Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-1998nr. 75, pagina 5625-5634

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg van 16 april 1998 over het vreemdelingenbeleid.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Voorzitter! Wij houden nu een tweeminutendebat ter afsluiting van het laatste en zeer langdurige overleg over het asielbeleid dat deze Kamer in deze samenstelling voerde. Het overleg duurde van 11.00 tot 17.00 uur, maar uiteindelijk blijkt dat veel te kort te zijn om alle problemen grondig door te spreken en na te gaan hoe er een oplossing kan komen.

In deze twee minuten heb ik een groot aantal moties voor te leggen, dus ik houd alles kort. Ik begin met Iran. Er komt een vervolg, maar wanneer en hoe weten wij nog niet: direct na de verkiezingen of, wat waarschijnlijker is, in juni of misschien zelfs in september. De discussie duurt voort over de vragen of Iran veilig of onveilig is, of en hoe mensen terug kunnen, of er samengewerkt kan worden met de Iraanse autoriteiten en of er gecontroleerd kan worden wat daar gebeurt. Dit duurt voort buiten de schuld van de betrokken mensen, die jarenlang in onzekerheid zitten. Ik blijf volhouden dat de mensen die hier drie jaar en langer verblijven en voor wie wij op dit moment niets kunnen doen, recht hebben op een verblijfsvergunning. Daarom dien ik de volgende motie in.

Ik ben overigens vergeten om één vraag te stellen, maar ik ben wel erg benieuwd naar het antwoord. Wat is het resultaat van het onderzoek naar de vermisten en naar mogelijke graven in Iran?

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat reeds in januari 1995 het VVTV-beleid ten aanzien van Iraanse asielzoekers is beëindigd en er sinds die tijd om diverse redenen nauwelijks uitzettingen hebben plaatsgevonden;

tevens overwegende, dat de gevolgen van deze langdurige onzekerheid en het even langdurige verblijf in de centrale opvang in humanitair opzicht onverantwoord zijn;

verzoekt de regering over te gaan tot de verlening van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden aan Iraniërs die drie jaar of langer geleden een asielverzoek hebben ingediend,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 331 (19637).

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Voorzitter! Op dit moment is het rustig in Bosnië, maar dat is het enige wat over de situatie gezegd kan worden. De wederopbouw gaat moeizaam en zal nog even duren. Het gaat mijn fractie echt te ver om nu reeds over te gaan tot het gedwongen terugsturen van mensen. Het is niet alleen moeilijk voor de mensen zelf, maar het kan ook de wederopbouw aldaar belemmeren, omdat 50% van de bevolking op een andere plek woont dan voorheen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de wederopbouw in Bosnië-Herzegovina zo precair is dat gedwongen terugkeer van asielzoekers de situatie kan doen verslechteren;

tevens overwegende, dat de UNHCR de voorkeur geeft aan vrijwillige terugkeer, en gedwongen terugkeer van de genoemde risicogroepen onverantwoord vindt;

verzoekt de regering af te zien van gedwongen terugkeer naar Bosnië-Herzegovina,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 332 (19637).

Aangezien u al over uw tijd heen bent, geef ik u nu alleen nog de gelegenheid om de moties die u wilt indienen, voor te lezen.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Akkoord, mijnheer de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de berichten omtrent de mensenrechtensituatie in Liberia zeer zorgelijk zijn en nog onvoorspelbaarder wordt wanneer de Ecomog zich terugtrekt in augustus 1998;

verzoekt de regering af te zien van het voornemen om het VVTV-beleid ten aanzien van Liberiaanse asielzoekers te beëindigen, en over een jaar de situatie opnieuw te beoordelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 333 (19637).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de berichten omtrent de mensenrechtensituatie in Congo zo verontrustend zijn, dat uitzetting momenteel niet verantwoord is;

verzoekt de regering het VVTV-beleid van toepassing te verklaren op asielzoekers uit Congo,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 334 (19637).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het IOM niet meer de bevoegdheid heeft om laissez-passers te verstrekken bij de Iraaks-Turkse grens;

tevens overwegende, dat gezinsleden van Iraakse vluchtelingen in Nederland grote problemen ondervinden wanneer zij trachten vanuit Noord-Irak de ambassade in Ankara te bereiken;

verzoekt de regering op korte termijn een adequate maatregel te treffen en zo nodig de samenwerking met het IOM in dit opzicht te herstellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 335 (19637).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de rechterlijke toetsing van criteria voor de beëindiging van de opvang van uitgeprocedeerde of uitzetbare asielzoekers zoveel mogelijk uniform en inzichtelijk moet zijn;

tevens overwegende, dat deze rechterlijke toetsing ook asielrelevante aspecten kan bevatten, met name wanneer in de toekomst een voorwaardelijke Sipkesvergunning tot verblijf voor technisch niet verwijderbaren wordt geïntroduceerd;

verzoekt de regering voor de rechterlijke toetsing van criteria voor de beëindiging van opvang van (uitgeprocedeerde asielzoekers) de vreemdelingenkamers van de arrondissementsrechtbank Den Haag aan te wijzen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sipkes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 336 (19637).

De heer Van Oven (PvdA):

Mevrouw de voorzitter! Wij hebben een urenlang overleg gehad. Voor ons blijven er drie punten over. In de eerste plaats Iran. Wij nemen genoegen met de situatie zoals die zich nu heeft ontwikkeld. Heel gelukkig zijn wij daar niet mee. Het komt erop neer dat ook na het laatste ambtsbericht voorlopig niet kan worden uitgezet, totdat er in de Kamer een discussie is geweest over een notitie over monitoring die het logische gevolg is van de motie-Van Oven die in juni verleden jaar is aangenomen. Wij wachten die notitie af.

Het tweede punt geldt de reservecapaciteit die nodig zou zijn om te voorkomen dat het beleid voortdurend onderhevig is aan de spanningen die het gevolg zijn van variaties in de instroom per jaar. Wij menen dat een buffercapaciteit uitkomst kan bieden in die zin dat door het vormen van die capaciteit onnodige paniekmaatregelen worden voorkomen. Mede namens collega Dittrich dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat ter voorkoming van problemen inzake procedures en opvang van asielzoekers door sterke wisselingen in de instroom een reservecapaciteit nodig is;

overwegende, dat daartoe een snel inzetbare capaciteit nodig is, geschikt om de asielaanvragen van meer dan 10.000 mensen extra te verwerken en hun opvang mogelijk te maken;

verzoekt de regering de totstandkoming van een dergelijke reservecapaciteit te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oven en Dittrich. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 337 (19637).

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Wij hebben het gehad over de capaciteit van de vreemdelingenkamers bij de rechtbanken die op dit moment onvoldoende is. Bij ongewijzigd beleid blijft die onvoldoende. Mede namens de collegae Dittrich en Rijpstra dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de capaciteit van de vreemdelingenkamers bij ongewijzigd beleid per 1 januari 1999 onvoldoende zal zijn om kort daarna een aanvaardbare werkvoorraad te bereiken;

overwegende, dat het spoedig inlopen van de achterstand bij vreemdelingenkamers met behoud van kwaliteit nodig is om een procedure waarin snel duidelijkheid wordt geboden te waarborgen;

verzoekt de regering aan de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk een notitie te doen toekomen waarin wordt aangegeven welke maatregelen zouden moeten worden genomen om per 1 januari 1999 een aanvaardbare werkvoorraad bij de vreemdelingenkamers te bereiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oven, Dittrich en Rijpstra. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 338 (19637).

De heer Van Oven (PvdA):

Tot slot, voorzitter, wil mijn fractie een saluut brengen aan de staatssecretaris voor de manier waarop zij de afgelopen jaren met de weerbarstige materie van het asielbeleid is omgegaan.

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter! Ook voor u is het een gedenkwaardige avond omdat u voor het laatst de vergadering voorzit. De VVD-fractie is het met de staatssecretaris van Justitie eens dat, ongeacht de samenstelling van parlement en regering en het bestaan van de Vreemdelingenwet, het asielvraagstuk altijd hoog op de politieke agenda en maatschappelijke agenda zal blijven staan.

Het is van belang dat het beleid gebaseerd is op feiten en grondige analyses en hierbij dienen verschillende scenario's van instroom gehanteerd te worden waarin de gevolgen voor de opvang, de IND en de rechterlijke macht zichtbaar worden gemaakt. Dit geldt ook voor het inzicht waarom Nederland per 1000 inwoners de meeste asielzoekers in procedure neemt. Ik heb de volgende motie voorbereid, medeondersteund door de collega's Verhagen, Van Oven en Dittrich. Ik heb de motie helaas niet op tijd aan mevrouw Sipkes kunnen laten lezen en dat spijt mij.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het ten behoeve van het in de toekomst te voeren asielbeleid nodig is inzicht te hebben in de vraag waarom Nederland een onevenredig groot aandeel heeft in de Europese opvang van asielzoekers;

verzoekt de regering hiernaar een onderzoek in te stellen, en de Kamer de resultaten hiervan mede te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rijpstra, Verhagen, Van Oven en Dittrich. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 339 (19637).

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter! De VVD kijkt na vier jaar asielbeleid verder. Wij Rijpstrawillen duidelijke afspraken maken over het asielbeleid voor de komende vier jaar en wij zullen onze wensen zeker bij de kabinetsformatie kenbaar maken. In ieder geval, ik zei dat vanmiddag ook al, staat voor de VVD nummer één de aanpassing van de Vreemdelingenwet en wellicht het ontwerpen van een aparte asielwet.

De VVD-fractie dankt collega Leoni Sipkes voor de samenwerking. Zij komt niet meer terug. We hebben fikse debatten gevoerd, maar ik heb haar opzet en instelling altijd zeer gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor de staatssecretaris van Justitie die zeer bij het vraagstuk betrokken is en ook zal blijven.

De heer Verhagen (CDA):

Ik stel de heer Rijpstra een vraag. Blijkens uitlatingen in de pers vindt de VVD dat de huidige problemen met betrekking tot opvang en instroom van dien aard zijn dat het huidige beleid tekortschiet. Ik heb dit de heer Rijpstra niet zo horen zeggen vandaag, maar ik heb wel citaten van collega's van hem.

De voorzitter:

U gaat een heel debat voeren.

De heer Verhagen (CDA):

Ik wil een citaat voorleggen.

De voorzitter:

Neen, bij een interruptie moet u een vraag stellen.

De heer Verhagen (CDA):

Het huidige beleid zou leiden tot 1 miljoen asielzoekers in 2015. Kunt u dat hardmaken? Kunt u hardmaken dat de opvang van de afgelopen zes maanden 20 mld. heeft gekost? Waarom heeft u, medeverantwoordelijk voor het beleid van dit kabinet, een belronde nodig om tot conclusies te komen en onrust te zaaien zonder dat u hier maatregelen voorstelt die kunnen leiden tot opvang van politieke vluchtelingen?

De heer Rijpstra (VVD):

Dank u voor deze vraag. De belronde is ingesteld door De Gelderlander en niet door de VVD. De Gelderlander kreeg veel telefoontjes met vragen over het asielbeleid. Een aantal collega's van de VVD waren daar aanwezig en hebben de vragen beantwoord. Ik heb het artikel ook gelezen. Zoals u weet, ben ik de woordvoerder en fractiespecialist voor het asiel- en vreemdelingenbeleid en dat blijf ik ook. Op die wijze heb ik vier jaar lang het beleid van de VVD uitgedragen en zal dat ook vanavond blijven doen. In dat artikel wordt een aantal opmerkingen gemaakt. De eerste betreft de 20 mld. die wordt opgevoerd, die ook collega Hoogervorst bij de Voorjaarsnota in het debat naar voren heeft gebracht. Ik heb de behandeling van de Voorjaarsnota niet helemaal gevolgd, maar hij heeft dat gebaseerd op financiële onderbouwing en ik heb begrepen dat die ook klopt. Tijdens het debat is daar verder ook niet door de minister van Financiën op ingegaan, dat dit een foute berekening zou zijn. Ik ga er dus van uit dat die 20 mld. klopt.

Het tweede punt betreft de 1 miljoen asielzoekers die volgens mijn collega Blaauw tot 2015 naar Nederland zouden komen. 1 miljoen is natuurlijk een heel groot getal. Als je dat zou omrekenen, zouden er elk jaar 50.000 asielzoekers naar Nederland komen. Dat is natuurlijk niet de realiteit; zoveel asielzoekers komen er niet naar Nederland. Als je vraagt hoeveel procent van die asielzoekers in Nederland blijft, weten we dat dit 60% is. Als je vervolgens spreekt over 60% van de instroom die wij de afgelopen jaren hebben gekend met de factor 1,5 van gezinshereniging, kom je inderdaad op een aantal nieuwkomers rond 2015 van 1 miljoen mensen. Ik proef een beetje uit de woorden van de heer Verhagen dat dit door de VVD als een bedreiging wordt gezien. Dat zijn gewoon de feiten. We weten dat een deel van de instroom van de asielzoekers in Nederland zal blijven en we weten ook dat een deel van die asielzoekers aan gezinshereniging zal doen. Het totaal zal over twintig jaar gegroeid zijn en dan zou dat miljoen best kunnen kloppen.

De heer Verhagen (CDA):

Maar vindt u het dan niet goedkoop om suggesties te wekken en in te spelen op onrust, terwijl u tegelijkertijd medeverantwoordelijk bent als regeringspartij voor een beleid, dat blijkbaar volgens uzelf niet deugt?

De heer Rijpstra (VVD):

U moet de feiten en de discussie wel goed scheiden. U weet dat wij hier gedurende vier jaar soms op het scherp van de snede een discussie hebben gevoerd. U weet ook dat we de laatste jaren – ik zeg dat hier heel nadrukkelijk – een discussie hebben gevoerd, onderling en met de staatssecretaris, die gebaseerd was op feiten, meningen en analyses. Zo moet het ook. Als berichten in de kranten soms inderdaad wat kort geformuleerd zijn, heb ik net zoals de heer Verhagen de gedachte dat daar de nuance ontbreekt. U weet net zo goed als ik dat er best een genuanceerde achtergrond kan zijn geweest, maar dat wil niet zeggen dat je dat ook altijd terugleest.

De heer Verhagen (CDA):

Vindt u dat het beleid, gelet op de problemen die u signaleert, tekortschiet of afdoende is?

De heer Rijpstra (VVD):

Op het moment dat u de kwalificatie "tekortschiet" gebruikt, spreekt u mij ook aan, want de VVD maakt deel uit van de coalitie. De VVD is de afgelopen jaren op diverse terreinen met ideeën en voorstellen gekomen. Deze ideeën en voorstellen zijn niet altijd omarmd maar ook wel bekritiseerd. Soms kwamen ze later ook wel weer terug en werd er gezegd dat het toch nog niet zo gek was wat er bedacht was. Wat dat betreft, heeft de VVD naar mijn mening wel degelijk invloed op het beleid gehad. Dat vind ik ook terecht. Dat het beleid nog niet daar is waar de VVD naartoe wil; wij zijn van mening dat het beleid restrictiever zou kunnen...

De heer Verhagen (CDA):

Dus het beleid zoals het nu gevoerd wordt, is niet...

De voorzitter:

U hebt het woord niet van mij gekregen! U had bovendien uw laatste interruptie geplaatst.

De heer Rijpstra (VVD):

Dat het beleid restrictiever zou kunnen, staat in ons verkiezingsprogramma. Wij zullen het ook in de onderhandelingen naar voren brengen. U weet echter net zo goed als ik dat het in onderhandelingen de vraag is hoe we tot een goed harmonieus beleid komen. Dat is een kwestie van afspraken maken en ik heb er alle vertrouwen in dat wij met de Paarse coalitie tot goede afspraken kunnen komen.

De voorzitter:

Ik zie de heer Dittrich bij de interruptiemicrofoon. Ik stel wel vast dat u iets nieuws vraagt over dit krantenartikel en niet een andere vraag herhaalt.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter! Ik sta hier niet met het krantenartikel waarover ik het wil hebben. Ik wil het hebben over het artikel dat vandaag is verschenen in het Brabants Dagblad. Op de voorpagina daarvan staat dat de heer Rijpstra vandaag in het asieldebat met heel concrete voorstellen zal komen om de asielprocedure te bekorten. Ik heb van elf tot half vijf heel goed geluisterd, maar ik heb de heer Rijpstra geen enkel concreet voorstel horen doen. Daarom vraag ik hem: waar zijn de voorstellen van de VVD?

De heer Rijpstra (VVD):

Ik heb dat artikel niet gelezen. Ik veronderstel dat de journalist die mij gisteren heeft gebeld, heeft gevraagd: komt u nog met nieuwe plannen? Vandaag ben ik niet met nieuwe plannen gekomen. Dat was ik ook niet van plan. Het enige waarover wij gediscussieerd hebben en wat voor mij ook aan de orde was, was de vraag: als de capaciteit in de opvangcentra bereikt is en je hebt op dat moment geen plaatsen meer in de opvang, terwijl er toch nieuwe instromers komen, hoe ga je dan met dat gegeven om? Daarover kun je wel een discussie voeren. Als gezinnen met kinderen hier asiel aanvragen en ze kunnen geen opvang krijgen, moeten zij zichzelf dan maar redden of ga je na of je op andere wijze toch een opvangplaats kunt realiseren? In dat verband heb ik gezegd: ik zou me voor kunnen stellen dat uitgeprocedeerde mensen die nog steeds in die centra zitten, hun plaats beschikbaar moeten stellen voor nieuwkomers. De staatssecretaris wil dat zoiets op vrijwillige basis gebeurt, maar ik houd er rekening mee dat dat niet kan. Over de mogelijkheid die ik nu aangeef, hebben wij vandaag een discussie. Dit heb ik dus gezegd, maar op dit moment kom ik niet met nieuwe plannen. Daarover heeft u mij ook niet gehoord.

De heer Dittrich (D66):

Nee, ik had het in de krant gelezen.

De heer Rijpstra (VVD):

Maar u heeft toch altijd mij bekritiseerd met de opmerking: zeg nu ook in de Kamer wat u buiten de Kamer zegt. Ik heb u al laten weten: als ik nieuwe plannen heb, kom ik daarmee in de Kamer.

De heer Dittrich (D66):

Mijn probleem is nu juist dat ik in de krant lees dat u nieuwe plannen gaat indienen en met nieuwe voorstellen komt. Dan hebben we de hele dag een debat en aan het eind van het debat moet u toegeven dat u niet met nieuwe plannen of nieuwe voorstellen komt. Ik vind dit jammer, omdat je op deze manier buiten de Kamer een andere indruk krijgt van de inbreng van de VVD-fractie dan wanneer je in de Kamer het debat volgt.

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter!...

De voorzitter:

Dit is een constatering en geen vraagstelling. U hoeft deze opmerking dus niet te beantwoorden. Het woord is aan de heer Van Oven.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Ik heb twee vragen. De heer Hoogervorst heeft eergisteren gezegd: er zijn in verband met de kosten voor asielzoekers 20 mld. in zes jaar nodig. Vanochtend zei de heer Rijpstra: hij zal dat onderbouwd hebben. Echter, ik heb die onderbouwing niet terug kunnen vinden. Daarom vraag ik hem: uit welke posten bestaan die 20 mld.?

Er is door een van zijn collegae, fractiegenoot Blaauw, gezegd: in 2015 tellen we bijna 1 miljoen asielzoekers. De heer Rijpstra heeft zojuist uitgelegd dat het daarbij gaat om een optelsom van 50.000 asielzoekers per jaar, een getal dat we slechts één keer in de historie hebben bereikt. Afgesloten wordt met de zin: de VVD wil die trend definitief ombuigen. Ik heb vanavond van de heer Rijpstra één motie gezien, die ik heb medeondertekend trouwens. Het gaat daarin om een vergelijkend onderzoek. Op welke manier maakt de VVD-fractie in deze Kamer waar dat zij die trend definitief aan het ombuigen is?

De heer Rijpstra (VVD):

Hoeveel tijd heb ik, voorzitter? Hierover kan ik namelijk een halfuur praten.

De voorzitter:

Eigenlijk hebben wij nu een beraadslaging naar aanleiding van een algemeen overleg. Meestal wordt dat gebruikt voor het indienen van moties, maar op deze manier ontstaat een uitvoerig debat. U hebt over dit onderwerp al de hele dag gediscussieerd. Nu kunt u kort antwoord geven, want nu wordt herhaald wat al door de heer Verhagen aan de orde is gesteld. Na uw antwoord kan mevrouw Sipkes nog interrumperen.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! De heer Rijpstra heeft ons vanochtend tijdens het algemeen overleg een expliciet antwoord op die vraag toegezegd. Wij verwachten dat dan ook.

De heer Rijpstra (VVD):

Ik meen zojuist uitgelegd te hebben hoe de heer Blaauw, die niet de fractiewoordvoerder en niet de fractiespecialist voor dit onderwerp is, tot zijn conclusie is gekomen. Als ik destijds op zijn plaats had gezeten, had ik het verhaal anders ingekleed en had ik niet dat getal van 1 miljoen genoemd. Goed, heel helder: dat is ieder zijn eigen verantwoordelijkheid, maar ik ben degene die bij dit onderwerp de fractiewoordvoerder is van de VVD en met mij moet u zakendoen. Ik heb hier vanavond uitgelegd hoe die berichtgeving tot stand komt. Ik heb ook uitgelegd waarover de VVD bezorgd is, wat de gevolgen zijn van de instroom van mensen die hier mogen blijven, die aan gezinshereniging doen en die je toekomstperspectief moet bieden. Wij maken ons dus zorgen en wij vragen ons af of Nederland wel voldoende capaciteit heeft om dat beleid verder vorm te geven. Daar gaat het om in de toekomst. Ik meen dat ik daarmee antwoord heb gegeven op de problematiek. Wij gaan deze discussie verder aan. Wij willen deze discussie verder voeren, omdat het beleid niet na een jaar stopt. Dit gaat veel verder.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Ik kan dus vaststellen dat de indruk die de heer Blaauw bij de kiezers heeft gewekt op basis van de cijfers die hij heeft genoemd, ook volgens de heer Rijpstra onjuist is.

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter! Ik heb aangegeven hoe cijfers tot stand komen, hoe je cijfers kunt verwerken en wat de gevolgen zijn op termijn. Het is best mogelijk dat je in 2015 met gezinshereniging op 1 miljoen asielzoekers komt. Dat betekent dat Nederland daarop beleid moet maken.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Op 1 miljoen kom je niet, hoe je ook rekent. Ik weet niet op welk aantal je dan komt, maar ik hoop dat er ook statushouders bij zijn. Het is een wezenlijk verschil of je het over statushouders dan wel over asielzoekers hebt.

De heer Rijpstra heeft gezegd dat hij namens de VVD-fractie de afgelopen vier jaar heeft geprobeerd om op een constructieve en zorgvuldige wijze een bijdrage te leveren aan deze moeilijke discussie. Vindt hij datgene wat zijn collega's nu hebben gedaan constructief en zorgvuldig?

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter! Op zo'n avond komen er veel telefoontjes over het asielbeleid. Ik meen dat een bredere weergave op zijn plaats is dan nu in de krant is verschenen. Ik ga ervan uit dat mijn collega's op een juiste en zorgvuldige wijze met de bellers hebben gesproken. Daaraan hoef ik niet te twijfelen.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Maar datgene...

De voorzitter:

U heeft antwoord gekregen op uw vraag.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Neen, ik heb geen antwoord gekregen. Collega Rijpstra praat er volledig overheen. In De Gelderlander staat wat door de collega van de heer Rijpstra is gemeld aan de bellers. Dat verschijnt daarom in de krant. De Gelderlander organiseert en publiceert dat. Vindt de heer Rijpstra dat een zorgvuldige en constructieve manier van omgaan met de problematiek, zoals hij zegt altijd namens de VVD te hebben gedaan?

De heer Rijpstra (VVD):

Ik heb dat gedaan en ik blijf dat ook doen; daar kunt u gerust op zijn. In de krant staat een weergave van de journalist en niet datgene wat mijn collega's hebben gezegd. Ik durf te stellen dat, als de weergave daarvan erbij had gestaan, er sprake was geweest van die zorgvuldigheid.

De heer Van Oven (PvdA):

Het is een letterlijk citaat.

De heer Rijpstra (VVD):

Het is een letterlijk citaat, maar geen volledig citaat. U weet als geen ander hoe citaten tot stand komen. U weet ook als geen ander hoe artikelen in de krant tot stand komen, hoe koppen worden gesneld. Als volksvertegenwoordiger moet je die zorgvuldigheid in acht nemen.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Als volksvertegenwoordiger moet je ook opletten voor datgene wat eruit gelicht wordt en wat er in een krant komt, want dit was dus niet zorgvuldig. U gebruikt een heleboel woorden, maar ik meen toch begrepen te hebben dat u datgene wat hier staat niet zorgvuldig en niet constructief vindt.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter! Ik wil beginnen met een opmerking over het ambtsbericht en de conclusies van de regering over Iran. De fractie van D66 vindt het jammer dat er onduidelijkheid blijft bestaan. Als de notitie over de mogelijkheden en onmogelijkheden van monitoring eerder in gang was gezet, dan had die misschien al aan de Kamer aangeboden kunnen worden. Het zij zo, de staatssecretaris heeft het uitgelegd. Wij hopen dat de toegezegde notitie op korte termijn aan de Kamer voorgelegd kan worden.

Collega Van Oven heeft twee moties ingediend, die ik heb medeondertekend. De inhoud van deze moties spreekt voor zichzelf.

Ik ben blij met de toezeggingen die de staatssecretaris vandaag heeft gedaan aan D66 om te onderzoeken of het mogelijk is om uitgeprocedeerde asielzoekers een verklaring te geven waarin niet wordt gesproken over de asielprocedure, maar die zij kunnen presenteren aan hun ambassade als zij werken aan hun terugkeer. Ik hoop er op korte termijn iets over te horen.

Ik ben ook blij dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat zij met minister Melkert zal onderzoeken of asielzoekers betaalde arbeid kunnen verrichten tijdens de asielprocedures. Ik besef dat het heel ingewikkeld is, maar ik hoop er toch op korte termijn iets over te horen.

Het is nog steeds onduidelijk waarom het onmogelijk is om te volgen waar een asielzoeker zich in de procedure bevindt. De staatssecretaris heeft een notitie toegezegd waarin de haken en ogen van zo'n volgsysteem worden opgesomd. Het lijkt mij een goed idee om bijvoorbeeld in de zomer een proef te beginnen met een groep mensen die hier aankomt. Van zo'n experiment zouden wij wellicht wat kunnen leren.

Voorzitter! Wij hebben vier jaar met deze staatssecretaris over het asielbeleid gesproken. Op veel punten is beleid in gang gezet waar de fractie van D66 het mee eens is. Op sommige punten moet het beleid onzes inziens omgebogen of vernieuwd worden. Wij kunnen daarover met de collega's en de staatssecretaris discussiëren. Ik dank de staatssecretaris voor de inzet die zij de afgelopen vier jaar heeft getoond. In deze portefeuille lopen de emoties soms hoog op, ook als er in de maatschappij over het asielbeleid wordt gediscussieerd. Ik respecteer het dat de staatssecretaris in die heftige debatten vaak een baken van rust was. Dat is belangrijk voor een staatssecretaris van Justitie.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! Het feit dat wij vandaag een uur of zes algemeen overleg hebben gevoerd en dat thans een plenaire afronding over dit onderwerp plaatsvindt, geeft aan dat het resultaat van vier jaar Paars asielbeleid, waarin de achterstanden zouden worden weggewerkt en de asielprocedure zou worden verkort, triest is. De problemen zijn levensgroot. De halfjaarlijkse rapportage beziend, kunnen wij stellen dat de problemen het kabinet boven het hoofd zijn gegroeid. Zoals VluchtelingenWerk heeft geconstateerd: het asielbeleid is vastgelopen. Er is sprake van een opeenstapeling van problemen. De centra zijn overvol. De wachttijden zijn ellenlang. De terugkeer faalt. Dit vereist een beleid dat ik in de halfjaarlijkse rapportage niet terugvind.

De problemen verminderen het maatschappelijk draagvlak, dat ook aangetast wordt als buiten de Kamer onnodige paniekverhalen worden gehouden, en gaan ten koste van de vluchtelingen die wij om duidelijke redenen opvang, bescherming en toekomst in Nederland willen bieden. Een groot deel van de problemen waarmee wij geconfronteerd worden, zijn het gevolg van het ontbreken van beleid op een aantal belangrijke terreinen. Er worden geen consequenties aan het asielbeleid verbonden, hoe moeilijk dat ook is. Als die consequenties wél getrokken waren, zouden wij nu een overschot in plaats van een tekort aan opvangcapaciteit hebben. Om die reden stel ik de volgende motie voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de regering de controle over het asielbeleid aan het verliezen is;

verzoekt de regering vóór 1 juni te inventariseren welke beleidsmatige, beheersmatige en financiële maatregelen nodig zijn om het dit jaar dreigende vastlopen van de opvang- en besliscapaciteit te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Verhagen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 340 (19637).

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! Ten aanzien van Iran sluit ik mij aan bij de woorden van collega Dittrich. Het is buitengewoon te betreuren dat wij een jaar na de bespreking van het ambtsbericht, waar het allemaal mee begon, nog steeds geen besluit kunnen nemen.

Tot slot dien ik, mede gelet op het debat van hedenmiddag, nog een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening, dat een evenredige verdeling van de opvang van asielzoekers over de lidstaten van de Europese Unie tot stand moet komen;

constaterende echter, dat deze evenredige verdeling niet van de grond komt;

verzoekt de regering op korte termijn onderhandelingen te beginnen over een financiële verdeling van lasten, als voorloper van een Europese verdeling van de opvang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Verhagen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 341 (19637).

Staatssecretaris Schmitz:

Voorzitter! Wij hebben inderdaad vandaag uitvoerig, zoals traditie is op de laatste dag voor het reces, overleg gevoerd over het asielbeleid. In de loop van de dag betreurde ik het dat wij naar verhouding zo weinig praten over het bredere vreemdelingenbeleid met alle aspecten die daarbij aan de orde komen, zoals naturalisaties. Dat ligt aan de omstandigheden. Het asielbeleid is nu eenmaal het meest in het oog springende en het meest in de maatschappelijke discussie voorkomende onderwerp.

Mevrouw Sipkes heeft een aantal moties ingediend. Haar motie op stuk nr. 331 betreft Iran. Wij hebben lang over dat buitengewoon gevoelige land gediscussieerd. Er is onzekerheid en ongerustheid onder de betrokken groep. Mevrouw Sipkes vraagt de regering om over te gaan tot de verlening van een vergunning tot verblijf aan Iraniërs die drie jaar of langer geleden een asielverzoek hebben ingediend. Dat betreft dus de hele groep die hier drie jaar of langer is. Ik moet de aanvaarding van die motie ontraden. Ik heb vanmiddag al gezegd dat bij sommige al dan niet uitgeprocedeerde asielzoekers uit Iran wel degelijk het tijdsverloop een rol kan spelen, maar ik kan onmogelijk een motie aanraden die de groep als zodanig betreft. Het blijft namelijk een individuele afweging of men daarvoor wel of niet in aanmerking komt.

De motie van mevrouw Sipkes op stuk nr. 332 betreft Bosnië. Hierin wordt de regering gevraagd af te zien van haar voorstellen over een terugkeer naar Bosnië-Herzegovina. Ik meen dat het kabinet daarover een heel genuanceerd voorstel heeft gedaan, hetgeen in overeenstemming is met de wijze waarop de UNHCR naar deze problematiek kijkt. Het gaat om mensen uit meerderheidsgebieden en mensen uit de "open cities". In die zin is het geen algemeen terugkeerbeleid, maar een heel genuanceerd terugkeerbeleid. Ik kan de motie van mevrouw Sipkes dan ook onmogelijk aanbevelen. Sterker nog: ik ontraad uitdrukkelijk dat wij nu afzien van gedwongen terugkeer. Als wij mensen uit een oorlogssituatie of uit een situatie van mensenrechtenschendingen opvangen, dan moeten wij ook de consequenties trekken als die situatie aan het verbeteren is. Anders ondermijnen wij op den duur het draagvlak voor het beleid. Ik ben absoluut geen gemakkelijke optimist over de situatie in Bosnië. Vandaar ook het genuanceerde voorstel van het kabinet. Als mensen zich echter in eigen land kunnen vestigen en niet langer bescherming nodig hebben, dan moeten wij die consequentie duidelijk maken. Ik ontraad dus ook de aanneming van deze motie van mevrouw Sipkes.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Maar je kunt toch ook constateren dat de situatie in Bosnië nog lang niet echt goed is en dat de UNHCR sowieso een hele lijst van uitzonderingen heeft opgesteld? Voor de vrijwillige terugkeer bleek aanvankelijk veel belangstelling te bestaan. De mensen wilden terug, want zij zaten hier tijdelijk. Dat stagneert nu, omdat de situatie daar met het grote aantal ontheemden uiterst moeilijk is. 50% van de bevolking woont op een andere plaats dan normaal was. Het is dan toch uiterst moeilijk om te zeggen dat wordt overgegaan tot gedwongen terugkeer? De staatssecretaris kan dit toch ook een jaar of twee opschorten? Dan kan worden bekeken hoe het in de praktijk gaat, ook met die "open cities".

Staatssecretaris Schmitz:

Voorzitter! Ik ben van mening dat de regering een genuanceerd voorstel heeft gedaan op het punt van het gedwongen teruggaan naar meerderheidsgebieden, naar de open cities. Dat geldt echter niet in het algemeen. Wij onderkennen en erkennen de problematiek die nog steeds in Bosnië aan de orde is, maar ik meen werkelijk dat wij niet moeten afzien van dit voorstel van het kabinet. Dat is namelijk de uiteindelijke consequentie van de motie van mevrouw Sipkes. Ik blijf de aanneming van die motie ontraden.

Hetzelfde geldt voor de motie over Liberia. In die motie wordt gevraagd om de situatie over een jaar opnieuw te bekijken. Als wij ten aanzien van een bepaald land echter hebben vastgesteld dat er reden is om het VVTV-beleid terzake te beëindigen, omdat de situatie verbetert, dan moet je daaruit de consequenties trekken, al zijn ook wij niet optimis tisch en niet zonder zorgen over Liberia. Wij hebben daar ook genuanceerd over gesproken. In de motie over Liberia wordt zonder meer afgezien van het voornemen om het VVTV-beleid te beëindigen. Daarom ontraad ik de aanneming van die motie. Nogmaals, wij blijven ieder individueel geval zorgvuldig toetsen, maar het automatisme dat men voor een VVTV in aanmerking komt als men uit Liberia komt, is volgens ons niet meer nodig.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter! In deze motie staat dat de mensenrechtensituatie nog onvoorspelbaarder wordt wanneer de Ecomog zich terugtrekt in augustus 1998. Is het juist dat ik de staatssecretaris in het debat heb horen zeggen dat het nog niet eens zeker is dat de Ecomog uit Liberia zal vertrekken?

Staatssecretaris Schmitz:

Dat is de informatie die ik vanmiddag van Buitenlandse Zaken kreeg.

Dan kom ik te spreken over de motie over Congo. Daarin wordt de regering verzocht om het VVTV-beleid van toepassing te verklaren op asielzoekers uit Congo. De situatie in Congo is voor de regering aanleiding om nauwlettend toe te zien op de ontwikkelingen aldaar. Zouden die verslechteren, dan zullen wij daar nader naar moeten kijken. Dan zullen wij met de Kamer overleggen, maar op dit moment heb ik geen aanleiding om af te zien van het beleid, zoals wij dat hebben gevoerd. Ook de aanneming van die motie ontraad ik dus.

Dan de motie van mevrouw Sipkes over de gezinsleden van Iraakse vluchtelingen. Ik ben daar vanmiddag niet meer op ingegaan. Er is enige aanleiding tot zorg over de praktische gang van zaken ten aanzien van gezinshereniging en de mogelijkheden van onze ambassade aldaar. Wij hebben de toetsing of gezinsrelaties daadwerkelijk bestaan, uitdrukkelijk aan de ambassade opgedragen. De zaak is wat dat betreft niet helemaal aan het IOM overgelaten. Ik vind wel – ik heb daar ook over gesproken met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken – dat onze ambassade in Turkije wat dit betreft ook met eigen menskracht vanuit de IND moet worden ondersteund. Ik zal de Kamer nader rapporteren over hoe wij daar concreet gestalte aan geven, want er schort nogal wat aan de uitvoering van het gezinsherenigingsbeleid en de snelheid van een en ander.

In de motie wordt verzocht om de samenwerking met het IOM te herstellen, maar ik blijf erbij dat hier een rol voor de ambassade is weggelegd. Ik interpreteer de motie in die zin dat ik de Kamer een nadere rapportage toezeg over de wijze waarop de ambassade in Turkije de problematiek van de gezinshereniging op een zorgvuldige manier kan versnellen, zodat mensen niet in de problemen komen. Wij hebben geprobeerd om die problemen te voorkomen met een verklaring van de ambassade, maar in de praktijk heeft dit hier en daar niet gewerkt. Ik onderken de zorg op dit punt. Daarom zal ik de Kamer nader rapporteren over een en ander, zonder de motie als zodanig over te nemen.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Voorzitter! In het dictum staat nadrukkelijk: "zo nodig". Het gaat mij er primair om dat er iets gebeurt en dat het sneller gaat. Vandaar de vraag om op korte termijn adequate maatregelen te nemen.

Staatssecretaris Schmitz:

Ik vat dit samen in die zin dat ik uw zorgen naar de geest begrijp en daarnaar wil handelen. Als ik de motie op die manier mag interpreteren, dan heb ik daar geen problemen mee.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Prima.

Staatssecretaris Schmitz:

Mevrouw Sipkes verzoekt de regering in haar motie op stuk nr. 336 om voor de rechterlijke toetsing de vreemdelingenkamer in Den Haag aan te wijzen. Ik moet die motie ontraden. Ik heb het nog niet goed na kunnen gaan, maar ik heb begrepen dat dat een ingrijpende wetswijziging vergt. Ik kan dan ook niet anders dan die motie ontraden, aangezien ik de consequenties niet kan overzien.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

U ontraadt de motie omdat u de consequenties niet kunt overzien.

Staatssecretaris Schmitz:

En omdat het een ingrijpende wetswijziging vergt.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Ik wil wel graag een reactie op de strekking van de motie. Vindt u dat de toetsing in het vervolg misschien beter bij de vreemdelingenkamers kan komen? Kunt u het onderzoeken en erop terugkomen?

Staatssecretaris Schmitz:

Ik wil er wel een nadere brief over schrijven. Daarin zal ik dan aangeven hoe wij hiermee om kunnen gaan en op welke wijze de vreemdelingenkamers ingeschakeld kunnen worden. Ik heb echter ook te maken met zaken die weer via de Wet algemeen bestuursrecht aan de orde zijn. Ik kan dat alles niet helemaal overzien.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

In dat geval wil ik mijn motie op stuk nr. 336 aanhouden en eerst de brief van de staatssecretaris afwachten.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Sipkes stel ik voor, haar motie (19637, nr. 336) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Schmitz:

Mevrouw Sipkes heeft ten slotte nog een vraag gesteld over de drie vermiste Iraniërs. Ik heb net het bericht gekregen dat de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken mij daarover een dezer dagen kan informeren. Die informatie zal ik doorgeven aan de Kamer. Ik weet niet of dat informeren betekent dat er concrete nadere informatie zal zijn. Ik zal de Kamer in elk geval op de hoogte stellen.

Voorzitter! De heer Van Oven heeft een tweetal moties ingediend, mede namens anderen. De eerste gaat over de reservecapaciteit, in de wandeling de buffer genoemd. Hij vraagt daarin om een snel inzetbare capaciteit en hij spreekt dan over meer dan 10.000 mensen extra. Hij verzoekt de regering dat te bevorderen. Nu is "bevorderen" een zeer rekbaar begrip. De financiële consequenties hiervan kan ik niet bij voorbaat overzien. Ik denk niet dat ik hier toezeggingen moet doen, waarvan ik de financiële consequenties niet kan overzien. Ik heb vanmiddag al gezegd dat die buffer naarmate de prognose toeneemt, mee moet groeien. Of dat meer dan 10.000 is, weet ik niet. Ik ben wel bereid om de motie zo te interpreteren dat ik de Kamer nader zal informeren over de consequenties en de mogelijkheden. Ik kan niet zonder meer zeggen dat ik de motie kan aanvaarden, want ik kan het niet geheel overzien. Ik begrijp de intentie en daarom wil ik in overleg met Financiën bekijken hoe wij de zaak aan kunnen pakken.

De heer Verhagen (CDA):

Als wij de halfjaarlijkse rapportage zien, zullen er 15.500 extra plaatsen nodig zijn voor het eind van het jaar. Neemt de staatssecretaris in die overweging en in de beoordeling deze 10.000 mee, zodat wij praten over een uitbreiding van de capaciteit ten opzichte van de huidige situatie met 25.500 plaatsen?

Staatssecretaris Schmitz:

Dat is een wat al te gemakkelijke rekensom. Wij hadden het vanmiddag al over het rekenen van de heer Verhagen.

De heer Verhagen (CDA):

Ik wil weten wat de consequenties zijn. U kondigt in de halfjaarlijkse rapportage aan dat voor het eind van het jaar 11.000 plaatsen nodig zijn en dat daarenboven 4500 plaatsen nodig zijn vanwege het vervallen van bestaande contracten. Dat zijn 15.500 plaatsen. Als daar die 10.000 extra bijkomen, hebben wij het over de mogelijkheden en onmogelijkheden van 25.500 plaatsen. Dat kunt u niet afdoen met te zeggen: u kunt niet rekenen.

Staatssecretaris Schmitz:

Het is mij toch wat te snel bij elkaar opgeteld. Ik heb begrepen, ook uit de discussie van vandaag, dat de heer Van Oven heeft betoogd dat er nu een buffer van 5000 is ingezet op een prognose van 25.000. Ik heb daarop geantwoord dat als die prognose toeneemt, de buffer evenredig moet toenemen. Ik kan nu niet overzien of dit op 10.000 plaatsen uitkomt. Ik heb het dan over de IND en over de COA-buffer. Het totaal van 25.000 vind ik buitengewoon hoog. Dat zal niet gerealiseerd kunnen worden. Ik heb al een onderzoek terzake toegezegd, waarover ik graag zal rapporteren. Ik kan niet akkoord gaan met deze motie, want de financiële consequenties van een en ander zijn niet te overzien.

De heer Van Oven (PvdA):

Ik wijs er nogmaals op dat het niet gaat extra capaciteit die direct en permanent beschikbaar is, maar om snel te mobiliseren plaatsen; capaciteit die binnen enkele dagen of enkele weken te gebruiken is.

Staatssecretaris Schmitz:

U heeft het over problemen in de procedures en in de opvang. Een buffer in de opvang is mogelijk. Voor de IND ligt dat geheel anders. Je kunt geen "slapende menskracht" in reserve houden. Ik vraag u de motie aan te houden. Ik zeg u toe de Kamer nader te rapporteren over de wijze waarop met de buffer wordt omgegaan. Ik begrijp heel goed dat het erom gaat dat de capaciteit moet worden geactiveerd op het moment dat zij nodig is.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Gelet op de toezegging van de staatssecretaris wil ik, mede namens de heer Dittrich, mijn motie aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Oven stel ik voor, zijn motie (19637, nr. 337) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Schmitz:

Voorzitter! De heren Van Oven, Dittrich en Rijpstra hebben een motie ingediend over de vreemdelingenkamers. In feite sluit zij aan op een eerdere vraag van de heer Van Oven om te rapporteren over de aanvaardbare werkvoorraad bij vreemdelingenkamers. Voorzitter! Ik heb geen bezwaar tegen aanneming van deze motie. Ik heb er vandaag al op gewezen dat hetgeen nodig zal zijn, berekend kan worden, maar dat wij ook rekening moeten houden met de realiteit, dus met hetgeen daadwerkelijk gerealiseerd kan worden in een organisatie zoals de rechterlijke macht. Ik voldoe echter graag aan het verzoek om te rapporteren.

Voorzitter! Ik heb geen bezwaar tegen aanneming van de motie-Rijpstra c.s. over de Europese opvang van asielzoekers. Ik zal een en ander gaarne invullen.

De heer Dittrich heeft op het belang van een volgsysteem gewezen. Om technisch-financiële redenen kan een dergelijke systeem echter nog niet opgezet worden. Met het huidige automatiseringssysteem is het niet mogelijk om een experiment te houden. Ik vind het verzoek van de heer Dittrich echter zeer sympathiek. Ik zal de Kamer nader informeren over de condities waaronder wel een proef met een volgsysteem gehouden kan worden.

Voorzitter! De heer Verhagen verzoekt de regering bij motie om per 1 juni te inventariseren welke beleidsmatige, beheersmatige en financiële maatregelen er nodig zijn. Onder verwijzing naar de door de regering bij de Kamer ingediende stukken kan ik alleen maar aanneming van deze motie ontraden.

De heer Verhagen vraagt om in het kader van een evenredige verdeling van de opvang van asielzoekers over de lidstaten van de EU onderhandelingen te beginnen over een financiële verdeling van lasten. Ik kan niet echt bezwaar hiertegen hebben, maar het realiteitsgehalte en het oplossingskarakter van deze benadering acht ik zeer betrekkelijk. Ik heb niet echt bezwaar tegen aanneming van de motie, maar ik denk niet dat zij een grote bijdrage levert aan de oplossing van ons vraagstuk.

De heer Verhagen (CDA):

Ik ben uiteraard blij dat de staatssecretaris geen bezwaar heeft tegen deze motie, maar zij spreekt ook over het realiteitsgehalte ervan. Ik verzoek de regering iets te doen. Het realiteitsgehalte hangt mede af van de inzet van de regering.

Staatssecretaris Schmitz:

Ik heb vanmiddag betoogd dat het verdelen van financiële lasten één is, maar dat het perspectief bieden aan mensen in het kader van werk, huisvesting en de toekomst, iets geheel anders is. Dat probleem los je niet op door te constateren dat het in het ene land wat meer kost dan in het andere en dat er dan een verevening aangebracht moet worden.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! Dat is niet de essentie van deze motie. Als er iemand over toekomstperspectief wil spreken, ben ik het wel. Het gaat niet alleen om opvang en bescherming, maar ook om toekomstperspectief. Ik heb dat meerdere malen duidelijk gemaakt. Bij de opvangcapaciteit, het verkorten van procedures en de capaciteit van de vreemdelingenkamers is er ook een financiële inspanning. Dat kan, gelet op de discussie bij de Voorjaarsnota, niet ontkend worden. Tegelijkertijd verblijft er een onevenredig groot aandeel van het totale aantal asielzoekers in Europa in Nederland. Derhalve lijkt ons een financiële burdensharing, zolang er nog geen sprake is van een daadwerkelijke burdensharing, niet meer dan logisch. Wij hebben het steeds over Europese solidariteit.

Staatssecretaris Schmitz:

Voorzitter! Ik laat het oordeel graag aan de Kamer over. Ik heb mijn commentaar gegeven.

Voorzitter! Ik dank de woordvoerders in de afgelopen periode voor de wijze waarop wij hebben kunnen werken. Het was af en toe flink emotioneel en wij waren het lang niet altijd met elkaar eens. Ik dank in het bijzonder mevrouw Sipkes, voor wie het vandaag het laatste AO is geweest en de bespreking van het laatste VAO. Ik dank de PvdA en D66. Er is gesproken in termen zoals "saluut" en "baken van rust". Men zal begrijpen dat ik dat helemaal "opzuig". Ik dank de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie, die vandaag een marathonzitting, maar ook vele andere zittingen over dit onderwerp heeft meegemaakt. Ik wens de heer Verhagen nog enig historisch besef toe. Dat kan hij in de toekomst nog wel gebruiken. Voor het overige hoop ik dat Nederland een zeer zorgvuldig vreemdelingen- en asielbeleid blijft voeren, waarin eenieder, maar zeker de Tweede Kamer, moet blijven balanceren op de evenwichtsbalk waarover ik het zo vaak heb gehad; en dat op weg naar 2015. Dat biedt nog perspectief. Dank u.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, heden over de moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.