Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 75, item 6

6 Vragenuur

Vragen van het lid Hilkens aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht dat ruim een derde van alle wereldwijde kinderporno op Nederlandse servers staat.

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Voorzitter. Vorige week verscheen het nieuwsbericht dat ruim een derde van alle kinderporno wereldwijd op Nederlandse servers staat. In de top tien van bedrijven die kinderporno op hun servers hebben staan, staan drie Nederlandse hostingbedrijven. Dit was nieuws waar ik van schrok.

Het lijkt mij evident dat kinderen recht hebben op bescherming tegen alle vormen van seksueel geweld. Aan de vervaardiging van kinderporno ligt bijna altijd seksueel misbruik ten grondslag. Het beeldmateriaal dat eenmaal op internet staat, blijft daar voor altijd vindbaar en zichtbaar. Dit maakt het voor slachtoffers nog gecompliceerder om een toch al traumatische ervaring te verwerken.

Ik begrijp dat Nederland een belangrijk en druk internetknooppunt is, maar ik vraag mij ondanks dat feit af hoe kan worden verklaard dat ruim een derde van alle porno wereldwijd op Nederlandse servers staat. Dat ICT het vervaardigen, het verspreiden en het bezit van kinderporno aanzienlijk heeft vereenvoudigd, weten we allemaal. Ik was mij er ondertussen niet van bewust dat de goede digitale infrastructuur van ons land kennelijk een enorm aanzuigende werking heeft op de verspreiding van kinderporno. Ik hoor graag van de minister of hij deze conclusie onderschrijft.

Mijn vragen aan de minister luiden als volgt. Wat doen we aan dit specifieke probleem? Denkt hij dat we meer kunnen doen dan nu het geval is? Wat stelt de minister in dat geval concreet voor? Wat mij betreft kunnen we namelijk niet toekijken hoe kindermisbruikers en verspreiders van kinderporno onder het motto van "een goede digitale infrastructuur" ongestoord hun gang blijven gaan; graag een reactie van de minister.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank mevrouw Hilkens voor de gestelde vragen. Ik deel haar conclusie, evenals natuurlijk de analyse. Dat Nederland een groot internetland is met een digitale infrastructuur, is economisch van belang. Er komen echter ook slechte kanten naar voren; dat is duidelijk. Dit is er een van. Dat kunnen we niet accepteren. Ik zeg wel dat het gros van de aanbieders en afnemers zich buiten Nederland bevindt. We hebben wat te doen.

Wat doen wij eraan? Wij doen er veel aan. Er is de bekende "notice and take down"-procedure. Die houdt in dat als een ondernemer hoort dat dit gebeurt, hij meteen ingrijpt en de site verwijdert. Dat is natuurlijk belangrijk. Doet men dat niet, dan wordt men strafrechtelijk aangepakt. Dat doen wij. We hebben ook preventieve maatregelen, waarvoor pilots lopen. Het is natuurlijk moeilijk om te verhinderen dat dit gebeurt. Wel concludeer ik, met het Meldpunt Kinderporno en de politie, dat het gros van de aanbieders en afnemers zich buiten Nederland bevindt. Dat is het antwoord op de twee vragen die mevrouw Hilkens heeft gesteld.

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Ik dank de minister voor zijn heldere toelichting. Ik was bekend met het "notice and take down"-principe, evenals met de preventieve maatregelen die we nemen om dit probleem aan te pakken. Blijft staan dat een derde van het wereldwijde aanbod bij ons een thuisbasis weet, of het nu hier vervaardigd wordt of niet. Dat is een feit. Laat ik zeggen dat het mij zorgen baart dat dit aantal ondanks alle inspanningen zo enorm kan blijven. Dat is misschien voer om in een AO nog eens uitvoerig over te spreken.

Ten slotte sta ik kort stil bij wat ik al aanhaalde, namelijk de trauma's van slachtoffers als gevolg van het feit dat de misbruikbeelden permanent op het internet blijven staan. Het is mijn mening dat de beschikbare expertise in ons land met betrekking tot het omgaan met deze trauma's, die dus het gevolg zijn van permanentie, onvoldoende is. Ook daarop krijg ik graag een reactie van de minister. Ik weet dat er onlangs in Amsterdam een onderzoek op dit terrein is gestart, dus naar de effecten op de slachtoffers van het gegeven dat de beelden voor altijd vindbaar en zichtbaar blijven. Bij dat onderzoek zijn de slachtoffers van de omvangrijke Amsterdamse zedenzaak betrokken, alsook de ouders. Ik hoor graag van de minister of hij bereid is en wil toezeggen om alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat er voldoende expertise omtrent de hulpverlening aan slachtoffers in ons land is, vooral ook specifiek gericht op het omgaan met trauma's die hiervan het gevolg zijn. Wil de minister zich daar 100% voor inzetten? Ik poneer daarbij de vraag of hij bekend is met het gegeven dat het onderzoek in Amsterdam langdurig en daarmee ook kostbaar zal zijn.

Minister Opstelten:

Ik dank mevrouw Hilkens voor de vragen. Ik moet eerlijk zijn: er is nog niet veel bekend over de effecten op lange termijn van kinderporno op internet op slachtoffers. Dat zal mevrouw Hilkens bekend zijn. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen concludeerde dat in haar rapportage Kinderpornografie in 2010. Ik wil dus investeren in deze materie. Natuurlijk, vanzelfsprekend. Dat doe ik uiteraard samen met de staatssecretaris van VWS, zoals ik al in de beleidsreactie op het rapport van de nationaal rapporteur heb geschreven. Ik ga dit bespreken met de staatssecretaris.

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Daar ben ik heel blij mee. Ik ben vooral blij met de toezegging dat de minister hierin zal investeren.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik weet niet zo erg goed wat ik moet met het antwoord van de minister op deze vraag. Ik wil in het verlengde hiervan een andere vraag aan de minister stellen. Wij zijn afgelopen vrijdag met een kleine delegatie uit de Kamer bij de politie geweest om goede voorlichting te krijgen over de manier waarop wordt omgegaan met kinderporno. Ik was erg onder de indruk van de focuswijziging die heeft plaatsgevonden, namelijk dat men allereerst zorg heeft voor de slachtoffers en de slachtoffers wil identificeren. Ik hoorde net over de techniek en alles wat daarbij hoort. Als dit nu als eerste gebeurt, wat gebeurt er dan als tweede om ervoor te zorgen dat die beelden inderdaad verdwijnen van het internet?

Minister Opstelten:

Ik heb al gezegd dat bekend is dat het gebeurt, dat wij dat betreuren en dat wij daar goede procedures voor hebben. Verder moeten wij natuurlijk – dat doet het meldpunt samen met de politie, zoals de leden ongetwijfeld hebben gehoord in Noordwijkerhout ...

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Zoetermeer.

Minister Opstelten:

Zoetermeer, dat kan ook. Dan was het een andere bijeenkomst. Dan vindt die nu plaats, op dit moment, daar. Ik wil heel precies opereren in dit onderwerp. Ik zal de Kamer zeer binnenkort, volgende week of in elk geval snel, een brief schrijven over de effecten van de nieuwe aanpak die in overleg met de Kamer is opgesteld. Daarin zal ik heel precies hierop ingaan, net als op de vraag van mevrouw Hilkens. Ik zal daarin precies antwoord geven op door de mevrouw Berndsen gestelde vraag, want daar hebben wij wat aan.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb toch de indruk dat ik net getuige was van een klein toneelstukje om een onderzoek aan te kondigen. De gevolgen voor de slachtoffers laten zich raden. Daar is nog geen slachtoffer mee geholpen. Is de minister bereid om de capaciteit die nu bezig is om de beelden die nu op internet staan daaraf te halen te verdubbelen?

Minister Opstelten:

Het antwoord is nee. Daar hebben wij al regelmatig over gesproken. Wij hebben de capaciteit verdubbeld. Dat is in overleg met de Kamer gebeurd. Mevrouw Van Tongeren was daarbij. Laten wij nu eens een tijdje niet over de capaciteit spreken, maar over het werk en de resultaten. Ik kom zeer binnenkort, eind volgende week of de week daarop, met een rapportage over hoe het daarmee staat. Ik denk dat wij er daarna zeker een gesprek over zullen hebben.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik maakte ook deel uit van de delegatie die vrijdag op bezoek is geweest in Zoetermeer. Het was het meest schokkende werkbezoek dat ik ooit heb afgelegd, omdat het om heel kleine en kwetsbare kinderen gaat. Het verbaast mij dat de namen van de hostingbedrijven die in Nederland zijn gevestigd niet bekend zijn gemaakt. Zou het in het kader van naming-and-shaming niet heel heilzaam zijn om in elk geval de verantwoordelijkheid neer te leggen waar zij ligt, namelijk bij die hostingbedrijven zelf, en ze met naam en toenaam te noemen?

Minister Opstelten:

Ik weet het niet. Zo duidelijk is dat. De ngo INHOPE heeft bekend gemaakt dat ook de bedrijven waar het om gaat direct maatregelen nemen zodra zij het weten en dat het dan ook afgelopen is. Dat is de werkelijkheid. Ik denk dat wij het moeten koesteren dat het zo gebeurt. Als dat niet gebeurt, als zij het niet weghalen, dan komen de politie en het OM eraan, dan worden zij vervolgd en dan zal men ervoor zorgen dat de site wordt weggehaald. Dat is de lijn. Ik denk dat wij er ons op een gegeven moment ook bij moeten neerleggen dat het met de werkwijze van notice-and-takedown zo werkt.

De heer Van der Steur (VVD):

In de strijd tegen kinderporno en voor de opsporing en vervolging ervan is het essentieel dat de landelijke databank goed werkt alsmede dat de uitwisseling tot stand komt met zo veel mogelijk Europese lidstaten. Ik was afgelopen vrijdag helaas niet in de gelegenheid om bij het werkbezoek te zijn, maar ik weet dat het onderwerp aan de orde is gekomen. Ik vraag de minister of hij bij de eerstvolgende rapportage uitdrukkelijk aandacht wil besteden aan die twee aspecten: de Nederlandse databank van zowel kinderporno als erkende niet-kinderporno, en de uitwisseling met de Europese landen. Ik begrijp dat het er nog maar vijf zijn. Het zouden er echt heel veel meer moeten zijn.

Minister Opstelten:

Ik zal ook die punten meenemen in de rapportage, die er heel snel aan komt. Daarin zal aandacht worden geschonken aan deze twee aspecten.

De heer Oskam (CDA):

Nog veel kwalijker is het maken van kinderporno. Wij hebben het steeds over het hebben van afbeeldingen. Dat wordt flink aangepakt door de minister. Er wordt veel in beslag genomen. Maar eigenlijk zou de politie door moeten rechercheren, terug moeten rechercheren naar de makers ervan. Die plegen het seksueel misbruik en die zorgen ervoor dat het in de markt komt. Wat gaat de minister daaraan doen?

Minister Opstelten:

Dat gebeurt in de werkwijze die wij met elkaar hebben afgesproken, zoals de heer Oskam weet. Het is ook de inzet van de verdubbeling van het politieteam. Dit neemt niet alleen het materiaal weg – pak het daar af – maar volgt een veel bredere aanpak, waarin het doorrechercheren nu juist heel belangrijk is. Het gaat er inderdaad om dat je daders te pakken krijgt. Ook op de vraag hoe het daarmee gesteld is, krijgt de Kamer antwoord in de rapportage die eraan komt.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer. Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van het mondelinge vragenuur.