Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 105, pagina 7597-7601

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 25 juni 2008 over flankerend beleid MOE-landen.

De voorzitter:

Ik heet de minister van Sociale Zaken van harte welkom.

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. Alle moties zijn medeondertekend door mijn collega Kamp, die hier jammer genoeg vandaag niet bij kan zijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het om meerdere redenen ongewenst is dat onderdanen van EU-lidstaten die naar Nederland emigreren, hier van een uitkering gaan leven;

spreekt uit van mening te zijn dat de verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken van deze immigranten indien zij binnen tien jaar na hun komst naar Nederland een beroep op de bijstand doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven en Kamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 83(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat werknemers uit EU-landen op grond van EU-verdragsbepalingen hun rechten op werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kunnen baseren op de som van het aantal jaren dat in verschillende EU-landen is gewerkt;Teeven

overwegende dat de premies en uitkeringen in Nederland veel hoger zijn dan die in een aantal andere EU-landen;

spreekt uit van mening te zijn dat voor betrokkenen de hoogte van de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gerelateerd moet worden aan de hoogte van de betaalde premies;

verzoekt de regering, het initiatief te nemen om daartoe in EU-verband overeenstemming te bereiken over een nadere afspraak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven en Kamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 84(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat naar schatting 6000 malafide uitzendbureaus jaarlijks 260 mln. aan belasting en premies ontduiken;

constaterende dat het optreden tegen deze uitzendbureaus onvoldoende effectief is gebleken;

verzoekt de regering, aan te geven met welke maatregelen op korte termijn bereikt kan worden dat deze malafide uitzendbureaus hun activiteiten beëindigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven en Kamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 85(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit van mening te zijn dat het op grond van de huidige situatie niet mogelijk is, de Nederlandse arbeidsmarkt open te stellen voor werknemers uit Roemenië en Bulgarije,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven en Kamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 86(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat van meerdere immigrantengroepen in de Nederlandse samenleving de arbeidsdeelname verontrustend laag en de uitkeringsafhankelijkheid verontrustend hoog is;

overwegende dat in korte tijd 120.000 tijdelijke arbeidsimmigranten zijn ingestroomd uit Midden- en Oost-Europese landen en dat er desondanks nog 240.000 vacatures zijn;

van mening dat arbeidsdeelname essentieel is voor integratie en dat het niet verantwoord is om mensen onnodig met een uitkering langs de kant te laten staan;

verzoekt de regering, het ertoe te leiden dat consequent de bijstandsuitkering beëindigd wordt voor personen die kunnen werken en voor wie er werk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teeven en Kamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 87(29407).

De heer Van Hijum (CDA):

Voorzitter. Ik dien drie moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit onderzoek naar de maatschappelijke positie van migranten uit Oost-Europa blijkt dat de arbeidspositie van deze groep in termen van arbeidsparticipatie, werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid niet rooskleurig is;

verzoekt de regering, maatregelen te treffen om de werkloosheid en de uitkeringsafhankelijkheid van arbeidsmigranten uit Oost-Europa terug te dringen, dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen, en de Kamer voor 1 oktober 2008 over een gezamenlijke aanpak van de IND, UWV/CWI en gemeenten te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Hijum en Spekman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 88(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,Van Hijum

constaterende dat ons land naar schatting zesduizend malafide uitzendbureaus kent die hun werknemers uitbuiten en bijdragen aan oneerlijke concurrentie en verdringing;

overwegende dat de regering op basis van voorstellen van de ABU thans een wetsvoorstel uitwerkt om malafide uitzendondernemingen aan te pakken;

verzoekt de regering, bij de uitwerking van het wetsvoorstel de volgende uitgangspunten in acht te nemen:

  • - het aantrekkelijk maken van de keuze voor gecertificeerde uitzendbedrijven voor inleners;

  • - het tegenwerken van niet-geregistreerde uitzendondernemingen en het hoofdelijk aansprakelijk stellen van hun inleners voor het betalen van het minimumloon, belastingen en premies;

  • - het nemen van maatregelen opdat de signalen van vermoedens van niet-naleving direct worden opgevolgd door de desbetreffende handhavende instanties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Hijum, Spekman en Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 89(29407).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de Europese Unie arbeidsmigranten in principe vrij toegang hebben tot de arbeidsmarkt van een andere Europese lidstaat om te werken, werk te zoeken en/of zich permanent te vestigen;

overwegende dat het voor de arbeidsmigranten zelf van het grootste belang is om de omgangstaal en de omgangsvormen van het land van aankomst te leren, indien zij zich permanent wensen te vestigen in een andere lidstaat;

overwegende dat de Europese wetgeving en jurisprudentie het ten minste in bepaalde gevallen aan een lidstaat toestaan om eisen te stellen aan het leren van de taal, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitoefenen van een beroep zoals verwoord in het "Haim"-arrest van het Europese Hof van Justitie (Zaak C-387/97);

verzoekt de regering, nader te onderzoeken in welke gevallen eisen kunnen worden gesteld aan de inburgering van EU-migranten die zich permanent in Nederland willen vestigen, hoe zij kunnen worden gestimuleerd en/of verplicht om Nederlands te leren en de Kamer uiterlijk 1 oktober 2008 over de mogelijkheden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Hijum en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 90(29407).

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik dien één motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal immigranten uit de nieuwe EU-lidstaten veel groter is dan door het kabinet is voorspeld en dat de immigratie vanuit deze landen niet te controleren en te reguleren is;

overwegende dat de massale instroom van Polen en andere Oost-Europeanen grote problemen met zich brengt op het gebied van overlast, verloedering van stadswijken, onderwijs, integratie en verdringing op de arbeidsmarkt;

van mening dat elke vorm van flankerend beleid tekortschiet om deze problemen op te lossen;

verzoekt de regering, de openstelling van de arbeidsmarkt voor Polen en andere nieuwe EU-onderdanen terug te draaien en niet over te gaan tot openstelling van de Nederlandse arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 91(29407).

De heer Spekman (PvdA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het onderzoek "De Europese grenzen verlegd" van Regioplan volgt dat de meeste MOE-landers werken via een flexibele constructie via een uitzendbureau of als zzp'er;

overwegende dat gebleken is dat er vaak sprake is van schijnzelfstandigheid;

overwegende dat schijnzelfstandigheid van zzp'ers aan de bovenkant en de onderkant van de arbeidsmarkt steeds meer voorkomt;Spekman

overwegende dat deze schijnzelfstandigheid onwenselijk is, aangezien deze onder meer oneigenlijke concurrentie bevordert en dat er sprake kan zijn van uitbuiting;

verzoekt de regering, maatregelen te treffen tegen alle vormen van schijnzelfstandigheid van zzp'ers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Spekman, Van Hijum en Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 92(29407).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Donner:

Voorzitter. Ik ga eerst in op de moties van de heer Kamp en de heer Teeven. In de eerste motie wordt gevraagd om de verblijfsvergunning van onderdanen van EU-lidstaten in te trekken, indien zij binnen tien jaar na hun komst naar Nederland een beroep doen op de bijstand. Deze motie vraagt om een wijziging van de Vreemdelingenwet en van de Grondwet, althans voor zover iedereen in Nederland een beroep kan doen op bijstand. Om deze reden moet ik aanneming van deze motie ontraden.

In de tweede motie wordt de regering verzocht om het initiatief te nemen om in EU-verband overeenstemming over nadere afspraken te bereiken. Ik heb de heer Kamp al een keer uitgelegd, dat de arbeidsmigranten in Nederland hoge premies betalen en slechts in zeer beperkte mate beroep doen op de verschillende verzekeringen. Deze premies zijn een belangrijke inkomstenbron voor Nederland. Ik ben niet van plan om binnen de Europese Unie deze bron van inkomsten af te schaffen. Aanneming van deze motie ontraad ik daarom ook ten stelligste.

In hun derde motie verzoeken de heer Teeven en de heer Kamp aan te geven met welke maatregelen op korte termijn kan worden bereikt dat malafide uitzendbureaus hun activiteiten beëindigen. In het wetsvoorstel dat ik al heb aangekondigd over de uitvoering van onder andere de voorstellen van de Algemene Bond Uitzendondernemingen die de activiteiten van malafide bureaus tegengaan, zal ik aangeven op welke wijze dit het beste kan worden bereikt. Als het dictum van de motie zo mag worden uitgelegd, zou ik het oordeel over de motie willen overlaten aan de Kamer.

In hun vierde motie spreken de heer Kamp en de heer Teeven de mening uit dat het op grond van de huidige situatie niet mogelijk is de Nederlandse arbeidsmarkt open te stellen voor werknemers uit Roemenië en Bulgarije. De motie zoals die woordelijk luidt, is eigenlijk een lapalissade. Zij stelt een feit vast. Inderdaad is dit momenteel volgens de toetredingsverdragen niet aan de orde. Het kabinet heeft aangegeven dat dit pas in november aan de orde is. Dan zou hierover kunnen worden geoordeeld. Als de indieners vaststellen dat het nu niet aan de orde is, ben ik het met hen eens, maar als zij van mening zijn dat het per 1 januari aanstaande niet aan de orde is, zullen zij moeten wachten tot november en zou ik om die reden aanneming van de motie willen ontraden. Doch als de eerste uitleg de juiste is, heeft het kabinet daarover geen oordeel, want het betreft verplichtingen zoals wij die hebben aanvaard.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 87, waarin de regering wordt verzocht het ertoe te leiden dat consequent de bijstandsuitkering wordt beëindigd van personen die kunnen werken en voor wie er werk is. Dat is reeds beleid in de meeste gemeenten. Als gevolg van een wet die hier onder leiding van voormalig staatssecretaris Rutte is aanvaard, te weten de Wet werk en bijstand, betreft dit verzoek beleid van gemeenten en is het niet primair een kwestie van het Rijk. Ik denk ook dat het niet passend zou zijn als de Kamer hier een motie zou aanvaarden met betrekking tot beleid dat de Kamer zelf onder leiding van de heer Rutte aan de gemeenten heeft opgelegd.

Dan kom ik op de motie van de leden Van Hijum en Spekman op stuk nr. 88. Daarin wordt de regering verzocht, maatregelen te treffen om de werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid van arbeidsmigranten uit Oost-Europa terug te dringen en de Kamer te informeren over de aanpak. Die motie wil ik aan het oordeel van de Kamer overlaten. Ik ben gaarne bereid om daarop in te gaan. Ik ben het ermee eens dat dit teruggedrongen moet worden en beschouw de motie als ondersteuning van staand beleid.

In de motie-Van Hijum c.s. op stuk nr. 89 wordt de regering verzocht om bij de uitwerking van het wetsvoorstel een aantal punten in acht te nemen. Daar kan een onduidelijkheid in zitten. Bij het tweede streepje wordt gesproken van "niet-geregistreerde" in plaats van "niet-gecertificeerde" uitzendondernemingen, en er wordt verder gesproken van belastingen en premies. De huidige wetgeving kent een algemene inlenersaansprakelijkheid, los van de vraag of het gecertificeerde, geregistreerde bedrijven zijn. De laatstgenoemde toevoeging in de motie zou kunnen betekenen dat de Kamer vraagt om een wetswijziging. Voor zover er gesproken wordt van niet-geregistreerde in plaats van niet-gecertificeerde ondernemingen, gaat het voorstel aanzienlijk verder dan wat de ABU voorstelt. Ik vermoed dat de motie vooral bedoeld is om het wetsvoorstel langs de lijnen van de ABU-voorstellen uit te werken. Ik zou de Kamer dan ook willen suggereren om nog even te kijken naar de formulering. Voor het overige beschouw ik de motie als ondersteuning van staand beleid.

Dan kom ik op de motie van de leden Van Hijum en Van Toorenburg op stuk nr. 90, waarin de regering wordt verzocht om nader te onderzoeken welke eisen gesteld kunnen worden. Ik meen dat de minister voor Wonen, Wijken en Integratie al een aantal keren op deze vraag is ingegaan, zodat het antwoord naar onze mening ook wel ongeveer gegeven kan worden. Ik laat het oordeel over deze motie over aan de Kamer. Mocht de Kamer dat wensen, dan zijn wij gaarne bereid om het antwoord op de gestelde vragen nog een keer te geven.

Dan kom ik op de motie-Fritsma op stuk nr. 91, die berust op het oordeel dat elke vorm van flankerend beleid tekortschiet om de problemen op te lossen. Ik zou de heer Fritsma graag willen wijzen op het feit dat de Stichting van de Arbeid vandaag een brief zowel aan de Kamer als aan mij gericht heeft, waarin zij constateert dat, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, de besluitvorming over het openstellen van de grenzen heel wel mogelijk zal zijn. Daarmee geeft de Stichting van de Arbeid ook aan dat de vooronderstelling waarop de motie berust, niet juist is. Ik moet aanneming van deze motie dan ook ten stelligste ontraden, ook omdat de regering in de motie wordt verzocht om terug te komen op internationale verplichtingen. Ik zie het nog steeds als een van de redenen waarom wij als Nederlanders trots kunnen zijn, dat bij ons geldt: een man, een man, een woord, een woord. Dan komen wij dus niet terug op internationale verplichtingen, behoudens als wij ze opzeggen.

Dan nog de motie-Spekman op stuk nr. 92, waarin de regering wordt verzocht, maatregelen te treffen tegen alle vormen van schijnzelfstandigheid van zzp'ers. Ik laat het oordeel over deze motie over aan de Kamer. Het kabinet doet wat mogelijk is om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Dat is op gezette tijden hier ook aan de orde. Het is primair een kwestie tussen partijen. Er zijn geen algemene strafrechtelijke verboden van schijnzelfstandigheid. Met de beperkingen die de rechtstaat stelt, proberen wij misbruik van rechtsfiguren tegen te gaan waar dat nodig is.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, over de ingediende moties hedenavond te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.