Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 72, item 37

37 Studieadvies

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 2 april 2013 over uitbreiding van het bindend studieadvies.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Het bindend studieadvies in hoge leerjaren steekt D66 als een graat in de keel. Wij moeten dat niet doen en daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het eerste jaar van een studie oriënterend en selecterend moet zijn, maar dat daarna een student volstrekte duidelijkheid moet hebben of hij op de goede plek zit;

verzoekt de regering, af te zien van de uitbreiding van het bindend studieadvies naar latere studiejaren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 332 (31288).

De heer Van Meenen (D66):

Dan kom ik nu op de omvang van het experiment. Stel dat mijn motie op stuk nr. 332 niet wordt aangenomen, dan dien ik nu met het oog daarop de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitbreiding van het bindend studieadvies een experiment is op basis van artikel 1.7a van de WHW (zoals ingevoerd met de Wet Versterking besturing bij instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten);

overwegende dat dit artikel ruimte biedt om nieuwe innovatieve ideeën sneller te testen zonder dat een wetswijziging nodig is;

overwegende dat bij een echt experiment het logischer is dat enkele opleidingen worden uitgekozen in plaats van complete instellingen die zelf kunnen bepalen of zij volledig meedoen;

verzoekt de regering, de uitbreiding van het BSA echt een experiment te laten zijn en deze te maximeren op twaalf opleidingen, waarvan er maximaal twee op een instelling mogen zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 333 (31288).

De heer Van Meenen (D66):

Ten slotte dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de voorwaarden waar instellingen aan moeten voldoen om deel te nemen aan de uitbreiding van het bindend studieadvies minimaal geformuleerd zijn;

verzoekt de regering, voor deze opleidingen uiterlijk augustus 2014 inzichtelijk te maken welke kwaliteitsverbeteringen voor onderwijs en begeleiding zij hebben doorgevoerd om zich voor dit experiment te kwalificeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 334 (31288).

De heer Jasper van Dijk (SP):

De Meenen is volgens mij in al zijn bevlogenheid vergeten te melden dat de eerste motie die hij heeft ingediend, door mij is meeondertekend.

De heer Van Meenen (D66):

Excuses, de motie is inderdaad mede namens de heer Van Dijk ingediend.

De voorzitter:

Dat is dan vanaf nu voor eeuwig in de annalen vastgelegd.

De heer Klaver van GroenLinks heeft zich verontschuldigd. De heer Beertema ziet af van zijn spreektijd. Het woord is aan de heer Mohandis van de Partij van de Arbeid.

De heer Mohandis (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben een algemeen overleg gehad over dit onderwerp. De Partij van de Arbeid heeft altijd gezegd, kritisch te zijn over de omvang die werd voorgesteld, maar kan leven met een kleiner experiment, dat wordt beperkt als het gaat om het kunnen wegsturen van studenten in het derde jaar. Ik dien twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op basis van artikel 7 van de AMvB Experiment uitbreiding bindend studieadvies (BSA) studenten in het hoger beroepsonderwijs tot en met het derde studiejaar een bindend negatief studieadvies voor hun opleiding kunnen ontvangen;

overwegende dat het onwenselijk is dat studenten in het derde jaar, wanneer zij al ver gevorderd zijn in hun opleiding, weggestuurd kunnen worden;

verzoekt de regering, artikel 7 van de AMvB zodanig te wijzigen of te verduidelijken dat van gedwongen beëindiging van een studie in het derde studiejaar geen sprake meer kan zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 335 (31288).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het binnen de huidige AMvB bij het experiment uitbreiding bindend studieadvies (BSA) het aantal hogeronderwijsinstellingen en -opleidingen dat deelneemt ongelimiteerd is;

overwegende dat het experiment uitbreiding BSA effecten kan hebben voor studenten op aan het experiment deelnemende instellingen;

overwegende dat naar verluidt ruim twintig instellingen interesse lijken te hebben in dit experiment;

verzoekt de regering, het experiment in samenspraak met de koepelorganisaties in het hoger onderwijs qua omvang en deelname van het aantal instellingen nadrukkelijk te beperken;

verzoekt de regering voorts, het aantal bij het experiment betrokken studenten van de deelnemende instellingen te maximeren tot 10% van de totale studentenpopulatie in Nederland;

verzoekt de regering tot slot, te zorgen voor voldoende studiekeuzemogelijkheden voor studenten om een opleiding te volgen zonder deel te nemen aan het experiment en over de exacte uitwerking van deze randvoorwaarden tijdig terug te rapporteren aan de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 336 (31288).

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb een vraag ter toelichting. Die 10%, betreft dat 10% van de studenten over verschillende leerjaren bij elkaar of 10% per jaar?

De heer Mohandis (PvdA):

Nee. Het gaat om het maximeren op 10% van het totale aantal studenten in Nederland, dus niet per instelling of per opleiding.

De heer Van Meenen (D66):

Over alle jaren heen?

De heer Mohandis (PvdA):

Ik heb een motie ingediend met het verzoek om het bindend studieadvies te beperken tot het tweede studiejaar.

De heer Van Meenen (D66):

Als ik dan doorredeneer, zijn die 10% 15.000 studenten in één jaar. Als wij doorgaan met dat experiment, worden dat er elk jaar meer. Dan zouden er zomaar in totaal 90.000 studenten bij het experiment betrokken zijn. Ik vind 15.000 al veel.

De heer Mohandis (PvdA):

Met 10% van de totale studentenpopulatie kom je uit op ongeveer 65.000 studenten. Ik begrijp dus niet precies wat de heer Van Meenen bedoelt. Daarnaast hoeft wat de PvdA betreft 90% van het totale aantal studenten niet in aanraking te komen met een AMvB in latere jaren en vinden wij dat er voldoende alternatieven moeten zijn. Zo heb ik die motie ingestoken.

De voorzitter:

Dat lijkt mij duidelijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb ook nog een verhelderende vraag. In de motie staat ook het verzoek om het aantal instellingen dat deelneemt aan het experiment nadrukkelijk te beperken. Wat bedoelt de heer Mohandis daarmee?

De heer Mohandis (PvdA):

Ik kan even het geheugen opfrissen. Wij hebben in het algemeen overleg gesproken over het aantal instellingen. Wij kwamen toen uit op ongeveer de helft. Stel dat twaalf of dertien instellingen kunnen deelnemen – dat is ongeveer de helft – zouden dat ook de twaalf of dertien grootste instellingen in Nederland kunnen zijn. Dan gaat het om veel meer studenten. Ik heb het maar zo geformuleerd dat wij het experiment beperken tot maximaal 10% van de totale studentenpopulatie.

De heer Duisenberg (VVD):

Voorzitter. Ik heb tijdens het algemeen overleg tegen de minister gezegd dat ik enthousiast ben over dit experiment. Waarom? Ik wijs op de commissie-Veerman, de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, prestatieafspraken met de instellingen, meer ambitie in het onderwijs en meer profileringsmogelijkheden voor instellingen. Bovendien legt dit experiment geen verplichtingen op. Het biedt de mogelijkheid, maar het is aan de instellingen om te bepalen of zij meedoen aan dit experiment. Studenten kunnen ervoor kiezen of zij bij zo'n instelling willen studeren. De VVD-fractie is tevreden met de toezegging van de minister om niet alleen na vijf jaar, maar ook tussentijds jaarlijks het experiment te evalueren.

Ik heb geen motie, maar wel nog een vraag ter verheldering naar aanleiding van het verslag van het algemeen overleg dat ik ontving. Ik heb gevraagd om ook deelname aan topsport, het volgen van een tweede studie of het starten van een onderneming te kunnen kwalificeren als redenen om een hardheidsclausule toe te passen. De minister heeft toegezegd dat in de AMvB een juridische beschrijving van de hardheidsclausule zal worden opgenomen. Ik vraag haar om dat even praktisch in mijn taal toe te lichten. Wordt daarmee inderdaad de door mij bedoelde ruimte voor bijvoorbeeld topsport, een tweede studie of het starten van een onderneming voor instellingen gecreëerd?

Nogmaals, alle steun en enthousiasme voor het besluit en voor het experiment.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. De SGP is voor hard studeren en hard werken, de mouwen oprollen en ertegenaan. De vraag is natuurlijk hoe je dat organiseert. Als een instelling nog in het tweede jaar behoefte heeft aan een bindend studieadvies, mankeert er naar het oordeel van de SGP iets aan het determinatievermogen van die instelling in het eerste jaar. Je bent gewoon te laat. Laat staan dat een instelling nog in het derde jaar behoefte heeft aan een bindend studieadvies. Dit zijn draconische maatregelen die studenten kunnen treffen die een tijdelijke inzinking hebben of wat dan ook. Het is een slechte zaak om dit op deze wijze vorm te geven, nog afgezien van het effect van het beoogde sociale leenstelsel. Dat zal eenzelfde soort aandrijvende en aansporende werking op studenten hebben. Dit heeft ons gebracht tot het opstellen van een motie, die ik nu zal indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat als wezenlijk element van het hoger onderwijs en de academische vorming studenten zelfstandig de ontwikkeling en planning van hun studie moeten kunnen inrichten;

constaterende dat de regering voornemens is, een leenstelsel in te voeren waardoor voor studenten aanmerkelijke prikkels ontstaan om de studievoortgang te bewaken;

verzoekt de regering, de voorgehangen Algemene Maatregel van Bestuur te beperken tot:

  • - de voorgestelde aanscherping van het bindend studieadvies in het eerste studiejaar, waarbij als criterium wordt gehanteerd dat instellingen studenten kunnen uitschrijven vanaf het moment dat duidelijk is dat zij niet meer aan de gestelde criteria kunnen voldoen;

  • - een bindend studieadvies voor studenten die langer staan ingeschreven dan de nominale studieduur en die nauwelijks studievoortgang boeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 337 (31288).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste motie is een verzoek aan de Kamer. Ik vind namelijk dat de Kamer betrokken moet zijn bij dit in potentie ingrijpende experiment. De tweede motie gaat over het instemmingsrecht. De moties luiden als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister van OCW per 1 september 2013 voornemens is, een vergaand "experiment" mogelijk te maken, waarbij studenten ook in het tweede en derde jaar een bindend studieadvies kunnen krijgen;

constaterende dat instellingen zich tot 1 juni aanstaande kunnen inschrijven voor dit experiment;

van mening dat de Kamer moet kunnen oordelen over omvang en reikwijdte van dit experiment;

spreekt uit dat de Kamer na 1 juni een parlementair oordeel uitspreekt over de wenselijkheid van het experiment rond de uitbreiding van het bindend studieadvies,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk en Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 338 (31288).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister van OCW per 1 september 2013 voornemens is, een vergaand "experiment" mogelijk te maken, waarbij studenten ook in het tweede en derde jaar een bindend studieadvies kunnen krijgen;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat de medezeggenschapsraad instemmingsrecht krijgt over het experiment rond de uitbreiding van het bindend studieadvies,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk en Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 339 (31288).

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Het leenstelsel hangt als een zwaard van Damocles boven de hoofden van onze studenten. Daar komt nog een experiment met een bindend studieadvies bij. In potentie een buitengewoon giftige cocktail, vandaar dat wij hierover inspraak willen van studenten. Mijn motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is, een sociaal leenstelsel in te voeren;

constaterende dat het kabinet tevens voornemens is, een strenger bindend studieadvies in te voeren;

overwegende dat de gevolgen van deze maatregelen afzonderlijk op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet zijn te overzien, laat staan wat het effect is van de invoering van beide maatregelen;

verzoekt de regering, het voor studenten binnen de medezeggenschapstructuren mogelijk te maken, het experiment bindend studieadvies te stoppen voor hun studie indien het sociaal leenstelsel wordt ingevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 340 (31288).

Dank u wel, mijnheer Rog. Ik geef de minister de gelegenheid om naar de moties te kijken.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Ik begin met de vraag van de heer Duisenberg over de hardheidsclausule en het rekening houden met specifieke categorieën studenten. Ik heb dat tijdens het debat al toegezegd. Ik kan het nog een keer herhalen, met de voorbeelden die de heer Duisenberg noemde. Er komt een hardheidsclausule. Die wordt toegevoegd aan de AMvB, zodat nader door de instelling te bepalen persoonlijke omstandigheden kunnen worden meegenomen. Op die manier worden deze groepen studenten uitgezonderd van de regeling. Dat kunnen topsporters zijn, studenten met twee studies, studenten met een onderneming, en gehandicapten. Dat zijn de vaak voorkomende categorieën die in dat verband worden genoemd. Er kan in de regeling ook een afwijkende norm vooraf worden opgenomen voor één of alle van deze genoemde categorieën.

Ik kom bij de moties. In de motie van de leden Van Meenen en Jasper van Dijk op stuk nr. 332 wordt de regering gevraagd af te zien van de uitbreiding van het bindend studieadvies naar latere studiejaren. Het zal u niet verbazen, voorzitter, dat ik deze motie ontraad, want die is strijdig met mijn voornemens, maar ook met het hoofdlijnenakkoord dat met de HBO-raad en de VSNU is gesloten en met de prestatieafspraken waar de instellingen in het hoger onderwijs mee bezig zijn.

In de motie van de heer Van Meenen op stuk nr. 333 wordt de regering gevraagd het bindend studieadvies echt een experiment te laten zijn en te maximeren op twaalf opleidingen, waarvan er maximaal twee op een instelling mogen zitten. Ik ontraad deze motie, want ik vind die onwenselijk. Het moet een experiment zijn, maar dat kan betekenen dat een instelling meerdere opleidingen of bijna alle opleidingen hiervoor wil aanmerken. De instelling moet dat dan wel duidelijk maken, zodat een student altijd kan kiezen om bij een instelling te gaan studeren waar men geen bindend studieadvies hanteert. Daarmee kunnen wij zien wat het verschil is bij opleidingen c.q. instellingen die met dat bindend studieadvies willen werken. Voor de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om hiermee aan de slag te gaan, maakt het niet uit of het voor twaalf opleidingen of hoeveel opleidingen dan ook is. Elke opleiding die met het bindend studieadvies aan de slag wil, zal moeten laten zien dat er goede voorzieningen zijn en een passende onderwijsintensiteit. Ik vind de motie ook onwenselijk, omdat ik niet kan zeggen voor welke twaalf opleidingen het zou gaan gelden. Stel dat dit de twaalf grootste opleidingen in Nederland zijn. Dan zou dat wel eens een grote groep studenten kunnen treffen. Ik krijg juist signalen dat instellingen het soms voor brede en grote opleidingen willen doen, bijvoorbeeld rechten, maar er zijn ook instellingen die aangeven dat ze het voor heel kleine, meer university collegeachtige opleidingen willen doen. Kortom, ik ontraad deze motie.

De heer Van Meenen (D66):

Dan blijft de vraag over of er dan überhaupt beperkingen zijn, behalve het feit dat studenten nog ergens in het land een opleiding zonder bindend studieadvies zouden moeten kunnen volgen. De minister zegt ook iets over de grootte van de opleidingen. Dat klinkt alsof zij het ongewenst vindt dat grote opleidingen meedoen. Als dat echter geen criterium is, dan beschouw ik dit als een obligate tekst, want dat gaat geen rol spelen bij de afweging die zij maakt.

Minister Bussemaker:

De heer Van Meenen heeft mij niet goed begrepen. Ik vind het juist interessant als verschillende soorten opleidingen hiermee gaan werken. Dat heb ik ook aangegeven bij het AO. Het kan met verschillende onderwijsconcepten die eraan ten grondslag liggen. Dat kunnen grote opleidingen zijn, met veel studenten, waar nu de uitval na het eerste jaar nog groot is, omdat men constateert dat die studenten het tempo vertragen. Het kunnen ook opleidingen zijn waar men juist een heel intensieve structuur hanteert, bijvoorbeeld om elke week samen met studenten opdrachten te maken. Dan denk ik meer aan een university collegemodel. Dat kan allemaal. Ik vind die variëteit juist interessant. Ik heb al gezegd dat ik het zelf niet wenselijk vind als het voor een al te grote groep geldt. Ik zal het altijd tegenhouden als er geen andere opleiding in Nederland is die studenten kunnen volgen zonder bindend studieadvies en als ik zorgen heb over de toegankelijkheid. Daar mag de Kamer mij op aanspreken. Daarnaast moeten instellingen ervoor zorgen dat ze goede voorzieningen treffen die passen bij de onderwijsintensiteit en intensieve studiebegeleiding.

Dat brengt mij bij de motie-Van Meenen op stuk nr. 334, waarin de regering wordt verzocht om voor deze opleidingen uiterlijk in augustus 2014 inzichtelijk te maken welke kwaliteitsverbeteringen voor onderwijs en begeleiding zij hebben doorgevoerd om zich voor dit experiment te kwalificeren. Ik kan deze motie zien als ondersteuning van beleid. Zoals ik in het AO ook heb aangegeven moeten instellingen bij het aanvragen van het experiment al aankondigen welke maatregelen zij zullen nemen of al hebben genomen om aan de randvoorwaarden en gevraagde voorzieningen te voldoen. Instellingsplannen zijn dan al langs de medezeggenschap gegaan. Dus bij aanvang van het experiment moet in elk geval helder en duidelijk zijn dat er sprake is van een afdoende basisniveau van de voorzieningen.

In de motie-Mohandis op stuk nr. 335 wordt de regering verzocht artikel 7 van de AMvB zodanig te wijzigen dat van gedwongen beëindiging van een studie in het derde studiejaar geen sprake meer kan zijn. De oorspronkelijke AMvB bevatte inderdaad de mogelijkheid om ook het derde jaar mee te nemen. Daarbij dacht ik vooral aan het hbo, want naarmate een student verder is in een studie wordt de verantwoordelijkheid van een instelling groter om de student te begeleiden naar een eindresultaat, een diploma. Daar kan dus niet lichtzinnig mee worden omgegaan. Maar gehoord de Kamer laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik heb overigens geen signalen van instellingen dat zij het bindend studieadvies voor het derde studiejaar willen invoeren. In de praktijk zal het vooralsnog dus ook niet tot veranderingen leiden. De instellingen die zich gemeld hebben, geven namelijk met interesse aan dat zij dat voor het tweede studiejaar willen doen.

De voorzitter:

Ik wil de vragen beperken tot de eerste indieners van de motie, maar als u kort kunt zijn, mijnheer Van Meenen, geef ik u het woord.

De heer Van Meenen (D66):

De toekomst van veel studenten staat hier op het spel, vandaar deze vraag. In de argumentatie op mijn motie werd gezegd: ik heb afspraken gemaakt met de instellingen, ook prestatieafspraken. Die afspraken gaan ook over het derde studiejaar. Nu ziet de minister daar eigenlijk op verzoek van af. Ik ben het daar ook mee eens. Laten wij het dan ook meteen met het tweede jaar doen, maar ik begrijp niet dat zij met hetzelfde argument tot twee verschillende conclusies kan komen. Wat zijn de afspraken met de instellingen nu precies waard?

Minister Bussemaker:

Tel uw zegeningen; ik heb goed naar de Kamer geluisterd. Het zou niet mijn keus geweest zijn, maar dit vind ik alleszins redelijk, omdat wij dan wel een stap zetten naar versterking in het eerste en tweede jaar. Dan kunnen wij bekijken hoe dat verloopt. Ik constateer ook dat instellingen nog geen interesse getoond hebben voor dat derde jaar. Wij beginnen dus met het tweede jaar. Als dat een doorslaand succes mocht zijn, kom ik bij de Kamer terug met een brief met de argumenten. Dan hoop ik de Kamer te overtuigen van het mogelijk maken van een derde jaar. Mocht het geen succes zijn, dan ben ik blij dat ik goed naar de heer Van Meenen geluisterd heb en dat wij het alleen voor het tweede jaar doen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik probeer te ontcijferen wat de adviezen van de minister precies betekenen. Wil zij zeggen: ik voer deze motie uit? Of zegt zij: als zij wordt aangenomen, voer ik haar uit?

Minister Bussemaker:

Ik voer haar uit als zij wordt aangenomen, want ik luister naar de Kamer. De Kamer vraagt erom. Ik heb er geen moeite mee. Dus ik laat het oordeel aan de Kamer. Zo heb ik het letterlijk gezegd.

In de motie-Mohandis op stuk nr. 336 wordt de regering verzocht het experiment in samenspraak met de koepelorganisaties in het hoger onderwijs qua omvang en deelname van het aantal instellingen nadrukkelijk te beperken, wordt de regering voorts verzocht het aantal bij het experiment betrokken studenten te maximeren tot 10% en wordt de regering tot slot verzocht te zorgen voor voldoende studiekeuzemogelijkheden voor studenten om een opleiding te volgen zonder deel te nemen aan het experiment. Hiervoor geldt ook: gehoord de zorgen die in de Kamer leven en de gesprekken die wij tot nu toe met instellingen hebben gehad, vind ik deze motie aanvaardbaar. Dus ik laat het oordeel aan de Kamer. Wat betreft het derde onderdeel van het dictum, ik heb het al een- en andermaal gezegd: het is voor mij een harde voorwaarde dat een student een opleiding zonder bindend studieadvies kan volgen. Daarom ben ik, anders dan de heer Van Meenen, ook niet bang dat dit voor enorm grote groepen studenten problemen veroorzaakt. Ze hoeven er helemaal niet mee geconfronteerd te worden.

In het eerste deel van het dictum wordt de regering verzocht om in samenspraak het experiment qua omvang en deelname van het aantal instellingen nadrukkelijk te beperken. Daar ben ik mee bezig. We voeren op dit moment overleg met de koepels, die ook naar dit debat hebben geluisterd. Ik kan de heer Mohandis toezeggen om het aantal deelnemende studenten te beperken tot 10% van de totale studentenpopulatie. Ook zonder deze motie is het overigens, op basis van de gegevens die ik tot nu toe heb over de belangstelling, onwaarschijnlijk dat al in het eerste jaar, dus in 2014, de 10% bereikt wordt. Ik zei al dat sommige instellingen het zeer breed willen invoeren. Dat is het geval in Leiden, afgezien van de unicaopleidingen, want die krijgen geen toestemming van mij. Andere opleidingen willen het voor één opleiding doen of voor enkele kleine opleidingen. Als deze motie wordt aangenomen, dan zal ik haar dus uitvoeren.

De heer Bisschop verzoekt de regering in zijn motie op stuk nr. 337 om de AMvB te beperken tot het eerste jaar – daar heb ik het al over gehad – en tot studenten die langer staan ingeschreven dan de nominale studieduur. Ik ontraad deze motie. Op het eerste jaar ben ik zonet al ingegaan. Ik ontraad ook de relatie met de nominale studieduur, omdat het juist interessant is om te kijken naar het onderwijsconcept dat ermee samenhangt. Ik heb overigens ook bezwaar tegen de directe relatie die wordt gelegd met het leenstelsel, want een leenstelsel kan heel goed samengaan met verschillende onderwijsconcepten, waaronder het bindend studieadvies.

Ik ga nu in op de motie van de leden Van Dijk en Van Meenen op stuk nr. 338, waarin staat: spreekt uit dat de Kamer na 1 juli een parlementair oordeel uitspreekt. Het is eigenlijk een motie die aan de Kamer zelf is gericht. Ik hoef er dus niet op in te gaan, maar ik zeg de indieners wel dat ik de AMvB pas formeel vaststel na het advies van de Raad van State. Dat betekent dat na dit debat ook de Eerste Kamer nog in de gelegenheid is om vragen te stellen. Het zal dan waarschijnlijk eind april zijn als ik de AMvB naar de Raad van State stuur. Ik heb de instellingen een deadline gegeven van 1 juni, dus die deadline heb ik ook. Ik ben graag bereid om de Tweede Kamer na 1 juni te informeren welke instellingen voor welke opleidingen met een bindend studieadvies willen gaan werken. Het is dan verder aan de Kamer wat zij daarmee doet.

In de motie-Van Dijk/Van Meenen op stuk nr. 339 wordt de regering verzocht om de medezeggenschapsraad instemmingsrecht te geven. Ik ontraad deze motie, want voor de eisen die aan studenten worden gesteld door een instelling kennen we een algemeen adviesrecht. Dat kennen we ook voor de overige onderdelen. Ik wil daar dus voor dit onderdeel geen uitzondering op maken. Als we namelijk bij dit onderdeel instemming zouden vragen van studenten, gaat het hele gebouw van medezeggenschap schuiven. Ik hecht er overigens wel aan dat een instelling instemming krijgt van de medezeggenschap. Als zij die instemming niet krijgt, zou dat weleens een waarschuwing kunnen zijn, ook voor mij: komt de toegankelijkheid niet in gevaar en heeft de instelling wel alles op orde? Het mag natuurlijk niet betekenen dat de medezeggenschap besluit om er niet eens meer serieus naar te kijken omdat het toch niet doorgaat. Het is van belang dat er serieus naar gekeken wordt en ik constateer ook dat de medezeggenschap bereid is om mee te gaan, zoals in Leiden.

Tot slot kom ik bij de motie van de heer Rog op stuk nr. 340. Daarin wordt de regering verzocht het voor studenten binnen de medezeggenschapstructuren mogelijk te maken het experiment bindend studieadvies te stoppen voor hun studie indien het sociaal leenstelsel wordt ingevoerd. Deze motie ontraad ik. Ik heb bezwaar tegen de directe koppeling tussen het bindend studieadvies en het sociaal leenstelsel. Studenten kiezen namelijk bewust. Dat is ook bij een sociaal leenstelsel nog steeds het geval. Een sociaal leenstelsel kan heel goed samengaan met een concept waarin studenten gestimuleerd worden om tempo te houden, intensief te werken en met elkaar een ambitieuze studiecultuur te creëren. Dat is namelijk de achtergrond hiervan. De achtergrond is niet het opjagen van studenten, zoals ik bij sommigen beluister. Vandaar ook dat tweezijdige karakter en de verantwoordelijkheid voor de instelling om ervoor te zorgen dat studenten een studeerbaar programma hebben. Als het gaat om opleidingen, zijn er overigens ook nog opleidingscommissies. Ook daar kunnen studenten hun stem laten horen. Dat staat dan nog los van de medezeggenschap voor de hele instelling als geheel. Dat verandert mijn oordeel over de motie echter niet; ik ontraad haar dus. Daarmee ben ik aan het eind gekomen van mijn beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Aanstaande dinsdag zullen we stemmen over deze negen moties.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.