34 300 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2016

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETVOORSTEL

2

     
 

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

2

 

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat agentschappen)

2

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

3

     

1.

Leeswijzer

5

     

2.

Het beleid

8

2.1

De beleidsagenda

8

2.2

De beleidsartikelen

26

2.3

De niet-beleidsartikelen

138

     

3.

De agentschappen

146

     

4.

De bijlagen

171

4.1

ZBO’s en RWT’s

171

4.2

Verdiepingsbijlage

173

4.3

Moties en toezeggingen

204

4.4

Subsidieoverzicht

244

4.5

Evaluatie- en overig onderzoek

252

4.6

Overzichtsconstructie Milieu

266

4.7

Afkortingenlijst

270

A. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft drie begrotingen:

  • 1. de voorliggende beleidsbegroting Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting,

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

De twee fondsbegrotingen van IenM, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenM, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening en sinds 2015 ook waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht (voorheen MIRT Projectenboek). Dit overzicht wordt sinds 2007 als bijstuk bij het Infrastructuurfonds en Deltafonds aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen deze Kamerstukken te verhelderen worden vanaf dit jaar in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenM zijn ook digitaal beschikbaar op de rijksbegrotingswebsite1, het MIRT Overzicht 2016 is te vinden op de MIRT website2 en het Deltaprogramma op de website van de deltacommissaris3 .

1. LEESWIJZER

Algemeen

De opzet en structuur van de onderliggende begroting voor Hoofdstuk XII is gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op deze regelgeving voor deze begroting de onderstaande punten verwerkt.

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen bijdrage aan het Infrastructuurfonds en bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2028.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de betreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals extracomptabel opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Kwaliteit begroting

Het verbeteren van de kwaliteit van de begroting is een continue opgave. Met het door de vaste Kamercommissie Infrastructuur en Milieu benoemen van twee meerjarige rapporteurs begrotingscyclus tot en met de begrotingsbehandeling 2017 komt er extra aandacht voor dit onderwerp.4 In deze begroting zijn er – mede naar aanleiding van het Kamerdebat over de jaarverslagen 2014 – even als voorgaande jaren weer diverse verbeteringen doorgevoerd:

  • De toegankelijkheid van de beschikbare projectinformatie is verbeterd door in de MIRT tabellen bij de projecten (waar mogelijk) een digitale verwijzing naar het bijbehorende MIRT projectblad op te nemen. Naast algemene informatie als de opgave en oplossing worden op deze bladen onder meer de majeure wijzigingen toegelicht ten opzichte van de initiële budgetraming en planning.

  • Waar mogelijk wordt verwezen naar informatie die reeds eerder met de Tweede Kamer gedeeld is, bijvoorbeeld bij de toelichtingen op de budgettaire gevolgen van beleid en uitvoering en naar de diverse voortgangsrapportages.

  • Er is extra aandacht besteed aan de informatiewaarde van de beschreven beleidswijzigingen, bijvoorbeeld door in te gaan op de aanbevelingen uit beleidsdoorlichtingen die recent afgerond zijn.

Opbouw

Dit wetsvoorstel kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd. Deze verdiepingsslag is als volgt opgebouwd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2016 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een kernachtig overzicht gegeven van prioriteiten voor 2016 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid.

  • 3. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 4. In de artikelgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel kort en bondig beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 5. In de verdiepingsbijlage (bijlage 4.2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 6. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie Schouw (Kamerstukken II, 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenM heeft de Raad voor 2016 geen specifieke aanbevelingen gedaan.

Motie Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie Hachchi (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenM begrotingen, is op verzoek van de motie opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie Leegte (Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenM vallen opgenomen. Bij de betreffende beleidsartikelen 14 Wegen en verkeersveiligheid en 19 Klimaat worden de maatregelen genoemd.

Wat is nieuw in deze begroting

Groeiparagraaf

De begroting 2016 is op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van de begroting 2015:

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)

In 2016 wordt de ZBO ANVS bij wet ingesteld. De ANVS zal bestaan uit een ZBO-bestuur met twee bestuursleden en een ambtelijke organisatie die door de Secretaris-Generaal (SG) ter beschikking wordt gesteld. De ANVS wordt een dienst binnen IenM, die los staat van de bestuurskern. De programma- en apparaatsmiddelen van ANVS worden respectievelijk verantwoord op artikel 97 Algemeen departement en artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement.

Conversie artikel 11 Waterkwantiteit en artikel 12 Waterkwaliteit naar één integraal waterartikel

In het verlengde van de overheveling van KRW middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft IenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit wordt gewijzigd en zal deel uitmaken van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Wijziging naam en algemene doelstelling artikelen 19, 20 en 22

Bij de artikelen 19 Klimaat, 20 Lucht en Geluid en 22 Externe veiligheid en risico’s hebben enkele naamswijzigingen plaatsgevonden. Doel is om meer recht te doen aan in gang gezette beleidswijzigingen en tegemoet te komen aan de doelstellingen van de Brief Modernisering Milieubeleid (Kamerstukken II, 2013–2014, 28 663, nr. 55). Hierin wordt onder andere een bredere invulling van de beleidsdoelstellingen ingezet. De nieuwe benamingen zijn in onderstaand overzicht vermeld en zijn in de teksten van de artikelen verwerkt.

Artikel

Huidige naam

Nieuwe naam

19

Klimaat

 

19.01

Klimaat

Tegengaan klimaatverandering

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

 
     

20

Lucht en Geluid

 

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan geluidhinder

Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

     

22

Externe Veiligheid en Risico’s

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

22.01

Veiligheid chemische stoffen

 

22.02

Veiligheid GGO’s

Veiligheid biotechnologie

22.03

Externe veiligheid inrichtingen en transport

Veiligheid bedrijven en transport

2. HET BELEID

2.1 Beleidsagenda

Een welvarend land met een ijzersterke concurrentiepositie, waar de groei van steden samengaat met een gezond werk- en leefklimaat; een land dat internationaal voorop loopt met innovatieve oplossingen voor bereikbaarheids-, waterveiligheids- en duurzaamheidsvraagstukken. Dat zijn de belangrijkste ambities van IenM.

In de afgelopen jaren is hiervoor de basis gelegd met een nieuw Deltaplan en een nieuw Nationaal Waterplan, de stelselherziening van het Omgevingsrecht, een akkoord over de groei van Lelystad en Schiphol en de oprichting van de Nederlandse Klimaatcoalitie en de modernisering van het milieubeleid. Daarnaast is, sinds het begin van deze Kabinetsperiode, 440 kilometer aan rijstroken aangelegd en zijn de mogelijkheden om te kunnen experimenteren met innovatieve mobiliteit verruimd.

De Nederlandse uitgangspositie is daarmee goed. Dit bevestigt het World Economic Forum5: Nederland staat wereldwijd in de top tien van competitieve economieën, en in de top vijf van Europa. Onze infrastructuur is de vierde beste ter wereld: de kwaliteit van onze havens wordt zelfs als beste beoordeeld. Daarbij wordt Nederland ook bij de wereldtop gerekend als het gaat om innovatie en de toepassing van technologie en ICT.

Dat Nederland het internationaal goed doet, is een belangrijke aansporing om door te gaan op de ingeslagen weg van economische versterking en verduurzaming. Daarbij is de internationale context belangrijk. Nederland is de eerste helft van 2016 voorzitter van de Europese Unie. Nederland speelt dan een belangrijke rol in het verder brengen van de lopende agenda van de EU, zoals het verbeteren van regelgeving en het uitwerken van afspraken die op de Klimaatconferentie in Parijs worden gemaakt. Andere IenM-onderwerpen die aan bod komen tijdens het EU-voorzitterschap zijn het Vierde Spoorpakket, Luchtvaart en besprekingen over de Europese inzet voor een circulaire economie.

De internationale context is ook belangrijk bij het inspelen op wereldwijde trends, zoals verstedelijking, toenemende regionale verschillen, nieuwe technologieën en nieuwe verhoudingen tussen overheden en burgers. Al deze ontwikkelingen hebben invloed op de mobiliteit, infrastructuur en ruimtelijke inrichting van Nederland. Door ruimte te geven voor initiatief en door duurzame ontwikkeling te stimuleren, spelen we op deze trends in.

Daarbij is het cruciaal om de toekomst te blijven verkennen. We willen goede inschattingen kunnen maken van de toekomstige bereikbaarheidsopgaven over de weg, spoor, lucht en het water. Daar hoort ook een toekomstbestendige manier van financiering bij. De meerjarige looptijd van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds bieden continuïteit. Komend jaar wordt onderzocht of verlenging van de looptijd voorbij de huidige horizon van 2028 nodig is. Daarbij is ook de vraag aan de orde of de gedetailleerde manier waarop bestedingen voor lange tijd worden vastgelegd nog wel past bij opgaven die om meer flexibiliteit vragen. Daarover wordt een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) gestart.

Deze beleidsagenda gaat daarmee niet alleen over 2016, maar effent ook het pad voor een rol als concurrerende wereldspeler in de toekomst.

Nederlands voorzitterschap EU

Ons is land is van 1 januari t/m 30 juni 2016 voorzitter van de Europese Raad. Het kabinet wil als voorzitter concrete voortgang bereiken op de vijf hoofddoelstellingen van de strategische agenda (vastgesteld door de Europese Raad van juni 2014). Hoofddoelstellingen zijn innovatieve groei en banen en daarnaast op «een Unie gericht op hoofdzaken» en de verbinding met bedrijfsleven en burgers.

Verder is op vrijwel alle IenM terreinen aandacht nodig voor de effectiviteit en efficiency van de regelgeving: de better regulation agenda. Op milieu- en waterterrein is het doel bijvoorbeeld om te komen tot consistentere en beter uitvoerbare regelgeving.

In de Milieuraad wil Nederland het voorzitterschap onder meer gebruiken voor het verder brengen van de klimaatagenda. Belangrijk hierbij is de uitwerking van de afspraken die op de Klimaatconferentie in Parijs eind dit jaar gemaakt worden. Ook zal Nederland de eerste besprekingen leiden over het verwachte circulaire economiepakket.

De transportagenda tijdens het voorzitterschap richt zich op de bijdrage van transport, logistiek en mobiliteit aan de agenda van de Europese Commissie (Juncker-agenda) voor banen, economische groei en investeringen. Cruciaal is het verbeteren van de concurrentiekracht van de sector, door in te zetten op een goed functionerende markt, innovatie, investeringen in infrastructuur en slimme regelgeving. Op de geplande Transportraad in het voorjaar van 2016 staan onder andere het Witboek Transport en diverse luchtvaartdossiers, zoals EASA (luchtvaartveiligheid), Onbemande Vliegtuigen (RPAS) en de ICAO Assembly op de agenda. Mogelijk rondt Nederland de onderhandelingen met het Europees Parlement af over het vierde Spoorpakket en de Zeehavenverordening. De Aviation Strategy zal Nederland op de Aviation Summit behandelen.

Onder meer door de informele Milieu- en Transportraad te combineren brengt het Nederlandse voorzitterschap samenhang in de milieu- en transportagenda’s en draagt ons land bij aan een innovatief voorzitterschap. Tijdens de raad zal het Kabinet ook EU-samenwerking op het gebied van ITS, zelfrijdende auto’s en andere «Smart Mobility» op de agenda zetten.

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid van ons land is de afgelopen jaren verbeterd. Investeringen in infrastructuur, duurzaamheidmaatregelen en het slimmer benutten van de netwerken hebben effect gehad. Door verstedelijking en de aantrekkende economie wordt de druk op bereikbaarheid, ruimte en leefbaarheid echter groter. Om Nederland ook in de toekomst bereikbaar en leefbaar te houden zet het Kabinet in op drie oplossingen: het versterken van spoor- en wegennet, het stimuleren van slim reizen en het experimenteren met intelligente transportsystemen.

Burgers en hun reisgedrag staan hierbij centraal. Openbaar vervoer, spoor en weg worden aan elkaar gekoppeld zodat één mobiliteitssysteem ontstaat. Opgaven op andere terreinen, zoals leefbaarheid of natuur, worden daarnaast in samenhang met infrastructuurprojecten bezien. Investeringen in infrastructuur worden ondertussen volgens de planning gerealiseerd.

De komende jaren zet het Kabinet stevig in op de voortgang van 37 wegenprojecten, waarvan de vijf projecten op de A1, A6 en A9 rond Amsterdam en Almere de grootste zijn. Over de ontbrekende schakels in ons wegennet hakt het Kabinet de definitieve knoop door: de Blankenburgverbinding, de A13/A16 bij Rotterdam, de Ring Utrecht (A27/A12) en de A12/A15 bij Zevenaar. Voor de A27 (Houten-Hooipolder) en A1 (Apeldoorn-Azelo) worden in 2016 (ontwerp) tracébesluiten genomen. De vernieuwing van knooppunt Hoevelaken (A1/A28) is gegund aan de markt, terwijl de aanbesteding voor de A27/A1 Utrecht-Eemnes-Bunschoten in het komend jaar wordt afgerond. Daarnaast heeft de weggebruiker het komende jaar de beschikking over de A4 Delft-Schiedam, de A15 Maasvlakte-Vaanplein en de A1 Bunschoten-Hoevelaken.

Ook in andere belangrijke projecten worden belangrijke stappen gezet, zoals de realisatie van de Beatrixsluis, de zeetoegang IJmond, het opstellen van de algemene aanbestedings- en contracteringsstrategie voor het programma ERTMS (en naar verwachting tevens een projectbeslissing op het onderdeel materieel) en het opleveren van het Doorstroomstation Utrecht.

Inmiddels zijn acht brede MIRT-onderzoeken en -verkenningen met een bereikbaarheidsopgave als aanleiding gestart. In deze onderzoeken staat de gebruiker en zijn gedrag centraal en onderzoekt het Kabinet of er samenhang met andere ruimtelijke opgaven in het gebied bestaat (woningbouw, economische bedrijvigheid, leefbaarheid en veiligheid). Rijk, regio, bedrijfsleven en andere partners zoeken samen naar oplossingen. Maatregelen kunnen op alle mogelijke vlakken worden gevonden: reisgedrag, slimme toepassing van informatie en technologie, efficiënt beheer en onderhoud van de netwerken, gecoördineerde mobiliteitsmaatregelen en ruimtelijke keuzes of de aanleg van nieuwe infrastructuur. In 2016 worden onder andere de twee brede MIRT onderzoeken van de goederenvervoercorridors Oost en Zuid afgerond.

Het programma Beter Benutten heeft de afgelopen jaren positieve resultaten voor bereikbaarheid en leefbaarheid opgeleverd (20% minder files op specifieke knelpunten) en wordt conform het Regeerakkoord, voortgezet tot en met 2017. Voor het einde van deze looptijd levert dit al meetbare resultaten op. Met 12 regio’s zijn bestuurlijke afspraken gemaakt. Gezamenlijk investeren Rijk en regio circa € 600 miljoen tot en met 2017, met als ambitie 10% reistijdverbetering in de spits in de drukste gebieden. Concrete maatregelen worden per regio vastgesteld. en kunnen variëren van het ontwikkeling van multimodale reisinformatie tot de inzet van in-car technologie om bestuurders actuele en persoonlijke adviezen te geven. Minimaal 10% van het budget is gereserveerd voor de ambities op het vlak van Intelligente Transport Systemen (ITS).

Door de ontwikkelingen van mobiele informatietechnologie en ITS ontstaan nieuwe kansen voor weg- en OV-gebruikers, beheerders, vervoerders en het Nederlandse bedrijfsleven. Het kabinet bevordert het gebruik van ITS om bestaande infrastructuur beter te benutten en beschikbare reisinformatie slimmer toe te passen. Een andere veelbelovende ontwikkeling is de automatisering van voertuigen. Inmiddels kan in ons land op de openbare weg ervaring worden opgedaan met zelfrijdende voertuigen. In het komende jaar worden diverse experimenten uitgevoerd, o.a. tussen Ede en Wageningen. Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap zet het Kabinet in op meer samenwerking op deze onderwerpen. Nederland is als klein, dynamisch land met uitstekende infrastructuur zeer geschikt om te dienen als proeftuin voor de wereld. Dit levert kansen op voor innovatie en voor de Nederlandse ICT- en automotive sectoren.

In het Energieakkoord zijn afspraken gemaakt over een duurzame invulling van mobiliteit en een efficiënter verkeer en vervoer. Een belangrijke doelstelling is een reductie van de CO2-uitstoot in het transport van 17% in 2030, onderweg naar 60% in 2050 (ten opzichte van 1990). Met de SER-partners zijn aan de Uitvoeringstafel Mobiliteit en Transport nadere afspraken gemaakt over de concrete invulling. Belangrijkste pijlers zijn de duurzame brandstofvisie en het actieplan dat de betrokken stakeholders hebben opgesteld. Daarnaast wordt gewerkt aan concretisering van afspraken en green deals, bijvoorbeeld op gebied van autodelen, zero-emissie stadsdistributie en -busvervoer. Ook wordt, onder andere via de topsector Logistiek, ingezet op verduurzaming van de gehele logistieke keten.

Trends als verstedelijking en informatisering hebben een grote invloed op hoeveelheid en soort mobiliteit. Om Nederland ook in de toekomst bereikbaar te houden is het belangrijk om vooruit te kijken. Daarom wordt een inschatting gemaakt van de toekomstige bereikbaarheidsopgaven op de weg, op het spoor, in de lucht en over het water. Daartoe worden onderstaande acties uitgevoerd.

  • Met overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen worden gesprekken gevoerd over wat trends als verstedelijking en informatisering betekenen voor het wegendomein en welke gezamenlijke opgaven voor de toekomst hieruit voortvloeien.

  • Aan de hand van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA)6 en bijbehorende uitvoeringsagenda werkt het kabinet aan een betrouwbaar en veilig spoor met voldoende capaciteit als onderdeel van een optimaal OV-netwerk. Daarbij is ruimte voor innovatieve ontwikkelingen waarbij innovaties in breder perspectief worden bezien, in relatie tot de lange termijn en publieke belangen. Via de OV&Spoortafels vindt structureel overleg plaats tussen de betrokken partijen. Door de inzet van bevoegdheden van alle partijen bouwen we samen aan «netwerk Nederland», waarbij in 2016 gewerkt wordt aan een gezamenlijke visie op het OV-netwerk en het zo vlot, soepel en gemakkelijk mogelijk laten verlopen van de deur-tot-deurreis. De herijking van projecten en programma’s wordt in 2015 afgerond en leidt tot besluitvorming over het investeringsprogramma tot 2028 voor het spoor en OV. Dit gebeurt op basis van een intensief proces samen met de regio en de sector, op basis van de LTSA.

  • Met de introductie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel is in 2015 voor Schiphol ontwikkelruimte gerealiseerd voor totaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020. Met het oog op de netwerkkwaliteit en de concurrentiepositie van Schiphol blijft binnen dit plafond ruimte voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk creëert capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. Voor Eindhoven is met het luchthavenbesluit reeds de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen. Om deze ruimte te benutten zal in 2016, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, een vergunning medegebruik worden verleend. Voor Lelystad is reeds een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot verkeer».

  • In 2015 is de Maritieme Strategie door de Tweede Kamer aangenomen. Deze bevat het rijksbrede maritieme beleid tot 2025 en heeft als doel de Nederlandse internationale maritieme toppositie verder te versterken. De beleidsinzet richt zich op zes thema’s: human capital, innovatie, handel, bereikbaarheid, veiligheid en milieu- en veiligheidsdreigingen. Voor implementatie van de strategie is een rijksbrede beleidsagenda opgesteld. Deze wordt uitgewerkt in dynamische werkprogramma’s voor zeevaart, zeehavens en binnenvaart.

Klimaat

De uitkomsten van de klimaatconferentie eind 2014 in Lima hebben een goede basis gelegd voor de VN-klimaattop in december 2015 in Parijs. De klimaatonderhandelingen moeten leiden tot het sluiten van een nieuw mondiaal klimaatakkoord dat in 2020 in werking treedt. De Europese Unie heeft haar bijdrage aan dat akkoord – de doelstelling van tenminste 40% emissiereductie ten opzichte van 1990 – in maart 2015 op tafel gelegd. Deze doelstelling en de overige onderdelen van het door de Europese Raad vastgestelde Klimaat- en Energiekader voor 2030, zullen worden uitgewerkt in wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie, over onder andere het verlagen van het plafond van het emissiehandelssysteem (ETS, gepubliceerd op 15 juli 20157), het onder de lidstaten verdelen van de inspanningen («effort sharing») in de niet-ETS-sectoren (gebouwde omgeving, landbouw, kleine industrie, transport, landbouw en overige broeikasgassen) en de opname van de landgebruiksector in het EU klimaat- en energiebeleid.

Het Energieakkoord voor duurzame groei van september 2013 wordt in 2016 geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft zullen alle partijen in overleg treden om tot aanvullende maatregelen te komen zodat de doelstellingen worden gerealiseerd. Zoals aangekondigd in de Klimaatagenda »weerbaar, welvarend en groen»8 brengt het kabinet in het voorjaar van 2016 een Nationale Adaptatie Strategie uit, om Nederland in alle opzichten goed voor te bereiden op gevolgen van klimaatverandering, als aanvulling op het Deltaprogramma. Hiermee worden gelijktijdig marktkansen voor het Nederlandse bedrijven gecreëerd.

Ten aanzien van mobiliteit en transport voert Nederland het Energieakkoord voor duurzame groei uit met het oog op 15 tot 20 PJ energiebesparing in 2020 en maximering van de CO2-uitstoot tot 25 Mton in 2030. IenM kijkt daarbij ook naar de ruimtelijke inpassing van duurzame energie. Dit geldt in het bijzonder voor de plaatsing van windmolens, maar is ook bij andere vormen van decentrale energieopwekking aan de orde.

In internationaal verband zet IenM zich in voor een ambitieus bronbeleid voor motorvoertuigen om de (kosten)effectiviteit verder te optimaliseren. Motorvoertuigen worden hierdoor geleidelijk zuiniger, schoner en stiller, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het verlagen van de uitstoot en de verbetering van het leefklimaat. Hierbij zal IenM scherp in de gaten houden of de Europese normen ook onder praktijkomstandigheden de beoogde verbetering opleveren.

Om in 2050 te kunnen voldoen aan de doelstelling van 80–95% CO2-reductie zet IenM in op stimulering van innovatieve technieken om na 2030 over voldoende mogelijkheden te beschikken om emissies verder te reduceren. Gedacht wordt onder meer aan waterstofauto’s, zelfsturende (vracht-)auto’s, klimaatneutrale bruggen en innovatieve biobrandstoffen. Deze stimulering vindt op verschillende manieren plaats. Voor waterstofauto's gaat het er vooral om de early adapters gedeeltelijk tegemoet te komen in de hogere aanschafkosten van de waterstofauto. Ook staan internationale samenwerking en medefinanciering centraal om te komen tot een dekkende tankinfrastructuur. Bij de innovaties in geavanceerde biobrandstoffen is de Europese sturing op CO2-reductie in transportbrandstoffen belangrijk. Het Europees biobrandstoffenbeleid na 2030 zal zich naar verwachting richten op het stimuleren van het gebruik van geavanceerde biobrandstoffen

Van Afval Naar Grondstof

Om nu en in de toekomst welvarend en gezond leven mogelijk te maken gaan we op een verantwoorde manier om met de natuur die ons grondstoffen, voedsel, schone lucht, water en energie levert. Het Rijk werkt in het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) samen met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en wetenschap aan het versnellen van de transitie naar een circulaire economie. In een circulaire economie worden materialen hergebruikt, zijn kringlopen gesloten en ketens optimaal ingericht. Door te werken aan een circulaire economie voorzien we duurzaam in onze grondstoffen, wordt de economie gestimuleerd en voorkomen we afval en voorkomen we schade aan het milieu.

Het programma Van Afval Naar Grondstof wordt voortgezet en in 2016 ligt de nadruk op de volgende activiteiten:

  • De Atlas Natuurlijk Kapitaal die overheden, bedrijven, en particuliere initiatieven informatie levert om het natuurlijk kapitaal beter te benutten wordt verder ontwikkeld.

  • CIRCO, creating business through circular design: programma van Rijk en RACE-coalitie (Realisatie Acceleratie Circulaire Economie) voor het stimuleren van circulair productontwerp.

  • Binnen de RACE-coalitie wordt daarnaast ingezet op het circulair maken van drie specifieke ketens: machines en installaties in gebouwen, kunststof en rubber gebruikt in bouw en infrastructuur, organisch afval en wegwerpartikelen in de gezondheidszorg.

  • De samenwerking in het convenant Meer en betere Recycling gaat leiden tot een beter begrip van hoogwaardige recycling; dit wordt in 2016 verwerkt in het Landelijk Afval Beheerplan (LAP).

  • Lancering van een kennisplein en platform voor circulair ondernemen, waarin kennis over grondstoffen en circulaire economie worden gedeeld.

  • Ruimte in Regels voor Groene Groei: wegnemen van belemmeringen die ondernemers ervaren;

  • De samenwerking met de gemeenten om de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval te verbeteren (VANG Huishoudelijk Afval) wordt doorgezet en richt zich in het bijzonder op het verbeteren van de uitvoering.

Omdat afvalscheiding ook buitenshuis een normale zaak dient te zijn wordt actief samenwerking gezocht met uiteenlopende partners zoals scholen, winkelcentra of de organisatoren van evenementen.

Eind 2015 verschijnt het nieuwe Europese pakket voor Circulaire Economie. Nederland zal tijdens het voorzitterschap van de EU thema’s agenderen zoals circulaire economie, behoud van natuurlijk kapitaal, duurzame handel en duurzaam productontwerp. Ambitie is om een gezamenlijke aanzet te realiseren voor Europees beleid gericht op de hele keten.

Leefomgeving

Stelselherziening Omgevingsrecht (Omgevingswet)

Het omgevingsrecht wordt eenvoudiger en doelmatiger gemaakt. De Tweede Kamer stemde in juli jl in met het wetsvoorstel Omgevingswet, waarin 26 bestaande wetten (onder andere de Tracéwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening) geheel of grotendeels opgaan.

De Omgevingswet is erop gericht dat:

  • inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het omgevingsrecht wordt vergroot;

  • regelgeving uitgaat van een samenhangende benadering van de leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; deze benadering stimuleert innovatie en een actieve aanpak om kwaliteitsdoelen voor de leefomgeving te halen en maakt het mogelijk om succesvolle instrumenten op meer terreinen in te zetten als dat wenselijk is;

  • bestuurlijke afwegingsruimte wordt vergroot door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de leefomgeving; door waar dat kan, ruimte te bieden voor gebiedsgericht maatwerk en bestuurlijke afwegingsruimte en te zorgen voor duidelijkheid en landelijke uniformiteit;

  • besluitvorming over activiteiten en projecten in de leefomgeving sneller en beter plaatsvindt; het legt de basis voor minder administratieve onderzoekslasten, deelt bevoegdheden ondubbelzinnig toe en zorgt voor duidelijke procedures, met waarborgen voor effectieve inspraak en rechtsbescherming.

In 2016 worden de vier Algemene Maatregelen van Bestuur getoetst, geconsulteerd en aangeboden aan de Kamer: het Omgevingsbesluit, het Besluit Kwaliteit van de Leefomgeving en Activiteiten in de Leefomgeving (vanwege de omvang bestaat deze uit twee AMvB’s, gericht op Bouwen en op Water en Milieu). Verder worden ministeriële regelingen en invoeringswetgeving voorbereid. Daarnaast werkt IenM met de bestuurlijke koepels aan de invoering van de Omgevingswet. Dit gebeurt onder andere door het ontwikkelen van een digitaal platform, de Laan van de Leefomgeving. Hiermee geeft het kabinet invulling aan de afspraak in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te beschikbaar te maken en vergunningaanvragen meer digitaal mogelijk te maken. Via het programma Nu al Eenvoudig Beter en de Crisis- en herstelwet is het voor gemeenten en provincies mogelijk om (onder voorwaarden) vooruitlopend op de Omgevingswet te werken met het omgevingsplan en de omgevingsvisie. Daarnaast treden in 2016 de 12e en 13e tranches AMvB’s van de Crisis- en herstelwet in werking.

Conform het wetsvoorstel Omgevingswet ontwikkelt het Rijk voor 2018 een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Nationale Omgevingsvisie wordt een samenhangende visie op strategisch niveau, die de sectorale visies en beleidsplannen (onder andere het Milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), de Structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), het Verkeer en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer), het Waterplan (Waterwet) en het Natuurbeleidsplan (Natuurbeschermingswet)) vervangt. De komende periode bepaalt het Rijk – in overleg met andere overheden en betrokken partners – de Nationale Omgevingsagenda. Hierin staan de prioritaire onderwerpen, procesaanpak en planning van de Nationale Omgevingsvisie. Dit zal landen in de Nationale Omgevingsagenda. Het voortouw voor de Nationale Omgevingsvisie ligt bij het Ministerie van IenM. Het is aan een nieuw Kabinet om deze visie te zijner tijd vast te stellen.

Modernisering Milieubeleid

Uitgangspunt blijft de brief «modernisering milieubeleid»9 (MMB). Naast de vernieuwing van de inzet over het gehele beleidsterrein, wordt dit jaar expliciet invulling gegeven aan drie punten:

  • 1. Monitoren en realiseren van de in de Kamerbrief MMB aangekondigde acties: «afspraak is afspraak».

  • 2. Verder brengen en zichtbaar maken van zeven MMB-voorbeeldprojecten:

    «Van afval naar grondstof / VANG», «duurzaam doen», «Slimme en gezonde stad», «safety deals», «bewust omgaan met veiligheid», «zero emissie stadsvervoer» en de «Climate and clean air coalition / CACC».

  • 3. Input genereren voor de nationale omgevingsagenda vanuit milieu en duurzaamheid.

Het tussenresultaat van de verschillende evenementen en podia en specifiek van deze drie lijnen zal begin 2016 landen in de nationale omgevingsagenda. Bedoeling is dat het een impuls geeft aan de nieuwe werkwijze en aanpak die nodig zijn om ook in deze eeuw resultaten te boeken op het gebied van milieu, duurzaamheid en een gezonde en veilige leefomgeving.

Veiligheid

In 2016 wordt gewerkt aan het verder verankeren van het afwegingskader veiligheid en risico’s, zoals geschetst in de nota «Bewust Omgaan met Veiligheid: Rode Draden»10. Dit integraal afwegingskader geeft houvast bij besluitvorming over activiteiten die veiligheids-, milieu- en gezondheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen. Daarnaast biedt het kader een fundament voor vernieuwing en eventuele aanscherping van het beleid. De Kamer zal in de loop van 2016 worden gerapporteerd over de verdere ontwikkelingen.

De vernieuwing van het omgevingsveiligheidsbeleid, van het biotechnologiebeleid en de aanpak van «nieuwe risico’s» zal in 2016 ook centraal staan. Zo zal in 2016 en 2017 de Europese evaluatie van het EU-veiligheidsbeleid van biotechnologie op de agenda staan. Tevens zullen producten van het Uitvoeringsprogramma modernisering omgevingsveiligheid 2015–2018 aan de Kamer worden aangeboden. Ten aanzien van «nieuwe risico’s» (onder andere nanomaterialen, microplastics, synthetische biologie, zeer zorgwekkende chemische stoffen en hormoonverstorende stoffen) zal eind 2016 een handreiking aan de Tweede Kamer worden aangeboden voor het omgaan met nieuwe en onzekere risico’s.

Gezondheid

Omgevingsfactoren vormen een belangrijke oorzaak van de gezondheidslast. De bijdrage van milieugerelateerde factoren aan de totale ziektelast wordt door het PBL geschat op 4 tot 6 procent11. Het beleid blijft daarom gericht op het wegnemen van bekende knelpunten zoals slechte luchtkwaliteit. Ook wordt de noodzaak verkend om andere en nieuwe, onzekere risico’s voor de gezondheid aan te pakken, zoals de cumulatie van blootstelling aan chemische stoffen. Dit vereist allereerst een goede signalering van mogelijke risico’s, maar ook een weloverwogen analyse en beoordeling daarvan. De aanzet die samen met het RIVM voor dat signaleringssysteem is gemaakt zal in 2016 worden vervolgd en verbeterd. De Gezondheidsraad heeft de vraag opgepakt om een afwegingskader voor milieugezondheidsvraagstukken op te zetten. Een eerste voorzet daarvoor is de Kamer al voor het zomerreces toegezonden. Het komend jaar krijgt het afwegingskader verder vorm en inhoud. Dit afwegingskader helpt ook bij het bepalen welke signalen in beleid moeten worden vertaald.

Slimme en Gezonde Stad

De voortgaande groei van de steden zorgt voor een toename van de druk op het milieu, de ruimte, het water en de mobiliteit. Een gezonde leefomgeving is van groot belang voor onszelf, maar ook voor de economie. Mensen werken en wonen graag in een aantrekkelijke, gezonde omgeving. Het programma Slimme en Gezonde stad heeft tot doel te verkennen hoe tot een permanente verbetering van de leefbaarheid en gezondheid in de stad kan worden gekomen zonder hierbij nieuwe normen op te leggen. Samen met steden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties gaat het Rijk op zoek naar slimme oplossingen voor een gezonde, duurzame en leefbare stad. De focus ligt daarbij op luchtkwaliteit en geluid die in hoge mate bepalend zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van burgers. In het kader van de Agenda Stad start IenM tevens met de organisatie van vier living labs, waarin naast de gezonde stad stedelijke bereikbaarheid, klimaatadaptatie en de circulaire economie centraal staan.

In 2016 worden met minimaal acht steden gesprekken gevoerd om afspraken te maken over gezamenlijke acties om de leefomgevingskwaliteit te verbeteren. Ook wordt een inhoudelijke bijdrage geleverd aan de internationale conferentie «Building the future of health» die in juni 2016 plaatsvindt op initiatief van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Diverse kennisinstellingen worden gevraagd om onderzoek uit te voeren over het verbeteren van de leefomgevingkwaliteit in steden en een aantal steden kan bij de betrokken kennisinstellingen onderzoek uit laten voeren. Het netwerk Slimme en Gezonde Stad, dat dit jaar is gevormd, wordt ook in 2016 gefaciliteerd door het bundelen van kennis en ervaringen en het in beeld brengen van best practices.

De Brandstofvisie, het programma Beter Benutten en de ontwikkeling van zelfrijdende auto’s laten zien dat de sector verkeer en vervoer een grote bijdrage kan leveren aan slimme en gezonde steden. Uit diverse studies blijkt dat bij ongewijzigd beleid het relatieve aandeel van deze sector in de lucht- en klimaatproblematiek zal toenemen. IenM zet daarom niet alleen in op bronbeleid, maar ook op technologieontwikkeling richting low- en zero-emissie voertuigen en zelfrijdende auto’s. In samenwerking tussen wetenschap, bedrijfsleven en overheid worden de groene-groeikansen gestimuleerd met concrete instrumenten zoals green deals en «living labs» waarin ruimte wordt geboden om samen met ketenpartners concrete toepassingen in de praktijk na te bootsen. Een aantal sprekende voorbeelden hiervan zijn zero-emissie bussen en stadsdistributie, het aanjagen van elektrisch rijden, ervaring opdoen met zelfrijdende voertuigen op de openbare weg en de uitrol van infrastructuur die past bij de snelle technologische ontwikkelingen.

Bodem en ondergrond

In het kader van duurzaam bodemgebruik zijn in 2015 Bodemconvenanten ondertekend tussen Rijk en andere overheden en tussen Rijk en bedrijfsleven. Deze convenanten beslaan de periode 2016–2020. In deze periode zullen de meest ernstige bodemvervuilingen zijn aangepakt en wordt een overstap gemaakt van gevalsbenadering (sanering) naar gebiedsontwikkeling waarvan sanering een onderdeel kan zijn.

Begin 2016 is de afronding van de ontwerp-Structuurvisie Ondergrond voorzien. De Structuurvisie Ondergrond biedt na vaststelling het ruimtelijk afwegingskader voor activiteiten in de ondergrond die van nationaal belang zijn, zoals mijnbouwactiviteiten en de drinkwatervoorziening. Ook wordt de besluitvorming omtrent schaliegas in het Energierapport 2015 verankerd en ruimtelijk uitgewerkt in de Structuurvisie Ondergrond. Daarnaast wordt gestreefd naar het maken van bestuurlijke afspraken en de start van een gezamenlijk Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond van het Rijk en de decentrale overheden.

Waterkwaliteit

Het behalen van de waterkwaliteitsdoelen is een omvangrijke opgave waarvoor in 2015 een extra beleidsimpuls is gestart. Het gaat daarbij om de inrichting van watersystemen, het tegengaan van bekende verontreinigende stoffen (m.n. nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen) en nieuwe verontreinigende stoffen, zoals medicijnresten. De verbetering van de inrichting ligt op koers. De evaluatie van de meststoffenwet wordt in 2016 afgerond, afronding van de tussenevaluatie van de nota «Gezonde groei, Duurzame Oogst» is in 2018 voorzien. Een verplichting tot zuivering van bestrijdingsmiddelen uit afvalwater uit de glastuinbouw in 2018 is in voorbereiding. Voor de nieuwe stoffen wordt gewerkt aan een ketenaanpak voor medicijnen.

Waterkwaliteit en zoetwatervoorziening hangen nauw met elkaar samen. Daarom wordt bij de uitvoering van het Deltaprogramma Zoetwater actief gezocht naar synergie met waterkwaliteitsdoelen («meekoppelen»).

Waterveiligheid

Met het Deltaprogramma en het Nationaal Waterplan is het waterveiligheidsbeleid voor de komende decennia stevig verankerd. In 2016 is de deltabeslissing waterveiligheid aanleiding om de nieuwe aanpak vorm te geven. De ambitie voor 2050 is een basisveiligheid tegen overstromingen die overeenkomt met een jaarlijkse kans op overlijden die kleiner is dan één honderdduizendste. In gebieden waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen, grotere economische schade wordt geleden of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang, wordt de bescherming vergroot.

Het vervangen van de bestaande normen (door wijziging van de Waterwet) is voorzien per 1 januari 2017, na de parlementaire behandeling in 2016. Daarbij wordt ook onderliggende regelgeving aangepast. De wijzigingen van de Waterwet worden uiteindelijk ook aangepast in de Omgevingswet.

Bij het realiseren van veiligheid tegen overstromingen staat preventie voorop. Primair gaat het dan om de kwaliteit van waterkeringen. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen in de ruimtelijke inrichting van het overstroombare gebied achter de waterkering van groot belang. Tot slot is verbeterde rampenbeheersing en voorbereiding op evacuaties nodig om de kans op slachtoffers van overstromingen verder te beperken. Daarbij hoort ook aandacht voor zelfredzaamheid.

De waterkeringen in Nederland worden periodiek getoetst. Met de doelen voor 2050 als uitgangspunt wordt het komende jaar gebruikt om de toetsperiode 2017–2023 optimaal te benutten en de juiste prioriteiten te stellen in de opgaven van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).

Samenwerking tussen verschillende overheden is essentieel om het nieuwe stelsel voor waterveiligheid goed te verankeren. Het Deltaprogramma, het HWBP en het MIRT bieden de kans om waterveiligheidsmaatregelen en andere opgaven te verbinden. In uitzonderlijke gevallen is het ook mogelijk om een waterkering minder sterk uit te voeren en in plaats daarvan te investeren in de ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing, zodat de gewenste bescherming tegen overstromingen toch wordt bereikt.

In 2016 moet de beleidsvoorbereiding zijn afgerond, zodat het nieuwe stelsel daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Belangrijke mijlpalen zijn:

  • Parlementaire behandeling en publicatie van de wijziging van de Waterwet.

  • Publicatie van bijbehorende onderliggende regelgeving, waaronder een nieuwe regeling voor de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen en aanpassing van de subsidieregeling voor de versterking van primaire keringen.

  • Opleiding voor waterbeheerders voor de veiligheidsbeoordeling van waterkeringen.

  • Aanpassen van het data- en informatiemanagement van de keringbeheerders.

  • Opstellen van een draaiboek voor de beoordelingsperiode 2017–2022.

Het versterken van kennis en inzicht is cruciaal om de maatschappelijke water- en klimaatvraagstukken van de komende decennia op te lossen. Het onderzoek dat de nieuwe aanpak mogelijk heeft gemaakt, wordt voortgezet om tot risico’s te kunnen blijven verminderen met kosteneffectieve maatregelen. De ervaring die van 2017–2023 wordt opgedaan zal leiden tot een verder verbeterd toetsinstrumentarium. Met Duitsland is gezamenlijk onderzoek gestart om het nieuwe stelsel in de grensgebieden goed te laten aansluiten. In het nieuwe Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma voor Water en Klimaat bundelen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden hun kennis en innovatievermogen.

In 2016 doet het Rijk samen met Noordrijn-Westfalen onderzoek gedaan naar de waterveiligheid van rivieren en mogelijke maatregelen in de grensoverschrijdende dijkringen. Verder wordt toegewerkt naar een programmatische aanpak van de uitwerking van de voorkeursstrategie in rivierengebied (rivierverruiming en dijkversterking in krachtig samenspel) tot 2050, inclusief financiële consequenties.

De Nederlandse delta-aanpak richt zich op proactief en preventief werken aan water. Deze manier van werken kan wereldwijd helpen om risico’s te verminderen. IenM legt met de Internationale Wateraanpak, een gezamenlijk traject met de ministeries van EZ en BZ, het accent op het bevorderen van deze manier van werken. Dit zal in 2016 leiden tot een actieve bijdrage aan concrete projecten in de betreffende landen. Nederland werkt hierbij actief samen met multilaterale instellingen zoals de Wereldbank, en met andere landen in een wereldwijde Deltacoalitie. Via de Topsector Water en het werk van de Internationale Watergezant worden het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen betrokken.

Het komende jaar staat ook in het teken van het afronden van meer dan 10 projecten uit het programma Ruimte voor de Rivier. Deze opleveringen betekenen een belangrijke mijlpaal in het verbeteren van de waterveiligheid rond de Nederlandse rivieren.

Verlenging fondsen

Bij deze begrotingsvoorbereiding is – zoals besproken tijdens het Notaoverleg MIRT van 24 november 2014 – binnen het kabinet overleg gepleegd over de opties om de looptijd van het Infrastructuur- en Deltafonds te verlengen. Daarbij is besproken dat de systematiek van de fondsen leidt tot continuïteit in de uitvoering van zowel projecten als beheer en onderhoud, maar ook dat de financiële middelen voor een lange tijd op een relatief gedetailleerd niveau worden vastgelegd. Er is om deze reden een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) gestart, waarbij onder meer onderzocht wordt op welke wijze de flexibiliteit in programmering en financiering kan worden doorgevoerd. Met de minister van Financiën is afgesproken de besluitvorming over de fondsverlenging na afronding van het IBO te laten plaatsvinden bij de ontwerpbegroting 2017.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2015. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage te vinden.

Bedragen x € 1.000

art.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021–2028

Stand ontwerpbegroting 2015

 

9.235.473

9.393.518

9.722.901

9.174.898

9.272.904

9.410.828

 

Nota's van wijziging

               

Mutaties 1e suppletoire wet 2015

 

– 282.009

150.414

50.551

120.815

196.624

47.432

 

Stand Voorjaarsnota 2015

 

8.953.464

9.543.932

9.773.452

9.295.713

9.469.528

9.458.260

 

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk XII

 

– 198.035

– 1.367.971

– 1.435.389

– 945.036

– 1.079.461

– 1.096.497

 
 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk XII

               

1

Decentralisatie Brede doeluitkering

25

 

– 995.994

– 1.001.925

– 966.814

– 965.760

– 964.395

 

2

Safety deals en verbod asbestdaken

22

2.600

5.500

5.000

– 6.500

– 6.600

   

3

Topsector Logistiek 2016

18

 

1.619

17.009

5.630

3.630

1.452

 
 

– Aandeel XII

div.

 

– 324

– 3.402

– 1.126

– 726

– 290

 
 

– Aandeel IF

26

 

– 1.295

– 13.607

– 4.504

– 2.904

– 1.162

 

4

CBR

14

1.786

           

5

GSM-R

16

– 4.500

4.500

         

6

Eenvoudig Beter

div.

10.400

20.046

         
   

div.

– 10.400

– 20.046

         

7

ANVS aandeel EZ

97/98

6.294

7.394

7.867

7.867

7.867

7.867

 

8

Ontvangsten apparaat

98

7.630

           

9

Kassschuif Bodemsanering

13

 

46.752

– 10.752

– 12.000

– 12.000

– 12.000

 
   

26

 

– 46.752

10.752

12.000

12.000

12.000

 

10

Decentralisatie Bodemsanering PF/GF

13

 

– 82.230

– 79.230

– 74.230

– 74.230

– 74.230

 

11

Kasschuif KNMI

23

– 1.945

– 10.000

– 5.000

6.500

10.445

   

12

Ramingsbijstelling

               
 

– Infrastructuurfonds

26

 

– 65.000

15.000

– 100.000

– 100.000

– 100.000

50.000

 

– Deltafonds

26

 

– 35.000

– 115.000

     

150.000

13

Afkoop PHS leenfaciliteit

26

           

675.000

14

DBFM-conversies

26

– 131.184

– 150.381

– 302.043

188.022

53.175

37.723

282.930

15

Decentralisatie Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn

26

– 67.110

           

16

Overige interdepartementale overboekingen

div.

– 11.646

– 6.679

303

480

– 152

– 93

 

17

Kasschuif ten behoeve van rijksbrede beeld

26

 

– 40.000

40.000

       
 

Diversen

div.

40

– 81

– 361

– 361

– 4.206

– 3.369

 
                   
 

Overige mutaties Hoofdstuk XII

               

18

Amendement Hoogland cs.

14

500

           
   

15

– 500

           

19

Generieke Digitale Infrastructuur (GDI)

99

 

5.237

4.565

3.906

3.101

3.127

25.016

 

– Infrastructuurfonds

26

 

– 4.329

– 3.908

– 3.366

– 2.712

– 2.765

– 22.120

 

– Deltafonds

26

 

– 908

– 657

– 540

– 389

– 362

– 2.896

20

Loon- en prijsbijstelling

99

– 37.584

– 36.046

– 37.306

– 34.982

– 35.581

– 36.803

 
   

25

5.947

6.049

6.012

5.950

5.945

5.933

 
   

26

28.459

27.149

28.389

26.158

26.775

28.031

224.248

   

98

979

961

854

829

832

819

 
   

99

909

626

827

885

876

866

 
   

div.

1.290

1.261

1.224

1.160

1.153

1.154

 

Stand ontwerpbegroting 2016

8.755.429

8.175.961

8.338.063

8.350.677

8.390.067

8.361.763

Ad 1. Met ingang van 1 januari 2015 zijn de Wgr-plusregio’s bij wet afgeschaft (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 659, nr. 2; Stb. 2014, 558). De afschaffing maakt een einde aan de verplichte samenwerking in zeven plusregio’s en heeft daarmee gevolgen voor de Brede Doeluitkering (BDU) Verkeer en vervoer. De BDU-middelen voor de voormalige plusregio’s Bestuur Regio Utrecht, Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, Stadsregio Arnhem Nijmegen en Regio Twente komen toe aan de betreffende provincies. Met ingang van 2016 worden de voor de provincies bestemde BDU-middelen toegevoegd aan het Provinciefonds. De middelen voor de drie overige opgeheven plusregio’s Stadsregio Amsterdam, Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam worden uitgekeerd aan de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en de Stadsregio Amsterdam. Deze middelen worden conform de huidige systematiek toegekend als brede doeluitkering door IenM (zie beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering).

Ad 2. Op 10 maart 2015 is de Tweede Kamer geïnformeerd per brief over een nadere invulling van het begrip ketenverantwoordelijkheid in de chemische sector, en over ontwikkelingen in het asbestbeleid (Kamerstukken II, 2014–2015, 28 663, nr. 62). In het kader hiervan worden er veiligheidscoalities gevormd, zogenoemde safety deals. Daarnaast wordt er op 1 januari 2016 een verbod op asbestdaken ingevoerd. Middels een kasschuif worden voor deze twee regelingen middelen vrijgemaakt.

Ad 3. Voor de in 2016 op te starten activiteiten Topsector Logistiek wordt in totaal € 23,5 miljoen overgeheveld vanuit de voeding van het Infrastructuurfonds en € 5,9 miljoen vanuit de overige programmabudgetten binnen Hoofdstuk XII.

Ad 4. Begin maart 2015 bepaalde de Raad van State dat het CBR geen wettelijke mogelijkheid meer heeft om een alcoholslotprogramma op te leggen. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de regeling onverbindend is, omdat die in een substantieel aantal gevallen onevenredig kan uitwerken. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft IenM ingestemd met een vergoeding van de feitelijke kosten voor die gevallen die een bezwaar- of beroepsprocedure hebben lopen tegen de oplegging van het alcoholslotprogramma. Daarnaast zijn er hogere uitgaven voor juridische ondersteuning en het opleggen van alternatieve bestuursrechtelijke maatregelen in het kader van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (RMRG 2011).

Ad 5. Dit betreft een aanpassing van het kasritme voor GSM-R(ail) om de verwachte uitgaven in overeenstemming te brengen met de verwachte betalingen in subsidiebijdragen.

Ad 6. Op artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling en artikel 98 Apparaat van het kerndepartement wordt er binnen het programma Eenvoudig Beter gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Omgevingswet (uitvoeringsregelgeving). Hiertoe worden middelen beschikbaar gesteld, waarvan € 10,4 miljoen in 2015 en € 20 miljoen in 2016. Voor 2016 worden de middelen overgeboekt vanuit de voeding van Infrastructuurfonds (€ 16 miljoen) en het Deltafonds (€ 4 miljoen).

Ad 7. In verband met de Kernenergiewet is met ingang van 1 mei 2015 de verantwoordelijkheid voor de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming overgedragen van EZ naar IenM (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000 XII, nr. 67). Hiervoor worden de verschillende diensten op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming van EZ en IenM samengevoegd tot de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Bij Voorjaarsnota 2015 is reeds een gedeelte van het beschikbare budget overgeboekt. Bij Begroting 2016 wordt het overige aandeel van EZ overgeboekt.

Ad 8. Artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement ontvangt middelen voor centrale uitgaven bedrijfsvoering. Een deel van de centraal betaalde uitgaven voor ICT en facilitaire dienstverlening vindt plaats ten behoeve van agentschappen. Hiervoor vindt een interne verrekening plaats door middel van facturering (circa € 7,6 miljoen).

Ad 9. Bij Ontwerpbegroting 2015 is besloten om in het jaar 2016 € 60 miljoen vrij te maken op de budgetten voor bodemsanering ten behoeve van het rijksbrede beeld. Om te voorkomen dat de uitvoering hierdoor vertraagd (met name in 2016) wordt de kasreeks door middel van een kasschuif aangepast aan de uitvoeringspraktijk. Deze kasschuif verloopt via het Deltafonds. De ontstane kasreeks wordt vanuit de bodembudgetten gedecentraliseerd.

Ad 10. Op 17 maart 2015 zijn de nieuwe afspraken vastgelegd over het bodembeleid voor de periode 2016–2020 in het convenant «Bodem en Ondergrond 2016–2020» (Stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Door een kasschuif met het Deltafonds (zie ook ad. 9) wordt bij deze begroting de decentralisatie van de middelen naar het Provinciefonds en Gemeentefonds uitgevoerd.

Ad 11. De bij KNMI door te schuiven middelen betreffen gelden die bestemd zijn voor het EU-programma EUMETSAT (weersatellieten). De Nederlandse input loopt via KNMI. De input van Nederland aan dit programma is in latere jaren nodig dan nu geraamd (programma loopt trager). Middelen dienen derhalve op artikel 23 van KNMI doorgeschoven te worden.

Ad 12. Sinds enige jaren wordt er op de artikelen bij Wegen en Vaarwegen met een overprogrammering gewerkt om zeker te stellen dat de beschikbare middelen ook jaarlijks worden uitgeput. Bij deze begroting wordt het gebruik van dit instrument verder uitgebreid naar het Spoorartikel en het Deltafonds. Over de periode 2016–2020 wordt zo eenmalig € 100 miljoen per jaar vrijgespeeld. Via een kasschuif worden deze middelen in de periode 2021–2025 weer aan de fondsbegrotingen toegevoegd. Dit was mogelijk zonder consequenties op het lopende programma. Vanaf 2026 zal er een structurele ramingsbijstelling van € 100 miljoen per jaar worden toegepast.

Ad 13. Dit betreft de verwerking van een oude afspraak met betrekking tot de PHS Leenfaciliteit. In deze afspraak was geregeld dat er voor de investeringen van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer geleend kon worden. Deze constructie wordt voor de periode 2021–2027 vervangen door een toevoeging van € 675 miljoen aan het Infrastructuurfonds. Dit leidt niet tot extra investeringen.

Ad 14. In 2014 is de DBFM-aanbesteding afgerond van de projecten A9 Gaasperdammerweg, A12 Ede-Grijsoord en Nieuwe Keersluis Limmel. De budgettaire reeksen van deze projecten worden conform de begrotingsregels omgezet in langjarige budgetten om de beschikbaarheidsvergoedingen aan de DBFM-consortia te kunnen voldoen.

Ad 15. Op 23 juni 2008 is het Convenant Regiospecifiek Pakket (RSP) Zuiderzeelijn ondertekend (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 A, nr. 19). De gelden voor de RSP-onderdelen Ruimtelijk-Economisch Programma (REP) en Concrete bereikbaarheidsprojecten worden uitgekeerd door middel van een decentralisatie-uitkering. Hiertoe stort IenM delen van het budget in het Provinciefonds (€ 64,6 miljoen). Daarnaast wordt € 2,5 miljoen overgeboekt naar het BTW-compensatiefonds.

Ad 16. Deze reeks betreft een saldo van interdepartementale overboekingen. De meest noemenswaardige overboekingen zijn de overboeking van € 16,8 miljoen in 2015 en € 15,8 miljoen naar het Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van het Uitvoeringsprogramma Impuls Omgevingsveiligheid 2015–2018 (Kamerstukken II, 2014–2015, 29 517, nr. 92), de bijdrage van EZ aan IenM ten behoeve van het blootstellingonderzoek (€ 0,75 miljoen per jaar van 2015–2018) en de bijdrage van Financiën uit de Aanvullende post voor vrijgegeven middelen door het Bureau Digicommissaris ten behoeve van het Maritiem Single Window (MSW) (in 2015 € 4,5 miljoen en in 2016 € 9 miljoen).

Ad 17. Dit betreft een kasschuif ten behoeve van het rijksbrede financiële beeld. De meerjarige programmering wordt hierop niet aangepast.

Ad 18. Bij Begroting 2015 is het amendement van het lid Hoogland c.s. aangenomen (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000, nr. 58). Met dit amendement wordt een bedrag van € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het Wandelnet en het Fietsplatform voor het onderhoud van landelijke routestructuren. Het fietsbeleid wordt verantwoord op artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid. Hiertoe wordt vanuit artikel 15 OV-keten dit budget overgeboekt voor correcte verantwoording.

Ad 19. De afgelopen jaren is de druk op het gebruik van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) sterk toegenomen. Hierdoor zijn er tekorten ontstaan in de financiering. Om deze problematiek van een oplossing te voorzien is in 2014 de Nationaal Commissaris Digitale Overheid (NCDO) benoemd. Onder regie van de NCDO is onder andere besloten tot interdepartementale versleuteling van de tekorten op de bestaande voorzieningen binnen de GDI. Conform dat besluit heeft IenM bij eerste suppletoire begroting 2015 middelen overgeboekt naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vanuit de begroting Hoofdstuk XII artikel 99 Nominaal en onvoorzien. In deze ontwerpbegroting wordt deze bijdrage van IenM verdeeld over de beleidsartikelen op Hoofdstuk XII, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Ad 20. Dit betreft de verdeling van de loon- en prijsbijstelling over de BDU (artikel 25), het Infrastructuurfonds en het Deltafonds (artikel 26), Apparaatsuitgaven kerndepartement (artikel 98) en Nominaal en onvoorzien (artikel 99). Daarnaast hebben de agentschappen loon- en prijsbijstelling toegekend gekregen, welke is verdeeld over heel Hoofdstuk XII.

Planning beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

 

realisatie

     

planning

Artikel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Artikel 11 Integraal waterbeleid

X

         

X

Artikel 12 Waterkwaliteit

 

X

         

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling (SVIR)

X

         

X

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

     

X

     

Artikel 15 OV-keten

X

         

X

Artikel 16 Spoor

       

X

   

Artikel 17 Luchtvaart

     

X

     

Artikel 18 Scheepvaart en havens

   

X

       

Artikel 19 Klimaat

       

X

   

Artikel 20 Lucht

     

X

     

Artikel 20 Geluid

 

X

         

Artikel 21 Duurzaamheid

X

         

X

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

       

X

   

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

         

X

 

Artikel 24 Handhaving en toezicht

         

X

 

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid worden bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van beleidsartikel 24 betreft de keuzes die in het handhavings- en toezichtbeleid door ILT kunnen worden gemaakt.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat op de website van de Rijksbegroting12. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 4.5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht garanties en achterborgstellingen

Het Ministerie van IenM heeft één garantieregeling, te weten de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering). Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

Invulling aangescherpte garantiekader

In de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen is het garantiekader aangescherpt (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 750, nr. 13). Eén van de doelen is het afbouwen van niet-gebruikte plafonds en het stopzetten van slapende regelingen. IenM heeft een garantieregeling «Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering)». Het verplichtingenplafond van deze regeling is in lijn met de kabinetsreactie bij eerste suppletoire begroting 2014 verlaagd van € 65,3 miljoen naar € 15 miljoen. Het is het streven van het kabinet om het aantal garantieregelingen te beperken. Voor de garantieregeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering) zal op basis van een aparte evaluatie in 2015 een besluit over het voortbestaan worden genomen.

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 13

MKB Krediet

515

0

0

476

0

0

476

15.000

15.000

 

Totaal

515

0

0

476

0

0

476

15.000

15.000

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Inkomsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

2.2 De beleidsartikelen

Beleidsartikel 11: Integraal waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau 2012, conform herziene basiskustlijn 2012 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 4 «Waterbeleid in thema’s»), de Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 2 Zoetwater) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2010–2015.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Voorts gaat het om het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Daarnaast geldt ten aanzien van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies.

  • Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Waterkwantiteit

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 400, nr. 19).

Indicator één en twee geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland en dat Nederland droge voeten heeft. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen. In 2014 is naar aanleiding van de laatst uitgevoerde toetsing aan de Tweede Kamer gerapporteerd (Kamerstukken II, 2013–2014, 31 710, nr. 32) dat 1.302 km keringen niet aan de wettelijke norm voldoet. Ongeveer de helft hiervan is opgenomen in lopende verbeterprogramma’s, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De keringen die volgens de laatste (de derde en verlengde derde) toetsing niet voldoen krijgen een plek in het nieuwe HWBP, mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria. In 2017 start een nieuwe toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Dijken en duinen (in kilometers)

Dijken en duinen (in kilometers)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Ten behoeve van een goede verdeling van water zodat Nederland over voldoende zoetwater kan beschikken wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

Indicator
   

Realisatie

Streefwaarde

Streefwaarde

Indicator

Eenheid

2014

2015

2016

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

100%

90%

90%

Bron: Rijkswaterstaat, 2015

De norm is dat 90% van de tijd (24-uursgemiddelde) de afgesproken (streef)peilen, onder normale omstandigheden, binnen de operationele marge worden gerealiseerd. De streefpeilen van het Haringvliet, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en IJsselmeer (alleen zomerpeil telt mee) waren in 2014 de gehele periode binnen de marge (Indicator drie).

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en de Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer vanaf 2016 jaarlijks geïnformeerd via »De Staat van Ons Water». Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. De Minister van IenM heeft het PBL gevraagd om in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit te rapporteren.

Integraal waterbeleid

Over de voortgang van het integraal waterbeleid wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd in «De Staat van Ons Water». Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel»13.

Beleidswijzigingen

In 2014 is, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, de beleidsdoorlichting van Artikel 11, Waterkwantiteit (vanaf 2016 Integraal Waterbeleid), van de begroting van IenM opgeleverd. De uitkomsten en beleidsreactie zijn op 19 december 2014 (Kamerstukken II, 2014–2015, 32 861, nr. 6) aan de Tweede Kamer aangeboden. In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat het beleid goed wordt gemonitord. Door het vrijwel ontbreken van evaluaties naar doelmatigheid in de periode 2008–2013 is het trekken van eenduidige conclusies over de doelmatigheid van het beleid echter niet goed mogelijk. Wel wordt duidelijk dat de aandacht voor doelmatigheid en doelmatig werken in die periode is toegenomen. In het Bestuursakkoord Water hebben de waterbeheerders afgesproken een gezamenlijke doelmatigheidswinst van € 750 miljoen per jaar na te streven in 2020. Het nieuwe waterveiligheidsbeleid is gebaseerd op de risicobenadering waardoor het meest wordt geïnvesteerd waar risico’s het grootste zijn. In lijn met de gedane aanbevelingen zal door het ministerie bij toekomstige evaluaties expliciet aandacht worden gegeven aan het beoordelen van doelmatigheid en doeltreffendheid. Verder wordt in overleg met het Ministerie van Financiën bezien of en hoe Ruimte voor de Rivier, Maaswerken en HWBP-2 ex-post op hun doelmatigheid kunnen worden beoordeeld.

Het OESO-rapport «Water Governance in The Netherlands, fit for the future?» (2014) vraagt de Nederlandse waterwereld om zich meer transparant te verantwoorden. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gaat daarom met ingang van 2016 samen met de partners van het Bestuursakkoord Water de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van het Nationaal Waterplan en het Bestuursakkoord Water (tot 2015 verschenen onder de naam «Water in beeld») verbreden tot «De Staat van Ons Water». Deze rapportage moet zorgen voor «meer transparantie over de waterkwaliteit, de huidige status van de waterveiligheid en de efficiëntie in de waterketen».

Het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 625, nr. 204) wordt uitgevoerd. In 2016 wordt een evaluatie uitgevoerd van de financiering van het beheersprogramma voor de waterkeringen.

In de «Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen», heeft het kabinet aangekondigd om de Nationale Adaptatie Strategie (NAS) uit te brengen. De NAS, die in 2016 verschijnt heeft als doel om Nederland in alle opzichten goed voor te bereiden op gevolgen van klimaatverandering, om invulling te geven aan de EU adaptatiestrategie en om tegelijk marktkansen voor Nederlandse bedrijven te creëren. De adaptatiestrategie is een aanvulling op het Deltaprogramma 2015.

In 2016 zendt het kabinet de Eerste en Tweede Kamer conform artikel 46 van de meststoffenwet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Hierin worden ook de effecten voor kwaliteit van grond- en oppervlaktewater meegenomen.

De Internationale Wateraanpak (IWA), uitgebracht in 2015, beschrijft de nieuwe accenten van het (interdepartementale) waterbeleid.

In de eerste helft van 2016 is Nederland voorzitter van de EU. Van die gelegenheid wordt gebruik gemaakt om Nederlandse waterinnovaties onder de aandacht te brengen. Dit zal onder andere gebeuren tijdens de tweejaarlijkse conferentie van het Global Programme of Research on Climate Change, Vulnerability, Impacts and Adaptation (PROVIA) die in 2016 in Rotterdam wordt gehouden en de Innovatie-estafette. Daarnaast zal het voorzitterschap worden aangegrepen om de Europese agenda op het gebied van water te beïnvloeden.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 11 Integraal waterbeleid (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

40.756

34.301

41.900

41.598

41.623

40.201

42.812

Uitgaven:

40.075

35.383

45.973

43.634

41.870

42.426

42.812

Waarvan juridisch verplicht

   

92%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

34.016

30.298

33.872

32.139

29.361

29.969

30.302

11.01.01

Opdrachten

1.527

2.958

3.932

4.366

4.580

4.581

4.585

11.01.02

Subsidies

11.809

8.628

10.360

8.886

8.886

8.886

8.886

 

– Partners voor Water (HGIS)

11.788

8.628

10.360

8.886

8.886

8.886

8.886

 

– Overige subsidies

21

0

0

0

0

0

0

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

19.908

17.940

17.545

16.852

15.860

16.464

16.793

 

– waarvan bijdrage aan RWS

19.350

17.419

17.144

16.451

15.459

16.063

16.392

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

558

521

401

401

401

401

401

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

772

772

2.035

2.035

35

38

38

11.02

Waterveiligheid

3.225

2.977

2.802

2.891

4.890

4.889

4.890

11.02.01

Opdrachten

3.225

2.977

2.802

2.891

4.890

4.889

4.890

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.834

2.108

2.008

2.507

2.504

2.454

2.504

11.03.01

Opdrachten

2.834

2.108

2.008

2.507

2.504

2.454

2.504

11.03.05

Bijdrage aan internationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

11.04

Waterkwaliteit

0

0

7.291

6.097

5.115

5.114

5.116

11.04.01

Opdrachten

0

0

3.993

3.258

3.375

3.499

3.526

11.04.02

Subsidies

0

0

0

331

0

0

0

11.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

1.531

741

0

0

0

11.04.05

Bijdrage aan internationale organisaties

0

0

1.767

1.767

1.740

1.615

1.590

 

Ontvangsten

73

23.800

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x €1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

474.162

412.872

438.914

452.573

354.788

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

186.950

185.912

191.775

181.458

169.642

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

661.112

598.784

630.689

634.031

524.430

waarvan

         

1.01

Grote projecten waterveiligheid

567.349

385.415

308.537

250.317

275.940

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

84.808

206.164

321.752

383.314

248.140

1.03

Studiekosten

8.955

7.205

400

400

350

Extracomptabele verwijzing naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

44.744

46.229

26.334

31.970

32.418

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

4.859

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

49.603

46.229

26.334

31.970

32.418

waarvan

         

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

47.293

43.994

24.749

30.385

30.833

2.03

Studiekosten

2.310

2.235

1.585

1.585

1.585

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onder houd en vervanging van het Deltafonds

206.336

141.085

148.223

141.485

97.912

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

206.336

141.085

148.223

141.485

97.912

waarvan

         

3.01

Watermanagement

6.991

6.989

6.989

6.989

6.989

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

199.345

134.096

141.234

134.496

90.923

Extracomptabele verwijzing naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

24.347

29.014

37.949

54.256

100.939

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

24.347

29.014

37.949

54.256

100.939

waarvan

         

7.01

Real.progr.Kaderrichtlijn water

22.217

25.738

37.182

53.489

80.050

7.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

2.130

3.276

767

767

20.889

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet. Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW) en de uitvoering van activiteiten in het kader van het Nationaal Waterplan (NWP). De uitgaven voor de subsidies, de bijdrage aan medeoverheden voor de tijdelijke subsidieregeling kwijtschelding door waterschappen en de agentschapbijdragen aan RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft onder andere betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2015.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan. De uitgaven voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidies hebben een beperkte tijdshorizon. De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het synergieprogramma KRW en lopen door tot en met 2016. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de OSPAR-commissie, die in internationale verdragen zijn opgericht, en de bijdragen aan VN organisaties, die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van activiteiten in het kader van de Kaderrichtijn Water (KRW), de Kaderrichtijn Mariene Strategie (KRM) en de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

De activiteiten op het gebied van de Watercoalitie zijn gericht op het ontwikkelen van een nieuw sturingsinstrument voor het waterdomein. Rond het onderwerp «Water in en om het huis» wordt onderzocht of met adaptieve sturing bijgedragen kan worden aan de beleidsdoelen van water met als doel om huishoudens daarbij meer te activeren.

In 2016 wordt binnen het Ministerie van IenM de Human Capital Agenda verder uitgebouwd. De bijdrage aan de Human Capital Agenda bestaat uit het verlenen van studiebeurzen en ondersteuning van initiatieven op scholen om de awareness te vergroten door lespakketten te introduceren en gastlessen over waterbeleid te bevorderen. Een belangrijk speerpunt is eveneens het ondersteunen van de opbouw van regionale netwerken, waarin overheden en onderwijs afspraken maken over het bevorderen van de awareness, het ondersteunen van het onderwijs en het bevorderen van de instroom van goed opgeleid personeel in de watersector. Ook wordt het beleid voortgezet om initiatieven, zoals het Wereld Watercollege, Wetskills, de Battle of the Beach, het water jongerenparlement en YEP-water (Young Expert Programme) actief te ondersteunen. De doelstelling om te zorgen voor een continue en zo mogelijk toenemende instroom van goed gekwalificeerd personeel in de (top)sector water blijft onverkort gehandhaafd.

Het Ministerie van IenM trekt binnen Topsector Water de portefeuille Europa. Daartoe wordt de aansluiting bij Europese onderzoeksprogramma’s bevorderd om de kennisbasis van de Nederlandse watersector te vergroten, wat ook leidt tot exportmogelijkheden binnen en buiten Europa. Daarnaast is IenM een van de initiatiefnemers van het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK). Het NKWK beoogt het bevorderen van de synergie tussen kennisvragers en -aanbieders door onderzoek samenhangend te programmeren. Daarnaast bevordert het NKWK het op elkaar aan laten sluiten van fundamenteel, strategisch en praktijkgericht onderzoek en pilots voor innovatie. Bestaande middelen worden daardoor efficiënter ingezet. Het NKWK bevordert daarbij ook de deelname van Nederlandse partijen aan Europese kennis- en innovatieprogramma’s. Middelen worden ingezet om deelname van Nederlandse partijen aan voor IenM relevante Horizon 2020 projecten te stimuleren en worden ingezet voor financiering van Europese activiteiten (zoals ERA-netten) die gezamenlijk door de Europese lidstaten worden georganiseerd met cofinanciering uit Horizon 2020 en indien mogelijk vanuit NWO.

11.01.02 Subsidies

In 2016 start het nieuwe programma Water Internationaal als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit programma is het centrale uitvoeringsprogramma van de interdepartementale Internationale Water Aanpak. Het ondersteunt de realisatie van de internationale waterambities van de ministeries BZ, EZ en IenM door nieuwe initiatieven te stimuleren en verbindingen te leggen met het instrumentarium en financieringsmogelijkheden die voor activiteiten op het terrein van water internationaal beschikbaar zijn binnen de rijksoverheid, bij internationale Financiële Instellingen en ook bij de private sector. Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries samenwerken. De uitgaven voor het programma Water Internationaal worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Deze bijdrage heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent neerslagpatronen, het gedrag van extreme stormen, verbeterde windmodellen, het weer in de toekomst en risico-analyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses dragen bij aan de onderbouwing van het wettelijke toetsinstrumentarium voor de primaire waterkeringen en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Sinds 1 januari 2012 mogen lokale overheden op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bij het bepalen van het netto-besteedbaar inkomen in het kader van de kwijtschelding rekening houden met de netto-kosten van kinderopvang. Ter compensatie van de gederfde inkomsten van de gemeenten en waterschappen heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Voor de waterschappen gaat het om € 2 miljoen per jaar tot 2018. Tot op heden hebben zes waterschappen van deze regeling gebruik gemaakt.

Bijdrage aan de bekostiging van de deelname van de waterschappen aan de Commissie Bepalingen regeling Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen. Het secretariaat van de Commissie wordt uitgevoerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) maar betaald door de ministeries van BZK en IenM. Het Ministerie van BZK betaalt het secretariaat voor de rol van de Commissie ten aanzien van gemeenten en provincies, het Ministerie van IenM vanwege de rol van de Commissie ten aanzien van de waterschappen.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

Eind 2015 zijn de definitieve overstromingsrisicobeheerplannen voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en de Schelde vastgesteld en aan het publiek ter beschikking gesteld. De plannen worden in 2016 aan de Europese Commissie gerapporteerd. Voor zowel de risicokaarten als de plannen wordt opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en het beheer.

Op basis van de Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen wordt ook in 2016 gewerkt aan het voorbereiden van de programmering van hoogwaterbeschermingsmaatregelen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Daarnaast wordt de Vierde Toetsronde Primaire Waterkeringen (start in 2017) voorbereid.

Het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid, wordt op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht geactualiseerd. Hiervoor worden opdrachten gegeven voor onderzoek, kwaliteitsborging en het organiseren van kennisuitwisseling.

In 2016 wordt verder gewerkt aan de implementatie van de Deltabeslissing Waterveiligheid en de aanpassing van de Waterwet. In deze Deltabeslissing is de overstap gemaakt naar de risicobenadering. De doelen van het waterveiligheidsbeleid worden via normspecificaties voor primaire waterkeringen wettelijk verankerd. Ook wordt het toets- en ontwerpinstrumentarium aangepast aan de nieuwe normering.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenM werkt, samen met de provincies en het Ministerie van Economische Zaken, mee aan integrale gebiedsontwikkeling in het Waddengebied, onder andere met het doel om de veiligheid van het Waddengebied, de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap voor de lange termijn te kunnen waarborgen. Tevens zijn er activiteiten om Nederlandse beleidsdoelen te realiseren in samenhang met activiteiten in Duitsland en Denemarken.

De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 geldt als het maritieme ruimtelijke plan conform de eisen van de EU Richtlijn maritieme ruimtelijke planning. In juli 2016 zal de richtlijn zijn omgezet in Nederlands recht. Vanaf 2016 worden de acties uit de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 in uitvoering gebracht (Kamerstukken II, 2014–2015, 31 710, nr. 35 bijlage blg-427951).

Om de duurzame energiedoelstellingen voor 2023 te halen zal in 2016 met het Ministerie van EZ verder worden gewerkt aan de uitrol van windenergieparken op zee. In 2016 wordt de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee – aanvulling Hollandse Kust vastgesteld.

De Noordzee 2050 agenda is de inzet voor de gezamenlijke internationale strategie voor de Noordzee met de andere Noordzeelanden. In 2016 zal Nederland verdere stappen zetten om te komen tot een dergelijke internationale strategie. Tevens zal verder werk worden gemaakt van een prototype model om interacties van menselijke activiteiten op zee en de effecten daarvan op het mariene milieu inzichtelijk te maken voor leerdoeleinden en besluitvormingsprocessen (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 450, nr. 24).

Het Nederlands EU voorzitterschap zal worden aangegrepen om bij te dragen aan het geïntegreerd maritiem beleid.

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer schetst het kabinet een ontwikkelrichting voor een verbeterde waterkwaliteit die goed is voor de natuur, recreatie en toerisme, landbouw, schelpdierteelt en de kwaliteit van de leefomgeving. Vanuit het Deltaprogramma zoetwater worden maatregelen getroffen om de zoetwatervoorziening van gebieden rondom het Volkerak-Zoommeer te verbeteren. De regio heeft een actieve rol in het zorgen voor de bekostiging en uitvoering van de plannen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. In maart 2015 is met regionale partijen een bestuursovereenkomst afgesloten met afspraken over de governance en wijze waarop het komende jaar kan worden toegewerkt naar financiële dekking van de maatregelen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. In 2016 is een tweede bestuursovereenkomst voorzien voor de planuitwerkingsfase. Voorwaarde hiervoor is dat er op dat moment financiële dekking is voor de maatregelen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie, zodat de ontwerp-rijksstructuurvisie definitief kan worden vastgesteld.

11.03.05 Bijdragen aan internationale organisaties

De bijdragen aan internationale organisaties betreffen uitvoeringskosten in het kader van de Vlaams-Nederlandse samenwerking in de Vlaams-Nederlandse Schelde Commissie.

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

De stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW kennen een zesjaarlijkse cyclus. Doel is om in 2027 de doelstelling van schoon water en een gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in Water in Beeld de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De volgende versie van de stroomgebiedbeheerplannen (2016–2021) moet eind december 2015 klaar zijn. In 2016 start de uitvoering van de 2e tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem (artikel 7 Deltafonds).

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2016 wordt het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021, geïmplementeerd. Het programma bestaat uit maatregelen die genomen moeten worden om de goede milieutoestand te bereiken. Dit betreft grotendeels vigerend beleid op terreinen als KRW, Natura 2000, Gemeenschappelijk Visserijbeleid, scheepvaart (IMO) en bestaande EU-milieurichtlijnen. Aanvullende maatregelen liggen op het terrein van terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van gebieden. Daarnaast wil het kabinet meer invulling geven aan haar faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. In het Programma van Maatregelen wordt maximaal ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU-programmering) en op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden.

11.04.02 Subsidies

Ter uitvoering van het Bestuursakkoord Water zijn door de Stichting RIONED met subsidie van het Ministerie van IenM vijftien kenniscoaches waterketen aangesteld. Deze kenniscoaches zijn beschikbaar voor de samenwerkende partijen in de regio’s om proces en inhoud te ondersteunen.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Synergieprogramma KRW is gericht op synergie tussen ruimtelijke maatregelen ten behoeve van de doelstellingen van de KRW en andere rijksdoelen. Het programma omvat circa honderdtwintig projecten, waaronder ruim tachtig projecten in het landelijk gebied. Ingevolge het Bestuursakkoord natuur zijn deze laatste projecten gedecentraliseerd. De provincies zijn nu verantwoordelijk voor de verdere uitvoering van die projecten. Gemeenten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de circa veertig synergieprojecten in het stedelijk gebied. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor de financiering van de synergieprojecten in het stedelijk gebied tot en met 2016.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken, op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

Door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU) wordt UNESCO ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning van het grondwaterinstituut IGRAC en om capacity building door UNESCO-IHE. De activiteiten versterken de internationale profilering die Nederland ambieert als centrum voor watervraagstukken.

In VN-kader wordt ingezet op de totstandkoming van een breed en integraal water-SDG (sustainable development goal). Daarbinnen wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Hiervoor wordt met multilaterale internationale organisaties en platforms samengewerkt en worden activiteiten ondersteund. Zo worden bijdragen geleverd aan het Post-Hyogo Framework van UNISDR, HELP, Aqueduct, GWP, OESO en World Water Council.

Beleidsartikel 12: Waterkwaliteit

In het verlengde van de overheveling van KRW middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft IenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit wordt geschrapt en zal deel uitmaken van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 12 Waterkwaliteit opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 11 en 12 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2015 en daarvoor. Voor de jaren 2016 en verder wordt verwezen naar artikel 11 Integraal waterbeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 12 Waterkwaliteit (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

85.651

4.443

0

0

0

0

0

Uitgaven:

84.827

6.155

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

0%

12.01

Waterkwaliteit

84.827

6.155

0

0

0

0

0

12.01.01

Opdrachten

3.978

4.364

0

0

0

0

0

12.01.02

Subsidies

277

288

0

0

0

0

0

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

78.946

0

0

0

0

0

0

 

– Verbeterprogramma Waterkwaliteit rijkswateren

67.970

0

0

0

0

0

0

 

– Natuurcompensatie Perkpolder

7.372

0

0

0

0

0

0

 

– Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

3.153

0

0

0

0

0

0

 

– Verruiming vaargeul Westerschelde

451

0

0

0

0

0

0

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

497

0

0

0

0

0

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.626

1.006

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 13: Ruimtelijke Ontwikkeling

Algemene Doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; Kamerstukken II, 2011–2012, 32 660, nr. 50). In dit rijksbeleid is het Rijk verantwoordelijk voor dertien nationale belangen. Het Rijk is verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. In dit kader werkt het Rijk aan eenvoudigere regelgeving, evenals de medeoverheden. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang.

De Minister van IenM is vanuit deze rol verantwoordelijk dan wel coördinerend voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Samenwerken met bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren.

  • De stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie samen met de andere overheden (invoeringsbegeleiding, digitale ondersteuning en infodesk).

  • De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de Structuurvisie Ondergrond en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • Verdere ontwikkeling van kennis van de fysieke leefomgeving ten behoeve van beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • Via de gebiedsagenda’s in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid).

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities. In de meeste gevallen is er daarbij sprake van een gewenste ontwikkelingsrichting en niet altijd van een kwantitatieve doelstelling. In 2014 is de eerste herhalingsmeting verschenen. In 2015 is de evaluatie van de SVIR aan de Tweede Kamer aangeboden.

Nationaal belang SVIR1

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Meting 2014

     

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

Doelrealisatie: Volgens het PBL doen de stedelijke regio's het economisch over het algemeen beter dan de overige delen van het land. Het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner is het hoogst in de COROP-plusgebieden Amsterdam, Haarlemmermeer en omgeving, Overig Agglomeratie Amsterdam, Stadsgewest Utrecht, Rijnmond, en Stadsgewest ’s-Hertogenbosch. De regio's Amsterdam en Utrecht hebben naar verhouding veel arbeidsplaatsen.

     
 

Bereikbaarheid

Nabijheid wonen-werken

0,5% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2012

Doelrealisatie: Het deel van de Nederlandse banen dat binnen een acceptabele afstand bereikt kan worden is tussen 2000 en 2012 met 0,5% toegenomen. De regionale verschillen zijn groot.

 

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

     

Doelrealisatie: Volgens het PBL is de Quality of Living van Nederland bovengemiddeld goed in vergelijking met andere Europese regio's.

     

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor(duurzame) energievoorzieningende energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

2.800 km (2008), 2.890 km (2012)

De toename van het aantal woningen in zones langs hoogspanningsleidingen waar beperkingen gelden (indicatieve vrijwaringszones) is tussen 2000 en 2012 ongeveer 8.500 woningen.

 

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

Doelrealisatie: De opwekking en distributie van elektriciteit via een hoofdnetwerk van centrales en hoogspanningsleidingen is van nationaal belang. Volgens het PBL is in de periode 2008–2012 de lengte van het landelijk koppelnet, dat alle grote elektriciteitscentrales met elkaar verbindt, toegenomen tot 2.890 km.

 

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

4,2% (2011) 4,5% (2013)

Doelrealisatie: Volgens Europese afspraken moet het Nederlandse aandeel hernieuwbare energie in 2020 naar 14%. Volgens het PBL maakt in 2013 hernieuwbare energie 4,5% van het totale Nederlandse energieverbruik uit. Dat is evenveel als in 2012.

     

2237 MW (2010) 2433 MW op land (2012)

228 MW op zee (2012)

     

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleidingstroken

Doelrealisatie: Volgens het PBL steeg de capaciteit van de Nederlandse windmolens in 2013 met een kleine 300 megawatt tot ongeveer 2,7 duizend megawatt eind 2013. In 2013 kwam 45% van de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie.

     

Netlengte 18.406 km (2008),

Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 251(2000), 250 (2012)

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Doelrealisatie: In de Rijksstructuurvisie Buisleidingen zijn gereserveerde stroken vastgelegd om de aanleg van buisleidingen mogelijk te maken. In 2008 bedroeg volgens het PBL de lengte aan buisleidingen voor (gevaarlijke) stoffen, binnen deze gereserveerde leidingstroken in totaal 18.406 km. Het aantal woningen binnen buisleidingstroken ligt rond de 250 en is in de periode 2000 – 2012 vrijwel onveranderd.

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is.

     

Evaluatie gereed,

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/ onderwerpen/nl0041-Monitor-Infrastructuur- en-Ruimte.html?i=40

Aandeel Ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013)

Doelrealisatie: Volgens PBL is de Ladder voor duurzame verstedelijking nog niet ingeburgerd aangezien in bijna driekwart van de bestemmingsplannen die nieuwe verstedelijking mogelijk maken de Ladder voor duurzame verstedelijking nog niet wordt toegepast.

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, Planbureau voor de Leefomgeving (www.clo.nl)

X Noot
1

Met betrekking tot artikel 13 zijn vijf belangen uit de Monitor SVIR van belang (Kamerstukken II, 2011–2012, 32 660, nr. A/50). Aangegeven wordt in hoeverre er sprake is van een gewenste ontwikkelingsrichting dan wel in hoeverre de doelstelling wordt gerealiseerd.

Kengetallen Geo-informatie
   

Basiswaarde

Oude streefwaarde

Realisatie 2013

 

Nieuwe streefwaarde

Te behalen in jaar

 

1

Gebruik Nationaal GeoRegister

Index: 100

>100

85

 

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2015

 

2

Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

Beter dan 2013

99%

 

Volledig Inspire Compliant

2016

 

3

Basisregistraties

             

BAG gebruik

100%

>50%

85%

 

>90%

2014

 

BRT gebruik

100%

>75%

100%

 

100%

n.v.t.

 

BGT opbouw registratie

100%

>75%

>65%

 

100%

2016

1

BRK gebruik

100%

100%

100%

 

100%

n.v.t.

 

BRO opbouw registratie

100%

>50%

<35%

2

>90%

2016

 

Afkortingen

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen

BRT: Basisregistratie Topografie

BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie

BRK: Basisregistratie Kadaster

Toelichting

  • 1) Volgens de vigerende planning zal de opbouw van de Basisregistratie Grootschalige Topografie op 1 januari 2016 gereed zijn. De vooruitzichten zijn goed.

  • 2) De opzet van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) strekt zich uit over meerdere domeinen en is daarmee complex. De betrokken partners zitten wel op de goede koers om de registratie te realiseren.

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854).

Beleidswijzigingen

In 2015 heeft de behandeling van het wetsvoorstel Omgevingswet plaatsgevonden door de Tweede Kamer en is de uitvoeringsregelgeving van het wetsvoorstel Omgevingswet voor een groot deel uitgewerkt. Daarnaast zijn vijf aanvullingswetten in de maak voor natuur, grond, bodem en geluid. Voor wat betreft de Wet Natuurbescherming wordt samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken. Ook is voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet samen met de koepels van de medeoverheden de scope van de implementatie van de Omgevingswet nader uitgewerkt en vormgegeven. In 2016 wordt tevens gestart met de uitwerking van de ministeriële regelingen.

Conform het wetsvoorstel Omgevingswet dient er richting 2018 een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving te worden ontwikkeld. De nationale omgevingsvisie wordt de basis voor een samenhangende beleidsmatige inzet. Het Rijk wil de komende jaren benutten voor dialoog met anderen over het wat, waarom en hoe van de nationale omgevingsvisie. Dit leidt in 2016 tot de Nationale Omgevingsagenda, waarin duidelijkheid wordt gegeven over de prioritaire onderwerpen, procesaanpak en planning van de Nationale Omgevingsvisie. Daarbij wordt aangesloten bij initiatieven zoals het Jaar van het Ruimte, waarbij het maatschappelijke, politieke en professionele debat wordt gevoerd over de toekomst van Nederland.

Op 17 maart 2015 hebben het Ministerie van IenM, IPO, UvW en de VNG het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 ondertekend als vervolg op het Convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties uit juli 2009 voor de periode 2010–2015. In het in 2015 ondertekende convenant zijn de ambities opgenomen voor de aanpak van de bodemsanering, is de verdeling van de middelen voor de uitvoering van het convenant opgenomen en worden nadere voorbereidingen getroffen om duurzaam en efficiënt beheer van bodem en ondergrond te maken. Daarnaast is het Convenant bodem en bedrijfsleven 2015 door het Ministerie van IenM, VNO NCW en MKB Nederland ondertekend. De convenanten treden in 2016 in werking. Verder wordt gewerkt aan de aanvullingswet Bodem. Dit is een aanvullingswet op de Omgevingswet. Voornemen is dat deze wet gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt.

In de beleidsdoorlichting ruimtelijke ordening (artikel 13) die in 2015 is verschenen, is de aanbeveling opgenomen om vorm te geven aan een overkoepelend evaluatie- en monitoringprogramma voor het ruimtelijk beleid samen met medeoverheden en private partijen. In dit evaluatieprogramma zou expliciet aandacht gegeven moeten worden aan de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de ingezette financiële instrumenten. Het rapport stelt dat het mogelijk is om ook voor beleid dat in interactie met andere overheden tot stand komt goede, operationele beleidsdoelstellingen te formuleren. Momenteel wordt bezien hoe de structuur van artikel 13 en de verantwoording hierover kan aangepast worden aan deze aanbevelingen. Dit zal zijn beslag krijgen in de begroting 2017.

art. 13 Ruimtelijke ontwikkeling (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

101.410

105.355

111.358

93.751

106.796

96.882

100.503

Uitgaven:

98.154

126.514

112.233

105.804

108.302

100.746

100.503

Waarvan juridisch verplicht

   

83%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

7.728

11.801

6.849

7.788

7.810

9.467

9.520

13.01.01

Opdrachten

4.469

4.699

4.672

6.577

6.599

8.256

8.309

 

– Wabo

25

336

1.463

1.696

1.636

1.752

1.752

 

– Architectonisch beleid

1.800

1.562

1.728

2.920

2.919

2.918

2.919

 

– Overige opdrachten

2.644

2.801

1.481

1.961

2.044

3.586

3.638

13.01.02

Subsidies

1.770

3.752

966

0

0

0

0

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.451

2.088

1.211

1.211

1.211

1.211

1.211

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.451

2.088

1.211

1.211

1.211

1.211

1.211

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

38

1.262

0

0

0

0

0

13.

Geo-informatie

42.613

48.577

38.806

34.388

28.303

33.997

33.673

13.02.01

Opdrachten

2.675

3.550

4.788

3.870

2.991

2.991

2.991

13.02.02

Subsidies

11.495

12.532

1.999

380

380

380

380

 

– Basisregistraties

11.495

12.532

1.999

380

380

380

380

13.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

28.443

32.495

32.019

30.138

24.932

30.626

30.302

 

– Kadaster

28.443

32.495

32.019

30.138

24.932

30.626

30.302

13.02

Gebiedsontwikkeling

13.603

3.337

8.069

11.425

10.709

4.411

4.413

13.03.01

Opdrachten

1.733

883

1.111

1.203

1.269

1.771

1.773

13.03.02

Subsidies

194

150

90

90

90

90

90

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

11.676

2.304

6.868

10.132

9.350

2.550

2.550

 

– Projecten BIRK

11.676

2.304

4.318

1.382

6.800

0

0

 

– Projecten Nota Ruimte

0

0

0

6.200

0

0

0

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

0

0

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

13.04

Ruimtegebruik bodem

28.438

47.934

43.748

52.178

61.455

52.846

52.872

13.04.01

Opdrachten

1.846

3.414

3.350

3.452

3.254

3.160

3.161

13.04.02

Subsidies

19.447

16.387

12.000

12.000

10.000

10.000

10.000

 

– Bedrijvenregeling

6.924

9.479

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

– Bodemsanering NS

4.538

4.538

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

7.985

2.370

2.000

2.000

0

0

0

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

6.862

8.647

7.523

7.927

7.985

7.869

7.869

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

283

17.166

20.875

28.799

40.216

31.817

31.842

 

– Meerjarenprogramma Bodem

0

15.972

20.225

28.799

40.216

31.817

31.842

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

283

1.194

650

0

0

0

0

13.04.07

Bekostiging

0

2.320

0

0

0

0

0

 

Uitvoering klimaatadaptatie

0

2.320

0

0

0

0

0

13.05

Eenvoudig Beter

5.772

14.865

14.761

25

25

25

25

13.05.01

Opdrachten

3.700

5.741

8.281

0

0

0

0

 

– Eenvoudig Beter

3.511

3.001

1.797

0

0

0

0

 

– OLO 3

189

2.740

6.484

0

0

0

0

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

2.072

9.124

6.480

25

25

25

25

 

– waarvan bijdrage aan RWS

2.072

9.124

6.480

25

25

25

25

 

Ontvangsten

2.901

3.824

934

934

934

934

934

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is meer dan de helft juridisch verplicht door lopende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het betreft onder meer opdrachten in de sfeer van de uitvoering Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het architectuurbeleid en het programma Ruimtelijke Adaptatie. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied van het programma Ruimtelijke Adaptatie zijn tevens juridisch verplicht. De subsidies en de bijdrage aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter.

13.02 GEO-informatie

Het opdrachtenbudget en het subsidiebudget zijn volledig juridisch verplicht. Het opdrachtenbudget betreft voornamelijk de opdrachtverlening aan de Stichting Geonovum in het kader van de uitvoering van wettelijke taken zoals beheer van de standaarden ruimtelijke informatie en de invoering van Inspire. Het budget voor bijdragen aan ZBO’s is jaarlijks volledig juridisch verplicht als opdracht aan het Kadaster ten behoeve van de beheer- en exploitatiekosten voor basisregistraties.

13.03 Gebiedsontwikkeling

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het gebiedsbeleid. De uitgaven voor de subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, voor maatregelen op het terrein van het gebiedenbeleid en de bijdrage aan andere overheden voor de uitvoering van Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Nota Ruimte en Nieuwe Sleutel Projecten (NSP) projecten zijn juridisch verplicht.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor onder meer de Uitvoeringsorganisatie Bodem en Ondergrond (Bodem+) zijn juridisch verplicht.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op mogelijke knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming en de bijdragen aan drink- en afvalvoorzieningen in Caribisch Nederland.

13.05 Eenvoudig Beter

Van het opdrachtenbudget is een groot deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de stelselherziening omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Tevens is de agentschapsbijdrage aan RWS en het RIVM juridisch verplicht.

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Toelichting op de financiële instrumenten

13.01.01 Opdrachten

Uitvoering Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De financiële middelen worden in 2016 met name ingezet om zicht te houden op de realisatie van de SVIR en om zorg te dragen voor kennisontwikkeling ten behoeve van de uitvoering van de SVIR. Hiertoe behoren bijdragen aan de uitvoering van de Monitor Infrastructuur en Ruimte door het PBL, evaluaties over de realisatie van doelen, het uitvoeren van beleidsverkenningen en het op peil houden van de vakkennis. De ondersteuning van provincies en gemeenten in krimp- en anticipeerregio’s, door middel van kennis en experimenten, wordt in 2016 voortgezet.

Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Architectuur en ruimtelijk ontwerp zijn van belang voor «een goed systeem van ruimtelijke ordening», één van de dertien nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (AAARO) 2013–2016 biedt het kader voor de beleidsinzet. De financiële middelen voor architectuur en ruimtelijk ontwerp worden gebruikt om de positie van het ontwerp en de ontwerpers te versterken. Dit is enerzijds gericht op de eigen rol en verantwoordelijkheid van het Rijk en anderzijds op het versterken van lokale en regionale ontwerpkwaliteit en -kracht. Met de programma’s Atelier Making Projects en Atelier Stad zet het Rijk ook in 2016 ontwerpend onderzoek – interdepartementaal en in samenwerking met andere overheden – in voor onder andere de thema’s energietransitie en smart cities.

Overige opdrachten (Ruimtelijke Adaptatie)

De samenwerking zoals vormgegeven door het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering (DPNH) wordt voortgezet in het nieuwe programma Ruimtelijke Adaptatie als vervolg op de totstandkoming van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie.

Het programma Ruimtelijke Adaptatie omvat drie onderdelen; allereerst de uitvoering van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van september 2014 (en het daarover gesloten bestuursakkoord), waarin een interbestuurlijke aanpak is afgesproken teneinde Nederland op de lange termijn waterrobuust en klimaatbestendig in te richten, zodat we beter bestand zijn tegen de vier dreigingen van overstromingen, neerslag, droogte en hitte.

Daarnaast zal in 2016 de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) verschijnen als onderdeel van de Klimaatagenda. Deze is voor het «waterdeel» gebaseerd op de Deltabeslissing maar ook elementen die niet direct met water te maken hebben worden in deze NAS opgenomen.

Tot slot wordt samen internationale partners (EC en UNEP) een internationale klimaatconferentie (Provia) in mei 2016 georganiseerd.

13.01.02 Subsidies

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO)

Het budget 2016 voor de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) wordt grotendeels als een meerjarig toegezegde subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, etc.) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk.

13.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan het agentschap RWS ten behoeve van het beheer van het OLO2 systeem, dat nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van het huidige omgevingsloket.

13.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert vanaf begin 2009 verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Uiterlijk 2019 zal het laatste project zijn gerealiseerd. Naar aanleiding van de motie Wiegman is geld van het innovatieprogramma ook beschikbaar gesteld voor drie «Voorbeeldgebieden Investeren in het landschap». De twee voorbeeldprojecten «Groene Woud»en «Amstelland» worden uiterlijk eind 2016 afgerond.

13.02 Geo informatie
13.02.01 Opdrachten

De structurele middelen zijn bestemd voor de exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen op basis van Europese verplichtingen, waaronder de implementatie van de Europese richtlijn Inspire, gericht op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens. Verder zijn hier opgenomen de opdrachten aan onder meer Geonovum, SAGEO en Geofort in het licht van de beleidsuitvoering portefeuille geo-informatie. Bovendien worden in het kader van het programma Basisregistratie grootschalige topografie in 2016 diverse opdrachten verstrekt.

13.02.02 Subsidies

De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) wordt gevuld en daarmee opgebouwd door bronhouders. Tot in 2016 vindt de transitie plaats van de oude Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) naar de nieuwe BGT. Gezamenlijke werkzaamheden worden gecoördineerd en uitgevoerd door de stichtingen Landelijk Samenwerkingsverband GBKN (LSV-GBKN) en het Samenwerkingsverband van Bronhouders BGT (SVB-BGT). Vergoedingen voor de transitiekosten worden in de vorm van subsidies t/m 2016 verstrekt. Voor het uitvoeren van het basisprogramma op het terrein van geo-informatie en de geo-basisregistraties wordt een subsidie verleend aan de Stichting Geonovum.

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT

Betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor ontwikkeling, beheer en realisatie van de landelijke voorziening van basisregistraties. Dit omvat tevens de brede verspreiding van aansluitingen op en gebruik van het gezamenlijke loket PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart), het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn Inspire en de beheerkosten van Ruimtelijkeplannen.nl.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten

De opdrachten in relatie tot de gebiedsontwikkeling hebben veelal een relatie met het MIRT. Dat is het meerjarenprogramma van de opgaven in het ruimtelijk fysieke domein. De nadruk ligt op opgaven waaraan het Rijk financieel bijdraagt. Ook opgaven waaraan het Rijk niet financieel bijdraagt, maar waar een rijksbelang heeft, worden in het MIRT besproken. Het streven is brede afweging tussen projecten van verschillende overheden, binnen diverse beleidssectoren, om in samenspraak te komen tot doelmatige inzet van publiek geld. In het MIRT wordt ook de samenhang met regionale opgaven en initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties besproken. Het Rijk doet dit -voor onderwerpen in het ruimtelijk fysieke domein- samen met de regio’s en andere partijen in de bestuurlijke overleggen MIRT, aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda’s.

13.03.02 Subsidies

Er wordt jaarlijks een subsidie verstrekt aan het Regiecollege Waddengebied (RCW).

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn volop in uitvoering. Met een vijftal BIRK projecten bestaat er de komende jaren nog een subsidierelatie. Vele projecten zijn de afgelopen jaren reeds gerealiseerd of gedecentraliseerd.

Nieuwe Sleutel Projecten (NSP)

Dit budget wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van 6 centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van Hogesnelheidslijn (HSL) stations en omgeving. In 2016 heeft dit alleen nog maar betrekking op de NSP projecten Breda en Arnhem.

Projecten Nota ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Inmiddels bestaat alleen nog met Rotterdam Stadshavens een subsidierelatie. De slotbetaling aan dit project is voorzien in 2017.

Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn bijdragen vanuit het Rijk, als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam, om de doelstellingen zoals verwoord in de Uitwerkingsovereenkomst van 2 september 2005 van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied te kunnen bereiken.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

Het beleidsonderbouwend onderzoek betreft onder meer onderzoek ten behoeve van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Ondergrond, de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming en het uitvoeringsprogramma van de Drinkwaternota 2014.

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Programma Commissie m.e.r.

Sinds 1 juli 2014 brengt de Commissie voor de milieueffectrapportage de kosten van haar advies in rekening bij het bevoegd gezag dat het advies heeft gevraagd. Om de continuïteit van de bij wet ingestelde, Commissie m.e.r. niet in gevaar te brengen, is bij de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel tarieven Commissie m.e.r. in 2013 toegezegd dat het Rijk in de jaren 2014–2017 een overbruggingsbudget van jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar zal stellen.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond: dit betreft een opdracht aan het agentschap RWS in het kader van Bodem+. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken, ondersteuning van de beleidsontwikkeling, het organiseren van een kennis en expertise-netwerk en daarmee de overheden faciliteren ten aanzien van de thema’s Bodem en Ondergrond door RWS.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Bij Ontwerpbegroting 2015 is besloten om in het jaar 2016 € 60 miljoen vrij te maken op de budgetten voor bodemsanering ten behoeve van het rijksbrede beeld. Om te voorkomen dat de uitvoering hierdoor vertraagt (met name in 2016) wordt de kasreeks door middel van een kasschuif aangepast aan de uitvoeringspraktijk. Deze kasschuif verloopt via het Deltafonds.

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het convenant «Bodem en Ondergrond 2016–2020». Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Met de ondertekening van het convenant wordt de definitieve stap gezet naar de decentralisatie.Tevens vindt de betaling van oude afspraken plaats. Dit betreft de rijksbijdrage aan het Rotterdamse gasfabriekprogramma in de periode 2016 tot en met 2020 en de afkoop van de rijksbijdragen aan het Amsterdamse gasfabriekenprogramma, de Volgermeerpolder, aanpak asbest in het Gijmink in Overijssel en bodemsanering van het Thermphos-terrein in Zeeland. Zoals aangekondigd in de meicirculaires, worden de middelen bij deze budgettaire nota overgeboekt.

Het resterende budget voor 2016 is voorzien voor eventuele knelpunten (art 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele Bevoegde overheden Wbb in verband met de uitvoering van het convenant (art 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020). In het kader van het Convenant bodem en ondergrond 2016–2020 is aan de Unie van Waterschap een eenmalige bijdrage van € 2 miljoen beschikbaar gesteld. De slotbetaling hiervan (€ 0,1 miljoen) vindt plaats in 2016.

Programma Gebiedsgericht instrumentarium

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen binnen het Nederlandse staatsbestel. Met het uitvoeren van drinkwater- en afvalwaterprogramma’s zijn ook de bijdragen aan investeringen in drinkwatervoorzieningen en de exploitatiekosten drink- en afvalwater in Caribisch Nederland gestegen. In de IenM begroting wordt in een tijdelijke bijdrage voorzien aan de drinkwater- en afvalwaterprogramma’s.

13.04.07 Bekostiging

Uitvoering Klimaatadaptatie. Het onderzoeksbudget is aan de Stichting Kennis voor Klimaat toegekend ten behoeve van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat. De eindbetaling is voorzien in 2016.

13.04.08 Garanties

Krediet Bodemsanering

Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering te krijgen. IenM sluit aan bij de garantieregeling van EZ. Het verplichtingenplafond van de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering) wordt op grond van de kabinetsreactie (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 750, nr. 13) naar aanleiding van het rapport van de Commissie Risicoregelingen verminderd naar € 15 miljoen. De beslissing over het voortzetten van de garantieregeling wordt mede bepaald door de resultaten van de evaluatie van deze garantieregeling in 2015.

13.05 Eenvoudig Beter
13.05.01 Opdrachten

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter (EB) wordt gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). De financiële middelen worden ingezet voor het nader uitwerken van de Omgevingswet, voor de consultatie en toetsing van de AMvB’s onder de Omgevingswet, het opstellen van de ministeriële regelingen en het opstellen van de invoeringswet, voor het omgevingsmanagement en voor het versterken van kennis en kunde via het programma NU al EB.

Implementatie van de Omgevingswet

Voor de inwerkingtreding van de wet is een tijdige en zorgvuldige implementatie essentieel. Het gaat hier om de invoeringsbegeleiding, het oprichten van een infopunt en de digitale ondersteuning van het wetsvoorstel. Daarnaast wordt onder andere een plan van aanpak uitgewerkt voor het opzetten en met name aanpassen van het digitale stelsel (zoals bijvoorbeeld OLO en ruimtelijke plannen.nl), zodat digitale gegevens beter uitwisselbaar worden. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de ambitie in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te ontsluiten en meer vergunningaanvragen digitaal te maken.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de inzet van RWS voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet en de Crisis- en herstelwet. Daarnaast levert RWS capaciteit voor de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet. Daarnaast wordt een agentschapsbijdrage verleend aan het RIVM voor onderzoek ten behoeve van de Omgevingswet.

Beleidsartikel 14: Wegen en verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Daartoe zet IenM in op een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en voldoet aan milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een afname van het aantal verkeersslachtoffers op alle Nederlandse wegen. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 OV-keten en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatiespecifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • Voor het vervolg van Beter Benutten is landelijk de volgende programma-ambitie afgesproken: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. Voor het lopende programma Beter Benutten worden in de gebiedsprogramma’s de laatste maatregelen afgerond en loopt het programma Decentraal Spoor tot en met 2020.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Onder de vlag van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vorm gegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De plannen richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersgewonden. Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Streefwaarde

Percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald.

86%

84%

83%

88%

92%

94%

93%

100%

Bron: RWS/WVL, 2015

Toelichting:

De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten op het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5 keer de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn er 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Beter Benutten

Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma’s Beter Benutten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in het kader van het MIRT-proces (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 750 A, nr. 67). Voor een nadere toelichting op de werkwijze en programma ambitie van Beter Benutten wordt verwezen naar artikel 18.02 Beter Benutten van het Infrastructuurfonds.

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en route-informatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

Waarde 2012

Waarde 2013

Waarde 2014

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

     

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld1

8.700

8.650

8.600

0 knelpunten in 2020

Bron: RWS/WVL, 2015

X Noot
1

De hier genoemde reeks verschilt van de in eerdere begrotingen gepubliceerde reeksen omdat het aantal nog te saneren knelpunten nu kan worden gebaseerd op het geluidregister en de daarop gebaseerde nieuwe, meer gedetailleerde saneringsonderzoeken.

Toelichting:

Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) gehaald moet zijn. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor fijn stof (PM10) wordt op alle locaties langs rijkswegen aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011. In het najaar van 2016 zal op basis van de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld kunnen worden of op 1 januari 2015 ook is voldaan aan de grenswaarde voor NO2.

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2020 hangt samen met de hiervoor in de Wet milieubeheer opgenomen einddatum voor het opstellen van een saneringplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen, dit zal dus ook deels na 2020 zijn.

De sanering wordt uitgevoerd in het kader van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG). In dit programma worden onder bepaalde voorwaarden ook objecten met een geluidbelasting onder de 65dB gesaneerd. Vooruitlopend op het opstellen van regionale saneringsplannen heeft de geluidsanering in 2014 plaatsgevonden binnen een aantal tracébesluiten.

De gehanteerde geluidbelastingen zijn gebaseerd op een «worst-case» situatie (volledig benut geluidproductieplafond). Bij een deel van de gesaneerde objecten blijft de geluidbelasting op de gevel na het treffen van de doelmatige saneringsmaatregelen boven de 65dB en wordt toepassing van gevelmaatregelen onderzocht om te voldoen aan de geluidsnorm binnen de woning.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

2002

2010

2011

2012

2013

2014

2020

aantal verkeersdoden

1.066

640

661

650

570

570

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

20.100

19.200

18.800

nog niet bekend

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2013, 2014 en 2015

Marktcondities

Verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (Kamerstukken II, 2014–2015, 29 398, nr. 463).

Duurzaamheid

Voor de doelstellingen voor de sector verkeer en vervoer wordt verwezen naar artikel 19 Klimaat.

Beleidswijzigingen

Tot en met 2028 is sprake van een omvangrijk realisatieprogramma en het in stand houden van de bestaande infrastructuur. Het programma Beter Benutten Vervolg is gericht op verbeteringen van de bereikbaarheid op korte termijn. In 2015 is gestart met het uitvoeren van de door de trioleden (Minister van IenM, regio en bedrijfsleven) getekende Plannen van Aanpak in de Beter Benutten regio’s. Het gaat om multimodale maatregelen met onder andere de volgende thema’s: Intelligente Transport Systemen, Fiets, Park and Ride en Logistiek. In totaal zijn circa 190 plannen in voorbereiding voor het vervolg van Beter Benutten, waarvan 64 plannen inmiddels in de uitvoeringsfase zijn. Deze plannen worden beoordeeld op hun effectiviteit en bijdrage aan de doelstelling (10% verkorten reistijd).

Voor het Vervolg van Beter Benutten geldt de landelijke programma-ambitie: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode van 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. Het vervolg gaat verder met dezelfde twaalf regio’s. De middelen voor het vervolg van Beter Benutten staan geraamd op artikel 18 van het Infrastructuurfonds. De Algemene Rekenkamer is in het kader van onderzoek naar de verantwoording van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu tot enkele aanbevelingen voor Beter Benutten gekomen (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 200, nr. 2). De Minister van IenM heeft in reactie op deze aanbevelingen de Algemene Rekenkamer geïnformeerd welke aanbevelingen worden overgenomen. Deze reactie is op hoofdlijnen opgenomen in blg-513376 en in zijn geheel terug te vinden op de site van de Algemene Rekenkamer.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en verkeersveiligheid (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

26.712

36.442

28.702

30.324

27.849

27.670

27.872

Uitgaven:

33.866

37.038

33.414

31.621

29.149

28.170

28.372

Waarvan juridisch verplicht

70%

14.01

Netwerk

15.581

18.316

16.033

14.616

11.617

10.537

10.641

14.01.01

Opdrachten

11.494

13.783

12.742

11.410

8.471

7.391

7.495

 

– Beter benutten

8.101

6.689

6.560

5.120

1.582

200

200

 

– BOA IWB en Logistiek

1.325

1.494

2.312

2.435

2.757

3.002

3.046

 

– Wegvervoerbeleid

1.435

4.265

2.236

2.213

2.365

2.396

2.429

 

– Overige opdrachten

633

1.335

1.634

1.642

1.767

1.793

1.820

14.01.02

Subsidies

1.412

1.231

722

637

577

577

577

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

2.675

3.302

2.569

2.569

2.569

2.569

2.569

 

– waarvan bijdrage aan RWS

2.675

3.302

2.569

2.569

2.569

2.569

2.569

14.02

Veiligheid

18.285

18.722

17.381

17.005

17.532

17.633

17.731

14.02.01

Opdrachten

5.541

6.993

5.629

6.981

7.508

7.609

7.707

 

– Opdrachten Verkeersveiligheid

5.541

6.993

5.629

6.981

7.508

7.609

7.707

14.02.02

Subsidies

12.107

11.340

8.736

9.635

9.635

9.635

9.635

 

– VVN

3.620

3.660

3.660

3.659

3.659

3.659

3.659

 

– SWOV

3.729

3.958

3.958

3.958

3.958

3.958

3.958

 

– Overige subsidies

4.758

3.722

1.118

2.018

2.018

2.018

2.018

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

637

389

389

389

389

389

389

 

– waarvan bijdrage aan RWS

637

389

389

389

389

389

389

14.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

0

0

2.627

0

0

0

0

 

– CBR

0

0

2.627

0

0

0

0

 

Ontvangsten

4.253

6.862

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

Extracomptabele verwijzingen

In artikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Extracomptabele verwijziging naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

1.955.595

2.161.909

2.389.678

2.787.233

3.017.168

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

55.525

136.870

47.831

49.740

130.685

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.011.120

2.298.779

2.437.509

2.836.973

3.147.853

waarvan

         

12.01

Verkeersmanagement

9.691

3.631

3.631

3.632

3.631

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

678.756

562.327

506.795

520.306

499.928

12.03

Aanleg

443.676

617.169

944.946

1 532.198

1.845.424

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

371.932

644.111

519.647

325.945

343.201

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

567.712

531.703

511.708

507.124

505.976

12.07

Investeringsruimte

– 60.647

– 60.162

– 49.218

– 52.232

– 50.307

Artikel 14

Belastinguitgaven (x € mln)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Belastingen op personenauto's en motorrijwielen

           

Teruggaaf taxi's

42

44

46

49

52

55

58

Motorrijtuigbelasting

             

Nihiltarief OV-bussen op LPG

0

0

0

0

0

0

0

Vrijstelling taxi's

50

51

52

53

55

57

58

Vrijstelling wegenbouw

0

0

0

0

0

0

0

Nihiltarief MRB zeer zuinige auto's

28

41

45

56

68

83

105

Belasting op zware motorrijtuigen (eurovignet)

           

Teruggaaf internationaal gecombineerd vervoer

0

0

0

0

0

0

0

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier voornamelijk de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2015 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een vastomlijnde tijdshorizon, de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), Team Alert en incidentele doelgroepen. De budgetten voor de subsidies aan VVN en SWOV worden per jaar gepubliceerd. Voor Team Alert worden de subsidies vastgesteld en openbaar gemaakt via een meerjarige raamregeling. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

De opdrachten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van wegmaatregelen, tol en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU), Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto en Intelligente Transport Systemen (ITS), het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid).

De opdrachten voor Beter Benutten betreffen kosten op het gebied van diverse onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen.

In het kader van het Energieakkoord heeft het Ministerie van IenM een regierol vervuld bij het komen tot een gezamenlijke duurzame brandstofvisie. Ook is IenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals het programma Lean and Green Personal Mobility waarbij werkgevers een plan maken om CO2 te reduceren (voor het zakelijk en woon-werkverkeer) en een campagne gericht op keuze voor de beste band en rijden op de juiste bandenspanning.

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid onder andere aan de Fietsersbond en een incidentele subsidie verstrekt aan Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV) te Breda.

In het kader van het Energieakkoord heeft het Ministerie van IenM een regierol vervuld bij het komen tot een gezamenlijke duurzame brandstofvisie. Ook is IenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals het programma Lean and Green Personal Mobility waarbij werkgevers een plan maken om CO2 te reduceren (voor het zakelijk en woon-werkverkeer) en een campagne gericht op keuze voor de beste band en rijden op de juiste bandenspanning.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid en naar specifieke doelgroepen zoals ouderen. Opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek cat. III medicijnen. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over het alcoholslotprogramma. De Afdeling heeft artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (RMRG 2011), het artikel waarin wordt geregeld in welke gevallen het alcoholslotprogramma wordt opgelegd, onverbindend verklaard. Dit betekent dat het artikel zoals het luidde niet meer mag worden toegepast en het CBR het alcoholslotprogramma niet meer kan opleggen. Vooruitlopend op een nieuwe regeling voor het alcoholslotprogramma is de RMRG 2011 aangepast, waardoor in plaats van het alcoholslotprogramma een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) wordt opgelegd of – in geval van recidivisten – een geschiktheidonderzoek.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Aan de ANWB is een subsidie van € 0,06 miljoen verstrekt voor het Nationaal Verkeersveiligheidscongres.

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT, in 2016 een volledige vergoeding voor de onderzoeken die zij uitvoeren naar de rijvaardigheid alsmede de geestelijke en lichamelijke geschiktheid. Herziening van het RMRG is voorzien per 1 januari 2017.

Beleidsartikel 15: OV-keten

Algemene Doelstelling

Reizigers veilig, betrouwbaar en met een voorspelbare reistijd vervoeren door de OV-keten, waarbij verschillende modaliteiten optimaal op elkaar aangesloten zijn. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt verantwoord op artikel 16 Spoor.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). De uitvoering vindt grotendeels plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-keten. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het stellen van regels en kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram, metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water.

  • Het faciliteren (waar nodig) van de medeoverheden om hen in staat te stellen hun regionale OV-systeem beter te laten aansluiten op het landelijke spoorsysteem met het oog op het optimaliseren van de deur-tot-deur-reis. Hiertoe wordt samenwerking tussen alle betrokken partijen zoveel mogelijk gestimuleerd.

  • Het monitoren van sociale veiligheid door het ministerie. De uitvoering vindt plaats door medeoverheden en OV-bedrijven.

  • Het ontwikkelen van beleid voor toegankelijkheid in de OV-keten. Dit gebeurt door initiatieven bij elkaar te brengen, maar ook door maatregelen te testen waarbij organisaties zijn betrokken van reizigers met functiebeperkingen. Bij deze acties wordt samengewerkt met de vervoersbranche en de medeoverheden.

  • Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op de begroting Hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd.

  • Het implementeren van de concessiesystematiek voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel), waarbij extra aandacht wordt besteed aan de rol van de gebruikers van het vervoer en de belanghebbenden bij de eilanden.

  • Het opstellen en handhaven van wet- en regelgeving voor het taxivervoer over de vakbekwaamheid, maximumtarieven en de toegang tot de markt ter verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer.

  • Het inpassen in nationale wetgeving van Europese en internationale wetgeving omtrent busvervoer.

  • Samen met medeoverheden deelnemen in de Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV) organisatie met als doel (actuele) brongegevens voor reisinformatie beschikbaar te stellen voor afnemers.

  • Het aanpassen van de governance structuur rond de OV-chipkaart teneinde o.a. het belang van de concessiegrensoverschrijdende reiziger beter te dienen en toezicht op de OV-betaalmarkt te introduceren. Daarom wordt samen met medeoverheden, vervoerders en consumentenorganisaties via de werkagenda van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) gewerkt aan het verder verbeteren van het OV-chipkaartsysteem.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer is met ingang van de begroting van 2015 niet meer opgenomen omdat de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt door IenM nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-chipkaartdata. Hierover wordt overleg met de OV-sector gevoerd, waarover de Tweede Kamer via de halfjaarlijkse voortgangsrapportage van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) wordt geïnformeerd. In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur tot deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV&Spoortafels en vindt eventueel sturing via respectievelijk de concessies plaats. Over de uitvoering van deze actie wordt de Tweede Kamer geïnformeerd via de voortgangsrapportages over de uitvoeringsagenda van de LTSA.

Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer

2010

2011

2012

2013

2014

Algemeen oordeel

7,2

7,2

7,4

7,4

7,5

Informatie en veiligheid

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

Rijcomfort

7,2

7,3

7,4

7,5

7,5

Tijd en doorstroming

6,5

6,6

6,8

6,8

6,9

Prijs

6,3

5,9

6,2

6,3

6,4

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2014

Toelichting

De OV-Klantenbarometer heeft betrekking op al het openbaar vervoer dat wordt aangestuurd door de twaalf provincies en de twee metropoolregio’s.14

Beleidskader Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer (SVOV): Waardering veiligheidsgevoel/incidenten

Kengetal: Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

                   

– Reizigers (1)

7,6

7,8

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

8

– Personeel (2)

6,5

6,3

nb

6,3

nb

6,5

nb

6,9

nb

7

Veiligheidsincidenten in en rond het OV in %

                   

– Reizigers (3)

25

25

23

23

24

23

nb

15

15

16

– Personeel (4)

56

65

nb

69

nb

64

nb

60

nb

60

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2014 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2014 Toelichting: rapportages staan op www.crow.nl

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Ad 3) Het percentage in 2012 en verder is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer.15

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidswijzigingen

In 2014 heeft een beleidsdoorlichting plaatsgevonden van artikel 15, deze is in 2015 in de Tweede Kamer behandeld. Aan de belangrijkste aanbeveling van de beleidsdoorlichting om de aansluiting tussen activiteiten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu op artikel 15 en de totale OV-keten te verbeteren, is met de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) inhoud gegeven. Vanuit de LTSA zijn onder andere de OV&Spoortafels opgericht en wordt het eerder genoemde dashboard opgezet. Daarnaast worden naar aanleiding van de evaluatie van de Taxiwet de regels voor taxivervoer gemoderniseerd om ruimte te creëren voor innovaties en nieuwe initiatieven in het belang van de reiziger. Tegelijkertijd wordt de regeldruk voor de sector verlaagd.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 15 OV-keten (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

15.322

4.814

5.171

4.531

5.604

6.135

6.506

Uitgaven:

15.528

5.720

6.135

5.398

6.071

6.183

6.506

Waarvan juridisch verplicht

   

64%

       

15.01

OV-keten

15.528

5.720

6.135

5.398

6.071

6.183

6.506

15.01.01

Opdrachten

13.778

3.835

4.652

3.915

4.588

4.700

5.023

15.01.02

Subsidies

736

1.093

485

485

485

485

485

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.014

792

998

998

998

998

998

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.014

792

998

998

998

998

998

 

Ontvangsten

123

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

In artikel 14 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Extracomptabele verwijziging naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

278.714

366.011

327.649

166.891

185.417

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

278.714

366.011

327.649

166.891

185.417

waarvan

           

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

133.159

197.040

169.301

95.156

125.408

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

9.111

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

145.555

168.971

158.348

71.735

50.898

Artikel 15

Belastinguitgaven (x € mln)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Omzetbelasting verlaagd tarief

             

Vervoer van personen (w.o. openbaar vervoer)

1.093

1.147

1.201

1.258

1.318

1.380

1.446

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

15.01 OV-keten

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de continue screening van de taxibranche.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart en het faciliteren van het NOVB zelf, de implementatie van de Boord Computer Taxi en het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

15.01 OV-keten

Toelichting op de financiële instrumenten

15.01.01 Opdrachten

Opdrachten betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, de implementatie van de Boord Computer Taxi, monitoring sociale veiligheid en het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV). Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

15.01.02 Subsidies

Subsidies worden verstrekt aan het OV-loket en ROVER.

15.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Beleidsartikel 16: Spoor

Algemene Doelstelling

De kwaliteit van het spoorproduct verbeteren zodat de reiziger en de verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen. Het goed functioneren van de gehele keten is hierbij van belang. In artikel 15 wordt hier verder op ingegaan. Specifiek voor het spoordeel gaat het met name om betrouwbaarheid en veiligheid.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De andere wijze van aansturen die voortkomt uit de Lange Termijn Spooragenda heeft ook gevolgen voor de rol van ProRail als uitvoerder van het Rijksbeleid. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • Verkenningen en planuitwerkingen;

  • Aanleg van projecten;

  • Beheer waaronder onderhoud van infrastructuur, verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

De Minister is ook verantwoordelijk voor het aanbod van reizigersvervoer op het hoofdrailnet. Invulling gebeurt door een concessie te verlenen aan vervoerder NS.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving.

Het beleid is vastgelegd in de Lange Termijn Spooragenda. Deze heeft tot doel het verbeteren van de kwaliteit van het spoor zodat reizigers en verladers de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie zien en gebruiken. In de Lange Termijn Spooragenda deel 2 is de wijze van aansturing van de spoorsector voor de periode tot 2028 weergegeven. De overheid gaat langs 5 lijnen haar aansturing van de spoorsector aanscherpen. Dit zijn:

  • 1. Aanscherpen wet- en regelgeving;

  • 2. Scherpere sturing met concessies op ProRail en NS;

  • 3. Betere sturing met aandeelhouderschap;

  • 4. Verbeteren sturing op financiële bijdrage ProRail;

  • 5. Beter sturen op samenwerking.

Daarnaast heeft de Lange Termijn Spooragenda invloed op de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt.

De verantwoordelijkheid van IenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het aansturen van het beheer van en vervoer over het hoofdrailnet. Dit verloopt via concessies. Per 1 januari 2015 is de nieuwe beheerconcessie wederom voor 10 jaar aan ProRail gegund. Conform het Regeerakkoord is ook het vervoer op het hoofdrailnet de komende 10 jaar onderhands gegund aan de Nederlandse Spoorwegen. Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie per 1 januari 2015 zijn ook de treindiensten op de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnetconcessie gebracht. IenM werkt verder aan het uitwerken en uitvoeren van concrete acties en afspraken uit de Lange Termijn Spooragenda middels de uitvoeringsagenda. Hieronder valt het vastleggen van wetgeving ter bevordering van een gelijk speelveld (waaronder implementatie Herschikkingsrichtlijn) en het faciliteren van samenwerking in de Spoorsector middels de OV&Spoortafels en de goederenvervoertafel.

  • Het stellen van wettelijke kaders voor veilige aanleg, beheer en gebruik van lokale spoorwegen (met name tram en metro) en het eenduidig regelen van de verantwoordelijkheden.

  • Het verbeteren van de ketenregie op de logistieke processen in het goederenvervoer. Daarnaast wordt wet- en regelgeving voor de one-stop-shop verbeterd en wordt gestuurd op het verbeteren van de kwaliteit en benutting van de goederenpaden.

  • Het samen met medeoverheden en infrastructuurbeheerders werken aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie.

  • De zorg voor de veiligheid van het spoorvervoer en van de omgeving. Onderdeel van de veiligheidsaanpak zijn het STS verbeterplan (reductie stoptonend sein passages), de veiligheidscultuur, veilig werken aan het spoor, aanpak overwegen, suïcide preventie en sociale veiligheid, maar ook externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen. In 2015 heeft een tussenevaluatie en actualisatie plaatsgevonden van de Derde Kadernota Spoorveiligheid. Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd. In 2016 wordt voor het programma ERTMS de planuitwerkingsfase afgerond en gestart met de realisatiefase.

  • De verdere invulling en uitvoering van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen langs de volgende lijn: een integrale vernieuwende aanpak van overwegproblemen door middel van bij voorkeur generieke maatregelen voor meerdere overwegen en waar nodig specifieke maatregelen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Spoor. In de vorige begroting is aangegeven dat de indicatoren ten aanzien van punctualiteit zullen worden aangepast naar aanleiding van de nieuwe vervoerconcessie die in 2015 is ingegaan.16

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicatoren: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Bodemwaarde 2015–20191

Progressiewaarde 20151

Streefwaarde 20191

Reizigers-punctualiteit2

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

90,0%

91,5%

92,3%

Algemeen klantoordeel3

74%

74%

75%

75%

74%

76%

80%

Bron: NS, jaarlijkse vervoerplannen en operationele verantwoordingen

Toelichting:

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019.

Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. In onderstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2012 en eind 2013 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). De stand van zaken eind 2014 komt in september 2015 beschikbaar.

Voor de ontwikkelingen rondom deze spoorveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid, namelijk dat we de veiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze acht veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Er lopen verschillende veiligheidsverbeterprogramma’s om de gestelde doelstellingen te realiseren (onder andere het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen en het STS (Stoptonend Sein)-verbeterplan).

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Beoordelingsjaar

2014

2014

2013

2012

Nr.

Risicodrager

Omschrijving indicator

MWA

NRV

MWA

MWA

1.1

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigertreinkm’s

nog niet beschikbaar

6,57

4,22

6,57

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerkm’s

nog niet beschikbaar

0,05

0,03

0,05

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

nog niet beschikbaar

2,25

3,37

2,25

3.1

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm’s

nog niet beschikbaar

97,05

85,22

97,05

3.2

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / ((treinkm’s*aantal overwegen)/ lijnkm’s)

nog niet beschikbaar

108,7

100,3

108,7

4

Onbevoegden

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

nog niet beschikbaar

7,99

7,92

7,99

5

Anderen

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm»

nog niet beschikbaar

7,21

5,74

7,21

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mlrd treinkm’s

nog niet beschikbaar

129

110

129

Bron: ILT Jaarverslag 2013 van de Nationale Veiligheidsinstantie Spoor (NSA), Kamerstukken II, 2014–2015, 29 893, nr. 178

Toelichting gebruikte termen in de tabel:

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries (het aantal doden en gewogen zwaargewonden)

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

MWA = Moving Weighted Average (voortschrijdend gewogen gemiddelde)

Toelichting:

Ad 1) De gegevens voor kolom «MWA 2014» waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van deze begroting. De gegevens komen uiterlijk september 2015 beschikbaar en zullen dan separaat aan de Tweede Kamer worden verzonden.

Ad 2) Hierboven staan de indicatoren voor railveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste acht railveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2013 en eind 2012 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). Voor de ontwikkelingen rondom deze railveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid, namelijk dat we de railveiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze acht veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Zoals in bovenstaande tabel te zien, is dat in 2013 bij zeven van de acht gelukt, maar bij één niet.

Kengetal: aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Betuweroute

220

400

450

460

440

500

Oldenzaal grens

80

70

60

60

70

60

Zevenaar grens

340

380

480

490

490

540

Venlo grens

230

250

230

220

240

190

Maastricht grens

30

30

20

20

30

30

Roosendaal grens

120

120

120

110

110

110

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling, PV/POV.

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en inclusief losse locomotieven. Het aantal hiervan verschilt per jaar, maar is ongeveer 5% van de treinbewegingen op het A15-trace van de Betuweroute. In 2015 neemt naar verwachting het aantal treinenbewegingen verder toe.

Kengetal: sociale veiligheid NS
 

2010

2011

2012

2013

2014

Bodemwaarde 2015–2019

Progressiewaarde 2015

Streefwaarde 2019

Klantoordeel veiligheid reizigers

78,3%

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

78%

79%

80%

Bron: Nederlandse Spoorwegen, Jaarverslag 2014

Toelichting

In 2014 heeft 80,2% van de reizigers sociale veiligheid met het cijfer zeven of hoger beoordeeld. In het Vervoerplan van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ‘s avonds in de trein en overdag en ‘s avonds op stations.

Beleidswijzigingen

Met de LTSA is een integrale langetermijn visie en integrale aanpak gepresenteerd. In 2015 zijn de randvoorwaarden neergezet om uitvoering te kunnen geven aan de ambities van de LTSA. Zoals het gunnen van de beheer- en vervoerconcessie voor het hoofdrailnet, het opzetten van gezamenlijke OV&Spoortafels en een spoorgoederentafel waaraan rijk, regio, vervoerders en verladers samenwerken aan de ambitie om te komen tot een gezamenlijk OV netwerk Nederland – goede verbindingen en aansluitingen in de hele OV-keten.

De concrete acties en afspraken die benoemd zijn naar aanleiding van de LTSA zijn opgenomen in de uitvoeringsagenda. Dit is een gedeelde agenda waarin de belangrijkste partijen met een verantwoordelijkheid in de OV- en spoorsector in diverse samenwerkingsverbanden de gemaakte afspraken binnen hun verantwoordelijkheidsdomein uitvoeren en monitoren. Dit gebeurt op basis van de uitvoeringsagenda waarin de acties staan die IenM in gezamenlijkheid met de spoorsector en de medeoverheden heeft opgesteld. Deze agenda is een dynamisch document en is in de tussentijd aangepast en aangevuld. De Kamer wordt jaarlijks over de voortgang geïnformeerd. Op 7 juli 2015 is de eerste voortgangsrapportage naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2014–2015, 29 984, nr. 611).

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 16 Spoor (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

8.453

53.650

4.573

4.655

4.830

4.870

4.906

Uitgaven:

39.471

36.528

23.996

14.055

4.830

4.870

4.906

Waarvan juridisch verplicht

   

98%

       

16.01

Spoor

39.471

36.528

23.996

14.055

4.830

4.870

4.906

16.01.01

Opdrachten

16.687

14.675

2.250

2.485

2.460

2.500

2.536

 

– ERTMS

11.286

10.615

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

5.401

4.060

2.250

2.485

2.460

2.500

2.536

16.01.02

Subsidies

22.710

21.809

21.646

11.470

2.270

2.270

2.270

 

– Bodemsanering NS

9.076

9.076

9.076

0

0

0

0

 

– Contractsector

10.000

0

0

0

0

0

0

 

– GSM-R

0

10.500

10.300

9.200

0

0

0

 

– Overige subsidies

3.634

2.233

2.270

2.270

2.270

2.270

2.270

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

74

44

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

74

44

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

0

0

100

100

100

100

100

 

Ontvangsten

149

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.147.466

2.041.627

1.952.667

1.833.728

1.584.536

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

299.796

187.562

188.279

202.300

201.071

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.447.262

2.229.189

2.140.946

2.036.028

1.785.607

waarvan

         

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.291.436

1.165.680

1.142.026

1.186.531

1.163.964

13.03

Aanleg

963.385

814.795

724.012

595.351

360.942

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

157.384

155.887

156.395

159.583

166.793

13.07

Rente en aflossing

17.020

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

18.037

76.230

101.916

77.966

77.311

Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2016

2017

2018

2019

2020

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

53.918

138.660

168.145

217.552

319.842

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

40.441

22.119

28.553

60.681

67.487

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

94.359

160.779

196.698

278.233

387.329

waarvan

         

17.02

Betuweroute

4.555

2.083

2.083

2.083

0

17.03

HSL-Zuid

20.183

25.700

23.000

0

0

17.07

ERTMS

41.338

44.669

57.588

112.588

196.588

17.08

ZuidasDok

28.283

88.327

114.027

163.562

190.741

16.01 Spoor

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan het KNMI in het kader van winterweer en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De subsidies hebben een tijdshorizon.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel heeft met name betrekking op het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda.

16.01 Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreft voornamelijk (lopende) opdrachten voor adviezen ter ondersteuning van het programma Overwegen, de beheer- en vervoerconcessie en spoorwegwetgeving. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies
  • Subsidie bodemsanering NS-percelen: sinds 1996 dragen het Ministerie van IenM (en haar voorganger) en de Nederlandse Spoorwegen jaarlijks bij aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen. Deze subsidie eindigt in 2016, de stichting wordt opgeheven.

  • GSM-Rail: Uitgaven voor GSM-R(ail) ter mitigatie van de interferentieproblematiek bij ProRail en vervoerders door de uitrol van 3G- en 4G-netwerken door de telecom providers.

  • Overige subsidies: dit betreft voornamelijk een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17: Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren heeft» betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken heeft de Minister het veiligheidsmanagement in Nederland beschreven (State Safety Programme 2015–2019) en een actieplan opgesteld (SSP Actieplan 2015). De veiligheid van de luchtvaart en andere modaliteiten wordt gemonitord in de Staat van de Veiligheid van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Kamerstukken II, 2014–2015, 28 089, nr. 28). Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap in de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten van cruciaal belang, zowel multilateraal als bilateraal. De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor de implementatie van regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en efficiënter gebruiken van de capaciteit in het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheids-management en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • De Minister zet in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU.

  • Het behalen van de doelstelling hangt ten eerste af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van de luchtvaartsector, technologische ontwikkelingen, ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO) en de economische ontwikkelingen in Nederland een rol.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

Gerealiseerd 2014

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

500.000

 

78%

77%

84%

84%

85%

88%

100%

Kamerstukken II 2014–2015, 34 098, nr. 1–3)

Bron realisatie: Schiphol Amsterdam Airport, januari 2015

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» tussen Schiphol en het Rijk bijgesteld en is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90% van de destijds gehanteerde 510.000 vliegtuigbewegingen extra regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 665, nr. 181).

Met de introductie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel is in 2015 voor Schiphol ontwikkelruimte geconstateerd voor totaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020. Als tegemoetkoming voor de ophoging van de dagnorm van de vierde baan en de introductie van een hardheidsclausule is de in het akkoord van 2008 afgesproken capaciteit van 510.000 bewegingen teruggebracht tot 500.000 tot en met 2020 (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 098, nr. 1–3).

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2015

Streefwaarde 2016

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000 (10.000)

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, 2013–2014, 31 936, nr. 187)

Bron Lelystad: Ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

In 2014 is voor Eindhoven met het vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen. In 2015 wordt de eerste tranche, op basis van de verleende vergunning burgermedegebruik voor 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd. Indien aan alle voorwaarden is voldaan zal met ingang van 1 januari 2016 een vergunning burgermedegebruik kunnen worden verleend voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen. Voor Lelystad is in 2015 een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot handelsverkeer».

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Streefwaarde 2016e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

 

Frankfurt (FRA)

2

2

 

Gatwick

4

4

 

Schiphol

8

8

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

 

München

6

6

 

Brussel

9

9

 

Madrid

7

7

 

Bron: SEO, jaarlijkse Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2014

Toelichting

Het streven is om de huidige positie van Schiphol voor wat betreft het kostenniveau onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden. Instrumenten voor het bewaken van het level playing field zijn het toezien op de randvoorwaarden en regulering van de doorrekening van de aeronautische kosten door de luchthaven Schiphol. Daarnaast heeft de overheid een betrokkenheid bij de hoogte van de overheidsheffingen (geluidhinderkosten en securitykosten).

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2014

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit (algemene maatregel van bestuur, 18 september 2008) zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. IenM stelt de grenswaarden vast maar heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2014 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2014–2015, 29 665, nr. 213).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de Handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2014.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2015

Toelichting

In deze tabel zijn de bestemmingen opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Volgens deze indicator is het aantal bestemmingen vanaf Schiphol in 2014 licht gestegen. De toename in 2014 is het grootst vanaf Parijs Charles de Gaulle en Brussel.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Vliegbewegingen (x 1.000)

               

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

Passagiers (in miljoenen)

               

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

Vracht (x 1.000 ton)

               

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2015

Toelichting

Inzet van het beleid is het optimaliseren van de netwerkkwaliteit in combinatie met een concurrerende en duurzame luchtvaart. De netwerkkwaliteit wordt mede bepaald door overheidstarieven en -maatregelen, maar is voor een groot deel niet direct beïnvloedbaar. Bovenstaande kengetallen geven de omvang van het netwerk in aantallen bestemmingen en het verkeer en vervoer op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens.

In de jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties laat IenM elk jaar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit van Schiphol monitoren. Uit de Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties 201417 blijkt dat het netwerk van Schiphol in 2014 sterker is gegroeid dan die van de vier andere West-Europese luchthavens in het onderzoek (Londen Heathrow, Parijs Charles de Gaulle, Frankfurt en München). Opvallend is ook dat het netwerk van Skyteam zich op Schiphol sinds de fusie van Air France en KLM in 2004 op alle fronten aanzienlijk sterker heeft ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle. Zowel de directe connectiviteit als de hubconnectiviteit op Schiphol zijn in 2014 nagenoeg op hetzelfde niveau gekomen als die op Parijs Charles de Gaulle. De voortdurend positieve ontwikkeling van het netwerk vanaf Schiphol gedurende de afgelopen tien jaar houdt in dat Air France KLM zich steeds heeft gehouden aan het naleven van de Staatsgaranties die destijds met Air France KLM zijn afgesproken om de publieke belangen te borgen.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

nb

0,7

0,6

0,5

Gerealiseerd

2,5

1,4

0,9

0,8

0,9

1,0

1,2

1,4

0,9

2,0

1,1

0,63

0,54

0,61

Bron: Performance review Body, Performance monitoring Dashboard 2015

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim.

Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht
 

2010

2011

2012

2013

2014

Grenswaarde

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

2,8

1,00

1,00

1,00

1,00

Gerealiseerd

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

0,94

0,90

0,78

0,68

0,94

Gerealiseerd

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht volgens PRB methode

1,85

1,81

1,41

1,34

1,89

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland 2015

Toelichting

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde vertraging op Schiphol tezamen. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase onder een hoogte van één kilometer. Beperkte aantallen vliegtuigopstelplaatsen kunnen ook vertragingen veroorzaken.

De toename in 2014 van de gemiddelde vertraging is met name veroorzaakt door stormen en mist.

Luchtverkeersleiding Nederland hanteert met ingang van 2015 dezelfde systematiek om vertragingen te meten als de Performance Review Body (PRB), de onafhankelijke adviseur van de Europese Commissie op het gebied van prestatiesturing. Luchtverkeersleiding Nederland heeft de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. De grenswaarde is met ingang van 2015 volgens deze nieuwe systematiek op twee minuten gesteld.

Beleidswijzigingen

De komende jaren wordt uitwerking gegeven aan de Luchtvaartnota (Kamerstukken II, 2011–2012, 31 936 A), de Luchtruimvisie (Kamerstukken II, 2011–2012, 31 936, nr. 114) en het State Safety Programme 2015–2019. De bij deze nota’s behorende uitvoeringsagenda’s (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 936, nr. 47) en het SSP Actieplan zijn hierbij leidend.

Op grond van het advies van de Alderstafel Schiphol over de vierde baan problematiek is besloten het in het akkoord van 2008 afgesproken maximum van 510.000 vliegbewegingen terug te brengen tot 500.000 tot en met 2020. Dit past binnen de criteria van gelijkwaardigheid en binnen de regels van het nieuwe normen- en handhavingststelsel (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 098, nr. 1–3).

Het is tevens van groot belang dat Europa prioriteit geeft aan het vergroten van de concurrentiekracht van de Europese luchtvaart en het behoud van de regionale en mondiale connectiviteit van Europa. Nederland organiseert daarom tijdens haar Voorzitterschap een ministeriële Aviation Summit op 20 en 21 januari 2016 waar zal worden gesproken over een gezamenlijk antwoord op de uitdagingen en kansen voor de Europese luchtvaart. Speerpunten voor Nederland zijn weergegeven in de brief over de Nederlandse inbreng voor de toekomstige EU luchtvaartstrategie (Kamerstukken II, 2014–2015, 31 936, nr. 289).

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 17 Luchtvaart (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

17.542

23.570

25.355

12.313

10.543

13.701

10.687

Uitgaven:

20.201

26.771

24.985

15.186

11.466

11.579

8.657

Waarvan juridisch verplicht

   

59%

       

17.01

Luchtvaart

20.201

26.771

24.985

15.186

11.466

11.579

8.657

17.01.01

Opdrachten

6.727

10.979

13.916

13.048

9.528

9.641

6.719

 

– Opdrachten GIS

1.598

5.001

3.023

4.772

3.021

3.021

0

 

– Leefbaarheidsfonds

0

0

5.900

2.900

0

400

400

 

– Overige opdrachten

5.129

5.978

4.993

5.376

6.507

6.220

6.319

17.01.02

Subsidies

2.284

2.663

910

910

710

710

710

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

10.071

11.949

8.979

48

48

48

48

 

– waarvan bijdrage aan RWS (Caribisch Nederland)

10.000

11.891

8.931

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

48

35

48

48

48

48

48

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

23

23

0

0

0

0

0

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.119

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

 

Ontvangsten

38.168

33.411

9.311

25

25

25

25

Artikel 17

Belastinguitgaven (x € mln)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Accijnzen

             

Vrijstelling accijns luchtvaartuigen

2.105

2.156

2.196

2.268

2.348

2.427

2.504

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2016

17.01 Luchtvaart

Budgetflexibiliteit

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer het project geluidsisolatie Schiphol (GIS) en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. De bijdrage aan de agentschappen betreft voornamelijk de financiering van de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland door RWS voor 2016. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Caribisch Nederland en het Beleidsondersteuning en advies (BOA) traject is het budget voor 2016, ultimo 2015 juridisch verplicht.

De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization (ICAO), aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC). Dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

De bijdrage aan de tweede tranche van het leefbaarheidsfonds is bestuurlijk verplicht.

De resterende niet juridisch verplichte ruimte is belegd met de activiteiten uit de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 936, nr. 47) en het State Safety Programme Actieplan 2015.

17.01 Luchtvaart

Toelichting op de financiële instrumenten

De afname van het budget na 2016 wordt met name veroorzaakt door een afname van de benodigde middelen voor opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS) en door het beëindigen van de agentschapsbijdrage aan RWS bestemd voor Caribisch Nederland. De agentschapsbijdrage wordt beëindigd omdat de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland wordt voltooid.

17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De geplande uitgaven voor 2016 en verder hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones, klachtenafhandeling en de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Overige opdrachten

1. Luchtvaartnota en de Alderstafels

Sinds 2008 zijn drie Alderstafels actief: Schiphol, Eindhoven en Lelystad. De Alderstafels bieden een succesvolle overlegstructuur van belanghebbenden in deze luchthavenregio’s. De Aldersadviezen vormen voor het kabinet een waardevolle basis voor beleidskeuzes ten aanzien van de ontwikkeling van luchthavens in relatie tot de effecten op de leefomgeving. Ook in 2016 blijven de Alderstafels Eindhoven en Lelystad actief. Op Schiphol is de Alderstafel inmiddels samen met de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) overgegaan in de Omgevingsraad Schiphol.

2. Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel afgesproken kaders. Het budget is bestemd voor opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor Schiphol en aanpassing van de wet- en regelgeving en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)/ Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB).

3. Leefbaarheidsfonds

Bij de afnemende mogelijkheden van hinderbeperking is de tweede tranche van het leefbaarheidsfonds een belangrijke impuls voor de inpassing van de luchthaven Schiphol in zijn omgeving. De partijen Schiphol, de provincie Noord-Holland en het Rijk afgesproken om in totaal € 30 miljoen voor een tweede fase ter beschikking te stellen.

4. Verminderen risico op vogelaanvaringen

In 2016 wordt opnieuw gewerkt aan het uitvoeren van de maatregelen uit het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol om de vogelaanvaringsproblematiek te verminderen. De maatregelen betreffen het ontwikkelen en toepassen van detectieapparatuur, maatregelen gericht op populatiebeheer en een aanscherping van de ruimtelijke beperkingen ten aanzien van de foerageer-, rust- en broedgebieden.

5. State Safety Programme

Op basis van de door het ministerie en de luchtvaartsector uitgevoerde risicoanalyse zijn het State Safety Programme 2015–2019 en het SSP Actieplan 2015 opgesteld. Vanaf 2016 en verder zal uitvoering worden gegeven aan het Actieplan. Het plan betreft onder andere maatregelen om de wetgeving op orde te brengen, de veiligheid met prestatie-indicatoren meetbaar te maken en de introductie van veiligheidsmanagement door de gehele luchtvaartsector.

6. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Als uitwerking van de Luchtruimvisie worden verschillende onderzoeken en studies uitgevoerd voor de voorbereiding van luchtruimwijzigingen en aanpassingen van het luchtverkeersleidingsconcept. Hiertoe worden activiteiten uitgevoerd in samenwerking met de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) van het Ministerie van Defensie.

In de Roadmap Luchtruimvisie wordt beschreven hoe en wanneer de luchtverkeersleidings-organisaties de beoogde luchtruimwijzigingen en aanpassingen aan het luchtverkeersleidings-systeem gaan realiseren. De uitwerking van de verdergaande civiel-militaire samenwerking op het gebied van luchtverkeersdienstverlening is daarbij een belangrijk aspect.

7. KDC

De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In het KDC werken de partners KLM, Schiphol en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) samen met universiteiten en kennisinstellingen om alle operationele processen op en rond Schiphol te innoveren, zowel op de grond als in de lucht.

8. Opdrachten Caribisch Nederland

Het betreft de aanschaf van apparatuur ter bevordering van het veilig gebruik van de luchthavens en ter verbetering van de bedrijfsvoering. Tevens betreft het de financiering van diverse onderzoeken en opleidingen.

17.01.02 Subsidies

Versneld onderploegen graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen

Met het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol is een vergoedingsregeling in het leven geroepen voor het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. De boeren die de overeenkomst hebben ondertekend ontvangen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker.

Omgevingsraad Schiphol en commissies regionaal overleg

IenM draagt financieel bij aan de activiteiten van de Omgevingsraad Schiphol (ORS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. De jaarlijkse bijdrage bedraagt maximaal € 0,52 miljoen. De luchthavens van nationale betekenis Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam kennen in 2016 eveneens commissies voor regionaal overleg. In 2016 is de rijksbijdrage per commissie maximaal € 0,035 miljoen.

Incidentele subsidies

IenM treedt toe tot het KLM Corporate Biofuel Programme. De bijdrage van € 0,2 miljoen aan het programma wordt door KLM voor 100% geïnvesteerd om duurzame biokerosine in te kopen en draagt daarmee bij aan de vergroening van de luchtvaartsector.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving.

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) wordt in 2016 een bedrag uitgegeven van € 1,2 miljoen, waarvan € 1,0 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Beleidsartikel 18: Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. Hieronder valt ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)). De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde maritieme strategie en de daaronder hangende werkprogramma’s voor de zeehavens, scheepvaart en binnenvaart geven de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de stad en leefomgeving.

  • Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security.

  • Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.

  • IenM draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Streefwaarde 2015 en 2016

Hoofdtransportas

68%

67%

68%

69%

70%

85%

Hoofdvaarweg

81%

79%

78%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

88%

92%

93%

92%

92%

70%

Bron: RWS, 2015

Toelichting

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Voor elk type vaarweg wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt, naast geplande onderhoudsmaatregelen voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de trajecten tussen Rotterdam en Zeeland. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

Mainport Rotterdam

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

36,3

37,0

36,6

36,2

Overige Nederlandse Zeehavens

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11,0

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad, 2011–2014 IenM

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Na een lichte stijging van het marktaandeel in 2012, is er in 2013 en 2014 een lichte daling van het marktaandeel te zien. Met name Mainport Rotterdam, dat in 2012 marktaandeel had gewonnen, verloor marktaandeel in 2013 en 2014 tot onder het niveau van 2010. Het marktaandeel van de overige Nederlandse zeehavens laat een lichte stijging zien.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1
 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag2

Aantallen

                 

Handelsvaart

574

566

640

688

725

769

800

822

808

Zeesleepvaart

174

212

222

222

249

235

247

260

258

Waterbouw

148

139

118

121

120

156

169

168

167

Totaal

896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

                 

Handelsvaart

5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

Zeesleepvaart

181

243

264

237

310

290

362

347

360

Waterbouw

509

477

375

441

450

513

531

533

537

Totaal

5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer3

Aantallen

                 

Handelsvaart

434

462

395

410

433

422

408

403

403

Zeesleepvaart

284

332

358

406

459

456

477

498

519

Waterbouw

39

45

52

66

63

55

55

52

52

Totaal

757

839

805

882

955

933

940

953

974

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

                 

Handelsvaart

5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

Zeesleepvaart

2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

Waterbouw

102

122

184

225

251

210

264

248

285

Totaal

8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

X Noot
1

Schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT

X Noot
2

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2015

X Noot
3

Bron: cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2014 Inspectie Leefomgeving en Transport (februari 2015). Alle cijfers op basis van Lloyd’s Register Fairplay.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: veiligheid scheepvaart

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO)

1

1

0

0

1

1

0

4

2

0

Ernstige scheepvaartongevallen

4

2

6

3