Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 80, pagina 6825-6827

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 14 april 2010 over de Landbouw- en Visserijraad.

De voorzitter:

Wij zijn een beetje uitgelopen. Met uw steun gaan wij de tijd een beetje inlopen. Ik heet de bewindslieden van harte welkom. Het woord is aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren. De spreektijd is twee minuten per fractie, inclusief het indienen van eventuele moties. Als u veel moties heeft, kunt u het best meteen beginnen met die op te lezen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik kan u geruststellen. Bij dit VAO dien ik slechts één motie in die een terrein raakt dat breder is dan alleen de bevoegdheid van de minister van LNV. De motie gaat namelijk over de ambtelijke afstemming van mandaten van de ambtenaren die Europese besluitvorming voorbereiden. Laatst hebben wij bij Cites kunnen zien dat het heel vervelend is als wij geen goed zicht daarop hebben. Het is niet alleen vervelend als stemmingen achter gesloten deuren plaatsvinden, maar ook als dit gebeurt met de voorbereiding van wat Nederland precies in Europees verband zal zeggen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderzoek van de Universiteit Utrecht het beeld bevestigt dat Europese besluitvorming in belangrijke mate wordt bepaald door nationale ambtenaren;

constaterende dat uit genoemd onderzoek blijkt dat driekwart van de specialistische ambtenaren die in de Europese Comités namens Nederland onderhandelen niet beschikt over een (deugdelijk) politiek mandaat;

overwegende de laatste Cites-onderhandelingen, waarbij de gang van zaken illustreerde dat een gebrek aan transparantie rond de ambtelijke afstemming het werk van een nationaal parlement bemoeilijkt;

van mening dat het nationale parlement de Nederlandse inzet in Europese onderhandelingen moet kunnen controleren en dat daartoe een grotere transparantie rond de ambtelijke voorbereiding van Europese besluiten noodzakelijk is;

verzoekt de regering, met voorstellen te komen tot verbetering van de totstandkoming van en controle op de uitvoering van ambtelijke mandaten in Europa en de Kamer daarover binnen een halfjaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 391(21501-32).

De heer Polderman (SP):

Voorzitter. De Landbouwraad ging met name over de visserij, waarbij een nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid aan de orde was. De SP-fractie heeft er behoefte aan om dat aan te scherpen. Ik dien daarom de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er veel maatschappelijke kritiek is op de visserijakkoorden van de EU met ontwikkelingslanden omdat deze onvoldoende geleid hebben tot duurzame visserij en onvoldoende hebben bijgedragen aan armoedebestrijding;

constaterende dat de regering desalniettemin in "Vis als duurzaam kapitaal, de Nederlandse visie op het nieuwe Europese visserijbeleid" inzet op voortzetting van deze akkoorden en de financiering hiervan;

van mening dat met deze wezenlijke tekortkomingen voortzetting van zulke visserijakkoorden niet wenselijk is;

verzoekt de regering, onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vormen van samenwerking aan te gaan met derde landen die gebaseerd zijn op volledig duurzame bevissing waarmee de lokale bevolking, de lokale economie en de ecologie overtuigend gediend zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Polderman en Irrgang. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 392(21501-32).

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben tijdens het algemeen overleg over de Landbouwraad lang gedebatteerd over het actief biologisch beheer van de waterschappen en het grootschalig afvissen voor helder water. Het eenmalig, drastisch uitdunnen van onze viswateren lijkt de norm terwijl mijn fractie vindt dat deze maatregel heel terughoudend en onder duidelijke voorwaarden mag worden uitgevoerd. Dat is op dit moment niet het geval. De minister vindt dat de sectoren het eerst zelf maar moeten oplossen door zelf met een norm te komen. De signalen die mijn fractie krijgt, is dat dat niet gaat lukken. Ik zie liever dat de minister van LNV de regie hierin neemt. Ik geef met de volgende motie een signaal af zodat een en ander verbetert. Ik dien de motie mede in namens collega Koppejan van de CDA-fractie.

De JacobiKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Actief Biologisch Beheer een beheermaatregel is waarbij eenmalig een substantieel deel van de visstand (95%) wordt verwijderd met als doel, helder water te verkrijgen en het watersysteem in de ecologisch gewenste toestand te krijgen;

constaterende dat alle uitgevoerde projecten Actief Biologisch Beheer in Nederland nog nergens hebben geleid tot een duurzame zichzelf in stand houdende, ecologisch gewenste toestand;

voorts constaterende dat proeven met zogenaamde beheervisserijen plaatsvinden of worden overwogen waarbij, in tegenstelling tot Actief Biologisch Beheer, periodiek een substantieel deel van de visstand wordt verwijderd, in plaats van de brongerichte aanpak;

overwegende dat beheervisserij een maatschappelijk ongewenste vorm van structurele overbevissing is van inheemse vissoorten, zonder dat hier sprake is van een zichzelf in stand houdende ecologische toestand van een watersysteem, zoals de Kaderrichtlijn Water die voorschrijft;

verzoekt de regering, aan de toepassing van Actief Biologisch Beheer strenge nadere voorwaarden te stellen gericht op het verkrijgen van een duurzaam zichzelf in stand houdende, ecologisch gewenste toestand en totdat deze voorwaarden zijn vastgesteld geen Actief Biologisch Beheer toe te passen;

verzoekt de regering voorts, beheervisserij met louter als doel helder water te verkrijgen, te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jacobi en Koppejan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 393(21501-32).

Minister Verburg:

Voorzitter. Inmiddels heb ik een exemplaar van de drie ingediende moties ontvangen. Ik kan er ook direct op ingaan.

Allereerst geef ik antwoord op de motie die is ingediend door mevrouw Ouwehand. Daarin wordt de regering verzocht, met voorstellen te komen tot verbetering van de totstandkoming van en controle op de uitvoering van ambtelijke mandaten in Europa en de Kamer daarover binnen een half jaar te informeren. Allereerst merk ik op dat mevrouw Ouwehand de Kamer geen recht doet met deze motie, omdat de Kamer zeer wel in staat is om het werk uit te voeren. Dat gebeurt ook met verve bij een aantal mandaten. U kunt mij te allen tijde in uw Kamer uitnodigen. U weet hoe graag en hoe vaak ik hier ben. U doet uzelf dus te kort. Bovendien is het een overbodige motie en overbodige moties zou je eigenlijk niet moeten willen indienen. Nogmaals, ik beoordeel deze motie als overbodig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Laten wij de discussie over de Cites-onderhandelingen maar niet overdoen, behalve de conclusie dat daarover mist blijft hangen. Los daarvan merk ik op dat er promotieonderzoek is gedaan, waaruit blijkt dat driekwart van onze ambtenaren niet beschikt over een deugdelijk mandaat. Daar kan de minister toch niet zo maar overheen stappen en zeggen "het is overbodig"? Het gaat om harde cijfers; ik heb die ook in het AO aan de minister voorgehouden. Ik heb ze niet zelf verzonnen, maar die cijfers bevestigen het beeld dat wij hadden bij de Cites-onderhandelingen. Ik vraag de minister dan ook om dat serieus te nemen.

Minister Verburg:

U hebt dan een mogelijk middel; dat is om de leden van het kabinet daar zo scherp mogelijk op te bevragen, opdat die leden van het kabinet ervoor zorgen dat de ambtelijke mandaten wél op orde zijn. Dat is uw democratisch middel; daar kunt u dag en nacht gebruik van maken.

Dan kom ik bij de motie die is ingediend door de heer Polderman, mede namens de heer Irrgang. Hierin wordt de regering verzocht om onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vormen van samenwerking aan te gaan met derde landen die gebaseerd zijn op volledig duurzame bevissing waarmee de lokale bevolking, de lokale economie en ecologie overtuigend gediend zijn. Deze motie beschouw ik als ondersteuning van beleid. Het is onze volle inzet bij het gemeenschappelijk visserijbeleid. Thans is het evenzeer onze volle inzet dat waar de Europese partnerschappen tot stand komen ten aanzien van visserij, zowel het derde land daarmee gediend moet worden, de werkgelegenheid, als een en ander moet voldoen aan een aantal criteria van duurzaamheid.

Dan kom ik bij de motie die is ingediend door mevrouw Jacobi en de heer Koppejan. Ik weet niet of men de brief heeft gezien die ik de Kamer gisteren heb gestuurd, maar op dit moment is er helemaal geen sprake van dat dit ook maar zou gebeuren. Het is helemaal stopgezet. Ik meen dat ik dit ook vrij uitvoerig heb toegelicht in het algemeen overleg. Als ik deze motie zie en ik moet er een oordeel over geven, dan zeg ik: pas op met het te snel verbieden van dingen op enig moment. Er kan immers een moment zijn dat alle partijen zeggen: dit is een goede aanpak die op een effectieve en betaalbare wijze een oplossing dichterbij kan brengen. Het kan de visstand helpen, hier en in een ander gebied. Het kan de waterkwaliteit dienen. En de partijen zijn het met elkaar eens. Dan heb je een "win-win-winsituatie". Mijn advies is: blokkeer dit niet. Laat ik het dictum waarin twee verzoeken staan, opknippen. Het eerste deel van het dictum zie ik als ondersteuning van beleid. Het tweede deel van het dictum moet ik ontraden. Op voorhand sluit je iets uit wat met maatwerk best een goede oplossing kan blijken te zijn, op voorwaarde dat alle partijen er zorgvuldig met elkaar over spreken en het met elkaar eens worden.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

De minister zegt: ik weet zeker dat er geen actief biologisch beheer plaatsvindt in het land. Wij horen andere geluiden. Waar leidt de minister uit af dat dit zeker niet meer het geval is?

Minister Verburg:

Het gebeurt niet. Het is niet gebeurd, zoals wij besproken hebben in het algemeen overleg. Er waren voornemens. Hiervoor moest een vergunning afgegeven worden door de Nederlandse sportvisserij. Dat is niet gebeurd. De sportvisserij heeft gezegd: op deze manier willen wij dat niet. Dat is aanleiding geweest om een en ander stop te zetten. Ik meen dat de indiener en de medeondertekenaar dit overleg heel belangrijk vinden. Ik zou ook kunnen vragen om de motie aan te houden, omdat een en ander zich niet voordoet. De motie in haar huidige vorm ontraad ik. Het eerste dictum zie ik als ondersteuning van beleid, het tweede moet ik echt ontraden.

Hiermee heb ik de drie moties van een oordeel voorzien.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties vinden vanavond plaats.