Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-1998nr. 75, pagina 5600-5608

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 15 april 1998 over de veiligheid op Schiphol.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Mijnheer de voorzitter! Gisteren hebben wij een nogal uitvoerig overleg met de minister gehad over de groei van Schiphol in de komende vijf jaar, de zogenaamde "vijf keer 20.000". Daarbij is gediscussieerd over het handhaven van de milieugrenzen. Met zorg stel ik vast dat op het terrein van de veiligheid niet in alle opzichten garanties worden geboden. Deze zorg wordt breed in de Kamer gedeeld; ook de minister kent deze zorg. Ik leg de Kamer een uitspraak voor, waarin wordt gevraagd om maatregelen, gericht op het handhaven van het standstillprincipe voor de veiligheid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat in de PKB, in een tekst van wezenlijk belang, is vastgelegd dat gestreefd wordt naar het bereiken van een standstill voor de externe veiligheidszone in ruime zin, als wel binnen het toetsingsgebied;

overwegende, dat de verbeteringen van de relatieve veiligheid de risico's doen dalen, maar dat deze daling de groei in het risico rond Schiphol door de toename van het verkeer slechts ten dele zal compenseren;

overwegende, dat als beleidsuitgangspunt gekozen is om de komende vijf jaar 100.000 extra vluchten toe te laten;

verzoekt de regering binnen drie maanden met een programma van maatregelen te komen, die het mogelijk maken om ook de komende vijf jaar het uitgangspunt van standstill voor externe veiligheid te bereiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gijzel. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (25466).

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Als de heer Van Gijzel zich nu al zorgen maakt over de veiligheid, is het wat merkwaardig dat hij wél wil instemmen met de vijf keer 20.000 vluchten erbij. Stel nu eens dat die veiligheid niet voldoende wordt gegarandeerd, vindt hij dan niet dat moet worden afgezien van vijf keer 20.000?

De heer Van Gijzel (PvdA):

Ik ga ervan uit dat die garanties wél kunnen worden gegeven. Juist daarom vraag ik aan de minister om met dat programma te komen. Dat is in lijn met wat in het kader van de PKB is afgesproken. Een nader oordeel kan ik pas geven op het moment dat het programma er ligt.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Stel nu eens dat dat programma niet afdoende is in uw opvatting, zegt u dan tegen de minister dat een en ander niet doorgaat?

De heer Van Gijzel (PvdA):

Van uw fractievoorzitter Van Gijzelheb ik geleerd dat je "stel-vragen" niet moet beantwoorden. Daarover hebben wij hier eens een uitvoerig debat gehad. Ik geloof dat hij daarin gelijk heeft. Dergelijke vragen worden gesteld door mensen die ervan uitgaan dat de bedoelde situatie zich ook echt voordoet. Laten wij eerst die toekomstige situatie beoordelen. Mijn motie is erop gericht hierover een goed beeld te krijgen. Nadat de maatregelen zijn geïnventariseerd, kunnen wij tot een beoordeling komen.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Voorzitter! Ik heb een vraag over de mogelijke gevolgen voor de PKB. Daarin zijn maximale grenzen aangegeven, zij het in de vorm van het aantal 44 miljoen passagiers. Ik denk dat wij met 460.000 vluchten, dus met die vijf keer 20.000 erbij, binnen die grens zullen blijven. Welnu, voor die situatie is een extern veiligheidsbeleid afgesproken, namelijk: stabilisatie in 2005 in vergelijking met het jaar 1990. Dat beleid ligt dus al vast. Moet ik uit deze motie afleiden dat de heer Van Gijzel een ander beleid wenst en daarmee een aanpassing van de PKB? Of wil hij dit alles binnen de grenzen van de PKB houden?

De heer Van Gijzel (PvdA):

Wat mij betreft gebeurt het binnen de grenzen van de PKB. Het gaat mijns inziens om één kleine verandering ten opzichte van die PKB. Daarover behoeven geen messen te worden getrokken. Wij weten – de minister heeft het ook gezegd – dat de veiligheidssituatie niet optimaal is. Dat heeft alles te maken met de veel grotere groei dan indertijd werd geprognosticeerd. Ik hanteer gewoon de tekst van de PKB waarin wordt gesteld: "dit zowel over de voorliggende jaren als met de verwachting daarover voor de komende periode". Het gaat dus niet alleen om 2015, maar ook om elke bundel van jaren in de tussenliggende periode. Het gaat niet alleen om de amoveringszone. In de PKB staat: "zowel binnen de externe veiligheidszone in ruime zin als binnen het toetsingsgebied externe veiligheid in engere zin". Het gaat dus ook in de PKB om die beide elementen. Ik heb die ook in een motie verwoord. Wat wij in de PKB niet hebben afgesproken, is het pakket maatregelen. En daar wil ik graag zicht op hebben.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Wij zijn het dus eens dat niet met de veiligheid mag worden gesjoemeld. Dat vindt ook de VVD-fractie. Ik begrijp uit uw eerste zin dat u vindt dat de PKB wel aangepast moet worden.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Nee, hoe komt u daar nu bij?

De heer Te Veldhuis (VVD):

U sprak over een kleine aanpassing van de PKB.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Wat ik zeg, is dat wij als ijkjaar 1999 hebben afgesproken. Ik vraag om daarop vooruitlopend dat te implementeren, omdat wij niet blind zijn voor de grotere groei die gerealiseerd wordt. Dat is dus geen aanpassing van de PKB en ook geen voorstel tot wijziging van de PKB. U bent heel positief over die groei en ook wel terecht, want die heeft economische effecten. Als er nadelen aan zitten, vind ik niet dat wij onze kop in het zand moeten steken. Als de veiligheid rondom de luchthaven afneemt, vind ik dat wij in elk geval verplicht zijn – en ik hoop ook u – om alles in het werk te stellen om die veiligheid weer op niveau te krijgen. Dat willen wij toch met elkaar bereiken. Ik reken dus op uw steun voor deze motie.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Mijnheer de voorzitter! Gisteren hebben wij in het algemeen overleg dit onderwerp besproken. Er is toen een beeld gecreëerd alsof D66 een draai zou hebben gemaakt ten opzichte van eerdere standpunten. Met name voor degenen die dit beeld gecreëerd hebben, geef ik aan dat die draai niet door ons is gemaakt. Dat is volstrekt onwaar. Dat beeld is gecreëerd door degenen die zelf een draai hebben gemaakt. Daarom hecht ik eraan een aantal zaken in herinnering te roepen.

D66 heeft dit jaar vele debatten over Schiphol gehad. Zij heeft aangegeven dat zij problemen heeft met het anticiperen op wijziging van de wetgeving. In het spoeddebat over Schiphol op 22 januari van dit jaar heb ik gezegd: "Anticiperen is wat ons betreft een ander woord voor gedogen. Dat is volstrekt buiten de orde. Voor 1998 kan het nieuwe gebruiksplan voor Schiphol dus niet. Dat betekent dat slechts het oude gebruiksplan, met een beperkte groei van Schiphol, mogelijk is." Over gedogen hebben wij in 1997 met vele anderen, hier aanwezig, gezegd dat dit eens, maar nooit weer was. En nu wordt een ander voorstel gedaan.

Ik hecht er ook aan het algemeen overleg van 18 februari in herinnering te roepen. Ik heb toen namens mijn fractie gezegd dat ik erg veel twijfels had over het door het kabinet voor te stellen anticiperen op wetgeving. Mijn fractie wilde uiteindelijk het oordeel van het kabinet over het aangekondigde onderzoek naar de gevolgen van echte groei voor de geluidsoverlast afwachten. Dat was namelijk de afspraak op dat moment; het kabinet zou een onderzoek doen. Tegelijkertijd hebben wij de kanttekening gemaakt dat het voor ons uiterst moeilijk was om in te stemmen met anticiperen. Wat ik 22 januari heb gezegd, heb ik toen herhaald. Pas dan zal namelijk het kabinet een definitief oordeel geven over de groei van 100.000 vliegbewegingen en de mogelijkheid om in 1998 vooruit te lopen op de wijziging van de aanwijzing. Dat besluit kwam 6 maart. De reden dat wij pas vandaag daarover spreken, is dat mijn collega's daar niet eerder over wilden spreken. Gisteren werd ook aangegeven door zowel het CDA als de PvdA dat zij daar nog steeds geen behoefte aan hebben.

D66 heeft in het debat over de toekomst van de luchtvaart aangegeven dat zij voor selectieve groei van de luchtvaart is, mits dit past binnen de vastgestelde geluidsgrenzen. D66 is, zolang wij binnen de milieugrenzen blijven, niet tegen extra groei op Schiphol. Het kabinet mag van ons de wetswijziging die hiervoor nodig is, voorbereiden. Dat betekent dat er een milieueffectrapportage wordt gehouden en dat er inspraakrondes zijn. Hieruit kan blijken dat de groei naar 100.000 extra vliegbewegingen in 2010 niet gewenst of niet mogelijk is. Nu vooruitlopen op de wijziging van de aanwijzing betekent volgens mijn fractie dat de gevolgen voor het milieu die uit de MER kunnen blijken en de bezwaren die uit de inspraak naar voren kunnen komen, niet serieus worden genomen. Dat is ons belangrijkste bezwaar. Dat heeft een democratische component die wij uiterst serieus nemen. D66 neemt dit wel serieus. Daarom zijn wij van mening dat niet in 1998 vooruitgelopen mag worden op de wijziging van de wet. Dit betekent dat in 1998 Schiphol niet meer kan groeien dan binnen de huidige geluidscontour. Wij houden slechts woord. Gedogen blijft voor ons, in tegenstelling tot de andere partijen, eens maar nooit weer. Daarom wil ik hierover een motie indienen.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Ik geloof dat mevrouw Van 't Riet de spijker op z'n kop sloeg, en wel toen zij over het overleg van 18 februari zei: wij hebben het kabinet de ruimte gegeven om te bekijken of die groei binnen de milieugrenzen kon. Dat hebben wij afgewacht. Als zij toen al procedurele bezwaren had gehad over de gehanteerde methodiek, dan was het natuurlijk onzinnig om het kabinet de mogelijkheid te geven om te bekijken of die groei voor dit jaar mogelijk was. Mij staat bij – ik heb het toen opgeschreven en ik heb het gisteren herhaald – dat het verschil tussen de situatie in 1997 en de situatie in 1998 is aangegeven door de minister van VROM. Zij is er toen bijgehaald, juist op het punt van de procedure. De minister heeft toen aangegeven wat de grote verschilpunten zijn: over wel of niet handhaven van normen, over een anticipatiebesluit, over de grondslag in de wet. Al dat soort dingen is genoemd. Ook mijn fractie zette, net als mevrouw Van 't Riet, grote vraagtekens.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Toen vond ik u nog aan mijn zijde.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Na de beantwoording door de minister werd volstrekt duidelijk dat het echt om een andere situatie zou gaan. In die antwoorden heb ik geen reden gezien om het kabinet tegen te houden. U ook niet. U hebt met mij afgewacht of het binnen de milieugrenzen kon. Dat kan nu. Ik vind dat er dan geen reden meer is om de zaak terug te draaien. Nu het binnen de milieugrenzen kan, zegt u dat u terugvalt op de procedures en dat het niet kan. Ik vind dat eigenlijk wel een buitengewoon onzorgvuldige opstelling ten opzichte van het kabinet.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Dit hebben wij gisteren ook gewisseld. Ik vind het echte onzin die u daar verkondigt. Wij hebben gezegd dat de 100.000 vliegbewegingen tot 2003 wat ons betreft onderzocht kunnen worden. Het geldt dus niet slechts voor 1998 en 1999. Wij hebben duidelijk de kanttekening gemaakt – dat is het verwijt dat ik u maak – dat anticiperen op wetgeving, gedogen dus, volgens ons niet in dat model past. Wat het doen van een onderzoek betreft naar de vraag of er binnen de milieugrenzen gegroeid kan worden en of de aanwijzing daarvoor veranderd moet worden, heeft de heer In 't Veld voorgesteld te kijken naar de vijf meetpunten en naar de vraag of daarbij groei mogelijk is voor 1998. De conclusie van het kabinet is dat dit niet los kan van de wijziging van de aanwijzing. Dit betekent dat er slechts beperkte groei mogelijk is. Dat bleek later. Op 6 maart heeft het kabinet naar aanleiding daarvan een keuze gemaakt. U zegt: had toen maar de harde afspraak gemaakt met het kabinet dat je dat niet wilt. Ik heb toen duidelijk aangegeven wat ons standpunt was ten aanzien van het anticiperen op wetgeving. Wij gaan het kabinet echter niet voor de voeten lopen om te zien of er binnen de milieugrenzen groei mogelijk is tot 2003. Als wij dat deden, zou dat onoorbaar zijn.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Maar dat was toch niet de opdracht die het kabinet zichzelf gegeven heeft en die het ons gemeld heeft? Het kabinet kreeg opdracht van de Kamer om een politiek-bestuurlijk kader te maken voor de komende vijf jaar.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Daar hebben wij zelf om gevraagd.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Dat zeg ik: een opdracht van de Kamer. Er was sprake van dat het alleen voor 1998 zou zijn. Het kabinet zegt vervolgens dat het dat gaat doen. Er was een gebruiksplan voor 1998, maar wij hebben gezegd dat dat hapsnap was en dat de minister het voor de komende vijf jaar zou moeten doen. Het kabinet gaat dat doen voor de komende vijf jaar, inclusief 1998. Dat staat in de stukken. Zo is het uitgewerkt. U zegt: u gaat uw gang maar. Het kabinet zegt nu dat het binnen de milieugrenzen past. Maar nu zegt u: ik vind toch dat het eigenlijk niet kan.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Ik vind uw opmerkingen bijna onbehoorlijk – dat heb ik al eerder gezegd – omdat u hiermee probeert weg te komen. U bent in de situatie gebracht dat u wél gaat gedogen, ondanks de eerdere afspraak dat u dat niet zou doen. Het ging over het totaal. Wij hebben samen een motie ingediend waarin stond dat wij behoefte hadden aan een meerjarig kader. Dat was naar aanleiding van de kritiek van de Commissie geluidhinder Schiphol. Die commissie heeft aangegeven dat zij geen ad-hocbeleid meer wil. Dat vonden wij ook. Kom met het meerjarig kader, zeiden wij. Dat betekent niet dat daar gedogen in zit. U kijkt ook naar 1998. Wij komen nu tot de conclusie dat er in 1998 geen verdere groei kan plaatsvinden zonder de wet te wijzigen. Wij willen eerst wetswijziging. Dat heb ik toen ook gezegd.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Het was overigens een motie van mij over het meerjarig kader. Die is door de Kamer gesteund.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Mijn handtekening stond er ook onder.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Het kabinet moest met het meerjarig kader komen. Het kabinet heeft expliciet gezegd dat het ook voor 1998 gold. Het kon niet zonder 1998, want dat was het kernjaar. De minister van VROM heeft in haar beantwoording aangegeven hoe het anticipatiebesluit vorm kan krijgen, hoe het bij de rechter te handhaven is, hoe het met de wettelijke grondslag zit, enz. Als u na de beantwoording door de minister van VROM echt meende dat het niet kon, had u toen het verslag van het AO op de Kameragenda moeten laten zetten. U had toen moeten zeggen: u hoeft voor ons niet te kijken naar 1998 of naar de milieugrenzen, want wij doen het sowieso niet. Dat heeft u verzuimd. Ik vind dat u nu eigenlijk niet meer het recht hebt om dat alsnog te doen.

De voorzitter:

Ik kom even tussenbeide. Wij zijn bezig met een debat naar aanleiding van een AO. Wij zijn niet bezig met de herhaling van het AO. Het moet echt een afrondende zaak zijn. Ik heb begrepen dat het debat tussen de heer Van Gijzel en mevrouw Van 't Riet gisteren ook vrij langdurig en helder is geweest. Wij hoeven dat niet plenair te herhalen. Nadat mevrouw Van 't Riet heeft geantwoord, wil ik dus de gedachte wisseling tussen haar en de heer Van Gijzel afronden. Vervolgens kunnen de collega's Reitsma, Te Veldhuis en Vos het woord krijgen, daarbij toch een beetje de contouren van een tweeminutendebat in acht nemend.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Ik popel natuurlijk om te antwoorden. Door het kabinet wordt onderzoek gedaan naar de periode van 1998 t/m 2003. Het onderzoek dat het kabinet indertijd heeft aangekondigd, was bedoeld om te bekijken of het binnen de milieugrenzen kon. En dat kan dus niet voor 1998. Dat is de conclusie; dat is op 6 maart gebleken. Toen heeft het kabinet gezegd: aangezien het niet kan, gaan wij anticiperen op wetgeving om het toch mogelijk te maken. En daar ben ik het niet mee eens. Dat heb ik helder proberen te maken.

De voorzitter:

Misschien is het verstandig om mevrouw Van 't Riet nu eerst haar motie te laten voorlezen. Dat is volgens mij prettig, omdat wij dan haar gehele inbreng kennen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat in 1997 door regering en Kamer is uitgesproken dat de huidige regelgeving inzake Schiphol slechts eenmalig overtreden mocht worden;

overwegende, dat de door de regering voorgestelde groei van Schiphol in 1998 naar alle waarschijnlijkheid alleen maar kan worden geaccommodeerd door te anticiperen op komende wetgeving;

van mening, dat anticiperen op komende wetgeving ongewenst is, omdat de uitkomst van de onderzoeken naar de milieugevolgen en de gevolgen van de inspraak nog niet bekend zijn;

verzoekt het kabinet de huidige Aanwijzing als uitgangspunt te nemen voor de handhaving van de geluidscontour en niet te anticiperen op komende wetgeving,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van 't Riet. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (25466).

De heer Reitsma (CDA):

Voorzitter! Ik heb nog een vraag aan mevrouw Van 't Riet. Zij heeft een jaar geleden gezegd dat de dubbeldoelstelling van Schiphol niet in gevaar mag komen. Op grond van haar en nog diverse andere betogen in de Kamer heeft de minister gezegd dat zij ervoor zou zorgen dat Schiphol tussen dat moment en 2003 niet op slot zou gaan. Als ik mevrouw Van 't Riet nu goed beluister, moet ik concluderen dat het standpunt van D66 het volgende effect heeft. D66 wil niet meewerken aan de anticipatiewetgeving. Het duurt zeker een jaar en met de verkiezingen ertussen waarschijnlijk anderhalf jaar, voordat het allemaal koninklijk geregeld is. Dat betekent dat Schiphol twee jaar op slot gaat. Kan mevrouw Van 't Riet uitleggen hoe dat zich verhoudt tot hetgeen zij hier in de Kamer betoogd heeft, en tot hetgeen haar collega Ter Veer hier in de Kamer uitgestraald heeft? Twee jaar op slot!

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! En dan nu de feiten. Begin vorig jaar kregen wij het gebruiksplan voor Schiphol met 295.000 vliegbewegingen. Aan het eind van dat jaar waren er 353.000 vliegbewegingen gerealiseerd. Hiermee wil ik maar even het beeld schetsen. Toen is er een gebruiksplan ingediend om te komen tot een groei met 7000 vliegbewegingen en in totaal dus 360.000 vliegbewegingen. Dat is de groei voor dit jaar. Als het binnen de milieugrenzen méér kan zijn, kan ik daarmee akkoord gaan. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan invlieg- en uitvliegroutes. Door die 7000 extra vliegbewegingen zit Schiphol dus niet op slot. Dat gebruiksplan vigeert nu en is ook goedgekeurd door het kabinet. Wij hebben nu discussie over de eventuele wijziging daarvan. De minister heeft aangegeven dat de wet in juni 1999 gewijzigd zal zijn. Daarna kan gewoon volgens de wet gevlogen worden. Ik vermoed dus niet dat Schiphol op slot zit. Die mogelijkheid willen wij ook scheppen. Die 100.000 vliegbewegingen moeten maar geregeld worden vanaf het moment dat die wet vastgesteld is door de Kamer. Schiphol kan die 100.000 vliegbewegingen dan spreiden tot 2003, zij het dat zij later ingevuld worden. Dit betekent Van 't Rietdat de beeldvorming van de heer Reitsma niet klopt. De dubbeldoelstelling van Schiphol is nog steeds aan de orde.

De heer Reitsma (CDA):

U neemt nu een ander standpunt in dan in het debat van gisteren.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Hoe komt u daarbij?

De heer Reitsma (CDA):

U zegt: als het met andere maatregelen mogelijk is, mag Schiphol nog wel groeien. De minister heeft gisteren aangekondigd dat een aantal andere maatregelen nog ruimte kan bieden. Ik vraag mij dus af wat voor effect uw motie überhaupt heeft. Als de motie gericht is op uw principiële keuze, ook al zwalkt u daar nu geweldig mee, betekent dat materieel dat Schiphol twee jaar op slot gaat. Daar kunt u niet omheen. U mag dat uw mensen wel eens uitleggen.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Ik heb aangegeven dat Schiphol binnen de vastgestelde grenzen, zonder te anticiperen op komende wetgeving, mag groeien. Door het kabinet en door Schiphol zelf is aangetoond dat het voor 1998 kan gaan om 7000 vliegbewegingen.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Mevrouw Van 't Riet heeft een paar keer gezegd "eens maar nooit weer". Dat getuigt van een hoog gehalte aan verkiezingsretoriek.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Ik heb alleen maar de minister-president geciteerd.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Ik denk dat u appels met peren aan het vergelijken bent. Vorig jaar was er echt sprake van gedogen, want toen was er een overschrijding van het aantal vliegbewegingen geconstateerd. Dat werd getolereerd op grond van artikel 5. Dat wil zeggen: zaken door de vingers zien. Nu anticiperen wij op nieuwe wetgeving, op een betere situatie, inclusief alle milieuvoordelen. Uw huidige fractievoorzitter zei hierover vorig jaar bij de behandeling van de nota Grenzen aan gedogen: het is verstandig om te anticiperen op dit soort punten. Bent u het met mij eens dat u een heel selectieve uitleg geeft aan het begrip gedogen, ervan uitgaande dat er dit jaar al sprake is van gedogen? Ik denk namelijk dat het niet gedogen is, maar anticiperen.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Ik had die vraag verwacht en ik heb daarom nagekeken wat mijn fractievoorzitter precies heeft gezegd bij de behandeling van de nota Grenzen aan gedogen, die een juridische basis kan bieden om in een overgangssituatie op nieuwe wetgeving te anticiperen. De minister kiest voor die basis. Wij kiezen daar niet voor. Mijn fractievoorzitter heeft gezegd: gedogen kan wat ons betreft als er een groot maatschappelijk belang aan de orde is. In het kader van de volksgezondheid denk ik dan aan onderwerpen als euthanasie, abortus en het softdrugsbeleid. Daar kiezen wij voor. Wij vinden niet dat de economische groei van Schiphol in dat referentiekader als een groot maatschappelijk belang gezien kan worden.

De heer Te Veldhuis (VVD):

U laat toch de dubbele doelstelling los. De heer Reitsma heeft gelijk. U vindt de uitbreiding van Schiphol en de banengroei die dit kan opleveren, geen zaak van maatschappelijk groot belang. Dat is helder.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Verkiezingen hebben duidelijk een heilzame werking op D66. De partij wordt wakker en dient een motie in waar GroenLinks blij mee is. Toch heb ik nog een vraag. U zegt dat voor dit jaar niet vooruitgelopen kan worden op wijziging van wetten, maar u vindt wel dat die 100.000 vliegbewegingen tot 2003 er sowieso bij kunnen. Dat vind ik merkwaardig. Wij zullen toch heel kritisch moeten bekijken of dat binnen de milieugrenzen kan. Overigens twijfelt u daar ook aan.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Er zal een MER verschijnen. De resultaten daarvan nemen wij uiteraard serieus. Dat houdt in dat er een inspraakronde komt. Overigens wordt niet alleen onderzoek gedaan op het gebied van de geluidshinder, maar ook op het gebied van veiligheid, uitstoot, etc. Dat vinden wij van belang en wij wachten af hoe een en ander zich ontwikkelt. Wij hebben gekozen voor de mogelijkheid van 100.000 extra vliegbewegingen, mits dat binnen de PKB past. Uit het rapport van In 't Veld blijkt dat er nogal wat absurditeiten spelen als het gaat om de zonering. Aanpassing van de aanwijzing voor zonering zal meer vliegbewegingen genereren en daar willen wij in meegaan. Ik denk dat mevrouw Vos en ik daarover van mening verschillen.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mevrouw Van 't Riet weet natuurlijk dat er ook andere absurditeiten zijn, namelijk dat de feitelijke geluidshinder waarschijnlijk veel groter is dan wat gemeten wordt. Daar moeten wij dus ook iets aan doen. De kans bestaat wel degelijk dat die 100.000 vliegbewegingen helemaal niet mogelijk zijn. Staat voor mevrouw Van 't Riet vast dat die 100.000 vliegbewegingen er komen, of stelt zij dat afhankelijk van de grenzen die bijvoorbeeld aan geluidshinder gesteld worden?

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Er komt nu een wetswijziging en ik vind dat wij die naar behoren moeten behandelen, inclusief inspraak en alles wat daarbij hoort. Dan kunnen wij bezien wat er mogelijk is. In de PKB is afgesproken dat er 435.000 vliegbewegingen mogelijk zijn.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Nu wordt weer dezelfde fout gemaakt. Er staat nergens in de PKB dat er sprake is van een grens van 435.000 vluchten. Dat zijn inputgegevens die gebruikt zijn om tot een geluidszone te komen. Gebleken is dat er meer mogelijk is binnen die geluidszone. Tot nu toe hebben wij het steeds over milieuzones gehad en niet over aantallen en dat soort zaken.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Als het bij de wijziging van de wet mogelijk is om die 100.000 vliegbewegingen te genereren, gaan wij akkoord.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Mijn fractie vindt het een zeer slechte zaak dat er nu een besluit wordt genomen om het aantal vliegbewegingen van 1998 tot 2003 met 20.000 te verruimen. Wij vinden dat de overheid zich hiermee bestuurlijk een onbetrouwbare partner toont tegenover de burgers. Niet voor niets is vorig jaar gezegd: eens maar nooit weer. Wij vinden dat de overheid juridisch grote risico's loopt, omdat er vooruit wordt gelopen op wetswijziging. Wij vinden dat absoluut niet acceptabel. Wij zullen de motie die D66 indient dan ook zeker steunen. In de praktijk zie je dat Schiphol al bezig is om die extra 20.000 vol te vliegen. Ik kan dat niet anders noemen dan gedogen, ook al is er een leuk woordenspel ontstaan dat dit anticipatie heet. Voor mijn fractie is dit gewoon gedogen.

Voor ons is het zeer de vraag of het allemaal wel meevalt met de milieueffecten. De minister heeft gisteren duidelijk gemaakt dat het onderzoek tot nu toe globaal inzicht geeft in de geluidshinder. Ik denk dat hier toch nader inzicht in moet komen. In 't Veld zegt zelf dat geluidshinder wordt gemeten op een manier waarbij vliegtuigen die minder dan 65 dB(A) veroorzaken, niet worden meegeteld. Dat is voor ons aanleiding om te zeggen dat die geluidshinder al te groot is en om te vragen om niet vooruit te lopen op nadere bestudering van en discussie over dat soort metingen. Wij moeten ons nu even houden aan de grenzen die wij hebben gesteld.

Andere milieueffecten zijn niet eens aan de orde geweest, zoals stank, luchtverontreiniging, het broeikaseffect en de veiligheid. De heer Van Gijzel heeft hier ook op gewezen. Wij maken ons hier zorgen over.

In 't Veld is positief over het op gang brengen van een soort samenwerkingsverband in de regio, waaraan alle partijen deelnemen, om voortaan een vruchtbare discussie te voeren over de ruimte die je aan het luchtverkeer geeft. Ik denk dat deze beslissing van het kabinet een zeer slechte zaak is en elk vruchtbaar overleg bij voorbaat onderuit zal halen. Kortom, mijn fractie kan hier niet mee leven.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Voorzitter! Ik hoor mevrouw Vos zeggen dat zij tegen gedogen is. Mag ik hieruit afleiden dat zij dat in de toekomst ook in andere gevallen zal zijn, of doet zij dat selectief alleen in het geval van Schiphol?

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Deze vraag heeft de heer Te Veldhuis al vele malen gesteld aan de fractie van GroenLinks. Ik denk dat het van belang is om van geval tot geval te bekijken wat de situatie is. Wij hebben hier te maken met een situatie waarin burgers last hebben van vliegverkeer. Om deze burgers te beschermen zijn er bepaalde afspraken gemaakt, die in wetten zijn vastgelegd. Ik vind het niet volgen van die wetten een ernstige zaak, omdat de bescherming van die burgers daarmee wordt aangetast.

Er is bij allerlei onderwerpen discussie in de Kamer over gedogen. De fractie van de heer Te Veldhuis doet net zozeer mee aan die discussie als de andere fracties. Ik vind dat wij er goed naar moeten kijken wanneer wij dat wel of niet doen en wat het precies betekent.

De heer Reitsma (CDA):

Voorzitter! De CDA-fractie hecht eraan dat er bij Schiphol en de omgeving daarvan wordt vastgehouden aan de dubbeldoelstelling. Wij kiezen voor beheerste groei van Schiphol, maar daarbij zal ook sprake moeten zijn van een zekere consistentie. Wij moeten alles in het werk stellen om de leefomgeving te verbeteren, omdat daar mensen wonen. Het kabinet is met een compromis gekomen van vijf keer 20.000 vluchten in de komende vijf jaar. Wij gaan ervan uit dat het kabinet dit goed heeft onderzocht, omdat het heeft aangegeven dat het kan binnen de milieugrenzen. Het heeft ook aangegeven dat het netjes wordt geregeld, zoals het behoort.

Ik moet constateren dat D66, ondanks dat het netjes binnen de milieugrenzen wordt geregeld, geen vertrouwen in het kabinet heeft dat het goed wordt geregeld. Ik vind de opstelling van D66 behoorlijk zwalkend. Bij het debat over de toekomst van Schiphol roept zij dat de grens van 44 miljoen passagiers losgelaten moet worden. De remmen moeten los. Zij maakt principieel geen bezwaar tegen vijf keer 20.000 vluchten, maar zij vraagt wel om een nader onderzoek. Ook ik vind dat verstandig, want er moet worden aangetoond dat het binnen de milieugrenzen kan. Ik kan alleen maar tot de conclusie komen dat D66 op dit moment de kluts kwijt is. Volgens mij is zij die kwijtgeraakt na 18 februari. Wij hebben inmiddels gemeenteraadsverkiezingen gehad. Ik kan mij er iets bij voorstellen.

Waar het mij met name om gaat, is dat de fractie van D66 in deze Kamer het kabinet oproept heroïnegebruik en drugstoestanden te gedogen, te gedogen en nog eens te gedogen. Maar als het om Schiphol gaat – zelf erkent zij dat binnen de milieugrenzen uitbreiding mogelijk is, want er is nader onderzoek geweest – mag het niet. Waar staat zij voor? Zij maakt volstrekt geen principiële keuze. Het is een politieke keuze. Zij is zo bang geworden met de verkiezingen in zicht, dat zij omtrent Schiphol in feite de milieupartij wil worden. Maar na de verkiezingen zal zij weer 100.000 vluchten toelaten. Dat stelt niks voor. Als puntje bij paaltje komt, kiest zij voor de heroïne-experimenten. Dan mag alles weer en dan is wetgeving en dergelijke niet meer belangrijk. Ik vind het standpunt van mevrouw Van 't Riet volstrekt belachelijk. Zij moet vooral zo doorgaan en dat de komende drie weken vooral zo uitleggen aan de kiezers. Dat is de grootste garantie dat D66 zo smal mogelijk wordt.

De voorzitter:

Voordat mevrouw Van 't Riet de kans krijgt te repliceren, wil ik opmerken dat deze uitwaaiering naar algemeen politieke beschouwingen voor een tweeminutendebat aanmerkelijk te ver gaat. Dat had ik misschien eerder moeten zeggen. Ik had het ook tegen de heer Te Veldhuis willen zeggen, maar hij begreep het al en ging weg bij de interruptiemicrofoon.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Het lijkt wel of er verkiezingen aankomen.

Ik heb in mijn bijdrage heel zuiver getracht aan te geven hoe consistent wij naar mijn mening geweest zijn over Schiphol. Wij hebben duidelijk aangegeven dat Schiphol binnen de milieugrenzen mag groeien, maar ook binnen de wet. Daar gaat het om. Wij gaan nu een toekomstige situatie gedogen, terwijl de wet niet veranderd is. Dat wil ik voor alle duidelijkheid ook nog een keer tegen de heer Reitsma zeggen. Hij mag zeggen dat wij zwalken. Dat interesseert mij eigenlijk niet, zolang wij die mening zelf niet zijn toegedaan.

De heer Reitsma stelt dat wij gezegd hebben akkoord te gaan met vijf keer 20.000. Ik heb ook daar de Handelingen op nageslagen. Hij moet dan met een citaat van de heer Ter Veer komen waarin deze zegt dat ook in 1998 20.000 vliegbewegingen aan de orde zijn, zelfs als daardoor de wet wordt overtreden. Ik heb een dergelijk citaat niet kunnen vinden.

De heer Reitsma (CDA):

Het gaat de CDA-fractie erom dat D66 de dubbeldoelstelling loslaat, dat Schiphol twee jaar en misschien langer op slot moet en dat het voor D66 aanvaardbaar is om na de verkiezingen, desnoods in een of twee jaar, de groei van 100.000 vluchten wel toe te staan. Ik vind deze opstelling ten opzichte van andere debatten in dit huis bijvoorbeeld over drugsgebruik en heroïne gewoon schijnheilig, omdat mevrouw Van 't Riet zich nu verschuilt achter anticipatiewetgeving. Dat is de kern van mijn boodschap.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Voorzitter! Ik moet toegeven dat het slot van de bijdrage van de heer Reitsma inderdaad een hoog verkiezingsgehalte had. Om een ding ben ik blij, namelijk dat de drie grote partijen een lijn trekken ten aanzien van Schiphol, de mogelijkheden en het compromis van vijf keer 20.000 vliegbewegingen in vijf jaar. In dat opzicht vindt de fractie van de VVD de motie van D66 ontijdig, onwijs, ongewenst en onbegrijpelijk.

Wij vinden de motie ontijdig, omdat D66 twee maanden geleden zonder protest akkoord leek te gaan met de vijf keer 20.000 extra vluchten over vijf jaar gespreid, nadat de minister in het algemeen overleg op vragen van D66 hierover een bevredigend antwoord had gegeven. Uit het interruptiedebat van zo-even bleek ook dat D66 daar niet op teruggekomen is. Zij doet dat nu pas.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Ik zou de heer Te Veldhuis dezelfde vraag willen stellen als aan de heer Reitsma: geef het citaat dat vijf keer 20.000 vluchten volgens ons ook anticipeert op komende wetgeving en dus in het geval van gedogen bespreekbaar zou zijn. Volgens mij heb ik juist het omgekeerde gezegd. Anticiperen op komende wetgeving is voor ons niet aan de orde.

De heer Te Veldhuis (VVD):

De minister heeft kennelijk de citaten. Dat horen wij dadelijk dus wel. Mij gaat het om het volgende. Als er een overleg is, als er vragen zijn die vervolgens door de minister worden beantwoord en als men er niet op terugkomt door het verslag van het algemeen overleg op de agenda te plaatsen met de mededeling een uitspraak te willen dat het anders moet, mag men er in dit huis volgens de gewoonten van uitgaan dat de minister en de regering doorgaan op de in het antwoord aangegeven weg. In die zin vind ik de reactie van mevrouw Van 't Riet ontijdig.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Ik had juist een VAO met een motie op dat moment ontijdig gevonden. Ik vind dat het kabinet de ruimte gegeven moet worden om te onderzoeken of iets mogelijk is. Er was een intentie van het kabinet om een onderzoek te doen of het binnen de milieugrenzen mogelijk was om de groei van Schiphol te genereren. Dat onderzoek moest nog gedaan worden. Het was dus niet aan de orde om het kabinet tot de orde te roepen en om te zeggen dat er van ons helemaal niets mag.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Wij hebben dit gisteren uitgediscussieerd.

Ik vind de motie verder onwijs, omdat D66 op deze manier een verlies-verliessituatie nastreeft. Het gaat namelijk om verlies bij economische ontwikkelingen en banengroei en om verlies bij milieuverbeteringen. De VVD wil een win-winsituatie.

Ik vind de motie ongewenst, omdat D66 op deze manier goed milieugedrag van zowel Schiphol als de KLM niet honoreert en aanmoedigt, maar integendeel impliciet bestraft. Ik vind dat onbegrijpelijk, omdat D66-lijsttrekker Borst en D66-minister van Justitie Sorgdrager het kabinetsvoorstel wel juridisch valide achten, terwijl fractievoorzitter De Graaf nog vorig jaar het anticiperen in overgangssituaties zoals deze aanvaardbaar achtte. Ik constateer dus dat D66 op dit punt goed verdeeld is. Ik vind het onbegrijpelijk, omdat D66 wel op zichzelf 100.000 vluchten wil toestaan. De heer Ter Veer heeft aangegeven dat D66 ook nog wel boven de 44 miljoen passagiers wil gaan. D66 spreekt met te veel monden en komt wispelturig over. Ik vind de motie ook onverstandig, omdat het er nu op z'n minst op lijkt dat mevrouw Van 't Riet zout in eigen wonden strooit. Dat lijkt mij zeker in de huidige situatie niet erg verstandig.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter...

De voorzitter:

De laatste maal, lijkt mij.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Het strooien van zout in eigen wonden is heel pijnlijk. Ik ben daar ook niet voor. Ik vind ook dat ik dat niet doe. De heer Te Veldhuis spreekt van D66-ministers die een ander standpunt innemen. Ik dacht dat juist de VVD altijd in dit huis bepleit heeft dat de Kamer een eigen verantwoordelijkheid kent en dat de VVD een zeer groot voorstander is van dualisme. Dat is D66 ook. Ik vind dat onze fractie een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de beoordeling van de kabinetsvoorstellen. Dat de heer Te Veldhuis onze opstelling onbegrijpelijk vindt, vind ik dus weer onbegrijpelijk. Wat betreft de opmerkingen over de heer Ter Veer, die heb ik net beantwoord. Het lijkt mij niet noodzakelijk om dat nog een keer te doen.

De heer Te Veldhuis (VVD):

Als er nu één fractie is in dit huis die niet verweten kan worden dat zij niet aan dualisme doet, is dat wel de VVD-fractie. Ik constateer overigens dat kennelijk binnen de D66-fractie ook een boel dualisme bestaat. Dat is voor de helderheid in het debat niet erg goed.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Mijnheer de voorzitter! Er is net de opmerking gemaakt dat de verkiezingen begonnen waren. Eerlijk gezegd had ik dat gevoel bij dit onderwerp al eerder dan vanmorgen.

Gisteren hebben wij een algemeen overleg gehad en daarbij heeft de heer Van Gijzel aangekondigd dat hij een motie wil indienen rond de externe veiligheid. Dat heeft hij nu ook gedaan. Ik wil daar als volgt op reageren. Om elk misverstand te voorkomen, ik heb gisteren toch goed begrepen dat het niet de bedoeling is van de heer Van Gijzel om over te gaan tot, bijvoorbeeld, het extra amoveren van woningen onder het vierbanenstelsel? Als wij spreken over maatregelen, gaat het dus over bronmaatregelen, zoals overigens ook in de nota Veiligheidsbeleid burgerluchtvaart. Als ik dat goed begrepen heb, is dat helder. Dat staat niet in de motie. Dat zou heel bezwaarlijk zijn.

Ik moet even in herinnering roepen hoe het in de PKB geregeld is. Wij hebben in de PKB geregeld dat aan het einde van de rit het standstillbeginsel ten opzichte van 1990 gehanteerd zou moeten worden. Daarbij hebben wij overigens geaccepteerd dat het onder het vierbanenstelsel tijdelijk zo is dat de externe onveiligheid ietwat oploopt. Dat is ook uitgebreid aan de orde geweest in het debat rond de PKB. Een en ander wordt overigens zoveel mogelijk gemitigeerd door maatregelen in de sfeer van bronbeleid. Nadat de vijfde baan gereed is, komt er een zware knip, dan gaat het ver onder het niveau in 1990 en daarna loopt het weer op om in het jaar 2015 op nul uit te komen ten opzichte van 1990. Als dat niet mogelijk mocht blijken, dan kan in die situatie naast bronbeleid ook het extra amoveren van woningen beleid zijn. Zo is de afspraak. Wij gaan evalueren in 1999 en dan zullen wij zien of er in de sfeer van bronbeleid nog meer maatregelen genomen kunnen worden.

Dan heb ik de Kamer vorige week, 7 april, bericht gestuurd over de stand van zaken van de uitvoering van de nota Veiligheidsbeleid burgerluchtvaart. Daarin staat het actieprogramma voor de uitvoering van de nota. Wat ik kan doen, is dat voorzien van de data waarop wij bepaalde dingen gereed kunnen hebben. Het is dan in feite een nadere invulling, zodat de Kamer precies kan zien wat wij op welk tijdstip doen. Ik wil ook best nog eens bekijken of wij dingen kunnen versnellen die nu nog in een langjarig schema zitten.

De heer Van Gijzel (PvdA):

De minister komt mij een heel eind tegemoet als zij ook kan aangeven wat de effecten daarvan zouden kunnen zijn.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Ik weet niet of ik de effecten exact kan aangeven. Veel van die maatregelen hangen sterk met elkaar samen. Ik weet bijvoorbeeld niet zeker of ik iets kan aangeven over wat wij in derde landen aan het doen zijn: helpen bij de aankoop van materieel c.q. bij de scholing van piloten. Wij weten dat het effect heeft, maar de vraag is of het meetbaar is.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Dat zou ook een soort PM kunnen zijn, maar van een aantal maatregelen is het zeker aan te geven.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Ik zal kijken wat wij daarmee kunnen doen. Vervolgens is het NLR begonnen aan een renovatie van de systematiek die als onderligger functioneert voor het bepalen van de risicozonering. Daar is alleen op zo korte termijn nog geen helderheid over te verwachten, want dat onderzoek duurt langer. Ik heb gisteren gezegd dat wij ook verder zouden kunnen gaan in de MER die hoort bij de aanwijzingswijziging. Als dat de vraag is, wil ik daar graag aan voldoen. Dat betekent dat de motie niet noodzakelijkerwijs in stemming gebracht hoeft te worden.

Dan kom ik bij de vragen van mevrouw Van 't Riet. Ik ben blijkbaar een beetje op het verkeerde been gezet tijdens het algemeen overleg dat wij hebben gehad op 18 februari. Op 16 februari heeft de Kamer een brief van ons gekregen waarin wij de procedure hebben beschreven die wij wilden hanteren om te komen tot een besluit over de vijf keer 20.000. De Kamer heeft gevraagd om een "doorzichtje" voor de komende jaren. Daar hoorden 1998 en 1999 bij. Wij hebben naar onze mening een procedure beschreven die kon. Het enige was dat wij op dat moment nog niet het formele besluit konden nemen, omdat wij daar nog een aantal gegevens voor nodig hadden.

Daar is een AO over geweest. Ik heb het verslag nog eens nagelezen en mevrouw Van 't Riet heeft het volgende gezegd: "Als het door het kabinet aangekondigde nadere onderzoek een positieve uitkomst heeft" – zij herhaalt dus wat ik in de brief heb geschreven – "zal er worden gestart met een wijzigingsprocedure van de aanwijzing en pas dan kan het anticipatiebesluit voor 1998 en 1999 worden genomen." Dat anticiperen kan volgens het kabinet als er sprake is van een overgangssituatie. Maar volgens mevrouw Van 't Riet moeten wij, totdat het nadere onderzoek is afgerond, blijven uitgaan van het huidige gebruiksplan met 360.000 vliegbewegingen. Ik denk dat wij elkaar tot daar nog steeds volgen. Dan zegt zij het volgende: "Bij het anticiperen zet de D66-fractie de nodige vraagtekens. Hoe juridisch houdbaar zal dat blijken te zijn? Is hierover advies gevraagd aan de landsadvocaat? Is het alleen gericht op het niet handhaven van die vijf absurde meetpunten?". En zo gaat het nog even door. Aan het eind staat het volgende: "Anticiperen in de vorm van gedogen zonder een voldoende juridisch instrumentarium was en bleef voor de D66-fractie in ieder geval onbespreekbaar."

Dat waren de vragen die zij gesteld heeft en de opmerkingen die zij gemaakt heeft. Daarna heb ik antwoord gegeven. Wij hadden advies gevraagd aan de landsadvocaat. Ik heb op al die vragen een antwoord gegeven. Daarna heb ik niets meer vernomen. Dan mag ik er toch van uitgaan dat die beantwoording haar tevreden heeft gesteld.

Nogmaals, voorzitter: ik voel mij nu enigszins op het verkeerde been gezet. Wij zijn in ieder geval doorgegaan met het werk op basis van de procedure die wij op 16 februari aan de Kamer hebben voorgelegd en die wij op 18 februari hebben besproken. Na de beantwoording van mijn kant was daar, op een aantal kleinere fracties na, draagvlak voor in de Kamer, zo was toen mijn stellige indruk. Vervolgens is er een besluit genomen en daarna hebben wij enige tijd helemaal niets gehoord. Pas op de dag voordat de Kamer met reces gaat, word ik naar de Kamer gehaald, terwijl er inmiddels al veel werk is verzet, want er wordt natuurlijk enorm hard gewerkt om een en ander tot uitvoering te brengen. Het is niet voor niets dat Schiphol al bezig is met de voorbereiding van haar invulling. Dat mag toch, als Schiphol berichtgeving van het kabinet heeft gekregen en uit de Kamer geen geluiden heeft gehoord dat het op bezwaren zou stuiten?

De motie die vanmorgen is ingediend, moet ik dan ook zeer dringend ontraden. Als wij zouden doen wat de motie vraagt, zou het betekenen dat niet alleen dit jaar, maar ook volgend jaar Schiphol op slot gaat. Wij krijgen het aanwijzingsbesluit niet al eind dit jaar rond. Dat was trouwens al vermeld in het procedurevoorstel van 16 februari en het is nog eens herbevestigd in de brief van 6 maart, terwijl ik er gisteren opnieuw op heb gewezen. Ook als wij bijzonder hard doorwerken, kan pas in de loop van het voorjaar van 1999 de aanwijzing onherroepelijk worden. Ik blijf overigens liever aan de voorzichtige kant en wil daarom ervan uitgaan dat de aanwijzing uiterlijk in juni 1999 onherroepelijk wordt. Als dan de motie zou worden gevolgd, zou dus ook in 1999 nog geen gebruiksplan met meer vluchten kunnen worden vastgesteld.

Ik kan niet anders constateren dan dat er tot voor zeer kort geleden, ook niet op 18 februari, geen signalen in deze richting zijn gekomen. Ik snap het dus niet goed.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Ik heb geprobeerd dat toe te lichten, niet alleen op 22 januari, maar ook op 18 februari. Ik ging toen nog uit van het rapport-In 't Veld waarin werd voorgesteld om de vijf bekende meetpunten niet te handhaven. Dat zou wellicht mogelijk zijn binnen de huidige aanwijzing en de PKB. Later bleek dat dit niet mogelijk was en toen heeft het kabinet ook gekozen voor wijziging van de wet. Daarnaast heb ik aangegeven, net zoals ik op 22 januari heb gedaan, dat anticiperen op komende wetgeving, dus gedogen, voor ons niet acceptabel is. In dat perspectief hoort mijn opmerking te worden geplaatst die door de minister zojuist is geciteerd.

Verder wijs ik erop dat in de brief van 16 februari is vermeld dat een onderzoek naar de relatie tussen de groei van het luchtverkeer en de effecten op de milieuruimte absolute duidelijkheid zal moeten geven. De uitkomsten van dat onderzoek waren op 18 februari natuurlijk nog niet bekend en ik heb dan ook gezegd dat ik daarop wilde wachten.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dit onderzoek is inmiddels afgerond en de uitkomsten ervan hebt u op 6 maart ontvangen. Iedereen wist op 16 februari, u ook, dat de 20.000 extra vluchten niet passen binnen de huidige zonegrens. Juist daarom hebben wij de brief van 16 februari aan de Kamer gezonden, met daarin vermeld het juridisch instrumentarium. Artikel 35 van de Luchtvaartwet is er ook niet voor niets. Wij doen het keurig op een juridisch verantwoorde wijze. Ik zou ook niet anders willen; ik wil niet meer dezelfde situatie als verleden jaar, toen het water ons plotseling over de schoenen liep en wij wel moesten gedogen, omdat er geen andere oplossing te bedenken viel. Nu gaan wij het op de koninklijke manier regelen. Wij willen de mainportdoelstelling handhaven, met gelijktijdig winst voor het milieu door het verkleinen van de zone. Daarnaast geven wij ook een meerjarenperspectief. Wij doen dus alles wat u hebt gevraagd. In het algemeen overleg hebt u alleen maar gezegd dat anticiperen in de vorm van gedogen zonder een voldoende juridisch instrumentarium voor de D66-fractie in ieder geval onbespreekbaar is en blijft. Er is nu echter een voldoende juridische instrumentarium en aan het eind van het algemeen overleg was ik er echt van overtuigd dat ik ook u daarvan had overtuigd. Als dat niet het geval was geweest, had ik toch mogen verwachten dat u daarop in de plenaire vergadering teruggekomen was? Dat is echter niet gebeurd en dan is het wel erg laat, nadat alles al gepasseerd is, om op de dag voor het verkiezingsreces met een motie te komen. Dat vind ik bijzonder raar en alleen al daarom moet ik deze motie ten sterkste ontraden.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Dat heb ik wel begrepen. Even terug naar de brief van 16 februari en het debat van 18 februari. Ik heb in mijn perspectief duidelijk aangegeven, ook met citaten, waarom wij toen gezegd hebben: gedogen is wat ons betreft niet aan de orde. In ons perspectief betekende een "juridisch kader" een wetswijziging. Ik heb dat ook toegelicht. Ik heb ook gevraagd: waarom niet een VAO met een motie. Er kwam nog onderzoek. Op 6 maart kregen we de brief.

Voorzitter! Ik heb ook in het algemeen overleg aangegeven dat wij die brief meteen wilden behandelen. Zowel de Partij van de Arbeid als het CDA had daar geen zin in. Zij wilden überhaupt geen debat. Gisteren werd dat ook nog eens aangegeven: wacht maar op het gebruiksplan en dan op de Commissie geluidhinder Schiphol. En dan zijn inmiddels de verkiezingen achter de rug en kunnen we dit onderwerp halverwege het jaar nog eens gaan behandelen. Wij wilden die brief van 6 maart meteen behandelen.

De heer Van Gijzel (PvdA):

Wij hadden inderdaad geen behoefte aan dat overleg. En waarom niet? Omdat wij op 18 februari met de minister afspraken hebben gemaakt. U had wel behoefte aan het overleg en dat hebben wij ook toegelaten. Het AO is gehouden en u heeft daar gewoon uw nummer kunnen maken, met succes.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Voorzitter! Ik kan niets anders zeggen dan dat ik er echt van overtuigd was dat op 18 februari het ei in feite gelegd was en dat het enige op basis waarvan het fout zou kunnen gaan, was dat wij niet op 6 maart een besluit zouden kunnen nemen, zeker wetend dat deze zaak binnen de milieugrenzen van de PKB geregeld kan worden. Dat dit wel kan, hebben wij kunnen concluderen.

Mevrouw Van 't Riet heeft gedaan wat zij heeft gedaan, maar het verbaast mij zeer dat zij dat niet gewoon na 18 februari heeft gedaan. Dat was toch de normale volgorde geweest, wanneer zij bezwaren had gehad tegen de procedure die wij toen aan de Kamer hebben voorgelegd en nadrukkelijk hebben besproken. Daar mocht de regering toch van uitgaan.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, heden over de moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 11.23 uur tot 12.30 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.