Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-1998nr. 75, pagina 5614-5615

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 16 april 1998 over de Waterleidingwet.

De vergadering wordt van 13.05 uur tot 13.10 geschorst.

De heer Feenstra (PvdA):

Voorzitter! Ik spreek mede namens de fracties van D66, CDA, SGP en GroenLinks. Wij hebben vanochtend een algemeen overleg gehad over de beleidsnotitie herziening Waterleidingwet. Ik denk dat dit een constructieve discussie is geweest.

De discussie spitste zich toe op enkele punten, waarover de Kamer zorg heeft uitgesproken. Het meest markante punt was het voorstel om te komen tot marktwerking in deze sector. Het kabinet wil op basis van deze beleidsnotitie een wetgevingstraject starten. Wij zullen dat wetsvoorstel te zijner tijd beoordelen, maar de Kamer heeft er behoefte aan om over één aspect daarvan nu al een uitspraak te doen. Daarom dien ik namens de genoemde fracties de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende de beleidsnotitie herziening Waterleidingwet;

overwegende, dat in deze notitie wordt voorgesteld een systeem van marktwerking toe te laten bij de industriewatervoorziening en dat ook marktwerking bij waterbeheer en -voorziening in het algemeen niet wordt uitgesloten;

constaterende, dat voorstellen voor marktwerking in de openbare watervoorziening negatief kunnen uitwerken voor de tarieven van de gebonden gebruikers en voor het duurzaam bronnenbeheer;

constaterende, dat vele betrokkenen uit de waterleidingsector hun zorgen hebben uitgesproken over deze effecten van marktwerking;

verzoekt het kabinet het wetsvoorstel herziening Waterleidingwet te baseren op de genoemde beleidsnotitie, met uitzondering van de genoemde marktwerkingsvoorstellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Feenstra, Augusteijn-Esser, Meijer, Van den Berg en M.B. Vos.

Zij krijgt nr. 2 (25869).

De heer Luchtenveld (VVD):

Mijnheer de voorzitter! Vanmorgen hebben wij in het algemeen overleg gesproken over de hoofdlijnennotitie voor de herziening van de Waterleidingwet. Ik heb daar betoogd dat deze notitie nog een aantal leemtes bevat en dat onvoldoende de relatie is gelegd met de ontwikkelingen in andere nutssectoren. Daarbij heb ik de Elektriciteitswet genoemd, waarin nadrukkelijk is gekozen voor meer marktwerking. Het is dan ook logisch om de marktwerking die in deze hoofdlijnennotitie is verwoord, niet af te schieten. Toch dreigt dat nu door een Kamermeerderheid te gebeuren. Wij betreuren dat zeer, want wij denken dat wij belangrijke stappen naar heel bescheiden experimenten voor meer marktwerking bij industriewater dreigen te verliezen, als het kabinet deze motie uitvoert. Dat is een kwestie van nader beraad in het kabinet. Zover zijn wij nog niet.

Het heeft ons ten zeerste verbaasd dat de fractie van D66 zich ook heeft uitgesproken tegen marktwerking. Waar is nu de bruggenbouwfunctie van D66 binnen Paars? Ik citeer minister Wijers, die in Het Financieele Dagblad de Kamer verwijt slappe knieën te hebben bij de Telecommunicatiewet. Minister Wijers zal de D66-fractie straks ook kunnen verwijten dat zij slappe knieën heeft bij de marktwerking. Gisteravond bij het AO over het KNMI claimde mevrouw De Koning nog dat D66 marktwerking en overheid op de politieke agenda heeft geplaatst. Ik heb vanmorgen geconstateerd dat D66 het er weer van afhaalt wat de watersector betreft.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66):

Het verschil tussen de VVD en D66 is dat u kennelijk een blinde vlek hebt voor het systeem van marktwerking en dat tot een soort eigen credo hebt verheven. Daar waar het kan, mag het van D66, en daar waar het niet kan, niet. De brugfunctie die wij nu hebben vervuld, is tussen het waterbeleid en het beleid voor milieu en volksgezondheid. Dat hebben wij met deze motie beoogd. Laat dat duidelijk zijn: marktwerking waar het kan, en niet waar het niet kan.

De heer Luchtenveld (VVD):

Ik had het over de brugfunctie van D66 binnen Paars. Daarvan is niets gebleken. Ik constateer dat de D66-bewindslieden, minister Wijers niet in de laatste plaats, en de VVD hebben gepleit, zoals uit de publiciteit in januari blijkt, voor een voorzichtig begin van marktwerking ook in de watersector. Ik noem daarnaast de benchmarking. Ik zou het zeer betreuren als dit belangrijke element verdwijnt, ook al omdat wij in dat geval iedere relatie met de ontwikkelingen van de Elektriciteitswet waar de Kamer in meerderheid voor heeft gestemd, verliezen. Deze motie zal ik mijn fractie ten zeerste ontraden.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66):

Voorzitter! De heer Luchtenveld heeft de fractie van D66 nooit kunnen betrappen op de wens van marktwerking in het waterbeheer.

De heer Luchtenveld (VVD):

Nee, maar ik constateer wel dat D66 in dezen geen consequent beleid voert. Wel worden marktwerking en overheid geclaimd door D66. De watersector wordt daarvan uitgezonderd. Dat betreuren wij.

Minister De Boer:

Voorzitter! Ik heb kennisgenomen van de motie. In de motie wordt voorgesteld de huidige marktwerking boven een bepaalde grens te laten bestaan. Wij hebben dat vanmorgen met elkaar besproken. Ik heb duidelijk gemaakt dat als er ongewenste tariefconsequenties zouden zijn, een en ander opnieuw bekeken moet worden. Uit het onderzoek moet blijken of dit al dan niet het geval is.

Ik heb ook duidelijk gemaakt dat marktwerking bij drinkwater "een" mogelijke optie is en geen besluit. Alvorens daartoe besloten wordt, moet eerst overlegd worden met de Kamer. Conform het standpunt van het kabinet ontraad ik daarom deze motie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, heden over de motie te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 13.23 uur tot 14.15 uur geschorst.