Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 103, pagina 7352-7355

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 12 juni 2008 over luchtkwaliteit.

De voorzitter:

Ik herinner de sprekers eraan dat het kerstregime van kracht is.

De heer Duyvendak (GroenLinks):

Voorzitter. Ik wil twee moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Gezondheidsraad stelt dat "er een belangrijk argument is om de norm voor PM10 niet als uitgangspunt te nemen voor het beleid inzake de gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk omdat de concentratie PM10 slecht correleert met de waargenomen gezondheidseffecten bij mensen die dicht bij drukke verkeerswegen wonen";

voorts constaterende dat er volgens de Gezondheidsraad "een kwalitatief en ruimtelijk verband is tussen de gezondheidseffecten en de blootstelling aan verkeergerelateerde luchtverontreiniging";

overwegende dat dit nieuwe informatie is die tot dusverre niet in de discussie is betrokken;

overwegende dat niet zozeer de vraag of de normen Duyvendakvoor PM10 ter plekke overschreden worden bepalend moet zijn voor de vraag of er bij een snelweg of provinciale weg gebouwd kan worden, maar dat dit überhaupt niet verstandig is voor kwetsbare groepen;

verzoekt de regering, in de AMvB een absoluut bouwverbod op te nemen voor scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen op 300 meter van een snelweg of 50 meter van een provinciale weg, los van de vraag of er een overschrijding is of niet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Duyvendak en Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50(30175).

De heer Duyvendak (GroenLinks):

Mijn tweede motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederlandse steden nog honderden straten zijn waar de luchtkwaliteitsnormen overschreden worden;

constaterende dat de Gezondheidsraad schrijft dat er "wetenschappelijk gezien voldoende bewijs bestaat dat mensen die in de nabijheid van een drukke verkeersweg wonen extra gezondheidsrisico lopen ten opzichte van mensen die in de omgeving van een rustige weg wonen";

constaterende dat het niet uitmaakt of kinderen of ouderen te lijden hebben van de slechte luchtkwaliteit rond een drukke stadsweg of een snelweg;

constaterende dat het ontwerpbesluit gevoelige bestemmingen slechts een regeling treft voor overschrijdingssituaties langs snelwegen en provinciale wegen;

verzoekt de regering, in de AMvB ook een bouwverbod op te nemen voor scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen langs alle wegen in een stedelijke omgeving waar de luchtkwaliteitsnormen niet gehaald worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Duyvendak en Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51(30175).

Mevrouw Spies (CDA):

Voorzitter. Ik dien één motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat overheden forse ambities hebben geformuleerd om duurzaam in te kopen;

overwegende dat overheden via hun inkoopkracht als launching customer een belangrijke bijdrage aan innovatie kunnen leveren;

overwegende dat overheden dan bij aanbesteding doelvoorschriften moeten stellen en geen middelvoorschriften;

constaterende dat sommige aanbesteders van openbaar vervoer, zoals het stadsgewest Haaglanden, eisen dat bussen op aardgas moeten rijden en dat zij hiermee mogelijk schonere en innovatieve alternatieven op voorhand uitsluiten;

verzoekt de regering, in overleg met de aanbesteders van openbaar vervoer te treden om hen ervan te overtuigen geen middel- maar doelvoorschriften te stellen en de Kamer binnen drie maanden te rapporteren over de uitkomsten van dit overleg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Spies en Boelhouwer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52(30175).

Mevrouw Spies (CDA):

Ik vraag de minister tot slot om een keer te bellen met die wethouder in Roosendaal. Het is een partijgenoot van haar. Dat zou ouders en omwonenden van die school veel goed doen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dien één motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het ontwerpbesluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gebaseerd is op normering van PM10 en NO2;

constaterende dat zowel het RIVM als de Gezondheidsraad aangeven dat PM10 geen goede maat is voor gezondheidseffecten van lokale, verkeersgerelateerde luchtverontreiniging en dat onder meer zwarte rook een geschiktere maat is voor deze gezondheidseffecten;

overwegende dat normering van zwarte rook niet mogelijk is in het kader van artikel 5.16a van de Wet milieubeheer en het meettechnisch gezien problemen op zou leveren;

overwegende dat zwarte rook al jarenlang Van der Staaijonderdeel uitmaakt van de meting in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, hoewel het tegenwoordig beperkt is tot de regionale stations;

van mening dat alleen normering van PM10 en NO2 onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare groepen en het daarom wenselijk is dat gemeenten bij ruimtelijke besluitvorming ten aanzien van gevoelige bestemmingen wetenschappelijk beter verantwoorde indicatoren, als zwarte rook, mee laten wegen;

verzoekt de regering:

  • - de verkeersbelaste stations in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit uit te rusten voor het meten van zwarte rook;

  • - zorg te dragen voor voldoende informatievoorziening over concentraties en verspreiding van zwarte rook in het kader van lokale, verkeersgerelateerde luchtverontreiniging;

  • - gemeenten te informeren over het belang ook de indicator zwarte rook mee te wegen in het ruimtelijke besluitvormingsproces inzake gevoelige bestemmingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53(30175).

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Ik heb de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat:

  • - in stedelijke agglomeraties ruimte schaars is;

  • - om deze reden steeds vaker woongebieden ontwikkeld worden nabij snelwegen of snelwegen nabij woongebieden;

  • - deze nabijheid ongewenst is uit het oogpunt van volksgezondheid;

  • - de luchtkwaliteit en het geluidsniveau niet alleen verbeteren met de afstand, maar ook door beplanting in de bufferzone;

  • - beplanting ook ecologische en recreatieve meerwaarde heeft;

van mening dat nieuwe woonbouw langs niet-overkluisde autosnelwegen alleen dient te worden toegestaan op een afstand van minstens 100 meter vanuit de zijkant van de snelweg, indien de bufferzone voorzien is van een beplanting die gericht is op maximale absorptie van luchtverontreiniging, dan wel op een afstand van minstens 200 meter indien er geen effectieve beplanting aanwezig is;

verzoekt de regering om de AMvB "gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)" aan te vullen met een bepaling over een bufferzone voor de aanleg van nieuwe woningbouw, waarvan de minimale breedte afhankelijk is van de aanwezigheid van effectieve beplanting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54(30175).

De heer Jansen (SP):

Omdat de minister tijdens het AO niet overtuigd was van de effectiviteit van beplanting als middel tegen luchtverontreiniging geef ik haar een kopie van een rapport van Alterra. Dat rapport, mede gesubsidieerd door het ministerie van LNV, toont aan dat het wel effectief is.

De voorzitter:

Daar is het kerstregime niet voor bedoeld. Nee, het kopietje geeft u niet zelf aan de minister, maar geeft u aan mij. Ik zorg dat de minister het via de bode krijgt. Wij blijven het hier formeel doen.

Minister Cramer:

Voorzitter. In de eerste plaats ga ik in op de motie van het lid Duyvendak op stuk nr. 51 over gevoelige bestemmingen binnen zones van stadswegen. Ik ontraad aanneming van de motie, omdat de AMvB Gevoelige bestemmingen nu gaat over de zone van 300 meter langs snelwegen en de zone van 50 meter langs provinciale wegen. Uitbreiding naar wegen in de binnenstad is niet nodig en niet uitvoerbaar. Het is niet nodig, omdat wij een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) hebben dat behelst dat de fijnstofnorm in 2011 moet zijn gehaald en de NOx-norm uiterlijk 2015. Via het NSL hebben wij op dat moment de luchtkwaliteitsproblemen in de stad uiteindelijk opgelost. Ik geef onmiddellijk toe dat dit niet vandaag op morgen gebeurt, maar het hele NSL is erop gericht om ervoor te zorgen dat wij zo snel mogelijk de normen in het hele land, inclusief alle plekken in de binnenstad, halen.

Het in de motie voorgestelde is niet uitvoerbaar, omdat de afstand tot de weg ondergeschikt is aan andere aspecten, zoals hoge bebouwing. Het is ingewikkeld om de luchtkwaliteit daar te meten. Dat is geen kwestie van één op één. Los daarvan is het de gemeente die per geval de gezondheidsbelangen moet afwegen tegen andere effecten. De gemeentelijke autonomie staat voorop bij de uitvoering van het NSL. Wij hebben een uitzondering gemaakt voor een aantal gevoelige bestemmingen. Wat mij betreft, laten wij het daarbij. Vandaar dat ik aanneming van de motie ontraad.

De andere motie van de heer Duyvendak gaat over de vraag in hoeverre de norm PM10 als uitgangspunt kan dienen voor het beleid inzake gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit. De heer Duyvendak refereert aan de Gezondheidsraad. Ik kan de motie niet vinden en heb de precieze formulering ervan toch nodig.

De heer Duyvendak (GroenLinks):

Wij vragen in de motie om een absoluut bouwverbod op te nemen voor scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen op 300 meter van een snelweg of 50 meter van een provinciale weg.

Minister Cramer:

Excuses dat het even fout ging met de moties. In het kader van de AMvB Gevoelige bestemmingen hebben wij gesteld dat er alleen binnen die afstanden niet mag worden gebouwd als er sprake is van een overschrijding van de normen voor PM10. Indien wordt aangetoond dat er geen overschrijding plaatsvindt, gaan wij niet over tot een bouwverbod. Daarom ontraad ik aanvaarding van deze motie.

In de motie van mevrouw Spies en de heer Boelhouwer op stuk nr. 52 wordt de regering verzocht, in overleg te treden met de aanbesteders van openbaar vervoer om hen ervan te overtuigen dat zij bij aanbesteding hun aandacht vooral moeten richten op doelvoorschriften en niet op middelvoorschriften. Ik heb daarover in mei op basis van een Kamervraag een brief aan de Kamer gestuurd. In principe heb ik een voorkeur voor doelvoorschriften. Die heb ik in het AO ook uitgesproken. Ik ben het ermee eens dat middelvoorschriften innovatie kunnen remmen. In het genoemde geval waren er ook andere overwegingen om tot een middelvoorschrift te komen. Daarom zal ik het duurzaam inkoopbeleid van Haaglanden niet ter discussie stellen en ontraad ik aanvaarding van deze motie. Er zal zeker contact worden opgenomen met Roosendaal en de verantwoordelijke wethouder.

Mevrouw Spies (CDA):

Voor een goed begrip van de minister wijs ik erop dat het gewest Haaglanden slechts is genoemd als voorbeeld. De motie slaat dus niet op Haaglanden. Wij vragen in de motie om in overleg te treden met de aanbesteders van openbaar vervoer en om de Kamer binnen drie maanden te rapporteren over de uitkomsten van dat overleg. Dat overleg heeft bij mijn weten nog niet plaatsgevonden.

Minister Cramer:

Voorzitter. Hetgeen mevrouw Spies zegt nemen wij wel degelijk mee in de uitwerking van de criteria voor duurzaam inkopen/aanbestedingen openbaar vervoer en ik kom daar op terug als de conceptrichtlijnen er zijn. Ik zal u dan daarover informeren en ook over het punt van mevrouw Spies – middel- versus doelvoorschriften – verder communiceren.

De heer Jansen verzoekt bij motie de regering om de AMvB gevoelige bestemmingen aan te vullen met de bepaling over een bufferzone voor de aanleg van nieuwe woningbouw en daarbij rekening te houden met effectieve beplanting. Ook deze motie wil ik ontraden, in de eerste plaats omdat, zoals ik al in het AO heb gezegd, er geen extra bepalingen worden opgenomen over de aanleg van nieuwe woningbouw. Inderdaad heb ik met u gewisseld wat het effect van beplanting is. Ik heb interesse in uw artikel, maar op grond van hetgeen ons bekend is, is het in ieder geval niet dusdanig effectief dat ik uw motie kan ondersteunen.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Ik heb er toch behoefte aan even te reageren op de reactie van de minister op de motie-Spies/Boelhouwer.

De voorzitter:

Maar u zou toch niet in debat gaan! De minister heeft gezegd: ontraden!

De heer Boelhouwer (PvdA):

Nee!

De voorzitter:

Echt waar, het staat in het verslag. Let maar op!

De minister vervolgt haar betoog.

Minister Cramer:

Ik ontraad die motie op dit moment en ik heb daarop ook nog een toelichting gegeven. Omdat er anders wellicht onduidelijkheid ontstaat, wil ik er toch wel even op reageren.

De voorzitter:

Nee, het is een kerstregime!

Minister Cramer:

Dan ga ik naar de motie van de heer Van der Staaij over zwarte rook. In het AO heb ik al aangegeven dat zwarte rook geen goede maatstaf meer is voor het bepalen van de luchtkwaliteit en dat dit ook in Europees verband niet meer wordt aangehouden. Daarom moet ik ook deze motie ontraden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar antwoorden.