Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juli 2012
Tijdens het Algemeen Overleg over het cultuurbeleid op 21 juni jl. heb ik toegezegd
uw Kamer een kort overzicht te doen toekomen van mogelijke alternatieve vormen van
financiering van de Nederlandse filmproductie.
De Nederlandse speelfilmproductie heeft de afgelopen jaren zowel in aantal als in
omzet een forse groei doorgemaakt met als voorlopig hoogtepunt een marktaandeel van
ruim 22% in de bioscooprecette over 2011. De Nederlandse filmsector is – door de relatief
kleine Nederlandse afzetmarkt en de grote mate van afhankelijkheid van overheidssubsidie
– echter kwetsbaarder dan de fraaie resultaten die de laatste jaren doen vermoeden.
Van de kant van het Nederlands Filmfonds en de filmproducenten hebben mij dan ook
voorstellen bereikt om de grondslag van de financiering van de Nederlandse filmproductie
te herzien en meer in lijn te brengen met de financiering van de filmproductie in
de ons omringende landen. Verschillende alternatieven zijn denkbaar waarvan de introductie
zou kunnen leiden tot een filmproductie die minder afhankelijk is van overheidsfinanciering
en die meer wordt beoordeeld op haar effect op de Nederlandse economie.
In internationaal onderzoek, dat in opdracht van het Nederlands Filmfonds is uitgevoerd,
worden de volgende voorbeelden voor alternatieve financiering genoemd:
-
– fiscale maatregelen om de investeringen van buitenlandse partijen in de Nederlandse
filmproductie te bevorderen door een tax-credit ofwel korting op de belastingafdracht
(tax shelter constructie) gekoppeld aan een bestedingsverplichting in Nederland. Vergelijkbare
fiscale faciliteiten bestaan onder meer in België, Luxemburg, Ierland en Groot Brittannië;
-
– het inrichten van een investeringsfonds of garantiefaciliteit, die het mogelijk maakt
voor banken of andere financiële partijen om met een lager risico leningen te verstrekken
aan producenten;
-
– de introductie van een heffingsmodel waarbij op basis van vastgestelde percentages
heffingen worden geïnd op de exploitatie omzet van films. Dergelijke modellen worden
onder meer gehanteerd in Frankrijk, de Bondsrepubliek, Polen en Zweden.
Stimuleringsmaatregelen ter ondersteuning van de filmproductie kunnen volgens de sector
niet los gezien worden van de bescherming van auteursrechten. Door de sector wordt
dan ook aangedrongen op het aanscherpen van de wet- en regelgeving op het gebied van
piraterijbestrijding.
Mijn inzet is er vooralsnog op gericht om in overleg met de verschillende filmaanbieders
te komen tot een grotere vrijwillige bijdrage aan de Nederlandse speelfilmproductie
en de omzet die in de gehele keten gegenereerd wordt met de exploitatie van films
meer ten goede te laten komen aan de filmproductie.
Vanuit mijn departement zijn daartoe – mede op verzoek van uw Kamer – in de afgelopen
periode gesprekken gevoerd met de filmbrancheorganisaties en pakketaanbieders (kabelmaatschappijen
en KPN). De resultaten van die gesprekken zijn bemoedigend maar bieden nog geen concreet
uitzicht op een substantieel grotere bijdrage aan de Nederlandse filmproductie. De
opstelling van de brancheorganisaties wordt deels ingegeven door de forse omzetdalingen
in de verkoop en verhuur van fysieke dragers (DVD/Blu Ray) waarmee de distributiebranche
op dit moment geconfronteerd wordt. Omzetdalingen die vooralsnog niet voldoende gecompenseerd
worden door een stijging van de digitale verspreiding van filmmateriaal. Uit de gesprekken
met de filmbrancheorganisaties kwam naar voren dat zij – vooruitlopend op meer definitieve
afspraken – bereid zijn een tijdelijke verhoging van de bijdrage aan de Nederlandse
filmproductie in overweging te nemen, mits er op langere termijn een vooruitzicht
bestaat op wet- en regelgeving op het gebied van piraterijbestrijding.
Ik ben mij er van bewust dat uw Kamer geen voorstander is een aanpassing van de wet-
en regelgeving op het gebied van piraterijbestrijding. Ik verwijs in dit verband naar
de recente brief van mijn collega Teeven over het Thuiskopiestelsel. Dit stelsel voorziet
in een financiële compensatie aan rechthebbenden voor het gebruik van hun beschermd
werk.
In lijn met de praktijk van de filmfinanciering in een aantal andere Europese landen,
streef ik ernaar in de toekomst te komen tot een meer gedeelde verantwoordelijkheid
tussen overheid en markt voor de productie van films in Nederland.
Indien de gesprekken met de filmbranche uiteindelijk geen resultaat opleveren, zal
ik alternatieven in overweging nemen om de verschillende partijen die betrokken zijn
bij de exploitatie van films te bewegen tot een grotere bijdrage aan de Nederlandse
filmproductie.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
H. Zijlstra