Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 86, pagina 7184-7185

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 19 mei 2010 over Europa en het Nederlandse vreemdelingen- en asielbeleid.

De voorzitter:

Wij beperken ons tot het indienen van moties. Zo nodig, als u het echt niet begrijpt – maar met uw vooropleiding kan ik mij dat niet voorstellen – mag u een enkele vraag stellen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. Onder deze minister worden nog steeds gezinnen met kinderen op straat gezet. Ik vind dat niet wenselijk en met mij het Europees Comité voor Sociale Rechten. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kinderen recht hebben op extra bescherming en dat er op dit moment gezinnen met kinderen zijn die, ondanks dat zij rechtmatig in Nederland verblijven, geen opvang krijgen;

van mening dat voorkomen moet worden dat gezinnen met kinderen op straat belanden en in de illegaliteit terechtkomen;

verzoekt de regering, onmiddellijk te stoppen met het op straat zetten van gezinnen met kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven en voor overige gezinnen met kinderen ruimhartig om te gaan met het bieden van opvang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Velzen, Azough en Spekman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1342(19637).

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het asiel- en immigratiebeleid zo cruciaal is voor onze samenleving dat Nederland dat in eigen hand moet houden;

constaterende dat Europese bemoeienis een restrictief toelatingsbeleid ernstig in de weg staat, hetgeen onder meer blijkt uit het niet kunnen stellen van een strenge inkomenseis bij gezinsvorming en uit het minder belangrijk worden van persoonlijke omstandigheden bij de toelating van asielzoekers;

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat Nederland bij de toelating van migranten niet gebonden is aan Europese regels door op dit gebied een zogenaamde "opt-out" te bewerkstelligen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1343(19637).

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik reageer graag op deze twee moties die qua denkrichting zo scherp tegenover elkaar lijken te staan als wij ons maar kunnen voorstellen.

Om te beginnen merk ik op dat wij gisteren een uitgebreid algemeen overleg hebben gehad over het asiel- en migratiebeleid. In dat overleg heb ik uiteengezet dat het beleid, waar ik verantwoordelijkheid voor draag en in de voorgaande drie jaren verantwoordelijkheid voor heb mogen dragen samen met voormalig staatssecretaris Albayrak, erop gericht is om in de volste zin van het woord rechtvaardig te zijn. Dat betekent dat je het vermogen moet hebben om "ja" te zeggen tegen de mensen die bescherming behoeven en die het slachtoffer dreigen te worden van vervolging en van onmenselijke en vernederende behandeling in andere landen. Het moet echter ook mogelijk zijn om "nee" te zeggen als na onderzoek blijkt dat er geen reden is om asiel te verlenen en "ja" te zeggen als het gaat om mensen die wij in het kader van de economische en technologische ontwikkeling van Nederland graag hierheen zien komen. Daartoe heb ik het voorbeeld genoemd van de High Tech Boulevard in Eindhoven. Je moet ook "nee" kunnen zeggen als mensen voorwenden vluchteling te zijn, maar na onderzoek door de rechter, met alle toetsingen die daarvoor bestaan, uiteindelijk blijkt dat zij dat niet zijn. Dan is de regel van onze wet dat men dient terug te gaan naar het land van herkomst. Om dat beleid uit te voeren, moet je dus in staat zijn om ja te zeggen als het past, maar ook om nee te zeggen als het niet past.

Wij hebben een heel goed uitgewerkt stelsel van opvang. Ik heb daar eergisteren nog over gesproken in de Eerste Kamer, die met een zeer grote meerderheid het wetsvoorstel voor de herziening van de asielprocedure heeft aanvaard. Ik heb toen ook uiteengezet dat er echt is voorzien in voorzieningen voor mensen die het recht hebben om hier te verblijven. Dat geldt ook voor de mensen die na onderzoek het land dienen te verlaten. Als een asielverzoek definitief is afgewezen, is er nog een termijn van 28 dagen waarbinnen de asielzoeker het vertrek kan realiseren. In die periode wordt opvang geboden. Dat is geregeld in ons nieuwe beleid, dat ik voorgaande jaren met staatssecretaris Albayrak heb verdedigd. Daarom zeg ik "ons beleid". Het is het beleid van dit kabinet. Ik heb de eer dat nu te verdedigen in de Kamer. De opvang wordt gedurende die vertrektermijn dus niet beëindigd.

Wij hebben bovendien de mogelijkheid gecreëerd om in een periode van in beginsel maximaal twaalf weken, mensen te plaatsen in een vrijheidsbeperkende locatie. Natuurlijk is er voor een beperkte tijdsduur ook de mogelijkheid van vreemdelingenbewaring. Als ik dit geheel overzie, gaat de motie van mevrouw Van Velzen en anderen dus eigenlijk over een situatie die wij ons niet kunnen voorstellen, behoudens wellicht in zeer uitzonderlijke situaties, waarin de specifieke regelingen niet voorzien. Daarover heb ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten echter afgesproken dat er dan wordt gekeken naar een oplossing voor een crisis in het onderbrengen. Dat geldt ook voor gezinnen met kinderen, waarbij wij er natuurlijk bij uitstek op gericht zijn te voorkomen dat die op straat terecht komen.

In de motie staat: verzoekt de regering om onmiddellijk te stoppen met het op straat zetten van gezinnen met kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven. Dat gaat echter uit van de verkeerde veronderstelling over ons beleid en over de wijze waarop wat dit aanpakken. Ik zie de handtekening van de heer Spekman ook onder de motie staan. Hij heeft alle debatten gevolgd, ook die met de toenmalige staatssecretaris van Justitie. Ik begrijp dan ook niet dat hij deze motie mee heeft ondertekend. Wij hebben alle voorzieningen getroffen en er is uitgebreid over gesproken. Over de noodsituaties heb ik pas nog met de VNG de nodige afspraken gemaakt. Gegeven het feit dat deze motie slaat op situaties waarin wij hebben voorzien en lijkt te vragen om iets dat niet aan de orde is, moet ik haar ontraden.

Dan de motie van de heer Fritsma. De heer Fritsma geeft in zijn motie en de toelichting die hij heeft gegeven eigenlijk het gevoel dat wij last hebben van de Europese en internationale samenwerking. Ik heb daar gisteren en bij andere gelegenheden al over gesproken. Het is goed, nodig en waardevol voor ons land en voor alles wat wij aan waarden en idealen voor ogen hebben, dat wij die Europese samenwerking hebben. Wij willen toch dat de rechten van de mens worden beschermd? Wij willen toch ook dat er in Europees verband effectief wordt opgetreden om bescherming te bieden aan mensen die vervolgd worden? Wij willen toch dat wij het vrije personenverkeer realiseren binnen de Europese Unie, waarvan zo veel Nederlanders en Nederlandse ondernemers gebruik maken om hun bijdrage in de Europese Unie te leveren? Dan moeten wij ons nu niet selectief tegen die Europese samenwerking keren. Integendeel, ons beleid is erop gericht en moet erop gericht blijven om in Europees verband effectief op te treden, om in Europees verband een gezamenlijk asielstelsel te ontwikkelen en om ervoor te zorgen dat asielverzoeken in de verschillende lidstaten gelijkelijk worden beoordeeld. Dat doen wij natuurlijk ook opdat wij ervoor kunnen zorgen dat degenen die in andere lidstaten asiel hadden kunnen aanvragen maar dat niet hebben gedaan – of dat wel hebben gedaan en vervolgens naar Nederland terug gaan – met toepassing van de desbetreffende Europese regels kunnen worden verwezen en teruggestuurd naar de andere lidstaat, waar hun zaak verder moet worden onderzocht. Wij moeten ons dus niet keren tegen deze Europese samenwerking, die voor onze samenleving waardevol en nuttig is. Daarom ontraad ik de motie van de heer Fritsma.

Mevrouw de voorzitter, ik weet dat u over enkele minuten de minister-president verwacht, die met de Kamer zal spreken over het beleid van ons kabinet. Ik realiseer mij dat dit de laatste vergadering is waarin ik met de Kamer in deze samenstelling van gedachten mag wisselen, tenzij er daarvoor de komende weken nog een bijzondere aanleiding is. De meeste aanwezigen hoop ik terug te zien in de Kamer in nieuwe samenstelling. Dat zal naar menselijke berekening helaas niet het geval zijn voor mevrouw Van Velzen. Ik wil haar graag bedanken voor de waardevolle gedachtewisselingen van de afgelopen jaren. Dat wil ik ook heel in het bijzonder doen aan het adres van de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie, Marleen de Pater-van der Meer. Ik heb met de voorzitter van uw vaste commissie voor Justitie, Marleen de Pater, een buitengewoon plezierige samenwerking gehad, gericht op grondige discussies over alles wat op het mooie en brede beleidsterrein van Justitie omgaat. Met uw toestemming wil ik haar daarvoor vanaf deze plaats graag zeer hartelijk bedanken.

De voorzitter:

Ik dank u. Ik denk dat via de Handelingen uw terechte vriendelijke woorden mevrouw De Pater zullen bereiken. Ik denk dat ik namens de Kamer kan zeggen dat wij, hoewel u topscorer was qua aanwezigheid in de Kamer, nooit de indruk hebben gekregen dat u dat te veel moeite vond. Integendeel, ik heb het idee dat u de ontmoetingen en de debatten met de Kamer altijd zeer hebt gewaardeerd. Vanaf mijn kant ook dank voor de prettige samenwerking.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen bij de eindstemming over de moties stemmen.

De vergadering wordt van 11.00 uur tot 11.15 uur geschorst.