Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 72, item 40

40 Basisregistratie personen

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen) (33219).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Wij behandelen vandaag een stevig wetsvoorstel. Het is een flinke stapel met een lange geschiedenis. Ooit begonnen wij met kartonnen kaartjes met verschillende volgetypte vakjes. Op die kaartjes stonden je naam en je adres. Er stond ook op waar je geboren was en waar je zoal gewoond had. Dit systeem had als nadeel dat het nogal omslachtig was. Je kon ook niet zo veel met de kaartjes. Ze zaten in een bak en je haalde ze eruit als dat nodig was. Je kon de informatie veel moeilijker uitwisselen. Het voordeel van dit systeem was dat het heel veilig was. Als je dit kaartje wilde veranderen, moest je eerst voorbij een mijnheer of mevrouw achter een balie. Je moest naar een bak en je moest daarin gaan bladeren. Vervolgens moest je met tipp-exen en typen een nieuw kaartje maken. Dat was nog vrij gemakkelijk te achterhalen.

Daarna hebben wij de automatisering gekregen. In elke gemeente werden computers in gebruik genomen en kregen wij de GBA. Dat maakt de uitwisseling en de administratie een stuk gemakkelijker en overzichtelijker, maar het vergroot ook de kans op fouten. Ik heb een voorbeeld van nog niet zo lang geleden. Een mijnheer moest iets opvragen uit de Gemeentelijke Basisadministratie in verband met een notarieel contract. Hij werd opgebeld voor een gevoelig punt. Hij was daar eerder met zijn vrouw geweest en hij had al verteld dat hij geen kinderen had, maar in zijn GBA-gegevens stond dat hij wel een kind had. Men wilde weten hoe dat nu zat. Hij heeft vrij veel moeite moeten doen om het kind onjuist te laten verklaren; het stond dus nog wel genoteerd, maar als onjuist. Hem werd ook gezegd dat hij eigenlijk nog wel geluk had, want als hij was overleden, zouden de nabestaanden een groot probleem hebben gehad, laat staan in een geval van identiteitsfraude!

Wij krijgen nu een nieuwe basisregistratie voor personen. Dit belooft veel goeds. Er komt een centrale voorziening die met name tot doel heeft om fouten te herstellen. Volgens de cijfers van de minister klopt nu 97,8%. Dat betekent dat 2,2% niet klopt. Dat zijn nog steeds veel mensen. Bovendien kunnen de gevolgen heel groot zijn, zeker in het geval van identiteitsfraude. De minister wil met het nieuwe systeem, waarin meerdere instanties toezicht hebben, fouten beter kunnen herstellen en identiteitsfraude kunnen voorkomen. Ik heb dit heel dikke wetsvoorstel gelezen en nog een keer gelezen, maar ik kan mij er nog steeds moeilijk iets bij voorstellen. Wat is het? Welke gegevens worden genoteerd? Wie gaan er allemaal deelnemen? Hoe wordt het systeem beveiligd? Hoe kunnen burgers hun gegevens controleren? Heel veel is nog onduidelijk.

Ik kreeg op twee momenten een kip-eigevoel. De eerste keer dat dit gebeurde, was toen het echt ging over de inhoud van de wet. Het systeem moet er in ieder geval voor zorgen dat fouten in de personenregistratie worden voorkomen. Daardoor zullen meer gemeenten en meer instanties elkaar gaan corrigeren. De minister noemt in ieder geval de Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank, het UWV en het College voor zorgverzekeringen, maar er zullen mogelijk nog veel meer bij komen. Wij weten niet welke instanties, maar dat is het idee. Daarmee moet het bestand worden verbeterd. Dat lijkt me een mooie, organische manier om het bestand en de personenregistratie goed op orde te krijgen, maar zeker in het begin zie ik ook wel het gevaar dat het bestand door steeds meer instanties wordt gebruikt en dat fouten grotere gevolgen zullen hebben voor de mensen die niet goed staan geregistreerd. Klopt dat?

Een tweede probleem heb ik met de opzet van de wet. Het is een hele stapel papier, maar het is echt een kaderwet waarin de grote lijnen uiteen worden gezet. Ik telde samen met de minister 38 nadere regelingen, Algemene Maatregelen van Bestuur en ministeriële regelingen. 38! Dat is ontzettend veel. Aan de ene kant snap ik dat de minister een kaderwet maakt, omdat hij flexibel wil zijn en wil kunnen inspelen op technologische ontwikkelingen, informatiestromen en deelnemers. Wij moeten de nodige flexibiliteit hebben om met die wet te kunnen gaan werken. Aan de andere kant vraag ik de minister om te begrijpen dat ik wil weten waar ik "ja" tegen zeg.

Die nadere regelingen die dus nader geregeld moeten worden en waarvan wij nu dus nog geen idee hebben wat die precies moeten worden, gaan niet over weinig. Die gaan over de technische inrichting, de programmatuur, de beveiliging, de exacte inhoud van alle voorzieningen, de uitwisselingsgegevens, de vraag welke gegevens aan wie worden verstrekt, hoeveel gegevens er worden bijgehouden, wie er allemaal meedoen, welke kosten er zijn voor de burgers en voor de gemeenten, hoe bestuurders gaan samenwerken en wel of geen gebruik van het burgerservicenummer. Het is nogal een verschil of je het burgerservicenummer daar wel neerzet of niet. Als je het nummer bij al die andere gegevens zet, maak je het voor hackers en mensen die identiteitsfraude willen plegen, wel heel erg makkelijk. Het gaat dan echt om de vraag of dat noodzakelijk, veilig en effectief is. Als ik de kaderwet vandaag goedkeur, kan het zomaar dat het burgerservicenummer erin komt, terwijl wij het er verder niet meer over hebben.

Gaat dit ook gebeuren in de andere landen in het Koninkrijk, Curaçao, Aruba, Sint-Maarten? Daarvoor hebben de minister en ik een bijzondere belangstelling. En gaat het misschien ook gelden voor de eilanden in het Caraïbisch deel van Nederland, Saba, Sint-Eustatius en Bonaire, of niet? In hoeverre geldt het en welke gegevens moeten er worden bijgehouden voor niet-ingezetenen, grensarbeiders of mensen die nergens wonen? Mensen zonder adres heb je ook. Die vragen heb ik allemaal nog.

Ik sta helemaal niet negatief tegenover deze wet en dit project, maar ik heb nog geen idee waar ik zo allemaal "ja" tegen zeg. Ik wil de minister dus vooral uitnodigen om hier na een uitgebreide schriftelijke behandeling goed uit te leggen wat het allemaal is. Hoe vullen wij de 38 gaten? Hij hoeft die nadere regelingen hier niet precies neer te leggen. Ik snap dat hij daar flexibiliteit in wil, maar ik moet wel iets weten. Waar zeg ik anders "ja" tegen? De heer Litjens heeft drie amendementen gemaakt om in ieder geval een aantal dingen, vooral de verstrekking aan derden, anders voor te leggen. Dat vind ik goed, maar dan is de 38 veranderd in 35. Dat is beter, maar het is toch nog aardig veel.

Ik heb nog een aantal concrete vragen. Moet het burgerservicenummer voor Nederlanders in het buitenland ook opgenomen worden in de registratie voor niet-ingezetenen? Ik vraag mij af wat de minister daarmee wil.

Er zijn vragen gerezen rondom het register voor interkerkelijke ledenadministratie. De minister heeft ons een brief gestuurd en gezegd dat er allerlei bestuursorganen zijn die geïnformeerd worden, ook derden. Hij had het onder andere over pensioenfondsen, banken, zorgverzekeraars en dergelijke. Heb ik goed begrepen dat er één ledenadministratie is voor alle kerkelijke organisaties in Nederland, zodat daar in ieder geval geen onderscheid in wordt gemaakt?

De tweede nota van wijziging van deze wet gaf eigenlijk een heel nieuw politiek punt: het niet opnemen van een tweede nationaliteit als mensen daar geen behoefte aan hebben. De minister zegt dat dit het geval is als mensen zich volledig Nederlander voelen en bijvoorbeeld niet Marokkaan of Turk. Ik vind dat heel sympathiek, maar ik vraag mij af: als zij dat wel willen, geldt dat dan voor iedereen? Of wordt het een beetje zo van: hoe voelt u zich erbij, wilt u het wel of niet, als u het wel wilt, dan doen we het wel? Wat heeft dat voor gevolgen? Wat heeft dat voor gevolgen voor de Rijkswet op het Nederlanderschap, de remigratie, de statistieken, de Europese verkiezingen, de Belastingdienst en de politie? Hoeveel extra werk zullen organisaties krijgen om dit op zich sympathieke idee uit te voeren? Ik heb dus een vraag over de proportionaliteit.

De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voorzien ook een aantal problemen, vooral op het gebied van huwelijks-, gezags- en afstemmingsvraagstukken. Kan de minister daar kort op ingaan? De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zetten ook vraagtekens bij het feit dat mensen overal gegevens kunnen opvragen en dat heel veel organisaties gegevens kunnen corrigeren, maar dat dit slechts kan bij één gemeente, namelijk de brongemeente of de woongemeente. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken vragen zich af waarom dit eigenlijk niet kan in alle gemeenten, vooral omdat dit veel minder geld kost. Zij zeggen: wij krijgen nu zo veel nieuwe taken van de minister, we moeten ergens op bezuinigen, dus als het hier wat goedkoper kan, dan willen we dat graag. Zij zeggen ook dat daardoor de kans groter is dat er minder fouten zullen zijn, evenals minder vertraging en minder meldingen over en weer tussen gemeenten. Ik heb begrepen dat het amendement van de heer Schouw dat wel regelt.

Ik heb een amendement binnengekregen van de heer Oosenbrug. Sorry, ik vergis mij, het amendement is van mevrouw Oosenbrug. Daar zal ik haar straks nog een paar vragen over stellen.

De allerbelangrijkste vraag aan de minister is echter de volgende. Het gaat om 38 nadere regelingen. Zou hij daar toen hij nog Kamerlid was, op deze manier mee hebben ingestemd?

De voorzitter:

Mijnheer Van Raak, u had van de geschatte tijd nog twee seconden over.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel strekt er uiteindelijk toe om de opzet van de basisregistratie te moderniseren, de populatie waarover gegevens worden vastgelegd uit te breiden met niet-ingezetenen en de mogelijkheid voor de plaatsonafhankelijke dienstverlening te vergroten. Uiteindelijk wordt hiermee straks de GBA vervangen. De CDA-fractie onderschrijft het doel van het wetsvoorstel om de opzet van de basisregistratie te moderniseren en in het bijzonder om de gegevensuitwisseling te verbeteren. Dit gebeurt uiteindelijk allemaal met één doel, namelijk de service aan de burger te vergroten. We hebben wel een paar vragen. Op sommige vragen is al ingegaan in de schriftelijke ronde, maar we komen daar vandaag toch nog even op terug.

Allereerst kom ik op de terugmeldplicht. Bestuursorganen zoals de Belastingdienst of het UWV maken gebruik van de gegevens uit de basisregistratie. Zij moeten vermoedelijke fouten melden. Alleen zo kan er uiteindelijk voor worden gezorgd dat de basisregistratie betrouwbaar is. De minister schrijft echter in de nota naar aanleiding van het verslag: "De naleving van de terugmeldplicht wordt bevorderd door bestuursorganen te ondersteunen bij het terugmeldproces." Dat veronderstelt eigenlijk dat het nu niet goed gaat. Die bestuursorganen moeten immers worden ondersteund om ervoor te zorgen dat het goed gaat. Kan de minister hier morgen in zijn beantwoording op ingaan? Wat is er aan de hand? Wat kunnen we daaraan doen? We hebben zelf wel zorgwekkende signalen gekregen, bijvoorbeeld uit Amsterdam. Daar heeft men een vergelijking gemaakt tussen de GBA en het UWV. Daar waren heel grote verschillen. Dat is geen fraaie zaak. Wij willen er graag voor zorgen dat dit uiteindelijk wordt opgelost.

Ik kom op de bijhouding. Ook wij zijn indringend benaderd om opnieuw aandacht te vragen voor de bijhouding door andere gemeenten dan de gemeente waar iemand is ingeschreven. Ik geef een illustratie. Stel dat ik als Bossche wil trouwen in het pittoreske Bussum. Dan moet de gemeente Bussum een berichtje aan de gemeente Den Bosch sturen en mag zij zelf niet die mutatie doorvoeren. Wij hebben begrepen dat daarvoor een extra gegevensuitwisseling noodzakelijk is. Men had het over een "gegevensuitwisselingssysteem". Dat is een leuk woord voor galgje. Dat systeem is heel duur en uiteindelijk natuurlijk ook heel kwetsbaar. Daarom hebben de VNG en de NVVB ervoor gepleit dat aan gemeenten waar een rechtsfeit plaatsvindt – ik moet even in jargon spreken – ook toestemming wordt gegeven tot bijhouding. Dat klinkt heel logisch. De heer Schouw, nijver als hij altijd is, heeft daarvoor een prachtig amendement gemaakt. We willen de minister hierop wel bevragen. Is dit een wijze zet? Het klinkt heel sympathiek. In eerste instantie heeft het onze voorkeur. De minister geeft aan dat hij het niet wil omdat de gemeente dan verantwoordelijk wordt voor de bijschrijvingen die elders hebben plaatsgevonden. Maar is dat niet altijd zo? Als ik ervoor zou pleiten – maar het gebeurt echt never nooit niet dat ik vanuit het mooie Den Bosch naar Bussum verhuis, mijnheer de minister – dan is Bussum toch ook verantwoordelijk voor alle mutaties die op dat moment hebben plaatsgevonden in Den Bosch? Uiteindelijk wordt een nieuwe gemeente toch altijd verantwoordelijk voor de inschrijvingen? Daarom vragen we ons af of die argumentatie, dat tegenargument wel voldoende valide is. We willen dus graag van de minister horen of hij nog een ander argument heeft, dat ons wel kan overtuigen.

Ik kom op de inschrijfvoorziening voor niet-ingezetenen. Een aantal nader te bepalen gemeenten zullen die inschrijfvoorzieningen gaan uitvoeren. Dat geldt voornamelijk voor de grensstreek, zo hebben we begrepen, ook een beetje om ervoor te zorgen dat mensen die willen stemmen, worden gefaciliteerd. Dat zijn allemaal verstandige dingen. Maar hoe staat het met de voorbereidingen? Hoeveel gemeenten willen zo'n inschrijfvoorziening?

We vinden het een goede zaak dat voor het instrument van de bestuurlijke boete wordt gekozen. Schriftelijke handhaving heeft nooit plaatsgevonden. De bestuurlijke boete kan een nuttig instrument zijn. We krijgen echter van de VNG en opnieuw weer van de NVVB de kanttekening dat ze er eigenlijk niet mee uit de voeten kunnen, dat ze onvoldoende ruimte zien om de bestuurlijke boete in te zetten. Kan de minister ook deze kritiek effectief pareren?

In de nota naar aanleiding van het verslag zit een verontrustend zinnetje. De minister schrijft: "Er zullen echter altijd situaties mogelijk blijven waarin een uitvoeringsorganisatie door louter af te gaan op gegevens uit de basisregistratie, niet tijdig onderkent dat er sprake is van fraude." Daaruit komt een beetje het beeld naar voren dat de minister ervan uitgaat dat de goedwillende burger er zelf wel voor zal zorgen dat het met de registratie van zijn gegevens in de basisadministratie keurig in orde is. Daarmee heeft hij niet direct de inzet van onze vraag te pakken. Dat kan aan ons liggen. Daarom stellen we de vraag opnieuw. Burgers kunnen er immers ook zelf belang bij hebben om gegevens niet juist te verstrekken. Laat nu net CDA-collega Pieter Heerma in Nieuwegein zijn geweest. Hij heeft daar indringend gesproken over de problematiek rond de Romagemeenschap. Ook RTV Utrecht heeft daar wat media-aandacht aan gegeven, op 13 maart. Aangegeven werd dat uitgebuite Romakinderen totaal buiten het beeld van de GBA blijven. Mensen kunnen dus vreselijk schuiven, ook met kinderen in en buiten Nederland, en met wat we allemaal met hen doen. De conclusie was heel akelig. Gezegd werd: als we van een kind in Nederland niet meer weten waar het is, doen we een AMBER Alert, maar als we van een Romakind niet meer weten waar het is, dan halen we onze schouders op. Ik vond dat een angstig beeld. We moeten bekijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen die er belang bij hebben om te goochelen met hun gegevens, daar niet mee wegkomen.

In de schriftelijke ronde heeft de minister een beetje laconiek gereageerd op de vraag van gemeenten naar de mogelijkheden van handhaving. We hebben er een beetje gekscherend over gedaan met de vraag: als iemand zich wil inschrijven in een kartonnen doos onder een brug, kan dat dan? Theoretisch kan dat. Theoretisch is het als woonadres opnemen van een kartonnen doos onder een bepaalde brug een mogelijkheid. Als we er alleen maar van uitgaan dat een basisadministratie een theoretische mogelijkheid registreert, is dat dan wat we willen? Het lijkt een beetje op de discussie die we hebben gehad over de prostitutiewetgeving. Als je weet dat iets illegaal is, moet je het dan willen registeren? Daarover hebben we met de ChristenUnie en de SGP een interessant debat gehad. Als je echt weet dat iets niet klopt, ga je het dan registreren? Of ga je dan zeggen: dat doen we niet, we gaan ervoor zorgen dat we handhaven? Ook daarop willen we een scherp antwoord van de minister.

Ik kom, tot slot, op de handel in briefadressen. We hebben gevraagd of er een mogelijkheid is om de handel in briefadressen strafbaar te stellen. De minister zegt – op zichzelf begrijpen we dat – dat het ter beschikking stellen van een briefadres aan personen die dat nodig hebben, een dienst is die kan worden aangeboden. Hij wil dat niet stoppen en noemt daarbij het voorbeeld van het Leger des Heils: dat zouden we het onnodig moeilijk maken. Laat duidelijk zijn: het CDA wil nooit het werk van het Leger des Heils onnodig bemoeilijken. Daar ging onze vraag echter niet over. Wij zouden met name willen bekijken hoe wij kunnen voorkomen dat briefadressen worden gebruikt om de Belastingdienst of deurwaarders te ontlopen. Herkent de minister ook die mogelijkheid? Wat kunnen wij daar effectief aan doen?

De heer Bosma (PVV):

Voorzitter. Ik heb nog even overwogen om mij met een fiets te melden, een lange regenjas aan te trekken en mijn scheiding wat strakker te doen om daarmee een Donnerimitatie weg te geven, want deze voormalige minister heeft het mooi gezegd in het debatje in 2010, toen het ging over het registreren van de dubbele nationaliteit, iets wat nu helaas wordt geschrapt. De heer Donner zei het zo: "Laten wij wel wezen. Ook als wij het niet registreren blijft het kind de Marokkaanse nationaliteit hebben. Registratie verandert daar niets aan. Het is net als een spelletje dat ik wel eens met mijn kleinkinderen speel, dat als ik mijn ogen dichtdoe, zij niet meer bestaan. Maar zo is het niet. Ook als wij het niet registreren houdt het kind de Marokkaanse nationaliteit en blijft dat gewoon een feit."

En zo is het. De heer Donner sprak daar een waarheid als een koe: een dubbele nationaliteit is een feit, net als een leeftijd. In mijn oorspronkelijke tekst had ik ook staan dat geslacht een feit is, maar vanmiddag heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal in al haar wijsheid besloten dat je dat open mag laten. Zelfs de partij van Abraham Kuyper stemde daarvoor, dus geslacht is blijkbaar geen feit meer. Maar leeftijd is dat nog wel en nationaliteit ook. Dat is een belangrijk juridisch feit.

Als je een tweede nationaliteit bezit, moet je je ook aan de wet houden van dat tweede land. Dat kan grote repercussies hebben. 1,2 miljoen mensen in Nederland hebben een dubbele nationaliteit. Dat kan betekenen dat je je ook aan een andere wet moet houden. Dat heeft gevolgen. In Turkije bestaan allerlei reglementen inzake de dienstplicht. Je mag de Armeense genocide niet erkennen, want dat is een belediging voor de Turkse staat. In Marokko is abortus verboden en geldt een heel ander familierecht, bijvoorbeeld met betrekking tot voogdijschap. Een uitspraak in Nederland wordt niet noodzakelijkerwijs overgenomen in Marokko. Als je iemand verkracht, kun je je straf ontlopen door met je slachtoffer te trouwen. Dat was althans tot vorig jaar zo. Er bestaan dus enorme verschillen tussen beide wetten. Als iemand zich ook aan een andere wet moet houden, moet je dat willen weten.

In de zaak-Yunus die recentelijk speelde, zagen wij dat dit van belang is. De Turkse staat zei: ho ho, allemaal leuk en aardig, maar Yunus is een Turk, heeft de Turkse nationaliteit. En daar heeft men gelijk in, want het is een feit. Dat moet je dus gewoon registreren. Meten is weten. Er staat vandaag heel veel op het spel, bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van de GBA.

Er is nog een reden waarom wij die dubbele nationaliteit gewoon altijd moeten weten en kunnen nazoeken, namelijk de Wet op de terroristische misdrijven, de Rijkswet op het Nederlanderschap, hoofdstuk 5. Dat is ook weer actueel vanwege onze landgenoten die op jihad gaan in Syrië en mensen die zich om welke reden dan ook schuldig maken aan terroristische misdrijven. Die kun je volgens de wet hun Nederlanderschap ontnemen, maar dan moet je het wel weten. Dan moet je wel weten dat Achmed een Nederlands paspoort of, beter gezegd, de Nederlandse nationaliteit heeft. Waarom zouden wij dat niet willen weten? Waarom kiest deze minister ervoor om iets niet te willen weten? Ik begrijp dat niet.

Er is nog een praktisch belang, namelijk het opsporen van inkomen en vermogen in het buitenland. Recentelijk bleek dat het gaat om 10 miljoen aan verzwegen bezit. Dat zit vooral in de mohammedaanse landen. Dat moeten wij gewoon kunnen uitzoeken. Daarom moeten wij weten of iemand een tweede nationaliteit bezit.

Waarom moet dit veranderen? De minister heeft eerder gewezen op een quickscan, waaruit blijkt dat 92% van de gemeenten geen enkel probleem heeft met het registreren van een dubbele nationaliteit. Waar zit het probleem?

Collega Van Raak sprak over de kaderwet. Je kunt het ook een gatenkaas noemen. Hij kwam tot 38 gaten; wijzelf hadden er 42 geteld. Ik zie dat de heer Van Raak al naar 35 gaat. Morgen gaan we verder met dit debat, dus misschien moeten we in de tussentijd kijken hoe veel het er echt zijn. Maar feit is wel dat er grote gaten zitten in die wet. Er worden AMvB's et cetera aangekondigd. We hebben inderdaad een wet, maar wat er echt gebeurt, weten we niet. Dat vind ik toch een rare zaak, want wij moeten de minister, het beleid en het wetsvoorstel kunnen beoordelen. Ik heb eigenlijk niet het gevoel dat ik dat kan. Ik heb hetzelfde onbevredigende gevoel als collega Van Raak: je leest die wet en vraagt je af wat daarvan de portee is. Waar gaat het nou precies om, wat is de essentie van het hele verhaal? Ik haalde er een aspect uit, de dubbele nationaliteit, wat al heel vaak besproken is, hoewel het niet de essentie van dit wetsvoorstel is. Waarom deze wet? Ik begrijp het gewoon niet.

Aan de uitvoeringskant zijn natuurlijk al heel lang heel veel problemen. Eigenlijk is men al tien jaar bezig dit op te zetten. Er bestaat grote onduidelijkheid. Dit is eigenlijk een hoofdpijndossier, onder wisselende leiding. Het is zelfs onderwerp geweest van de Tijdelijke commissie ICT van de Tweede Kamer. Hoe staat het met dit project? Wanneer is het af? Het is een groots en meeslepend project, maar wanneer is alles in kannen en kruiken?

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. De Wet basisregistratie personen gaat de GBA vervangen. Dat is een behoorlijke operatie, wat te zien is aan de lijvige stukken die wij de afgelopen weken tot ons hebben genomen. Na enkele nota's van wijzigingen zijn bijna alle suggesties van het CBP overgenomen. Daar is mijn fractie buitengewoon content mee. Ik heb nog een aantal kwesties die ik deze minister wil voorleggen.

Ik begin met het uitschrijven van zzp'ers uit de GBA. Ik heb daarover, naar aanleiding van de casus Amstelveen, eerder vragen gesteld. Als iemand minder dan driekwart jaar in Nederland verblijft, wordt hij of zij automatisch uitgeschreven. Dat kan zijn door studie, dat kan zijn omdat iemand zzp'er is. Ik had dat graag anders gezien. Dat heeft betrekking op artikel 2.43 van de wet, welk artikel ik niet ga voorlezen, want dat kan de minister vannacht of morgen nalezen. Ik vraag hem of hij die uitzonderingen in dat derde lid wil uitbreiden, zodat zich geen problemen meer voordoen als mensen vanwege studie of hun zzp-status ergens in het buitenland verblijven.

Het tweede punt heeft te maken met de tijdelijke registratie van niet-ingezetenen. Straks is naast de BRP ook de RNI mogelijk, waarin personen vermeld worden aan wie een bsn is afgegeven, maar die verklaard hebben dat zij niet langer dan vier maanden in Nederland gaan verblijven. Dan heb je het ook over arbeidsmigranten. Mijn fractie ziet drie addertjes onder het gras, die ik aan de minister voorleg. Ten eerste is de opgave door de arbeidsmigrant van het eerste verblijfadres juridisch niet afdwingbaar. Zo hebben wij het althans gelezen. Als gevolg van het nieuwe wetsvoorstel kan straks wel een bestuurlijke boete worden opgelegd, maar dat aangehaakte gegeven is daarvan uitgezonderd. Wat heeft dat nog voor betekenis? Het tweede addertje is dat de term "eerste verblijfadres" eigenlijk niet helder is gedefinieerd. Dat kan ook het kantooradres van de uitzendonderneming zijn die voor de arbeidsmigrant als arbeidsbemiddelaar optreedt. In zo'n geval gaat registratie van zo'n kantooradres aan het oorspronkelijke doel, gericht op handhaving, voorbij. Kan de minister daarop ingaan?

Het derde addertje: als de legitimatie voor registratie van het eerste, meestal tijdelijke verblijfsadres wordt gecontroleerd, hoe wordt deze dan gecontroleerd? Als ik het goed heb, zegt de minister dat GBA-ambtenaren moeten controleren of iemand wel op zo'n adres zit. Is dat nu werkelijk een manier van doen, als je in een gemeente zit met veel arbeidsmigranten, dat dan een GBA-ambtenaar van de gemeente aan de deur klopt en kijkt of iemand daar woont? Zijn daarvoor niet slimmere, innovatievere manieren te bedenken?

Het derde onderwerp dat ik aan de orde wil stellen, heeft te maken met de spookburgers. Als iemand verhuist, moet hij of zij dat doorgeven aan de gemeente, en dat gebeurt natuurlijk niet altijd. Als gemeenten erachter komen dat personen niet meer op het adres wonen dat bij de gemeente bekend is, dan worden die personen geregistreerd als: vertrokken met onbekende bestemming. Eind vorig jaar stond de teller volgens het CBS op bijna een half miljoen personen. In de nieuwe wet wordt de bestuurlijke boete voor spookburgers mogelijk en wordt het instrumentarium om de juistheid van gegevens te controleren van een update voorzien.

Naar de opvatting van mijn fractie zijn er twee soorten spookburgers en daarover wil ik de minister wat vragen. De eerste soort zijn mensen die het uit onhandigheid vergeten om een verhuizing door te geven. Dat kan gebeuren. De tweede soort, en dat is een groeiende soort, bestaat voor een deel uit mensen die handelen uit wat meer frauduleuze motieven. Eerst even over die eerste soort. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat mensen zich bewuster worden van de noodzaak om zich te registreren? Is die bestuurlijke boete van € 325 wel voldoende afschrikwekkend? Is dat wel een voldoende stok achter de deur om het doel, een zuiver systeem van persoonsregistratie, te realiseren? De tweede categorie zijn de opzettelijke fraudeurs of mensen die ervoor zorgen dat zij bewust niet vindbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege uitkeringsfraude, belastingontduiking of illegale onderhuur.

Sinds 1 januari 2012 is het mogelijk om adresgegevens van individuele burgers met gegevens van het UWV te vergelijken. Vanaf januari 2013 kunnen gemeenten ook bij de uitkeringsinstantie van het UWV adresgegevens opvragen en vergelijken met hun eigen bestand. Dat zijn goede ontwikkelingen, maar er zijn nog wel een paar problemen, die ik graag voorleg aan de minister. Met een burgerservicenummer kunnen toeslagen worden aangevraagd. Op dit moment kan er eigenlijk nog niet zo veel gebeuren met dat bsn, maar ik voorzie wel problemen als mensen die nu nog een vergunning hebben om hier tijdelijk te komen werken, deze straks niet meer hebben. Als zij zonder vergunning aan een bsn kunnen komen en vervolgens weer kunnen vertrekken, ontstaat er een reservoir aan ongebruikte burgerservicenummers dat anderen weer kunnen gebruiken – lees: misbruiken – voor identiteitsfraude of voor het niet-rechtmatig aanvragen van uitkeringen. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat dit misbruik wordt gereduceerd tot nul, ook als die vergunningen niet langer verplicht zijn? Wordt het mogelijk om ook bij toeslagen en uitkeringen strenger en vooraf te controleren?

Het vierde punt is door de vorige sprekers ook genoemd, dus ik hoef daar niet lang bij stil te staan: de plaatsonafhankelijke bijhouding. Door de directie van de VNG en door de leidende figuren die zich bezighouden met de GBA, is ons indringend verzocht om iets te repareren wat de minister en zijn ambtelijke staf kennelijk niet wilden. Daarover hebben wij keurig netjes in overleg een amendement ingediend. Dat amendement spreekt voor zichzelf. De motieven spreken voor zichzelf. Voorgaande sprekers hebben daarover al iets gezegd.

Wij hebben een brief gehad van de minister over de SILA. Wij hebben daarover eerder gesproken. Ik heb daarover nog wel een paar vragen. De minister zegt dat de gegevens uit de GBA die naar de SILA gaan voor iedereen open staan. Volgens mij moeten die open staan voor iedereen die religieus geïnspireerd is. Ik hoor graag van de minister of ook andere organisaties dan alleen de katholieke organisaties hiervan gebruik maken. De minister suggereert dat in zijn brief, maar dat is mij niet duidelijk geworden. Welke barrières zijn er voor andere organisaties om er gebruik van te maken? Welke organisaties kunnen er geen gebruik van maken? Mijn fractie ziet graag dat burgers zelf aangeven dat hun persoonsgegevens beschikbaar worden gesteld aan de SILA. Nu is het andersom en bepaalt de wetgever dat. Waarom vraag je de burgers niet om dat te doen? Het is een soort extra service.

De heer Segers (ChristenUnie):

Op 19 december heeft de heer Schouw samen met collega Voortman een motie ingediend. Daarin stonden twee overwegingen. De eerste overweging was dat kerken inzicht hebben in de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie. De minister zegt daarvan dat het gaat om het verstrekken van gegevens en dat kerken daarom helemaal geen inzicht hebben. De tweede overweging was dat de GBA niet voor andere levensbeschouwelijke stromingen op gelijke wijze open staat. De minister schrijft in zijn brief dat dat niet waar is. Hoe beoordeelt de heer Schouw zijn eigen motie met de kennis van de brief van de minister?

De heer Schouw (D66):

Ik herhaal wat ik net aan de staatssecretaris heb gevraagd.

De voorzitter:

De minister.

De heer Schouw (D66):

Wat ik aan de minister heb gevraagd. Overigens zeg ik daar gelijk bij dat als in vak K staatssecretaris Teeven zit en ik hem "minister" noem, ik hem altijd direct zie groeien. Maar nu even in antwoord op de vragen van de heer Segers: de minister beweert inderdaad dat anderen daarvan ook gebruik kunnen maken, zoals moslimorganisaties. Ik vraag de minister of dat ook feitelijk gebeurt. Mijn tweede vraag is: welke barrières zijn er voor de andere organisaties, bijvoorbeeld de humanisten? Maken zij daarvan gebruik of zien zij barrières voor het gebruik maken daarvan? Verder krijg ik van de minister graag een definitie van "religieus georiënteerde organisaties" die daarvan gebruik kunnen maken. Mij lijkt dat humanisten niet vallen onder de religieus georiënteerde organisaties, maar dat wordt in de brief wel gesuggereerd. Het is dus een beetje onduidelijk.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat is niet helemaal een antwoord op mijn vraag. In de motie die u met mevrouw Voortman hebt ingediend stonden twee overwegingen. In de eerste stond dat kerken inzicht hebben in de GBA. Dat is niet waar; zij hebben geen inzicht in de Gemeentelijke Basisadministratie. Er worden alleen gegevens verstrekt. Dat is dus de eerste feitelijke onjuistheid. De tweede was dat het niet gelijk open stond voor alle organisaties. Daarover wilt u meer informatie en dat is prima. Mijn vraag was echter de volgende. Hoe beoordeelt u uw motie met de kennis van de brief en het inzicht dat u nu heeft?

Ik reageer verder nog even op wat de heer Schouw zegt. Hij zegt dat kerken meer inzicht hebben of een streepje voor hebben. De minister schrijft dat een groot aantal andere organisaties op eenzelfde manier worden bediend. De eenzijdige aanvliegroute van uw motie is dus wat mijn fractie betreft wat ongelukkig.

De heer Schouw (D66):

Ik begrijp dat de heer Segers wat te verdedigen heeft. Ik vond het echter een heel goede motie. Dat vind ik nog steeds. De kerken hebben inzicht in de data die zitten in de GBA. Die krijgen zij namelijk toegestuurd. Feitelijk klopt het dus. Het tweede is – dat heb ik net in mijn eerste reactie al tegen hem gezegd, maar dat is even langs hem gegaan – dat ik van de minister wil weten of de humanisten en de moslimorganisaties er inderdaad gebruik van maken of dat dit een theoretische mogelijkheid is.

De voorzitter:

Gaat u verder, mijnheer Schouw.

De heer Schouw (D66):

Ik heb nog twee kleine dingetjes. Het eerste heeft te maken met beveiliging. Ook daar hebben collega's al wat over gezegd. Is het systeem cybersecurityproof? Hoe zit het met het hacken? Zit er een stempel op dat het voldoet aan alle ICT-veiligheidseisen?

Ten slotte wil ik zeggen – dat is het tweede punt – dat ik erg meevoel met ten minste één punt uit de inbrengen van de fractie van de PVV en de fractie van de SP waar het gaat om wetgeving die door het parlement moet worden aangenomen. Mijn fractie heeft grote moeite met raamwetgeving. Het is leuk om erover te praten, maar waar gaan wij nu in 's hemelsnaam mee instemmen? De D66-fractie in de Eerste Kamer heeft er nog veel meer moeite mee dan de fractie in de Tweede Kamer.

De voorzitter:

Wij zijn hier vandaag in de Tweede Kamer, mijnheer Schouw.

De heer Schouw (D66):

Nou ja, ik zeg het alvast maar.

De voorzitter:

Wij hebben het gehoord, het machtswoord.

Mevrouw Oosenbrug (PvdA):

Voorzitter. Er is al een aantal sprekers voor mij geweest, dus ik heb al flink zitten schrappen in mijn spreektekst. Dat zou qua tijd iets moeten schelen.

De PvdA-fractie is blij met het voorliggende wetsvoorstel. Het is goed dat de Wet GBA in zijn geheel wordt herzien en vervangen en dat de opslag van persoonsgegevens transparant en doelmatiger worden geregeld. Ik moet tussendoor even kijken wat ik al weg heb gestreept. Mijn excuses daarvoor.

Privacy en fraude zijn al een aantal keren genoemd door collega's. Ik maak mij, en met mij mijn fractie, zorgen over de achterkant van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel op zichzelf is prima, maar ik maak mij zorgen over de technische kant. Daar komen wij vast nog over te spreken. Het is goed dat de voorkant goed geregeld wordt, maar de achterkant moet ook goed worden geregeld. Privacy, fraude, hackbestendigheid en hackgevoeligheid zijn heel belangrijke punten.

Er is al gesproken over spookburgers. Ik heb nog een aanvullende vraag hierover. In de nota komt naar voren dat iemand die geen actueel adres meer zou hebben in Nederland, per definitie naar het buitenland vertrokken moet zijn. Dat sluit het bestaan van spookburgers een beetje uit. Dat is vreemd. Hoe komt de minister tot deze conclusie? Kan ik daar iets meer over horen?

De PvdA-fractie is wel heel blij met de maatregelen van het kabinet om de tweede nationaliteit niet meer in de basisregistratie op te nemen. Nu staat namelijk echt van een grote groep burgers tegen hun zin een tweede nationaliteit vermeld. Zij kunnen daar niet vanaf. Voor de PvdA telt nu eenmaal niet de afkomst van de burgers, maar de bijdrage van de burgers aan de Nederlandse samenleving.

Wij hebben al gesproken over de bestuurlijke boete. Nu kom ik bij een heel belangrijk punt. De PvdA-fractie is blij ook van de regering te horen dat zij van mening is dat het verschijnsel dat migranten hun vrouw kunnen achterlaten in het land van herkomst en hen vervolgens kunnen laten uitschrijven uit de basisadministratie ongewenst is. Graag zie ik dat dit beter gecontroleerd kan worden dan nu het geval is. Ik wil echter ook dat de wet gebruiksvriendelijk is. Graag wil ik daarom dat het wetsvoorstel zo aangepast wordt dat enkel in het geval van verhuizing en emigratie naar het buitenland iedereen vanaf twaalf jaar afzonderlijk aangifte moet doen. Ik heb hierover een amendement ingediend.

Dan het laatste punt. Burgers kunnen ervoor kiezen om verspreiding van hun gegevens tegen te gaan; een zogenaamde beperking van de verstrekking uit de basisregistratie. Ten onrechte, zo blijkt onder andere uit de nota naar aanleiding van het verslag, hebben veel burgers het idee dat gegevens daarmee nooit aan derden worden verstrekt. Kan de minister uitleggen hoe de communicatie hieromtrent verloopt en dat bij dreigend gevaar niet voor de optie beperking van verstrekking, maar voor briefadres gekozen dient te worden? Misschien kan de minister de desbetreffende circulaire nogmaals onder de aandacht brengen van de gemeenten.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dit is een wetsvoorstel dat echt iedereen raakt. Iedere burger in Nederland heeft te maken met registratie van zijn of haar gegevens bij de gemeente. Het gaat vanavond dus over een belangrijk wetsvoorstel. Bovendien zegt dat ook iets over de omvang van alle processen die er achter liggen en waar juist ook in gemeenten hard aan wordt gewerkt. Dit wetsvoorstel biedt een nieuw kader voor registratie. Het is de juridische vertaling van de verandering van technische mogelijkheden. Ruim twintig jaar na de bespreking van de Wet GBA is het niet vreemd dat er een nieuw kader nodig is. Een overheid die haar burgers niet kent en niet weet te vinden, is niet in staat taken uit te voeren die haar door dezelfde burgers zijn toevertrouwd.

Dit wetsvoorstel regelt de wettelijke basis. Daarbij zijn enerzijds de bevordering van een doelmatiger voorziening van persoonsgegevens en anderzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de onderliggende doelstellingen. Ik onderschrijf deze doelstellingen en vind dat ze voldoende tot hun recht komen in het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel kan in grote lijnen op brede steun rekenen. De fractie van de ChristenUnie heeft in het verslag ook geen bezwaren of vragen ingebracht, maar nadere bestudering leverde wel een lacune op, namelijk de plaatsonafhankelijke bijhouding. Het huidige wetsvoorstel bezorgt gemeenten veel werk dat is te voorkomen. Het is onnodig om een en hetzelfde rechtsfeit in meerdere gemeenten te registreren. Daarom ondersteunt mijn fractie het amendement van collega Schouw, dat deze onnodige drukte voorkomt.

Nu de naam van de heer Schouw toch valt, kom ik nog heel even bij een ander punt. Hij diende vorig jaar met collega Voortman een motie in om de regeling met de Stichting interkerkelijke ledenadministratie te heroverwegen, een motie waar ik niet helemaal gelukkig mee was. Ik dank de minister voor zijn brief, voor zijn reactie daarop. Het is een heldere brief. Het is goed om te horen dat deze mogelijkheid er is voor alle levensbeschouwelijke stromingen. Daar is helderheid over geschapen. Bovendien is nog eens bevestigd dat kerkgenootschappen niet zelf in de gemeentelijke administratie neuzen, want dat was toch een suggestie die in de motie zat, maar enkel via de SILA de gegevens van de leden krijgen. Nu beide overwegingen van de motie van de leden Schouw en Voortman daarmee niet ter zake blijken te zijn, neem ik aan dat hiermee de kous af is.

De heer Schouw (D66):

Ik dank de heer Segers voor de steun voor het amendement, maar ik zit nog met een puntje in de brief van de minister en de interpretatie daarvan. Hij schrijft: daarbij is de eis gesteld dat de SILA haar faciliteiten op gelijke voet ter beschikking moet stellen aan ieder kerkgenootschap of ander genootschap op geestelijke grondslag, dat van al die faciliteiten gebruik wenst te maken. Is de heer Segers het met mij eens dat het dus alleen maar gaat om organisaties die een geestelijke grondslag hebben?

De heer Segers (ChristenUnie):

Bovenaan dezelfde pagina staat een lijst, die op de pagina daarvoor begint, waarop zijn vermeld: pensioenfondsen, premiepensioeninstellingen, banken, effecteninstellingen, zorgverzekeraars en ja, daar staat ook de Stichting interkerkelijke ledenadministratie tussen. Veel organisaties kunnen gebruikmaken van de faciliteit. Die krijgen gegevens toegezonden als ze daar recht op hebben en gebruik van willen maken. Daartussen staat ook deze stichting. Zij heeft een heel speciaal oogmerk. Het gaat inderdaad om organisaties op geestelijke grondslag. Dan kan het gaan om kerken maar ook om humanisten of anderszins.

De heer Schouw (D66):

Dan zijn de heer Segers en ik het eens: de SILA kan alleen maar werken voor organisaties die een geestelijke grondslag hebben. Dan is mijn vervolgvraag of de heer Segers weet of de humanisten er thans gebruik van maken.

De heer Segers (ChristenUnie):

Op de laatste vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. Dat weet ik niet, maar dat ze er gebruik van kunnen maken, maakt de brief volstrekt helder. Ik onderstreep nog een keer dat SILA maar een van de organisaties is met een maatschappelijk belang die gebruikmaken van deze faciliteit. Dat is veel breder dan alleen organisaties op geestelijke grondslag. Dit is inderdaad heel specifiek, maar het gaat ook om instellingen en voorzieningen voor onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening. Dus dat is heel breed. Wat organisaties op geestelijke grondslag betreft: ja, humanisten kunnen daar ook gebruik van maken. Als ze dat willen kan dat volledig.

Dit wetsvoorstel regelt opnieuw de verstrekking van gegevens aan derden met een gewichtig maatschappelijk belang. Wij hadden het er al even over. Dit is breder dan SILA. Het gaat bijvoorbeeld om onderwijsinstellingen, pensioenfondsen, instellingen inzake registratie van kredieten en NS Reizigers. De manier waarop dit gebeurt, moet zorgvuldig en transparant zijn, zodat voor burgers kenbaar is hoe wordt omgegaan met hun geregistreerde gegevens. Juist daarom steunt mijn fractie het door collega Litjens voorgestelde amendement om een voorhangprocedure te houden bij de AMvB waarmee de nadere invulling wordt geregeld. Op dit moment bestaat namelijk de mogelijkheid om verstrekking van gegevens aan derden te blokkeren. Die mogelijkheid bestaat nu alleen bij SILA. Het ligt in de rede dat deze mogelijkheid ook in andere gevallen geboden wordt, zoals in dit wetsvoorstel staat.

Ik rond af. De ChristenUnie-fractie kan dit wetsvoorstel steunen, maar het is wel spannend om te zien of en hoe de implementatie op tijd en binnen het budget rondkomt en of alle gaten, die al eerder zijn genoemd, op een overtuigende manier gedicht worden.

De heer Litjens (VVD):

Voorzitter. Zo'n twaalf jaar geleden, in 2001, werd de aanzet gegeven tot een nieuwe Gemeentelijke Basisadministratie. In 2008, vijf jaar terug, trok voormalig staatssecretaris Bijleveld de stekker uit het project om het project vervolgens in 2009 op verzoek van en in overleg met gemeenten weer nieuw leven in te blazen. Een wetsvoorstel basisregistratie personen zou in 2009, uiterlijk 2010 naar de Kamer komen. Tegelijkertijd kon in afwachting van die wettelijke basis gestart worden met het Programma modernisering Gemeentelijke Basisadministratie.

Nu, vele debatten verder en twaalf jaar na de start, voeren wij dit debat in de hoop die wettelijke verankering op korte termijn te realiseren. Voor de VVD is het van het grootste belang dat de oorspronkelijke doelstellingen van dit project overeind blijven. Het wetsvoorstel moet een technische modernisering van de opzet van de basisregistratie mogelijk maken. De basisregistratie wordt uitgebreid met een register voor niet-ingezetenen. De kwaliteit en betrouwbaarheid van de basisadministratie moeten omhoog. En het wetsvoorstel moet een verbetering van de dienstverlening en een vermindering van de administratieve lasten mogelijk maken. Uit het voorstel blijkt dat in grote lijnen aan deze doelstellingen tegemoet wordt gekomen.

De VVD juicht het toe dat er één basisregistratie komt voor zowel ingezetenen als niet-ingezetenen, niet in de laatste plaats vanwege het belang van Nederlanders die in het buitenland verkeren en bij verkiezingen hun stem willen uitbrengen. Maar is het bedrag van 8,2 miljoen dat jaarlijks beschikbaar is voor het register van niet-ingezetenen, voldoende om de kosten te dekken? De kosten bedroegen in september 2012 reeds circa 11 miljoen euro. De verwachte toestroom van tijdelijke werknemers uit nieuwe lidstaten zal ongetwijfeld kostenverhogend werken.

Een centrale voorziening waarin ingezetenen en niet-ingezetenen worden bijgehouden, moet de mogelijkheid bieden om vanuit één centraal punt gegevens te verstrekken uit de basisregistratie personen in plaats vanuit afzonderlijke gemeenten. Wat de VVD betreft, is dat een verbetering. De VVD heeft eerder gevraagd wat er onder deze centrale voorziening kan worden begrepen en in hoeverre daarin wijzigingen kunnen optreden. Het antwoord van de minister daarop was verhelderend en heeft duidelijk gemaakt dat eventuele wijzigingen in de centrale voorziening in regelgeving zal worden vastgelegd. De VVD vraagt de minister in hoeverre de Kamer in deze wijziging van regelgeving kan worden gekend.

Bij inschrijven hoort ook vaak uitschrijven. Veel bewoners schrijven zich na vertrek niet uit als bewoner van een pand. Voor de eigenaren is dat vaak hinderlijk, maar ook vaak voor nieuwe bewoners, die niet zelden worden geconfronteerd met deurwaarders voor de vorige bewoners. In voorkomende gevallen kan een onderzoek worden ingesteld naar de verblijfplaats van een oude bewoner. Die onderzoeken zijn vaak tijdrovend en kosten geld. Kan de minister aangeven of dit wetsvoorstel de mogelijkheid biedt om snel en eenvoudig voor alle betrokkenen duidelijkheid te krijgen en tot uitschrijving door de overheid over te gaan?

Het verstrekken van gegevens aan derden is niet het primaire doel van een GBA. Bij de herziening van de Wet GBA is dat in het kader van de implementatie van de Europese privacyrichtlijn nog eens expliciet gevestigd. Deze verwijzing is echter achterwege gelaten omdat het wetsvoorstel, zo las ik in de memorie van toelichting van 171 pagina's, door de regeling van gevallen waarin en de voorwaarden waaronder verstrekking van gegevens aan derden is toegestaan, al voldoende duidelijk maakt dat deze verstrekkingen afwijken van die aan overheidsorganen. Dat kan de VVD begrijpen, maar al eerder heeft mijn voorganger, mevrouw Hennis, gevraagd waarom in de artikelen 3.3, 3.6 en 3.9 wordt volstaan met de algemene bepaling "door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang". Een opsomming, zoals in de huidige wet, is weliswaar niet limitatief, maar maakt toch inzichtelijk voor de Kamer voor welke gevallen deze mogelijkheid zou gelden. De VVD is niet van plan om het wetsvoorstel zodanig op de helling te gooien dat alsnog wordt teruggegrepen op de huidige formulering. De aangehaalde flexibiliteit en de snelheid waarmee in het voorstel via AMvB wordt bepaald welke organisaties hieronder vallen, is ook wat waard. Maar de VVD is wel van mening dat meer betrokkenheid van de Kamer bij deze afweging op haar plaats zou zijn. Het besluit om gegevens al dan niet te verstrekken hoort, gezien de privacygevoeligheid van deze gegevens, geen lichtvaardige beslissing te zijn. Daarom dien ik twee amendementen in die vragen om een voorhangprocedure in voornoemde gevallen. Hiermee worden de flexibiliteit en de snelheid niet al te zeer beperkt en houdt de Kamer toch de vinger aan de pols.

Bij de nota van wijziging is voorgesteld om de tweede nationaliteit van mensen die ook als Nederlander zijn geboren niet meer in de bevolkingsadministratie op te nemen. Als een tweede nationaliteit is geregistreerd, kunnen geboren Nederlanders die laten schrappen. Dat is in lijn met hetgeen waarvoor de VVD al jaren geleden heeft gepleit.

De heer Bosma (PVV):

De VVD wil de tweede nationaliteit een beetje verdonkeremanen terwijl het wel gewoon de realiteit is. De heer Litjens begon zijn bijdrage veelbelovend door te zeggen dat het gaat om de betrouwbaarheid van de GBA. Als die betrouwbaar is, moet daar toch alles in staan, ook zo'n cruciaal juridisch feit, namelijk onder hoeveel wetten iemand valt en welke nationaliteit iemand heeft?

De heer Litjens (VVD):

Ik heb geluisterd naar de bijdrage van de heer Bosma en hield daar toch een klein beetje het gevoel aan over dat hij spookbeelden ziet. Betrouwbaarheid is zeker van belang. De betrouwbaarheid wordt in mijn optiek echter absoluut niet geschaad door het niet meer vermelden van de tweede nationaliteit, zeker als dat een bewuste afweging is, want dan is de basisregistratie nog steeds betrouwbaar en accuraat.

De heer Bosma (PVV):

Die is betrouwbaar en accuraat, maar of iemand naast de Nederlandse nationaliteit ook Turk of Marokkaan is, weten we dan niet meer. Laat ik de spookbeelden wat realistischer maken. De Wet terroristische misdrijven is mede dankzij de VVD ingevoerd. Zij was daar zeer enthousiast over. Volgens die wet kun je iemand zijn Nederlandse nationaliteit afnemen. Dan moet je toch weten hoeveel nationaliteiten iemand heeft? De VVD gaat ervoor zorgen dat het straks helemaal is weggegumd.

De heer Litjens (VVD):

Voor de VVD is van belang dat mensen met een dubbele nationaliteit die geen belang hechten aan of geen prijs stellen op die tweede nationaliteit in de gelegenheid worden gesteld om daar afstand van te doen, bijvoorbeeld in het geval van echtscheiding en politieke vluchtelingen. Dat is voor de VVD van het grootste belang. De VVD is er ook van overtuigd dat voor voorkomende problemen, zoals de heer Bosma nu schetst, oplossingen gevonden worden.

De heer Bosma (PVV):

Ik stel er elk jaar minder prijs op om mijn leeftijd te weten. Is de heer Litjens genegen mij tegemoet te komen en nog zo'n mooi amendement te maken, waardoor leeftijden en geboortedata ook geschrapt kunnen worden? Ik woon in de socialistische volksrepubliek Amsterdam. Daar schaam ik mij vaak voor als ik zie wat het linkse gemeentebestuur nu weer uitvogelt. Ik wil dat ook graag geschrapt hebben. Dient de heer Litjens dan een amendement in waardoor wij dit allemaal kunnen schrappen?

De heer Litjens (VVD):

Nee, ik zal hiervoor geen amendement indienen. Ik kan de heer Bosma wel in zoverre tegemoetkomen dat ik hem beloof de komende vier jaar niet naar zijn leeftijd te vragen. Verder dan dat kan ik, vrees ik, niet gaan.

Maar al te vaak gebeurt het dat nabestaanden geconfronteerd worden met post die geadresseerd is aan een overledene. Dat is vaak een pijnlijke situatie. Niet alleen kort na het overlijden komt er vaak nog post, maar zelfs na verwoede pogingen ontvangen sommige nabestaanden nog jarenlang brieven, gericht aan overleden familieleden. Het blijkt ontzettend moeilijk te zijn om de namen van overledenen definitief uit adresbestanden te verwijderen. Dit moet op te lossen zijn. Stichting Postfilter, waarin postbedrijven en belangenbehartigers van de postsector verenigd zijn, kent het Nationaal Overledenenregister. Als dit overledenenregister, uiteraard onder geldende voorwaarden en beperkingen, gebruik zou kunnen maken van de gegevens uit de GBA, zou op een vrij eenvoudige wijze een oplossing voor een groot deel van dit probleem gevonden kunnen zijn. Is de minister bereid om te onderzoeken op welke wijze en onder welke voorwaarden medewerking kan worden verleend aan het verzoek van Stichting Postfilter om ten behoeve van het Nationaal Overledenenregister de beschikking te krijgen over de gegevens van overledenen uit de GBA? Daarbij vraagt de VVD nadrukkelijk om ook in beeld te brengen hoe voorkomen kan worden, niet alleen in het algemeen, maar ook in dit specifieke geval, dat medewerking aan een dergelijk initiatief zou leiden tot andere vormen van ongewenste benadering van nabestaanden. Het moet niet zo zijn dat met het tegengaan van de ene kwaal, een andere de kop op steekt. Het voorstel dat mensen zelf kunnen aangeven of zij hun gegevens te zijner tijd in het overledenenregister willen laten opnemen, zou daarbij een suggestie kunnen zijn.

De VVD staat sympathiek tegenover de plaatsonafhankelijke bijhouding, die met het amendement van de heer Schouw mogelijk moet worden gemaakt. Dit komt in hoge mate tegemoet aan de wens die, ook in onze richting, is geuit door de VNG. De VVD constateert echter dat met elke wens die extra wordt ingebracht, de complexiteit van de infrastructuur toeneemt. Graag verneemt de VVD van de minister of een dergelijke wijziging technisch niet tot extra complicaties leidt, want complex is dit traject zeker. Het zit 'm met name in de techniek.

De constatering die al eerder is gedaan door een aantal collega's dat dit wetsvoorstel een hoge mate van vrijheid geeft doordat de bepalingen die daar betrekking op hebben, zo veel mogelijk techniekonafhankelijk zijn geformuleerd, stemt de VVD niet gerust. In principe kan de VVD zich vinden in de lijn waarin een wetsvoorstel zich vooral beperkt tot het duidelijk formuleren van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verschillende overheidsorganen. Bij een project waarbij de technische uitvoering zo veel haken en ogen kent, ligt dat echter wel iets anders. In artikel 1.10 is bepaald dat bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur regels worden gesteld omtrent de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van de basisregistratie, en ook omtrent de uitwisseling van berichten tussen de centrale voorzieningen en de gemeentelijke voorzieningen. Gezien het belang van die regels en het moeizame proces van de modernisering van de GBA, vindt de VVD het van belang dat deze regels aan de Kamer worden voorgelegd voordat zij in werking treden. Hiertoe heb ik een amendement ingediend.

Als laatste kom ik op de spookburgers. Dat punt is ook al eerder genoemd. Op 12 maart jongstleden berichtte RTL dat het aantal spookburgers sneller stijgt dan ooit. Deze burgers zijn onvindbaar voor bijvoorbeeld de gemeentelijke belastingdienst, terwijl zij wel een uitkering ontvangen. De voormalig minister van Sociale Zaken heeft in 2011 al aangegeven dit op te gaan lossen. Onze vraag is, in navolging van collega's, of het huidige wetsvoorstel voorziet in een adequate aanpak hiervan.

Tot slot. Wij zullen op korte termijn in een algemeen overleg spreken over het programma modernisering GBA. Wij komen daar te spreken over het belang van een logisch ontwerp, over stoplichten die op rood en oranje staan en over tal van aansturingsproblemen. Daar zullen wij de techniek, die zo cruciaal is voor het welslagen van datgene wat in dit wetsvoorstel wordt beoogd, verder onder de loep nemen. Daar zie ik naar uit.

De heer Van Raak (SP):

Daar zie ik ook naar uit. Ik ben alleen een beetje bang dat wij vandaag of volgende week ja zeggen tegen een kader, dat vervolgens aangenomen is en dus een wet is. Als naderhand tijdens het overleg over de technische uitwerking blijkt dat wij heel veel vragen hebben, hebben wij de wet al goedgekeurd! Is het niet veel logischer om het andersom te doen en onszelf eerst beter te laten informeren over de technische uitwerking, zodat wij met een gerust hart ja kunnen zeggen?

De heer Litjens (VVD):

Ik heb geprobeerd om een van de door de heer Van Raak getelde 38 gaten te dichten. Ik heb er nog twee andere gaten bij gevonden waarvan de noodzaak het grootst is dat ze gedicht worden, in die zin dat de Kamer hierover nog een Algemene Maatregel van Bestuur voorgelegd krijgt. Met name de technische uitwerking is cruciaal. Die zou eerst naar de Kamer moeten komen. Daar ligt onze grootste zorg. Wellicht wordt die niet helemaal opgelost; ook dat zal in goed overleg verder besproken moeten worden. In ieder geval zijn wij via de voorhangprocedure in staat om de technische uitwerking hier in de Kamer nog verder te bespreken, op de plek waar het wat mij betreft hoort.

De heer Van Raak (SP):

Dat klopt en dat ga ik van harte steunen. Goed werk; complimenten! Even wachten met het aannemen van de kaderwet staat de verdere ontwikkeling echter niet in de weg. Die ontwikkeling is al twaalf jaar bezig. Volgens mij kunnen wij net zo goed nog een kleine pas op de plaats maken en besluiten dat wij eerst de technische ontwikkeling in eerste aanzet met de minister willen bespreken en daarna pas willen stemmen over deze kaderwet. Ziet de heer Litjens daarin een zekere logica of niet?

De heer Litjens (VVD):

Ik zie daarin logica, maar ik constateer ook dat het project modernisering GBA al jaren geleden is gestart zonder dat daarvoor een wettelijke basis was. Het lijkt mij logisch dat wij die wettelijke basis nu eindelijk gaan regelen. Ik heb niet de illusie dat wij binnen deze kabinetsperiode nog tot een wet komen als wij maar wachten tot de laatste technische details opgelost zijn en daarna pas het wetsvoorstel goedkeuren. Dit zal een kwestie van voortdurende aandacht en verbetering blijven. Misschien is het raadzaam om de minister te vragen op welke termijn dit allemaal moet; dat kan ik vanaf deze plaats ook namens de heer Van Raak doen. In de procedurevergadering hebben wij al gesproken over het tijdstip waarop dit alles behandeld moet worden en de samenhang met de modernisering. Misschien kan de minister daarop zijn licht laten schijnen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 21.34 uur.