Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 75, item 5

5 Vragenuur

Vragen van het lid Lodders aan de staatssecretaris van Economische Zaken over het bericht "Wilde dieren veroorzaken 100 miljoen aan schade".

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Gisteren is een rapport gepresenteerd van het onderzoeksbureau CLM, waarin wordt geconstateerd dat wilde dieren jaarlijks verantwoordelijk zijn voor 100 miljoen schade in de landbouw. Het is voor het eerst dat de totale kosten en baten van vogels en zoogdieren die schade veroorzaken in de landbouw, in beeld zijn gebracht. De VVD is geschrokken dat deze dieren voor miljoenen aan schade berokkenen in de landbouw. Vooral de zwarte kraai, de kauw, de houtduif en het konijn gelden als echte kwelgeesten voor de boer. Deze niet-beschermde soorten, waarvoor boeren geen schadevergoeding ontvangen, joegen de agrarische sector in de periode 2008–2010 voor ongeveer 35 miljoen euro per jaar op kosten. De VVD vindt dit opmerkelijk omdat deze soorten vrijelijk mogen worden bestreden als zij schade aan landbouwgewassen veroorzaken.

Ook de beschermde soorten zorgen voor veel schade, namelijk 35,3 miljoen euro. Ganzen zijn hier de grootste boosdoeners. Boeren kunnen bij beschermde soorten een schadevergoeding bij het Faunafonds aanvragen. De overheid keert jaarlijks zo'n 22,3 miljoen euro uit aan schadebestrijding, terwijl de totale omvang van het fonds maximaal 18 miljoen euro bedraagt. De VVD concludeert dat het huidige instrumentarium niet voldoende is om de ganzenpopulatie te beheren en de schade te beperken.

Daarom de volgende vragen. Waarom is niet eerder onderzoek gedaan naar de totale kosten voor ondernemers en de overheid van de enorme schade die dieren veroorzaken in de landbouw? Kan de staatssecretaris aangeven of zij de conclusies en aanbevelingen van het rapport onderschrijft en op welke wijze zij de uitkomsten gaat betrekken bij de nieuwe Natuurwet? Is de staatssecretaris van mening dat ondernemers voldoende instrumenten voorhanden hebben om de schade, veroorzaakt door wilde dieren, tegen te gaan? Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat deze kosten ten laste gaan van de economische ontwikkeling? Zo ja, wat is zij bereid hieraan te doen? Deelt de staatssecretaris de mening van de VVD dat het huidige instrumentarium niet voldoende is om de ganzenpopulatie te beheren en de schade als gevolg hiervan te beperken? Bieden het G7-akkoord en de wet voldoende handvaten om de schade te reduceren tot het beschikbare budget?

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Economische Zaken, die zich voor de uitdaging gesteld ziet om in twee minuten tijd al deze vragen te beantwoorden.

Staatssecretaris Dijksma:

Voorzitter. Hartelijk dank. Dat zal ik graag doen. Het rapport heeft inderdaad een aantal interessante zaken aan het licht gebracht. Wat ik het meest interessant vond, en dat zal bij de Natuurbeschermingswet ook een rol spelen, is dat sommige diersoorten wel door boeren bestreden mogen worden, zoals de door mevrouw Lodders ook genoemde konijnen en duiven, maar dat dit kennelijk toch niet gebeurt. Dat werpt een interessant licht op dat debat. Dat is een conclusie uit het rapport waarover we zeker moeten nadenken, want dat zegt ook iets over wildbeheer in bredere zin. Ik denk dat ondernemers bij dit onderwerp op zichzelf voldoende instrumenten hebben, maar zij maken daar klaarblijkelijk niet altijd gebruik van.

Ik maak een paar opmerkingen over de kosten. Het lijkt een heel groot bedrag en dat is het op zichzelf ook, als je dat bij elkaar optelt. Een deel daarvan, bijna een kwart, wordt wel degelijk vergoed via het Faunafonds. Een deel moet ook door maatregelen worden opgevangen. Vanzelfsprekend worden die maatregelen niet alleen op kosten van de overheid genomen. In het rapport komt ook naar voren dat de productieopbrengst in totaal 5 miljard euro à 6 miljard euro is. Daarvan uitgaand is de schadepost 1,5% tot 2%. Ik denk dat Nederland daarmee een systeem heeft waarmee schade door beschermde vogelsoorten maar ook door andere diersoorten goed wordt bestreden en dat er ook sprake is van een zorgvuldige balans tussen economische ontwikkeling en onze zorg voor de ecologie.

Mevrouw Lodders vroeg of ik het huidige instrumentarium, ook met betrekking tot het ganzenakkoord, voldoende vind. Daar wil ik tot slot twee opmerkingen over maken. De Kamer, inclusief de VVD-fractie, heeft in het kader van het decentralisatieakkoord natuur besloten dat onder andere het faunabeheer in handen van de provincies moest worden gelegd. De provincies hebben nu samen een akkoord gesloten. Natuurlijk leggen zij dat aan ons voor, maar zij zijn wel aan zet. Ik heb steeds tegen de Kamer gezegd dat ik de provincies daarin wens te steunen. Het kan niet zo zijn dat er eerst vanuit de Tweede Kamer wordt besloten om de besluitvorming naar de provincies te verleggen en dat we het hier toch dunnetjes gaan overdoen als het ons om welke reden dan ook niet bevalt. Dat lijkt mij onterecht.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik bedank de staatssecretaris zeer voor de beantwoording. Ik hoor haar in ieder geval zeggen dat zij de input wil betrekken bij de ontwikkeling van de nieuwe natuurwet en dat wij daar zeker een debat over zullen hebben.

Toen het Rijk nog aan de lat stond, was de schadebestrijding een generiek dossier. Dat betekent dat het fonds altijd werd bijgevuld als de middelen niet toereikend waren. Er was geen prikkel om de schade fors in te perken. Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat voldoende instrumenten via wetgeving beschikbaar moeten zijn voor provincies en ondernemers om door wilde dieren veroorzaakte schade in te dammen? Die vraag stel ik nog nadrukkelijker in het licht van de economische schade die ik bij de tweede vraag naar voren heb gebracht.

Staatssecretaris Dijksma:

Zoals gezegd lijkt die schade nu 1,5% à 2% te zijn. Het is goed om dat percentage in ogenschouw te nemen. Daarnaast heb ik het vermoeden dat een gebrek aan instrumenten niet zozeer de achtergrond van het probleem is, want een deel van het probleem zit dus bij dieren die wel degelijk door boeren bestreden mogen worden. Kennelijk gebeurt dat niet. De grote vraag is: waarom niet? Ik zeg daar alvast bij dat het niet zo kan zijn dat wij ook dat deel op kosten van de overheid gaan bestrijden. Mevrouw Lodders en haar fractie letten goed op de centen. Dat doe ik ook. Het lijkt mij goed om daar van tevoren helderheid over te bieden: meer geld komt er niet.

Mevrouw Lodders (VVD):

Wederom dank voor de beantwoording. Ik pleit niet voor meer geld, want wij zijn allebei zeer zorgvuldig met betrekking tot onze overheidskas, maar de VVD vindt het ontzettend belangrijk dat er voldoende instrumentarium beschikbaar is om de kosten van 100 miljoen euro per jaar in ieder geval zover mogelijk terug te dringen.

Staatssecretaris Dijksma:

Volgens mij was dat een conclusie en geen vraag.

De voorzitter:

Dat klopt.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

De VVD zet het beeld neer dat vogels en andere dieren economisch alleen schadelijk zijn, maar er zijn ook heel goede onderzoeken gedaan naar de meerwaarde van bijvoorbeeld mezen, die in de fruitteelt zorgen voor een betere productie, en ganzen, die onder goede omstandigheden zorgen voor een hogere graanproductie. Ik wil het beeld dus een beetje bijstellen, maar mijn vraag gaat over het feit dat uit onderzoeken van het PBL en van Natuur en Milieu blijkt dat de landbouw zelf ongeveer 1,2 miljard aan economische schade veroorzaakt door ammoniakuitstoot. Hoe moeten wij daar volgens de staatssecretaris mee omgaan?

Staatssecretaris Dijksma:

Staatssecretaris Mansveld sprak bij het vorige onderwerp. Wij trekken samen op om ook op dit onderwerp ervoor te zorgen dat toekomstige generaties mensen goed kunnen toeven in dit land en er ook toekomstige generaties boeren zijn. Wij hebben dus belang bij het terugdringen van de uitstoot van schadelijke stoffen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Wie per se levende wezens wil aanmerken als schadelijke soorten zou toch ook moeten erkennen dat de schadelijkste soort nog altijd de westerse mens met zijn hebzucht is. Misschien is die soort ook nog wel oververtegenwoordigd in een bepaalde politieke partij, maar dat terzijde.

Het valt mij op dat de staatssecretaris in haar betoog niet aangeeft waar de cijfers vandaan komen. De cijfers van het Faunafonds worden niet betwist, maar verder is er vooral aan boeren zelf gevraagd wat zij vervelend vinden en hoeveel schade dit naar hun mening oplevert. Verwachtte de staatssecretaris dat dit een heel objectieve meting zou opleveren of denkt zij dat de cijfers misschien toch ook wel wat gekleurd zijn?

Staatssecretaris Dijksma:

Ik heb zelfs begrepen dat het is gevraagd aan boeren die schade hebben geleden. Ik begrijp natuurlijk wel dat zij bepaalde antwoorden geven als zij die schade in ogenschouw nemen. Het is opvallend en interessant dat uit het onderzoek blijkt dat men de schade die men zelf kan bestrijden, laat liggen. Los van de precieze cijfers – want dit is een onderzoek gebaseerd op enquêtes, daar heeft mevrouw Ouwehand gelijk in – brengt dit een aantal interessante gegevens met zich. Wij kunnen daarover discussiëren in het vervolgdebat in de Kamer over onder andere wildbeheer; een onderwerp dat naar ik verwacht de leden allen raakt vanuit verschillende achtergronden. Laten wij dat open doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mevrouw Lodders vroeg namens de VVD aan de staatssecretaris om dit mee te nemen bij de nieuwe natuurwetgeving. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het vogelvrij verklaren van soorten kennelijk niet werkt en dat dit geen goede aanpak zou zijn als je de schade in de landbouw wilt beperken?

Staatssecretaris Dijksma:

Het lijkt mij verstandiger dat ik een antwoord op die vraag geef op het moment dat ik dat antwoord moet geven. Dat zal ik doen in de nota van wijziging bij de natuurwetgeving die ik naar de Kamer zal sturen. Dan kunnen wij daar met elkaar over spreken.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Het is goed dat de staatssecretaris aangeeft dat de huidige instrumenten onvoldoende worden gebruikt. Daar lijkt mij echter wel aan verbonden dat die huidige instrumenten in ieder geval overeind moeten blijven. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de landelijke vrijstellingslijst. Deelt de staatssecretaris mijn mening dat die landelijke vrijstellingslijst moet blijven bestaan?

Staatssecretaris Dijksma:

De heer Dijkgraaf doet eigenlijk hetzelfde als mevrouw Ouwehand, maar met net een andere vraag. Het antwoord blijft hetzelfde. De Kamer hoort van mij op het moment dat ik haar de nota van wijziging stuur. Dit is een kwestie van instrumenten die wij willen kiezen voor het wildbeheer. Dat er sprake moet zijn van wildbeheer, lijkt mij evident. Volgens mij is er bijna niemand in de Kamer die van mening is dat dit niet nodig zou zijn. Hoe wij dat gaan doen, wil ik graag met de Kamer bespreken, maar dan op een later moment.

De voorzitter:

Dank u wel en dank voor uw komst naar de Kamer.