Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 103, pagina 7358-7366

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het voorstel van wet van de leden Ten Hoopen en Samsom tot het stellen van regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers (Warmtewet) (29048).

(Zie vergadering van 26 juni 2006.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Voorzitter. Ik dank u wel. Ik dank ook de leden voor de gemaakte opmerkingen. In onze brief hebben wij al een reactie gegeven op de verschillende amendementen, zoals ook de heer Jansen ons heeft verzocht, te doen. Vandaag gaan wij in op de hoofdpunten die nog openstaan.

In een van de gesprekken die de heer Samsom en ik met de "stakeholders" hadden, werd gezegd dat het gemakkelijker was om de Grondwet te wijzigen dan energiewetgeving. Ik kijk even met een schuin oog naar de minister en zie een zekere blijk van herkenning. Tja, hoe zou dat nu komen? U zult begrijpen dat ook wij instemmend knikten.

De heer Graus vroeg waarom het zo lang heeft geduurd. Dat komt omdat de wet nogal grote gevolgen voor de energiebedrijven en uiteraard ook voor de consumenten heeft. Bepaalde fracties vonden dat het concept van onze wet niet duurzaam was. Daar hebben wij rekening mee gehouden. Wij zijn ervan overtuigd dat de wet mede dankzij de inbreng van de Kamer – je zou kunnen zeggen: in coöperatie – nu in balans is.

Het lijkt mij hoog tijd om consumenten te beschermen. Die noodzaak blijkt eigenlijk uit twee rapporten van de Algemene Rekenkamer. Uit het eerste rapport kan worden afgeleid dat met warmteprojecten forse winsten worden geboekt en uit het tweede rapport blijkt dat de tarieven voor stadsverwarming niet onafhankelijk en objectief tot stand komen en dat onafhankelijk toezicht eigenlijk gewoon ontbreekt. Volgens de Algemene Rekenkamer betalen in elk geval de bewoners van nieuwe woningen met stadsverwarming te veel. Collega Samsom en ik zijn dan ook verheugd over de steun aan de warmtewet. Deze is hard nodig om een einde te maken aan de windfall profits van de energiebedrijven.

Ik zal ingaan op de vragen over prijzen, "pooling" en de terugwerkende kracht. Collega Samsom zal de overige onderwerpen behandelen. De heer Kortenhorst vroeg uit welke onderdelen de redelijke prijs bestaat. Die bestaat uit de integrale kostprijs en een redelijk rendement. Met andere woorden: vergunninghouders mogen alle daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening brengen. De heer Kortenhorst vroeg of kostgeoriënteerde tarieven inderdaad uit die twee elementen bestaan: de efficiënte, integrale kostprijs en een redelijk rendement. Door de term efficiënt kan de NMa ook kijken naar kostenefficiënte warmteleveranciers. Dat maakt uiteindelijk op termijn ook een benchmark mogelijk. Wij zijn het dus wat dat betreft eens met het CDA, want innovatie en efficiency zijn van groot belang. Wel denken wij dat het beter is om te wachten, zodat het systeem eerst goed wordt ontwikkeld en het staat. Daarna kunnen wij de NMa naar de hoogte van de kosten laten kijken.

De heer Samsom en ik vinden dat de redelijke prijs cruciaal en onmisbaar is om gebonden afnemers te beschermen. Zonder redelijke prijs zijn uiteindelijk windfall profits mogelijk. De maximumprijs houdt immers geen rekening met de werkelijke kosten van het project en het redelijk rendement.

De heer Zijlstra heeft het amendement op stuk nr. 31 ingediend om de redelijke prijs per warmteproject vast te stellen en niet per project. De aanneming van dat amendement hebben wij ontraden. Ook de heer Van der Vlies vroeg daarnaar. Ik zie hem daar zitten.

Wij hebben vier, naar onze overtuiging steekhoudende argumenten om voor een prijs per project te kiezen. Ten eerste zijn warmteprojecten lokale projecten. Dat is een groot verschil met het transport van gas en elektriciteit, want die hebben landelijk dekkende netten. Ten tweede is er dankzij een prijs per project meer transparantie en een beter toezicht mogelijk. Ten derde verhoogt een prijs per project de urgentie om de kosten van inefficiënte projecten te verlagen. Precies daarop wees de Raad van State.

De heer Zijlstra stelt dat klanten geen begrip hebben voor een variërende redelijke prijs. Die redenering delen wij niet. Door de koppeling van gas aan de olieprijs wisselt de maximumprijs juist sterker dan de redelijke prijs, zeker in het huidige tijdperk met een sterke stijging van de olieprijs en de daaraan gekoppelde gasprijs. In het systeem van de heer Zijlstra is de prikkel voor een efficiënt project om de kosten te verlagen uiteindelijk kleiner. Dit zei ook de Raad van State. Wij denken om deze en de hiervoor genoemde redenen dat het amendement van de heer Zijlstra uiteindelijk tot een hogere prijs leidt. Hopelijk hebben wij de Kamer ervan overtuigd dat dit uiteindelijk slecht nieuws is voor de consument.

Mevrouw Neppérus (VVD):

U hebt het idee dat met uw voorstel uiteindelijk de consument een lagere prijs zal hebben. Bij andere bedrijven die op publiek terrein werkzaam zijn, wordt echter wel per bedrijf gekeken. Ik vind dat toch vreemd en ik ben nog niet overtuigd.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Ik heb u vier argumenten gegeven waarom wij dit vinden. Wij kunnen de situaties ook niet één op één vergelijken omdat het, anders dan bij gas en elektra, niet gaat om een landelijk dekkend net en omdat projecten sterk afhankelijk zijn van de warmtebron. Er zijn veel argumenten die pleiten voor een benadering per project, los van het feit dat hierdoor zicht ontstaat op de kostenopbouw. In antwoord op de vraag van de heer Kortenhorst heb ik gezegd dat alle kosten kunnen worden toegerekend en dat een benchmark wordt ontwikkeld om efficiency en innovatie verder te stimuleren.

Mevrouw Neppérus (VVD):

U spreekt steeds over een landelijk dekkend netwerk, maar hoe denkt u dan over de drinkwaterbedrijven, die meestal ook regionaal werken?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Wij hebben vandaag gestemd over de Waterwet, waarin wij nu juist ook hebben bepaald dat wij die wet op geen enkele manier in een commerciële, marktachtige omgeving willen brengen, terwijl de warmteprojecten wel in een commerciële omgeving zitten. Daarom is het van belang dat er op een markt waar sprake is van een monopolist goed toezicht is, dat er transparantie is en dat per project kan worden bezien hoe de kostenopbouw eruit ziet.

De heer Jansen (SP):

De SP-fractie heeft een ander argument om toch sympathiek tegen dit amendement van de heer Zijlstra aan te kijken. Wij zouden dit kunnen beschouwen als een vorm van solidariteit tussen dure en goedkope projecten, vergelijkbaar met de situatie bij elektriciteits- of gasaansluitingen. De ene situatie is iets duurder voor de netbeheerder dan de andere. Toch rekent dezelfde netbeheerder voor alle aansluitingen dezelfde aansluittarieven.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Je kunt op verschillende niveaus de verevening van de prijs regelen. Als u kiest op het niveau van de maximumprijs, zullen er enorme windfallprofits blijven bestaan, zeker als de olieprijs en de daaraan gekoppelde gasprijs zo sterk blijven stijgen als nu. Burgers, consumenten zijn in het algemeen gebonden in projecten, die sterk zijn gerelateerd aan de regio en aan de wijze waarop zij worden opgebouwd. Bij een andere verevening zou de prikkel wegvallen om te komen tot efficiënte projecten en tot onderlinge vergelijking van projecten. Grote verschillen treden bij de oude projecten wel op, maar bij nieuwe projecten wordt heel veel winst behaald. In onze optiek is het van essentieel belang dat de kostenopbouw per project is geregeld. Het argument dat burgers een en ander met elkaar vergelijken, lijkt mij in dit geval niet legitiem. Ik denk dat burgers die zaken wel met elkaar zullen vergelijken indien er sprake is van een project. Een project in Groningen zal echter niet worden vergeleken met een project in Zuid-Holland.

De heer Jansen (SP):

In de regio Utrecht bestaat het stadsverwarmingssysteem. Dat gaat over de gemeentegrenzen heen: hetzelfde systeem wordt zowel in de gemeente Utrecht geleverd als in de gemeente Nieuwegein. Vroeger was er sprake van verschillende tarieven. Een bedrijf met de naam REMU – inmiddels draagt het de naam ENECO – hanteerde verschillende tarieven. Inmiddels zijn die gelijkgetrokken omdat veel klanten zich afvroegen waarom in Nieuwegein 20% meer moest worden betaald dan in Utrecht. Zij begrepen dat niet. Het was immers hetzelfde stadsverwarmingssysteem. Het is toch logisch dat klanten dat niet begrepen en dat zij daarover vragen hebben gesteld?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Het is op zichzelf een logische vraag, maar als op het hoogste kostenniveau wordt verevend, worden alle prikkels eruit gehaald die ervoor moeten zorgen dat ook die andere projecten naar dat kostenniveau worden gebracht. Voor ons is steeds het argument geweest dat de burger uiteindelijk het laagste bedrag moet betalen en dat er sprake is van een redelijk rendement.

De heer Kortenhorst heeft gevraagd of huurders vermeden kosten moeten betalen. Het lijkt ons niet redelijk als huurders moeten opdraaien voor de kosten van aanleg en onderhoud van een collectieve verwarmingsinstallatie. Meestal komen die kosten voor rekening van de verhuurder. Huurders vermijden dus geen kosten. Wij zullen op dit punt scherp toezien bij de AMvB over de maximumprijs.

De heer Zijlstra heeft onze mening gevraagd over het amendement-Jansen dat tot doel heeft de maximumprijs te baseren op de meest kostenefficiënte individuele warmtebron. Wij vinden de redenering van de heer Jansen interessant en uitdagend. Desondanks ontraden wij de Kamer het amendement aan te nemen. Wij denken namelijk dat gas voor de komende periode de dominante verwarmingsmethode blijft. Daardoor zal gas in de meeste gevallen ook het alternatief blijven voor stadsverwarming. Om een en ander inzichtelijk te houden, is het in onze visie redelijk om afnemers van restwarmte gelijk te stellen aan de grootste groep verbruikers. Die heeft een gasaansluiting in Nederland.

Wij zijn het met de heer Zijlstra eens dat onzekerheid over de basis van de maximumprijs ten koste kan gaan van de investeringen. Als wij de redenering van de heer Jansen helemaal volgden, namelijk dat de meest efficiënte bron te vinden zou zijn, had dat een enorme druk op de maximumprijs tot gevolg. Dat zou kunnen betekenen dat heel veel projecten niet meer rendabel waren. Door particulieren zou daaraan dan niet meer worden geïnvesteerd. De overheid zou dan veel geld bij moeten leggen. Om die reden ontraden wij de Kamer dat amendement aan te nemen.

De heer Jansen (SP):

Ik was al overtuigd door het schriftelijke antwoord van de indieners van het initiatiefwetsvoorstel en had dat amendement dus al ingetrokken. Voor de zekerheid zeg ik het nog een keer.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Neemt u mij niet kwalijk. Daarvan waren wij nog niet op de hoogte. De redenering is weliswaar overbodig, maar wij hebben elkaar in dat idee bevestigd.

De heer Kortenhorst heeft gevraagd naar de waarborgen om te bewerkstelligen dat alleen projecten die verlies leiden aan pooling mogen doen. Wij hebben vijf voorwaarden ingebouwd om dat te borgen. In de eerste plaats moet per individueel verlieslatend project een ontheffing worden verleend. In de tweede plaats adviseert de NMa. Dat is belangrijk, want daardoor wordt een en ander geobjectiveerd. In de derde plaats moet de leverancier bewijzen dat levering met een warmtenet verlieslatend is. In de vierde plaats zijn er regels voor de transparantie. In de vijfde plaats mogen aanvullende inkomsten als gevolg van de ontheffing alleen worden aangewend ter compensatie van de verliezen in het project. Daarom is het zo belangrijk dat de NMa een en ander geobjectiveerd vaststelt.

De heer Graus heeft een vraag gesteld over de terugwerkende kracht. Hij heeft gepleit voor een langere periode van terugwerkende kracht. Ook de heer Jansen heeft dat gedaan. Hij deed dat echter alleen voor de maximumprijs. De heer Zijlstra wil met zijn amendement op stuk nr. 33 de terugwerkende kracht eigenlijk schrappen.

Gezien onze wetsgeschiedenis en de wijze waarop wij een en ander hebben ontwikkeld, hebben wij natuurlijk sympathie voor het standpunt van de fracties van de PVV en de SP. Uit rapporten van de rekenkamer blijkt dat de energiebedrijven eigenlijk hun belofte geschonden hebben. In het leven is het nog altijd zo, dat belofte schuld maakt. Door de wet terug te laten werken, betalen de energiebedrijven hun schuld terug, zo zou je kunnen zeggen. Er zijn echter ook argumenten tegen een langere terugwerkende kracht, zoals de financiële en administratieve gevolgen voor energieleveranciers. Door de prijsregeling tot 2007 te laten terugwerken, hebben wij eigenlijk gezocht naar een gulden middenweg. De Raad van State heeft hier in zijn spoedadvies, uitgebracht op verzoek van de heer Jansen, ook geen kritiek meer op. Dit sterkt ons in het idee dat wij eigenlijk een goede balans hebben gevonden, althans in de Kamer.

De heer Jansen pleit ervoor om de maximumprijs langer te laten terugwerken dan de redelijke. Dat lijkt op zichzelf heel logisch, omdat de belofte van de energiebedrijven betrekking heeft op juist deze maximumprijs. Desondanks zien de indieners het toch nog anders. Immers, monopolisten moeten volgens artikel 24 van de Mededingingswet reeds nu redelijke prijzen rekenen. Dat geldt dus eigenlijk ook voor de warmteleveranciers. Dit laat nog eens zien dat ook in het kader van de Mededingingswet nog het een en ander te doen is.

De heer Jansen heeft in zijn amendement op stuk nr. 41...

De voorzitter:

Mevrouw Neppérus heeft nog een vraag.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Neem mij niet kwalijk.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Ik wil even terug naar deze terugwerkende kracht. Het klinkt natuurlijk allemaal heel sympathiek, maar er zitten duidelijk uitvoeringslasten in. Ik lees in de brief die de minister heeft geschreven, dat de uitvoering in het gedrang komt. Ik vind dit toch een te wezenlijk punt om hier zomaar overheen te stappen. Ik neem aan dat niet alleen de VVD graag een uitvoerbare wet ziet, maar ook de indieners van het wetsvoorstel.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Dat laatste delen wij uiteraard met u, mevrouw Neppérus. De minister heeft er een aantal opmerkingen over gemaakt. Zij heeft in die zin haar eigen verantwoordelijkheid. Ik heb u net de argumenten gegeven. Ik heb u ook gezegd dat wij vanuit de wetsgeschiedenis een nieuwe balans hebben gevonden. Mensen was immers iets toegezegd. Op basis daarvan hebben wij ervoor gekozen om de balans te zoeken met betrekking de vraag wat redelijk is. Wat kun je in rede verwachten ten aanzien van de vraag wat administratief te doen is?

Mevrouw Neppérus (VVD):

Dan blijft het volgende punt bestaan. De overheid is nauw betrokken bij de uitvoering. Als de minister schrijft dat de uitvoerbaarheid in het gedrang komt, dan kunt u voor uw gevoel denken dat u een balans hebt gevonden, maar als de uitvoerbaarheid in het gedrang komt, ben ik zo vrij hier een vraagteken bij te zetten. Het zal lastig zijn, maar ik wil u in heroverweging geven om hier nog eens goed naar te kijken.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Wij hebben vier jaar over het wetsvoorstel gedaan. Dat is op zichzelf al heel lang. Wij hebben met heel veel bewonersorganisaties gesproken. Wij hebben met heel veel burgers gesproken die allemaal in de warmteprojecten zitten. Er is een Warmteplatform gekomen om met elkaar te spreken, teneinde te komen tot het "niet meer dan anders"-principe. Er zijn door de energiebedrijven ook al toezeggingen gedaan. Deze toezeggingen zijn op geen enkele manier gestand gedaan. Vanuit het perspectief van de indieners denk ik dat het redelijk is om recht te doen aan wat aan burgers is beloofd en dat er een balans is gevonden tussen deze wens enerzijds en de beheersbare administratieve last om datgene wat men aan burgers beloofd heeft, ook gestand te doen, anderzijds.

De heer Graus (PVV):

Dit is een heel leuk en sympathiek initiatief. De heer Ten Hoopen had het net over de financiële en administratieve gevolgen voor de energieleveranciers. Normaal ben ik ook een grote voorstander van verlaging hiervan, maar natuurlijk niet voor bedrijven die burgers systematisch belazerd hebben. Hoe kan het, mijnheer Ten Hoopen, dat u het ineens gaat opnemen voor de energieleveranciers? De hele Warmtewet is toch bedoeld om het beter te maken voor de burger? Eigenlijk hadden wij een teruggave kunnen vragen vanaf 1993, voeg ik daaraan toe. Het is nog heel schappelijk dat wij een teruggave vragen vanaf 2004. Dat moet toch te overzien zijn?

De heer Ten Hoopen (CDA):

Zoals ik zonet aan mevrouw Neppérus antwoordde, zijn er uiteraard toezeggingen gedaan aan de burgers. Zo staan wij er ook in, met die toezegging, zoals te zien is in de wetsgeschiedenis en in de wijze waarop wij het wetsvoorstel hier hebben behandeld. Daarnaast moet bekeken worden op welke wijze het uitgevoerd kan worden. Is het in overeenstemming? Zijn de administratieve lasten niet hoger dan het bedrag dat burgers uiteindelijk zouden terugkrijgen? Op welke manier komen die administratieve lasten eventueel weer terug in de kostprijs? Wij hebben een afweging gemaakt om ervoor te zorgen dat wat aan de burgers is beloofd, uiteindelijk ook tot 2007 terugkomt. Op deze wijze hebben wij een balans gevonden, waardoor ten eerste wat beloofd is, ook terugkomt, en ten tweede de administratieve lasten tot een minimum beperkt blijven. Dit is tevens een antwoord op de vraag van mevrouw Neppérus of dit geen belemmering vormt vanuit de wet.

Voorzitter. Ik was aangeland bij het amendement van de heer Jansen dat nu het amendement op stuk nr. 41 is. De kern hiervan is het NMDA voor de aansluitbijdrage die de warmteleverancier in rekening brengt, ook bij ontwikkelaars. Daarop heeft hij nog een wijziging. Ons standpunt, dat wij ook in de brief hebben geformuleerd, is het volgende. Over het algemeen is sprake van vrije prijsvorming. Ontwikkelaars hoeven dus niet mee te dingen naar een bepaalde opdracht. Tegelijkertijd zal de ontwikkelaar de opdracht niet mislopen, en bestaat het risico dat een te hoge aansluitbijdrage wordt doorberekend aan de consument. De minister heeft geantwoord dat er eigenlijk een soort markt is in de driehoek van gemeente, ontwikkelaar en warmteleverancier en dat zij in dat marktproces wil niet wil ingrijpen. De heer Jansen wil dat wel doen. Aan dit verhaal zitten twee kanten. Ook met de wijziging van de heer Jansen vinden wij dat het oordeel hierover aan de Kamer zou moeten zijn.

De heer Jansen (SP):

Voorzitter.

De voorzitter:

Mijnheer Jansen, ik had gehoopt dat ik om 17.15 uur zou kunnen schorsen voor de avondpauze.

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Wij proberen alles zo snel en kort mogelijk te doen. Ik zou graag een reactie van de indieners krijgen op de gewijzigde toelichting op dit amendement, waarin ik heb benadrukt dat met name in situaties waarin al een warmtenet aanwezig is, bijvoorbeeld in bestaand stedelijk gebied, er helemaal geen sprake is van een onderhandelingspositie. Daar is het gewoon "take it or leave it". Juist in die situatie lijkt mij dit amendement erg effectief. Dan laat ik de discussie over de vraag wat er in uitbreidingslocaties aan feitelijke onderhandelingsruimte is, maar even lopen.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Die toelichting heb ik gezien. U hebt daarin, zo uit mijn hoofd gezegd, een termijn van 30 jaar gekozen. Klopt dat?

De heer Jansen (SP):

Dat is een verbetering van de tekst van het amendement zelf, maar in de toelichting heb ik met name de nadruk gelegd op de situatie waarin er al een net ligt, en men bijvoorbeeld in de stadsvernieuwing besluit om een nieuw project te starten. Dan heeft de ontwikkelaar natuurlijk feitelijk geen keuze om daaraan al dan niet mee te doen. Daarvoor geldt een aansluitplicht.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Zoals ik zonet zei, kunnen wij ons daarbij wel iets voorstellen. Er zijn echter twee kanten aan het verhaal, ook met de toelichting die ik heb gegeven. Zoals wij erover hebben gesproken en zoals wij erin staan, hebben wij geen reden om het oordeel hierover niet aan de Kamer over te laten, hoewel ik sympathie heb voor de redenering van de heer Jansen.

Hiermee ben ik aan het einde gekomen van mijn antwoord. Naar mijn gevoel is hiermee de basis gelegd voor wetgeving voor de warmtelevering. Iets anders dan een basis leggen, hebben wij hiermee nog niet gedaan. De uitvoering, die samenhangt met de algemene maatregel van bestuur, zullen wij natuurlijk snel en effectief ter hand nemen.

De heer Samsom (PvdA):

Voorzitter. Ook ik dank de leden voor hun inbreng. Het is voor een Kamerlid altijd een bijzondere ervaring en een groot genoegen om de inbreng vanaf deze plek te mogen beluisteren. Met datzelfde genoegen heb ik mij een klein halfjaar geleden aangesloten bij de éminence onder de vele indieners die dit wetsvoorstel inmiddels heeft gekend, de heer Ten Hoopen. Met bewondering voor zijn vasthoudendheid en in de overtuiging dat hij iets begonnen is wat bekroning verdient in de vorm van een bekrachtigde Warmtewet, heb ik het wetsvoorstel mede ondertekend. 280.000 afnemers van warmte zijn erbij gebaat. Ook is de voortvarende ontwikkeling van nieuwe, duurzame warmteprojecten erbij gebaat. Deze balans hebben wij met dit wetsvoorstel gezocht en, naar onze zeer bescheiden opvatting, ook trefzeker gevonden. Dit is al helder gebleken bij de beantwoording door de mede-indiener. Ik hoop dit in mijn korte bijdrage te bevestigen. Er resteren vragen over de stimulering van het warmtegebruik, het nieuwe artikel 17i, de bouwnormering, de grens voor kleinverbruikers, het warmtenet in Purmerend en het publieke eigendom van de netten.

De heren Kortenhorst en Zijlstra, die ik overigens vanaf deze plek veel succes wens bij wat hij nu doet, informeerden bezorgd of bij de stimulering van warmtegebruik, zoals vastgelegd in artikel 17i, wel rekening wordt gehouden met de kostenefficiëntie. Laat ik daarover helder zijn. De indieners willen uiteraard dat kostenefficiëntie een factor van belang is bij de afweging over warmtebenutting. Wij zijn ervan overtuigd dat de minister, die uiteindelijk de maatregel van bestuur zal maken, dit ook wil. Dit is echter nog wat anders dan dat financieeleconomische rentabiliteit een soort ontbindende voorwaarde kan zijn, zoals de heer Zijlstra met zijn amendement beoogt. Artikel 17i is natuurlijk juist bedoeld als duwtje in de rug wanneer op grond van puur financieeleconomische parameters niet vanzelf tot nuttig warmtegebruik wordt overgegaan. Dit kan op vele manieren. Deze ruimte laten wij open met ons artikel.

De heer Jansen vindt dit eigenlijk niet ver genoeg gaan. Hij wil een meer verplichtende aanwending van restwarmte. Ik wijs de heer Jansen op dezelfde balans als waarop ik de heer Zijlstra wijs. In die balans moeten wij niet de winstgevendheid verabsoluteren, maar ook niet ten koste van alles de restwarmte van alle bronnen volledig willen benutten. Dan zou het artikel, en daardoor uiteindelijk de wet, zijn gehele doel missen. Volgens de indieners is het evenwicht gevonden in de opdracht die zij met de wet aan de AMvB geven.

Artikel 17i biedt overigens ook het antwoord op de vraag van de heer Kortenhorst. Hij wilde weten hoe grootverbruikers zich verhouden tot warmtevraag en warmteaanbod. Wij constateren gelukkig dat grote verbruikers en producenten van warmte elkaar steeds vaker weten te vinden. Daarbij zal de olieprijs een rol spelen. Maar waar vanuit de overheid nog enige drang nodig is in het algemene belang, biedt de Warmtewet steun met artikel 17, niet alleen met lid i, maar met alles wat erbij hoort.

Tegen de heer Van der Vlies zeg ik dat de indieners inderdaad vinden dat alle mogelijkheden bekeken moeten worden waarop de warmtevraag en het warmteaanbod beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Wij gaan ervan uit dat een dergelijke verkenning aan de basis zal staan van de AMvB waartoe deze wet opdracht geeft. Wij hebben immers tot onze tevredenheid recent mogen constateren dat de minister in het energierapport een aanvalsplan warmte heeft aangekondigd. Wij gaan er dus vanuit dat dit aanvalsplan ook zal beschrijven op welke manier de minister met artikel 17i en met de gehele Warmtewet wil omgaan.

De heer Van der Vlies deed de interessante suggestie om afnemers van warmte CO2-rechten aan te bieden, ter stimulering van duurzaam gedrag. Dit is een interessant voorstel, maar wij wijzen erop dat dit al min of meer gebeurt. Voor zover warmteafnemers onder het emissiehandelssysteem vallen – zij zijn degenen die echt iets hebben aan CO2-rechten – bespaart de afname van warmte die door een ander wordt gemaakt, hun de inzet van een eigen warmtebron, met bijbehorende CO2-uitstoot. Deze rechten houden zij dus over. Op deze manier werkt het emissiehandelssysteem precies zoals wij dit graag hadden gewenst. De door de heer Van der Vlies gesuggereerde heffing op warmtelozing door afvalverbranders en composteerinrichtingen is vervat in artikel 17i, althans in de mogelijkheden daartoe. Dan moeten wij wel het amendement-Boelhouwer op stuk nr. 26 erbij nemen. Hij heeft kunnen constateren dat wij daarop positief hebben gereageerd in onze brief.

De heer Jansen wees er terecht op dat de woningbouwregels en de wisselwerking met warmtelevering niet heel goed zijn voor het milieu. Hij heeft een goed punt. De indieners zijn het ermee eens dat de huidige manier waarop de EPC en warmtelevering op elkaar inwerken, kan leiden tot woningen met een slechtere isolatiewaarde dan wenselijk is. Dit moet dus herzien worden in het kader van de wijziging van de EPC-systematiek die onlangs door de ministers – er is meer dan een minister bij betrokken – zijn aangekondigd en ook in het kader van de wijziging van het bouwbesluit. De minister heeft dit bevestigd in de brief die zij gisteren naar de Kamer stuurde. Daar treffen wij elkaar dus weer.

Ik ga verder met de grens voor kleinverbruikers. De heer Kortenhorst heeft een amendement opgevoerd waarmee de grens, die in deze nota van wijziging weer fors naar beneden was gehaald, weer iets omhoog gaat. Wij zoeken met zijn allen naar de juiste balans. Alles afwegende zijn wij het met amendement van de heer Kortenhorst eens. Het verlegt de grens waarop iemand nog beschermde afnemer is tot de middelgrote kantoren, bijvoorbeeld advocatenkantoren met enige omvang. Niet zelden staan deze ook in een warmteleveringsgebied. Ook zij hebben weinig mogelijkheden tot alternatieven. Het is dus volgens de indieners voor iedereen beter om ook deze in de beschermde categorie onder te brengen. De grens is nu ook min of meer equivalent met de grens tussen klein- en grootverbruikers bij de gaslevering, waardoor dit ook beter aansluit op het NMDA-principe. Al met al is dit dus een verbetering.

Er is in verband met de bevoegdheden van gemeenten enige verwarring over artikel 21 ontstaan. Met dit artikel wordt een aantal bevoegdheden inzake warmtelevering voor gemeenten uitgesloten. Wij hebben dit artikel in de wet opgenomen om te voorkomen dat gemeenten een eigen warmtebeleid – bijvoorbeeld zelf de beprijzing bepalen – zouden gaan voeren dat de regulering via deze warmtewet doorkruist. Iets anders hebben wij er niet mee beoogd, wij willen gemeenten uiteraard niet de mogelijkheid ontzeggen om te bepalen wie het warmtenet aanlegt, en alle daarmee verband houdende beslissingen te nemen. Wij meenden dat dit met artikel 21 en de toelichting daarop helder genoeg was, maar met het amendement van de heer Boelhouwer worden alle mogelijke misverstanden weggenomen. Dit lijkt ons dan ook een prima versterking van de wet. Het amendement van de heren Duyvendak en Jansen gaat weer wat verder, zij doorkruisen daarmee de regelgeving van het Besluit aanleg energie-infrastructuur (BAEI), zoals wij al in onze brief hebben betoogd. De indieners ontraden de Kamer dan ook, dit amendement aan te nemen. Als wij wilden regelen wat de heer Jansen met dit amendement wil bereiken, dan zouden wij dat moeten doen bij een herziening van het BAEI.

De heer Jansen (SP):

Maar zijn de indieners het wel eens met de inhoud van ons voorstel? Met andere woorden, vinden zij dat de minister dit in het BAEI zou moeten regelen?

De heer Samsom (PvdA):

Als wij daarover gaan discussiëren, staan wij weer aan dezelfde kant. Het gaat in uw amendement om een versterking van de positie van gemeenten, terwijl wij met dit wetsvoorstel niet beoogd hebben om daarop aan te sturen. Wij willen er slechts voor zorgen dat gemeenten geen bevoegdheden worden ontnomen; dat is met artikel 21 en het amendement van de heer Boelhouwer geregeld.

De heer Jansen (SP):

Ik vraag het ook in verband met onderdeel C van het amendement op stuk nummer 38, dat luidt dat in de gemeentelijke bouwverordening bepalingen kunnen worden opgenomen inzake de plicht tot aansluiting van woningen of gebouwen op het warmtenet. Dat is een van de redenen waarom mijn amendement op stuk nummer 41 nodig is. Dan zit een ontwikkelaar of een corporatie in een dwangsituatie. Die extra bescherming is in die situatie wel degelijk nodig.

De heer Samsom:

Daarom waren wij ook zeker wel te spreken over het amendement op stuk nummer 41. Wat u nu voorstelt, is een versterking van de gemeentelijke bevoegdheden via het BAEI. Ik wil daarover wel een discussie voeren, maar dan sta ik hier niet als indiener van de Warmtewet, maar wellicht als woordvoerder voor de PvdA-fractie. Ik wilde deze onderwerpen niet vermengen.

Voorzitter. Het geval Purmerend is in de afgelopen jaren vele malen voorbijgekomen, want het gaat om een nogal onrendabel stand-aloneproject. Laat het duidelijk zijn, met een wet maken wij een onrendabel project niet rendabel, maar in een wet kunnen wij wel het kader schetsen voor de aanpak van het onrendabele karakter. Helaas is pooling met andere wel winstgevende projecten niet mogelijk, simpelweg omdat het warmtebedrijf maar één project heeft, en dat is verliesgevend. Dat zou anders worden wanneer het warmtebedrijf van Purmerend bijvoorbeeld werd overgenomen door een ander warmtebedrijf dat wel kan poolen. Je vraagt je natuurlijk af welk bedrijf zo gek zal zijn om een duidelijk verliesgevend project te kopen, maar die verliesgevendheid is niet eeuwig. De mogelijkheid tot poolen die de wet creëert, schept een wettelijke basis om die periode van verliezen te overbruggen en daarna met een zeker rendement verder te werken. Dat kan dus een aantrekkelijke optie zijn. Opties die tot nu toe mede afketsten op een gebrek aan wettelijk kader, krijgen door deze nieuwe wet een nieuwe kans. Daarnaast creëert de wet ook een mogelijkheid tot subsidieverstrekking. Overigens heeft het verstrekken van subsidies niet onze voorkeur, maar het kan natuurlijk wel.

De indieners verzoeken de minister om met deze wet in de hand de mogelijkheden voor Purmerend opnieuw te bekijken. Wij doen hierbij overigens ook een sterk beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van energiebedrijven, die zij zo vaak in gesprekken met Kamerleden, in reclame-uitingen en in jaarverslagen uitdragen. Ook die verantwoordelijkheid kan ertoe bijdragen dat een project zoals in Purmerend, dat wel bijdraagt aan het milieu, overeind blijft.

De heer Jansen vroeg of wij in deze monopolistische markt niet gewoon over moeten gaan tot het in publieke handen brengen van de warmteprojecten en hij verwees daarbij naar het inmiddels ingetrokken amendement-Kortenhorst/Krone. De indieners staan buiten het indienen en overigens ook buiten het intrekken van dat amendement en wij zouden het daarbij kunnen laten. Maar ik wil er toch iets over zeggen. Ja, het gaat in dit geval om een monopolistische markt, vandaar de strikte regulering in deze warmtewet. Het is echter mogelijk, hoewel niet gemakkelijk, om private monopolies te reguleren. Wij hebben er vertrouwen in dat dit met deze wet zal lukken. Daarnaast geldt dat het in publieke handen brengen van de talloze bestaande private netten en de nog aan te leggen private netten ongelooflijk ingewikkeld is, niet in de laatste plaats doordat in tegenstelling tot bij elektriciteit de productie, veelal in private handen bij een bedrijf dat warmte produceert en het transport in dit geval niet zo gemakkelijk te scheiden zijn; die horen bij elkaar. Een eigenaar van een transportnet kan niet lukraak warmtebronnen kiezen vanwege de locatie die daarmee gemoeid is.

Ik rond af. Wij zijn van mening dat wij met deze wet een noodzakelijke en gewenste regulering van de warmtelevering opzetten die zowel afnemers als een duurzame energievoorziening dient. Wij constateren bovendien tot onze tevredenheid dat de inbreng van de Kamer de wet, zoals dat hoort, nog beter heeft gemaakt. Wij zien de afloop dan ook met vertrouwen tegemoet.

Voorzitter. Permitteert u mij tot slot nog een persoonlijk getint argument daarvoor. Als jong aspirant-natuurkundige droomde ik ervan in de voetsporen te kunnen treden van Sadi Carnot. Hij formuleerde immers in 1825 de belangrijkste warmtewet van de natuurkunde, de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Ik heb mij al snel moeten neerleggen bij het harde feit dat ik bij nader inzien niet de briljante natuurkundige ben voor wie zo'n mijlpaal is weggelegd. Ik kon toen niet vermoeden dat ik een decennium later in een geheel andere hoedanigheid alsnog de kans zou krijgen om een warmtewet op mijn naam te schrijven. Ik hoop van harte dat dat nu wel lukt. Doet u dat overigens vooral niet voor mij – ik kan een tweede teleurstelling prima aan – maar doet u dat voor de meer dan 280.000 warmteklanten en voor een duurzame toekomst.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik dacht al dat wij hier een soort therapeutische sessie aan het beleven waren.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Laat ik beginnen met een compliment te maken aan de indieners, ook voor de moed die zij hebben gehad om een initiatief­wetsvoorstel voor hun rekening te durven nemen. Ik weet wat het is. Het is lastig, het vergt veel tijd en het is niet alleen creativiteit, maar ook bloed, zweet en tranen om ervoor te zorgen dat het tot een goed einde wordt gebracht. Mijn initiatief hier ging alleen maar over een ozb-vrijstelling op substraatteelt en u heeft een hele wet gemaakt. Mijn compliment daarvoor.

Uiteindelijk is wetgeving een gezamenlijk proces tussen de Staten-Generaal – de Eerste en Tweede Kamer – en de regering, waar ook het initiatief wordt genomen. De verantwoordelijkheid die je hebt als medewetgever strekt zich ook uit tot uitvoerbaarheid, administratieve lasten en fte's. U merkt wel dat daar voor mij toch nog wel een knelpunt zit. Wij zitten in een situatie van krimp. Ik moet van u mijn ministerie afslanken en ik moet van u steeds minder administratieve lasten organiseren en zo hoort dat ook. Ik kom er zo op terug.

Het wetsvoorstel kiest voor de belangen van consumenten van warmte. Het is goed dat dit wetsvoorstel die aandacht geeft. Consumentenbescherming is belangrijk, maar je moet ook leveringszekerheid en tariefbescher­ming goed regelen. Ik ben het ermee eens dat je dit een wettelijke verankering geeft.

Ik vind het prima dat het draagvlak voor het wetsvoorstel als gevolg van de zesde nota van wijziging is verbreed. Ik heb die zesde nota van wijziging dan ook met een zekere instemming gelezen. U heeft mijn reactie gekregen per brief, zowel op datgene wat door uw Kamer in tweede termijn naar voren is gebracht als op hetgeen aan de orde is geweest in de zesde nota van wijziging. Ik ben ook per brief op de amendementen ingegaan. Als u het goedvindt, zal ik dat niet herhalen. Ik ga ervan uit dat u dat allemaal heeft gelezen.

Ik wil wel graag uw aandacht vragen voor een paar punten die te maken hebben met de afwegingen die het kabinet moet maken. Uiteindelijk moet een initiatiefwetsvoorstel na de bespreking in de Eerste Kamer bekrachtigd worden; daar doe je het tenslotte voor. Ik wil het hebben over drie punten, te weten de bestuurslast van negentien fte's, de terugwerkende kracht en de tarieven.

Laat ik beginnen met de bestuurslast van negentien fte's. In gewone mensentaal komt het erop neer dat je negentien volledige arbeidsplaatsen nodig hebt om de wet uit te voeren. Dat blijkt uit onderzoek van de NMa. Dat is veel, heel veel. Ik moet u heel eerlijk zeggen dat de formatie van mijn departement daar niet in voorziet. Ik moet krimpen, niet uitbreiden. Ik heb dus een serieus probleem om het wetsvoorstel te kunnen uitvoeren. Mijn vraag is dan ook welke oplossing de indieners en de Kamer hiervoor in gedachten hebben. Met andere woorden, hoe denkt u het aan te pakken dat ik die negentien extra fte's krijg? Het is maar een vraag, maar tenslotte moet het wel worden opgelost. Er is wel een oplossing voor te bedenken, maar die moet dan ook vanuit uw Kamer komen in de richting van de discussies met andere collega's van mij over de verdeling of toewijzing van extra fte's.

Mijn tweede opmerking gaat over de terugwerkende kracht. Ik was eigenlijk wel blij met het amendement op stuk nr. 33, waarin de terugwerkende kracht wordt geschrapt en de prijsstelling pas bij aanvang van het eerste kalenderjaar zal ingaan. Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen. Dan haal je er een aantal wezenlijke problemen uit. Je houdt iets van terugwerkende kracht, maar op een heel andere manier. In ieder geval voorkom je dat bedrijven waarvoor het normenkader nog niet helder is, omdat er nog lagere regelgeving moet worden opgesteld, straks worden geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Vooral over de uitvoerbaarheid van de terugwerkende kracht blijf ik twijfel houden, dat mag men rustig weten.

Mijn derde opmerking betreft de tarieven. In het amendement op stuk nr. 31 wordt voorgesteld om de "kosten plus" niet aan elk project te koppelen, maar aan de portfolio. In het wetsvoorstel wordt per project een redelijke warmteprijs berekend. Het amendement betekent in feite dat de rendementsregulering over de portfolio van alle projecten van een warmtebedrijf plaatsvindt. Ik weet niet hoe groot die projecten worden. Ik kan mij heel goed voorstellen dat een warmtebedrijf in de problemen worden gebracht, als je regelt dat zij dat per project moeten berekenen. Ik moet zeggen dat de opmerkingen die ik maak over het amendement op stuk nr. 31, in lijn zijn met eerdere inbrengen van de zijde van het kabinet.

Dat was wat ik nog te berde wilde brengen in aansluiting op de brief die ik hierover heb gestuurd.

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Misschien kan de minister ingaan op het argument van de indieners dat het amendement op stuk nr. 31 betekent dat de prikkel tot efficiency minder wordt. Als je alles op een hoop gooit, is het niet nodig om de efficiency van projecten die een heel slechte kostprijs hebben, scherp te verbeteren. Hoe kijkt zij daar tegenaan?

Minister Van der Hoeven:

Ik begrijp dat wel, maar het gaat om de totale winstgevendheid en de efficiency van een portfolio van een warmtebedrijf. Dat wil niet zeggen dat je elk project apart moet afrekenen. Bij de energie- of elektriciteitsvoorziening gelden de tarieven voor iedereen. Zij zijn niet per project of per gemeente verschillend. Wij hebben de DTe die daarop toeziet. Ik denk dat de uitvoerbaarheid hiervan best lastig zal zijn voor de bedrijven zelf. Dat heb ik willen aantonen.

De heer Jansen (SP):

Ik dacht dat de minister nog zou ingaan op het amendement op stuk nr. 38 van de heer Duyvendak. Hij is niet aanwezig, dus ik neem even de honneurs voor hem waar. De indieners hebben gezegd dat dit geregeld moet worden bij het BAEI, waar de minister over gaat. Mijn vraag is of de minister bereid is om naar deze punten te kijken bij de uitwerking van de AMvB, als de Kamer zegt: oké, daar wachten wij op.

Minister Van der Hoeven:

Laat ik hierover twee opmerkingen maken. Ik heb in mijn reactie gezegd dat mijn voorkeur uitgaat naar het amendement op stuk nr. 39 van de heer Boelhouwer, waarbij de bevoegdheid voor aanleg en herstel van de uitbreiding bij de gemeente blijft. Ik wil het daar eerlijk gezegd bij laten. Ik vind dit prima. Op basis daarvan kan in een later stadium worden bekeken wat je aan de uitvoeringsregeling gaat veranderen. Ik heb het idee dat met amendement op stuk nr. 39 het grootste gedeelte van de problemen is aangepakt.

Ik kom nog even terug op de portfolio in het amendement op stuk nr. 31. Elk bedrijf, dus ook elk warmtebedrijf, behoort een gezonde bedrijfsvoering te hebben. Dat geldt over de gehele linie. Dat zou ik hier ook het liefste zien. Dan wordt het niet per project afgerekend en beoordeeld, maar aan de totale portfolio opgehangen.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar adviezen aan de initiatiefnemers. Zij heeft ook nog vragen gesteld.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Voorzitter. De minister heeft drie opmerkingen gemaakt. De eerste betreft de tarieven. Ik heb met de Kamer daarover voldoende argumenten gedeeld. Ik heb er vijf genoemd in mijn eerdere betoog en mevrouw Neppérus heeft er vragen over gesteld. Ik heb aan die argumentatie op dit moment niets meer toe te voegen.

De tweede opmerking van de minister betreft de terugwerkende kracht. Ook daarover hebben wij in antwoord op vragen van mevrouw Neppérus en de heer Graus inzicht gegeven in het proces dat wij de afgelopen vier jaar hebben doorgemaakt. Wij vinden onze argumentatie zelf overtuigend en steekhoudend, voor zover je dat van jezelf mag zeggen. In ieder geval vinden wij het proces dat wij zijn ingegaan, het belangrijkste argument.

De derde opmerking van de minister betreft de administratieve lasten. Wij vinden – dat delen wij met een groot deel van de Kamer en uiteraard ook met de minister – dat wij moeten zorgen voor lage administratieve lasten en uitvoeringskosten. Na de tweede wijziging heeft de NMa ook nog een keer een uitvoeringstoets gedaan. Vanwege het belang dat wij daaraan hechten, hebben wij de NMa nog eens gevraagd om naar die uitvoerbaarheid te kijken. Zoals de minister al heeft gezegd, was de conclusie dat de eerdere toets op zichzelf overeind blijft. Dat betrof de 19 fte's waarover de minister heeft gesproken. De verhouding tussen de middelen en het doel vinden de indieners redelijk, gelet op het belang dat de burgers hierbij hebben. Het is aan de Kamer – de minister heeft de Kamer daartoe uitgenodigd – om de uitvoering verder vorm te geven. Wij zullen ons daarvoor gezamenlijk moeten inspannen, maar de kern blijft dat de burger op de overheid moet kunnen vertrouwen als het gaat over een monopolist. Dat is voor ons de kern.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Ik hoorde de lofzang van de heer Ten Hoopen. Als je een voorstel hebt, waarbij ook de minister ernstige vraagtekens zet bij de uitvoerbaarheid, dan is het onbegrijpelijk dat de heer Ten Hoopen steeds spreekt over de balans. Wij verschillen daarover van mening, maar ik geef het in ieder geval mijn collega's nog maar eens in overweging. Ik vind dat wel zwaar wegen.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Voor zover het een lofzang op mijzelf is, moet ik het direct terugnemen, want dan heb ik het helemaal niet goed verwoord. Dat zou ook niet passen bij zoals wij hier staan. Kamerleden hebben een initiatiefwetsvoorstel gemaakt. De minister zegt dat dit in coöperatie verloopt, maar de Kamer en de minister hebben daarin nog steeds hun eigen verantwoordelijkheid. Wij hebben de steun gehad van het ministerie, en daarvoor dank ik de minister, met name bij het verder ontwikkelen van de zesde nota van wijziging. Dat neemt niet weg dat de hoofdafweging van de initiatiefnemers is hoe burgers tegen een monopolist moeten worden beschermd, en dat dit ook de argumentatie en de zwaarte daarvan bepaalt.

De heer Graus (PVV):

Ik wil nog één keer helderheid krijgen. De warmtewet was voor de burger bedoeld en toch kiest u dan voor de energiemonopolist. Het is jammer dat u op dat punt de burger laat vallen en toch kiest voor de monopolisten die de burgers jarenlang belazerd hebben. U zegt dat zij geen administratieve lasten mogen krijgen. Ik ben dat normaal gesproken met u eens, maar niet in dit geval.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Wij delen dezelfde zorg. Wij willen beiden de burger beschermen tegen de monopolisten. Dat geldt ook voor het belang van de burger met betrekking tot de terugwerkende kracht. Dat is precies de discussie die wij met mevrouw Neppérus en de minister hebben gevoerd. Wij vinden dat de daarmee samenhangende kosten op dat toezicht gerechtvaardigd zijn. De bescherming van de burger is belangrijker dan de afweging die je maakt ten opzichte van administratieve lasten. Misschien dat de heer Graus het nog eens moet nalezen. Wij delen dezelfde zorg. Het is niet zo dat wij de burger laten vallen. De kern van deze wet is immers ten behoeve van de burger en de consument die nu met een monopolist te maken hebben.

De heer Graus (PVV):

De heer Ten Hoopen is een zeer gewaardeerde collega. Dit is echter politiek correct geneuzel waar de burger niks voor koopt.

De heer Ten Hoopen (CDA):

Wij moeten elkaar in deze zaal serieus nemen. De Warmtewet is niet meer dan een initiatief om burgers te beschermen tegen de monopolist. Je kan van mening verschillen of de terugwerkende kracht langer moet gelden dan de twee jaar die ermee samenhangt. Wij vinden het echter een gerechtvaardigde afweging.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Ik heb zo-even mijn woorden zorgvuldig gekozen over de 19 fte's en de administratieve lasten. De verantwoordelijkheid van het kabinet is een andere dan die van de Kamer. Als de Kamer een wet aanneemt en een enorme claim neerlegt voor de uitvoering, moet de Kamer echter ook een oplossing bieden voor die uitvoering.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de initiatiefnemers zeer voor de indiening en verdediging van hun wetsvoorstel. Ik dank ook de minister en de leden. Wij stemmen donderdag over de moties en het wetsvoorstel. Ik schors de vergadering tot 18.10 uur.

De vergadering wordt van 17.10 uur tot 18.10 uur geschorst.

Voorzitter: Ten Hoopen