Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232660 nr. A;50

32 660 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

A /Nr. 50 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Ter Griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 14 maart 2012.

De wens dat over de structuurvisie overleg gewenst wordt kan door of namens de Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 9 mei 2012.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2012

Op 13 maart 2012 heb ik het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. Ik stuur u hierbij de vastgestelde SVIR toe1.

In deze vastgestelde definitieve SVIR heb ik enkele zaken verduidelijkt en toegevoegd op basis van de zienswijzen en het debat met uw Kamer. De inhoudelijke keuzes en koers van de ontwerp SVIR zijn niet veranderd. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • De brede opgaven voor het vestigingsklimaat en de rol van het Rijk hierbij zijn toegevoegd. Ook is de rol van de stedelijke regio’s voor de ruimtelijk-economische structuur sterker benadrukt;

  • De MIRT-werkwijze, als kader voor het afwegen van nationale belangen en projecten met decentrale belangen en projecten (vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid), heeft meer aandacht gekregen;

  • De ruimtelijke aspecten uit de door de Topteams uitgebrachte adviezen over de topsectorenaanpak zijn verwerkt. Greenport Venlo en Maintenance Valley zijn als stedelijke regio met een concentratie van topsectoren op de kaarten toegevoegd;

  • Verder zijn vooral omissies, criteria, ontbrekende opgaven of onderbouwingen aangevuld en discrepanties opgelost;

  • De internationale context en de belangen in Caribisch Nederland zijn verduidelijkt.

Moties

Bij het definitief maken van de SVIR heb ik uitvoering gegeven aan de volgende door uw Kamer aangenomen moties:

  • - 32 660, nr. 35 van De Rouwe/Van Bemmel over het opnemen van Agriboard Noord-Holland Noord in de definitieve SVIR. In de definitieve SVIR is deze opgenomen (tekst en kaart). In overleg met de regio is echter wel gekozen voor de naam greenport Noord-Holland Noord;

  • - 32 660, nr. 36 van De Rouwe/Dijksma over aandacht voor krimp. Bij zowel de opgaven in hoofdstuk 2 en bij nationaal belang 13 is hier meer aandacht aan besteed;

  • - 32 660, nr. 11 van Jansen over beleidsvoornemens ter uitwerking van de adviezen van Elverding c.s. In de aanpak bij de belangen is hier uitvoering aan gegeven.

Ten aanzien van de motie van de heer De Jong c.s. (33 000-XII, nr. 38) over de benoeming van krimpregio’s als regelarme zone, heb ik de motie zo geïnterpreteerd dat met de nieuwe Omgevingswet en de Crisis- en Herstelwet specifiek in krimpgebieden wordt gezocht naar flexibiliteit en ruimte in de wet- en regelgeving.

Tevens wil ik u mededelen dat ik de strekking van de volgende moties verwerkt heb in de ontwerpwijziging Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) welke ik op 9 september 2011 naar de Raad van State voor advies heb verstuurd:

Aan de in het notaoverleg op 14 november 2011 door mij gedane toezeggingen heb ik als volgt uitvoering gegeven:

  • Ik heb toegezegd om voor de stemmingen de tekst rond Energyport Groningen en Agriport Noord-Holland Noord naar de Kamer sturen.

    Deze toezegging is afgedaan met mijn brief van 18 november 2011 (Kamerstuk 32 660, nummer 45);

  • Ik heb toegezegd om in de tweejaarlijkse monitor over de effecten van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ook aandacht te besteden aan het effect van het schrappen van rijksbeleid ten aanzien van ruimtelijke ordening, zoals aan de orde bij nationale landschappen en rijksbufferzones. Daarnaast zal deze monitor tevens de werking van de ladder voor duurzame verstedelijking evalueren en wordt aan decentrale overheden een handreiking voor toepassing daarvan aangereikt.

    Over de monitor kom ik later in deze brief terug;

  • Ik heb toegezegd om voor het werken met de ladder voor duurzame verstedelijking een handreiking voor decentrale overheden op te stellen.

    Hieraan wordt op dit moment gewerkt. Ik wil hiervoor een zorgvuldig proces doorlopen waarbij ik ook de gebruikers (decentrale overheden) betrek. Afronding wordt verwacht voor de zomer van 2012;

  • Ik heb toegezegd om in het kader van topsector logistiek samen met de sector en regio´s te bekijken waar overslagterminals kunnen worden verbeterd of toegevoegd en de aanpak opnemen in de realisatieparagraaf van de vastgestelde structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

    In de vastgestelde SVIR is een kaart van het internationale kernnet logistiek opgenomen. Deze is opgesteld samen met de sector. Samen met de sector en de decentrale overheden wordt als vervolg op de SVIR gewerkt aan het nationale kernnet logistiek.

Daarnaast heb ik conform mijn gedane toezegging in het AO MIRT van juni 2011 in de SVIR een kaart opgenomen met de lange termijn ontwikkeling van het hoofdwegennet (ambitiekaart 2040).

Als laatste heb ik toegezegd om de door het lid Dijkgraaf bedoelde matrix, die de taken en bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende overheden in het ruimtelijk domein weergeeft, aan de Kamer te doen toekomen. Deze matrix heb ik in navolgende tabel weer gegegeven.

Overheid

Taken en bevoegdheden in het ruimtelijk domein

Rijk

– Verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening;

– Bevoegdheden conform de Wet ruimtelijke ordening (bijv. het opstellen van structuurvisies en rijksinpassingsplannen);

– Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

• Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt;

• Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;

• Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Op basis van deze drie criteria heeft het Rijk de 13 nationale belangen geformuleerd.

Provincies

– De provincies spelen, met inachtneming van de taken van (samenwerkende) gemeenten, op het (inter)regionale niveau een sectoroverstijgende en verbindende rol;

– De provincie fungeert als gebiedsregisseur door het ontwikkelen van integrale ontwikkelingsvisies, het afwegen en afstemmen van belangen en het bewaken en bevorderen van complementariteit tussen steden en tussen regio’s binnen de provincie;

– De provincie heeft tevens een actieve rol bij de oplossing van bestuurlijke en financiële knelpunten van gemeenten;

– De provincie stelt de kaders voor het regionale watersysteem;

– De provincies is het bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen voor relatief grote grondwateronttrekkingen en infiltraties ten behoeve van industriële toepassingen;

– Bevoegdheden conform de Wet ruimtelijke ordening (bijv. het opstellen van structuurvisies en provinciale inpassingsplannen).

– Provincies oefenen toezicht uit op de waterschappen;

– Provincies houden conform de Wet revitalisering generiek toezicht, toezicht op de uitvoering van de taken door de gemeenten.

Gemeenten

– De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving;

– In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen;

– Bevoegdheden conform de Wet ruimtelijke ordening (bijv. het opstellen van structuurvisies en bestemmingsplannen).

Waterschap

– De taak van het waterschap is wettelijk beperkt tot de waterstaatszorg en bestaat uit het (regionale) watersysteembeheer en de zuivering van het stedelijk afvalwater;

– De waterschappen beheren het regionale watersysteem. Het watersysteem wordt daarbij in zijn totaliteit beschouwd, inclusief de waterkeringen en het grondwater.

In reactie op de vraag van de heer Dijkgraaf waar ik als minister op coördineer, merk ik op dat er naast de SVIR nog nota’s zijn waarin het beleid vastligt met ruimtelijke gevolgen. Deze nota’s worden opgesteld door mijzelf of door mijn collega ministers en ikzelf. De SVIR is en blijft het beleidsdocument waarin al het ruimtelijke rijksbeleid staat en op basis waarvan ik coördineer. Aanvullend ruimtelijke rijksbeleid of het benoemen van aanvullende ruimtelijke nationale belangen kan derhalve ook niet gebeuren buiten de kaders, belangen en uitgangspunten van de SVIR. Indien dit in de toekomst wenselijk is, zal ik de SVIR hier op aan moeten aanpassen.

Monitor Infrastructuur en Ruimte

In het notaoverleg van 14 november 2011 heb ik toegezegd om begin 2012 u te informeren over de tweejaarlijkse monitor Infrastructuur en Ruimte. Ook heb ik toegezegd in deze monitor aandacht te besteden aan de effecten van afzien van Rijksbeleid, zoals aan de orde bij de Nationale Landschappen en Rijksbufferzones. Daarnaast zal ik in de monitor Infrastructuur en Ruimte de werking van de ladder voor duurzame verstedelijking te evalueren. In bijlage 1 bij deze brief heb ik de aanpak voor deze monitor opgenomen, waarin ik tevens mijn toezeggingen heb verwerkt.

Digitalisering

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heb ik gedigitaliseerd en objectgericht gemaakt zoals vastgelegd in de Wro. Ik heb de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte pas vastgesteld op het moment dat dit proces afgerond was zodat ik – conform de Wro – na vaststelling ook de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen 24 uur digitaal beschikbaar kon maken.

De gedigitaliseerde en definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is beschikbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

BIJLAGE 1 MONITOR INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE

De Structuurvisie Ruimte en Infrastructuur geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het is van belang om zicht te houden op de effecten van dit beleid door middel van de Monitor Infrastructuur en Ruimte.

De monitor Infrastructuur en Ruimte wordt uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in samenwerking met het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KIM), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De eerste nulmeting van de monitor is gereed in 2012 en wordt dan aan u toegezonden. De eerste vervolgmeting zal beschikbaar zijn in 2014. Daarna verschijnen elke twee jaar nieuwe vervolgmetingen.

Bij het opstellen van de monitor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • De monitor meet de mate van doelbereiking van de 13 nationale belangen zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Daarnaast wordt gekeken naar de verstedelijkingseffecten als gevolg van de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (belang 13) en het afzien van het Rijksbeleid in de voormalige Nationale Landschappen en de voormalige Rijksbufferzones;

  • De bereikbaarheidsindicator, zoals opgenomen in de structuurvisie, maakt integraal onderdeel uit van de monitor. Dit geldt ook voor de monitoring van essentiële onderdelen van de Nota Mobiliteit (bijlage 6 van de structuurvisie);

  • De monitor richt zich op het in beeld brengen van fysieke, ruimtelijke ontwikkelingen; dit betekent dat niet wordt gekeken naar procesdoelen, maar wel naar de resulterende feitelijke ontwikkelingen;

  • De monitor geeft de stand van zaken weer en kijkt waar mogelijk terug om een ontwikkeling in beeld te brengen. De monitor bevat geen prognoses of toekomstverkenningen;

  • Waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij de bestaande indicatoren uit de Monitor Nota Ruimte en de Nationale Mobiliteitsmonitor. Dit is met name van belang om trends en ontwikkelingen over een langere periode in beeld te brengen. Het totale aantal indicatoren is door de samenvoeging van de monitors aanzienlijk verminderd;

  • Separaat wordt door Rijk en provincies gezamenlijk een eenvoudige monitoringssystematiek uitgewerkt, waarmee de ontwikkeling van de stand van soorten en de kwaliteit van habitats wordt gevolgd. In de monitor worden op basis van die rapportage de ruimtelijk relevante ontwikkelingen beschreven;

  • Zoveel mogelijk is per doelstelling gezocht naar één kernindicator die aangeeft in hoeverre het doel genaderd wordt. Deze kernindicatoren zijn veelal samengesteld uit een aantal deelindicatoren. Het gaat om robuuste indicatoren, die ook bij mogelijk toekomstige beleidswijzigingen hun waarde blijven behouden. Op deze wijze kunnen trends in beeld worden gebracht.

  • De indicatoren worden gepresenteerd met een korte verklaring van de ontwikkeling; er worden geen uitgebreide evaluaties uitgevoerd. In het geval dat de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven kan een verdergaande evaluatie worden verricht door het PBL in het kader van de Balans voor de Leefomgeving of het KIM in het kader van de mobiliteitsbalans;

  • De monitor wordt gepubliceerd in een beknopte rapportage. De indicatoren worden daarnaast opgenomen in het Compendium voor de Leefomgeving, een al bestaande website met feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) ) en in publicaties van het RCE. De Compendium voor de Leefomgeving wordt hierdoor uitgebreid met feiten en cijfers over infrastructuur en mobiliteit van het KIM. De cijfers zijn toegankelijk voor andere overheden en andere gebruikers.

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de doelstellingen die worden meegenomen in de monitor en een voorlopige invulling van de daartoe behorende indicatoren.

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige indicatoren monitor Infrastructuur en Ruimte

1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

– Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

– Functioneren stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Bereikbaarheid

– Nabijheid wonen-werken

– Zie verder belang 5

Vestigingsklimaat

– Fysieke vestigingsklimaat

     

2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Energiezekerheid

– Wordt niet meegenomen

Realisering netwerk SEV-III

– Netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

Transitie duurzame energie

– Verbruik hernieuwbare energie

Doelstelling windenergie

– Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

Ruimte reserveren energie

– Wordt niet meegenomen (procesdoel)

     

3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

– Rode ontwikkelingen buisleidingstroken

     

4. Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning oppervlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

– Wordt niet meegenomen (doel niet meetbaar)

     

5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen van Nationaal belang

Robuust mobiliteitssysteem

– Bereikbaarheidsindicator

Transitie naar duurzame mobiliteit

– Wordt niet meegenomen(doel nog uit te werken)

Verbinden van modaliteiten

– Samenhang vervoersmodaliteiten

     

6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitsysteem

Afname piekbelasting

– Vervoervraag in en buiten de spits

Doorsnijding door infrastructuur

– Doorsnijding door infrastructuur

Sterke multimodale knooppunten

– Ruimtelijke benutting multimodale knooppunten

     

7. Instandhouden Rijksinfrastructuur door goed beheer en onderhoud

Betrouwbare netwerken

– Betrouwbaarheid hoofdnetwerken

     

8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s

Voldoen aan geldende milieunormen

– Concentratie en emissie NO2

– Geluidhinder (incl. Schiphol)

– Ecologische kwaliteit oppervlaktewater

     

9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling

Waterveiligheid

– Veiligheidsniveau overstromingen

– Veiligheidsrisico overstromingen

Behoud ruimte voor water

– Rode ontwikkelingen hoofdwatersysteem

Waterhuishoudkundige eisen ruimtelijke plannen

– Aandeel oppervlaktewater in nieuwbouwwijken

     

10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten

Cultuurhistorische waarden

– Nadere uitwerking i.s.m. RCE

Kwaliteiten Rijkswateren

– Openheid grote wateren

     

11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten

Beleidsvoortgang en doelbereiking EHS

– Wordt niet meegenomen i.v.m. Decentralisatieakkoord natuur1

Overleven flora en fauna

– Natuurkwaliteit

– Milieukwaliteit natuur

– Rode ontwikkelingen natuur

«Nee, tenzij»

– Wordt niet meegenomen i.v.m. Decentralisatieakkoord natuur1

     

12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten

Beperkingen hoogbouw radarverstoringsgebieden

– Wordt niet meegenomen i.v.m. ontbreken data hoogbouw

     

13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

– Ladder voor duurzame verstedelijking (procesdoel; is pas na verloop van tijd te monitoren)

Belevingswaarde

– Belevingswaarde (nog nader uit te werken)

Essentiële onderdelen Nota mobiliteit die (gewijzigd) van kracht blijven conform bijlage 6 van de SVIR

Bereikbaarheid over de weg

– Mate waarin wordt voldaan aan de streefwaarden voor hoofdwegennet

Verkeersveiligheid op de weg

– Verkeersdoden

– Ernstige verkeersgewonden

– Plaats Nederland in EU

Openbaar vervoer

– Aanbod OV

– Gebruik OV

– Reizigerswaardering sociale veiligheid

Fiets

– Fietsgebruik

Binnenvaart

– Passeertijd sluizen op hoofdvaarwegen

– Aantal ongevallen met significante gevolgen op binnenwateren

Duurzame mobiliteit

– Klimaat (nog nader uit te werken)

– Geluid (zie nationaal belang 8)

Losgelaten beleid

Verstedelijking

– Verdichting verstedelijking

– Nabijheid verstedelijking

Open ruimte en landschap

– Rode ontwikkelingen Rijksbufferzones

– Rode ontwikkelingen Nationale Landschappen

X Noot
1

Met het recente natuurakkoord is afgesproken dat provincies verantwoordelijk worden voor de realisatie van de (herijkte)EHS. «Uit de verantwoording van Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten leest het Rijk af hoe de herijkte EHS ruimtelijk vordert». Provincies zullen in 2012 de herijkte EHS vaststellen. Het Rijk blijft ook na de voorgenomen decentralisatie verantwoordelijk voor internationale afspraken over het behoud van de (inter)nationale biodiversiteit.


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.