Ontvangen ter Griffie op 26 juli 2012.
De voordracht voor de vast te stellenalgemene maatregel van bestuur kan niet eerderworden
gedaan dan op 20 september 2012.
De algemene maatregel van bestuur is aan de TweedeKamer overgelegd tot en met 19 september
2012
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juli 2012
Ter voldoening aan artikel 1.7a, tweede lid, onderdeel d, tweede volzin, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en mede namens de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bied ik u hierbij een ontwerpbesluit aan,
houdende bepalingen voor een experiment met het oog op verbetering van de kwaliteit
van het hoger onderwijs door de invoering van prestatiebekostiging (Besluit experiment
prestatiebekostiging hoger onderwijs).1
Het ontwerpbesluit komt – op advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
van 22 juni jongstleden – in de plaats van het ontwerpbesluit tot wijziging van het
Uitvoeringsbesluit WHW 2008 onder meer in verband met de invoering van prestatiebekostiging.
Laatstbedoeld ontwerpbesluit heeft Hare Majesteit de Koningin naar aanleiding van
het advies van de Afdeling advisering op mijn voordracht niet bekrachtigd.
Het nieuwe ontwerpbesluit is inhoudelijk vrijwel gelijk aan het oude ontwerpbesluit.
Doel is het creëren van een grondslag voor prestatiebekostiging voor kwaliteit en
profiel. Toegevoegd zijn onder meer bepalingen over de wijze waarop het experiment
wordt ingericht en geëvalueerd (conform artikel 1.7a van de wet) en de toekenningsgronden
en beoordelingsmaatstaven (conform het advies van de Afdeling). Het experimentbesluit
is tijdelijk (zes jaar).
Het vorige ontwerpbesluit heb ik bij brief van 12 maart 2012 (Kamerstukken II 2011–2012,
31 288, nr. 265) bij uw Kamer voorgehangen. Bij die gelegenheid heb ik uitvoerig met uw Kamer van
gedachten gewisseld over de invoering van prestatiebekostiging (Kamerstukken II 2011–2012,
31 288, nr. 287).
Het nieuwe ontwerpbesluit komt naar mijn mening volledig tegemoet aan de bezwaren
die mogelijkerwijs zijn blijven bestaan. Sommige fracties twijfelden met name aan
de toereikendheid van de wettelijke grondslag van het ontwerpbesluit. Inmiddels heeft
de Afdeling advisering van de Raad van State daarover een advies uitgebracht. Dat
advies heeft de regering volledig overgenomen.
De Afdeling advisering stelt in haar advies dat een nieuwe voorhangprocedure niet
nodig lijkt, wanneer de opzet en structuur van het oorspronkelijke ontwerpbesluit
onveranderd blijven.
Afgezien van de tijdelijkheid van het nieuwe ontwerp besluit, het zwaardere accent
op monitoring en evaluatie en de regeling van bepaalde elementen op een hoger niveau
(alles conform het advies van de Afdeling) is er inderdaad geen sprake van een wijziging
ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerpbesluit. Ondanks de suggestie van de Afdeling
heeft de regering er toch voor gekozen het ontwerp experimentbesluit voor te hangen.
De regering wil voorkomen dat discussie ontstaat over de juistheid van de gevolgde
procedure.
Ik heb de instellingen voor hoger onderwijs in het vooruitzicht gesteld dat voor 1 november
prestatieafspraken zullen worden gemaakt. De prestatieafspraken hebben immers nog
budgettaire consequenties voor de instellingen vanaf 2013.
Ik vind het van groot belang dat voor die afspraken en de budgettaire gevolgen de
juridische grondslag is vastgesteld. Dit vereist afronding van de gehele procedure,
inclusief eventuele schriftelijke rondes en debatten door beide Kamers der Staten-Generaal
en inclusief publicatie in het Staatsblad.
In verband hiermee en omdat er geen sprake is van wezenlijke wijziging ten opzichte
van het eerder bij uw Kamer voorgehangen ontwerpbesluit, zou ik uw Kamer willen verzoeken
af te wijken van het principe dat een voorhangtermijn ten minste driekwart deel buiten
een reces dient te vallen (artikel 43a van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Graag
zou ik voor 20 september van uw Kamer willen weten of de Kamer instemt met het nieuwe
ontwerpbesluit. Uitgaande van een positief advies van de Afdeling advisering zal het
ontwerpbesluit dan tijdig in werking kunnen treden. Uit een oogpunt van bestuurlijke
zorgvuldigheid zou dat zonder meer gewenst zijn.
Uw medewerking in dezen stel ik op prijs.
Een vergelijkbare brief heb ik heden gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
H. Zijlstra