden. Van de ondervraagde scholen is 86% het eens met de stelling: «Met aangepaste bestanden van Dedicon kunnen mijn leerlingen gemakkelijker leren». Dit wordt bevestigd door de leerlingen zelf: 84% is het hiermee eens. Volgens 68% van de leerlingen heeft dit ertoe geleid dat zij hogere cijfers halen.

Uit het klanttevredenheidsonderzoek van 2010 en 2012 blijkt dat uitbreiding van de digitale collectie een belangrijk verbeterpunt is. Voor het schooljaar 2011/2012 hebben klanten gemiddeld zes bestanden van schoolboeken besteld.

Ook hebben de leden van de CDA-fractie de vraag hoe dit zich verhoudt tot wat de Stichting Dedicon beschikbaar maakt voor blinde en slechtziende leerlingen. Het is de kerntaak van Dedicon om materiaal toegankelijk te maken voor blinde en slechtziende leerlingen. Deze leerlingen kunnen bij Dedicon op verzoek boeken laten produceren in de voor hen gewenste leesvormen. In de meeste gevallen betreft dat brailleboeken, bestanden voor de brailleleesregel, vergrotingen en gesproken boeken in Daisyformaat. Het aantal leerlingen met een visuele beperking is veel kleiner dan het aantal dyslectische leerlingen en daarmee ligt ook het aantal (verschillende) boeken dat zij nodig hebben lager. Dedicon ontvangt hiervoor al langer bekostiging die losstaat van de incidentele middelen die Dedicon heeft ontvangen voor het geschikt maken van bestanden voor dyslexiesoftware.

Dyslectische leerlingen hebben de mogelijkheid om te bestellen uit de hele beschikbare collectie. Deze leerlingen bestellen in de meeste gevallen gesproken boeken in Daisy-formaat. De collectie boeken voor het primair en voortgezet onderwijs is nagenoeg volledig beschikbaar in Daisy. Op dit moment wordt geprobeerd om daarnaast de collectie met bestanden voor dyslexiesoftware compleet te krijgen voor primair en voortgezet onderwijs (zie ook het antwoord over het voorstel van de GEU). De aanbesteding voor het produceren, reproduceren en distribueren van aangepast lesmateriaal voor leerlingen met dyslexie in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs was daarvoor een belangrijke impuls.

Overigens worden bestanden die geschikt zijn voor dyslexiesoftware in enkele gevallen ook door slechtziende leerlingen besteld. Ze bevatten immers de mogelijkheid om de tekst (beperkt) te vergroten op het scherm, de tekst te laten voorlezen en tegelijkertijd in de bestanden te verwerken. Dit zijn functionaliteiten waarmee ook slechtziende leerlingen ondersteund worden.

Tevens vragen de leden of ik bekend ben met het alternatieve plan dat door Stichting Toegankelijke Informatie in overleg met de GEU is ontwikkeld voor het sneller, goedkoper en op grotere schaal beschikbaar maken van schoolboeken voor dyslexiesoftware en daarin ook meteen het speciaal onderwijs, mbo en hoger onderwijs te voorzien van de geschikte school- en studieboeken die er al bij individuele personen zijn. Ook vragen de leden of ik voornemens ben dit initiatief te ondersteunen.

Ik ben bekend met dit initiatief. Dit plan is aanvullend op hetgeen Dedicon doet, geen alternatief daarvoor. Dedicon zorgt ervoor dat de bestanden van de uitgevers, beveiligd en bruikbaar met dyslexiesoftware ter beschikking worden gesteld aan gebruikers. De Stichting Toegankelijke Informatie is met het initiatief gekomen om het werk dat ouders en onderwijsinstellingen in het verleden al gedaan hebben en in de toekomst eventueel willen (blijven) doen, te coördineren.

Er is voorgesteld dat de Stichting Toegankelijke Informatie de mogelijkheid krijgt om de coördinatie op zich te nemen van het verder bewerken van de beveiligde, toegankelijke bestanden die Dedicon heeft gemaakt, indien gewenst. Na bewerking worden ook deze bestanden door Dedicon beveiligd en in de database opgenomen, waarna ze voor dyslectische leerlingen in bewerkte vorm beschikbaar zijn (de oorspronkelijke versie van Dedicon is daarnaast dan ook beschikbaar). In dit voorstel zou de Stichting toezicht houden op de kwaliteit van de «extra bewerkte versie».

Ik ben blij met de eerder genoemde inzet van de uitgevers om in samenwerking met Dedicon in versneld tempo een bijdrage te leveren aan het op grotere schaal beschikbaar stellen van lesmateriaal voor leerlingen met dyslexie. Ik vind het ook sympathiek dat ouders zich willen inspannen om het onderwijs van hun kinderen beter toegankelijk te maken. Aan het bijkomend initiatief van de Stichting Toegankelijke Informatie zitten echter nog verschillende haken en ogen, zoals voldoende waarborgen voor de kwaliteit, het juiste gebruik van auteursrechten en de beveiliging van de bestanden. Ook heeft Dedicon via een Europese aanbesteding de opdracht gekregen om lesmateriaal toegankelijk te maken voor leerlingen met dyslexie en meng ik mij in principe niet in particuliere initiatieven. Het initiatief van de stichting vraagt dus nog om nader overleg met de uitgevers. Ik zal hierover op korte termijn overleg voeren met de GEU en de Stichting Toegankelijke Informatie.

De leden merken voorts op dat het beschikbaar hebben van materiaal van groot belang is. Zij merken daarbij wel op dat er nog steeds veel scholen zijn die geen dyslexiesoftware beschikbaar hebben. Uit het plan van aanpak dat ik vier jaar geleden aankondigde blijkt volgens de leden nog niet dat de beoogde kwaliteitsverbetering tot stand is gebracht.

Zij vragen of ik bekend ben met de bovenschoolse integrale implementatietrajecten die diverse samenwerkingsverbanden in het kader van passend onderwijs succesvol met Lexima in gang hebben gezet, of ik het ermee eens ben dat deze best practice voorbeelden navolging verdienen, hoe ik dit ga aanpakken en wie verantwoordelijk is voor de aanschaf van de dyslexiesoftware: de school of de ouders.

Het is mij bekend dat het WSNS-verband in Tilburg een dergelijk project is gestart. Als samenwerkingsverbanden gezamenlijk bepaalde diensten willen aanbieden dan is dat uiteraard mogelijk. Ook ben ik er voorstander van om goede voorbeelden met elkaar te delen. De inrichting van het onderwijs is echter aan de scholen en samenwerkingsverbanden zelf: daar zal ik mij niet in mengen.

De school is verantwoordelijk om dyslexiebeleid vorm te geven. Dat wil zeggen dat de school daartoe noodzakelijke leermiddelen en voorzieningen inzet, te betalen uit de lumpsum. Omdat het aantal dyslectische leerlingen groot is en iedere school ermee te maken heeft, is het opportuun hulp en andere ondersteuning op school te bieden en te borgen, inclusief de daartoe in te zetten hulpmiddelen. In de lumpsum zitten hiervoor ook middelen. Als ouders op eigen titel hulpmiddelen aanschaffen is dat hun keuze. Ouders kunnen daartoe niet worden verplicht. Wel zijn er individuele mogelijkheden, waar het onderwijs geen betrokkenheid bij heeft, beschikbaar via de zorgverzekeraar (men vraagt een daisyspeler voor de thuissituatie aan, die men vervolgens ook op school kan gebruiken) en via belastingaftrek.

Voor informatie over dyslexiehulpmiddelen kunnen ouders terecht op de website van het Steunpunt Dyslexie, dat beheerd wordt door de oudervereniging Balans (www.Steunpuntdyslexie.nl). Ook de voor de diverse onderwijssectoren ontwikkelde protocollen dyslexie bevatten veel informatie. Informatie hierover is te vinden via de website van het Masterplan Dyslexie (www.Masterplandyslexie.nl).

Tevens stellen de leden een aantal vragen naar aanleiding van hetgeen ik ruim een jaar geleden schreef: «In principe komen speciale voorzieningen die dyslectische leerlingen nodig hebben niet voor rekening van de ouders»6. De leden merken op dat het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen jongeren met een handicap (artikel 5) bepaalt dat voorzieningen voor dyslexie zijn uitgesloten van vergoeding. Volgens de leden vormt deze uitsluiting een groot obstakel voor de toegang van veel dyslectische leerlingen en studenten tot de hulpmiddelen die zij nodig hebben en daarmee worden zij de facto belemmerd in hun kansen op het behalen van een diploma. Volgens een student fiscaal recht is dit artikel in strijd met artikel 1 van de Grondwet én met de Wet gelijke behandeling chronisch zieken en gehandicapten. Hij heeft de Centrale Raad van Beroep verzocht het UWV7 opdracht te geven om bij vergoedingsaanvragen voor hulpmiddelen voor dyslectici het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen jongeren met een handicap buiten toepassing te laten. De leden vragen mij of ik bekend met deze beroepszaak en of ik van mening ben dat aan deze ongelijke behandeling van leerlingen en studenten met dyslexie een einde moet worden gemaakt.

Ik ben bekend met deze beroepszaak. De zaak ligt nog voor bij de Centrale Raad van Beroep. Zolang de zaak nog onder de rechter is, zal ik er niet inhoudelijk op ingaan.

Ook de leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de uitvoering van de eerdergenoemde motie van de leden Schouten en Biskop, nl. om het artikel 11 van het Examenbesluit onder de aandacht te brengen van scholen. Wat betreft het antwoord op deze vragen verwijs ik naar mijn bovenstaand antwoord op de eerdere vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden hebben voorts enkele vragen over de uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Schouten en Ortega-Martijn8, waarin wordt gevraagd om gerichte afspraken te maken met de VO-raad9 over de gewenste en noodzakelijke ondersteuning van scholen voor leerlingen met dyslexie en/of dyscalculie en om de ongewenste afstroom naar lagere onderwijstypen te voorkomen. Zij vragen hoe de ondersteuning wordt vormgegeven, hoe dit wordt gemonitord, of de inspectie hierin een rol krijgt en of ik bereid ben hierbij ook ouderorganisaties zoals Balans en Woortblind te betrekken.

Zoals ook is opgenomen in het verslag van het schriftelijk overleg over de aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs van 9 juni 2011 (kamerstukken II 32 463, nr. 5) zijn scholen zelf verantwoordelijk om het dyslexie- en dyscalculiebeleid vorm te geven. Onderwijs aan leerlingen met dyslexie en dyscalculie valt onder het reguliere schoolbeleid. Met het door het ministerie van OCW gesubsidieerde Masterplan Dyslexie worden scholen ondersteund in het vormgeven van hun dyslexiebeleid. Voor dyscalculie zal medio 2012 het protocol voor Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie beschikbaar komen. Het protocol bevat richtlijnen voor scholen hoe leerlingen met een rekenstoornis optimaal ondersteund kunnen worden. Zoals ik hierboven heb gemeld is in januari het proces gestart om te komen tot een consistente aanpak over de sectoren heen voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Zodra dit proces verder is uitgewerkt zal hierover zeker afstemming plaatsvinden met de sectorraden en andere belanghebbenden.

Hiernaast beoordeelt de inspectie in het risicogerichte toezicht de wijze waarop scholen ondersteuning bieden aan leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften, waaronder leerlingen met dyslexie. In het door de inspectie voor dit voorjaar geplande themaonderzoek (casestudy) naar dyslexie en dyscalculie zal aandacht worden besteed aan de manier waarop leerlingen met dyslexie en dyscalculie ondersteund worden tijdens hun schoolloopbaan. Er zal gekeken worden naar het beleid dat scholen voeren met betrekking tot dyslexie en dyscalculie en naar de zorggeschiedenissen van een aantal leerlingen. Het rapport van dit onderzoek komt naar verwachting direct na de zomer beschikbaar.

2. Landelijke percentages dyslexie

De leden van de VVD-fractie merken op dat dat het aantal leerlingen met dyslexie/dyscalculie verschillend verdeeld is over onderwijsniveaus en ongeveer 5% (vwo), 10% (havo) en 19% (vmbo) is. Deze verdeling wijkt af van de verdeling van intelligentieniveau, die per definitie normaal verdeeld is. De leden vragen of het mogelijk is dat leerlingen met een hoog intelligentieniveau, ondanks hun intellectuele capaciteiten, afstromen naar een lager onderwijsniveau vanwege hun dyslexie/dyscalculie, of hier cijfers over beschikbaar zijn en of deze aspecten meegenomen worden in het vervolgonderzoek van de inspectie.

Ik ben het met de leden eens dat de verdeling afwijkt van de verdeling van de intelligentieniveaus. De percentages die ik in mijn brief van 12 december noem zijn afkomstig vanuit de Quick Scan (PON-onderzoek, 2010). Daarbij is uitsluitend gekeken naar het aantal eindexamenleerlingen met een dyslexie of dyscalculieverklaring. Om meer zicht te krijgen of de percentages zoals geconstateerd in 2010 een reëel beeld geven heb ik hetzelfde onderzoek door de KPC-groep onlangs laten herhalen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de percentages leerlingen met dyslexie voor examenjaar 2011 voor vmbo (15%) havo (11%) en vwo (6%) nagenoeg gelijk zijn als die in het examenjaar 2010 (vmbo 19%, havo 10% en vwo 5%). Daarbij zij opgemerkt dat mij onlangs door de onderzoeker is gemeld dat bij het bepalen van de cijfers voor het vmbo in 2010 in het onderzoek een fout geslopen is en het cijfer voor dat jaar 15% bedroeg en niet de 19% zoals in de rapportage voor 2010 werd gesteld. Binnenkort zal ik u het rapport van dit tweede onderzoek doen toekomen.

Voor zover mij bekend is er geen relatie tussen intelligentieniveau en vormen van dyslexie. Het lijkt mij dan ook zeer wel mogelijk dat leerlingen met een hoog intelligentieniveau maar met een zware of middelzware indicatie hierdoor afstromen naar een lager onderwijsniveau. Exacte cijfers hierover heb ik echter niet beschikbaar omdat het onderwijs aan leerlingen met een hoog intelligentie niveau en dyslexie onder het reguliere schoolbeleid vallen. Ook de onderzoeken die de inspectie in dit kader (dyslexie en dyscalculie) uitvoert zullen hier geen uitsluitsel over geven.

Mijn beleid is erop gericht om enerzijds via relevante, strengere maar tegelijkertijd reële eisen in het voortgezet onderwijs de succeskans in het vervolgonderwijs te vergroten. Anderzijds is mijn beleid erop gericht ervoor te zorgen dat scholen leerlingen met een beperking optimaal kunnen ondersteunen (aanpassing lesmateriaal, meer examentijd, protocollen om scholen handvatten te bieden om deze leerlingen gerichte ondersteuning te bieden, etc.) om hen in staat te stellen aan de gestelde eisen te voldoen. Door deze maatregelen wordt ernaar gestreefd te bereiken dat leerlingen met een (niet objectief waarneembare lichamelijk) beperking naar een schooltype gaan dat overeenkomt met hun cognitieve capaciteiten.

De leden van de PVV-fractie merken op dat met de (verwachte) protocollen voor dyslexie en dyscalculie criteria worden vastgesteld en richtlijnen worden gegeven voor het proces van indicering, totstandkoming van de deskundigenverklaring en de adequate begeleiding van deze leerlingen. De leden vragen wanneer deze te verwachten protocollen in werking zullen treden.

Voor dyslexie zijn er voor het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het mbo al sinds lange tijd protocollen beschikbaar. Voor dyscalculie is er voor het primair onderwijs een protocol gepubliceerd. Een dergelijk protocol wordt op dit moment voor het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs ontwikkeld. De protocollen voor dyscalculie voor het voortgezet onderwijs en het mbo zullen naar verwachting medio 2012 beschikbaar komen en aan de scholen ter beschikking gesteld worden. De protocollen zijn in de eerste plaats bedoeld om scholen handvatten te bieden daarop beleid te ontwikkelen om deze leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat ik in mijn brief een verklaring geeft voor de zeer wisselende percentages van leerlingen met dyslexie. De leden willen weten of ik ook kan aangeven wat het effect is van het opnemen van onderzoek naar en de behandeling van dyslexie in het basispakket van de zorgverzekering.

Op deze vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. Het effect van het opnemen van ernstige, enkelvoudige dyslexie in het pakket op het aantal leerlingen met een dyslexieverklaring in het voortgezet onderwijs is niet onderzocht.

Verder merken de leden van de CDA-fractie op dat met name in het basisonderwijs er een aanzienlijke toename van dyslexieverklaringen lijkt te zijn, hetgeen zich op den duur zal doorzetten naar het voortgezet onderwijs. Voorts gaan de leden in op mijn opmerking dat het aanwezig zijn van een dyslexieverklaring niet automatisch leidt tot inzet van hulpmiddelen of extra examentijd en de leden vragen of deze gegevens later nog worden verstrekt op basis van het lopende inspectieonderzoek.

Zoals ik u meldde in mijn brief van 12 december kennen beperkingen als dyslexie een glijdende schaal van een lichte tot een zware indicatie. Het onderwijs aan leerlingen met dyslexie valt onder het reguliere schoolbeleid. Tegen deze achtergrond wordt van scholen verwacht dat zij dyslectische leerlingen op individueel niveau de juiste ondersteuning bieden. Dat betreft ook de inzet van adequate hulpmiddelen. Omdat niet alle scholen eenzelfde beleid voeren ten aanzien van dyslexie (de school is hierin autonoom), het aantal leerlingen met dyslexie per school varieert evenals de mate van de beperking per leerling zijn geen exacte gegevens beschikbaar of de aanwezigheid van een dyslexieverklaring altijd leidt tot inzet van hulpmiddelen.

In het themaonderzoek van de inspectie dat specifiek gericht is op het voortgezet onderwijs wordt aan een aantal scholen gevraagd hoe zij hun zorg afstemmen op het advies van de deskundige zoals omschreven in de dyslexieverklaring en in hoeverre deze verklaringen leidend zijn voor de toekenning van hulpmiddelen. Het kan zijn dat een leerling in het voortgezet onderwijs extra begeleiding heeft ontvangen op basis van een dyslexieverklaring die is afgegeven in de periode dat de leerling op de basisschool zat. Voor leerlingen met een lichte vorm van dyslexie is extra begeleiding niet altijd noodzakelijk omdat zij hun beperking beter kunnen compenseren. In het onderzoek worden alleen de dossiers van leerlingen meegenomen die extra begeleiding hebben ontvangen op basis van een dyslexieverklaring.

3. Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie

De leden van de VVD-fractie merken op dat ik in mijn brief van 12 december 2011 heb aangegeven dat de daisyspeler steeds minder wordt gebruikt door de inzet van de laptop met speciale software.

De leden vragen in hoeverre scholen hierop anticiperen door het beoogde lesmateriaal digitaal beschikbaar te stellen voor deze software.

Het eerder genoemde initiatief van uitgevers en Dedicon is erop gericht om in versneld tempo zoveel mogelijk digitale bestanden van leermiddelen beschikbaar te maken om via speciale software leerlingen met dyslexie toegankelijk lesmateriaal te bieden. Daarnaast is er een toename in het aantal scholen dat digitale bestanden van leermiddelen bij Dedicon aanvraagt ten behoeve van de dyslexieleerlingen op school.

Ook vragen de leden of de uitgeverijen dit lesmateriaal kunnen ontwikkelen en de rechten van auteurs voldoende kunnen beschermen. Tevens stellen ze de vraag of men hier tegen uitvoeringsproblemen aanloopt en zo ja welke.

Op dit moment is het voor de uitgeverijen nog niet mogelijk om lesmateriaal in een zodanige vorm te ontwikkelen dat het toegankelijk is voor alle doelgroepen, c.q. direct uitleesbaar is met dyslexiesoftware. Om veelgebruikte lesmethodes beschikbaar te maken voor leerlingen met dyslexie, zijn er afspraken gemaakt met Dedicon. Uitgevers leveren de digitale bestanden aan Dedicon aan, die er voor zorgt dat het lesmateriaal ontsloten kan worden met dyslexiesoftware. Door de beveiliging die Dedicon op de bestanden toepast, zijn de auteursrechten van de auteurs beschermd. Het is met deze bestanden niet mogelijk illegaal kopieën te maken of op illegale wijze deze leermiddelen te verspreiden. Voor nieuwe lesmaterialen zullen de educatieve uitgevers de gebruikelijke bescherming bieden ten aanzien van auteursrecht. Hierbij loopt men wel tegen uitvoeringsproblemen aan. In het project didactische en digitale toegankelijkheid van leermiddelen zal Dedicon in samenwerking met de uitgevers onderzoeken welke drempels er zijn bij het ontwikkelen van toegankelijk materiaal voor leerlingen met een visuele beperking. Dit onderzoek is ook relevant voor de doelgroep dyslectische leerlingen.

Voorts vragen de leden of het waar is dat moderne mogelijkheden veel goedkoper zijn en praktisch uitstekend toepasbaar.

Het is uiteraard goedkoper in productie om al tijdens het ontwikkelen van leermiddelen rekening te houden met dyslectische leerlingen. De meeste uitgeverijen zullen dat bij nieuwe ontwikkelingen ook meenemen, Feit is wel dat bestaande leermiddelen gemiddeld een jaar of vijf tot acht meegaan en dat voor deze leermiddelen nu (en voor een deel ook nog in de toekomst) additionele bewerking nodig is om de toegankelijkheid te verbeteren. Ook bij nieuw te ontwikkelen leermiddelen is het niet altijd mogelijk om tegemoet te komen aan de wensen/eisen die dyslectische leerlingen, of leerlingen met andere leesbeperkingen, stellen aan de leermiddelen. Eind 2011 is er met ondersteuning van OCW- en PRIMA-subsidie een project gestart om de didactische en digitale toegankelijkheid van leermiddelen te verbeteren. Dedicon werkt in dat project samen met de cluster 1-instellingen, Vizirs, Stichting Accessibility en Stichting Waarmerk Drempelvrij. Als onderdeel van dit project zal ook onderzoek worden gedaan naar de toepasbaarheid van nieuwe technologie zoals ebooks en ereaders voor leerlingen met dyslexie of een visuele beperking.

De leden van de PvdA-fractie menen dat dyslectische leerlingen er niet de dupe van mogen worden als hun school toevallig weinig prioriteit wenst te geven aan het dyslexiebeleid. Zij hebben vorig jaar een motie aangehouden waarin werd gevraagd om toezicht van de Inspectie van het Onderwijs op de gevolgen van het dyslexiebeleid van scholen voor de gelijkwaardigheid van diploma’s. Reden om de motie aan te houden, was dat ik vond dat de motie te vroeg kwam en eerst de aangekondigde inspectieonderzoeken wilde afwachten en vervolgens wilde bekijken wat daaruit naar voren kwam.

Deze leden vragen of ik nu het inspectierapport Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie is verschenen hierover mijn oordeel kan geven. Uit dit onderzoek is gebleken, zoals ik ook in mijn brief van 12 december heb aangegeven, dat de aanwezigheid van een (dyslexie)verklaring voor alle bezochte scholen de basis is voor het toekennen van hulpmiddelen tijdens het examen. Scholen hebben de plicht om aan de inspectie een afwijkende wijze van examinering te melden. Bij meldingen van dyslexie geven scholen aan welke hulpmiddelen voor het centraal examen zij willen toekennen aan leerlingen. Verder blijkt uit het representatieve herhalingsonderzoek uitgevoerd in 2012 door het KPC (in navolging van het PON-onderzoek in 2010) dat de scholen voor bijna alle dyslectische leerlingen met een dyslexieverklaring (dus niet specifiek voor eindexamenleerlingen) extra hulpmiddelen inzetten (extra tijd, ICT-ondersteuning, auditieve ondersteuning etc.). Tevens is er een stijgende lijn te zien van het aantal scholen dat beleid heeft ontwikkeld of op dit moment ontwikkelt voor leerlingen met dyscalculie ten opzichte van 2010. Uit deze resultaten maak ik op dat scholen zich zeer bewust zijn van de problematiek en er alles aan doen om leerlingen met een beperking waar mogelijk zo goed mogelijk voor te bereiden op het examen van een schooltype dat past bij hun cognitieve vaardigheden. Op grond van deze bevindingen heb ik geen aanwijzingen dat scholen dyslectische en andere leerlingen met een beperking niet naar behoren zouden bedienen en dat hier specifieker door de inspectie dan nu het geval is toezicht op gehouden zou moeten worden met het oog op (on)gelijkheid van diploma’s.

De leden van de PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van een brief van prof. dr. Van Luit, hoogleraar diagnostiek en behandeling van kinderen met dyscalculie aan de Universiteit van Utrecht. In de brief stelt Van Luit dat verlenging van de examentijd voor leerlingen met dyscalculie, in tegenstelling tot leerlingen met dyslexie, allesbehalve afdoende is. Van Luit bepleit een vrijstelling voor de verplichte rekentoets, die middelbare scholieren binnenkort krijgen opgelegd als onderdeel van het eindexamen.

Deze leden vragen naar aanleiding van de brief van prof.dr. Van Luit of het mijn bedoeling is om een onoverkomelijke drempel op te werpen voor leerlingen met dyscalculie, met alle gevolgen van dien voor de ongediplomeerde uitstroom uit het voortgezet onderwijs? Ook vragen ze op welk niveau deze leerlingen nog een diploma kunnen behalen.

Ik acht het van groot belang dat er voor leerlingen met dyscalculie geen onnodige drempels worden opgeworpen. Ik besef dat de invoering van de verplichte rekentoets een extra uitdaging zal vormen voor deze leerlingen maar zoals ik heb aangegeven in het VSO van 7 september 2011 en in mijn brief van 12 december 2012 staat de waarde van het diploma voor mij buiten discussie en wil ik niet tornen aan de civiele waarden van onze diploma’s en de eisen die daaraan gesteld worden, ook niet voor leerlingen met dyscalculie. Rekenen is een essentiële basisvaardigheid. Daarom acht ik het niet wenselijk dat leerlingen met dyscalculie bij voorbaat worden vrijgesteld van de verplichte rekentoets. Vrijstelling daarvan zou de waarde van het diploma en het civiel effect ervan ondermijnen. Ik doe er alles aan om ook deze leerlingen in staat te stellen de toets te halen en scholen daartoe te faciliteren. Ik heb daarvoor verschillende trajecten in gang gezet. Er wordt een protocol Ernstige RekenWiskunde problemen en dyscalculie ontwikkeld voor het voortgezet in middelbaar beroepsonderwijs. Dit protocol komt medio 2012 beschikbaar voor de scholen. Het protocol bevat richtlijnen hoe leerlingen met een rekenstoornis optimaal ondersteund kunnen worden. Daarnaast wordt in opdracht van het College voor Examens op dit moment door de Hogeschool van Utrecht onderzoek gedaan. In dit onderzoek wordt nagegaan hoe leerlingen met een rekenstoornis recht kan worden gedaan bij het toetsen van de rekenvaardigheid. Ik zal uw Kamer in het najaar van 2012 nader informeren over de uitkomsten van dit onderzoek.

De leden van de PVV-fractie merken op dat in de onderzoeksresultaten naar voren komt dat alle bezochte scholen aangeven dat de aanwezigheid van een dyslexieverklaring de basis is voor het toekennen van hulpmiddelen tijdens het centraal examen. Alle leerlingen voor wie een melding is gedaan voor het aangepast afleggen van het examen beschikken dan ook over een dyslexieverklaring. De leden vragen welke en hoeveel instellingen in Nederland bevoegd zijn tot het verlenen van een rechtsgeldige dyslexieverklaring aan schoolgaande kinderen

Er zijn 13 praktijken, die zijn aangesloten bij het Nationaal Referentie Centrum Dyslexie (NRD), 74 praktijken zijn aangesloten bij het Kwaliteitsinstituut Dyslexie (KD) en Onderwijszorg Nederland (ONL) heeft 24 schoolbegeleidingsdiensten als lid. Daarnaast kennen het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) een deskundigenbestand van in totaal 474 behandelaars. Dit naast de 300 leden van de beroepsvereniging voor logopedisten. Er bestaat voor hen geen aparte bevoegdheid voor het verlenen van een rechtsgeldige dyslexieverklaring, anders dan dat zij in voorkomende gevallen deze kunnen afgeven aan kinderen, die vanwege hun (ernstige, enkelvoudige) dyslexie aangewezen zijn op ondersteunende hulpmiddelen. Dit conform de in het veld geldende kwaliteitseisen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat uit het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat – als het gaat om de begeleiding van leerlingen met dyslexie – jaarlijks de zorg wordt afgestemd met leerling, ouders en docenten. Onduidelijk blijft volgens deze leden in hoeverre deze afstemming ook leidt tot een aanpak die tot tevredenheid stemt bij de genoemde groeperingen. De leden vragen of dit ook in het vervolgonderzoek wordt meegenomen.

Deze vraag wordt in het vervolgonderzoek dat de inspectie in het voorjaar van 2012 zal uitvoeren niet expliciet meegenomen. In het geplande themaonderzoek wordt in een leerling-gesprek gevraagd in hoeverre de leerlingen met dyslexie/dyscalculie vinden dat zij voldoende ondersteund worden tijdens hun schoolloopbaan. Oudertevredenheid wordt niet meegenomen in het onderzoek. Wel wordt er in het onderzoek aandacht besteed aan draagvlak bij leraren voor het beleid dat scholen voeren met betrekking tot dyslexie en dyscalculie. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in het beleid dat scholen voeren op het gebied van dyslexie en dyscalculie en de kwaliteit van de ondersteuning die scholen leerlingen met dyslexie/dyscalculie bieden.

De leden van de Christen Unie vragen hoe ik het anticiperend gedrag van scholen op de verzwaarde exameneisen bezie in het bijzonder om een te negatief slaag- en zakpercentage van de school te voorkomen. Zij vragen of ik, door het hoger leggen van de lat mijn doel niet voorbij schiet. Ook vragen de leden hoe groot ik de mogelijkheid acht dat de strengere exameneisen, zonder enige vorm van compensatie c.q. dispensatie zullen leiden tot het niet kunnen behalen van een diploma en hoe er in dat kader omgegaan moet worden met de groep leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Worden zij als aparte groep meegenomen in het aangekondigde vervolgonderzoek van de inspectie? Ook vragen de leden hoe ik ervoor ga zorgen dat zij ondanks de verscherpte exameneisen toch hun diploma kunnen halen. De leden vragen voorts wanneer er meer duidelijkheid komt over de compenserende maatregelen bij dyslexie en dyscalculie en of ik mogelijkheden zie daar waar extra hulpmiddelen noodzakelijk zijn en deze onvoldoende gefinancierd kunnen worden vanuit het schoolbudget, deze hulpmiddelen onder te brengen in het zorgverzekeringsstelsel waardoor het minder vrijblijvend wordt en het voor ouders betaalbaar is.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de minister het anticiperend gedrag van scholen op de verzwaarde exameneisen beziet, in het bijzonder om een te negatief slaag- en zakpercentage van de school te voorkomen.

Ten aanzien van de bovenstaande vragen en met name de vraag hoe ik ervoor ga zorgen dat deze leerlingen ondanks de verscherpte exameneisen toch hun diploma kunnen halen wil ik opmerken dat er voor leerlingen met dyslexie optimale mogelijkheden zijn in het onderwijs en examen om ondanks hun beperking aan de eisen te kunnen voldoen. Uit onderzoek blijkt dat de hulpmiddelen die voor dyslectische leerlingen beschikbaar zijn over het algemeen afdoende werken en zij het diploma kunnen behalen dat past bij hun cognitieve vaardigheden. Voor leerlingen met (zware) dyscalculie zal de invoering van de rekentoets een extra uitdaging zijn om het diploma te kunnen halen dat past bij hun cognitieve vaardigheden. Ik doe er alles aan zoals hierboven genoemd om ook deze leerlingen in staat te stellen de rekentoets te halen en scholen daartoe te faciliteren.

Wat betreft het vervolgonderzoek van de inspectie; dit vervolgonderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in het beleid dat scholen voeren op het gebied van dyslexie en dyscalculie en betreft dus uitsluitend deze groep leerlingen.

De leden vragen tevens of ik mogelijkheden zie daar waar extra hulpmiddelen noodzakelijk zijn en deze onvoldoende gefinancierd kunnen worden vanuit het schoolbudget, deze hulpmiddelen onder te brengen in het zorgverzekeringsstelsel waardoor het minder vrijblijvend wordt en voor ouders betaalbaar.

Het huidige protocol is geënt op de effectiviteit van behandeling bij kinderen met ernstige, enkelvoudige dyslexie in de basisschoolleeftijd. Dit conform de regeling binnen de Zvw, zoals die sinds januari 2009 is ingevoerd. Op basis van de Regeling zorgverzekering is het ook mogelijk om in voorkomende gevallen een vergoeding te krijgen voor aanschaf van bijvoorbeeld een laptop. Dit is mede afhankelijk van de polis die men heeft bij de betreffende zorgverzekeraar. De huidige regelingen zijn vanuit het oogpunt van medische noodzaak al erg ruim, vandaar dat een uitbreiding van dergelijke regelingen zeker niet voor de hand ligt. Dit mede gelet op de financiële situatie van ons land.

4. Vervolgacties

De leden van de VVD-fractie vragen of ik bereid ben om in het vervolgonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en in het kader van het masterplan Dyslexie uitgebreid aandacht te besteden aan het onderpresteren door (hoog-)begaafde leerlingen die door hun dyslexie en/of dyscalculie in de middenmoot terecht komen en afstromen naar een, voor hun intelligentie, lager niveau.

Deze groep leerlingen valt wetenschappelijk onder de «twice exceptional» groep: voor deze groep is signalering van (hoog)begaafdheid moeilijker vast te stellen dan bij reguliere hoogbegaafde leerlingen. Er is weinig bekend over hoogbegaafde dyslectische leerlingen en over mogelijke afstroom. Ik ben van mening dat een school alles uit een leerling moet halen wat er in zit. De inspectie beoordeelt scholen hier ook op: als een school niet de opbrengsten behaalt die gezien het basisschooladvies verwacht mogen worden, zal dat tot uiting komen in de opbrengstenkaart. Tegelijkertijd is ook realisme geboden. Een schoolsoort moet passen bij de capaciteiten van een leerling. Ik ben ervan overtuigd dat scholen professioneel genoeg zijn om de overgang- en doorstroomadviezen af te stemmen op de capaciteiten van leerlingen en hen bij het realiseren daarvan de nodige ondersteuning te geven. Dat geldt voor alle leerlingen, ook voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Ik zie dan ook geen aanleiding om in het vervolgonderzoek van de inspectie aandacht te besteden aan hoogbegaafde leerlingen met dyslexie. De randvoorwaarden om leerlingen met dyslexie adequaat te begeleiden zijn in voldoende mate aanwezig: scholen krijgen hulp in het kader van het masterplan dyslexie, er zijn voldoende mogelijkheden om de mogelijke problemen die een beperking bij een examen oplevert voor zover mogelijk weg te nemen.

In het themaonderzoek van de inspectie zal bij een drietal leerlingen per onderzochte school worden gekeken wat de toetsresultaten waren aan het eind van de basisschoolperiode van de leerling was en het plaatsingsadvies van de basisschool. Door naar de schoolloopbaan te kijken en naar de onderwijssoort waarvoor de leerlingen het centraal examen aflegt, zal blijken of er sprake is van afstroom. Er zal daarbij geen aandacht worden besteed aan de combinatie van hoogbegaafdheid en dyslexie. Het onderzoek levert geen landelijk beeld op, maar een indicatie op basis van de casestudy.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Inspectie van het Onderwijs in het Verkennend onderzoek dyslexie en dyscalculie signaleert dat veel scholen niet weten bij welke ondersteuning leerlingen met dyscalculie gebaat zijn en welke hulpmiddelen deze leerlingen mogen gebruiken tijdens het centraal examen. De leden vragen hoe het Protocol voor Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie dat medio 2012 zal verschijnen, mede in het licht van de stelling van de Inspectie van het Onderwijs dat wetenschappelijk nog niet is vastgesteld wat dyscalculie precies inhoudt, gaat waarborgen dat scholen voortaan wel weten bij welke ondersteuning van leerlingen met dyscalculie gebaat zijn

In het protocol Ernstige RekenWiskunde problemen en Dyscalculie (ERWD) wordt een werkdefinitie gebruikt. Als een leerling met ERWD niet reageert op in intensiteit stijgende interventies dan kan gesproken worden van dyscalculie. In het protocol is aandacht voor leerlingen met ERWD en worden handvatten gegeven voor het onderwijsbeleid en het onderwijs voor deze leerlingen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat over dyscalculie nog veel onduidelijkheid bestaat, niet alleen in het onderwijsveld, maar ook in wetenschappelijke kringen. De leden vragen op welke termijn ik denk daarover duidelijkheid te kunnen geven. Om de examens op een deugdelijke wijze te kunnen voorbereiden en duidelijkheid te hebben over eventueel gebruik van hulpmiddelen is het, naar de mening van deze leden, noodzakelijk dat die duidelijkheid komt voor het begin van het schooljaar 2012/2013.

Zoals ik al eerder heb gemeld zal het protocol voor Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie medio 2012 beschikbaar komen. In het protocol wordt een werkdefinitie gehanteerd. Ook bevat het protocol richtlijnen hoe leerlingen met een rekenstoornis optimaal ondersteund kunnen worden.

Ten aanzien van het eventueel gebruik van hulpmiddelen bij de examens kan ik op dit moment nog geen duidelijkheid geven. Zoals ik eerder heb aangegeven is de problematiek van dyscalculie complex en ook is op dit moment wetenschappelijk nog niet vastgesteld wat dyscalculie precies inhoudt. Hierdoor is een generieke oplossing ten aanzien van het aanbieden van hulpmiddelen bij het examen zonder dat het principe van rechtsgelijkheid aangetast wordt nu (nog) niet mogelijk. Wellicht zal het onderzoek dat de Hogeschool van Utrecht op dit moment in opdracht van het College voor Examens uitvoert hoe leerlingen met een rekenstoornis recht gedaan kan worden hiervoor meer input geven.

Opmerking naar aanleiding van de conclusie

De leden van de CDA-fractie merken op dat ik aangeef dat het kabinet kiest voor betere prestaties over de gehele linie. Ik ben verheugd dat dit de volledige steun heeft van deze leden. De leden vinden het vervolg van de zin die luidt: «aandacht (...) voor alle leerlingen; van leerlingen met een beperking tot de excellente leerlingen» echter onjuist. Naar hun mening kunnen leerlingen met dyslexie of dyscalculie ook excellente leerlingen zijn, mits zij al dan niet met hulpmiddelen in staat gesteld worden hun specifieke leerprobleem te overwinnen. Ik ben het met de constatering van de leden eens dat bovengenoemde aangehaalde zin abusievelijk een tegenstelling bevat.


X Noot
1

Vso Dyslexie en dyscalculie, Handelingen II 2010/11, nr. 103, blz. 49–52.

X Noot
2

Kamerstuk 32 463, nr. 10 (t.v.v. Kamerstuk 32 463, nr. 7).

X Noot
3

GEU: Groep Educatieve Uitgeverijen.

X Noot
4

KES is het speciale bestandstype waar Kurzweil 3000 mee werkt. SEK is een door Dedicon beveiligd KES bestand, waarop extra kwaliteitsverbeteringen zijn aangebracht voor de correcte uitspraak van woorden en zinnen, bijvoorbeeld als er woorden uit een vreemde taal in een Nederlandse tekst staan.

X Noot
5

Kamerstuk 31 497, nr. 12.

X Noot
6

Kamerstuk 32 500 VIII, nr. 7.

X Noot
7

UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen.

X Noot
8

Kamerstuk 32 463, nr. 11 (t.v.v. Kamerstuk 32 463, nr. 8).

X Noot
9

VO-raad: sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs.

X Noot
10

Handelingen II 2010/11, nr. 103, blz. 49–52, motie Kamerstuk 32 463, nr. 6.

X Noot
11

Ons kenmerk: Parlisnummer: 2012D07109 (bijlage bij 2012Z03230).

Naar boven