Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231293 nr. 136

31 293 Primair Onderwijs

Nr. 136 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 maart 2012

In mei 2011 heeft uw Kamer mijn actieplan «Basis voor Presteren» ontvangen (Kamerstuk II 2011/12 32 500 VIII, nr. 176). Hierin heb ik aangegeven hoe ik de prestaties van leerlingen en scholen in het primair onderwijs wil verhogen. Eén van de lijnen waarlangs ik dat wil doen, is het effectiever benutten en uitbreiden van leertijd (actielijn 5).

Met de G4 en de G33 heb ik in 2011 bestuursafspraken gemaakt, waarin de gezamenlijke ambities zijn opgenomen op het terrein van voor- en vroegschoolse educatie (vve), schakelklassen en zomerscholen. Deze bestuursafspraken op hoofdlijnen heb ik op 25 november 2011 aan uw Kamer gestuurd (Tweede Kamer 2011–2012, 33 000 VIII, nr. 61). Op 12 maart jl. hebben de wethouders van de G4 en G33 en ik de definitieve bestuursafspraken ondertekend. In deze brief informeer ik u over deze definitieve afspraken. Tevens ga ik nader in op de kwalificatie van de pedagogisch medewerkers, op de inzet van hbo’ers en op drang en dwang bij de toeleiding naar voorschoolse educatie.

De Onderwijsraad heeft in 2010 het advies «Naar een nieuwe kleuterperiode in het basisonderwijs» uitgebracht. In deze brief geef ik tevens mijn beleidsreactie op dit advies.

Verbetering van de kwaliteit van de voorschoolse educatie

De G37 hebben de ambities uit de eerder genoemde bestuursafspraken vertaald naar concrete streefdoelen. In lijn met de motie Van Haersma Buma (Tweede Kamer 2011–2012, 33 000, nr. 12) investeren de G37 fors om de kwaliteit van vve te verbeteren. Daarnaast blijven ze investeren in schakelklassen en zomerscholen. De G37 hebben streefdoelen geformuleerd voor 2013 en 2015. Hieronder geef ik het verwachte eindbeeld van de resultaten in het jaar 2015. In totaal wordt er in 2012 € 70 miljoen en vanaf 2013 € 95 miljoen per jaar over de G37 verdeeld. Met deze investeringen wil ik bereiken dat kinderen met een risico op een taalachterstand een zo goed mogelijke start maken op de basisschool en dat de resultaten van de kinderen op de basisschool omhoog gaan.

Opbrengstgericht werken en kindvolgsysteem

Volgens de inspectie hadden in 2011 veel gemeenten in de G37 op hun vve-locaties verbeterpunten op het terrein van opbrengstgericht werken en de interne kwaliteitszorg 1. Dit moet in 2015 overal op orde zijn. Ook hebben alle gemeenten in de G37 de ambitie om in 2015 op alle vve-locaties met een kindvolgsysteem te werken. Met een kindvolgsysteem kunnen pedagogisch medewerkers de ontwikkeling van peuters volgen. Dit geeft informatie over ontwikkelings-kenmerken van de hele groep en van individuele kinderen. Op basis hiervan kunnen pedagogisch medewerkers hun aanbod bepalen en inspelen op de verschillen tussen kinderen. Om dit te realiseren investeren veel gemeenten in de G37 in de aanschaf en invoering van een kindvolgsysteem en in het trainen van de pedagogisch medewerkers in opbrengstgericht werken. Zo kiest Nijmegen ervoor de leidsters te leren hoe zij hun activiteiten kunnen afstemmen op de verschillen in de ontwikkeling van kinderen door in een videotraining goede voorbeelden te laten zien. In Zoetermeer gaan intern begeleiders van de basisschool een deel van de voorschoolse voorzieningen ondersteunen om het opbrengstgericht werken vorm te geven.

Hbo-gekwalificeerde medewerkers

Om de kwaliteit van vve te verbeteren, investeer ik in de professionalisering van de pedagogisch medewerkers. Voor een betere kwaliteit van vve is continue coaching op de werkvloer en uitwisseling tussen leidsters en leerkrachten nodig.2 Een hbo-gekwalificeerde medewerker (hbo’er) kan hier een belangrijke rol in vervullen. Bovendien is de hbo’er nodig om het opbrengstgericht werken vorm te geven. Daarom komt er een forse uitbreiding van het aantal hbo’ers. De G37 streven naar een uitbreiding van in totaal circa 640 fte aan hbo’ers in 2015. Naar verwachting worden er 2920 vve-groepen in peuterspeelzalen en kinderopvang bereikt. Concreet betekent dit dat in 2015 circa 85 procent van de groepen waar vve gegeven wordt, gebruik maken van een gekwalificeerde hbo medewerker.3 De meeste gemeenten zetten deze hbo’ers in voor het coachen en begeleiden van de pedagogisch medewerkers op de werkvloer, of als medewerker op een vve-groep. De gemeente Den Bosch kiest ervoor om de hbo-geschoolde coach zowel in de voorscholen als in de vroegscholen in te zetten. Op deze manier wordt gewerkt aan het optimaliseren van de doorgaande ontwikkelingslijn.

De inzet van hbo’ers is nodig om het opbrengstgericht werken vorm te geven en de kwaliteitzorg op de vve-locaties te verbeteren. Samen met de gemeenten, de brancheorganisaties en het werkveld wordt op dit moment verkend over welke competenties de hbo’er moet beschikken en hoe de bestaande opleidingen hierop aansluiten. Hierbij wordt ondermeer gekeken naar hbo-bachelor opleidingen en associate degree opleidingen. Tevens wordt bekeken of en hoe ervaren pedagogisch medewerkers met een mbo-opleiding via een EVC-traject of met aanvullende scholing kunnen doorstromen. De informatie die voor de zomer uit deze verkenning beschikbaar komt, wordt benut om de gemeenten en vve-instellingen te ondersteunen.

Taalniveau naar 3F

Voor het stimuleren van de taalontwikkeling van jonge kinderen is het belangrijk dat pedagogisch medewerkers de Nederlandse taal goed beheersen. Naar aanleiding van de motie Beertema (Tweede Kamer 2011–2012, 28 760, nr. 25) gaan de G37 zich inspannen om het taalniveau van de pedagogisch medewerkers in de vve te verhogen tot niveau 3F 4. Het streefdoel is dat in 2015 in de G37 gemiddeld 90 procent van deze pedagogisch medewerkers over dit hogere taalniveau beschikt. Concreet betekent dit dat in de G37 de komende jaren vve-medewerkers van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven worden getoetst en indien nodig worden bijgeschoold.

Een versterking van het taalniveau maakt ook deel uit van mijn beleid voor de mbo-opleidingen voor Pedagogisch Werker (PW) en van de Kwaliteitsagenda kinderopvang van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De beroepsgerichte taaleisen voor pedagogisch medewerker worden nader onderzocht. Dit onderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van kenniscentrum Calibris met betrokkenheid van de sector, de sociale partners en het onderwijs. De resultaten van dit onderzoek krijgen hun neerslag in het kwalificatiedossier voor het schooljaar 2013/2014. Dit traject betreft een aanvulling op de generieke kwalificatie-eisen voor de Nederlandse taal die vanaf schooljaar 2010/2011 van toepassing zijn voor alle mbo-opleidingen, en die voor niveau 4 vanaf 2013/2014 centraal zullen worden geëxamineerd en voor niveaus 2 en 3 een jaar later.

Ook op de korte termijn worden stappen gezet. Zo worden in de loop van 2012 door Calibris, het Steunpunt taal en rekenen mbo en de MBO Raad een aantal handreikingen opgeleverd en conferenties georganiseerd. Hiermee krijgen de docententeams van de opleidingen PW handvatten aangereikt om voor zittende studenten het taalonderwijs te versterken.

Versterken ouderbetrokkenheid

Volgens de tussenrapportage van de inspectie heeft twee derde van de grote gemeenten nog geen overkoepelend ouderbeleid1. Met de G37 heb ik afgesproken dat in 2015 alle elementen van het ouderbeleid uit het toezichtkader vve op orde zijn. Dan gaat het bijvoorbeeld om verbetering van de informatievoorziening aan ouders, of het stimuleren dat ouders thuis ontwikkelingsstimulerende activiteiten doen. Zo wordt de VoorleesExpress door diverse gemeenten als instrument ingezet om ouders te stimuleren thuis met hun kind te lezen. De gemeente Den Haag wil gaan werken met oudercoördinatoren. Deze coördinatoren houden voortgangsgesprekken om de ouders te informeren over de ontwikkeling van hun kind. In Venlo krijgen doelgroepkinderen en hun ouders thuis bezoek van hbo-coaches en pedagogische medewerkers van de peuterspeelzaal. In Breda gaat het Team Ouderbetrokkenheid & Toeleiding aan de slag. Ouders krijgen daar bijvoorbeeld ondersteuning om hun eigen competenties te versterken en om hen tools te geven om aansluitend op het geboden vve-programma van de voorschool, in de thuissituatie, de ontwikkeling van hun kin(eren) verder te stimuleren. Deze initiatieven sluiten goed aan bij mijn ambitie om de betrokkenheid van ouders bij hun kind en het onderwijs verder te versterken, zoals ik heb verwoord in mijn brief over «Ouderbetrokkenheid bij de school» (33 000 VIII, nr. 121 d.d. 29 november 2011). Scholen, peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, gemeenten en ouders zie ik daarbij als belangrijke partners. In het Actieplan Laaggeletterdheid 2012–2015 is een aanpak opgenomen gericht op de emancipatie van laaggeletterde vrouwen met jonge kinderen. De Stichting Lezen & Schrijven zal in samenwerking met dezelfde partners in zes regio’s, die voor een deel overlappen met de G37, een proefprogramma uitvoeren waarin substantieel meer mensen bereikt moeten worden dan tot nu toe het geval was. De aanpak van laaggeletterde moeders wordt onderdeel van dit proefprogramma. De bedoeling is dat voor de betrokkenen laaggeletterdheid als drempel voor ouderbetrokkenheid wordt weggenomen.

Meer plaatsen en een betere toeleiding naar voorschoolse educatie

Met de G37 heb ik afgesproken dat het aantal plaatsen in de voorschoolse educatie tot 2015 met ruim 20 procent wordt uitgebreid ten opzichte van 2011. Deze gemeenten investeren daarvoor in uitbreiding van het aantal uren en in de training van pedagogisch medewerkers.

Een andere afspraak is dat de G37 zich inzetten om de toeleiding naar de voorschoolse educatie te verbeteren. Sinds 1 augustus 2010 hebben gemeenten de verplichting om afspraken te maken over de werving en toeleiding rond vve. Gemeenten zetten daarbij dikwijls instellingen voor de jeugdgezondheidszorg (jgz) in, zoals consultatiebureaus en GGD-en. Door het maken van sluitende afspraken wordt voorkomen dat er kinderen tussen wal en schip vallen. De afgelopen jaren zijn er veel acties van gemeenten geweest om meer kinderen aan voorschoolse educatie deel te laten nemen. Binnen veel gemeenten wordt door verschillende organisaties met veel verschillende en creatieve activiteiten geprobeerd om de ouders van doelgroepkinderen te bereiken en te overtuigen van het belang van vve. Toch worden bepaalde kinderen niet bereikt. Dit komt onder meer doordat er onvoldoende gemonitord wordt, een analyse van het niet-bereiken van ouders en kinderen ontbreekt of onduidelijkheid bestaat over wie van de betrokken organisaties waarvoor verantwoordelijk is.5

Voor sommige ouders is meer «drang» of «dwang» nodig om hun kind te laten deelnemen aan voorschoolse educatie, zoals ook in het Regeerakkoord is opgenomen. Het element van «drang» zit in de sluitende organisatie van het toeleidingsproces en de herhaalde stappen die vanuit verschillende instellingen worden ondernomen om ouders te overtuigen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld aanhaken bij het aanbieden van opvoedondersteuning tussen geboorte en het tweede levensjaar van een kind om vertrouwen op te bouwen, moeder-kindbijeenkomsten voor laaggeletterde ouders, huisbezoeken door een jgz-professional. Gemeenten bouwen steeds vaker ook positieve prikkels in waarbij moeders bijvoorbeeld als buurtmoeder ingezet kunnen worden als zij hun kind aan voorschoolse educatie laten deelnemen, wat aanzien geeft. Vele ouders zijn door bovengenoemde soorten maatregelen overtuigd van nut en noodzaak van vve voor hun kind terwijl ze eerst afwijzend waren. Om de werving en toeleiding naar de voorschoolse educatie te verbeteren nemen de G37 tot 2015 diverse maatregelen. Haarlem zet bijvoorbeeld een toeleidingsfunctionaris in om het bereik van doelgroepkinderen te vergroten. Zoetermeer wil allochtone bezoekvrouwen inzetten voor het begeleiden van ouders met peuters, wanneer zij een vve-zaal in de wijk bezoeken.

Als grote gemeenten hun systeem voor toeleiding naar vve op orde hebben, inclusief drangmaatregelen, blijkt de groep van ouders die niet te bereiken zijn, vooral te liggen bij ouders die vanuit geloofs- of levensovertuiging hun kind niet naar een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf willen brengen, en bij ouders van multiprobleemgezinnen.

Dwangmaatregelen bij voorschoolse educatie

Ik heb onderzoeksbureau Regioplan opdracht gegeven onderzoek6 te doen naar de juridische mogelijkheden om dwang bij voorschoolse educatie toe te passen. Op basis van dit onderzoek kom ik tot de conclusie dat er in specifieke gevallen, met waarborgen van de rechter, een zeer beperkte mogelijkheid is om met een zekere dwang richting ouders een kind aan voorschoolse educatie te laten deelnemen. Dit blijkt alleen mogelijk te zijn als andere instrumenten, inclusief drangmaatregelen, uitgeput zijn en indien de rechter heeft besloten tot een ondertoezichtstelling (OTS). Als de rechter een OTS uitspreekt, krijgt het kind een gezinsvoogdijwerker toegewezen van Bureau Jeugdzorg (BJZ). Deze persoon begeleidt het kind en zijn ouders bij het oplossen van de opvoedingsproblemen. De ouders behouden in principe het gezag over hun kind en blijven zelf verantwoordelijk voor de opvoeding. Zowel ouders als kind zijn verplicht de aanwijzingen van de gezinsvoogd op te volgen. Bij een OTS gaat het veelal om multiprobleemgezinnen waar minderjarigen (in de context van deze brief: peuters) aanwezig kunnen zijn. Het enkele feit dat ouders weigeren hun kind aan voorschoolse educatie deel te laten nemen, is geen grond voor de rechter om OTS uit te spreken. Ouders die vanuit geloofs- of levensovertuiging hun kind niet naar een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf willen brengen, kunnen hiertoe dus ook niet gedwongen worden. Alleen wanneer na een langdurig voortraject de rechter heeft besloten tot een OTS, kan één van de taken van de gezinsvoogdijwerker zijn dat hij toeziet op deelname van het kind aan voorschoolse educatie. Om deze mogelijkheid nader te onderzoeken, heb ik met de gemeente Amsterdam en Rotterdam specifieke afspraken gemaakt over pilots toeleiding met «dwang».

In dit onderzoek van Regioplan zijn nog zeven andere opties onderzocht op de volgende terreinen:

  • 1. leerplichtverlaging;

  • 2. partiële leerplichtverlaging;

  • 3. burgemeestersbevoegdheden;

  • 4. gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen;

  • 5. inburgeringsvereiste Wet inburgering;

  • 6. Sociale activeringsplicht Wet werk en bijstand;

  • 7. Algemene kinderbijslagwet (AKW).

Deze mogelijkheden om ouders te verplichten hun kind gebruik te laten maken van voorschoolse educatie stuiten op (fundamentele) juridische bezwaren. Zo heeft de Raad van State al eerder in 2010 een negatief advies gegeven op een voorstel om ouders te kunnen korten op de kinderbijslag. Invoering van een dergelijke sanctie in het stelsel van de AKW zou strijdig zijn met de doelstelling en opzet van de AKW. Het komt er in de kern op neer dat kinderbijslag ten goede moet komen aan het kind; het korten op de kinderbijslag verslechtert de situatie voor kinderen. Juist bij gezinnen met lage inkomens kan deze maatregel de onderliggende problematiek in de gezinssituatie versterken. Het korten op de kinderbijslag als sanctie voor het niet deelnemen aan vve zou een dubbel nadeel voor een kind betekenen. Een andere optie die is onderzocht, is de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg (jgz). Gemeenten gebruiken veel verschillende instrumenten om doelgroepkinderen te signaleren en indiceren. Bovendien gebeurt de indicatiestelling niet alleen door jgz-professionals, maar ook door bijvoorbeeld pedagogisch medewerkers op een peuterspeelzaal.7 Gemeenten hebben immers de beleidsvrijheid om zelf de doelgroep van vve te bepalen. Bovendien is het op basis van de huidige wetenschappelijke kennis niet mogelijk om bij een tweejarige peuter op objectieve wijze (een risico op) een taalachterstand vast te stellen. Omdat een eenduidig instrumentarium ontbreekt, biedt deze optie geen wettelijke basis voor dwangmaatregelen.

Een uitgebreide toelichting op de juridische bezwaren op de onderzochte mogelijkheden is te lezen in de bijgevoegde rapportage van Regioplan.

Verbetering van de kwaliteit van de vroegschoolse educatie

Met de G37 is afgesproken dat zij lokaal afspraken maken met voorschoolse instellingen en schoolbesturen over de beoogde resultaten van de vroegschoolse educatie. Daarnaast investeert een aantal gemeenten in de kwaliteit van de vroegschoolse educatie en de doorlopende leerlijn.

Voor de verbetering van de kwaliteit van de vroegschoolse educatie zijn de schoolbesturen aan zet. In het bestuursakkoord met de PO-Raad heb ik onder meer afspraken gemaakt op het terrein van opbrengstgericht werken in groep 1 en 2 en in de vroegschoolse educatie (Tweede Kamer 2011–2012, 31 293, nr. 132). Het concrete streefdoel bij deze ambitie is, dat in 2015 alle (gewichten)scholen, dus niet alleen in de G37, de opbrengsten van de leerlingen in de vroegschool in beeld brengen. Dat kan door observaties, of een vorm van toets of checklist. De komende jaren worden alle scholen aangemoedigd en ondersteund om meer opbrengstgericht te werken via het ondersteuningsprogramma School aan zet. Daarbij zal bij gewichtenscholen specifieke aandacht zijn voor de vroegschoolse educatie van de doelgroepkleuters. Schoolbesturen en scholen kunnen het rapport van de inspectie gebruiken om de kwaliteit van de vroegschoolse educatie te verbeteren8.

De Onderwijsraad deed in zijn advies «Naar een nieuwe kleuterperiode in het basisonderwijs» de aanbeveling om de verbinding tussen het aanbod voor driejarigen en kleuters te versterken door ontwikkelingsdoelen voor de kleuterperiode vast te stellen. In opdracht van OCW heeft de SLO doelen ontwikkeld voor begin groep 1 en eind groep 2, die de pedagogisch medewerkers en leerkrachten kunnen hanteren op het gebied van taal, rekenen, sociaal-emotionele ontwikkeling en motoriek. Deze doelen sluiten aan bij de referentieniveaus en leerlijnen taal en rekenen die zijn uitgewerkt voor groep 3 tot en met 8. De doelen zijn geen niveaus waar een kind minimaal aan moet voldoen, maar een middel voor de professionals om te weten wat zij de kinderen moeten bijbrengen en op welke behoeften van de groep en het individuele kind zij hun begeleiding kunnen afstemmen.

Daarnaast is een van de doelstellingen in Leraar 2020 – een krachtig beroep! dat vanaf augustus 2013 alle pabo’s starten met de invoering van een (verdiepte) specialisatie jonge kind / oudere kind in het curriculum. Met deze specialisatie wordt beoogd meer diepgang in het curriculum van de pabo mogelijk te maken. Daarmee kan invulling worden gegeven aan de aanbeveling die de Onderwijsraad doet in het advies «Naar een nieuwe kleuterperiode in het basisonderwijs» om de aandacht voor de kleuterperiode binnen de pabo te versterken. Afgelopen januari heeft ook de Commissie Kennisbasis Pabo haar advies uitgebracht. In de eerste helft van 2012 stuurt staatssecretaris Zijlstra een reactie op het advies van deze commissie naar de Tweede Kamer, inclusief een voorstel voor de specialisatie van de pabo.

Schakelklassen, zomerscholen of voorzieningen met eenzelfde doelstelling

De extra middelen uit het Regeerakkoord worden door de gemeenten en de scholen ingezet voor extra leertijd voor leerlingen in het basisonderwijs met een taalachterstand. Uit de definitieve afspraken met de G37 blijkt dat de gemeenten samen met de scholen voor 2015 een uitbreiding nastreven van circa 525 in 2011 naar ruim 1380 aantal schakelklassen in 2015. Van 30 zomerscholen in 2011 is het streven om te groeien naar circa 220 zomerscholen in 2015. Bij de schakelklassen richten de G37 zich vooral op extra aandacht in de onderbouw voor het vroegtijdig aanpakken van taalachterstanden. Een deel van de gemeenten investeert ook in de kwaliteit van de schakelklassen. De meeste zomerscholen duren twee tot drie weken en zijn gericht op de bovenbouw. In Apeldoorn komt bijvoorbeeld een groene zomerschool. Jaarlijks krijgen leerlingen twee weken extra taalonderwijs voor een betere overgang naar het voortgezet onderwijs met milieu en duurzaamheid als verrijkingsactiviteit. Met deze extra leertijd worden taalachterstanden van deze leerlingen aangepakt en kunnen zij beter doorstromen naar het vervolgonderwijs.

Onderzoek naar de effecten van verlengde leertijd

Ik start een wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van verlengde leertijd in de vorm van schakelklassen en zomerscholen. In het effectonderzoek wil ik niet alleen achterhalen wat de effecten op de leerprestaties zijn, maar ook wat de invloed is op het zelfvertrouwen en welbevinden van leerlingen die deelnemen aan de verlengde schooltijd. De ervaringen tot nu toe lijken uit te wijzen dat leerlingen op sociaal-emotioneel gebied baat hebben bij een goede zomerschool of schakelklas. Ik wil dit echter ook wetenschappelijk kunnen aantonen. Om dit te kunnen meten zullen scholen en instellingen die aan de slag gaan met verlengde leertijd, in bepaalde gevallen extra acties moeten verrichten door het leveren van gegevens, of door als controleschool deel te nemen. Ik verwacht in 2015 de resultaten van de effectmeting te kunnen presenteren.

Verbinding voorschoolse educatie en basisonderwijs

De Onderwijsraad stelt in zijn advies «Naar een nieuwe kleuterperiode in het basisonderwijs» voor om de bestuurlijke verantwoordelijkheid en de bekostiging voor het aanbod voor driejarigen bij de basisschool te leggen, en schetst daarbij een aantal uitvoeringsmogelijkheden. Dit is een ingrijpende stelselwijziging. Dit heeft zowel effect op het basisonderwijs als op de peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en gemeenten. Ik wil dan ook eerst de effecten op de kinderen én de betrokken organisaties in beeld laten brengen.

Daarom ben ik gestart met een pilot «startgroepen». Aan deze pilot nemen dertig scholen, samen met een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf, deel. Deze pilot onderzoekt of de ontwikkeling van peuters met een risico op een taalachterstand kan worden verbeterd door een sterkere verbinding met de basisschool. Binnen deze pilot blijven de wettelijke regels bestaan, maar wordt het inhoudelijke aanbod voor peuters onder verantwoordelijkheid van de schoolleider gebracht en zal naast de pedagogisch medewerker een bevoegde leerkracht op de groep staan. Er wordt opbrengstgericht gewerkt in de startgroep, en er wordt een doorlopende leerlijn gecreëerd vanaf de startgroep tot en met groep 8. Ook is er aandacht voor de ouderbetrokkenheid.

Aan de pilot is een onderzoek gekoppeld, waarbij zowel de effecten op de doelgroepkinderen als op de niet-doelgroepkinderen in kaart worden gebracht. Daarnaast wordt ook de wijze van implementatie beschreven, waarbij de ervaringen van de diverse betrokkenen in beeld worden gebracht. Ik verwacht de eerste resultaten van de pilot in de eerste helft van 2015. Vervolgens is het aan een volgend kabinet om te beslissen of tot een stelselwijziging wordt overgegaan.

Ondersteunen van gemeenten bij het realiseren van hun ambities

De afgelopen jaren hebben veel gemeenten zich, samen met kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, met veel betrokkenheid en enthousiasme ingezet om vve vorm te geven binnen hun gemeente. Er ontstaat steeds meer samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen. Uit de landelijke monitor vve blijkt bovendien dat de gemeenten grote stappen hebben gezet om te voldoen aan de basisvoorwaarden: de groepsgrootte, het aantal geschoolde leidsters per groep, het aantal dagdelen.9 Dit zijn basisvoorwaarden die in 2010 wettelijk zijn vastgelegd. De komende jaren blijven alle onderwijsachterstandengemeenten een specifieke uitkering ontvangen voor onderwijsachterstandenbeleid om aan deze basisvoorwaarden te kunnen (blijven) voldoen. De totale omvang van deze uitkering bedraagt € 261 miljoen per jaar, exclusief het extra geld dat wordt verdeeld over de G37.

Door de spreiding van leerlingen op het platteland is het daar soms moeilijk een vve-aanbod te realiseren dat aan alle eisen voldoet. Tevens blijkt, dat veel gemeenten elk voor zich opnieuw het wiel uitvinden bij het vormgeven en uitvoeren van het vve-beleid.10 Er is duidelijk behoefte aan ondersteuning en kennisdeling. Ik ga zorgen voor meer kennisdeling, bijvoorbeeld op het terrein van toeleiding naar voorschoolse educatie. Tevens wil ik gerichte ondersteuning voor de niet-G37 organiseren voor de aanpak van knelpunten die uit de bestandsopname vve naar voren komen. Naar verwachting rondt de inspectie deze bestandsopname eind 2012 af. Deze gerichte ondersteuning kan dan starten in 2013. Daarvoor stel ik € 5 miljoen beschikbaar.

Op basis van de afspraken met de G37 gaan deze gemeenten, samen met de kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en scholen, de komende tijd belangrijke stappen zetten om de taalachterstand van jonge kinderen aan te pakken. Met als doel de kansen van deze kinderen op een goede doorstroom naar het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt te vergroten. Ik vertrouw erop dat we zo onze gezamenlijke ambities kunnen waarmaken. De onderwijsinspectie voert in 2013 een eerste monitor uit bij de G37 van de realisatie van de bestuursafspraken. In een bestuurlijk gesprek met de G37 wordt de voortgang jaarlijks besproken. Bij onvoldoende voortgang kunnen de bestuursafspraken worden heroverwogen. Dit kan ook aanleiding zijn om de middelen op een andere manier te verdelen. Dit wordt meegenomen in de evaluatie van de specifieke uitkering, die in 2014 zal plaatsvinden. Begin 2014 informeer ik u over de resultaten van de eerste monitor van de inspectie.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


X Noot
1

Inspectie van het Onderwijs, Tussenrapportage bestandsopname vve, 2011.

X Noot
2

Annika de Haan, Paul Leseman, Ed Elbers, Universiteit Utrecht, Pilot gemengde groepen 2007–2010, Onderzoeksrapportage oktober 2011.

X Noot
3

De streefdoelen in aantallen en percentages in deze brief zijn gebaseerd op de door de G37 ingevulde formats bij de bestuursafspraken.

X Noot
4

Voor taal zijn er vier fundamentele niveaus beschreven. Niveau 3F geeft een beschrijving van het fundamentele niveau aan het eind van mbo-4 en havo.

X Noot
5

Geert Driessen, Variatie in voor- en vroegschoolse educatie, een onderzoek naar de uiteenlopende wijzen waarop in gemeenten vorm wordt gegeven aan vve, 2012.

X Noot
6

Het rapport n.a.v. het onderzoek is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
7

Geert Driessen, Variatie in Voor- en Vroegschoolse educatie, een onderzoek naar de uiteenlopende wijzen waarop in gemeenten vorm wordt gegeven aan vve, 2012.

X Noot
8

Na de bestandsopname vve door de Inspectie van het Onderwijs is er naast het gemeentelijk rapport ook van elke beoordeelde locatie een rapport beschikbaar.

X Noot
9

Sardes, Landelijke monitor voor- en vroegschoolse educatie 2011, de vijfde meting.

X Noot
10

Geert Driessen, Variatie in Voor- en Vroegschoolse educatie, een onderzoek naar de uiteenlopende wijzen waarop in gemeenten vorm wordt gegeven aan VVE, 2012.